← Table of contents
Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel

GESCHIEDENIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN. (continued 2)

Reading edition

Eens vond ik op mijn' weg verscheidene drooge pompoenen, die van een' boom waren gevallen; ik zocht er eene der grootste uit, die ik mede nam. Na hem goed gereinigd te hebben, perste ik eenige druiven uit, liet het sap in mijne soort van flesch loopen, en vulde ze tot aan den hals. Ik verborg nu mijne met druivensap gevulde kalebas, en wist het zoo aan te leggen, dat wij na eenige dagen weder langs die plaats kwamen. Nu nam ik mijne kalebas, bragt die aan den mond, en dronk een' overheerlijken wijn, die mij zoo opwekte, dat ik bijna mijn treurig lot vergat. Ik gevoelde mij zoo opgeruimd, dat ik begon te zingen, en met mijne vracht op den rug meer danste dan liep.

Toen de grijsaard bemerkte, dat die drank mij vrolijk maakte, en ik hem met veel meer gemak en lust droeg dan gewoonlijk, gaf hij mij door teekenen te verstaan, dat ik ook hem moest laten drinken. Ik reikte hem mijne kalebas toe, hij nam die, en daar mijn wijn hem zeer lekker smaakte, dronk hij haar tot den laatsten droppel ledig. Er was nog genoeg in om hem dronken te maken, en hij werd het ook. Terwijl de dampen van den wijn hem meer en meer naar het hoofd stegen, ving ook hij aan op zijne wijze te zingen, en op mijne schouders eene soort van dans uit te voeren. Door dit hotsen gaf zijne maag terug, wat hij te gulzig had gedronken, en werden zijne beenen allengskens losser. Zoodra ik dit bemerkte, wierp ik hem met een' duchtigen schok van mijne schouders in het zand, waar hij bedwelmd bleef liggen. Ik nam nu een' grooten steen op en verpletterde hem de hersenpan. Mijne blijdschap was zeer groot, toen ik mij van dezen verwenschten grijsaard had verlost. Ik ging naar het strand, en tot mijne niet minder groote vreugde ontmoette ik eenige matrozen, die daar met hun schip voor anker lagen, om versch water in te nemen. Zij waren zeer verwonderd, toen zij mij zagen, en nog meer, toen zij mijne lotgevallen vernamen, waarmede ik hen in weinige woorden bekend maakte. „Gij waart,” zeiden zij, „in handen gevallen van den grijsaard van de zee, en gij zijt de eerste, dien hij niet heeft verworgd; nooit heeft hij den ongelukkige, van wien hij zich had meester gemaakt, weder losgelaten, dan na hem gestikt te hebben. Hij heeft dit eiland berucht gemaakt door het groote aantal lieden, die hij gedood heeft; en de vrees, die hij aan alle zeevarenden inboezemt, is zoo groot, dat matrozen en kooplieden, alleen in groot gezelschap, voet aan land durven zetten.”

Toen zij mij dit gezegd hadden, namen zij mij mede aan boord van hun schip. De kapitein ontving mij zeer vriendelijk; en als hij vernam, wat mij was overkomen, betuigde hij mij, verheugd te zijn, dat ik aan zulke gevaren ontsnapt was. Hij ging weder onder zeil, en na eenige dagen lieten wij het anker vallen voor eene groote stad met steenen huizen, die anders gewoonlijk slechts van hout of van bamboes zijn gemaakt.

Een der kooplieden van het schip, die zich mijner in vriendschap had aangetrokken, nam mij met zich naar de stad en bragt mij in een huis, ingerigt om schipbreukelingen of vreemde kooplieden zonder vermogen op te nemen. Hij gaf mij vervolgens een' grooten zak, en beval mij aan in de bescherming van eenige lieden, die allen van dergelijke zakken voorzien waren; hij verzocht hun, dat zij mij zouden medenemen om kokosnoten in te zamelen. „Ga,” zeide hij nu tegen mij, „met deze lieden; doe, gelijk gij hen zult zien doen, en draag zorg u niet van hen te verwijderen, gij zoudt anders uw leven in gevaar brengen.” Hij gaf mij ook levensmiddelen voor dien dag, en ik vertrok met die menschen.

Wij kwamen in een groot bosch van regt opgaande en hemelhooge boomen, wier stammen zoo glad waren, dat er voor den besten klimmer geene mogelijkheid bestond, zelfs de onderste takken, waaraan zich de vruchten bevonden, te bereiken. Het waren allen kokosboomen, met wier noten wij onze zakken wenschten te vullen. De apen, waarvan wij eene groote menigte zagen, waren echter betere klimmers dan wij, want zoodra deze dieren ons vernamen, vlugtten zij in de boomen, en klauterden met eene verwonderlijke vlugheid tegen de gladde stammen op.

De lieden, die bij mij waren, namen steenen op en wierpen die uit alle magt naar te toppen der boomen en naar de apen, die daar hunne wijkplaats hadden genomen. Ik deed gelijk de anderen, en nu bemerkte ik, dat de apen ons goede diensten bewezen, want in hunnen toorn gingen zij met verbazende vlugheid aan het plukken, en wierpen ons de noten toe, die wij nu maar hadden op te rapen en in onze zakken te doen. Nu en dan wierpen wij weder met steenen om de apen aan het werk te houden, en door deze list vulden wij spoedig onze zakken met vruchten, wat ons anders onmogelijk zou zijn geweest. Toen een ieder onzer zijn' zak gevuld had, keerden wij naar de stad terug, en de koopman, die mij naar het bosch had gezonden, betaalde mij de waarde voor de kokosnoten, die ik had medegebragt.

„Ga,” zeide hij, „elken dag naar het bosch tot dat gij genoeg verdiend zult hebben, om de kosten voor de terugreis naar uw vaderland te kunnen betalen.” Ik bedankte hem voor zijn' goeden raad, en verzamelde zoo vele kokosnoten, dat ik eene aanzienlijke som kon opleggen. Ik wachtte nu slechts op eene gunstige gelegenheid om naar mijn geboorteland terug te keeren, en zoodra deze zich opdeed, liet ik mijne kokosnoten aan boord brengen. Vervolgens nam ik afscheid van den koopman, aan wien ik zoo veel verpligting had, en ging scheep.

Daar de wind gunstig was, gingen wij dadelijk onder zeil, en zetten koers naar een eiland, waar de peper in grooten overvloed groeit. Van daar gingen wij naar Comara, waar de beste aloé wordt gevonden. Bij de bewoners dier eilanden is het eene wet, zich van wijn en van alle uitspattingen te onthouden.

Hier verruilde ik mijne kokosnoten tegen peper en aloéhout. Ook ondernam ik met andere kooplieden de parelvisscherij. Ik nam eenige duikers aan, die eene menigte groote en zeer schoone parelen voor mij opvischten. Verheugd over zulk eene rijke vangst, scheepte ik mij in op een schip, dat regelregt naar Balsora zeilde, waar ik behouden aankwam. Van daar vertrok ik onmiddelijk naar Bagdad, en verkocht er mijne peper, mijn aloéhout en mijne parelen zeer duur. Het tiende deel van mijne winst deelde ik uit aan aalmoezen en zocht mijne doorgestane vermoeijenissen in een genoegelijk leven te vergeten.”

Bij het eindigen van deze woorden deed Sindbad weder honderd sequinen aan Hindbad geven. Den volgenden dag kwamen de zelfde gasten nogmaals bij den rijken Sindbad ter maaltijd, en na hen even als de vorige dagen heerlijk onthaald te hebben, begon hij het verhaal van zijne zesde reis.

ZESDE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Mijne Heeren!” zeide hij, „gij zult moeijelijk kunnen begrijpen hoe ik, na het doorstaan van zoo vele rampen, en na vijf malen schipbreuk te hebben geleden, kon besluiten nieuwe gevaren te gaan zoeken. Als ik er wel over nadenk, ben ik zelf verwonderd over mijne dwaasheid, maar mijn noodlot dwong er mij voorzeker toe. Hoe dit zij, na een jaar rust, maakte ik aanstalten om eene zesde reis te ondernemen. Wat ook mijne bloedverwanten en vrienden mogten zeggen, om mij van mijn voornemen af te brengen, het was te vergeefs!

Wederom nam ik mijn' weg door Perzië en Indië, tot dat ik eene zeehaven bereikte. Hier ging ik scheep met een' kapitein, die voornemens was eene zeer lange reis te doen. Zij was in waarheid lang, maar tevens zoo ongelukkig, dat de kapitein en de stuurman van den koers afdwaalden, en volstrekt niet meer wisten, op wat lengte of breedte wij ons bevonden. Toen zij dit eindelijk ontdekten, was het waarlijk voor ons geene aangename zaak. Verbeeldt u onzen schrik, toen wij den kapitein eensklaps zijn' post zagen verlaten, terwijl hij in wanhoopskreten uitbarstte. Hij was als zinneloos, wierp zijn' tulband op het dek, rukte zich den baard uit, en sloeg zich met de vuisten voor het hoofd. Wij vraagden wat hem zoo wanhopig maakte. „Ik moet u zeggen,” antwoordde hij, „dat wij ons op de gevaarlijkste plaats der zee bevinden. Een zeer sterke stroom voert het schip mede, en eer een kwartier verloopen is, zijn wij misschien allen kinderen des doods. Bidt Allah, dat hij medelijden met ons hebbe, en ons uit dit gevaar redde, of wij zijn verloren.” Te gelijk beval hij alle zeilen bij te zetten, maar ook dit mogt niet baten; de stroom sleepte het schip met onweerstaanbare kracht mede naar eene ongenaakbare rots, waar tegen het aan stukken stiet. Wij hadden echter den tijd, niet alleen ons leven, maar tevens onzen voorraad en onze kostbaarste goederen te bergen, alvorens het schip uiteensloeg. Nu dachten wij het gewonnen te hebben, maar de kapitein zeide: „Wat verblijdt gij u! Wij bevinden ons hier op eene rots, van waar nog nooit een schipbreukeling levend is afgekomen. Zijn wij al niet in de golven omgekomen, er blijft ons niets over dan hier onze graven te maken en te sterven.” Deze woorden van den kapitein stortten ons in eene diepe droefheid; wij omhelsden elkander met tranen in de oogen en betreurden ons ongelukkig lot, dat ons aan een zoo onherbergzaam strand had geworpen.

De rots, aan wier voet wij waren, bevond zich aan de kust van een uitgestrekt eiland, maar zij was zoo hoog en zoo steil, dat er geene mogelijkheid bestond, haar te beklimmen, en had een onzer hieraan nog getwijfeld, de geraamten en de beenderen der schepelingen, die vóór ons hier aan het strand waren geworpen en er hun' dood hadden gevonden, zouden er hem het overtuigendste bewijs van hebben gegeven. De geheele kust lag als bezaaid met wrakken van schepen. Ongeloofelijk groot was de rijkdom aan koopmansgoederen, die hier aangespoeld waren. Dit alles strekte echter slechts om onze wanhoop te vergrooten. Wat toch baten alle schatten der aarde, indien men er geen gebruik van kan maken, en een zekere dood ons voor oogen staat! Ik ontdekte nu ook, waardoor de schepen naar deze noodlottige kust werden gedreven. In de rots, die uit kristal, robijnen en andere edelgesteenten bestond, was eene breede grot, waarin zich de zee met geweld als in een' afgrond nederstortte; hierdoor ontstond die sterke stroom. Van de rots stroomde in de zee eene bron, wier water zwart van kleur was en geheele stukken pek of jodenlijm met zich voerde, die door de visschen ingeslikt en als stukken barnsteen uitgeworpen, door de golven aan strand werden gespoeld. Eindelijk vonden wij er ook aloëhout, niet minder deugdzaam dan dat, hetwelk op het eiland Camara groeit. Maar iets, om ons leven mede te rekken, zooals vruchten, eetbare wortels, schildpadden of schelpdieren ontbraken er geheel. Waren alzoo onze levensmiddelen, die wij geborgen hadden, opgeteerd, dan stond ons de hongerdood met al zijne ijsselijkheden voor oogen. Dit maakte ons half zinneloos; en dagen lang zaten wij elkander zwijgend en wanhopig aan te staren.

Reeds in den aanvang hadden wij onzen voorraad onder elkander verdeeld, en zoo bezweek ook de eene vroeger dan de andere, naar mate hij een zwak of sterk gestel had, of van zijn' voorraad met meerdere of mindere spaarzaamheid had gebruik gemaakt. Die het eerst stierven, werden door de nog levenden begraven. Ik bewees die laatste eer aan al mijne lotgenooten.

Dit, mijne vrienden, moet u niet bevreemden. Ik was met den mij toegedeelden voorraad zeer zuinig geweest. Bovendien had ik mij aan boord nog van het een en ander voorzien, en hiervan liet ik mijnen makkers niets blijken. Dit moge onbarmhartig schijnen, maar wat beteekende dat weinige voor ons allen! Ik wil evenwel niet ontkennen, dat de wensch om mijn leven zoo lang mogelijk te rekken, mij zelfzuchtig maakte. En toch toen ik den laatsten mijner medgezellen ter aarde had besteld, bleef mij zoo weinig voorraad over, dat ik er aan begon te denken ook mijn eigen graf te graven, met het doel om mij daarin te werpen, als ik den dood voelde naderen. Bij dezen treurigen arbeid dacht ik er onwillekeurig aan, dat ik zelf de schuld van mijn ongeluk was, door niet naar den raad van mijne vrienden te hebben geluisterd. Het berouwde mij nu, dat ik mijne zesde reis ondernomen had. Ik trok mij de haren uit het hoofd, en liep als een waanzinnige naar de grot, om mij in den stroom te storten, en zoo een einde aan mijn leven te maken. Maar Allah had anders over mij besloten; hij deed mij op eene gedachte komen, die mij weder hoop gaf. „Deze rivier,” dacht ik, „die onder de rots doorloopt en zich in de zee uitstort, moet een begin hebben. Indien ik nu eens een vlot maak en mij aan den loop van dit water overgeef, zal ik mogelijk een bewoond land bereiken. Kom ik hierbij om, het zal slechts eene andere soort van dood zijn, dan die mij hier te wachten staat. Blijf ik integendeel behouden, dan zal ik niet alleen het treurige lot van mijne makkers ontgaan, maar welligt op nieuw in de gelegenheid komen om mij te verrijken. Wie weet, of het geluk mij niet wacht aan de andere zijde van deze noodlottige plaats, om mij mijne schipbreuk met woeker te vergoeden.”

Dit was met regt kasteelen in de lucht bouwen, maar ik was reeds zoo dikwijls aan niet minder groote gevaren ontkomen, dat ik, als 't ware, op mijn geluk steunde. Ik ging met ijver aan het werk, en daar het mij niet aan materialen ontbrak (want planken en touwwerk had ik maar voor het uitkiezen) maakte ik in korten tijd een stevig vlot, en een paar riemen. Toen een en ander gereed was, belaadde ik het met balen robijnen, smaragden, rotskristal, amber en andere kostbare stoffen. Vervolgens maakte ik mijn vlot los, en de hulp van Allah inroepende, gaf ik mij aan den stroom over.

Zoodra ik onder het gewelf van de grot kwam, was ik door een' donkeren nacht omgeven, en het water voerde mij mede, zonder dat ik van mijne riemen behoefde gebruik te maken. Ik dreef eenige dagen in deze duisternis voort. Op één punt was het gewelf zoo laag, dat ik bijna mijn hoofd gestooten en gewond zou hebben. Van mijn' voorraad gebruikte ik niet meer dan noodig was om in leven te blijven, maar hoe zuinig ik het ook aanlegde, eindelijk had ik het laatste stukje scheepsbeschuit gebruikt. Toen overviel mij de slaap, zonder dat ik mij daartegen kon verzetten. Hoe lang mijn slaap geduurd heeft, kan ik u niet zeggen, maar bij mijn ontwaken bevond ik mij in het vrije veld aan den oever eener rivier, terwijl mijn vlot was vastgemaakt. Eene menigte zwarten omringden mij. Zoodra ik hen zag, rigtte ik mij op en groette hen. Zij spraken mij aan, maar ik verstond hunne taal niet.

Ik was zoo verheugd, dat ik in het eerst niet wist, of ik waakte of droomde. Maar eindelijk overtuigd, dat ik niet sliep, riep ik in het Arabisch uit: „Roep den Allerhoogste aan, Hij zal u ter hulpe komen, en gij hebt niet te vreezen. Sluit uwe oogen, en in den slaap zal Hij het kwade van u afwenden en u het goede geven.”

Een der zwarten, die het Arabisch verstond, en mij dus hoorde spreken, naderde mij en zeide: „Broeder, wees niet verwonderd ons te zien. Wij wonen in deze landstreek en zijn hier gekomen, ten einde het water van deze rivier door kleine kanalen af te leiden, om onze rijstvelden te besproeijen. Wij bemerkten, dat er iets op het water dreef, en toen wij nader kwamen, zagen wij dat het een vlot was met goederen beladen. Een van ons heeft zich toen te water begeven en het vlot naar den wal gestuurd, waar wij het, zoo als gij ziet, hebben vastgelegd, in afwachting dat gij zoudt ontwaken. Wij verzoeken u ons uwe geschiedenis te verhalen, die hoogst zonderling moet zijn. Zeg ons, hoe gij u met zulk een zwak vaartuig op dezen stroom hebt durven begeven, en van waar gij komt.” Ik antwoordde, dat zij mij eerst wat eten moesten geven, en dat ik daarna hunne nieuwsgierigheid zou bevredigen.

Zij verschaften mij onderscheidene soorten van spijzen, en zoodra ik mijn' honger gestild had, deed ik hun een getrouw verhaal van hetgeen mij was overkomen. Zij luisterden met verbazing naar mij, en toen ik met spreken ophield, zeide de zwarte, die het Arabisch verstond, en mijne woorden vertolkt had, uit aller naam tot mij: „Dit is eene hoogst wonderlijke geschiedenis. Het is noodig, dat wij u bij onzen koning brengen, want uwe lotgevallen zijn te merkwaardig, om ze uit een' anderen mond dan den uwe te vernemen.” Ik verklaarde bereid te zijn om alles te doen, wat zij van mij verlangden.

De zwarten zonden nu iemand uit hun midden om een paard te halen, en zoodra dit er was, verzochten zij mij op te stijgen. De togt ving dadelijk aan. Eenigen der zwarten liepen voor mij uit, terwijl anderen mijn vlot, zoo beladen als het was, op hunne schouders namen, en volgden. Aldus gingen wij voort tot aan de stad Serendib (dit was ook de naam van het eiland, waarop ik mij bevond). De zwarten stelden mij aan hun' koning voor. Ik naderde den troon, waarop hij zat, en wierp mij ter aarde naar de wijze, waarop men gewoon is de Indische koningen te begroeten. De vorst beval mij op te staan, en ontving mij op eene zeer heusche wijze. Hij wenkte mij nader te komen, deed mij aan zijne zijde plaats nemen, en vraagde mij naar mijn' naam. Ik zeide hem, dat ik Sindbad de zeeman werd geheeten, om de vele zeereizen, die ik gedaan had, en dat ik in Bagdad geboren was. „En door welk toeval,” vervolgde hij, „zijt gij in mijne staten gekomen, want dit eiland is alleen aan deze zijde der kust genaakbaar.”

Ik verborg niets voor den koning, en verhaalde hem mijne zonderlinge lotgevallen. Hij was hierover zoo verwonderd en verrukt, dat hij beval mijne ontmoetingen met gouden letteren op te schrijven, om als eene bijzonderheid in de archieven van zijn rijk bewaard te worden. Inmiddels bragt men ook het vlot, en men opende de zich daarop bevindende balen in zijne tegenwoordigheid. De koning was verbaasd over den grooten rijkdom, welke zich aan zijne oogen vertoonde, zoo van aloëhout als van amber en kostbare zijden stoffen; maar bovenal bragten de smaragden hem in verrukking, daar hij in zijne schatkamer niet een' enkelen had, die daarbij was te vergelijken.

Toen ik bemerkte, dat de koning mijne edelgesteenten met vermaak aanschouwde, en hij zelfs eenige der schoonste, stuk voor stuk in handen nam om ze met meer naauwkeurigheid te bezien, wierp ik mij voor zijne voeten, en zeide: „Sire! niet alleen mijn persoon is ten dienste van uwe majesteit maar ook de schatten, welke mijn vlot bevat; ik verzoek u, daarover als uw regtmatig eigendom te willen beschikken.” „Sindbad,” antwoordde de vorst lagchende, „ik zal mij wel wachten u iets te ontnemen, van hetgeen Allah u gegeven heeft. In plaats van uwe rijkdommen te verminderen, door daaraan eene hebzuchtige hand te slaan, zal ik trachten die te vermeerderen, en ik wil niet, dat gij mijne staten zult verlaten, zonder de blijken van mijne mildheid met u te dragen.” Ik antwoordde hierop alleen door zijne edelmoedigheid te prijzen en met de bede, dat het een zoo grootmoedig vorst steeds wel mogt gaan. Hij belastte een' zijner officieren zorg voor mij te dragen, en gaf mij eenige van zijne lieden om mij op zijne kosten te bedienen. Zij kwamen de bevelen van hun meester getrouw na, bezorgden mij eene voortreffelijke woning, waar ik op kosten des konings heerlijk werd onthaald. Ook mijne balen werden aldaar bezorgd, zonder dat er iets aan ontbrak.

Ik ging dagelijks op vastgestelde uren naar het hof, en den tijd, die mij overbleef, besteedde ik om de stad te bezigtigen, en alles te beschouwen, wat mijne aandacht waardig was. Het eiland Serendib ligt onder de evennachtslijn, en is tachtig mijlen lang en breed. De hoofdstad is aan het einde van eene schoone vallei, aan den voet van een' hoogen berg gelegen. Deze berg is zoo hoog, dat men hem drie dagreizen ver in zee zien kan. Hij bevat vele robijnen, smaragden en andere edelgesteenten en metalen. Op het eiland groeijen vele kostbare boomsoorten, onder andere de kokosboom; in de valleijen treft men diamanten aan, en op de kusten zijn parelvisscherijen.

Toen ik van mijn' togt door het eiland in de stad terug kwam, verzocht ik den koning naar mijn vaderland te mogen terugkeeren, hetgeen hij mij op de beleefdste wijze toestond. Hij dwong mij zelfs een rijk geschenk uit zijne schatkamer aan te nemen. Als ik afscheid van hem nam, gaf hij mij nog andere geschenken met een' brief voor den Beheerscher der geloovigen, onzen heer en meester, en zeide: „Sindbad! gij zult mij verpligten deze geschenken en dezen brief den kalif Haroun-al-Raschid ter hand te stellen, en hem de verzekering te geven van mijne hoogachting en van mijne vriendschap.” Ik nam het geschenk en den brief, en beloofde zijne majesteit de bevelen, waarmede het haar behaagde mij te vereeren, met stiptheid te zullen nakomen. Vóór dat ik mij inscheepte, ontbood de vorst den kapitein en de kooplieden, met wie ik de reis zou doen, bij zich, en beval hun mij met de meeste onderscheiding te bejegenen.

De brief des konings was geschreven op het vel van een om zijne zeldzaamheid zeer kostbaar dier. De letters hadden eene hemelsblaauwe kleur, en de inhoud, in de Indische taal geschreven, luidde aldus:

„De koning van Indië, vóór wien duizend olifanten uitgaan, die in een paleis woont, waarvan het dak schittert van den glans van honderd duizenden robijnen; en die in zijne schatkamer heeft twintig duizend kroonen, verrijkt met diamanten, aan den Kalif Haroun-al-Raschid.

Hoewel de geschenken, die wij u zenden, van geringe waarde zijn, zoo hopen wij echter, dat gij die, als een broeder en vriend van onze hand zult aannemen, uit hoofde van de vriendschap, welke ons hart u toedraagt, en waarvan wij verheugd zijn u een bewijs te kunnen geven. Wij vragen van u eene gelijke vriendschap, omdat wij meenen, die waardig te zijn, daar wij met u in rang gelijk staan. Wij noodigen u daartoe uit in naam van onze broederschap. Wees gegroet.”

De geschenken bestonden ten eerste in een' beker, vervaardigd uit een' enkelen robijn, een halve voet hoog en een duim dik, en gevuld met fijne ronde paarlen, die door elkander een halve drachme wogen; ten tweede, in een slangenvel met schubben, zoo groot als een gewoon goudstuk, dat de eigenschap bezat, om hen, die daarop sliepen, voor ziekten te vrijwaren, ten derde, in aloëhout ter waarde van vijftig duizend drachmen, benevens dertig greinen kamfer van de grootte van eene pimpernoot, en eindelijk in eene slavin van verblindende schoonheid, wier kleeding met edelgesteenten als bezaaid was.

Het schip ging onder zeil, en na eene lange doch gelukkige reis kwamen wij te Balsora aan, van waar ik mij onmiddelijk naar Bagdad begaf. Bij mijn aankomst aldaar was mijn eerste werk, mij te kwijten van den mij opgedragen last.

Ik nam den brief van den koning van Serendib, en begaf mij naar de poort van het paleis van den Beheerscher der geloovigen, gevolgd door de schoone slavin, en door alle leden van mijne familie, die de geschenken droegen. Zoodra ik de deurwachters, met de reden van mijne komst bekend had gemaakt, bragt men mij voor den troon van den kalif. Ik wierp mij aan den voet des troons neder, en na eene zeer korte aanspraak, bood ik den kalif den brief en de geschenken aan. Nadat hij den brief gelezen had, vroeg hij mij, of de koning van Serendib inderdaad zoo rijk en magtig was, als hij in dit geschrift te kennen gaf. Ik wierp mij andermaal voor den troon en na mij te hebben opgerigt, antwoordde ik: „Beheerscher der geloovigen! Ik kan uwe majesteit de verzekering geven, dat de koning niet te hoog opgeeft van zijne grootheid en van zijn' rijkdom; ik ben er getuige van geweest. Niets is bewonderenswaardiger, dan de pracht van zijn paleis. Wanneer deze vorst zich in het openbaar vertoont, plaatst men een' gouden troon op een' witten olifant, waarop hij zich nederzet; terwijl hij aan weêrszijden omgeven wordt door twee rijen staatsdienaren en hovelingen, allen op olifanten gezeten. Vóór hem, op den zelfden olifant, houdt een officier eene gouden lans in de hand; achter den troon staat een ander, die een' gouden staf draagt, aan welks boveneinde een smaragd is, bijna een halve voet lang en een duim dik. Vóór hem uit, gaat eene garde van duizend man, gekleed in goudlaken en zijde, en gezeten op rijk geharnaste olifanten. Gedurende den togt des konings, roept de officier vóór op den olifant, van tijd tot tijd met luider stem:

„Zie hier den grooten monarch, den magtigen en gevreesden sultan van Indië wiens paleis bedekt is met honderd duizenden robijnen, en die twintig duizend diamanten kroonen bezit! Zie hier den gekroonden monarch, grooter dan ooit Soliman en de groote Mihrage waren!”

Daarna roept de officier achter den troon op zijne beurt:

„Deze zoo groote en magtige monarch moet sterven, moet sterven, moet sterven!”

De voorste officier neemt dan weder het woord en roept uit:

„Lof zij hem, die leeft en niet sterft!”

Overigens is de koning van Serendib zoo regtvaardig, dat hij geene regters in zijne hoofdstad en in zijne staten heeft; zijn wil is voor zijne volken de eenige wet. Zij hebben, even als hun vorst, de regtvaardigheid lief, en wijken nooit van hun' pligt af.” De kalif was over mijne woorden zeer voldaan. „De wijsheid van dien koning,” zeide hij, „blijkt reeds uit zijn' brief, en, na hetgeen gij mij daarvan gezegd hebt moet men toestemmen, dat zijne wijsheid zulke onderdanen waardig is, en dat zijne onderdanen waardig zijn zulk een' vorst te bezitten.” Met deze woorden gaf hij mij mijn afscheid, en liet mij met een rijk geschenk vertrekken.”

Hiermede eindigde Sindbad zijn verhaal, en zijne gasten vertrokken, ook Hindbad, nadat hij zijne honderd sequinen had ontvangen. Toen zij den volgenden dag terug kwamen, verhaalde Sindbad hun zijne zevende en laatste reis.

ZEVENDE EN LAATSTE REIS VAN SINDBAD DEN ZEEMAN.

„Na mijne zesde reis kwam het niet in mijne gedachten op, weder eene nieuwe te ondernemen. Behalve dat ik op mijn' leeftijd naar rust verlangde, had ik stellig voorgenomen mij niet weder aan gevaren bloot te stellen. Ik had het besluit genomen, mijne overige dagen in rust door te brengen. Toen ik eens een groot aantal mijner vrienden bij mij ten eten had en wij ons vrolijk maakten, kwam een mijner bedienden mij zeggen, dat een officier van den kalif mij verlangde te spreken. Ik stond van tafel op, en ging naar hem toe. „De kalif,” zeide hij, „heeft mij gelast u mede te deelen, dat hij u begeert te spreken.” Ik ging met den officier naar het paleis, hij bragt mij onmiddelijk bij den vorst. Ik wierp mij aan zijne voeten, doch hij deed mij opstaan. „Sindbad!” zeide hij, „gij moet mij eene dienst bewijzen. Ik heb besloten de beleefdheid des konings van Serendib te beantwoorden, en gij moet mijn' brief en mijne geschenken aan hem overbrengen.” Dit bevel van den kalif klonk mij als een donderslag in de ooren. „Beheerscher der geloovigen!” zeide ik, „ik ben bereid te doen, wat uwe majesteit mij bevelen zal, maar ik bid haar zeer nederig te bedenken, dat ik een oud man ben, en nog gebukt ga onder de vermoeijenissen, die ik op mijne vele reizen heb doorgestaan. Ik heb zelfs eene gelofte gedaan Bagdad niet weder te verlaten.” Vervolgens nam ik hieruit aanleiding, hem een breedvoerig verhaal van al mijne lotgevallen te doen, en hij had het geduld mij ten einde toe aan te hooren!

Doch naauwelijks had ik uitgesproken, of hij zeide: „Ik stem toe, dat dit zeer buitengewone ontmoetingen zijn; maar zulks moet u niet terughouden om, uit genegenheid voor mij, de reis welke ik u voorstel te ondernemen. Het geldt hier alleen eene reis naar het eiland Serendib, om u van den door mij aan u opgedragen last te kwijten. Daarna zal het u vrij staan, onmiddelijk de terugreis aan te nemen.

Maar gij moet gaan, want gij zult inzien, dat het niet met de welvoegelijkheid en met mijne waardigheid overeenkomt, iets aan den koning van dat eiland schuldig te blijven.” Toen ik nu zag, dat het de volstrekte begeerte van den kalif was, betuigde ik bereid te zijn hem te gehoorzamen. Hij was hiermede zeer ingenomen, en liet mij duizend sequinen geven, om de kosten van de reis te bestrijden.

Binnen weinige dagen was ik gereed, om te vertrekken. Zoodra ik de geschenken en een' eigenhandigen brief van den kalif aan den koning van Indië had ontvangen, vertrok ik naar Balsora, waar ik scheep ging. De reis was zeer voorspoedig, en zonder eenige bijzondere ontmoeting kwam ik in de hoofdstad van het eiland Serendib aan. Ik vervoegde mij aan het hof, en verzocht, dat men mij dadelijk gehoor bij den vorst zou verschaffen. Men bragt mij onder veel eerbetoon naar het paleis, en ik begroette den koning door mij, volgens gebruik, voor hem neder te werpen.

De koning herkende mij terstond, en was zeer verheugd, toen hij mij weder zag. „Ha, Sindbad!” zeide hij, „wees welkom! Ik verzeker, dat ik, na uw vertrek, nog menigmaal aan u gedacht heb. Gezegend zij deze dag, waarop wij elkander wederzien.” Ik boog mij ter aarde, bedankte hem voor zijne goedheid, en bood hem den brief en de geschenken van den kalif aan.

De kalif zond hem een rustbed met toebehooren van goudlaken, ter waarde van duizend sequinen, vijftig opperkleederen van zeer rijke stof, honderd andere van het fijnste witte linnen van Caïro, Suëz en Alexandrië, nog eene andere sofa van karmozijn, eene agaten vaas, ter dikte van een vinger en minder diep dan wijd, op welker bodem men in bas-relief een jager zag, die een' boog en een' pijl in de hand hield, en gereed was om op een' leeuw te schieten. Ook zond hij hem nog eene zeer prachtige tafel, die, volgens overlevering, van den grooten Salomo afkomstig was. De brief van den kalif was van dezen inhoud;

„Gegroet, in naam van den alleen regtvaardigen Opperheer, van den magtigen en gelukkigen Sultan, van Abdala Haroun-al-Raschid, dien God tot de hoogste eereplaats heeft verheven na zijne voorvaderen.

Wij hebben uw' brief met vreugde ontvangen, en wij zenden u dezen, voorzien met het zegel van onze verhevene Poort, den bloemhof der hooge geesten. Wij hopen dat gij, daarop de oogen slaande, van onze goede meening overtuigd zult zijn; en deze u aangenaam zal wezen. Wees gegroet.”

Het verheugde den koning van Serendib zeer, dat de kalif aan zijn verzoek voldaan had. Kort na dit gehoor, verzocht ik, om naar Bagdad te mogen terugkeeren, hetgeen mij slechts met veel moeite werd toegestaan. Eindelijk liet de koning mij gaan, en gaf mij bij het afscheid een zeer aanzienlijk geschenk. Ik scheepte mij nu dadelijk in, om regelregt naar Bagdad te zeilen, maar Allah had anders over mij beschikt. Op den derden dag van ons vertrek werden wij door zeerovers aangevallen, en daar ons schip niet tot verdediging in staat was, viel het den zeeroovers niet moeijelijk het te nemen. Sommigen van het scheepsvolk stelden zich te weêr, wat hun het leven kostte. Ik en anderen, die zoo voorzigtig waren geweest ons niet tegen onze overweldigers te verzetten, werden tot slaven gemaakt. Nadat de roovers ons van alles beroofd hadden, bragten zij ons naar een groot eiland, waar wij allen verkocht werden.

Ik werd het eigendom van een' rijken koopman, die mij medenam naar zijne woning, waar hij mij goed eten voorzette, als slaaf kleedde, en vraagde, of ik ook eenig handwerk verstond. Zonder hem met mijn' naam en stand bekend te maken, gaf ik alleen te kennen, dat ik geen handwerksman, maar een koopman was, en dat de zeeroovers mij van alles hadden beroofd, wat ik op de wereld bezat. „Maar,” hernam hij, „kunt gij niet met pijl en boog omgaan?” Ik antwoordde hem, dat ik dit reeds in mijne jeugd had geleerd. Toen gaf hij mij boog en pijlen, en deed mij achter zich op een' olifant stijgen. Bij bragt mij eenige uren ver buiten de stad in een groot bosch. Hier hield hij stil, liet mij afstijgen, en wees mij een' grooten boom aan. „Klim,” zeide hij, „in dezen boom, en schiet op de olifanten, welke hier voorbij zullen trekken, want dit bosch is zeer uitgestrekt en er zijn hier vele van die dieren. Als er een olifant gevallen is, kom het mij dan zeggen.” Daarna gaf hij mij eenige levensmiddelen en keerde naar de stad terug, terwijl ik gedurende dien dag en den ganschen nacht in mijn' boom op den uitkijk zat, zonder een' enkelen olifant te vernemen. Den volgenden morgen, bij het opgaan der zon, zag ik echter een groot getal van die dieren met statigen tred aankomen. Zij trokken vlak onder mijn' boom heen, en ik schoot verscheidene pijlen op hen af. Eindelijk zag ik er een, doodelijk getroffen, nedervallen. De anderen vervolgden hun' weg, zoodat ik gerust naar de stad kon terugkeeren, om mijn' meester den goeden uitslag mijner pogingen mede te deelen. Toen ik dit gedaan had, onthaalde hij mij op eene voortreffelijke wijze, prees mijne handigheid en overlaadde mij met loftuitingen. Daarna begaven wij ons naar het bosch, waar wij een' grooten kuil maakten en den gedooden olifant begroeven, met het voornemen om terug te komen, als het dier verteerd zou zijn, en het dan de tanden te ontnemen.

Ik zette deze jagt gedurende twee maanden voort, en er ging geen dag voorbij, waarop ik niet een' olifant doodde. Ik plaatste mij niet altoos op den zelfden boom, maar nu op den eenen, dan op den anderen. Op een' morgen, dat ik op de komst der olifanten zat te wachten, zag ik tot mijne groote verwondering, dat zij in veel grooteren getale aankwamen, en, in plaats van mij als naar gewoonte voorbij te trekken stil hielden, terwijl zij zulk een verschrikkelijk gedruisch maakten, dat de grond onder hunne pooten beefde. Zij naderden den boom, waarop ik mij bevond, omringden dien met uitgestrekte tromp, en hielden de oogen op mij gerigt. Op dit dreigend schouwspel, bleef ik bewegingloos zitten, en de schrik beving mij zoodanig, dat boog en pijlen mij uit de handen vielen.

Mijne vrees was niet ongegrond. Toen de olifanten mij eenigen tijd hadden aangestaard, als of zij mij met hunne dreigende ogen uit den boom wilden kijken, sloeg een der grootste zijn' slurf om den stam, en spande zich zoo in, dat hij hem met de wortels uit den grond rukte en ter aarde wierp. Ik viel met den boom mede; het dier omvatte mij met zijn' snuit en plaatste mij op zijn' rug. Meer dood dan levend, zette ik mij zoo veel mogelijk vast, met mijn' pijlkoker op den schouder. De olifant stelde zich nu aan het hoofd van den troep, legde een groot eind weegs af, zette mij toen op den grond, en vertrok met zijne makkers zonder mij eenig leed te doen. Verbeeldt u mijne verbazing. Ik meende eerst te droomen, doch geene olifanten meer bespeurende, stond ik op, en zag, dat ik mij op een' heuvel bevond van aanzienlijken omvang, en geheel bedekt met beenderen en olifantstanden. Dit gaf mij veel stof tot nadenken. Ik twijfelde of het was de algemeene begraafplaats der olifanten, en zij hadden mij hier heen gebragt, om mij die aan te wijzen; opdat ik mogt ophouden, hen om hunne tanden langer te vervolgen. Ik hield mij op den heuvel niet op; maar keerde naar de stad terug, waar ik, na een' dag en nacht geloopen te hebben, half uitgehongerd bij mijn' meester aankwam. Ik had op mijn' weg geen' enkelen olifant ontmoet, hetgeen mij deed denken, dat zij zich dieper in het bosch hadden begeven, om mij den weg naar den heuvel vrij te laten, en nog bewonder ik het instinkt van deze dieren, dat aan menschelijk verstand schijnt te grenzen.

Zoodra mijn meester mij zag, liep hij verblijd naar mij toe. „Ach! Sindbad,” riep hij uit, „ik was zoo ongerust over u. Ik ben naar het bosch geweest, vond daar een kortelings ontwortelden boom en uw' boog en pijlen op den grond liggen. Ik heb u geroepen en gezocht, en ten laatste ben ik, zonder hoop u immer te zullen wederzien, naar huis terug gekeerd. Verhaal mij toch, als ik u bidden mag, wat u is overkomen.” Ik voldeed aan zijn verlangen; en toen wij ons den volgenden dag naar den heuvel begaven, zag hij tot zijne groote blijdschap, dat ik hem de waarheid gezegd had. Wij belaadden den olifant, waarmede wij gekomen waren, met zoo vele tanden, als hij dragen konde, en keerden vrolijk naar de stad terug. „Broeder!” zeide nu mijn meester, „(want als zoodanig wil ik u beschouwen, en niet meer als slaaf, na de dienst, die gij mij hebt bewezen, door eene ontdekking, die mij tot een schatrijk man zal maken), dat Allah u met goederen overlade, en u voorspoed geve op al uwe wegen! Ik verklaar u ten Zijnen aanhooren, dat gij van dit oogenblik af een vrij man zijt. Ik heb voor u verborgen gehouden, hetgeen gij nu van mij zult vernemen.

De olifanten brengen jaarlijks een groot aantal slaven om het leven, die wij naar het bosch zenden, om die dieren te dooden, en ons met hunne tanden te verrijken. Welken raad wij hun ook geven, allen komen vroeg of laat door de list der olifanten om. Allah heeft u voor hunne woede beveiligd, eene gunst, die aan niemand vóór u is te beurt gevallen. Dit is een bewijs, dat Hij u lief heeft, en gij een werktuig zijt in zijne hand, om wel te doen in deze wereld. Gij brengt mij een ongeloofelijk voordeel aan; wij konden tot heden geen ivoor bekomen, zonder het leven van onze slaven in gevaar te stellen, doch door uw toedoen zal onze geheele stad rijk worden. Geloof niet, dat ik mij zal te vreden stellen met u de vrijheid te schenken, ik zal daaraan groote goederen toevoegen. Ik zou de gansche stad kunnen oproepen om u rijk te maken, en dit zou niet te vergeefs zijn; maar deze eer behoud ik mij zelven voor; ik wil die met niemand deelen.”

Na deze verpligtende woorden, antwoordde ik, „Meester! Allah spare u gedurende eene lengte van dagen! Maar de vrijheid, welke gij mij hebt geschonken, is voldoende om u van de verpligting te kwijten, die gij aan mij meent te hebben voor het voordeel, dat ik het geluk heb gehad, u en uwe stad te kunnen bezorgen. Ik vraag u slechts verlof om naar mijn geboorteland terug te keeren.” „Welnu,” hernam hij, „de mousson, die de schepen hier aanbrengt, welke ivoor komen laden, zal weldra invallen. Ik zal u dan eene scheepsgelegenheid verschaffen, en u voorzien van hetgeen de reis voor u veraangenamen kan.” Ik bedankte hem op nieuw voor de vrijheid, welke hij mij had geschonken en voor de goede voornemens, die hij aan den dag legde. Ik bleef in afwachting van den mousson bij hem, en gedurende dien tijd deden wij zoo vele reizen naar den heuvel, dat al zijne pakhuizen met ivoor gevuld werden. De andere kooplieden, die in ivoor handel dreven, deden hetzelfde, want eene zaak van dien aard kon niet lang geheim blijven.

De schepen kwamen eindelijk aan, en mijn meester zocht zelf een schip voor mij en bevrachtte dit met ivoor, waarvan de helft voor mij was. Hij voorzag mij bovendien overvloedig van levensmiddelen, en dwong mij onderscheidene zeldzaamheden uit dat land, die eene groote waarde hadden, als een geschenk van hem aan te nemen. Nadat ik hem voor al zijne weldaden bedankt en een heerlijk afscheid genomen had, scheepte ik mij in. Wij gingen onder zeil, en gedurende de reis stond mij mijne ontmoeting met de olifanten gedurig voor den geest; het geval was daartoe ook wonderlijk genoeg.

Wij deden nog eenige eilanden aan, om ververschingen in te nemen. Doch zoodra wij eene Indische haven van het vasteland bereikten, besloot ik, ten einde de gevaren der zee tot aan Balsora te vermijden, daar voet aan wal te zetten. Ik liet mijn aandeel van het ivoor ontschepen, waarvoor ik eene groote som gelds maakte. Ik kocht eenige zeldzaamheden tot geschenken voor mijne bloedverwanten en vrienden, en zoodra ik met mijne uitrusting gereed was, sloot ik mij bij eene groote karavaan van kooplieden aan. Wij waren lang onder weg, en ik had veel door te staan; maar ik verdroeg mijn leed met geduld, bij de overtuiging, dat ik thans geene stormen of zeeroovers te duchten had.

Eindelijk namen mijne vermoeijenissen een einde, en ik kwam gelukkig te Bagdad aan. Ik vervoegde mij dadelijk bij den kalif, om hem rekenschap af te leggen van mijne zending. Deze vorst zeide tot mij, dat mijne lange afwezigheid hem verontrust had, doch dat de hoop, dat Allah mij in zijne hoede zou nemen, hem echter nooit had begeven. Toen ik hem het voorval met de olifanten verhaalde, was hij daarover zeer verbaasd, en hij zou het voor eene fabel hebben gehouden, indien hij niet van mijne waarheidsliefde overtuigd was. Hij vond deze geschiedenis en de anderen, die ik hem verhaald had, echter zoo merkwaardig, dat hij zijn' geschiedschrijver beval, ze met gouden letters op te schrijven, en ze in zijne schatkamer te bewaren. Ik ging heen, zeer tevreden over de genoten eer en de geschenken, die ik van hem ontving. Van dat oogenblik af wijdde ik mij geheel toe aan mijne familie en aan mijne vrienden.”

Op deze wijze besloot Sindbad het verhaal van zijne zevende en laatste reis; en zich vervolgens tot Hindbad wendende, zeide hij: „Welnu, mijn vriend, hebt gij ooit van iemand gehoord, die zoo veel geleden en doorgestaan heeft als ik, of dat een sterveling zich in zulke dreigende gevaren heeft bevonden? Is het niet billijk, dat ik na zulk een werkzaam en woelig leven een' genoegelijken en rustigen ouden dag geniet?” Zoodra hij deze woorden geëindigd had, stond Hindbad op, trad nader, kuste hem de hand en zeide: „Men moet toestemmen, heer! dat gij vreeselijke gevaren hebt doorgestaan, en dat de moeijelijkheden, die ik ondervonden heb, bij de uwe niet in vergelijking kunnen komen. Indien mijn last mij somtijds zwaar viel, na volbragten arbeid vond ik troost in mijn gering loon. Gij verdient niet alleen een rustig leven; ook de schatten, die gij bezit, zijt gij waardig, omdat gij daarvan een zoo nuttig en edelmoedig gebruik maakt. Ga dus voort, heer, in vreugde te leven tot aan het uur van uw' dood.”

Sindbad deed hem nogmaals eene beurs met honderd sequinen geven, nam hem op onder het getal van zijne vrienden, en zeide tot hem, dat hij van zijn dragersberoep afzien en dagelijks bij hem ter maaltijd komen moest, opdat hij reden mogt hebben, zich zijn leven lang Sindbad den zeeman te herinneren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings