DE DRIE APPELEN. (continued 2)
Reading edition
Toen de vizier in zijne woning terugkwam, was hij op niets anders bedacht, dan om alles voor de reis gereed te maken. Hij wendde hierbij zoo veel spoed aan, dat hij reeds den vierden dag vertrok, vergezeld door zijne dochter Parel van Schoonheid en door zijn' kleinzoon Agib.
Schemseddin Mohammed sloeg den weg naar Damaskus in, en reisde negentien dagen door, zonder zich ergens op te houden; maar op den twintigsten dag eene schoone en grasrijke vlakte in de nabijheid van Damaskus bereikt hebbende, liet hij daar zijne tenten opslaan aan den kant eener rivier, welke midden door de stad liep, en wier oevers zeer vruchtbaar waren. De vizier gaf te kennen, dat hij in deze schoone landstreek twee dagen rust wilde houden, en dat hij eerst den derden dag de reis naar Balsora zoude voortzetten.
Inmiddels gaf hij aan zijn gevolg verlof, Damaskus te bezoeken. Bijna allen maakten hiervan gebruik; sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om er de waren, die zij uit Egypte hadden medegebragt, te verkoopen. Parel van Schoonheid verlangde, dat ook haar zoon Agib het genoegen mogt smaken, die vermaarde stad te bezigtigen, en beval zijn' gouverneur, een' zwarte, hem derwaarts te vergezellen en goed zorg te dragen, dat hem niets kwaads overkwam.
Agib, prachtig uitgedost, begaf zich op weg met den slaaf, die een' dikken rotting in de hand had. Zij waren naauwelijks binnen de stad gekomen, of Agib, die zeer schoon was, trok aller aandacht tot zich. Sommigen der bewoners verlieten hunne huizen om hem van meer nabij te zien, anderen staken het hoofd uit de vensters, en zij, die hem op straat ontmoetten, bleven niet alleen stilstaan, maar velen volgden hem, ten einde hem langer te kunnen gadeslaan. Om kort te gaan, iedereen bewonderde hem en noemde den vader en de moeder, die zulk een schoon kind bezaten, duizendmaal gelukkig. Het toeval bragt den slaaf en Agib voor den winkel van Bedreddin Hassan, en hier was de toeloop van volk zoo groot, dat zij genoodzaakt waren te blijven staan.
De pasteibakker, die Bedreddin Hassan tot zoon had aangenomen, was reeds voor eenige jaren overleden, en had hem zijn' winkel en al zijne goederen nagelaten. Bedreddin was dus thans eigenaar van den winkel, en hij kweet zich zoo goed van zijn beroep, dat hij door geheel Damaskus als pasteibakker beroemd was. Toen hij zoo veel volk voor zijne deur zag en bespeurde, dat aller oogen op den zwarten slaaf en Agib gerigt waren, nam hij hen naauwkeurig op, vooral Agib, bij wiens aanblik hij ontroerde.
Bedreddin Hassan werd echter niet zoo zeer getroffen door de verblindende schoonheid van dit kind, zoo als de volksmenigte, een teederder en onverklaarbaar gevoel greep hem aan; het was de stem des bloeds, die in zijn hart sprak, zonder dat hij zich daarvan reden kon geven. Op eene zoo onverklaarbare wijze aangetrokken, verliet hij zijne bezigheden, naderde Agib, en zeide op innemenden toon tot hem: „Schoone jongeling! Gij hebt mijn hart gewonnen; bewijs mij de gunst, in mijn' winkel te komen en iets van mijn gebak te proeven, opdat ik het genoegen smake, u op mijn gemak te aanschouwen.” Hij sprak deze woorden met zoo veel vaderlijke teederheid, dat de tranen hem in de oogen kwamen. De kleine Agib werd er door getroffen, en zich tot den slaaf wendende, zeide hij: „Die goede man spreekt op zulk een' innemenden toon, dat ik gaarne aan zijn verzoek zou voldoen. Laat ons bij hem binnen gaan, en zijn gebak proeven.” „Het zou wat moois zijn,” antwoordde de slaaf, „dat gij, de zoon van een' vizier, een' banketbakkers-winkel zoudt binnen gaan, om u te laten onthalen. Meen niet, dat ik zulks zal toestaan.” „Inderdaad, jongeling!” riep thans Bedreddin Hassan, „het is wel hard, dat men u iemand tot leidsman heeft gegeven, die u met zoo veel gestrengheid behandelt! En gij, goede vriend!” vervolgde hij, zich tot den slaaf wendende, „vergun dezen jongen heer mij de gunst te bewijzen, waarom ik hem verzocht heb; bedroef mij niet, door u daartegen te verzetten. Bewijs mij liever de eer, met hem binnen te komen; gij zult daardoor toonen, dat, al is uw vel zoo bruin als een kastanje, gij van binnen blank zijt. Weet gij wel, dat ik de kunst versta,” ging hij schertsende voort, „uwe zwarte huid blank te maken.” De slaaf begon te lagchen en vroeg Bedreddin, hoe hij dat zou aanleggen. „Dat zal ik u zeggen,” antwoordde hij, zeide vervolgens een vers op, tot lof van de zwarte slaven, er bijvoegende, dat door hunne waakzaamheid de eer werd gehandhaafd, zoowel van den sultan als van de vorsten en grooten des rijks, die anders gemakkelijk bedrogen konden worden. De slaaf was met dit lofdicht op zijn ras zeer ingenomen, en ging zonder langer het verzoek van Bedreddin te weerstreven, met Agib den winkel binnen.
Bedreddin Hassan was zeer verblijd, toen hij zijn' wensch vervuld zag, en zijn werk weder opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met roomtaartjes te maken; gij moet mij de gunst bewijzen er eenigen te proeven; ik ben zeker, dat gij ze voortreffelijk zult vinden, want mijne moeder, welke dit uitnemend verstond, heeft mij geleerd, die te bereiden, en men komt ze van wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze woorden nam hij eene roomtaart, zoo warm uit den oven, strooide er suiker en granaat-korrels over en bood haar Agib aan, die ze overheerlijk vond. De zwarte slaaf, aan wien Bedreddin mede zijn deel gaf, was van het zelfde gevoelen.
Terwijl beide zaten te eten, sloeg Bedreddin Hassan zijn' jeugdigen gast met de grootste aandacht gade, en hem aanziende, kwam de gedachte bij hem op, dat hij misschien ook wel zulk een' zoon had bij de bekoorlijke gade, van welke hij op zulk een wreede wijze was gescheiden. Dit denkbeeld deed hem de tranen in de oogen komen. Hij was voornemens aan Agib eenige vragen te doen over de oorzaak van zijne reis naar Damaskus; maar het kind had den tijd niet zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, daar de slaaf hem herinnerde, dat zij naar het kamp van zijn' grootvader moesten terugkeeren, en, zoodra zij gegeten hadden, stond hij op en vertrokken zij. Bedreddin Hassan vergenoegde zich met hen na te zien, hij sloot haastig zijn' winkel, en volgde hen van nabij.
Toen zij aan de poort der stad kwamen, had Bedreddin hen ingehaald. De slaaf hem ziende, zeide toornig: „Lastig mensch! wat verlangt gij van ons?” „Goede vriend,” antwoordde Bedreddin, „word niet boos. Ik herinnerde mij, dat ik buiten de stad eene boodschap te verrigten had, die ik thans wil doen.” Dit antwoord bevredigde echter den zwarte niet, en zich tot Agib wendende, zeide hij: „Dat hebt gij mij nu op den hals gehaald. Ik heb wel voorzien, dat mijne inschikkelijkheid mij berouwen zou. Gij wildet volstrekt den winkel van dien man binnen gaan, en ik ben dwaas genoeg geweest, u dit te veroorloven.” „Misschien,” zeide Agib, „heeft hij werkelijk iets buiten de stad te doen, en de wegen zijn immers voor ieder vrij!” Hierop gingen zij voort, zonder om te zien, tot dat zij in de nabijheid der tenten van den vizier kwamen, toen keerden zij zich om, ten einde te zien, of de pasteibakker hen nog altoos volgde. Agib bemerkende, dat hij naauwelijks twee schreden van hen verwijderd was, werd door ontroering beurtelings rood en bleek. Hij was beducht, dat zijn grootvader, de vizier, zou vernemen, dat hij bij een' banketbakker was ingegaan en daar gegeten had. Door deze vrees gedreven, raapte hij een' grooten steen op, die voor zijne voeten lag, en wierp dien den lastigen vervolger vlak voor het hoofd, zoodat diens gelaat met bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw verdiend loon,” sprak de slaaf, „wat behoeft gij ons te volgen.” En Agib een' wenk gevende, liepen beide snel van daar, tot dat zij het kamp bereikt hadden. Bedreddin keerde naar de stad terug, en zocht het bloed, dat uit zijne wonde liep, met zijn voorschootje, dat hij in der haast had aangehouden, te stelpen. „Ik heb ongelijk gehad,” mompelde hij in zich zelven, „mijn huis te verlaten, om dit kind bang te maken, want hij zou mij zoo niet hebben behandeld, als niet de gedachte bij hem was opgekomen, dat ik iets kwaads in den zin had.” Te huis komende, liet hij zijne wonde verbinden, en troostte zich over dit ongeval, met de gedachte, dat zich op de wereld eene menigte menschen bevonden, die vrij wat ongelukkiger waren dan hij.
Terwijl Bedreddin Hassan alzoo zijn beroep van pasteibakker te Damaskus bleef uitoefenen, vertrok zijn oom Schemseddin Mohammed op den derden dag weder van daar, en reisde over Aleppo, waar hij den Euphraat overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. Terstond bij zijne aankomst liet hij bij den sultan gehoor verzoeken. Deze, onderrigt van den hoogen rang, dien Schemseddin Mohammed aan het hof van Egypte bekleedde, ontving hem zeer vriendelijk, en vraagde hem naar de oorzaak van zijne reis naar Balsora. „Sire!” antwoordde de vizier Schemseddin Mohammed, „ik ben hier gekomen, om onderzoek te doen naar het verblijf van den zoon mijns broeders Noureddin Ali, die de eer gehad heeft uwe majesteit te dienen.” „Reeds lang is Noureddin Ali overleden,” gaf de sultan ten antwoord. „Wat zijn' zoon betreft, al wat men er u van zeggen kan is, dat hij, omstreeks twee maanden na den dood zijns vaders, plotseling is verdwenen, en dat men hem sedert niet terug heeft gezien, hoeveel moeite ik mij ook heb gegeven, om hem te doen opsporen. Zijne moeder echter, welke de dochter is van een' mijner viziers, is nog in leven.” Schemseddin verzocht hem nu verlof haar te mogen zien, en haar, indien zij daar niet tegen had, mede naar Egypte te nemen. De sultan stemde hierin toe, en Schemseddin, niet tot den volgenden dag willende uitstellen, wat hij zoo vurig verlangde, liet zich de woning van zijne schoonzuster wijzen, en ging haar onmiddelijk een bezoek brengen, vergezeld door zijne dochter, Parel van Schoonheid, en door zijn' kleinzoon Agib.
De weduwe van Noureddin Ali woonde nog altijd in het huis, dat haar man tot zijn' dood betrokken had. Het was een zeer schoon gebouw, met marmeren kolommen versierd; maar Schemseddin Mohammed hield zich niet op, om het te bewonderen. Bij zijne komst zag hij bij de deur eene marmeren plaat, waarop de naam van zijn broeder met gouden letters te lezen stond. Zijn gemoed schoot vol, en hij kuste dien dierbaren naam. Hij liet zich vervolgens bij zijne schoonzuster aandienen. Eene slavin zeide hem, dat zij in den koepel was, die midden in den prachtigen tuin stond, en welke zij hem aanwees. Inderdaad, deze teedere moeder had de gewoonte een groot gedeelte van den dag in dezen koepel door te brengen, dien zij had doen bouwen tot grafmonument voor haren geliefden Bedreddin Hassan, welken zij, na zoo lang te vergeefs, op zijne terugkomst gewacht te hebben, als dood beweende. Ook thans zat zij het verlies van dien beminden zoon te betreuren, en Schemseddin Mohammed trof haar aan in eene diepe droefgeestigheid. Hij groette haar, en na haar verzocht te hebben, die tranen en zuchten te bedwingen, maakte hij zich bekend als haar schoonbroeder, en zeide haar ook de reden, die hem had bewogen Caïro te verlaten en naar Balsora te reizen. Hij deelde zijne schoonzuster mede, wat te Caïro in den bruidsnacht zijner dochter was voorgevallen, en hoe verwonderd hij geweest was, toen hij het handschrift zijns broeders in den tulband van diens zoon Bedreddin had gevonden; waarop hij haar zijn' kleinzoon Agib en zijne dochter, Parel van Schoonheid, voorstelde.
Toen de weduwe van Noureddin Ali vernam, dat de geliefde zoon, dien zij reeds zoo lang als dood betreurd had, nog wel in leven kon zijn, verspreidde zich een glans van hoop en van vreugde over haar gelaat. Zij stond op, breidde met moederlijke teederheid de armen naar Parel van Schoonheid uit, en kon niet ophouden Agib te omhelzen en te liefkozen, in wien zij de trekken van haren zoon Bedreddin Hassan herkende: „Mevrouw,” zeide nu Schemseddin Mohammed, „gij ziet, dat thans de tijd daar is, om uw rouwgewaad af te leggen, uwe tranen te droogen en om u gereed te maken ons naar Egypte te vergezellen. De sultan van Balsora heeft mij vrijheid gegeven, u met mij te nemen; en ik twijfel niet, of gij zult daarin toestemmen, zonder dat ik u juist stellig kan beloven, dat wij uw' zoon, mijn waarden neef, zullen wederzien. Mogt dit gebeuren, dan zullen onze lotgevallen waardig zijn beschreven te worden, en voor de nakomelingschap bewaard te blijven.”
De weduwe van Noureddin Ali hoorde dit voorstel met genoegen aan, en liet dadelijk alle toebereidselen tot haar vertrek maken. Intusschen verzocht Schemseddin Mohammed een tweede gehoor bij den sultan, om afscheid van hem te nemen. Deze vorst overlaadde hem met eerbewijzen, en gaf hem een kostbaar geschenk mede voor den sultan van Egypte. Daags daarop verliet de vizier Balsora, en nam andermaal zijn' weg over Damaskus.
Toen Schemseddin Mohammed in de nabijheid van Damaskus kwam, liet hij zijne tenten opslaan voor de poort, waarbij zij aankwamen, en besloot aldaar drie dagen te vertoeven, om zijn gevolg en zijne lastdieren te laten uitrusten, en tevens een en ander te koopen, wat hem het geschiktst zou voorkomen, om den sultan van Egypte, zijn' heer, aan te bieden.
Terwijl de vizier zich onledig hield met het uitzoeken der kostbaarste en zeldzaamste stoffen, welke de voornaamste kooplieden van Damaskus hem in zijn kamp kwamen voorleggen, verzocht Agib, den zwarten slaaf, zijn' leidsman, om met hem naar de stad te gaan, zeggende, dat hij de vorige keer toch lang niet alles had kunnen bezien, en dat hij ook gaarne iets zou willen vernemen van den pasteibakker, dien hij met een' steen gewond had, en waarvan hij altijd nog spijt had gehad. De slaaf stemde hierin toe, en ging met Agib naar de stad, toen deze van zijne moeder daartoe verlof had gekregen. Zij gingen door de paleispoort, die het digtst bij het kamp van den vizier Schemseddin Mohammed was, de stad in. Zij bezochten al de markten en bazars, waar de schoonste en rijkste stoffen waren uitgespreid; tevens bezagen zij de oude moskee der Ommiaden, juist toen de geloovigen tot het middaggebed werden opgeroepen en in menigte daarheen stroomden. Ten laatste kwamen zij ook voorbij den winkel van Bedreddin Hassan, die weder druk bezig was, met roomtaartjes te maken. „Gegroet,” zeide Agib, „bekijk mij eens en gij zult u herinneren, dat gij mij niet voor de eerste maal ziet.” Bij deze woorden sloeg Bedreddin de oogen op hem, en (o wonderlijke kracht van vaderlijk gevoel!) hij werd, toen hij hem herkende, even ontroerd als de vorige maal. Hij stond een' geruimen tijd, zonder een woord te kunnen uitbrengen. Eindelijk tot zich zelven gekomen, zeide hij: „Schoone jongeling! bewijs mij nogmaals de gunst met uw' leidsman in mijn' winkel te komen en van mijne roomtaartjes te proeven. Ik smeek u, mij te vergeven, dat ik u zoo lastig ben gevallen door u tot buiten de stad te volgen; ik was mij zelven geen meester, en wist niet, wat ik deed. Gij trekt mij evenzeer als de noordpool de magneet, zonder dat ik mij rekenschap kan geven van mijne genegenheid, of liever van een mij onbekend teeder gevoel.”
Agib, verwonderd over hetgeen de pasteibakker zeide, gaf ten antwoord: „Uwe vriendschaps-betuigingen zijn overdreven, en ik wil niet in uw huis komen, of gij moet u met een' eed verbinden, mij niet weder te zullen volgen. Indien gij mij dat belooft en als eerlijk man uw woord houdt, kom ik u morgen weder bezoeken, terwijl de vizier, mijn groot-vader, zich bezig houdt met inkoopen te doen voor een geschenk aan den sultan van Egypte.” „Mijn goede jongeheer!” hernam Bedreddin Hassan, „ik zal alles doen, wat gij mij zult bevelen.” Op deze verzekering van den pasteibakker traden Agib en de slaaf den winkel binnen.
Bedreddin haastte zich hun eene roomtaart voor te zetten, welke niet minder keurig was, dan die van vroeger. „Kom,” zeide Agib, „zet u naast mij, en eet met ons.” Bedreddin liet zich dit geen tweemaal zeggen, hij nam plaats naast Agib, en strekte de armen uit, om hem te omhelzen. „Zacht wat,” sprak de kleinzoon van den vizier, hem wegduwende, „gij wordt te gemeenzaam en uwe vriendschap is al te hartelijk. Wees blij, dat ik bij u kom, en gij mij moogt onthalen.” Bedreddin gehoorzaamde, en begon tot lof van Agib een lied te zingen, hetwelk hij zoo maar op het eigen oogenblik vervaardigde. Overigens at of dronk hij niet, maar hield zich uitsluitend bezig zijne gasten te bedienen. Toen zij met eten gedaan hadden, bood hij hun een bekken met water aan, om zich te wasschen, en een zeer fijn servet om de handen af te droogen. Hij kreeg vervolgens eene kan met sorbet, goot daarvan een gedeelte in eene fijne porceleinen kom, verkoelde dezen drank met ijs, en bood Agib de kom aan, zeggende: „Proef dezen drank eens, het is sorbet, zoo heerlijk als deze elders in de geheele stad niet te krijgen is.” Agib dronk met smaak, en gaf de kom aan den pasteibakker terug, die ze nu ook den slaaf aanbood. Goed voorgaan, doet goed volgen, zegt het spreekwoord; maar de zwarte liet het daar niet bij. Hij verbeterde het werk van zijn' jongen meester, en dronk met lange teugen, tot dat de laatste droppel uit de kom was verdwenen.
Geheel verzadigd, verlieten Agib en de zwarte den winkel van hunnen gullen en vriendelijken gastheer, en spoedden zich voort; want, terwijl zij praatten, aten en dronken, was de tijd voorbij gevlogen, zoodat het meer dan tijd voor hen was, om naar het kamp terug te keeren. Daar Agib naar zijne moeder wilde gaan, opdat zij gerust mogt wezen, dat hij in welstand uit de stad was teruggekeerd, rigtten zij zich, toen zij het kamp van Schemseddin Mohammed bereikt hadden, het allereerst naar de tent der vrouwen. De grootmoeder van Agib was ten hoogste verblijd, dat zij hem terug zag, en hem met tranen in de oogen omhelzende, zeide zij: „O mijn zoon! hoe groot zou mijn geluk wezen, indien ik ook uw' vader Bedreddin Hassan zoo aan mijne borst mogt drukken!” Daar de tijd voor den avondmaaltijd aangebroken was, zette men zich aan tafel, en Agib moest naast zijne grootmoeder zitten, die hem een groot stuk roomtaart op zijn bord legde. Ook den zwarte bood zij van haar gebak aan; maar beide waren nog zoo verzadigd, dat zij niets meer gebruiken konden. Agib brak een klein stukje af van hetgeen hem voorgezet was, en schoof toen het overige weg, even als of hij er geen smaak in vond. Schaban (dus heette de slaaf) handelde even zoo.
De weduwe van Noureddin Ali zag met weêrzin hoe weinig smaak haar kleinzoon in hare taart vond. „Hoe, mijn zoon!” zeide zij, „versmaadt gij aldus het door mij zelve toebereide gebak? Hoe kan dat mogelijk zijn, daar ik u verzeker, dat niemand, behalve ik en uw' vader Bedreddin Hassan, aan wien ik mijn geheim heb medegedeeld, in staat is zulke lekkere roomtaarten te maken.” „O! lieve grootmoeder!” riep Agib onbedachtzaam, „veroorloof mij u te zeggen, dat, indien gij geene lekkerder roomtaarten kunt maken dan deze, er hier in de stad een pasteibakker woont, die u in deze kunst overtreft. Wij hebben er zoo even eene bij hem gegeten, die onverbeterlijk was.”
Op deze woorden zag de weduwe van Noureddin Ali den zwarte donker aan. „Wat is dat, Schaban!” sprak zij toornig, „heeft men u het toezigt over mijn' kleinzoon opgedragen, om met hem bij een' pasteibakker te gaan eten, gelijk dit de burgerlieden doen?” „Mevrouw!” antwoordde de slaaf, „wij hebben wel een' banketbakker ontmoet, en een kort onderhoud met hem gehad, maar dit is geheel iets anders dan bij hem in te gaan en daar te eten.” „Gij vergist u,” viel Agib in, „wij zijn wel degelijk in zijn' winkel geweest, en hebben heerlijk van zijne roomtaart gegeten; mij dunkt, zij smaakt mij nog goed!” Zonder een woord meer te zeggen, stond nu de weduwe van Noureddin Ali van tafel op, en begaf zich naar de tent van Schemseddin Mohammed, aan wien zij in niet zeer zachte woorden het wangedrag van den slaaf mededeelde.
Schemseddin Mohammed, opvliegend van karakter, stond dadelijk op, liep naar de tent van zijne schoonzuster, en een' toornigen blik op den slaaf werpende, zeide hij: „Gij ellendeling! Maakt gij op deze wijze misbruik van het in u gestelde vertrouwen!” Schaban, hoewel hij het getuigenis van Agib tegen zich had, bleef echter de daad loochenen. Maar het kind hield het tegendeel staande. „Grootvader!” zeide hij tot Schemseddin Mohammed, „ik verzeker u, dat wij er beide zoo goed gegeten hebben, dat wij het avondmaal wel kunnen missen. De pasteibakker heeft ons daarenboven op eene groote kom sorbet onthaald.” „Hoort gij dit wel, onbeschaamde slaaf,” riep de vizier, „zult gij nu nog ontkennen, dat gij met mijn' kleinzoon bij den pasteibakker gegeten hebt?” Schaban hield vol en zwoer, dat het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige leugenaar,” zeide nu de vizier, „ik geloof mijn' kleinzoon meer dan u. Niettemin, indien gij deze roomtaart die hier op tafel staat, in mijne tegenwoordigheid opeet, zoo zal ik overtuigd zijn, dat gij mij de waarheid gezegd hebt.”
Schaban, hoewel meer dan verzadigd, onderwierp zich aan deze proef; hij nam een stuk van de roomtaart, maar moest het weder uit zijn' mond nemen, daar het hem onmogelijk was het te eten. Hij loog echter al voort, zeggende, dat hij den vorigen dag wat veel had gegeten en daardoor ongesteld was. De vizier, vergramd over deze aaneenschakeling van onwaarheden (want hij hield zich overtuigd van de schuld des slaafs), deed hem nu op den grond werpen en stokslagen geven. Bij deze gevoelige kastijding kon men de zwarte een kwartier uur ver hooren schreeuwen. Zij perste hem dan ook de bekentenis der waarheid af. „Genade, genade!” riep hij uit, „het is waar, dat wij bij een' pasteibakker eene roomtaart gegeten hebben, en dat deze honderdmaal lekkerder was dan die, welke hier op tafel staat.” De weduwe van Noureddin Ali meende, dat Schaban de taart van den pasteibakker alleen daarom boven de hare stelde, om haar te kwellen. Zij besloot er zich van te overtuigen, en zeide tot hem: „Ik kan niet gelooven, dat de roomtaartjes van dien pasteibakker beter zouden zijn dan de mijnen. Ik wil weten, wat daarvan is. Gij weet zijne woning; ga terstond derwaarts, en haal mij eene roomtaart.” Dit zeggende, liet zij den slaaf geld geven, en hij vertrok om zijne boodschap te verrigten. „Nu zal dat wijf, dat mij een pak slagen bezorgd heeft, beschaamd worden,” mompelde Schaban in zich zelven, en den winkel van Bedreddin binnentredende, groette hij hem, en zeide: „Goede vriend, hier is geld. Eene onzer dames wil gaarne uwe roomtaarten proeven, omdat zij niet kan gelooven, dat gij ze zoo lekker kunt bakken; geef er mij dus eene, en gij zult uwe vermaardheid daarin bevestigen.” Bedreddin had juist nog warme en versche, en zocht er de beste uit. „Neem deze,” zeide hij tot den slaaf, „ik sta er voor in, dat zij overheerlijk is, en dat niemand ter wereld ze dus kan maken, dan ik en mijne moeder, die misschien nog in leven is.” Schaban haastte zich met zijne roomtaart naar het kamp, en bood ze glimlagchende de weduwe van Noureddin Ali aan, als ware hij zeker ditmaal in het gelijk gesteld te zullen werden. De weduwe brak nu een stukje van de taart af, doch naauwelijks had zij dit in den mond gestoken en geproefd, of zij gaf een' gil en viel in onmagt.
Schemseddin Mohammed, hierbij tegenwoordig, was zeer verbaasd over deze uitwerking: hij haastte zich echter zijne schoonzuster ter hulp te snellen, en besprenkelde haar gelaat met water. Zoodra de weduwe van Noureddin Ali weder tot zich zelve kwam, riep zij in vervoering uit: „Geloofd zij Allah! niemand kan deze taart gemaakt hebben, dan mijn zoon, mijn lieve zoon Bedreddin Hassan van Balsora.”
Deze uitroep van zijne schoonzuster baarde den vizier Schemseddin Mohammed eene groote vreugde; maar weldra bedenkende, hoe onwaarschijnlijk het was, dat Bedreddin Hassan en de pasteibakker, die deze taart had gebakken, een en de zelfde persoon was, zeide hij tot haar: „Zuster, hoe komt gij toch op die gedachte? Kan er op de wereld geen pasteibakker zijn, die even goede roomtaarten kan maken, als uw zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde zij, „dat er misschien pasteibakkers zullen zijn, die dat kunnen; doch daar ik ze op eene bijzondere wijze maak, en dit geheim aan niemand dan aan mijn' zoon bekend is, zoo ben ik ook ten volle overtuigd, dat hij en niemand anders deze taart gemaakt heeft. Verheugen wij ons, broeder!” vervolgde zij in hare blijdschap, „wij hebben eindelijk gevonden, wien wij zoo lang vergeefs zochten.” „Zuster,” hernam de vizier, „wat ik u verzoeken mag, matig deze blijdschap; wij zullen weldra weten wat wij daarvan moeten gelooven. Wij behoeven den pasteibakker slechts hier te laten komen. Is hij dan Bedreddin Hassan, zoo zult gij en mijne dochter hem spoedig herkennen. Maar het is noodig, dat gij beide u verborgen houdt en hem ziet, zonder door hem ontwaard te worden; want ik wil niet, dat deze herkenning te Damaskus plaats hebbe. Mijn plan is, zulks uit te stellen tot onze terugkomst te Caïro, waar ik mij voorstel u allen eene even verrassende als aangename ontmoeting te verschaffen.”
Dit gezegd hebbende, liet Schemseddin Mohammed de vrouwen in hare tent, en begaf zich naar de zijne. Hier ontbood hij vijftig mannen van zijn gevolg, en beval hun het volgende: „Neem ieder een' knuppel en volg Schaban, die u in deze stad hij een' pasteibakker brengen zal. In diens winkel moet gij alles aan stukken slaan en verbrijzelen. Wil de pasteibakker weten, om welke reden en op wiens bevel gij dit doet, zoo vraagt hem slechts, of hij niet de roomtaart heeft gebakken, welke kort te voren door Schaban bij hem is gehaald. Beantwoordt hij zulks toestemmend, zoo moet gij u van zijn' persoon meester maken, en hem goed gekneveld bij mij brengen. Neemt u echter in acht, hem niet het minste leed te doen. Gaat en verliest geen' tijd.”
Het bevel van den vizier werd trouw nagekomen. Zijne bedienden, met stokken gewapend en geleid door den zwarten slaaf, begaven zich met spoed naar de woning van Bedreddin Hassan, drongen den winkel binnen en begonnen alles aan stukken te slaan, wat hun voorkwam: schotels, ketels, bakpannen, konfituurpotten, vazen enz., zoodat er in zijn' winkel, als het ware, eene overstrooming plaats had van sorbet, room en konfituren. Bedreddin Hassan, de weerlooze getuige van dezen moedwil, was ten hoogste verbaasd en ontsteld. „Goede lieden,” sprak hij op smeekenden toon, „waarom handelt gij dus met mijn goed? Wat heb ik gedaan?” „Hebt gij niet de roomtaart gemaakt, die gij aan dezen zwarte hebt verkocht?” zeiden zij. „Ja, ik zelf heb die gemaakt en gebakken,” gaf hij ten antwoord, „wat heeft men er op te zeggen? Ik daag iedereen uit, wie het ook zijn moge, eene betere te maken.” In plaats van hierop te antwoorden, gingen zij voort alles stuk te slaan, zelfs de oven bleef niet gespaard.
Inmiddels kwamen de buren op het gerucht toeloopen. Zij waren niet weinig verwonderd, dat een vijftigtal met stokken gewapende vreemdelingen zulk eene verwoesting aanrigtten en vraagden naar de oorzaak van deze gewelddadigheid. Bedreddin wendde zich nogmaals tot de plunderaars: „Zegt mij, wat ik u bidden mag,” sprak hij, „welke misdaad heb ik bedreven, dat gij hier dus huishoudt en alles vernielt, wat ik bezit?” „Hebt gij niet,” antwoordden zij, „de roomtaart gemaakt, welke gij aan dezen slaaf verkocht hebt?” „Ja,” hernam hij, „die man ben ik, en ik houd staande, dat de taart goed was, en ik de onregtvaardige behandeling, welke gij mij aandoet, niet verdien.” Zonder hem langer aan te hooren, maakten zij zich nu van zijn' persoon meester, rukten het linnen van zijn' tulband af, bonden hem daarmede de handen op den rug, sleurden hem uit zijn' winkel, en voerden hem in hun midden weg.
De bijeengestroomde menigte, medelijden met Bedreddin hebbende, trok nu echter zijne partij en trachtte hem te ontzetten. Doch op dien oogenblik verscheen de wacht van den gouverneur der stad, dreef het volk uiteen, en bevorderde op die wijze de uitvoering van Bedreddin. De reden hiervan was, dat Schemseddin Mohammed zich naar den gouverneur van Damaskus had begeven, en hem zijne volmagt van den sultan van Egypte vertoond had. De gouverneur, die in naam van den Egyptischen sultan het gebied over geheel Syrië voerde, aarzelde geen ogenblik aan het bevel van zijn' heer te voldoen, en zoo werd Bedreddin, niettegenstaande zijne klagten en zijn geschreeuw, door de lieden van Schemseddin Mohammed weggevoerd en naar diens tent gebragt. Hier liet men hem onder goede bewaking, tot dat de vizier van zijn bezoek bij den gouverneur van Damaskus zou terugkomen.
Zoodra Schemseddin in zijn kamp terugkwam, vraagde hij naar den pasteibakker. Tot antwoord bragt men den gevangene voor hem. „Heer!” sprak Bedreddin met tranen in de oogen, „ik bid u, mij te zeggen, waarin ik u beleedigd heb?” „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, „zijt gij het niet, die de roomtaart gemaakt hebt, welke men bij u gehaald heeft?” „Die man ben ik,” zeide Bedreddin, „maar welke misdaad steekt daarin?” „Ik zal u naar verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin Mohammed, „gij hebt het leven verbeurd, omdat gij zulk eene slechte roomtaart gebakken en verkocht hebt.” „Bij Allah!” riep Bedreddin, „wat moet ik hooren? Is het dan eene zoo groote misdaad eene slechte taart te bakken, indien gij ze dan toch voor slecht wilt houden?” „Ja,” antwoordde de vizier, „en gij hebt van mij niets anders dan den dood te wachten.” Onder dit gesprek beschouwden de vrouwen, die in een aangrenzend gedeelte van de tent verborgen waren, Bedreddin met aandacht, en hoewel zij hem in zoo vele jaren niet gezien hadden, herkenden zij hem echter dadelijk. Hare vreugde was zoo groot, dat zij in zwijm vielen. Toen zij weder tot zich zelve gekomen waren, wilden zij Bedreddin omhelzen, doch de belofte, welke zij aan den vizier gedaan hadden, van zich niet te vertoonen, weerhield haar, aan dit verlangen toe te geven.
Daar Schemseddin besloten had nog dien zelfden nacht te vertrekken, deed hij de tenten opbreken en de wagens in gereedheid brengen. Bedreddin werd in een' grooten reiskoffer, waarin men eenige luchtgaten gemaakt had, gesloten, en op den rug van een' kameel geladen. Zoodra dit alles gereed was, begaf men zich op weg en reisde het overige van den nacht en den volgenden dag zonder ophouden door. Eerst den daarop volgenden avond liet de vizier halt houden. Bedreddin Hassan werd nu uit zijne enge gevangenis bevrijd, ten einde eenig voedsel te gebruiken, waarbij men echter zorg droeg, hem buiten het gezigt van zijne moeder en van zijne vrouw te houden. Zoodra men weder op weg ging, werd hij op nieuw in zijn' koffer gesloten. Op deze wijze handelde men met hem gedurende de twintig dagen, dat de reis duurde.
Toen men Caïro naderde, liet de vizier Schemseddin Mohammed zijne tenten in den omtrek der stad opslaan, en Bedreddin andermaal voor zich brengen. Daarop een' timmerman ontboden hebbende, zeide hij tot dezen, in tegenwoordigheid van den ongelukkigen gevangene: „Ga, haal hout, en rigt mij eene galg op!” „Wel, Heer!” sprak Bedreddin bevende, „wat denkt gij met die galg uit te rigten?” „U er aan op te hangen,” antwoordde de vizier, „en u zoo de gansche stad te laten ronddragen, terwijl men voor u uit zal roepen: „Zie hier, hoe men handelen moet met een' onwaardigen pasteibakker, die roomtaarten maakt zonder er peper in te doen.”” „Groote hemel!” riep thans Bedreddin Hassan, op een' zoo koddig jammerenden toon, dat Schemseddin Mohammed moeite had ernstig te blijven, „omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb, zal men mij zulk een' wreeden en schandelijken dood doen ondergaan!”
Bedreddin Hassan hield niet op met klagen. „Helaas!” vervolgde hij, „hoe is het mogelijk, dat men in mijne woning alles vernielt en stuk slaat, mij als gevangene in een' koffer opsluit, en mij nu aan de galg wil hangen, alleen, omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb? Regtvaardige hemel! Wie heeft ooit zoo iets gehoord! Zijn dat daden van Muzelmannen, van lieden, die zich op vroomheid en geregtigheid beroemen?” Bij deze woorden borst hij in tranen uit, tot hij weder zijn kermen liet hooren. „Neen, nooit werd iemand zoo gestreng en zoo onregtvaardig behandeld! Kan het mogelijk zijn, dat men een' mensch het leven beneemt, omdat hij geene peper in eene roomtaart heeft gedaan? Verwenscht mogen dan alle roomtaarten zijn, en verwenscht het uur, waarin ik geboren werd! Mogt het den hemel behagen, dat ik op dit oogenblik stierve!”
De troostelooze Bedreddin hield niet op met jammeren; en toen men de galg bragt, en er hem aan vast wilde maken, schreeuwde hij het uit. „O Allah!” kreet hij, „kunt gij toelaten, dat ik dus schandelijk en smartelijk zal sterven? En voor welke misdaad? Het is niet om diefstal of doodslag, of om het verloochenen van mijn geloof; het is om niets anders dan, omdat ik in eene roomtaart geene peper gedaan heb!”
Daar het inmiddels donker was geworden, liet Schemseddin Mohammed zijn schoonzoon Bedreddin weder in den koffer sluiten, en riep hem toe: „Blijf daar tot morgen; die dag zal echter niet ten einde zijn, of gij zult de doodstraf ondergaan hebben.” Terstond daarna gaf de vizier last om op te breken en het was reeds geheel donker, toen hij te paard gezeten, aan het hoofd van zijn gevolg, Caïro binnentrok met den kameel, die den koffer droeg, waarin zijn neef zich bevond. Op dit late uur waren er bijna geene menschen op straat, zoodat Schemseddin Mohammed zijne woning bereikte, zonder dat er eenigen toeloop van volk plaats had. Zoodra hij zich ten zijnent bevond, werd de koffer afgeladen en op eene door den vizier aangewezen plaats gebragt, met streng verbod hem zonder zijn bevel te openen.
Terwijl nu zijn gevolg de kameelen ontlaadde, nam de vizier de moeder van Bedreddin Hassan en zijne dochter alleen, en zeide tot haar: „Allah zij geloofd, mijne dochter, dat Hij ons zoo ongedacht uw' neef en man heeft doen wedervinden. Gij zult u waarschijnlijk nog kunnen herinneren, hoe uwe slaapkamer er uitzag, toen gij er den eersten huwelijksnacht doorbragt; ga en laat alles weder in de zelfde orde brengen als zulks toen geweest is. Mogt gij dit soms niet goed meer weten, zoo behoeft gij mij slechts te vragen, want ik heb alles opgeteekend. Ik zal voor al het overige zorg dragen.” Parel van Schoonheid deed met blijdschap, wat haar vader bevolen had, en terwijl zij hiermede bezig was, droeg de vizier zorg de groote zaal juist zoo te laten inrigten, als toen zich Bedreddin Hassan daar bevond met den gebogchelden stalknecht van den sultan van Egypte. Van het geschrift, waarop hij zijne aanteekeningen had, las hij zijnen dienstboden voor, hoe en waar zij elk meubelstuk moesten plaatsen. De troon en ontstoken waskaarsen werden hierbij niet vergeten, en toen de zaal het zelfde feestelijk aanzien verkregen had, als voor tien jaren, begaf Schemseddin Mohammed zich naar de kamer van zijne dochter. Ook daar alles gereed vindende, legde hij de kleederen en de beurs met sequinen van Bedreddin weder op den stoel vóór het bed. Hierop zeide hij tot Parel van Schoonheid: „Ontkleed u, dochter, en leg u te bed. Wanneer Bedreddin zal binnenkomen, moet gij u beklagen over zijn lang uitblijven en zeggen, dat gij bij uw ontwaken zeer verwonderd waart, hem niet aan uwe zijde te vinden. Dring er op aan, dat hij zich weder bij u nederlegge, en morgen ochtend zult gij uwe schoonmoeder en mij genoegen doen, door ons mede te deelen, wat er dezen nacht tusschen u beiden is verhandeld.” Dit gezegd hebbende, verliet de vizier de kamer zijner dochter, om haar verder ongestoord te laten.
Naar de zaal gaande, deed Schemseddin Mohammed al de dienstboden vertrekken, slechts twee of drie uitgezonderd. Aan deze droeg hij den last op, Bedreddin uit zijn' koffer te halen, van zijne bovenkleederen te ontdoen, en hem zoo in de zaal te brengen, waar zij hem alleen moesten laten, en de deur achter zich sluiten.
Bedreddin Hassan, hoezeer ook van droefheid overstelpt, was zoo vast ingesluimerd, dat de dienstboden van den vizier hem uit den koffer konden nemen en ontkleeden, zonder dat hij daardoor ontwaakte. Toen namen zij hem op, en bragten hem zoo gezwind naar de zaal, dat hij, door deze beweging uit zijn' slaap gewekt, den tijd niet had tot bezinning te komen. Alleen in de zaal zijnde, liet hij, hoewel half verblind door het licht der waskaarsen, zijne oogen overal rond gaan; alles wat hij hier zag, herinnerde hem aan zijn' eersten huwelijksnacht. Hij zag met niet geringe verwondering, dat hij zich in de zelfde zaal bevond, waar hij den gebogchelden stalknecht had aangetroffen. Maar hoe zeer klom zijne verbazing, toen hij, de zaal rondgaande, de deur van een aangrenzend vertrek, dat hem even zeer bekend voorkwam, half open zag staan, en naar binnen glurende, bij het aldaar brandende licht, op den stoel voor een prachtig ledekant, zijne kleederen zag liggen, juist zoo als hij deze in zijn' huwelijksnacht had afgelegd. „Goede hemel!” sprak hij in zich zelven, „droom of waak ik?”
Nadat Parel van Schoonheid zich eenige oogenblikken met zijne verlegenheid vermaakt had, opende zij eensklaps de gordijnen van het ledekant, en stak haar hoofd er buiten. „Beste man!” sprak zij op teederen toon, „wat doet gij daar bij de deur? Kom weder te bed! Gij moet reeds een' geruimen tijd afwezig zijn geweest. Toen ik zoo straks ontwaakte, was ik zeer verwonderd u niet bij mij te vinden.” Bedreddin wist niet meer hoe hij het had. Was het tooverij of een blijde droom; dit kon hij zich niet verklaren! Bedrogen hem zijn gehoor en gezigt niet, dan kwam die liefelijke stem uit den schoonen mond van de zelfde beminnelijke vrouw, bij wie hij zich herinnerde een zoo korten maar aangenamen tijd te hebben doorgebragt. Hij trad de kamer binnen, maar zijne gedachten waren zoo vervuld met alles, wat hem was overkomen, dat hij maar niet begrijpen kon, hoe zoo iets in een' enkelen nacht kon gebeuren. In plaats dus van zich te bed te begeven, liep hij naar den stoel, waarop zijne kleederen lagen, en bezag die het een na het ander. „Bij Allah!” riep hij eindelijk uit, „ziedaar zaken, waarvan ik niets begrijpen kan; mijn verstand staat er bij stil!” Zijne echtgenoot vermaakte zich met zijne verlegenheid. „Maar, lieve Bedreddin!” sprak zij, „waarmede houdt gij u toch bezig? Moet ik u nogmaals verzoeken, u weder ter ruste te begeven!” Nu naderde hij Parel van Schoonheid en zeide: „Zeg mij toch in 's hemels naam, is het reeds lang geleden, dat ik bij u was?” „Dit is eene zonderlinge vraag,” antwoordde zij, „is er wel een uur verloopen, sedert gij van mijne zijde zijt weggegaan? Gij moet zeer veel in het hoofd hebben, dat gij zoo verward van gedachten zijt.” „Het is waar,” hernam Bedreddin, „dat het hoofd mij omloopt; ik herinner mij, wel is waar, bij u te zijn geweest; maar het heugt mij ook, dat ik sedert tien jaren te Damaskus heb gewoond. Indien ik nu dezen nacht werkelijk bij u was, hoe kan ik dan zoo vele jaren van u gescheiden zijn geweest? Dat zijn twee zaken, die niet te zamen kunnen gaan; zeg mij dus, bid ik u, wat ik hiervan moet denken. Is mijn huwelijk met u slechts een spel van mijne verbeelding, of is mijne afwezigheid een droom?” „Gij hebt,” hernam Parel van Schoonheid, „zeker gedroomd, dat gij te Damaskus waart.” „In dat geval,” riep Bedreddin Hassan schaterend lagchend uit, „is niets wonderlijker, en ik ben verzekerd, dat die droom u zeer vermakelijk zal toeschijnen. Verbeeld u, dat ik mij, zoo als gij mij thans ziet, voor de poort van Damaskus bevond; dat ik de stad binnen ging onder de bespotting eener volksmenigte, welke mij volgde en allerlei smaad aandeed; dat ik de wijk nam bij een pasteibakker, die mij, na mij tot zoon te hebben aangenomen, zijn bedrijf leerde, en mij bij zijn overlijden al zijne goederen naliet; dat ik hem in zijn beroep opvolgde, en daarmede veel naam maakte, zoodat mijne roomtaarten door de geheele stad Damaskus vermaard waren. In één woord, er zijn mij nog eene menigte zaken overkomen, te veel om u te verhalen; het eenigste, wat ik u nog te zeggen heb, is, dat ik zeer wijs heb gedaan met wakker te worden, daar men mij zonder dit weldra aan de galg zou hebben vastgemaakt.” „En waarom dat?” vroeg Parel van Schoonheid, de verwonderde spelende. „Gij moet u dan wel aan eene vreeselijke misdaad schuldig hebben gemaakt?” „Volstrekt niet,” hernam Bedreddin, „het was om de bespottelijkste zaak der wereld. Mijne geheele misdaad bestond daarin, dat ik eene roomtaart had verkocht, waarin ik geene peper had gedaan.” Parel van Schoonheid lag in haar bed te schudden van lagchen. „Dan, dan,” stotterde zij tusschen het lagchen door, „moet ik toestemmen, dat men u eene groote onregtvaardigheid aandeed.”
„O! gij weet nog niet alles,” hernam Bedreddin, „om die verwenschte roomtaart, waarin men mij verweet geene peper te hebben gedaan, heeft men alles wat in mijn' winkel was stuk geslagen en vergruisd; men heeft mij met touwen gebonden, en in een' koffer opgesloten, waarin ik zoo eng zat, dat ik mij verbeeld, het nog aan mijne ineengedrongen leden te kunnen voelen. Ten laatste deed men een' timmerman komen, en men gelastte hem, in mijne tegenwoordigheid, eene galg, op te rigten, om er mij aan op te hangen. Doch Allah zij geloofd, dat dit alles slechts het werk van een' droom is!” „Wel is dat gelukkig,” zeide Parel van Schoonheid, met een zoo beminnelijk lachje, dat Bedreddin voor het oogenblik al zijn doorgestaan of, gelijk hij thans dacht, gedroomd lijden scheen vergeten te hebben, en slechts aan zijn tegenwoordig geluk dacht. Nogtans bragt hij den nacht niet zeer rustig door; hij ontwaakte van tijd tot tijd, en vroeg telkens zich zelven af, of hij droomde of waakte. Hij mistrouwde zijn tegenwoordig geluk, deed nu en dan de gordijnen open, en liet zijne oogen door de kamer rondgaan. „Ik kan mij niet bedriegen,” mompelde hij, „het is wel de zelfde kamer, waarin ik, in plaats van den gebogchelde, ben binnen getreden, en het is de voor hem bestemde schoone, die aan mijne zijde slaapt.” Maar alles stond hem zoo verward voor den geest, dat zelfs de dag, die nu aanbrak, zijne ongerustheid niet geheel kon wegnemen, toen zijn oom, de vizier Schemseddin Mohammed, aan de deur tikte en onmiddelijk daarop binnen trad, om zijne kinderen een' goeden morgen te wenschen.
Bedreddin Hassan was ten hoogste verwonderd, zoo plotseling den zelfden man voor zich te zien, dien hij zoo wel kende, doch die hem nu niet met het gelaat en de stem van een' gestrengen regter toesprak, maar hem vriendelijk groette. „Ha!” riep hij uit, „gij zijt het dan, die mij zoo onwaardig behandeld, en tot een' dood veroordeeld hebt, die mij nog gruwen doet, om eene roomtaart, waarin ik geene peper had gedaan?” De vizier begon te lagchen, en om hem uit den droom te helpen, verhaalde hij hem, hoe hij door tusschenkomst van een' geest (want de mededeeling van den gebogchelde had hem het geheele voorval doen raden) daar gebragt was, en, in plaats van den gebogchelden stalknecht des sultans, zijne dochter getrouwd had. Hij verzweeg ook niet, hoe hij hem, door het handschrift van Noureddin Ali, had leeren kennen als de zoon zijns broeders, en dat hij vervolgens van Caïro naar Balsora was gereisd om berigt omtrent hem in te winnen. „En nu, beminde neef!” vervolgde hij, hem teeder omhelzende, „moet ik u nog vergiffenis vragen voor alles, wat ik u heb doen lijden, nadat ik u te Damaskus herkend had. Ik wilde u hier brengen, alvorens u met uw geluk bekend te maken, hetwelk gij op te hooger prijs zult stellen, naarmate het u moeite heeft gekost het te verkrijgen. Troost u over al uw lijden en de uitgestane angst, door de blijdschap, welke gij zult smaken, dat gij u terug ziet gegeven aan allen, die u op aarde lief en dierbaar moeten zijn. Terwijl gij u kleedt, zal ik uwe moeder, die van ongeduld brandt om u te omhelzen, gaan waarschuwen; en ik zal u uw' zoon brengen, dien Agib, welken gij te Damaskus gezien hebt, en voor wien gij zulk eene sterke genegenheid hebt gevoeld, zonder den band des bloeds te kennen, die tusschen u en hem bestaat.”
Het is met geene woorden uit te drukken, hoe groot de vreugde van Bedreddin was, toen hij zijne moeder en zijn' zoon Agib zag. Deze drie personen hielden niet op elkander te omhelzen en de teederste blijken van genegenheid te geven, want de stem des bloeds sprak luide in hunne blijde harten. De moeder van Bedreddin had de treffendste zaken mede te deelen; zij sprak hem over de droefheid, welke zijne lange afwezigheid haar veroorzaakt, en van de tranen, die zij om hem gestort had. In plaats van, zoo als te Damaskus, de liefkozingen zijns vaders af te wijzen, ontving de jeugdige Agib die thans met vreugde, en bewees ze hem wederkeerig. Bedreddin Hassan gevoelde zich, na een tienjarig leven vol zorgen en kommer, thans des te gelukkiger, en verdeelde zijne liefde tusschen de drie personen, die hem zoo dierbaar waren: zijne moeder, zijne vrouw Parel van Schoonheid, en zijn' zoon Agib. Voor zijn' oom Schemseddin Mohammed koesterde hij de meeste achting; maar mogt hij hem de verregaande kwellingen, hem gedurende de reis van Damaskus naar Caïro aangedaan, vergeven, nooit werd hij zoo vertrouwelijk met hem, als men anders van een' neef en schoonzoon zou mogen verwachten.
Inmiddels had de vizier zich naar het paleis van den sultan begeven, om hem den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. De sultan was zoo ingenomen met het verhaal van deze wondervolle geschiedenis, dat hij die deed opschrijven en bij de archieven van zijn koningrijk liet bewaren. Zoodra Schemseddin Mohammed in zijne woning terugkwam, zette hij zich met zijne familie aan den feestelijk toebereiden disch, die met de keur van de fijnste spijzen overladen was, en zijn geheele huis bragt dien dag in vreugde door.”
Nadat de groot-vizier Giafar de geschiedenis van Bedreddin Hassan aldus ten einde had gebragt, zeide hij tot den kalif Haroun-al-Raschid: „Beheerscher der geloovigen, ziedaar hetgeen ik uwe majesteit te verhalen had.” De kalif vond deze gebeurtenissen zoo wonderbaar, dat hij aan zijn' vizier de vergiffenis voor zijn' slaaf Rihan zonder aarzelen toestond. Ook het lot van den jongen man trok deze vorst zich aan. Om hem te troosten, dat hij zich zelven op zulk eene ongelukkige wijze van eene vrouw beroofd had, welke hij teeder beminde, deed hij hem huwen met eene van zijne slavinnen, overlaadde hem met goederen, en bleef hem genegen tot aan zijn' dood.
