ILOILO EN PANAY.
Reading edition
Bij de komst der Spanjaarden vonden zij het district bezet door beschilderde Indianen, vol bijgeloof, dat, niettegenstaande het onderrigt van de Augustijner-monniken, nog altijd voortheerscht, vooral ten tijde van openbare ongelukken. Zij behooren onder de best gevormde der Indianen, spreken een dialect van het Bisajaansch, dat zij Hiligueyna noemen, maar in de meer verwijderde gedeelten komt een andere tongval, het Halayo, meer voor. De Augustijnen bogen er op 50,000 familiën in 1566 te hebben bekeerd, maar zij konden hen niet bewegen hunne landen te bebouwen en hunne overproducten in te zamelen, en toen de sprinkhanen het district hadden verwoest, kwam meer dan de helft van de bevolking in de twee volgende jaren van honger om. Maar de zendelingen maakten geen vorderingen onder de Negritos, die in de woestere gedeelten van de bergachtige streken woonden en waarheen menigeen zich begaf, die zich aan de magt der vijanden wenschte te onttrekken. Deze wilden hebben niet zelden de dorpen aangevallen van de bekeerde Indianen, maar in latere jaren hebben zij het voorzigtiger en voordeeliger geacht daarheen hun was en pek te brengen en ze voor rijst en kleederen te ruilen. Zij hebben geen algemeenen bestuurder, maar iedere stam heeft zijn erkend hoofd, en men zegt, dat, wanneer zij tot de keus moeten overgaan van een opvolger voor een vertrokken hoofd, zij deputatiën naar de zendelingen zenden en deze hunnen raad en bijstand in hunne keus vragen. Vroeger werd het district dikwijls door zeeroovers aangevallen, die groote verwoestingen aanrigtten en verscheidene steden vernielden. In 1716 vielen de Hollanders de sterkte van Iloilo aan, doch werden gedwongen af te trekken na een belangrijk verlies aan dooden en gewonden. Er heeft eene groote vermeerdering in de bevolking plaats gehad, die in 1736 bedroeg, 67,708, in 1799, 176,901 en in 1845, 277,571 zielen; terwijl bij den laatsten census er 527,970 inwoners bleken te zijn, waarvan 174,874 belasting betalen. Er is een klein aantal Spanjaarden; daarentegen zijn er vele mestizen, waarvan de meesten sangleys zijn, de afstammelingen van Chinesche vaders en inlandsche moeders. De vermeerdering van de bevolking moet groot zijn, daar de census in 1857, 17,675 geboorten en slechts 9,231 sterfgevallen gaven.
Men komt naar Iloilo door een kanaal tusschen een zandbank (die bijna een mijl de grenzen overschreden heeft, in de kaarten aangegeven) en het eiland Guimaras. De stad schijnt nabij, als men ze nadert, maar de rivier, waardoor de vaartuigen komen, maakt eene belangrijke kronkeling en loopt rondom digt bij de stad. Wij ontdekten eene groote fortificatie, maar het kon voor ons geene salutschoten doen, en wij werden daardoor ontheven van den pligt om H. M. kruid te verschieten, maar zoo niet in den vorm van veel geraas makende groeten, betoonden de Spaansche autoriteiten toch de meeste hoffelijkheid jegens de officieren en het scheepsvolk van ons fregat, voor de dienst en het onderhoud waarvan al het mogelijke werd gedaan. Wij werden spoedig begroet door een heer van het Britsche vice-consulaat. De vice-consul keerde naar Iloilo terug, den dag na onze komst. Het zou inderdaad goed zijn, als alle Britsche ambtenaren zooveel bekwaamheid, kennis en geneigdheid om nuttig te zijn bezaten als wij in den heer Loney vonden, waaraan de handel van de Philippijnen in het algemeen en de haven van Iloilo in het bijzonder, groote verpligtingen heeft. Hem, meer dan een ander, is de ontwikkeling van den handel van Panay veel verschuldigd.
Vooral van den gouverneur van Iloilo, kolonel José Maria Carlès, ondervond ik zeer veel goedheid. Hij ging onder eene treurige ramp gebukt—rampen komen overal op de wereld voor—het verlies van een eenigen en veelbelovenden zoon, die hem als gouverneur van de provincie voorgegaan en zoo algemeen bemind was, dat het volk ernstig bij den Kapitein-Generaal er op aandrong, dat de vader hem mogt opvolgen, hetgeen werd toegestaan. Het was treffend de verschillende blijken van de sympathie en het leedwezen des volks te zien, die den dood en de begrafenis van Don Emilio Carlès vergezelden, wien niet minder dan 50 rijtuigen naar zijn graf in Arévalo volgden. Ik ging meer dan eens met den treurenden vader door het dorp; ten tijde dat ik zelf onder hevige smarten gebukt ging, vond ik dien troost bij het herdenken van en de herinnering aan anderen van de deugden des overledenen. Deze zijn de beste monumenten, hoezeer zij niet op steenen tafels zijn geschreven.
De principalia van Molo kwamen ons op een bal verzoeken, dat in het meeste genoegen afliep. De plaats is zeer nijver; zij was in oude tijden eene Chinesche kolonie en wordt nu bewoond door mestizen en hunne afstammelingen, waarvan de meeste met Chineesch bloed vermengd zijn. De pueblo telt 16,428 inwoners, waarvan 1,106 mestizen zijn. Het is eene der drukste steden van het eiland en alles ziet er voorspoedig en werkzaam uit. In sommige woningen vindt men in hetzelfde vertrek vele werktuigen, waarmede pina-stoffen worden vervaardigd. De plaats was bij gelegenheid van het bal schitterend geïllumineerd en de gobernadorcillo hield eene redevoering in het Spaansch, waarbij hij verklaarde dat de plaats zeer vereerd was door onze tegenwoordigheid, en dat de herinnering aan dezen dag hun lang zou bijblijven. Vele mestizen houden rijtuigen, die ter beschikking van onze vrienden werden gesteld en die zich bij den optogt voegden, toen wij met muziek en vuurwerk door de stad begeleid werden. Molo is een eiland, dat door twee beeken wordt gevormd en waarop men aan beide zijden over bruggen komt. Ik meen dat het eene der weinige plaatsen is, die door een wereldlijken geestelijke worden bediend. Zij ligt vier mijlen van Iloilo, de weg is goed en men ziet vele Indiaansche huizen aan beide zijden van den weg. Achter bijna al deze vindt men tuinen, waarin plantanen, kokosnoten, broodvruchten, cacao, betel en andere gewassen groeijen. De suikerkultuur scheen uitgestrekt te zijn en men heeft vele padievelden benevens eene groote maïs-kultuur.
De Gouverneur en Britsche vice-consul vergezelden ons op onze genoegelijke uitstapjes in het binnenland, waarbij wij sommige der meest bevolkte pueblos van de provinciën bezochten. Wij reisden in gemakkelijke rijtuigen, terwijl de monniken of de gobernadorcillos ons van versche paarden voorzagen; in de kloosters werden wij gewoonlijk ontvangen en wij vonden daar steeds het meest gastvrije onthaal. Wij hadden een dag bepaald om Janiuay te bezoeken en wij hielden eerst te Jaro, een pueblo van meer dan 22,000 zielen, halt. De wegen waren op de gewone wijze versierd; van de Indiaansche hutten wapperden de vlaggen, de principalia te paard kwamen tot ons geleide en de inlandsche muziekkorpsen vergezelden ons toen wij het volkrijke gedeelte der stad intraden en verlieten. Jaro wordt als de rijkste plaats op het eiland Panay geacht. Het werd in 1584 of 1585 gesticht. Op eenigen afstand rondom de plaats wordt veel verbouwd. Zij boogt op hare steenen brug, die meer dan 700 voet lang en 36 voet breed is. De bouw daarvan, even als de daarstelling van de uitmuntende wegen, die naar de pueblo geleiden, is men verschuldigd aan de milddadigheid van een’ geestelijke, die door zijn’ souverein wegens zijne vaderlandslievende opofferingen tot ridder werd gemaakt. Ofschoon het land vlak is, maakt het rijke gewas aan de oevers der stroomen en langs den hoogweg het landschap schilderachtig. Er worden vele fijne stoffen en katoen, pina en zijde vervaardigd. Deze fabrikaten worden te koop gebragt op eene wekelijksche markt, die donderdags gehouden en druk bezocht wordt door lieden uit alle deelen der provincie; zij is de grootste van de Iloilo-missen. Van Jaro begaven wij ons naar Santa Barbara, een pueblo van 23,000 zielen. Hier werden wij in het klooster der Augustijner-monniken ontvangen, in wier handen al de geestelijke ambten van Iloilo zich bevinden; aan een hunner hadden wij het genoegen om hem naar Manilla mede te nemen, waarheen hij zich moest begeven als afgevaardigde op de jaarlijksche vergadering van de broederschap. Hier bezochten ons andere Augustijner-monniken, die ons allen uitnoodigden van de gastvrijheid in hunne ruime kloosters gebruik te maken. Santa Barbara is eene nieuwerwetsche stad, die in 1759 is gebouwd en onder de speciale bescherming staat van den heilige, wiens naam zij draagt. Zij heeft in de algemeene welvaart der provincie gedeeld: in 1820 had zij geene fabrieken, maar zij heeft thans eene wekelijksche markt tot verkoop van de producten harer werktuigen, die hoofdzakelijk bestaan uit katoen, zeildoek, matrassen, dekens, enz. De bosschen leveren fijn timmerhout en materialen voor kabinetwerk en zijn gevuld met wilde bijen, wier was en honig een belangrijk artikel van trafiek vormen. De rijtuigen en paarden der monniken waren uitmuntend. Onze volgende pleisterplaats was Cabatuan, dat iets grooter dan Santa Barbara is. Cabatuan werd in 1732 gesticht. Zij ligt aan de oevers van de rivier Tiguin, die somtijds bijna droog is en op andere tijden het land sterk overstroomt. De talrijke krokodillen maken het visschen onveilig en de scheepvaart zelfs van kleine booten wordt dikwijls afgebroken, hetzij door den overvloed, hetzij door het gebrek aan water. Er is veel productie van rijst en van kokosnoten-olie tot verlichting. Van Cabatuan gingen wij naar Janiuay, waarmede wij onze dagreize en ons bezoek in het binnenland eindigden. Deze plaats wordt op de oude kaarten der provincie Matagul genoemd en telt ongeveer hetzelfde aantal inwoners als Santa Barbara. Het klooster en de kerk staan op een eenigzins hoogen grond en leveren een schoon gezigt op over de pueblo en het omringende land. Vele vrouwen houden zich met den arbeid aan de werktuigen bezig, maar de landbouw is de voornaamste industrie van den omtrek. Wij hadden gehoopt den Dingle-berg te bezoeken, waarvan een der holen of grotten het aanzien moet hebben van een tempel van schilderachtigen bouw, met rots-kristal en massa’s marmer en albast versierd, die de wanden vormen, terwijl een ander hol uit graniet bestaat, waarvan men veel op deze plaats vindt,—maar wij moesten naar Iloilo terugkeeren om met voorname personaadjes aan een diner deel te nemen, dat, als gewoonlijk, door een bal werd gevolgd. Daar het huis van den gouverneur zich op eenigen afstand van de stad bevond, werden wij beleefd onthaald in dat van een der inlandsche kooplieden, lief aan de kade van de rivier gelegen. Verscheidene monniken, die onze gastheeren geweest waren, vonden wij hier als gasten, en het gulle onthaal, dat wij hier ondervonden, regtvaardigde niet de voortdurende beleefde betuiging van leedwezen over het verschil in de ontvangst, de lompheden van de inlandsche bedienden (waarmede wij ons soms vermaakten) en het contrast tusschen de gemakken, die Europa en die welke eene afgelegene Spaansche kolonie op de Philippijnen konden aanbieden; maar er heerschten zulk eene gulheid, goed onthaal en vriendschappelijkheid, dat het onmogelijk was anders dan dankbaar en tevreden te zijn en wanneer wij op dit ondermaansche al doen wat wij kunnen, volbrengen wij ruim onzen pligt.
Den volgenden dag verlieten wij Iloilo. De gouverneur en verschillende van de voornaamste lieden, waaronder zich eene groote groep Augustijner-monniken bevonden, vergezelden ons met muziek naar het schip. Drie luide uitroepen van een dankbaar hoerah deden zich van ons dek hooren en werden vriendschappelijk door onze gastheeren beantwoord en zoo wenschten wij Iloilo het vaarwel en voortdurend welzijn toe.
Ik heb sir William Hooker, ten behoeve van het Museum der Koninklijke tuinen te Kew, zestig soorten van hout gezonden, dat in de noordelijke en westelijke districten van het eiland Panay en in de provincie Antigue groeit, waarvan de voornaamste zijn: het molave, het nuttigste en meest vaste van de Philippijnsche houtsoorten, dat voor alle bouwwerk wordt gebruikt; bancaluag, voor fijn werk; dungon, voor schepen en gebouwen; bagoarour, bouw- en kabinetwerk; lumati, eene soort van teak; guisoc, eene buigzame soort voor schepen en huizen; ipil heeft gelijke verdiensten; naga, dat op mahony gelijkt en voor meubelen wordt gebruikt; cansalod, planken voor vloeren; maguilomboy, voor hetzelfde doeleinde; duca, baslayan, oyacya, voor scheepsbouw; tipolo, voor muziek-instrumenten; lanipga, eene soort van ceder, dat voor graveer- en beeldhouwwerk wordt gebruikt; bayog, voor masten en raën; bancal, voor zolderingen en graveerwerk; malaguibuyo, voor vloeren; ogjayan, buigzaam voor verbindingen enz.; lanitan, voor guitars, violen enz.; janlaatan, voor meubelen; lauaan, voor schepen; basa, in groote blokken voor bouwwerk en schepen; talagtag, voor kabinetwerk; nino, de bast, die voor roode en gele kleurstof wordt gebruikt; bacan, bouten; panao, een medicinaal hout, dat de Indianen voor zeere oogen gebruiken; banate, eene fijne en sterke kist- en houtsoort, die voor biljard-queuen naar Europa is uitgevoerd; bancolinao, ebbenhout; casla, heeft eene vrucht, die op eene Fransche boon gelijkt, waarvan de olie door de inlanders voor hunne lampen wordt gebruikt; jaras, voor den bouw van huizen. Men zal opmerken, dat al deze hunne Indiaansche namen dragen, die de Spanjaarden ze gewoonlijk geven.
Ten opzigte van den handelstoestand en de vooruitzigten daaromtrent van al de centrale en zuidelijke eilanden van den Philippijnschen Archipel, heb ik de meest gunstige bijzonderheden verkregen, die de vice-consul van Iloilo, de heer Loney, in 1857 aan den consul van Manilla heeft gegeven en waaraan ik het volgende ontleen.
Dat gedeelte van de Philippijnen, die de Bisajas genoemd worden, kan men over het algemeen beschouwen als al de eilanden ten zuiden van Luzon omvattende, ofschoon, strikt genomen, zij alleen beslaan die van Samar, Leyte, Panay, Negros, Cebu, Bohol (met de onderhoorigheden Tablas, Romblon, Sibuyan, enz.) en vier provinciën: Misamis, Caraga, Zamboanga en Nueva Guipuzcoa, van het belangrijke eiland Mindanao, na Luzon het schoonste en grootste van den Archipel.
De administratie van de inkomsten der Bisajas was vroeger opgedragen aan een bijzonder bestuur (Gobierno Intendencia de Bisayas) in de stad Cebu gevestigd, doch daar deze administratie in 1849 is afgeschaft, staan al de provinciën, wat hare inkomsten betreft, nu gelijkelijk onder de contrôle van de super-intendencia te Manilla. Terwijl echter de provinciën en districten van Luzon (met uitzondering van Cavite, La Isabela, Nueva Viscaya, El Abra, San Mateo en La Union) door burgerlijke ambtenaren (alcaldes mayores) worden bestuurd, is het beheer over de Bisajas opgedragen aan militaire beambten (gobernadores militares y politicos) van den rang van kapitein tot kolonel, die bij vele gelegenheden worden bijgestaan door een luitenant-gouverneur, een civiel beambte en gewoonlijk door een regtsgeleerde, die kennis neemt van alle gewone civiele en criminele zaken.
De groep der Bisajas wordt meestal door een ras bewoond, dat in alle hoofdtrekken op het Tagalog- en andere Maleische rassen van Luzon gelijkt. Hunne taal kan als een dialect van het Tagalogsch worden aangemerkt, ofschoon de klank harder is en het niet zoo woordenrijk, zoo verfijnd en aan grammaticale regels onderworpen is als deze laatste tongval. In het Bisajaansch vindt men meer Maleische woorden dan in de op Luzon gesproken dialecten. De inlanders van deze eilanden en die van Luzon verstaan elkander slecht, ofschoon hunne talen blijkbaar van dezelfde hoofdtaal zijn afgeleid.
De Bisajas leveren een gehard, zeevarend volk, maar als regel kan eene algemeene neiging tot luiheid, die aan den Philippijnschen «Indiaan» wordt toegeschreven, in een welligt nog hoogeren graad worden toegeschreven aan de bewoners van de geheele zuidelijke groep, en maakt tegenwoordig, bij gemis aan eenige doelmatige middelen tot dwang, een der voornaamste hinderpalen uit tegen eene snellere uitbreiding van den landbouw door de invoering van Europeesch kapitaal.
De Christen-bevolking van de Bisajas wordt gerekend als volgt:
Samar 118,000
Leyte 115,000
Romblon 16,600
Panay:
Capiz 135,000
Iloilo 450,000
Antique 80,000
Cebu en Bohol 385,200
Negros 108,000
Calamianes 18,000
Mindanao:
Misamis 44,500
Carago (Surigao) 15,300
Nieuw Guipuzcoa (Bislig en Davao) 11,200
Zamboanga 12,000
Totaal 1,508,800
Onder deze zijn niet begrepen de onafhankelijke stammen, die de bergen in het binnenland bewonen; men kan hun aantal eenigzins berekenen uit eene aanteekening van het aantal dergenen, welke in 1849 in de onderstaande provinciën hebben gewoond, als:
Misamis 66,000
Samar 25,964
Leyte (niet met zekerheid bekend).
Negros 8,545
Panay 13,900
Cebu 4,903
Totaal 119,312
De meeste niet-onderworpen stammen (vooral Mohammedanen) bewonen Mindanao, waarvan de totale bevolking algemeen op bijna een millioen zielen wordt berekend.
Het eiland Panay, gunstig omstreeks het centrum van de groep der Bisajas gelegen, is aan zijn naaste punt, zijnde Potol—op 11° 48’ NB. en 122° WL. van Greenwich—180 mijlen in een regte lijn van Manilla verwijderd. Het is bijna driehoekig gevormd en heeft eene uitgestrektheid van ongeveer 300 mijlen. Het is het vijfde in grootte van de Philippijnsche eilanden en volgt in dit opzigt op Luzon, dat 1,059, op Mindanao, dat 900, op Paragua, dat 420, en op Samar, dat 390 mijlen in omvang heeft, doch hoezeer kleiner dan de zoo even genoemde eilanden, is het, na Luzon, het meest bevolkte van den Archipel, wanneer Mindanao, met zijne onbekende bevolking van voormelde onafhankelijke stammen, daarbuiten gerekend wordt.
Panay is verdeeld in de drie provinciën Capiz, Antique en Iloilo, die te zamen eene bevolking van ongeveer 665,000 zielen hebben.
Capiz beslaat het geheele noordelijke gedeelte van de kust van Panay, een afstand van 77 mijlen. Zijne grenzen in het binnenland kunnen bepaald worden door een kromme lijn, die een weinig ten oosten van Punt Bulacan begint, langs de Pico de Arcangel, in de Siauragan-bergen, en westwaarts naar Pandan, aan de kust loopt. Zijne hoofdstad is Capiz, aan de rivier van dien naam gelegen. Ofschoon ten zuiden en ten westen door eene ongeregelde serie van bergketenen afgebroken, bestaat het grootste gedeelte van het grondgebied van Capiz uit uitgestrekte laag liggende vlakten, die rijst in groote hoeveelheid produceren. Het eiland bezit een paar goede havens, vooral die van Batan en Capiz zelf, aan de zamenvloeijing van de rivieren Panay en Capiz gelegen, biedt eene veilige ankerplaats aan. De belasting-betalende bevolking wordt officiëel op 135,000 zielen berekend.
Antique neemt de westelijke zijde van het eiland in, langs eene uitgestrektheid van 84 mijlen—van punt Naso ten zuiden tot Pandan ten noorden—is van driehoekigen vorm en wordt aan het noorden door de provincie Capiz, ten zuiden en oosten door Iloilo en ten westen door de zee begrensd. Antique is zeer bergachtig en, betrekkelijk dun bevolkt, produceert het tegenwoordig niet veel voor den uitvoer, vooral ook omdat de meerdere ontwikkeling van zijne hulpbronnen wordt belemmerd door het gebrek aan goede havens, waarvan het geen enkele langs de geheele linie van de kust bezit. Aan zijne hoofdstad en haven, San José de Buenavista, is een zeebreker in aanbouw, die, wanneer hij voltooid zal zijn, meerdere levendigheid aan den handel in de provincie zal bijzetten, omdat de vaartuigen hier dan het geheele jaar door zullen kunnen laden. Te San José nemen vreemde walvischvaarders en andere schepen niet zelden water en provisie in. Het aantal zijner inwoners, behalve de remontados en monteses, die de berg-districten bewonen, wordt op 80,000 zielen berekend.
Iloilo strekt zich over het zuid-oostelijke gedeelte van het eiland uit, is mede driehoekig gevormd en grenst ten noorden aan Capiz, ten westen aan Antique en ten zuid-oosten aan den zeearm, waardoor het van het eiland Negros wordt gescheiden. Dit eiland, dat het grootste, rijkste en meest bevolkte der drie provinciën is, verdient meer bijzondere vermelding.
Iloilo, de hoofdstad en de residentie van den gouverneur van het eiland, is 254 mijlen in een regte lijn van Manilla verwijderd, en wordt door Spaansche hydrographen op 10° 48’ WL. van de middaglijn van San Bernardino geplaatst; het is nabij de zuid-oostelijke grens van het eiland, digt aan de zee, aan den oever van het enge kanaal gelegen, dat door het eiland Giumaras wordt gevormd, hetwelk tegenover Iloilo op een afstand van 2½ mijlen van het Panay-strand ligt. De stad is voornamelijk op lagen, moerassigen grond gelegen, en staat bloot aan den invloed van het getij; zij ligt deels tegenover de zee en deels langs den regter oever van eene kreek of inham, die naar Jaro leidt, en ontmoet, na een halven cirkel te beschrijven, op nieuw de zee bij Molo. Hoezeer de voornaamste zeehaven en zetel van het Gouvernement der provincie, is de bevolking niet zoo sterk als die van vele steden in de nabuurschap. Zij bedraagt tegenwoordig niet meer dan 7,500 zielen, terwijl die van Jaro, Molo en Oton, steden in de onmiddellijke nabijheid gelegen, respectievelijk 33,000, 15,000 en 20,000 zielen sterk zijn. Deze betrekkelijke schaarschheid van inwoners ontstaat hoofdzakelijk uit het gebrek aan ruimte voor verdere uitbreiding aan de enge landtong, waarop de stad hoofdzakelijk is gebouwd. Deze hinderpaal tegen de verdere vermeerdering van de bevolking zou in den loop der tijden uit den weg geruimd kunnen worden, daar doeltreffende maatregelen zijn genomen om de bevolking meer landwaarts te brengen; onder anderen behooren daartoe de oprigting van een nieuw gouvernementshuis en publieke bureaux op een meer centraal punt; de voorgenomen verplaatsing van de tegenwoordige kerk naar eene meer voordeelige en opene plaats en het scheppen van nieuwe en meer directe wegen (thans in aanleg), die naar en van de naburige volkrijke steden leiden.
Niettegenstaande het gebrek aan meerdere ruimte, is de grootte en de belangrijkheid der stad in de laatste jaren merkbaar toegenomen, terwijl het aantal Europesche inwoners, dat in 1840 slechts 3 bedroeg, in 1857, 31 in Iloilo en 30 in de overige steden der provincie beliep. De meesten dezer kwamen in de jaren 1855 en 1856 aan, en het gevolg van deze vermeerdering van Europeanen, hoezeer hun aantal nog klein is, toont zich reeds in de daarstelling van nieuwe gebouwen en de plannen tot oprigting van vele anderen. De rijzing van de waarde der eigendommen blijkt uit het feit, dat het huis, waarin het vice-consulaat is gevestigd en dat van hout met een palm-dak is gebouwd, voor 33 dollars per maand of ongeveer 80 pd. st. per jaar verhuurd wordt. De waarde van land ter bebouwing is ook in evenredigheid toegenomen.
De bevolking der provincie wordt officiëel op 511,066 zielen aangegeven, maar er bestaat reden hier aan eene belangrijke overdrijving te denken en het getal op niet meer dan 400 à 450,000 te schatten.
De haven van Iloilo, hoezeer wel beschermd en van nature goed, is niet van inconveniënten ontbloot; zij kunnen echter met weinig moeite verholpen worden en, voorzien van eene der uitmuntende kaarten door de Comision Hidrografica (en wanneer men van het noorden komt met eene loods) kunnen groote schepen veilig binnenvaren.
Het eiland Guimaras, dat 22 mijlen lang en 3 mijlen breed is, vormt tegenover Iloilo een beschutte passage, die ongeveer noordelijk en zuidelijk loopt, 2½ à 6 mijlen breed is, diep water en eene goede ankerplaats heeft. Het binnenkomen in deze passage van het zuiden wordt voor een groot gedeelte beperkt door de Oton-ondiepte (Bajo de Oton), die zich op een belangrijken afstand van het Panay-strand uitstrekt en ter lengte van ongeveer eene mijl het doelmatige kanaal dààr tot eene breedte van ongeveer twee mijlen uitbreidt. Dit is intusschen geen hinderpaal voor groote schepen gedurende den zuidwest-mousson (vooral als het kanaal behoorlijk is uitgebaggerd), daar de passage geheel zuiver is, zoover het zich uitstrekt, terwijl bij een tegenwerkenden noord-oost-mousson zij zich kunnen doorwerken of slepen met het getij, als zij op Guimaras aanhouden, welks kust zuiver is en tot digtbij diep water heeft, zoodat zij, zoo noodig, aan het uiteinde van de ondiepte kunnen ankeren, die vasten grond aanbiedt en die men, daar zij uit zacht zand bestaat, veilig kan naderen. Deze geheele kust, door Guimaras, het Panay-strand en voor een belangrijk gedeelte door het eiland Negros beschermd, biedt eene veilige ankerplaats aan in den noord-oost-mousson, terwijl de schoone haven van Buluanga of Santa Ana, aan het zuidwestelijke gedeelte van Guimaras gelegen, die zeer geriefelijke toegangen heeft voor vaartuigen van de grootste tonnenmaat, in bijna alle omstandigheden eene schuilplaats aanbiedt. De kustvaartuigen naderen den tegenovergelegenen of noordelijken toegang gewoonlijk door de keten van kleine eilanden (Gigantes, Pan de Azucar, Sicogon, Apiton, enz.), gezamenlijk de Silanga genaamd, die aan de noordoost-kust van Panay gelegen zijn en eene uitmuntende wijkplaats langs een geruimen afstand aanbieden voor vaartuigen, die in den handel met Manilla en de meest zuidelijke Bisajas gebruikt worden. Maar hoezeer onder deze eilanden goede ankerplaatsen zijn, vooral te Pan de Azucar en Tagu, zou het voor zwaar beladen vaartuigen voorzigtiger zijn, ingeval men niet practisch bekend is met het getij en de stroomen, het meer buitenwaarts gelegen kanaal tusschen de Silanga en het eiland Negros te nemen. Na de Calabazas-rotsen en Pepitas-ondiepte te zijn voorbijgevaren en het kasteel of blokhuis van Banate te hebben aangedaan (dat vroeger, even als vele andere, langs de Philippijnsche kusten is gebouwd, ter verdediging tegen de zeeroovers van de Soeloe-zee), wordt de koers zuidelijk genomen, tot dat een groep van zeven merkwaardige rotsen, de «zeven zonden» genaamd, in het gezigt komt, waarnaar men dan regtstreeks stevent, wel zorgende de Iguana-bank te vermijden, die naauwkeurig op de genoemde kaarten is aangeduid; ten zuiden van het Iloilo-fort kunnen dan vaartuigen van zekere tonnemaat de kreek binnengaan, of, zoo zij te groot zijn, naar de oostzijde van het fort stevenen, waar zij tegen den wind en de gestrengheid van het getij beschut zijn. De diepte van het water aan den slagboom bij den ingang van de kreek, bedraagt ongeveer vijf vademen bij laag water; maar op weinig afstands verder, meer inwaarts, daalt het water tot vijftien voet bij laag water en wordt dan weder dieper. Daar de rijzing en daling zes voet bedraagt, kan een vaartuig van 300 ton, dat, geladen, een diepgang van 16 tot 18 voet heeft, gemakkelijk met eene volle lading passeren. Met eene maal-machine, die gebruikt wordt om den modder te verwijderen, dien men op de meer ondiepe plaatsen bij den ingang heeft laten ophoopen, kunnen schepen van bijna elke diepte hunne ladingen landinwaarts voltooijen. De Santa Justa, een Spaansch schip van 700 ton, laadde in 1851 het gedeelte eener tabakslading in de kreek en het overige daar buiten.
Het dient opgemerkt te worden dat, daar de banken der kreek uit zachten modder bestaan, men weinig of geen gevaar loopt vast te raken. Wanneer men ongeveer anderhalve mijl op de kreek is doorgevaren (die van 1 tot ¾ mijl in breedte verschilt en voldoende beschutting voor wind en zee aanbiedt), komen de kustvaartuigen tot bijna voor de woningen van de reeders en hebben het groote voordeel aan de pakhuizen te laden en te lossen zonder booten behoeven te gebruiken.
Van dit punt af, strekt de kreek zich tot Molo uit. Vroeger was men gewoon met de kustvaartuigen zoo noodig tot Molo te varen, maar daar de ophaalbrug, waardoor de schepen gingen, versleten is en de tegenwoordige brug (die nu in slechten toestand verkeert) geene middelen van doortogt aanbiedt, blijven zij te Iloilo, waar de handelaren van Molo hunne magazijnen hebben overgebragt.
De uitvoerhandel van Iloilo, die zich tot nog toe tot de haven van Manilla en de naburige eilanden beperkte, wordt tegenwoordig hoofdzakelijk gedreven door vier Spaansche firma’s, die te Iloilo wonen en de betere soort van inlandsche vaartuigen bezitten, die deze haven uitzeilen, maar er is ook nog een belangrijk aantal mestizen, voornamelijk van Chinesche afkomst, die in de naburige steden Molo en Jaro wonen en waarvan vele vaartuigen bezitten en belangrijke sommen in den handel bezigen.
De voornaamste producten van uitvoer zijn tabaksbladeren, suiker, sapanhout, rijst in den bolster (of padie), hennep en huiden, behalve andere artikelen in geringer hoeveelheid, waaronder hoorn, beche-de-mer, paarlemoerschelpen, bijenwas, riet enz. en een groot aantal inlandsche gefabriceerde goederen. Blad- of ongefabriceerde tabak, is tegenwoordig het meest belangrijke artikel en dat, hetwelk de Spaansche handelaren als het meest lucrative hebben bevonden. Zij koopen het van de kleine inlandsche planters en verzenden het naar Manilla tot uitsluitenden verkoop aan het Gouvernement, tegen prijzen die de factory-taxateurs bepalen, naarmate van de grootte en kwaliteit van het blad. Van Iloilo werden zoo wat 30,000 quintals in 1856 naar Manilla verscheept en van Capiz 20,000; ongeveer 50,000 quintals worden van de jaarlijks in Panay geproduceerde bladen uitgevoerd.
De uitvoer van tabak naar Manilla, tot het jaar 1845, beliep in deze provincie niet meer dan 10,000 quintalen per jaar; maar nadat in dat jaar de agent van een firma uit Manilla de gewone lage prijzen, die de handelaren uit Iloilo betalen, van 10 realen tot een gemiddelden prijs van 20 tot 21 realen voor de drie eerste kwaliteiten had verhoogd, was de uitvoer spoedig tot 24,000 quintalen gestegen.
Toen het gouvernement zijn aandacht op het toenemend gewigt van dit product had gevestigd, besloten de gouverneur en eenige inzamelaars een systeem van «collecion» in te voeren, gelijk de «colleciones» die te Cagajan, La Union en Nueva Ecija bestaan. Door dit systeem werd de aankoop van en de uitvoer naar Manilla der particuliere handelaren, ofschoon niet bepaald ontzegd, (zoo als in de evengenoemde provinciën) zóózeer benadeeld door de onbillijke mededinging met het gouvernement (waaraan de particuliere koopers ten laatste moesten verkoopen wat zij verscheepten), dat de totale uitvoer van Iloilo gedurende de zes jaren van 1848 tot 1853 van 25,000 tot 18,900 quintalen daalde. In dit laatste jaar werd de collecion ontbonden. In 1853 werd aan eene maatschappij, die zich te Madrid had gevormd, het uitsluitend privilegie toegestaan van de fabrikatie en uitvoer van cigaren en tabaksbladen naar vreemde markten. Een groot en uitgebreid steenen factorij-gebouw werd nabij Iloilo opgerigt, de fabrikatie van cigaren georganiseerd en aankoop van bladen gedaan, terwijl ten laatste de operatiën der maatschappij werden uitgestrekt tot den bouw van de plant in verschillende gedeelten van de provincie. Eene clausule in haar reglement belette de maatschappij echter de factorijen te Manilla, wanneer dit noodig was, van eene belangrijke jaarlijksche hoeveelheid tabaksbladen en cigaren te voorzien, zoo noodig gelijkstaande met het bedrag dat jaarlijks in de provincie uit andere bronnen werd verkregen. Dien ten gevolge werden de aanvragen voor de Manilla-factorijen (naar men zegt met voordacht vermeerderd door de vijandige gezindheid van den toenmaligen Intendente de Hacienda jegens de maatschappij) zoozeer uitgebreid, dat de maatschappij in werkelijkheid van de gelegenheid beroofd werd voor hare eigen rekening te handelen, en na een bestaan van ongeveer drie jaren moest zij ontbonden worden, met het verlies van een belangrijk gedeelte van het oorspronkelijk gestorte kapitaal. Zoo de autoriteiten van Manilla tot hare ontwikkeling hadden medegewerkt, dan waren de resultaten, hoezeer noodwendig belemmerd door het schadelijke beginsel, aan alle monopoliën verbonden, gunstiger geweest, daar, met de vrijheid tot fabrikatie van en verscheping naar vreemde markten, zij goede prijzen had kunnen maken en de kultuur van de tabaksplant uitbreiden. Een feit, in verband met dit onderwerp beschouwd, is dat een der Europeanen, die vroeger in dienst van de maatschappij was geweest, sedert cigaren voor lokaal verbruik had gefabriceerd, die hij tegen 8 dollars per duizend verkocht, terwijl zij bijna, zoo niet geheel, van dezelfde kwaliteit waren als de «Imperiales», die in de factorij te Manilla tegen 25 dollars worden gefabriceerd.
Sedert 1853 en gedurende de operatiën van de maatschappij, zijn de aankoop en verscheping van tabak door particulieren weder op den ouden voet teruggebragt, en terwijl het op die wijze verscheepte bedrag gestadig, hoezeer zeer langzaam, is vermeerderd, zijn de prijzen weinig stijgende gebleven. De hoogste prijzen echter, die de plaatselijke handelaren de inlandsche planters kunnen aanbieden, zijn niet hoog genoeg om eene snelle uitbreiding der aanplant te verkrijgen, of de laatste er toe te leiden tijd en werk genoeg te besteden tot verbetering van de hoedanigheid der plant, waarvan de geschikte kultuur speciale aandacht vereischt en meer kapitaal en intelligentie, dan het in hunne magt is aan te wenden. De verschepers te Iloilo klagen over de arbitraire wijze, waarop de verdeeling der soorten te Manilla plaats vindt, en over het feit, dat, zelfs na aflevering van de tabak in de gouvernements-pakhuizen, zij geheel voor hunne risico wordt gehouden, tot dat zij onderzocht, herpakt en voor de verscheping naar Spanje gereed is. De uit Iloilo verzonden soorten worden verdeeld in de eerste (waarvan onder het tegenwoordige stelsel eene zeer kleine hoeveelheid wordt geproduceerd), tweede, derde, vierde en vijfde soort, en al wat de onderzoekers te Manilla van de vijfde soort afkeuren, wordt achtergehouden en verbrand, ofschoon aan den verkooper daarvoor geen tegemoetkoming wordt verleend. De prijzen, die de factorij voor de vermelde kwaliteiten geeft, zijn 7.75, 6.75, 5.25, 4 en 3 dollars per quintal respectievelijk. De plant wordt in Januarij gezaaid en het grootste gedeelte van den oogst komt in Mei en Junij binnen. De bodem van het grootste gedeelte der Bisajas is gunstig voor den groei van de tabak. Het eiland Negros produceerde vroeger ongeveer 8000 quintals, van zeer goede kwaliteit, die de handelaren van Iloilo, door middel van hunne agenten, gewoon waren te koopen van de onafhankelijke stammen in het binnenland, maar daar de maatregelen, door den tegenwoordigen gouverneur genomen om de laatsten te onderwerpen, in 1856 hebben geleid tot het verslaan van vele honderden en de verdwijning van de overigen, hebben de toevloeijingen uit die bron tegenwoordig opgehouden te bestaan. Cebu produceert ongeveer 15,000 quintalen van veel minder kwaliteit. Te Leyte, vooral in het district Moasin, groeit tabak van uitmuntende kwaliteit en kleur, maar zij wordt niet genoeg geproduceerd om in groote hoeveelheid voor den uitvoer naar Manilla te worden gezonden, en wordt dien ten gevolge bijna uitsluitend in de Bisajas gebruikt, waar zij op hoogen prijs wordt gesteld. In Samar groeit ook tabak voor plaatselijk gebruik. De fabrikatie van cigaren is in de Bisajas vergund, doch niet ter verkoop te Manilla of elders.
Voor het oogenblik heeft de uitvoer van tabak van Panay en de overige eilanden weinig direct belang voor Britsche of vreemde kooplieden, daar de transactiën met het Gouvernement, zoo als zij thans geleid worden, van geen bevredigenden aard zijn. Het behoeft intusschen niet gezegd te worden, dat, zoo het bestaande Gouvernements-monopolie werd afgeschaft en vervangen door een systeem van verpachting van landerijen, eene directe grondbelasting op de hoeveelheid die verbouwd wordt of een regt op den uitvoer, en zoo de vrije fabrikatie voor en directe verscheping naar eene vreemde markt werden vergund,—de uitvoer van Panay onmiddellijk van groot gewigt voor den vreemden handel zou worden. Daar de grond van een groot gedeelte van het eiland zeer goed voor de kultuur van de plant geschikt is, zou de uitvoer, onder den prikkel van veel hoogere prijzen en ten gevolge daarvan, de aanwending van meer en beter besteed kapitaal, vatbaar zijn voor groote uitbreiding, vooral wanneer, hetgeen hoogst waarschijnlijk het geval zou zijn, de kultuur door Europeanen werd ondernomen en het tegenwoordige systeem van bebouwing van kleine strooken door inlanders, plaats maakte voor kultuur op eene groote schaal, zoo als in Cuba. De voordeelen, die de inlandsche bevolking zouden ten deel vallen door de opening van meerdere bronnen van industrie, behoeven niet aangewezen te worden.
De quaestie van de opheffing van het bestaande monopolie is van groot gewigt voor de Philippijnen en het is te hopen dat het Gouvernement te Madrid, aangemoedigd door de voordeelige resultaten van de opheffing in 1819 van het monopolie in Cuba, spoedig zal besluiten de zwarigheden te trachten uit den weg te ruimen, die thans de quaestie omgeven, vooral daar hare oplossing jaarlijks dringender en meer van de zijde èn van Europeanen èn van inlanders verlangd wordt.
De werking van den prikkel, door de tegenwoordige prijzen gegeven, zal men begrijpen, wanneer men in overweging neemt dat de waarde van Iloilo-suiker, die in vroegere jaren tot 1855 in het algemeen van 2 tot 2.10 dollars per pikol op de Manilla-markt had bedragen, nu 5.68¾ dollars per pikol te Manilla beloopt, tegen 3.2 tot 3.3 dollars, met 25 pCt. voor premie op zilver, of gelijk 4.06 tot 4.21½ dollars hier, en zoo lang de prijs te Manilla niet beneden 3 dollars per pikol van 140 pond daalt, zal de aanplant worden uitgebreid. In de laatste jaren was door de onevenredig lage prijzen, die te Manilla betaald werden, de suiker-kultuur in vele districten ter zijde gesteld als improductief, maar gedurende de jaren 1858 en 1859 is zij snel toegenomen, vooral sedert de invoering van een zuiniger soort van fornuis, waarin het uitgeperste riet in vrij aanzienlijke mate wordt gebruikt in plaats van het vele hout, dat vroeger verbruikt werd.
De zeer gebrekkige wijze van behandeling door de inlandsche en mestizen-planters is oorzaak dat in Iloilo geen betere soort suiker wordt geproduceerd, en al wat naar Manilla wordt verzonden, kan men als «ordinair ruw» aanmerken, maar de korrel is gewoonlijk zeer goed en wanneer zij de verdere behandeling in Engeland en Australië ondergaat, levert zij fijne kandij op, die zeer gewild is voor het uitdampen in de Glasgow-raffinaderijen. Zoo een beter stelsel van vermaling en koken hier was ingevoerd, zou suiker van eene uitmuntende kwaliteit worden geproduceerd, en het is zeer te wenschen dat eenige Europeanen met voldoend kapitaal en ervaring etablissementen in deze nabijheid zouden oprigten. Tegenwoordig bestaat geen enkele ijzermolen op het eiland. De ongeraffineerde suiker van de Philippijnen op gewone tijden, zelfs onder de tegenwoordige gebrekkige en kostbare wijze van productie, wordt voor de goedkoopste in de wereld gehouden. De enkele Europeanen, die zich thans in dit gedeelte met de suikerkultuur bezig houden, zijn een Fransche planter te Negros, die uitmuntende suiker produceert (welke altijd ruim 1 dollar per pikol meer dan die van Iloilo gewoonlijk opbrengt), en een planter van dezelfde natie in die provincie, die laatstelijk op eene kleine schaal is begonnen.
Wanneer men de bovenvermelde prijzen als basis neemt (4.21½ dollars hier tegen 5.68¾ dollars te Manilla), is het verschil ten gunste van de plaats van productie nu 1.47¼ dollar per pikol, maar wanneer men aanneemt dat de vreemde exporteur die 47½ centen hier moet geven, ten einde een zoodanig gedeelte van den oogst te verzekeren als noodig zou zijn een vaartuig te beladen, zou er nog eene belangrijke winst van 1 dollar per pikol overblijven, of 17½ pCt. minder dan de kosten te Manilla. De vrachten naar Manilla, die tegenwoordig door de kustvaartuigen worden geladen, kosten 50 cents per pikol. De geheele suikeroogst wordt van Februarij tot Maart afgeleverd.
Sapanhout wordt in belangrijke hoeveelheid uit de provincie Iloilo uitgevoerd. Het wordt hoofdzakelijk geproduceerd in de nabijheid van de zuidelijke kuststeden Guimbal, Miagao en San Joaquin (waarvan de verste twintig mijlen van Iloilo is verwijderd), van waar het grootste gedeelte ter zee naar Iloilo wordt verzonden voor den uitvoer naar Manilla en het overige direct uit Guimbal verscheept. In 1858 werden, volgens de onvolledige aanteekeningen van den Boletin Official, 32,723 pikols of 2,045 vaten naar Manilla en 789 pikols uit Antique verscheept.
De hooge prijzen, die te Manilla betaald werden, hadden de vorming van nieuwe plantaadjes ten gevolge, waardoor de uitvoer nog meer zal toenemen. Eene groote hoeveelheid wordt jaarlijks naar Singapore en Amoy verzonden en maakt het geheel der lading van die vaartuigen uit, welke te Manilla naar eerstgenoemde haven wordt verzonden. De qualiteit van het Iloilo-sapanhout zou nog beter zijn, zoo de inlanders niet een groot gedeelte afsneden vóór dat de boomen voldoende gegroeid zijn. Wanneer men het behoorlijk laat ontwikkelen, moet het even goed of nog beter zijn dan dat van Misamis of Bolinao, die thans de beste kwaliteiten op de Manilla-markt brengen. Daar zoowel de verkoopers als de makelaars het hout zoo spoedig mogelijk na het afsnijden trachten af te leveren, moet het verlies aan gewigt op de reis naar Manilla somtijds meer dan 12 à 14 pCt. bedragen. De tegenwoordige prijs van het sapanhout, dat te Iloilo wordt afgeleverd, bedraagt, met inbegrip van 25 pCt. voor kosten van zilver, 1.08 dollars per pikol tegen den koers te Manilla van 1.75 tot 1.875 dollars, waarbij eene aanzienlijke tijdbesparing komt ten gunste van schepen, die hier voor eene vreemde markt laden. De vrachtprijzen naar Manilla bedragen 31.25 cts. per pikol.
Hennep (zoogenaamd, ofschoon het in wezenlijkheid het product van eene soort plantaan is), die in Iloilo wordt geproduceerd, heeft meestal een langen, witten vezel, gelijk die op de Londensche markt als «Lupiz» bekend is, welke in de inlandsche fabrieken wordt gebruikt; men hecht er thans weinig aan als een artikel van uitvoer. Maar ofschoon Iloilo weinig of geene overproductie van hennep oplevert, brengen de kleine kustvaarders hier zoo wat 350 vaten uit de naburige eilanden en provinciën Leyte, Samar, Negros, Camarines en Albay, die op deze plaatsen in ruil voor de padie en de inlandsche goederen der provincie wordt genomen.
Zoowel Leyte als Samar produceren tegenwoordig groote hoeveelheden uitmuntende hennep voor de Manilla-markt, vooral eerstgenoemd eiland, en de reis daarheen gedurende het grootste gedeelte van het jaar is zóó kort (tegenwoordig nemen vaartuigen aan in zes dagen daarheen te gaan en in twee dagen de terugreis te doen), dat, zoo de inlandsche handelaren een gereede markt te Iloilo zouden vinden, tegen prijzen, betrekkelijk gelijkstaande met die van Manilla, meer dan waarschijnlijk eene belangrijke hoeveelheid meer naar Iloilo in plaats van naar de hoofdstad zou worden verzonden.
Op het eiland Negros neemt de productie zeer snel toe; een groote hoeveelheid werd gedurende 1858 geplant, daar verscheidene pueblos en districten stukken gronds voor meer dan 100,000 en 200,000 planten bezitten, die in de twee volgende jaren in gebruik zullen komen, en daar de plant merkwaardig is om hare groote voortteelende kracht, zou de te verkrijgen hoeveelheid jaarlijks in een dubbele verhouding vermeerderen. De uitvoer van hennep van het Isla de Negros bedraagt thans 13 à 14,000 pikols of ongeveer 850 vaten per jaar, vooral uit de haven van Dumaguete, aan de oostelijke zijde van het eiland.
Wanneer men in aanmerking neemt dat in 1831 de geheele uitvoer van hennep uit de Philippijnen niet meer dan 346 vaten bedroeg, dat hij in 1837 reeds tot 3,585 vaten was gestegen, en dat gedurende het jaar 1856 niet minder dan 22,000 vaten uit Manilla naar de Vereenigde Staten en Europa werden verzonden, dan zal men zich eenig denkbeeld kunnen vormen van de toekomstige resultaten van dit belangrijke artikel op het vruchtbare eiland Negros, zelfs bij den bestaanden, reeds genoemden hinderpaal van eene schaarsche bevolking. Ik hecht te meer aan de feiten betreffende Negros, omdat dit eiland door zijne onmiddellijke nabijheid, ingeval van regtstreekschen uitvoer uit Iloilo, als een integrerend deel kan beschouwd worden van het eiland Panay. De hennep, in 1858 uit Capiz verscheept, bedroeg 6,458 pikols of 400 ton, die vooral echter was vervaardigd van eene mindere soort, uit de vezelen van de pácul, een wilde soort van de plantaan. Daar deze mindere soort van hennep echter onvoldoende prijzen oplevert, meen ik dat de plant, die het echte artikel produceert, nu meer algemeen te Capiz wordt gecultiveerd. De koers van hennep hier mag op 5.375 dollars, of met 25 pCt. voor de kosten van zilver, op 6.715 dollars per pikol geschat worden, tegen den koers te Manilla van 7.75 à 8 dollars. De vrachtprijzen naar Manilla bedragen 50 cents per pikol.
Rijst in den bolster of padie is een niet minder gewigtig artikel in den landbouw van Panay, ofschoon het thans van weinig werkelijk belang met betrekking tot den vreemden handel is. De jaarlijksche productie van de provincie Iloilo mag, hoezeer niets zekers daaromtrent bekend is, op 850,000 zakken worden geschat, waarvan waarschijnlijk 40,000 naar de naburige eilanden en Manilla worden uitgevoerd. Capiz produceert ongeveer 900,000 zakken en voert ongeveer 100,000 op dezelfde wijze uit. Antique draagt mede een belangrijke hoeveelheid bij voor de consumptie van het eiland en voert meer dan 15,000 zakken uit. Deze hoeveelheden echter moeten als gissingen beschouwd worden van het tegenwoordige bedrag van consumptie en verzending.
De uitgevoerde padie wordt voornamelijk in kleine schoeners (pancos en barotos) naar de naburige eilanden Leyte en Samar en ook naar Camarines en Albay verzonden, in ruil tegen hennep en kokosnotenolie (welke laatste te Leyte verkregen wordt), die òf naar Iloilo ter verkoop òf naar Manilla zijn verzonden. Als de prijzen in Manilla eene voldoende ruimte toelaten (die zij gewoonlijk het geheele jaar doen), dan wordt eenige padie in die rigting verzonden, welke een deel van de lading der vaartuigen uitmaakt, die naar de hoofdstad vertrekken. De uit Iloilo verscheepte padie wordt voornamelijk van de uitgestrekte vlakten van Dumangas, Zarraga, Pototan, Santa Barbara en Barotac-Viejo verkregen. Wanneer een groot gedeelte land tot bebouwing werd gebruikt, zou de vermeerderde opbrengst van deze graansoort geschikt zijn voor den uitvoer naar China, waarvoor vreemde vaartuigen konden worden gebruikt, daar zij voortdurend te Sual in Pangasinan zijn, en men kan gereedelijk aannemen dat in den loop der tijden schepen, die de haven van Iloilo bezoeken en naar China gaan, natuurlijk bij hunne ladingen een aandeel van rijst zullen voegen en daardoor de kultuur nog meer bevorderen. Thans is, ten gevolge van de schaarschte aan rijst in Camarines en Leyte, de prijs van padie te Iloilo tot 10 realen per provinciale zak gestegen, die gelijk staat met anderhalf van de maat (cavan del rey), welke te Manilla gebruikt wordt. De overige artikelen die uit Panay worden verscheept en eveneens van gewigt zijn voor den directen uitvoerhandel, zijn:
Huiden van buffels en koeijen, waarvan de uitvoer in 1858 naar Manilla bedroeg 128 vaten van Iloilo, 60 van Capiz en 24 van Antique. De prijzen hier, die thans zeer hoog zijn, kunnen op 5 tot 8 dollars voor buffel- en 10 à 14 dollars voor koeijenhuiden per pikol gerekend worden.
Horens.—Eene beperkte hoeveelheid uit de drie provinciën. Prijs van 2 à 3 dollars per pikol.
Schelpen.—430 zakken werden in 1858 uit Capiz, 42 uit Antique en 33 uit Iloilo verscheept. Dit artikel, dat vroeger te Manilla 2.50 à 3 dollars per zak heeft gegolden, is later tot 15 dollars gerezen.
Gomelastiek.—2,359 pikols of 147 vaten werden in 1858 van Capiz naar Manilla verzonden, waar men er gewoonlijk 1.50 tot 3 dollars per pikol voor betaalt.
Paarlemoerschelpen.—Hiervan kan slechts een kleine hoeveelheid uit deze haven en uit Capiz verkregen worden; zij worden voornamelijk uit Soeloe, via Zamboanga, en uit de naburige eilanden van de Silanga aangevoerd. Zij worden hier gewoonlijk op 18 à 22 dollars per pikol geschat.
Rotting,—tot het pakken van producten te Manilla gebruikt; 401,000 werden in 1856 uit Capiz; 104,000 uit Iloilo en 97,000 uit Antique verzonden.
Matten zakken, die uit het blad van den sago-palm vervaardigd en ook tot inpakking gebruikt worden; 155,850 werden in 1856 uit Capiz naar Manilla verzonden.
Bijenwas.—Hiervan worden jaarlijks eenige weinige pikols uit de drie provinciën naar Manilla verzonden.
Gutta-percha.—Eenige hoeveelheid van deze nuttige zelfstandigheid is van hier naar Manilla verzonden, maar, hetzij ten gevolge van bederf of wel door onbekendheid met de geschikte wijze van bereiding, er zijn geene aanmoedigende prijzen voor gemaakt. De boom die ze voortbrengt en die de Bisajers nato noemen, komt in overvloed in deze provincie en in Guimaras voor, en zoo het de eigenlijke Isonandra gutta van de Straits en van Borneo blijkt te zijn, zal het artikel later van groot gewigt worden. Het monopolie tot verscheping naar Manilla, aan Senor Elis geschonken, werkt nadeelig op de productie van dit artikel.
Hout,—voor gebouwen en verschillende soorten van hout voor meubelen, komen in overvloed in Panay voor en de eilanden van de Silanga en Guimaras zijn bijzonder rijk aan goede boomen. Van daar wordt de toevoer naar Iloilo en de naburige steden verkregen, alsmede het voor den bouw van schepen benoodigde, die nu en dan te Guimaras worden gebouwd, waar nu (1857) een van 350 tonnemaat in aanbouw is, maar tot nog toe heeft men weinig acht geslagen op de onmetelijke hoeveelheid, die men kan verkrijgen.
Van andere artikelen, die òf niet geschikt zijn voor Europesche markten, òf tot nog toe in onbeduidende hoeveelheden geproduceerd worden, wil ik alleen noemen: cacao, van uitmuntende kwaliteit, arrowroot, teer, waarvan eene belangrijke hoeveelheid naar Manilla wordt verzonden, tarwe, die veel in de hooger gelegene districten van het eiland groeit en waarvan 1,125 zakken in 1856 uit Iloilo en Antique werden verzonden; maïs, bêche-de-mer, gedroogde groenten (boonen enz. in groote hoeveelheid), sago, katoen, schildpad, dassen-huiden, gember en stofgoud.
Gom, verwstoffen en droogerijen van verschillende soorten komen in overvloed in Panay voor, en er bestaat groote behoefte aan een wetenschappelijk onderzoek van de vele producten van dien aard, waarvan weinig of geen gebruik wordt gemaakt. Men moest zich herinneren dat de meeste der mindere bovengenoemde artikelen ook door de naburige eilanden geproduceerd worden en dus in groote hoeveelheden konden worden verkregen, wil men de verwachting dat Iloilo in groote mate het emporium van den handel der Bisajas zal worden, in de toekomst verwezenlijkt zien.
Van den mineralen rijkdom van het eiland is weinig of niets met zekerheid bekend. Goud vindt men in de bedding van eene rivier nabij Abacá in deze provincie en bij Dumárao in Capiz. IJzer en kwikzilver moeten ontdekt zijn, het eerste op verschillende plaatsen van het eiland, en kolen zegt men dat in Antique bestaan, maar dit zijn punten waarop men tot nog toe weinig acht heeft geslagen. Op eene reis naar het binnenland met den gouverneur van Iloilo door de Silanga gedaan, langs het geheele noordoostelijke gedeelte van de provincie en tot de grenzen van Capiz, nabij Dumárao, werden den heer Loney verschillende soorten van mineraalstoffen vertoond, die blijkbaar veel ijzer bevatten. Met betrekking tot dezen togt bevestigt ook de getuigenis van den heer Loney, uit persoonlijke ondervinding, de berigten omtrent de vruchtbaarheid van het eiland en den handelsvoorspoed, die het in de toekomst schijnt te wachten. De wegen zijn in het algemeen tamelijk goed tot dat de hevige regens van Augustus tot October invallen; maar tegenwoordig bestaat er op vele plaatsen gebrek aan voldoende bruggen, hetgeen het vrije vervoer van producten naar de kust belemmert. Het eiland biedt geen groote oppervlakte genoeg aan tot daarstelling van belangrijke stroomen en de voornaamste en eenig belangrijke rivier in deze provincie, de Jalaur, die bij Dumangas in de zee uitloopt en door middel waarvan een groote hoeveelheid padie naar de kust verzonden en naar Iloilo overgebragt wordt, kan alleen in het drooge jaargetijde vaartuigen van zeer weinig diepgang dragen.
Het stelsel van aankoop van producten te Iloilo bestaat, zoo als men in bijna alle provinciën gewoon is, in het gebruik van makelaars of personeros, die de producten van de inlandsche en mestizen planters en handelaren in de verschillende pueblos in het binnenland en langs de kust koopen en een commissieloon van 5 pCt. op het afgeleverde bedrag ontvangen. Het is meestal noodzakelijk door middel van deze makelaars voorschotten te doen op de aanstaande oogst, ten einde van eenige hoeveelheid zeker te zijn, en aan zulke voorschotten is altijd eenige risico verbonden. De prijs, voor het artikel te ontvangen, wordt gewoonlijk bepaald op den tijd van de betaling van het voorschot en voor alle meerdere productie, die van den planter ontvangen wordt, wordt de loopende koers tijdens de aflevering algemeen aangenomen. Ingeval een voortdurende directe handel wordt gevestigd, is het mogelijk dat hij meer gelijk wordt aan dien van Manilla, d. i. dat schippers op de plaats zullen kunnen koopen van of contracteren met mestizen, Chinesche of Spaansche producenten, hetzij direct of voor een klein makelaarsloon. Daar bijna alle betalingen aan de inlanders in zilver geschieden—wijl zij nooit goud willen ontvangen—is het noodig fondsen hier te beleggen in eerstgenoemde muntspecie.
Behalve de bovengenoemde natuurlijke producten brengt Panay eene groote hoeveelheid fabriekgoederen op, zoowel voor uitvoer als voor huisselijk gebruik. Van deze worden de grootste en beste gedeelten, die men onder de inlandsche benaming sinamay begrijpt, van de teedere vezelen vervaardigd van het blad van den pijnappel (pina), hetzij zuiver of met uit China ingevoerde zijde vermengd en eene evenredige hoeveelheid van de fijnere soorten van de Britsche gefabriceerde katoenen draad. Daar de wijze van afscheiding der pina-vezelen en de sortering daarvan in knotten vóór de fabrikatie, zoo mede de fabrikatie zelve veel tijd en zorg vereischen, zijn de zuivere pina-weefsels betrekkelijk duur. Sommige van de fijnste soorten zijn zeer fijn geweven. Die met zijde vermengd, ofschoon niet zoo duurzaam, zijn goedkooper en hebben in latere jaren trapsgewijze de zuivere pina-fabrikatie vervangen, hoezeer de laatste nog veel gedragen worden door de meer vermogende inlanders en mestizen. Zijde wordt dan ook uit China in zulk eene hoeveelheid in deze provincie ingevoerd, dat, volgens den voornaamsten Chineschen handelaar in dit artikel te Manilla, eene waarde van 400,000 dollars jaarlijks uit de hoofdstad naar Iloilo wordt gezonden. De prijs van zijde is laatstelijk van 40 tot 45 dollars per chinanta of tien katties tot 80 en 90 dollars of van 450 tot 900 dollars per pikol gerezen.
De meeste pina- en gemengde pina-, zijde- en katoen-fabrikaten worden tot hemden voor de mannen of tot korte jakjes of hemden voor de vrouwen gebruikt. De prijs verschilt aanmerkelijk, naarmate van de fijnheid of grofheid van het weefsel en het meerdere of mindere mengsel; zoo kosten sommige stukken voor manshemden wel 7 dollars (waarvan de waarde, zoo zij te Manilla fijn geborduurd worden, somtijds tot 50 of 100 dollars wordt opgevoerd) en de mindere soorten 50 cents tot 2 dollars per stuk van 4½ varas. Het gebloemde werk van deze fabrikaten is meestal van Europeesch katoenen naaigaren of gekleurd Duitsch en Engelsch garen en de strepen van getweernd of gekleurd garen en witte zijde. Goedkooper weefsels worden ook veel van hennep en andere vezelen vervaardigd, die ieder 2 à 4 realen kosten. Er worden ook vele gekleurde zijden en katoenen goederen gefabriceerd voor «sarongs» (gelijk die, vooral van Boegineesch fabrikaat, in den Maleischen Archipel worden gebruikt), Cambajas en zijden en katoenen hoofddoeken. De betere soort van zijden fabrikaten munten uit door soliditeit en fijnheid. Die van katoen worden meestal van Duitsch en Britsch gekleurde twist en van inlandsch garen gemaakt, dat uit katoen wordt gefabriceerd, dat in verschillende districten in deze provincie groeit en ook uit Luzon wordt ingevoerd. De fijnere soorten zijn goed en digt geweven en de ordinaire goedkoopere soorten tot meer algemeen gebruik geschikt. Kousen en sokken van katoen en gemengde zijde en katoen, worden in eenige hoeveelheid gefabriceerd, maar de Manchester en Glasgow gedrukte drills vervangen hen bijna als artikelen van algemeene consumptie. Onder de overige fabrikaten kan men tafelkleeden, servetten, handdoeken, dekens, katoenen beddedekens enz. noemen. Van borduurwerk, dat zoo veel in de industrie van de provinciën Bulacan en Manilla voorkomt, wordt weinig in Iloilo gedaan, met uitzondering van het bloemwerk dat op de uit veter- en netwerk vervaardigde mantilles, die veel gebruikt worden door de vrouwelijke bevolking, wanneer zij ter kerke gaat.
Behalve de bovenvermelde goederen, wordt eene belangrijke hoeveelheid ruwe fabrikaten vervaardigd van het blad van de sago-palm of hennep en van andere vezelen. Deze zijn op de Manilla-markt bekend als Saguran, Guináras en Medrinaque en worden naar de Vereenigde Staten en Spanje en in kleiner hoeveelheid naar Engeland verscheept. Saguran en guináras worden veel in de gouvernements-factorijen gebruikt ter inpakking van de tabaksbladeren, die naar Spanje worden gezonden. De prijs is van 25 tot 37½ dollars per pikol of 7½ tot 8 varas. Medrinaque is eenige jaren geleden in grootere hoeveelheid naar de Vereenigde Staten en Europa uitgevoerd, waar het hoofdzakelijk wordt gebruikt tot het stijven van kleederen, linnens enz. Dit artikel wordt voornamelijk te Samar, Leyte en Cebu vervaardigd, van waar het, bij direct vervoer, ter verscheping kan worden verkregen. De prijzen op de Manilla-markt bedragen voor Cebu 20 en Samar 18 dollars per 50 stuks.
In aanmerking genomen, dat de Philippijnen veeleer eene landbouw- dan eene fabriekstreek zijn, mag men zeggen dat de weefproducten van Iloilo eene aanmerkelijke ontwikkeling hebben erlangd. Niets trekt meer de aandacht op de wekelijksche markten, die in de verschillende steden gehouden worden, dan de overvloed van de inlandsche ter verkoop aangeboden goederen en ook het aantal in werking zijnde werktuigen in de meeste steden en dorpen geeft stof tot bewondering. In bijna ieder gezin vindt men eene dezer machines, met een eenvoudig toestel, uit stukken bamboe zamengesteld en in de meeste huizen der mestizen en de gegoede Indianen, zijn zes tot twaalf werktuigen in het werk. Het geheele aantal in deze provincie wordt op 60,000 geschat, en ofschoon deze cijfers de tegenwoordige hoeveelheid welligt te hoog opgeven, kunnen zij niet veel minder zijn. Al het weefsel wordt door vrouwen verrigt, wier loon gewoonlijk 1 à 1.50 dollar per maand bedraagt. In het algemeen—en dit is eene handelwijs die ongelukkig maar te zeer in zwang is onder de inlanders in iederen tak van arbeid—worden deze bezoldigingen maanden lang vooruit betaald, en de arbeiders besteden dan soms jaren (worden eigenlijk werkelijke slaven gedurende langen tijd) voordat eene oorspronkelijk kleine schuld is afbetaald. Er zijn nog andere werksters, die van tijd tot tijd bezig zijn om de goederen in het werktuig «op te zetten»; daarmede kunnen zij 1 à 1.50 dollar per dag verdienen. Hierbij moet nog gevoegd worden, dat Capiz en Antique ook, in mindere hoeveelheid dan Iloilo, fabriekgoederen produceren.
Niettegenstaande den toenemenden invoer van Europesche stukgoederen in Panay, is het een verblijdend verschijnsel, dat de hoeveelheid uitgevoerde gemengde pina-stoffen veeleer vermeerdert dan omgekeerd met de trapsgewijze toeneming van de algemeene bevolking en de vermeerderde middelen die zij verkrijgt door de snel toenemende ontwikkeling van de hulpbronnen der eilanden. Te oordeelen naar de waarde der hoeveelheden die door bijna elk vaartuig worden ingenomen, dat naar de haven van Manilla vertrekt, wordt de jaarlijksche uitvoer in die rigting niet te hoog geschat, als men dien op 400,000 dollars berekent. De goederen, onder dit bedrag begrepen, worden, men lette dit wel op, niet alleen in de stad en provincie Manilla gebruikt, maar komen ook in de consumptie voor van Pampanga, La Laguna, Camarines en andere provinciën van Luzon. Den uitvoer van pina naar de hoofdstad daaronder begrepen, wordt eene waarde van 30,000 dollars aan katoenen en zijden sarongs en handdoeken jaarlijks naar Camarines verzonden. Eenige hoeveelheid wordt ook naar Leyte en Samar uitgevoerd, doch zelfs eene approximative berekening van de waarde der op die wijze verscheepte goederen kan niet opgegeven worden. Men heeft hier zoo weinig acht geslagen op het onderwerp van statistiek, noch van de zijde der autoriteiten, noch van die der plaatselijke handelaren zelven, dat aan het slot van zijne aanteekening der voornaamste artikelen, die uit Panay worden uitgevoerd, de heer Loney het zelf betreurt niet in staat te zijn eene complete opgave van de gezamenlijke waarde te kunnen geven. De Estadistica de Filipinas, in 1855 uitgegeven en te Manilla gecompileerd door de Comision Central, voor dat doel benoemd, geeft van cijfers, die waarschijnlijk van de zeer onvoldoende tolregten zijn verkregen, de volgende opgaven voor de waarde van den invoer uit Panay naar Manilla in 1854:
Iloilo. Dollars.
Iloilo 264,416
Guimbal 39,850
——— 304,266
Capiz.
Capiz 181,681
Calwo 114,124
Ibajay 7,095
Batan 15,147
——— 318,047
Antique.
Antique 18,866
San José 2,925
Cagajancillo 3,061
Cûlasi 1,199
——— 26,051
648,364
Maar het meest vlugtige onderzoek van hetgeen de waarschijnlijke waarde der meer belangrijke uitgevoerde artikelen moet zijn, zelfs wanneer men de als waarschijnlijk aangenomen hoeveelheden in de voorafgaande cijfers aanneemt, leidt tot de conclusie dat de uitvoer naar Manilla uit de provincie Iloilo alleen moet gelijk staan met of meer bedragen dan het bedrag, dat de Estadistica als de totale som voor de provinciën heeft gegeven.
Wanneer men de hoeveelheden en waarde als volgt aanneemt, dan zijn de resultaten van:
Dollars.
Pina, zijde, hennep en andere fabrikaten 400,000
Tabak 30,000 quintals, gemiddeld 3½ doll. 105,000
Padie 30,000 zakken, id. 1 doll. » 30,000
Suiker 20,000 pikols, id. 3 doll. » 60,000
Sapanhout 33,000 id. id. 1 doll. » 33,000
Hennep 5,000 id. id. 5½ doll. » 27,500
Huiden 2,050 id. totale waarde 19,800
Alle andere artikelen oppervlakkig geschat op 45,000
720,300
Naar deze som, wanneer daarbij komt de uitvoer naar andere eilanden en provinciën, mag men veilig aannemen, dat de totale waarde van den uitvoer uit Iloilo niet veel minder bedraagt dan 800,000 dollars, een bedrag dat in het geheel niet buiten evenredigheid tot het aantal inwoners schijnt te staan. Uit deze cijfers blijkt, dat wanneer de uitvoer van Capiz op 700,000 en die van Antique op 70,000 dollars wordt berekend, de jaarlijksche uitvoer van Panay eene gezamenlijke waarde van meer dan 1,500,000 dollars bedraagt.
Maar zelfs de onvolledige opgaven van de Estadistica kunnen eenig denkbeeld geven van de snelle vermeerdering in den uitvoer der drie provinciën. Zoo bedroeg b. v. in 1852 de waarde der producten uit Iloilo, Capiz en Antique 271,335; in 1853 302,605 en in 1854 648,369 dollars, gevende eene vermeerdering in 1854 van veel meer dan het dubbele bedrag in 1852. Te dien opzigte moet nog opgemerkt worden, dat het plaatselijke tolkantoor ongelukkig geene volledige bijzonderheden van den uitvoer van 1856 heeft opgeteekend, maar daarmede eerst in 1857 is begonnen. Deze bijzonderheden zijn intusschen van betrekkelijk minder gewigt dan die van regtstreeksche buitenlandsche verzendingen, die later de aandacht zullen trekken.
De heer Loney schetst den tegenwoordigen toestand van den invoerhandel in Iloilo aldus:
«Ofschoon welligt het grootste gedeelte der kleeding voor de bevolking van Panay door de inlandsche werktuigen wordt vervaardigd, wordt nog eene groote hoeveelheid Europesche goederen jaarlijks uit Manilla ingevoerd. Ik reken dat gemiddeld (voor zoo ver men dit kan doen bij volslagen gemis van eenige bepaalde opgaven) voor ongeveer 30 à 40,000 dollars per maand aan goederen naar de haven van Iloilo wordt gebragt door de mestizen en Chinesche handelaren, waarover achtereenvolgens op de grootere markten van Jaro, Molo, Oton, Mandurriao, enz. wordt beschikt, van waar een zeker gedeelte naar het binnenland gaat. Deze tak van handel wordt tot nog toe hoofdzakelijk gevoerd door de mestizen-handelaren van Molo en Jaro, die bij het doen hunner aankoopen van inlandsche goederen voor de Manilla-markt, zich daarmede (ten getale van zes tot tien, vijftien en soms twintig) in de kustvaartuigen inschepen, die naar de hoofdstad vertrekken. De opbrengst van deze speculatiën, die zij meestal in vreemde (vooral Britsche) manufacturen terugbrengen, worden tegen lage prijzen van de groote Chinesche winkeliers te Manilla verkocht. De verkoop van deze goederen in het klein heeft hier nog op de aloude wijze plaats, door ze namelijk op zekere bepaalde dagen van plaats tot plaats te brengen. Op deze wijze worden goederen, die heden op de wekelijksche mis of markt te Jaro verschijnen, achtereenvolgens te Molo, Mandurriao, Oton of Arévalo te koop aangeboden. Zij worden naar en van de verschillende pueblos gebragt in wagens, van sterke wielen voorziene rijtuigen, die door buffels en ossen worden getrokken,—eene wijze van vervoer, die gedurende het natte jaargetijde veel oponthoud en gevaar veroorzaakt. De Chinesche handelaren te Molo en eenige kleinhandelaren te Iloilo zijn echter begonnen voortdurende winkels te openen, en het is waarschijnlijk dat het aantal daarvan trapsgewijze in de provincie zal toenemen; daar intusschen de missen ook het centrale aantrekkingspunt zijn voor al de producten binnen zekeren kring van iedere pueblo, en daardoor veel volk bijeen brengen, zal het wekelijksche vervoer van stuk- en andere goederen van de eene naar de andere plaats altijd in groote hoeveelheid blijven voortduren. Ongeveer dertig Chinezen zijn bepaald te Molo gevestigd, alwaar zij meestal met anderen te Manilla in betrekking staan, hetzij als deelgenooten, dan wel als agenten, terwijl twee of drie zich te Jaro gevestigd hebben. Een zeker aantal houdt zich ook bezig met reizen naar en van Manilla met goederen, na te hebben gerealiseerd wat zij hier voor een nieuwen voorraad terug brengen, terwijl zij de opbrengst in geld of in producten nemen. Een der Chinesche handelaren te Molo, die wel voorzien wordt door de hoofdstad, koopt goederen tot een bedrag van 30,000 à 40,000 dollars per jaar. Ten gevolge echter van de te groote concurrentie tusschen elkander en de overige handelaren, kan ik, met het oog op de prijzen, waarvoor zij gewoonlijk verkoopen, niet denken dat hunne winsten in het algemeen zeer groot zijn. Het feit, dat de mestizen-handelaren hunne voorname winst in de pina-goederen zoeken, die zij naar Manilla voeren, en zich betrekkelijk weinig bekommeren om een voorschot te verkrijgen op de goederen die zij terug brengen, houden ook de prijzen laag, in vergelijking met den koers te Manilla.
«Zoo als in de meeste provinciën, waar de Chinezen zijn doorgedrongen, bestaat er een meer of minder onderdrukt gevoel van vijandschap tegen hen van de zijde der inlanders en willen, zoowel de mestizen als de Spanjaarden, hen wel als smokkelaars beschouwen. Maar ofschoon het gouvernement te Manilla herhaaldelijk gepoogd heeft hen uit de provincie te verwijderen en hunne handelsoperatiën slechts tot Manilla te beperken, schijnt het niet genegen een maatregel te nemen, die blijken zou nadeelig te werken op den algemeenen handel van de kolonie. Het is waar, dat wanneer men een gedeelte der Chinezen er toe kon brengen landbouwers te worden (voor welk doel alleen zij oorspronkelijk in de provinciën werden toegelaten), groote voordeelen zouden ontstaan door vermeerderde productie; maar tot nog toe bevinden zij zich in het binnenland in te geringen getale om hen den grond op eene groote schaal te doen bebouwen, terwijl zij in kleine groepen niet genoegzaam beveiligd zouden zijn tegen de ongunstige gezindheid der inlanders.
«De voornaamste artikelen van vreemde fabrikaten, die in deze provincie worden ingevoerd, zijn: handdoeken (gedrukte) met heldere kleuren, geweven en gedrukte kousen en sokken, ginghams, fantaisie-cambajas, effen drills, witte shirtings, grijze shirtings en grijze longcloths, grijze twills (29 duim, zoowel Amerikaansche als Engelsche), gebleekte twills, neteldoek, witte jaconets, gestreept mousseline, katoenen naaigaren, katoenen sarongs, katoenen twist, of garen en wollens (waarnaar niet veel navraag is). Er bestaat ook verkoop in kramerijen, glas- en aardewerk en andere kleinere artikelen.
«Invoerregten worden in Iloilo geheven naar een tarief of volgens den marktprijs bij den invoer. Het zijn dezelfde als die te Manilla geheven worden, namelijk: voor de meeste soorten van vreemde goederen 14 pCt. wanneer zij in vreemde, en 7 pCt. als zij in Spaansche vaartuigen zijn aangevoerd. Hierop bestaan de volgende uitzonderingen: voor cambajas, ginghams, handdoeken enz. geheel van zwart, purper en blaauw, met of zonder witten grond wordt 25 of 15 pCt., naar het genoemde verschil in de wijze van invoer; voor garens van dezelfde kleur 50 en 40 pCt.; voor roode, gele, rosé en groene garens geen regt, evenmin als voor werktuigen, goud en zilver, planten en zaden; voor opgemaakte kleederen, schoenen enz. wordt 50 en 40 pCt.; voor ale of porter in flesschen 25 en 20 pCt.; voor wijnen, likeuren en azijn 50 en 40 pCt. en voor sterke dranken 60 en 30 geheven.
«Tropische producten, gelijk die van de Philippijnen, worden niet ter consumptie toegelaten, evenmin als vuurwapenen, zonder eene speciale vergunning.
«Alle goederen mogen opgeslagen zijn tegen betaling van 1 pCt.
«De uitvoerregten op alle soorten van producten naar vreemde havens zijn: 3 pCt. met vreemde en 1½ pCt. met Spaansche vaartuigen, met de volgende uitzonderingen: hennep betaalt aldus 2 en 1½ pCt.; schildpad, paarlemoer 1 pCt.; rijst 4½ en 1½ pCt.
«Geene regten worden geheven van goederen, die langs de kust aankomen of vertrekken met kustvaartuigen.
«Havenregten.—Geene speciale regten worden thans van vaartuigen geheven, die te Iloilo aankomen, maar men kan ze ongeveer gelijk stellen met de te Manilla geheven wordende, als: van vreemde vaartuigen die in ballast aankomen of vertrekken 18¾ c. per ton; met lading in- of uitwendig 34¾ per ton; met lading van binnen en van buiten 37½ c. per ton.
«De arbeidsloonen zijn gematigd te Iloilo. Landbouwers ontvangen 12½ c. à 18¾ c. per dag; timmerlieden 18¾ à 25 c.; metselaars 25 c. per dag.
«Versche provisie kan men tegen lage prijzen verkrijgen.
«De gebruikelijke maten en gewigten voor de producten zijn: de quintal, van 4 arrobas of 100 ponden Spaansch, gelijkstaande met 101¾ Eng. ponden; de pikol van 100 catties of 140 Eng. ponden. De zak rijst (cavan de provincia) staat gelijk met 1½ zak van Manilla of cavan del rey; hij weegt ongeveer 190 Eng. ponden en bedraagt in maat 8,997 kubiek duim. De pesada, waarmede men sapanhout verkoopt, weegt 13 arrobas, 13 pond of ongeveer 2½ pikols.
«De munt is geheel dezelfde als te Manilla, maar voor meest alle aankoopen worden zilveren dollars betaald, daar goud moeijelijk circuleert.
«Uit het voorafgaande overzigt van den handel in deze haven zal men zien dat tegenwoordig, met een jaarlijkschen uitvoer van ongeveer 1600 vaten suiker, meer dan 2000 vaten sapanhout en 350 à 400 ton hennep, zij (met het oog op de hoeveelheid die vreemde schippers zouden kunnen verzekeren) de ladingen kunnen opleveren voor twee vreemde vaartuigen van tamelijk groote tonnemaat; en ten opzigte van de suiker, die de geheele lading van vreemde vaartuigen, die van hier vertrekken zal, uitmaken, zal de toevoer in het volgende jaar waarschijnlijk verdubbeld worden. Het meer gewigtige vraagstuk echter, met betrekking tot den vreemden handel van Iloilo, betreft niet de tegenwoordige hoeveelheid van productie (die nog zeer beperkt is), welke dit eiland kan opleveren, maar of men tot de bijeenvoering van de producten uit de naburige eilanden en provinciën in wezenlijkheid zal kunnen geraken.
«Een overzigt van de feiten nopens de zuidelijke Philippijnen zou tot eene bevestigende conclusie schijnen te leiden. Met een gezamenlijken jaarlijkschen uitvoer van 4,000 vaten hennep uit Leyte en Samar, meer dan 5,000 vaten suiker uit Cebu, eene (snel toegenomen) productie van ongeveer 900 vaten suiker en 800 vaten hennep uit Negros en zonder nog den mogelijken toevoer van hennep te rekenen, die de zuidelijke Camerines en Albay zouden kunnen opleveren, (die verreweg het grootste gedeelte van den bestaanden uitvoer van hennep uit de Philippijnen produceren en, gedurende den noordoostelijken mousson, op korter afstand van Iloilo dan Manilla zijn), mag men gewis aannemen, dat, bij betrekkelijk gelijke prijzen die hier te verkrijgen zijn, Iloilo in den loop van tijden eene langzamerhand toenemende hoeveelheid van de producten zal tot zich trekken, die nu naar Manilla gaan. Men mag verder onderstellen dat Misamis (dat eene belangrijke hoeveelheid van opmerkelijk goede hennep oplevert), Caraga en de overige provinciën van Mindanao, ook in den loop van tijden hun aandeel zullen bijdragen in de producten, die men in eene haven kan verkrijgen, welke hunne handelaren op hunnen weg naar Manilla moeten voorbijtrekken, ofschoon de geheele ontwikkeling van het verkeer der naburige eilanden met Iloilo grootendeels zal afhangen van het bedrag van Europesche invoergoederen, waarmede deze laatste haven langzamerhand hare nieuwe bezoekers zou kunnen voorzien. Ofschoon men de opinie van de inlanders zelven niet als een gids kan aannemen, kan zij eenigermate als eene aanwijzing dienen van hetgeen men kan verwachten. Bij het bespreken van het onderwerp met de eigenaars van de kleine vaartuigen, wier ladingen hennep naar Iloilo zijn gebragt, hebben zij dikwijls gezegd: «Als vreemde vaartuigen hier komen en hoogere prijzen geven, zou er veel meer hennep uit Leyte en Camarines naar Iloilo komen.»
«Daar Cebu rijst en manufacturen voor eigene consumptie produceert, bestaat er tegenwoordig weinig communicatie daartusschen en Iloilo, maar het is verblijdend te vernemen dat een der deelhebbers van de meest ondernemende Spaansche firma op deze plaats het voornemen heeft zich zoowel naar Cebu als Leyte te begeven, ten einde, zoo mogelijk, eene handelsconnectie daar te stellen, met het oogpunt bovendien suiker en hennep naar dit gedeelte te verzenden.
«Het is ook een gunstig teeken dat de handel der naburige eilanden meer en meer de aandacht trekt van sommige vreemde firma’s te Manilla. De Amerikaansche huizen (gewoonlijk de eerste in de ondernemingen van dien aard) hebben reeds, door Spaansche tusschenkomst, agentschappen te Negros, Leyte en Cebu opgerigt, tot aankoop van hennep en suiker, en uit Manilla wordt, op schijnbaar goede gronden, berigt dat een hunner laatstelijk eene som van 170,000 dollars voor dit doel heeft voorgeschoten, waarvan de verdeeling veel tot de vermeerdering zou bijdragen en dus indirect zou medewerken tot de toekomstige toeneming van den uitvoer uit Manilla.
«Met het oog op de groote voordeelen, die uit de vestiging van liniën van kleine koopvaardijstoombooten tusschen de eilanden zouden voortvloeijen, is het feit dat het Gouvernement laatstelijk bevel heeft gegeven om de uitgebreide steenkool-districten in Cebu te beginnen te exploiteren, niet van gewigt ontbloot. Het onderwerp van stoomvaart in den Archipel trekt de aandacht te Manilla en het is niet onwaarschijnlijk dat binnen weinige jaren de eilanden op die wijze met elkander zullen zijn verbonden, die veel tot hun voordeel zal strekken.
«Het had vooraf vermelding verdiend dat de reis van Iloilo naar Manilla gedurende den noord-oostelijken mousson (van November tot Maart) gewoonlijk de betere soort ravaartuigen in den handel van 10 tot 15 dagen en op terugreis van 4 tot 6 dagen ophoudt. Ten gevolge van de beschutting, die de eilandengroep, de Silanga uitmakende, en andere havens op den weg aanbieden, behoeven schepen hier niet (zoo als gewoonlijk tusschen de havens aan het noordelijke gedeelte van de meer opene kust van Luzon en de hoofdstad) het anker gedurende de stormachtige maanden van September tot November uit te werpen, en de communicatie met Manilla, hoezeer gedurende deze maanden minder druk, wordt zelden voor eenigen tijd geheel belemmerd. Gemiddeld verlaat een vaartuig de hoofdstad iedere acht of twaalf dagen.»
Ik voeg hierbij eenige verdere extracten uit een verslag over den handel van 1858, die de heer Loney mij welwillend heeft afgestaan en het gewigt van de kultuur van Iloilo helder aantoont:
«De invoerhandel, in regtstreeksch verkeer met Britsche en vreemde huizen, is in het afgeloopen jaar in eene mate vermeerderd, die niet kan worden verwacht. Vroeger bedroeg hij niet meer dan 7,000 dollars; maar nu is hij, gedurende een tijdvak van twee jaren, tot ruim 140,000 dollars gestegen en er bestaat uitzigt dat hij in de toekomst nog meer vermeerderen zal, wanneer het meer bekend zal worden dat eene aanzienlijke hoeveelheid manufacturen ter markt kan worden gebragt.
«Ten gevolge van het bestaan van een voorraad vreemde artikelen in Iloilo, die door de inlandsche koopers als algemeene regel (en als een gevolg van de meer directe wijze waarop zij in hunne handen komen) tegen goedkooper prijzen dan in de Chinesche winkels te Manilla kunnen worden verkregen, hebben vele inlandsche en ook eenige Chinesche handelaren het voordeel hunne aankoopen te kunnen doen op de plaats zelve in plaats van te Manilla en sommige der eerste hebben zelfs de uitgaven niet te doen en het verlies van tijd niet te ondergaan, die zij vroeger verspilden in het gaan naar Manilla om voorraad op te doen, terwijl anderen niet zoo dikwijls meer als vroeger naar de hoofdstad reizen en hunne pina-goederen aan de zorg van vrienden en agenten toevertrouwen; dien ten gevolge begint de handel op eene minder verouderde wijze dan vroeger te worden gedreven, toen iedere kleinhandelaar zelf zijne goederen aanbragt, die hij tegen hooge prijzen van de Manilla-winkeliers heeft gekocht. Handelaren van Antique, van het eiland Negros en van Leyte vinden thans ook te Iloilo een voldoende voorraad goederen voor hunne behoeften. Een ander voordeelig gevolg is, dat zij, die in het groot te Iloilo koopen, hunne goederen aan de kleinhandelaren of aan hunne agenten kunnen afstaan, die ze in het binnenland tegen lager prijzen dan vroeger verkoopen. De goederen zijn dus door de goedkooper prijzen verkoopbaar op plaatsen in het binnenland van het eiland, waar men ze vroeger zelden kocht en een natuurlijk gevolg daarvan is eene belangrijke vermeerdering der consumptie. Het algemeene getuigenis van al de oudere ingezetenen in de provincie is, dat gedurende de laatste paar jaren eene opmerkelijke verandering heeft plaats gegrepen in de kleeding en in het algemeen in het uitwendige van de inwoners der grootere pueblos, hetgeen in groote mate aan het betrekkelijke gemak is te danken, waarmede zij artikelen verkrijgen die vroeger òf niet ingevoerd werden òf die om de hooge prijzen niet onder hun bereik vielen. In het inwendige der huizen is dezelfde verandering ook merkbaar in de meubelen en andere zaken en in het blijkbare verlangen om versierselen bij de noodige artikelen van huishoudelijk gebruik te voegen; en zij die overtuigd zijn van de wenschelijkheid om, bij den buitengewoon onverschilligen aard der inlanders, in hen eene zucht op te wekken tot verbetering van hunnen toestand en dien van hunne gezinnen, of dien van anderen na te streven, door binnen hun bereik te stellen de meer aantrekkelijke en nuttige artikelen van Europesche productie, zal te gelijker tijd in deze feiten de heilrijke strekking naar vermeerderden en goedkooper invoer zien.
«Ten opzigte van de regten, die van den invoer worden geheven, moeten wij de meer of minder spoedige waarschijnlijkheid van directen invoer uit Europa of China naar Iloilo, in aanmerking nemen. Men behoeft slechts weinig bekend te zijn met den trapsgewijzen en langzamen gang der handelszaken om de traagheid te erkennen, waarmede zij voor nieuwe kanalen van communicatie geschikt wordt. Vooral is dit het geval ten opzigte van deze zuidelijke eilanden, ten gevolge van de afsluiting waarin zij met betrekking tot den handel werden gehouden en die zoo groot is dat men gerust kan zeggen, dat het eiland Panay, met zijne 750,000 inwoners, naauwelijks zelfs bij naam bekend is op eenige der handelsmarkten van Europa, Amerika en zelfs van Azië. Men behoeft er zich dus niet over te verwonderen, dat geene directe transactiën in den invoer hebben plaats gehad. Men moet in aanmerking nemen dat de jaren 1857–58 hoogst ongunstig voor nieuwe handelsbelangen van elken aard zijn geweest door den toenmaligen gedrukten toestand van den handel op alle markten ter wereld. Deze gedrukte toestand, ofschoon hij nog gevoeld wordt, oefent echter thans geen invloed meer uit en de Iloilo-markt zal onder anderen ongetwijfeld de aandacht trekken van Europesche fabrikanten en kapitalisten, ofschoon noodwendig eenige tijd zal moeten verloopen, vóórdat een voldoend aantal reeders kan gevonden worden om verzendingen te doen van zulk een verscheiden aard en sortering als noodig zouden zijn eene lading vol te maken, ten einde in de behoeften van Panay en de naburige eilanden te voorzien. Reeds zijn langs Manilla verzendingen aangekomen, die bijzonder voor de Iloilo-markt werden bestemd en deze omstandigheid en het feit dat de Manchestersche fabrikanten belang beginnen te stellen in de navraag van Iloilo, waarborgen stellig de verwachting dat het niet lang meer zal duren, dat verzendingen uit Europa langs Manilla op uitgebreide schaal zullen plaats hebben en den weg tot directe verscheping naar Iloilo zullen banen. Ofschoon het bijna nutteloos is in dergelijke gevallen voorspellingen te doen, waar zoo vele omstandigheden de ontwikkeling van eene nieuwe markt kunnen belemmeren of bevorderen, aarzel ik toch niet te verklaren dat het meer dan waarschijnlijk is, dat in den loop van twee jaren Spaansche vaartuigen direct uit Liverpool zullen komen of Manilla zullen aandoen en een gedeelte van hunne ladingen daar laten, waardoor meer bijzonder dan thans regtstreeksche uitvoer zal plaats hebben en de suikeroogst tot eene hoogte gebragt worden, die het aan de schepen, welke met stukgoederen aankomen, gemakkelijk zal maken, om ladingen van suiker, sapanhout en huiden terug te nemen, alle welke producten—het behoeft niet gezegd te worden—te Iloilo veel goedkooper dan te Manilla kunnen worden verkregen.
«Het is ook waarschijnlijk dat spoediger regtstreeksche invoer uit China dan uit Europa zal plaats hebben. Het gebruik van ruwe Shangaï-zijde is veel grooter te Iloilo dan in eenige van de andere Philippijnsche provinciën en de consumptie bedraagt meer dan 30 pikols per maand, die gemiddeld 600 dollars zilver per pikol of wel 18,000 dollars per maand waardig zijn.
«De uitvoerhandel van Iloilo regtstreeks naar vreemde markten is inderdaad de eerste gebeurtenis, waarvan het handelslot, om zoo te zeggen, van de Bisaja-eilanden afhangt. De voornaamste hinderpaal, behalve de bovengemelde, die het begin heeft vertraagd, was de buitengewoon geringe opbrengst van suiker. In 1855–56 bedroeg de oogst te Iloilo, daaronder eenige hoeveelheid uit het eiland Negros gerekend, naauwelijks 12,000 pikols en in plaats van te vermeerderen, is zij verminderd ten gevolge van de ontmoedigende werking der uiterst lage prijzen van 1,875 tot 2 dollars per pikol van 140 lbs., hetgeen alles was, wat men er voor kon krijgen, na de kosten van verzending naar Manilla te hebben ondergaan. In 1856–57 beliep de opbrengst, onder den prikkel van hoogere prijzen, 35,000 à 37,000 pikols. In 1857–58 hadden deze hooge prijzen een nog beter gevolg voor het planten van riet, en men berekende dat de oogst minstens 50,000 pikols zou opleveren; maar veel regenachtig weder deed de jaarlijksche opbrengst tot ongeveer 30,000 dalen. De oogst van 1858–59 is echter het gevaar van regen ontkomen en men berekent, dat hij ongeveer 80,000 pikols van Januarij tot Julij zal opleveren. Hij wordt zelfs wel op 100,000 pikols geschat, maar ik geloof dat hierin overdrijving bestaat.
«Daar de opbrengst van suiker te Iloilo (ongerekend de oogst van Isla de Negros, die nu berekend wordt 30,000 pikols op te leveren en die van Antique, welke men op 20,000 pikols schat, beide zeer geschikt voor de markt van Iloilo) gelukkig het bovengemelde bedrag heeft bereikt, is regtstreeksche uitvoer van suiker nu mogelijk geworden en er worden toebereidselen gemaakt om regtstreeks naar Australië verzendingen te doen plaats hebben gedurende de eerste maanden van het volgende jaar.
«Terzelfder tijd voorzien Mauritius, Java en Bengalen Australië met groote en toenemende hoeveelheden suiker, en Mauritius in het bijzonder, dat de groote voordeelen geniet van meerdere nabijheid (wat den tijd betreft) en van machines en andere benoodigdheden, die van veel beter hoedanigheid zijn dan die welke in de Philippijnen in gebruik zijn, voorziet de Australische markt van eene groote hoeveelheid gekristalliseerde en geele suiker, die in Sydney en Melbourne veel gezocht worden, waar de voortdurende toeneming van de bevolking en van de algemeene welvaart de navraag naar betere soorten suiker vermeerdert. In 1857 kregen de Australische koloniën 24,000 vaten of 384,000 pikols suiker uit Mauritius, en de laatste verslagen doen voorzien, dat de verschepingen dit jaar naar dezelfde gedeelten 30,000 vaten of 480,000 pikols zullen bedragen. De Port Louis Commercial Gazette van 10 Augustus 1858 zegt het navolgende: «Er is geen twijfel dat de tegenwoordige oogst 240 millioen pond, dat is 120,000 vaten (bijna 2 millioen pikols), zal bedragen, maar daar de Australische koloniën 24,000 van den laatsten oogst trokken, kunnen wij verwachten dat zij van dezen minstens 30,000 zullen nemen, daar onze gekristalliseerde en geele suikers daar meer gewild worden.» Hetzelfde dagblad van 27 October voegt er bij: «Deze gemakkelijkheid om voor de producten billijke prijzen te maken, heeft levendigheid aan de zaken bijgezet en de vooruitzigten van de kolonie verbeterd. Er zijn nu 150 vaartuigen in onze haven, die naar en van verschillende gedeelten der wereld laden en lossen. Op onze marine-etablissementen houdt men zich druk bezig met het herstellen van schepen van verschillende natiën, die zich gelukkig geacht hebben hier eene schuilplaats te kunnen vinden; onze uitgestrekte kaden zijn te klein voor onzen handel; de doelmatige nieuwe pakhuizen, die laatstelijk gebouwd zijn en tot de verfraaijing van onze haven zullen bijdragen, zijn gevuld met goederen en producten; onze bevolking is dit jaar met 25,000 immigranten vermeerderd, terwijl slechts 6,500 personen zijn vertrokken. Onze openbare inkomsten zijn belangrijk vermeerderd; de maatschappijen nemen in bloei toe; de landbouw is uitgebreid, suiker-machines en werken verbeterd en vermeerderd, en particuliere gebouwen in het voornaamste gedeelte der stad vergroot en uitwendig verbeterd.»
«Gelukkig voor de Philippijnen, met het oog op hunne krachtiger mededingers, Mauritius, Java en Bengalen, zijn de mindere soorten van ruwe suikers van Iloilo, Capiz en Antique, Isla de Negros en Cebu, in gewone tijden, goedkooper dan die van eenige der laatste koloniën en dien ten gevolge meer geschikt ter raffinering; maar niets kan helderder dan de bovengenoemde feiten nopens den uitvoer van Mauritius, het groote gewigt doen uitkomen van het openhouden der wegen van uitvoer voor de ruwe Philippijnsche suikers naar Australië tegen de goedkoopst mogelijke prijzen voor de invoerders.
«De grootere uitgestrektheid en de buitengewone vruchtbaarheid der Philippijnen, in vergelijking met Mauritius, moeten ten slotte, zoo geene kunstmatige hinderpalen op nieuw aan de productie van de eerste in den weg gelegd worden, tot de ontwikkeling leiden van meerdere suikeroogst dan die van de laatste kolonie.
«De resultaten van de opening der havens van Soerabaja, Samarang en Cheribon en van andere op het eiland Java, zijn aanmoedigende omstandigheden, daar zij, onder meer gelijke voorbeelden, aantoonen van hoe groot gewigt Iloilo, als de centrale haven van de Bisajaansche eilanden, kan worden. Soerabaja en Samarang (en vooral de eerste), die gunstig nabij de hoofdplaatsen van productie zijn gelegen, voeren nu eene onmetelijke hoeveelheid producten uit en er worden orders voor de directe verscheping naar Europa van rijst, suiker, koffij, tabak en andere Javaansche producten door den telegraaf door de Bataviasche huizen aan hunne agenten in deze havens gegeven over een afstand van meer dan 350 mijlen. Ik kan voor het oogenblik niet meer doen dan kortelijk wijzen op het begin van uitvoer van hout voor gebouwen en meubelen van Iloilo en Antique naar China. Het Spaansche vaartuig Santa Justa laadde dit jaar eene groote lading hout voor Hongkong, die laatstelijk tegen 63½ cents per voet werd gekocht. Sedert is de prijs ten gevolge van de navraag voor den herbouw van Canton, in Hongkong gerezen en zijn toebereidselen gemaakt om andere ladingen met een groot vaartuig, hetzij Spaansch of buitenlandsch, naar China te verzenden; er bestaat veel uitzigt dat binnen kort eene groote trafiek in dit artikel zal komen, dat, gelijk wij reeds zeiden, van uitmuntende hoedanigheid, in groote hoeveelheid, goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar is bij Iloilo en de aangrenzende provincie Antique.
«Vaartuigen, die de reis naar Iloilo uit Australië of van eenige plaats in het zuiden der Philippijnen maken, moeten, gedurende den Z. W. mousson, den archipel tusschen de eilanden Basilan en Zamboanga binnenvaren en, wanneer zij kaap Batalampon voorbijgaan, in den omtrek van kaap Gorda blijven en het Murcielagos-eiland aandoen, om daardoor te vermijden om naar de westzijde te worden gedreven door de sterke stroomen, die van de Mindanao-kust opkomen gedurende de beide moussons.
«Gedurende den N. O. mousson is het best een omweg te maken naar het oosten der Philippijnen en den archipel langs de straat van San Bernardino in te varen. Deze moeten langs Samar en Masbate binnen gevaren worden. Vaartuigen, die van Manilla of van noordelijke havens komen, kunnen langs de Mindoro-passage gaan, maar zij moeten Don Claudio Monterio’s kaarten raadplegen. Na Tables en Romblon (waar eene uitmuntende haven is) te zijn gepasseerd, moet men de Silanga-eilanden aandoen, waarvoor het hooge eiland gelegen is, Suikerbrood (Pan de Azucar) genaamd. Gedurende den N. O. mousson moeten de vaartuigen zich tusschen de eilanden Jintotolo en het grootere Zapato (Schoen-eiland) houden, maar gedurende den zuidwestelijken tusschen Olivaja en het kleinere Zapato passeren. Het beste kanaal is tusschen Sicogon en Calaguan, maar de uitwendige en breeder passage tusschen de eilandgroepen en het eiland Negros, is verkieslijk voor groote vaartuigen. In den binnenweg is eene veilige ankerplaats. Te Bacuan en Apiton vindt men voorraad.
«Het getij door de Silanga-eilanden en de Zeven Zonden stroomt drie of vier mijlen per uur en van de Zeven Zonden naar Iloilo dikwijls zes tot zeven mijlen per uur.»
De bloei van den handel is zoo naauw verbonden met de algemeene welvaart en de vermeerdering van menschelijk geluk, dat men niet anders dan met belangstelling de resultaten kan beschouwen van eene wetgeving, die den handel van banden verlost en de industrie aanmoedigt, en het eiland Panay kan als een veelbelovend veld voor de toekomst beschouwd worden. Uit de jongste verslagen blijkt, dat de rietaanplant zeer snel in deze provincie is toegenomen, ten gevolge van de voortdurend hooge prijzen van de suiker en ook van het feit, dat de directe uitvoerhandel naar Australië is begonnen. De planters zien nu, dat de aankomst van vreemde vaartuigen tot eene voortdurende navraag voor hunne suiker zal leiden tegen betere prijzen, dan die zij vroeger op de markt te Manilla maakten, van waar, vóór de opening van de haven van Iloilo voor den vreemden handel, al de suiker van deze en de naburige provinciën moesten worden verscheept tegen groote onkosten door hooge vrachtprijzen, landings- en overschepingsregten, zee-assurantie, commissie, makelarij enz., al hetwelk nu door directe verscheping naar de plaats van productie wordt vermeld.
«De prikkel aan de aanplant gegeven, heeft dit jaar eene vermeerdering in de opbrengst te weeg gebragt van 60,000 pikols (3,750 vaten) en te oordeelen naar de groote hoeveelheid riet, die voor den volgenden oogst wordt geplant, kan men verwachten dat in 1860 ongeveer 140,000 pikols (7,500 vaten) zullen worden geproduceerd, zonder de hoeveelheid te rekenen die de naburige provinciën Antique (30,000 pikols) en het eiland Negros (35,000 à 40,000 pikols) opleveren, uit welke beide plaatsen suiker wordt aangebragt en uitgevoerd.
«Het verschil in de kosten van de suiker te Iloilo en Manilla bedraagt tegenwoordig 2 p. 16 sh. 5 d. per vat, vrij aan boord, zoo als blijkt uit de volgende
VERGELIJKENDE TABEL VAN KOSTEN.
Te Manilla, 23 April 1859. Dollars.
1 vat = 16 pikols à 3.87½ dollars 62.00
Uitvoerregten à 3 pCt 1.86
Ontvangst, inladen en verschepen, 27 cents per pikol 4.32
——— 6.18
68.18
Commissieloon (in fondsen) 2½ pCt. 1.70
Kosten vrij aan boord te Manilla 69.88
Idem te Iloilo 55.71
Verschil 14.17
Te Iloilo, 2 Mei 1859 Dollars.
1 vat = gelijk 16 pikols à 2.75 dollars 44.00
Uitvoerregt 3 pCt. 1.32
Ontvangst, inlading en inscheping, 20 cents per pikol (geen huurboot wordt te Iloilo toegelaten) 3.20
——— 4.52
48.52
Commissieloon 2½ pCt. 1.21
49.73
12 pCt. kosten van zilver 5.98
Kosten te Iloilo vrij aan boord 55.71
Verschil 14.17 dollars pd. st. 3.1.5
Minder voor vrachtkosten per vat, wanneer een vaartuig te Manilla naar Iloilo gaat laden 0.5.0
Kosten per vat, minder te Iloilo pd. st. 2.16.5
«Het eiland Panay, waarvan Iloilo de voornaamste haven is, is verdeeld in de drie provinciën Iloilo, Capiz en Antique, die respectivelijk 527,970, 143,713 en 77,639 inwoners bevatten, zijnde een totaal bedrag van 749,322, volgens de officiële bescheiden van 1858.
«Britsch vice-consulaat voor Panay,
«Iloilo, 2 Mei 1859. «N. LONEY.»
Niettegenstaande de gunstige vooruitzigten voor den handel te Iloilo, is weinig of niets gedaan voor de verbetering van de haven of ter vergemakkelijking van de uitbreiding van haren handel. Er is geen havenhoofd, geen licht, geene aanwijzing van gevaarlijke plaatsen, ofschoon de Oton-ondiepte zich uitbreidt, en het van het grootste belang is dat het veilige kanaal aan de zeevaarders worde aangewezen. De laatste instructiën der marine (1859) zijn de volgende:
«De haven van Iloilo, aan het zuidelijke strand van het Panay-eiland gelegen, ofschoon wel beschermd en van nature goed, is niet van inconveniënten ontbloot; zij kan echter gemakkelijk vermeden worden. Van eene goede kaart voorzien en als men van het noorden met eene loods nadert, kunnen groote vaartuigen veilig binnenvaren.
«De diepte van het water aan den dam bij den ingang van de kreek of rivier Iloilo, bedraagt omtrent vijf vademen bij laag water, maar op korten afstand verder op vermindert zij tot 15 voet en dan wordt het weer dieper. Daar de hoogte van het getij zes voet bedraagt, kan een vaartuig van een diepgang van 16 tot 18 voet gemakkelijk in- en uitzeilen, en wanneer, zoo als is voorgesteld, eene maalmachine wordt gebruikt om den modder te verwijderen, die zich op de meer ondiepe plaatsen bij den ingang heeft opgehoopt, kunnen vaartuigen van elken diepgang hunne ladingen binnenwaarts voltooijen. Een Spaansch schip van 700 ton, laadde in 1857 een gedeelte van eene lading tabak binnen de kreek en voltooide de lading buitenwaarts.
«Daar de oevers van de kreek van zachten modder zijn, bestaat er weinig of geen gevaar om vast te raken. Wanneer men ongeveer anderhalf mijl de kreek opvaart, die van eene halve tot drie kwart mijl in breedte verschilt, brengen de kustvaarders de goederen tot aan de woningen der reeders en hebben het voordeel te laden en te lossen aan de magazijnen, zonder het gebruik van booten. Van dit punt af loopt de kreek tot Molo, naar welke plaats kustvaartuigen vroeger konden gaan door eene ophaalbrug. Deze is echter versleten en daar de tegenwoordige brug geene middelen van doortogt aanbiedt, blijven zij te Iloilo, waar de Molo-handelaren hunne magazijnen hebben overgebragt. Men is echter reeds beginnen te arbeiden aan eene nieuwe beweegbare brug voor den doortogt van vaartuigen.
«Het eiland Guimaras vormt tegenover Iloilo een beschutten doortogt, die ongeveer noordelijk en zuidelijk loopt, van 2½ tot 6 mijlen breed is, diep water en eene goede ankerplaats heeft. De zuidelijke ingang tot deze passage wordt zeer belemmerd door de Oton-bank, die zich op belangrijken afstand van het Panay-strand uitstrekt en ongeveer eene mijl ver het doelmatige kanaal naar deze haven bekort tot eene breedte van ongeveer twee mijlen. Deze ondiepte is bijna een eiland geworden. Er bestaat echter geen hinderpaal voor groote vaartuigen gedurende den noord-westelijken mousson (vooral als het kanaal wordt uitgebaggerd), daar de doortogt geheel zuiver is, terwijl zij in den noord-oostelijken mousson met het getij kunnen werken, omstreeks Guimaras blijvende (waarvan de kust zuiver is en diep water heeft), en zoo noodig aan het einde der ondiepte ankerende, die goeden vasten grond oplevert en waar men veilig nabij kan komen. Dit geheele gedeelte van de kust biedt dan ook eene veilige ankerplaats aan gedurende den noord-oostelijken mousson.
«Wanneer het hard in het zuidelijke kanaal naar Iloilo waait kan een vaartuig gaan naar de haven van Bulnagar of Santa Ana, aan de zuidwestzijde van Guimaras, waartoe de toegang gemakkelijk is en die vaartuigen van de grootste tonnemaat kan bevatten; zij biedt eene goede schuilplaats aan onder bijna alle omstandigheden.
«De kustvaartuigen gaan gewoonlijk van het noorden naar den noordelijken ingang tot Iloilo door de kleine, rijk van hout voorziene eilanden Gigantes, Sicogon, Pan de Azucar, Apiton enz., die gezamenlijk de Silanga genoemd worden, welke aan de noord-oostkust van Panay gelegen en op belangrijken afstand eene buitengewoon goede wijkplaats aanbiedt voor vaartuigen, die in den handel met Manilla en de meest zuidelijke Bisangas zijn betrokken. Ofschoon zich echter onder deze eilanden eene uitmuntende ankerplaats bevindt, vooral te Pan de Azucar en Tagal, zou het toch voorzigtiger zijn voor groote schepen, ingeval men niet practisch bekend is met het getij, de stroomingen enz., het buitenwaartsche kanaal te kiezen tusschen de Silanga en het eiland Negros.
«Na de Calabazos-rotsen en Papitas-ondiepte te zijn gepasseerd en het blokhuis van Banate in het gezigt te hebben (dat, even als vele andere op de Philippijnsche kusten is gebouwd ter beveiliging tegen de zeeroovers van de Soeloe-zee) moet men zuidelijk den koers houden, tot dat men eene groep van zeven merkwaardige rotsen, de Zeven Zonden genaamd, in het gezigt krijgt, die tusschen het noordelijk einde van Guimaras en het Panay-strand gelegen zijn; men moet dan direct daarnaar koers nemen en zorg dragen de Iguana-Bank te vermijden. Vaartuigen van tamelijken diepgang kunnen de kreek binnenvaren of, zoo zij te groot zijn, naar de oostzijde van het fort varen, waar zij tegen den wind en de gestrengheid van het getij beschut zijn.
Iloilo biedt vele gemakken aan voor de daarstelling van werven, havenhoofden en landingsplaatsen, maar er zijn nog geene gebouwd. De toegang tot de rivier en hare geheele loop kunnen gemakkelijk gezuiverd worden, maar weinig of niets wordt er verrigt tot wegruiming van den opgehoopten modder.