VII.
Margaretha Meijboom translation
Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, die uitzagen op den tuin van het huis—een ouderwetsche, stille stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. ’s Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en ’s winters lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van ’t onbetreden grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor stapten en de pooten schudden.
De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor den chef stond een prachtig bronzen inktkoker—de godin van ’t geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; ’t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara met eigen handen met bloemen beschilderd.
In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en teekeningen en fotografieën van Fortuna.
Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam en berichten van en aan den principaal bracht.
Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan ’t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.
’t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af te nemen.
Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets te vullen. Toen kreeg hij smaak in ’t financieele leven en liet er zich geheel door meesleepen.
Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl zich aan ’t hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als ’t ware opgroeiden in zijn voetstappen—onder zijn handen, en die plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en welvaart in ruimen kring verspreidden. ’t Groote vermogen van zijn vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.
Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die op het bedrijf betrekking hadden en deze „Fortunawissels”—zooals zij in het kantoor genoemd werden—liepen met zijn eigene samen over al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van ’t werken van ’t huis kreeg. ’t Was intusschen niet alleen door ’t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, werden ze telkens vernieuwd.
Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan ’t eind van de wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw wisselstroompje werd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.
Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan achteraan kwam Christensen,—hij, die vroeger altijd de eerste was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en „interessentskaber,” bezette alle posten, bestuurde de banken, en hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.
Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen—hoog geacht en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in leven en sterven—allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede houden moest.
Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,—het eenige wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige overtuiging uit te spreken.
Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag met welbehagen rond in zijn kantoor.
Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had hij gevoeld hoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.
En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde de aanbidding.
Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde—ja, dat een zekere nonchalance tegenover kleinere collega’s tot de voorrechten van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als eigenmachtigheid zich op wilde werken.
Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten met groote sprongen over ’t grasveld stoven met de staarten in de hoogte, om in huis te komen.
De professor was wat zenuwachtig—bijna plechtig gestemd; zijn zoon had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, de huisdokter van de jongelui boven, was ook in ’t kantoor geweest om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw aanstaande was.
Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.
Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.
De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur toch vandaag? Ze waren pas—eergisteren—bij elkaar geweest op de bestuursvergadering van de fabriek; ’t ging niet heelemaal zoo goed daar, als men verwacht had.
De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de groote gebeurtenis boven bij de jongelui.
„Goeden morgen—Mijnheer Christensen!—Gaat u uit in dien storm?”
„Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht te zeggen.”
De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; dat stond den professor ook niet aan.
„Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, die ik—ten minste voorloopig—niet op een bestuursvergadering wil aanroeren.”
„Ja, dat dacht ik wel;—Mijnheer Christensen schrikt gauw.”
„Ja zeker, al te gauw,” antwoordde Christensen goedig; „maar ik ben om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen.”
„Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek.”
„Daar hebt u gelijk in—Professor, dat kan men niet,” antwoordde de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn stoel en streek zich over ’t gezicht, ernstig en waardig met al de zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den toestand voelde.
De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar krans reikte.
Een oogenblik stilte—dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.
„’t Is geen uitlokkend reisweer,” zuchtte de bankdirecteur.
„Moet u op reis?”
„Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk.”
„Maar dat doet u toch nog vooreerst niet.”
„’t Zal niet zoo lang duren; want van ’t jaar wil ik ’t eerste seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten van ons—groot en klein—zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen.”
„Dat geloof ik volstrekt niet,” riep de professor levendig. „Lieve hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich een stuk in den kraag te drinken,—geen muziek, geen theater, geen openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat ’t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal; ik wil liever hopen, dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, vroolijker leven voor groot en klein.”
„Ja, laat ons dat hopen—Professor. ’t Doet goed u zoo vol vertrouwen te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt.”
„Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet.”
„Die gaan nu niet allen even goed.”
„U bedoelt...?”
„Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar bedrijfskapitaal te kort komen zal.”
„Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten voorraad, waarvan de verkoop...”
„waarvan de verkoop ons schade geven zal,” viel de bankdirecteur hem kalm in de rede; „en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo’n geduldig crediteur—dat geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden.”
„Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt,” antwoordde de professor met een handbeweging.
„Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar.”
De professor maakte een ongeduldige beweging. ’t Had hem moeite genoeg gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.
„Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen te vragen en dat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,” zuchtte de bankdirecteur.
„Neen—nu moet ik werkelijk lachen!—vindt u, dat u te veel aandeelen in Fortuna hebt?”
„Wilt u er misschien vijf van koopen?”
„Koopen?—nu, goed dan!—Ik koop vijf van uw aandeelen.”
„Wat geeft u er voor?”
„Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari.”
„Goed,” zei de bankdirecteur. „Duizend gulden per aandeel. Wilt u er soms meer hebben?”
„U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen,” lachte de professor wat gedwongen.
„Ik slaap nooit goed in ’t voorjaar,” antwoordde de andere droog en stond op; ’t scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.
Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: „U moogt uw aandeelen terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen.”
„Dank u zeer,” antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging heen door ’t bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,—dat was alles. En toch scheen ’t hem alsof er iets was bijgekomen, dat er vroeger niet geweest was—of iets weggenomen.
Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu toe was alles goed gegaan, allen hadden hem bewonderd met ’t volste vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan dat, als hij—Carsten Lövdahl—eerst zich verwaardigde koopman te willen worden, dan moest hij—dat sprak van zelf—in alle opzichten boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen leefde.
Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!
Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met leege handen—een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren ze profetieën.
Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, ging naar ’t middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, ingesloten tuin, waar de storm huishield.
Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van ’t huis was.
Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel om en dacht in eens weer aan den toestand boven.
Maar ’t was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse’s dik lichaam kwam voor den dag,—waardig, maar wat verlegen—in de lage deur.
„Pardon, Professor!—ik maak gebruik van mijn kennis van uw huis, die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren doorgaan. Dr. Bentzen vertelde ’t me; en toen meende ik, dat een bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon doen; dit is immers een oogenblik—een gebeurtenis zoo verblijdend in ’t einde—dat willen we ten minste bidden en hopen.”
„Ik dank u, dominé,—dat is heel vriendelijk van u.”
„Hoe staat het er nu meê?”
„Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;—maar ’t is toch altijd...”
„Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan te roepen.”
De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden door tegen den storm in te loopen.
De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem aan te pakken.
En de predikant scheen even erg in de war. ’t Ging weer juist als de laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te spreken. Vandaag was ’t nu iets anders; maar de pauze werd lang en de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde ’t eene been over ’t andere, zag van de godin van ’t geluk naar den kapelaan en zei—zoo in ’t voorbijgaan:
„Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?”
„Ja, Professor!—dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna.”
„Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad.”
„Zeker, zeker!”
„En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen.”
„Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst.”
„En die wordt van ’t jaar niet minder.”
Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw Clara te vergeten, die daarboven lag.
Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn borstzak maakte:
„U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, als ik een beetje over had.”
Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel een pak van den bankdirecteur Christensen.
De professor maakte het open; ’t waren de vijf aandeelen voorzien van de formeele overschrijving.
„Hij heeft haast,” mompelde de professor geërgerd.
„De bode wacht,” zei Marcussen.
„Waar wacht de bode op?”
Marcussen fluisterde: „Ik geloof dat hij iets van contant geld zei.”
De professor week achteruit: „Nu dadelijk! na banktijd?—wat zijn dat voor praatjes!—Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten.”
Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, die precies op ’t beeldje op den inktkoker leek.
De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:
„Zijn dat aandeelen in de fabriek?”
„Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij gelaten heeft.”
„Verkoopt hij ze dan?” vroeg Kruse voorzichtig.
„Neen, verre van daar! ’t was een oude afrekening, een liquidatie, eigenlijk een soort vriendelijkheid.”
„Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?”
„Ik weet het waarlijk op ’t oogenblik niet. We zullen ’t Marcussen vragen.”
Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: „’t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven pari.”
„Ja, natuurlijk,” antwoordde de professor en boog zich ver achter den lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed naar de wangen stijgen; ’t was voor ’t eerst, dat hij een zaak als deze probeerde.
De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad met zijn dikke hand.
„Mooie papieren,” zei hij glimlachend. „Was het niet 7 procent verleden jaar?”
„Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar... een idee! dominé!” riep de professor vroolijk, „neem u ze! ’t zijn juist stukken voor u; hebt u er lust in—als ’t u belieft!... vijf stuks.”
„Wilt u ze verkoopen, Professor!”
„Ik wil mijn belofte houden: u te helpen.”
„O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn.”
„Och, daar worden we ’t wel over eens,” meende de professor. Hij keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. ’t Was voor ’t eerst, dat hij koopman in ’t klein zou zijn; hij voelde hoe de grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen—de grenzen, tusschen dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.
Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die iets achtergelaten, een herinnering—een richting aan zijn gedachten gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.
Nu hij eenmaal koopman was, moest hij ’t ook heelemaal zijn. ’t Ging niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien—op deze zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, en kon hij ’t eene oogenblik een waar koopen en die in ’t volgende wat duurder verkoopen—dat was immers ’t principe van den handel,—volkomen „fair play”. Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:
„Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor een duizend en vijftig gulden per aandeel; dat is vijf procent boven ’t betaalde bedrag.”
„Staan ze niet hooger?”
De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:
„Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar...”
„Dank u wel!—ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u.” Op ’t gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.
„Wel, dat mag ik graag zien,” riep de professor, „een contante post.”
En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna het overige in kleine biljetten te samen f 5250.
De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:
„U hebt zeker een groot gedeelte van ’t vermogen van uw vrouw in de zaak van Mijnheer uw vader gestoken?”
„Neen,—Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past.”
„Dat kan ik me wel begrijpen,” lachte de professor, „Jörgen Kruse heeft zeker geld genoeg.”
„Denkt u dat?”
„Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal zooveel hebben.”
„Hoe dat?”
„Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn inkomen verdubbelen.”
„Meent u dat werkelijk?”
Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn jas toeknoopte en afscheid nam.
Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.
Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en procenten eindigde,—vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.
Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem weer terug: „Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen.”
„Juist wat ik dacht; we moeten hopen—hopen en bidden,” zei de predikant en stak zijn hand uit; en ’t was hun beiden, terwijl ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.
Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den knop voor de electrische bel.
„Marcussen—geef dezen brief aan de bode van Christensen.”
Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, telde ze en borg ze zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen à pari had gekocht; hier had hij in een half uur tweehonderdvijftig gulden op diezelfde papieren verdiend.
Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, en eindigde bij de godin van ’t geluk, die hem half zwevend haar krans toereikte.
Op ’t zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam binnenstuiven—bleek, met ’t gezicht van aandoening vertrokken. De tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij ’t zelf wist. Hij wierp zich in de armen van zijn vader:
„Een zoon—Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke jongen!”
„Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij geloofd!”