DE DRIE APPELEN.
Reading edition
Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn, over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt, zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”
De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden, ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”
„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher, maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis, hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”

De drie Appelen. Dl. II, pag. 105.
Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een' groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn' groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug. Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in, die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken, maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als sneeuw.
Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn' vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,” sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,” hernam de kalif, „denk daaraan.”
Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de vizier Giafar naar zijne woning terug. „Helaas!” zeide hij, „hoe zal ik in eene zoo groote en volkrijke stad als Bagdad, den bedrijver van dit gruwelstuk ontdekken, die deze misdaad waarschijnlijk zonder ooggetuigen gepleegd, en zich misschien reeds uit de stad verwijderd heeft. Een ander, in mijne plaats, zou misschien een' ongelukkige uit de gevangenis halen, en dezen doen sterven, om alzoo den kalif te misleiden en te bevredigen, maar ik wil mijn geweten met zulk eene bloedschuld niet bezwaren: liever den dood, dan mijn leven op zulk eene wijze redden!”
Hij gaf last aan alle onder hem staande beambten, om een naauwkeurig onderzoek naar den misdadiger te doen instellen. Deze zonden hunne geregtsdienaars uit, en waren ook zelven werkzaam, daar zij meenden bij deze zaak bijna even veel belang te hebben, als de vizier. Maar al hunne pogingen waren vruchteloos; er was van den moordenaar geen spoor te ontdekken, en de vizier begreep, dat het, zonder tusschenkomst des hemels, met zijn leven gedaan was.
Inderdaad, op den derden dag kwam een bode des kalifs bij den ongelukkigen staatsdienaar, en gelastte hem om te volgen. De vizier gehoorzaamde. Zoodra hij voor den kalif verscheen was diens eerste vraag: „Hebt gij den moordenaar?” „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de vizier met tranen in de oogen, „niemand heeft mij eenige aanwijzing omtrent hem kunnen geven.” De kalif werd woedend, deed hem scherpe verwijten, en gaf bevel, dat men hem en veertig der Barmeciden voor de poort van het paleis zoude ophangen.
Terwijl men bezig was de galgen op te rigten, en de veertig Barmeciden uit hunne woningen werden gehaald, riep op bevel van den kalif, een omroeper op alle pleinen en aan alle hoeken der straten: „Wie lust heeft den groot-vizier Giafar en veertig Barmeciden van zijn bloedverwanten te zien ophangen, die kome op het plein voor het paleis.” Toen alles gereed was, werden de groot-vizier en veertig zijner bloedverwanten door den regter en door geregtsdienaren van het paleis naar buiten gebragt, en onder de voor hen bestemde galgen geplaatst. Men deed hun den strop om den hals, waaraan zij moesten worden opgetrokken. Het volk, dat het geheele plein vervulde, kon dit treurige schouwspel niet met drooge oogen aanzien, want de groot-vizier Giafar en de Barmeciden waren bemind en geacht om hunne regtschapenheid, eerlijkheid en belangeloosheid, niet alleen te Bagdad, maar door het geheele rijk.
Men was gereed, om het onherroepelijke bevel van den te gestrengen vorst ten uitvoer te brengen, en men stond op het punt van een en veertig der braafste mannen van Bagdad het leven te benemen, toen een welgekleed jongman, van een zeer gunstig voorkomen, zich een' weg door de menigte baande, tot bij den groot-vizier doordrong, hem de hand kuste en zeide: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs van dit hof, toevlugt der armen! gij zult niet sterven voor de misdaad van een ander. Ga van hier, en laat mij boeten voor den dood der dame, die ik in den Tigris heb geworpen. Ik ben haar moordenaar, en verdien daarvoor de straf te dragen.”
Ofschoon deze bekentenis den vizier eene groote blijdschap veroorzaakte, kon hij echter niet nalaten medelijden te gevoelen met den jongeling, wiens uitzigt, in plaats van terugstootend te zijn, iets aantrekkelijks had. Hij wilde hem antwoorden toen een lange man van reeds gevorderden leeftijd insgelijks door de menigte heen drong, voor den vizier trad, en tot hem zeide: „Heer! geloof niet, wat deze jongeling u zegt; niemand anders dan ik, heeft de jonge vrouw, welke men in den koffer vond, gedood.” „Bij Allah, ik bezweer U, Heer!” riep de jonge man op zijne beurt, „straf den onschuldige niet voor den schuldige. Ik betuig u, en wil het met een' eed bevestigen, dat ik alleen deze slechte daad heb begaan, en daarbij niemand tot medepligtige heb gehad.” „Mijn zoon!” viel de grijsaard in, „het is de wanhoop, die u hier heen heeft gevoerd, en gij wilt uw noodlot vooruit loopen; wat mij betreft, ik ben reeds lang genoeg op deze wereld. Sta mij toe, mijn leven voor u op te offeren. Heer!” vervolgde hij, zich tot den vizier wendende, „ik herhaal het u, ik ben de moordenaar; doe mij sterven en draal niet.”
De tegenstrijdige verklaringen van den grijsaard en den jongeling verpligtten den vizier hen, met verlof van den regter, voor den kalif te brengen. Toen hij in tegenwoordigheid van den monarch verscheen, boog hij tot zeven malen het hoofd ter aarde, en sprak op deze wijze: „Beheerscher der geloovigen! Ik breng hier vóór u dezen grijsaard en dezen jongen man, die elk voor zich beweren de moordenaar van de jonge vrouw te zijn.” De kalif vraagde nu met een gestreng gelaat aan de beschuldigden, wie van hen die dame op eene zoo barbaarsche wijze had omgebragt en in den Tigris geworpen. De jongeling verzekerde, dat hij het was; doch de grijsaard hield het tegendeel staande. „Ga!” beval de kalif aan den groot-vizier, „doe hen beiden ophangen.” „Maar, sire,” hernam Giafar, „indien slechts een van hen schuldig is, zoo zou het niet regtvaardig zijn, ook den andere te doen sterven.”
Toen nam de jongeling het woord, en zeide, zijne vingers opstekende: „Ik zweer, ten aanhoore van den Schepper van hemel en aarde, dat ik het ben, die de dame gedood, aan vier stukken gesneden, en nu vóór vier dagen in den Tigris heb geworpen. Ik mag geen deel hebben aan den dag des oordeels, indien, hetgeen ik zeg, niet waarachtig is, daarom ben ik het, die gestraft moet worden.” De kalif was verbaasd over dezen ongevergden en duren eed, en sloeg er geloof aan, vooral, omdat de grijsaard daar niets tegen inbragt. Om die reden wendde hij zich tot den jongen man, en zeide: „Ongelukkige! waarom hebt gij deze afschuwelijke misdaad begaan, en wat kon u bewegen u zelven over te leveren?” „Beheerscher der geloovigen!” antwoordde hij, „indien alles beschreven werd, wat tusschen deze dame en mij is voorgevallen, het zou eene geschiedenis zijn, leerzaam voor vele menschen.” „Verhaal ze ons dan,” hernam de kalif, „ik beveel het u.” De jonge man gehoorzaamde, en begon zijn verhaal op de volgende wijze.
GESCHIEDENIS VAN DE VERMOORDE DAME EN VAN DEN JONGEN MAN, HAAR ECHTGENOOT.
„Beheerscher der geloovigen! uwe majesteit moet weten, dat de vermoorde jonge dame mijne vrouw en de dochter van dezen grijsaard was, welke laatste mijn oom van vaders zijde is. Zij was naauwelijks twaalf jaar, toen hij haar aan mij ten huwelijk gaf, en sedert dien tijd zijn er nu bijna elf jaren verloopen. Onze drie kinderen zijn allen nog in leven. Ook moet ik mijne vrouw het regt laten wedervaren, dat zij mij nooit de minste reden tot ongenoegen heeft gegeven. Zij was deugdzaam, van eene zachte inborst, en zij stelde er hare hoogste vreugde in, om mij genoegen te doen. Van mijne zijde beminde ik haar opregt, en ik voorkwam al hare wenschen.
Het zal nu omstreeks twee maanden geleden zijn, dat zij ziek werd. Ik droeg alle mogelijke zorg voor haar, en spaarde niets, wat tot hare genezing strekken kon. Na verloop van eene maand werd zij iets beter en wenschte op zekeren dag naar het bad te gaan. Vóór dat zij echter van huis ging, zeide zij tot mij: „Lieve neef (zoo noemde zij mij uit gemeenzaamheid), ik ben zeer belust op appels; gij zult mij een genoegen doen, indien gij mij er eenigen bezorgt. Reeds lang heb ik daarnaar verlangd, en ik mag voor u niet ontveinzen, dat dit verlangen zoo toeneemt, dat ik voor kwade gevolgen vrees, indien daaraan niet spoedig voldaan wordt.” „Van harte gaarne,” antwoordde ik, „ik zal mijn uiterste best doen, ze u te bezorgen.”
Ik ging dadelijk om appels bij alle fruitverkoopers, doch, ofschoon ik eene sequin voor het stuk bood, ik kon ze in de geheele stad niet bekomen. Wat mijne vrouw aangaat, toen zij uit het bad terugkwam en de appels niet zag, werd zij zoo verdrietig, dat zij den ganschen nacht niet kon slapen. Ik stond met het krieken van den dag op, ging bij alle tuinlieden rond, maar slaagde niet beter dan den vorigen dag. Eindelijk ontmoette ik een' ouden tuinman, die mij verzekerde, dat ik mij vergeefsche moeite gaf, en ze nergens zou vinden dan in den tuin van uwe majesteit te Balsora.
Daar ik mijne vrouw hartstogtelijk lief had, en ik het verwijt niet op mij wilde laden, iets verzuimd te hebben om haar genoegen te geven, trok ik een ander kleed aan, en na haar mijn plan medegedeeld te hebben, vertrok ik naar Balsora. Ik maakte zoo veel spoed, dat ik binnen veertien dagen weder te Bagdad was, en drie appelen medebragt, die mij eene sequin het stuk kosten. In den geheelen tuin waren er geene meer te vinden, en de tuinman wilde ze mij daarom voor niet minder afstaan. Bij mijne tehuiskomst ging ik terstond naar de slaapkamer van mijne vrouw, en met een hart vol vreugde bood ik haar de appelen aan, maar haar verlangen daarna had intusschen opgehouden; zij nam ze met blijkbare onverschilligheid aan, en legde ze bij zich neer. Inmiddels was zij nog altoos ziek, en ik wist niet meer, welk middel ik tegen hare kwaal zou aanwenden.
Twee dagen na mijne reis bevond ik mij in mijn' winkel op de openbare markt, toen ik een' zwarte slaaf, groot van gestalte en breed geschouderd, maar van een slecht uitzigt, zag voorbijgaan met een' appel in de hand, welke ik dadelijk herkende voor een' van die, welke ik uit Balsora had medegebragt. Ik kon mij hierin niet vergissen, daar ik wist, dat er noch in Bagdad noch in de tuinen, om de stad gelegen, appelen te krijgen waren. Ik riep den slaaf. „Goede vriend,” zeide ik, „verpligt mij, door te zeggen van waar gij dien appel hebt gekregen.” „Het is,” antwoordde hij, al lagchende, „een geschenk van mijne beminde. Ik heb haar heden een bezoek gebragt, en vond haar een weinig ongesteld. Ik zag drie appelen bij haar liggen, en vraagde haar, van waar zij die had, daar die vrucht thans in geheel Bagdad niet te vinden is. Zij gaf mij ten antwoord, dat haar goede sukkel van een' man er eene reis van veertien dagen voor gedaan had, om ze haar te bezorgen. Wij hebben een' kouden maaltijd gedaan, en toen ik haar verliet, heb ik den appel, dien gij hier ziet, medegenomen!” Dit verhaal bragt mij buiten mij zelven. Ik stond van mijne plaats op, en na mijnen winkel gesloten te hebben, ijlde ik naar huis, en ging terstond naar de kamer van mijne vrouw. Dadelijk wierp ik een' blik op de plaats, waar de appels hadden gelegen, en ziende, dat er slechts twee waren, vraagde ik waar de derde gebleven was. Mijne vrouw wendde even het hoofd om naar de plaats, waar zij de appels gelegd had, en er ook slechts twee ontwarende, zeide zij op onverschilligen toon: „Neef! ik weet niet, wat er van dien derden appel geworden is, ik zie alleen, dat hij weg is.” Op dit antwoord twijfelde ik niet meer, of hetgeen de slaaf mij gezegd had, was overeenkomstig de waarheid. Op het zelfde oogenblik aan eene vlaag van woedende jaloezij gehoor gevende, trok ik het mes, dat in mijn' gordel stak, en stiet het in de borst van deze trouwelooze. Vervolgens sneed ik haar het hoofd af, en het ligchaam in vier stukken. Ik maakte hiervan een pak, hetwelk ik in eene baal van palmbladen verborg, en waarvan ik de opening met een' rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik dit in een' koffer, en zoodra het donker werd, nam ik dien op mijne schouders, om hem in den Tigris te werpen.
Mijne beide jongste kinderen waren reeds te bed en in slaap; de derde was nog op. Toen ik terugkwam, vond ik hem bitter schreijende voor de deur zitten. Ik vraagde hem naar de reden van zijne tranen. „Vader,” zeide hij snikkende, „ik heb dezen morgen van moeder, zonder dat zij er iets van merkte, een der drie appelen, die gij voor haar hebt medegebragt, weggenomen. Ik heb dien lang bewaard en speelde er op straat met mijne broertjes mede, toen een leelijke zwarte slaaf hem mij uit de hand greep en er mede wegliep. Ik liep hem na en vroeg den appel terug; maar of ik al zeide, dat hij van mijne zieke moeder was, en dat gij eene reis van veertien dagen gedaan had, om ze voor haar te halen, niets mogt helpen, hij wilde hem mij niet teruggeven. Ik volgde hem al schreeuwende, doch nu keerde hij zich om, sloeg mij, en liep vervolgens weg, zoodat ik hem eindelijk uit het gezigt verloor. Toen ben ik zoo lang buiten de poort gaan wandelen, tot de tijd daar was, dat gij te huis komt; en nu wacht ik u hier, lieve vader, om u te verzoeken, dat gij er niets van aan moeder zegt, uit vrees dat zij dan van verdriet nog zieker zal worden.” Bij het eindigen dezer woorden, begon het kind op nieuw te weenen.
Hetgeen mijn zoon mij verhaald had, ontroerde mij vreeselijk. Ik zag de grootte van mijne misdaad in, en het berouwde mij, maar helaas te laat, dat ik geloof had geslagen aan de bedriegelijke woorden van een' ellendigen slaaf, die, van hetgeen hij van mijn' zoon vernam, de fabel had verzonnen, die ik voor waarheid had gehouden. Inmiddels kwam mijn oom, thans hier tegenwoordig, om zijne dochter te bezoeken, maar in plaats van haar in leven te vinden, vernam hij uit mijn' mond, dat zij niet meer was. Ik verborg niets voor hem, en zonder af te wachten, dat hij mij veroordeelde verklaarde ik mij zelven voor den misdadigste van alle mannen. Niettemin, in plaats van mij met regtmatige verwijten te overstelpen, mengde hij zijne tranen met de mijnen. Hij beweende, drie dagen lang, het verlies van eene geliefde dochter, en ik, dat van eene vrouw, welke ik beminde, en van wie ik mij op zulk eene gruwelijke wijze beroofd had, door ligtvaardig gehoor te geven aan een' leugenachtigen slaaf.
Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken; hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”
De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende, „geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats doen sterven.”
De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”
Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie, welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan, bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.
Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee sequinen verkocht.”
Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was, dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”
Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost, met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier, dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een' vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn' slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif, die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”
Giafar nam nu het woord op en ving zijn verhaal aan als volgt
GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN ALI EN VAN BEDREDDIN HASSAN.
„Beheerscher der geloovigen! Er was eertijds in Egypte een sultan, regtvaardig, weldadig, goedertieren en minzaam jegens zijne onderdanen. Zijne dapperheid maakte hem gevreesd bij zijne naburen, zoodat zij zijn rijk met rust lieten. De vizier van dezen sultan was een man van veelomvattende kennis, wijs, voorzigtig, en bedreven in de fraaije letteren en in alle wetenschappen. Deze minister had twee zonen, die de voetstappen van hun' vader drukten; de oudste heette Schemseddin Mohammed en de jongste Noureddin Ali. De laatste vooral bezat groote verdiensten. Toen de vizier hun vader overleden was, deed de sultan hen bij zich ontbieden, en na hen met den tabbaard van gewoon vizier bekleed te hebben, zeide hij: „Ik neem innig deel in het verlies, dat gij geleden hebt; ook mij heeft dit zeer getroffen, en daar het mij bekend is, dat gij te zamen woont en in volmaakte eendragt leeft, zoo verhef ik u beiden tot de zelfde waardigheid. Gaat, en volgt de deugden van uw' vader na.”
De twee nieuwe viziers bedankten den sultan voor zijne gunst, en keerden naar hunne woning terug, om zorg te dragen voor de begrafenis van hun' vader, die met groote plegtigheid plaats had. Zij betreurden hem eene geheele maand, en na verloop van dien tijd verschenen zij voor de eerste maal in den raad van den sultan, dien zij nu in het vervolg geregeld bijwoonden. Telkens als de sultan op de jagt ging, vergezelde hem beurtelings een der broeders.

Noureddin Ali en Bedreddin Hassan. Dl. II, pag 117.
Op zekeren dag dat de oudste van de jagt terugkwam, en zij te zamen hun avondmaal gebruikt hadden, zeide hij tot den jongsten: „Broeder, daar schiet mij een zonderling denkbeeld te binnen. Wij zijn beiden nog ongehuwd, en leven in de beste verstandhouding; laat ons nu op den zelfden dag trouwen met twee zusters, die wij uit eene familie zullen kiezen, zoo als dit het best met ons belang zal overeenkomen. Wat zegt gij hiervan?” „Ik zeg, broeder!” antwoordde Noureddin Ali, „dat dit zeer goed strookt met onze innige vriendschap. Gij zoudt geen beter denkbeeld kunnen hebben; en, wat mij betreft, ik ben bereid alles te doen, wat u behagen kan.” „Maar wij zijn er nog niet,” hernam Schemseddin, „mijne gedachten gaan veel verder. Veronderstel dat uwe vrouw een' zoon, en de mijne eene dochter krijgt, dan zullen wij ze te zamen laten huwen, zoodra zij daartoe de jaren bereikt hebben.” „O!” riep Noureddin Ali, „dit gedeelte van uw plan is waarlijk zeer schoon. Dit huwelijk zal de kroon zetten op onze eensgezindheid en ik geef van ganscher harte mijne toestemming. Maar, broeder!” voegde hij er bij, „zoo dit huwelijk mogt plaats hebben, zoudt gij dan verlangen, dat mijn zoon eene huwelijksgift aan uwe dochter gaf?” „Wel zeker,” hernam de oudste, „en ik ben overtuigd, dat gij er niets tegen zult hebben om, behalve de gewone bepalingen van het huwelijkscontrakt, ook te doen vaststellen, dat aan mijne dochter zullen toekomen minstens drie duizend sequinen, drie schoone landgoederen en drie slaven.” „Daar kan ik niet in toestemmen,” zeide de jongste, „zijn wij niet broeders en ambtgenooten, bekleed met de zelfde waardigheid? Bovendien, weten wij beiden niet wat regt is? Het mannelijke geslacht bezit immers grootere voorregten dan het vrouwelijke, en zoudt ge dus niet verpligt zijn, uwe dochter eene groote huwelijksgift te geven? Maar, naar ik zie, zijt gij de man, om uwe rekening te maken ten koste van anderen.”
Hoewel Noureddin Ali dit lagchende zeide, was zijn broeder echter niet gestemd het voor scherts te houden, en gevoelde er zich door beleedigd. „Ongeluk kome over uw' zoon,” riep hij driftig, „daar gij hem mijne dochter durft voortrekken. Ik verwonderde mij reeds, dat gij de stoutheid had, hem met haar gelijk te stellen. Gij moet uw verstand verloren hebben, daar gij u met mij op ééne lijn durft plaatsen, door te zeggen, dat wij ambtgenooten zijn. Weet, vermetele! dat ik nu mijne dochter niet aan uw' zoon zou willen geven, al gaaft gij hem meer schatten mede, dan in uw bezit zijn.”—Deze belagchelijke twist tusschen de twee broeders over het huwelijk van hunne kinderen, die nog niet geboren waren, had echter zeer ernstige gevolgen. Schemseddin Mohammed werd zoo driftig, dat hij tot bedreigingen overging. „Indien ik morgen den sultan niet vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u naar verdienste straffen; maar bij mijne terugkomst zal ik u leeren of het den jongeren broeder past zoo onbeschaamd tegen den ouderen te spreken.” Met deze woorden ging hij naar zijn slaapvertrek, en zijn broeder begaf zich naar het zijne.
Schemseddin Mohammed stond den anderen morgen vroeg op, en begaf zich naar het paleis. Kort daarop vertrok hij met den sultan, die den weg naar de pyramiden insloeg. Wat Noureddin Ali betreft, hij had den nacht zeer onrustig doorgebragt. Allerlei denkbeelden woelden hem door het hoofd. Hij zag de onmogelijkheid in om langer met een' broeder te leven, die hem zoo uit de hoogte behandelde, daar zij toch gelijk in rang waren, en hij besloot, tot voorkoming van verderen twist, hem uit den weg te gaan. Hij liet een' goeden ezel optuigen, voorzag zich van geld en edelgesteenten, alsmede van eenige levensmiddelen, zeide zijnen bedienden, dat hij binnen twee of drie dagen dacht terug te komen, en vertrok.
Buiten Caïro gekomen, sloeg hij den weg in naar de woestijn van Arabië. Maar zijn ezel bezweek weldra, en nu zag hij zich genoodzaakt zijne reis te voet voort te zetten. Bij geluk kwam hem echter een ruiter achter op, die naar Balsora ging, en deze nam hem achter op zijn' drommedaris. Toen zij na een' langen en snellen rid te Balsora kwamen, steeg Noureddin Ali af, en bedankte den ruiter voor de hem bewezen dient. Terwijl hij door de stad wandelde en naar eene geschikte herberg rond zag, ontmoette hem een heer niet een talrijk gevolg. Hij bemerkte, dat men dien man groote eer bewees, en stil bleef staan, tot hij voorbij was. Noureddin Ali deed als de anderen. Het was de groot-vizier van den sultan van Balsora, die door de stad ging, en zich aan de inwoners vertoonde, om door zijne tegenwoordigheid orde en vrede te bewaren.
De vizier liet zijne oogen op Noureddin vallen, en vond zijn voorkomen zoo gunstig, dat dit hem belangstelling inboezemde. Hij reed digt voorbij hem heen, en ziende, dat hij in reisgewaad was, hield hij zijn paard in, om hem te vragen wie hij was en van waar hij kwam. „Heer!” antwoordde Noureddin Ali: „Ik kom uit Egypte, ben te Caïro geboren, en heb mijn vaderland verlaten, omdat een mijner bloedverwanten mij zwaar beleedigd heeft. Zulks doet mij zoo zeer leed, dat ik besloten heb liever de gansche wereld te doorreizen, dan immer te Caïro terug te komen.” De groot-vizier, een achtenswaardig grijsaard, hernam hierop goedhartig: „Mijn zoon, neem u wel in acht, uw voornemen ten uitvoer te brengen. Er is veel ellende in de wereld, en aan het reizen zijn groote moeijelijkheden verbonden, die gij nog niet genoeg kent. Kom, volg mij liever; misschien ben ik in staat u het leed, dat u uit uw vaderland heeft verdreven, te doen vergeten.”
Noureddin Ali volgde den groot-vizier van Balsora. Deze, een groot menschenkenner, ontdekte weldra de goede hoedanigheden van Noureddin, en vatte zooveel genegenheid voor hem op, dat hij hem, na verloop van eenigen tijd, onder vier oogen bij zich riep, en tot hem zeide: „Mijn zoon! ik ben, zoo als gij ziet, reeds zeer hoog in jaren, zoodat mijn leven waarschijnlijk nog van korten duur zal zijn. De hemel heeft mij eene eenige dochter geschonken, die niet minder schoon is, dan gij welgemaakt zijt, en die thans huwbaar is. Vele voorname hovelingen hebben mij voor hunne zonen om hare hand gevraagd, maar ik heb niet kunnen besluiten hun aanzoek toe te staan. Wat u betreft, gij zijt mij lief, ik stel u boven al die anderen, en ik oordeel, dat gij mijne dochter waardig zijt. Ik ben bereid u tot mijn' schoonzoon aan te nemen. Is dit naar uw genoegen, zoo zal ik aan den sultan, mijn meester, verklaren, dat ik u tot zoon heb gekozen, en ik zal hem smeeken, mij te vergunnen, dat gij mijn opvolger moogt zijn als groot-vizier in het rijk van Balsora. En daar ik in mijn' hoogen ouderdom behoefte aan rust heb, zoo zal ik u niet slechts over al mijne goederen stellen, maar u tevens het bestuur der staatszaken, zoo veel ik mag, opdragen.”
Naauwelijks had de groot-vizier van Balsora deze woorden vol goedheid en edelmoedigheid gesproken, of Noureddin Ali wierp zich aan zijne voeten, en betuigde hem zijne erkentelijkheid voor het geluk, dat hij hem toedacht. De groot-vizier riep nu de voornaamste dienaren van zijn huis, en beval hun, dat de groote zaal feestelijk versierd, en een' kostbaren maaltijd aangerigt moest worden. Vervolgens liet hij de voornaamste hovelingen en ingezetenen bij zich noodigen. Toen nu allen bijeen waren, nam hij het woord op, en sprak, zich van eene onwaarheid bedienende om degenen, die naar de hand van zijne dochter gestaan hadden, niet voor het hoofd te stooten: „Ik ben zeer blijde, mijne heeren! u thans eene zaak te kunnen mededeelen, welke ik tot hiertoe geheim heb gehouden. Ik bezit een broeder te Caïro, die groot-vizier is aan het hof van den sultan van Egypte, gelijk ik de eer geniet dit van onzen grootmagtigen heer en meester te zijn. Deze broeder heeft slechts een' eenigen zoon, dien hij aan het hof van Egypte niet wilde uithuwelijken, maar hier heen gezonden heeft, om de echtgenoot mijner dochter te worden, ten einde alzoo den band des bloeds, die ons vereenigt, nog naauwer toe te halen. Deze zoon, dien ik voor mijn' neef erkend heb, en dien ik tot mijn schoonzoon wil maken, is deze jongeling, welke ik u bij dezen voorstel. Ik vlei mij, dat gij mij de eer zult aandoen op zijne bruiloft tegenwoordig te zijn, welke ik besloten had heden te vieren.” Geen der gasten kon het hem euvel duiden, dat hij de voorkeur gaf aan zijn neef, boven al de goede partijen, die hem voor zijne dochter aangeboden waren, en zij antwoordden daarom, dat hij groot gelijk had; terwijl zij met genoegen als getuigen bij de trouwplechtigheid tegenwoordig wilden zijn. Zij eindigden met den wensch, dat Allah hem nog een lang leven mogt geven, om vele jaren getuige van dezen gelukkigen echt te kunnen zijn.
Nadat zij aldus hunne goedkeuring hadden gegeven aan het voorgenomen huwelijk, ging men terstond aan tafel. Toen de confituren bij het dessert werden opgedragen, nam ieder, volgens het aldaar bestaande gebruik, daarvan zooveel als hij kon medenemen, en te gelijk trad de kadi binnen met het huwelijks-kontrakt in de hand. De voornaamste gasten onderteekenden het, waarna het gezelschap uit een ging.
Toen allen vertrokken waren, gelastte de groot-vizier, dat men Noureddin Ali naar het bad zou geleiden. Nadat de bedienden hem gewasschen en gewreven hadden, steeg hij uit het bad, trok een zeer prachtig daar gereed liggend gewaad aan, liet zich met welriekende wateren besprengen, en keerde in dezen staat naar den groot-vizier zijn' schoonvader terug. Deze was verrukt over zijn mannelijk schoon voorkomen, deed hem naast zich plaats nemen, en zeide: „Mijn zoon, gij hebt mij bekend gemaakt met den rang, dien gij aan het hof van Egypte bekleeddet, gij hebt mij ook gezegd, dat gij twist hebt gehad met uw' broeder, en dat gij om die reden uw vaderland hebt verlaten, maar ik verzoek u mij uw volle vertrouwen te schenken, door mij het onderwerp, waarover die twist ontstaan is, mede te deelen. Nu wij in zulk eene naauwe betrekking tot elkander staan, moet gij niets voor mij verbergen.”
Noureddin Ali verhaalde hem nu den twist met zijn' broeder tot in de kleinste bijzonderheden. De groot-vizier kon dit verhaal niet aanhooren zonder in lagchen uit te barsten. „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste zaak, waarvan ik ooit gehoord heb. Hoe is het mogelijk, mijn zoon, dat uw twist over een ingebeeld huwelijk zoo hoog kon loopen? Het doet mij leed, dat gij over zulk eene nietigheid met uw' broeder in onmin zijt. Hij heeft evenwel ongelijk, dat hij uwe scherts als ernst heeft opgenomen; en ik moet den hemel dankbaar zijn, omdat ik aan die oneenigheid een' schoonzoon te danken heb. Maar,” vervolgde de grijsaard met een' glimlach, „ik mag u niet langer ophouden; de nacht is reeds ver gevorderd, en het wordt tijd zich ter ruste te begeven. Ga, mijne dochter uwe gade, wacht u. Morgen zal ik u aan den sultan voorstellen. Ik vlei mij, dat hij u op zulk eene wijze zal ontvangen, dat wij beiden reden kunnen hebben daarover voldaan te zijn.” Noureddin Ali verliet zijn' schoonvader, en begaf zich naar het vertrek van zijne vrouw.
Keeren wij nu tot zijn' broeder terug.
Eene maand nadat Noureddin Ali Caïro had verlaten, met voornemen er nimmer terug te komen, kwam Schemseddin Mohammed te huis. De sultan had zich zoo zeer door zijn' jagtlust laten vervoeren, dat hij gedurende al dien tijd afwezig was gebleven. Schemseddin ging terstond naar de vertrekken van zijn' broeder. Hij was zeer verwonderd te vernemen, dat deze op den zelfden dag, dat hij met den sultan ter jagt was gegaan, op een' ezel vertrokken was, voorgevende een reisje van twee of drie dagen te gaan maken, terwijl men hem sedert dien tijd nog niet had weder gezien. Schemseddin Mohammed werd door dit berigt zeer ontroerd, daar hij begreep, dat de harde woorden, die hij zijn' broeder had toegevoegd, de eenige oorzaak van zijne verwijdering konden zijn. Hij zond onmiddelijk een' koerier, die over Damaskus naar Aleppo ging; maar Noureddin was toen reeds te Balsora. De koerier kwam dan ook terug met het berigt, dat hij niets van den vlugteling had kunnen vernemen, en er bleef aan Schemseddin Mohammed niets anders over dan zijn' broeder elders te zoeken.
Inmiddels begon hem het eenzame leven spoedig te vervelen, en hij besloot eene vrouw te nemen. Hij huwde met de dochter van een der voornaamste en magtigste ingezetenen van Caïro, op den zelfden dag, dat zijn broeder te Balsora de dochter van den groot-vizier trouwde. Na verloop van negen maanden beviel de vrouw van Schemseddin Mohammed te Caïro van eene dochter.
Op den zelfden dag kreeg de echtgenoot van Noureddin Ali te Balsora een zoon, die den naam ontving van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van Balsora toonde zijne blijdschap door het uitdeelen van aalmoezen, en door het houden van openbare vermakelijkheden, ter eere van zijn' kleinzoon. Om aan zijn schoonzoon een blijk te geven van zijne tevredenheid, ging hij naar het paleis en verzocht den sultan, om Noureddin Ali tot vizier te benoemen, opdat hij nog vóór zijn' dood de vreugde mogt smaken, zijn' schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.
De sultan, die in Noureddin Ali, toen hij hem bij gelegenheid van zijn huwelijk was voorgesteld, groot behagen had gevonden, en sedert niets dan goeds van hem had hooren spreken, stond zijn' vizier met veel welwillendheid de verlangde gunst toe, en deed hem in zijne tegenwoordigheid den groot-viziers-tabbaard omhangen. De vreugde van den grijzen staatsdienaar, toen hij den volgenden morgen zijn' schoonzoon, in zijne plaats, in den raad des sultans zag voorzitten, was onbeschrijfelijk. Noureddin Ali kweet zich zoo goed, als of hij zijn leven lang het viziers-ambt bekleed had, hetgeen de verwondering opwekte van den sultan en van allen, die niet wisten, dat hij te Caïro reeds als vizier werkzaam was geweest. Hij verscheen nu in den raad, zoo vaak de gebreken des ouderdoms zijn' schoonvader weêrhielden er te komen. Deze goede grijsaard stierf in het vierde jaar na het huwelijk van zijne dochter, met den troost haar onder de bescherming van een' man achter te laten, die in staat was den luister van zijne familie op te houden. Noureddin Ali bewees hem de laatste eer, met al die liefde en dankbaarheid, welke hij hem verschuldigd was.
Zoodra Bedreddin Hassan zijn zevende jaar had bereikt, gaf zijn vader hem een' voortreffelijken leermeester, die begon met hem overeenkomstig zijne hooge geboorte op te voeden. Hij vond in dit kind een' vluggen en vatbaren geest, in staat om van het onderwijs voordeel te trekken.
Binnen twee jaren kon Bedreddin Hassan niet alleen goed lezen, maar, zoo goed was zijn geheugen, den geheelen koran reeds van buiten. Noureddin Ali, zijn vader, gaf hem nu nog andere leermeesters, die zijn' geest met allerlei kundigheden trachtten te verrijken, en op zijn twaalfde jaar had hij zulke vorderingen gemaakt, dat hij toen hun onderwijs niet meer behoefde. Zijne gelaatstrekken droegen de bewondering weg van allen, die hem zagen, zoodat hij niet alleen in geestelijke, maar ook in ligchamelijke gaven boven allen uitmuntte.
Daar zijn vader het voornemen had, hem eenmaal zijne plaats te doen vervullen, onderrigtte hij hem in de moeijelijkste staatszaken en verzuimde, in één woord, niets, wat strekken kon om het geluk van zijn' eenigen en geliefden zoon te bevorderen. Reeds begon hij de vruchten van zijn' arbeid te plukken, toen hij door eene zeer ernstige ongesteldheid werd aangetast, en zijn einde voelde naderen. Hij vleide zich dan ook met geene ijdele hoop, maar bereidde zich voor om als een opregt muzelman te sterven. In deze voor hem kostbare oogenblikken, vergat hij zijn' beminden Bedreddin niet. Hij liet hem bij zich roepen, en zeide: „Mijn zoon, gij ziet aan mij, dat dit leven vergankelijk is; slechts dat, waarin ik weldra zal overgaan, duurt eeuwig. Het is noodig, dat gij er reeds van nu af aan op bedacht zijt, u in den zelfden toestand te verplaatsen, waarin ik mij thans bevind, leg er u op toe dien overgang zonder droefheid te kunnen doen, vervul uwe pligten als muzelman en als braaf mensch, en uw geweten zal u niets verwijten. Wat uwe godsdienst aangaat, gij zijt daarin genoegzaam onderwezen, door hetgeen gij van uwe meesters geleerd, en door hetgeen gij daarover gelezen hebt. Wat den braven mensch betreft, daaromtrent zal ik u eenige lessen geven, die u nuttig kunnen zijn. Doch daar het noodig is zich zelven te kennen, en gij die kennis niet kunt bezitten, zonder te weten wie ik ben, zoo zal ik u zulks vooraf mededeelen.
Ik ben,” vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; mijn vader, uw grootvader, was eerste staatsdienaar bij den sultan van dat rijk. Ook ik heb de eer gehad, te gelijk met mijn' anderen broeder, vizier van den zelfden sultan te zijn. Zoo ver ik weet is uw oom, die Schemseddin Mohammed heet, nog in leven. Ik was verpligt mij van hem te verwijderen, en kwam in dit land, waar ik den post heb gekregen, dien ik tot dus verre bekleedde. Maar gij zult al deze zaken breedvoerig kunnen vinden in mijn dagboek.” Toen haalde Noureddin Ali eene rol papier uit zijne borst, en gaf ze Bedreddin Hassan. „Neem dit,” zeide hij, „gij kunt het op uw gemak lezen; en onder meer andere dingen, zult gij er den dag van mijn huwelijk en dien van uwe geboorte in vinden aangeteekend. Dit te weten kan u waarschijnlijk later noodig zijn, daarom zal het u aansporen dit geschrift met zorg te bewaren.” Bedreddin Hassan bedroefd over den toestand, waarin hij zijn' vader zag, en getroffen door zijne woorden, ontving het geschrift met tranen in de oogen, en beloofde er zich nimmer van te zullen ontdoen. Toen werd Noureddin Ali door eene flaauwte overvallen, welke voor zijn leven deed vreezen. Hij kwam echter weder bij, en nogmaals het woord opnemende, zeide hij: „Mijn zoon, de eerste stelregel, dien gij in het oog moet houden, is: u niet te veel op anderen te verlaten. Het beste middel om in vrede te leven is, met zich zelven raad te nemen, en zich niet ligtvaardig uit te laten. Zonder dit zult gij nimmer een goed staatsman worden.
De tweede is: tegen niemand geweld te plegen; want doet gij dit wel, zoo zal een ieder tegen u opstaan, en gij behoort de wereld te beschouwen als een schuldeischer, aan wien gij gematigdheid, mededoogen en verdraagzaamheid schuldig zijt.
De derde is: zoo men u beleedigt, niet te antwoorden. Men is buiten gevaar, zegt het spreekwoord, wanneer men weet te zwijgen. En het is vooral in die omstandigheid, dat gij moet weten u zelven te beheerschen, en dit in beoefening te brengen; want als het eene woord het andere volgt, zal er twist ontstaan en de vijandschap meestal groot worden. Te regt zegt daarom een van onze dichters, dat de stilzwijgendheid het sieraad en de beschermster van ons leven is, en dat men, sprekende, niet gelijk moet zijn aan een' stortvloed, die in zijn vaart alles medevoert en beschadigt. Nooit heeft het iemand berouwd gezwegen te hebben, maar het veel spreken heeft menigeen in leed gebragt.
De vierde is: geen wijn te drinken, want dit is de bron van vele ondeugden.
De vijfde is: uwe goederen wel te bewaren. Indien gij ze niet verkwist, zoo zullen zij u dienen, om voor gebrek bewaard te blijven. Men moet echter niet gierig zijn, noch te veel naar rijkdom trachten, want de gierigaard is een onnut schepsel voor zijne naasten, en die naar rijkdom haakt, komt in vele verzoekingen. Hebt gij nogtans geld, en gij besteedt dit op eene verstandige wijze, zoo zult gij u vele vrienden maken; maar zoo gij integendeel groote schatten hebt, en daarvan een slecht gebruik maakt, zal een ieder zich van u verwijderen.”
Om kort te gaan, Noureddin Ali liet niet na, zijn' zoon goede lessen te geven tot aan zijn' laatsten ademtogt. Na zijn' dood werd hij met groote pracht ter aarde besteld.
Bedreddin Hassan van Balsora (aldus genoemd, omdat hij in die stad geboren was) was zeer bedroefd over den dood van zijn' vader. In plaats van ééne maand, zoo als het gebruikelijk was, beweende hij hem twee maanden lang, en bragt dien tijd in afzondering door, zonder zelfs zijne opwachting bij den sultan te maken. Deze vorst was over zijne nalatigheid zeer vergramd, en beschouwde zulks als een blijk van minachting voor zijn' persoon en zijn hof. Hij liet in zijn' toorn den groot-vizier, die hij na den dood van Noureddin Ali had aangesteld, ontbieden, en beval hem zich naar het huis van den overledene te begeven, al zijne bezittingen in beslag te nemen, en Bedreddin Hassan voor hem te brengen.
De nieuwe groot-vizier begaf zich terstond op weg, om zijn' last te volbrengen, gevolgd door een groot aantal wachters en geregtsdienaars van het paleis. Een der slaven van Bedreddin Hassan, die zich onder de menigte bevond, en het oogmerk des viziers vernomen had, liep vooruit om zijn' meester van het hem dreigende gevaar te verwittigen. Hij vond hem op het balkon van zijne woning zitten, zoo diep bedroefd, alsof zijn vader pas gestorven was. Geheel buiten adem, wierp hij zich aan zijne voeten, en na den zoom van zijn kleed gekust te hebben, zeide hij: „Heer, red u, red u!” „Wat is er te doen?” vraagde Bedreddin, het hoofd opheffende. „Heer,” antwoordde de slaaf, „er is geen tijd te verliezen; de sultan is tegen u in vreeselijken toorn ontstoken, en men komt om al uwe goederen in beslag te nemen, en zich van uw' persoon te verzekeren.”
Deze woorden van den getrouwen slaaf deden Bedreddin Hassan ontstellen.
„Maar,” hernam hij, „heb ik den tijd niet om naar mijne kamer te gaan, en eenige edelgesteenten en geld mede te nemen!” „Neen heer!” antwoordde de slaaf, „de groot-vizier zal in een oogenblik hier zijn. Vertrek dadelijk en red u, of het is te laat.” Bedreddin Hassan rigtte zich van zijne sofa op, en sloeg zijn kleed over het hoofd om zijn gelaat te verbergen, en nam met overhaasting de vlugt, zonder te weten waar heen, om het hem dreigende gevaar te ontgaan. De eerste gedachte, welke hem inviel, was de naastbij gelegen stad te bereiken. Hij liep zonder ophouden door tot aan de openbare begraafplaats, en daar de nacht ophanden was, besloot hij dien bij de graftombe van zijn vader door te brengen, een prachtig monument in den vorm van een' koepel, dat Noureddin Ali nog bij zijn leven had doen stichten. Derwaarts gaande, ontmoette Hassan een' rijken jood, die bankier en tevens koopman was. De jood, die in de omstreken zaken gedaan had, keerde naar de stad terug. Hij herkende Bedreddin op het eerste gezigt, bleef staan en groette hem met den diepsten eerbied. „Heer!” sprak hij vervolgens, „mag ik de vrijheid nemen u te vragen, waar gij in dit late uur alleen heen gaat? Uwe gelaatstrekken zijn geheel ontstemd; is er iets, dat u hindert?” „Ja,” antwoordde Bedreddin, „mijn vader is mij in den slaap verschenen. Zijn gelaat was vreeselijk om aan te zien, en hij wierp een' toornigen blik op mij. Ik werd van schrik wakker en ijlde hier heen om mijn gebed op zijn graf te doen.” „Laat u die droom niet verontrusten, Heer!” zeide de jood, „uw vader had u bij zijn leven lief als zijne oogappels. Het is door de geheele stad bekend, dat gij een' zwaren rouw over hem hebt gedragen; hoe zou hij dan na zijn' dood toornig op u kunnen zijn? Het is mij een groote eer, dat gij den jood Izaäk veroorlooft, gemeenzaam met u te spreken; mag ik u nog een woord zeggen?” Bedreddin Hassan gaf een toestemmend teeken. „Wijlen de groot-vizier uw vader en mijn heer, zaliger gedachtenis, heeft, dat weet ik, vele rijk geladen schepen in zee, die u thans toebehooren; ik smeek u mij de voorkeur boven alle andere kooplieden te geven. Ik ben in staat de lading van al uwe schepen tegen kontant geld te koopen; en om een begin te maken, moest gij mij de lading van het eerste uwer schepen, dat de haven binnenkomt, voor duizend sequinen afstaan. Ik heb ze hier in eene beurs bij mij, en ben bereid ze u vooruit te betalen.” Dit zeggende, haalde hij onder zijn kleed eene groote beurs te voorschijn, met zijn cachet verzegeld, en vertoonde die aan Bedreddin Hassan.
In den toestand, waarin deze zich bevond, verjaagd uit zijne geboorteplaats, beroofd van alles, wat hij op de wereld had, beschouwde hij dezen voorslag van den jood als eene gunst des hemels. Hij nam dien dus met blijdschap aan. „Heer!” zeide nu de jood, „wij verstaan elkander immers goed, gij geeft mij voor duizend sequinen de lading van het eerste uwer schepen, dat deze haven zal binnenloopen?” „Ja, ik verkoop u die voor duizend sequinen,” antwoordde Bedreddin Hassan, „en hiermede is de zaak afgedaan.” De jood stelde hem nu onmiddelijk de beurs met duizend sequinen ter hand, en bood aan die voor te tellen. Bedreddin bespaarde hem die moeite, zeggende, dat hij hem wel vertrouwde. „Als dat zoo is,” hernam de jood, „zoo heb de goedheid, heer ('t is maar bij leven of sterven), mij van den door ons gesloten koop een schriftelijk bewijs te geven.” Dit zeggende, nam hij uit den inktkoker, die aan zijn' gordel hing, eene pen, benevens een strookje papier uit zijn zakboekje, bood hem dit schrijfgereedschap aan, en leende zijn' rug tot lessenaar. Bedreddin Hassan schreef nu deze woorden.
„Dit geschrift dient tot bewijs, dat Bedreddin Hassan van Balsora verkocht heeft aan den jood Izaäk, voor eene som van duizend sequinen, die hij verklaart ontvangen te hebben, de lading van het eerste zijner schepen, dat in deze haven zal binnenkomen.
Bedreddin Hassan van Balsora.”
De jood, dit bewijs in zijn zakboekje gelegd hebbende, nam afscheid en vervolgde, verblijd over een' zoo voordeeligen handel zijn' weg. Terwijl Izaäk naar de stad ging, begaf Bedreddin Hassan zich naar het graf van zijn' vader Noureddin Ali. Hier wierp hij zich met zijn aangezigt ter aarde, en met de oogen vol tranen, klaagde hij over zijn ongelukkig lot. „Helaas!” zuchtte hij, „ongelukkige Bedreddin, wat zal er van u worden? Waar zult gij eene veilige schuilplaats vinden tegen de vervolgingen van een' magtigen, maar onregtvaardigen vorst? Was het niet genoeg, getroffen te worden door het verlies van een' geliefden vader? Moet ook de fortuin mij den rug toekeeren en mijne smart vergrooten?” Lang bleef hij in deze houding; doch eindelijk rigtte hij zich op, en met het hoofd tegen de graftombe leunende, ging hij voort met klagen en zuchten, tot dat de slaap magtiger werd dan zijne droefheid. Hij legde zich op de zerk neder, strekte zich uit en sliep in.
Naauwelijks genoot hij het zoete van den slaap, toen een geest, die zijn verblijf bij dag op het kerkhof hield, en den nacht gebruikte om de wereld door te trekken, den jongeling gewaar werd bij de graftombe van Noureddin Ali. Hij naderde, en daar Bedreddin op zijn' rug lag te slapen, werd hij getroffen door de schoonheid van zijn gelaat. „Ziedaar,” sprak de geest bij zich zelven, „in waarheid een engel uit het paradijs, door Allah op aarde gezonden, om de wereld door zijne schoonheid in verbazing te brengen.” Met deze gedachte bezield, ving hij zijn' nachtelijken togt aan, en verhief zich hoog in de lucht, waar het toeval hem eene toovergodin deed ontmoeten. Beiden groetten elkander, en op de vraag van de toovergodin of hij ook iets nieuws wist, zeide hij: „Indien gij mij wilt volgen naar het kerkhof, waarop ik mijn verblijf houd, zoo zal ik u een natuurwonder laten zien, waarover gij u zult verbazen.” De godin stemde toe, en in een oogenblik bevonden zij zich op de aarde en bij de graftombe. „Welnu,” sprak de geest, haar op den slapenden Bedreddin Hassan wijzende, „hebt gij ooit een schooner en welgemaakter jongeling gezien dan deze?”
De toovergodin beschouwde Bedreddin met alle aandacht, en zich daarop tot den geest wendende, gaf zij ten antwoord: „Ik moet u toestemmen, dat hij zeer welgemaakt is; maar ik heb voor eenige oogenblikken te Caïro iemand gezien, die in nog hoogere mate onze bewondering verdient. Hebt gij lust mij aan te hooren, zoo zal ik er u meer van zeggen?” „Gij zult mij daarmede verpligten,” antwoordde de geest. „Weet dan,” vervolgde de toovergodin, „dat de sultan van Egypte een' groot-vizier heeft, Schemseddin Mohammed genaamd. Deze vizier heeft eene achttienjarige dochter, voorzeker de schoonste en bekoorlijkste maagd uit geheel Egypteland. De sultan, met de uitstekende schoonheid van dit jonge meisje bekend geworden, deed haar vader den groot-vizier vóór eenige dagen ontbieden, en zeide tot hem: „Ik ben onderrigt, dat gij eene huwbare dochter hebt, en ik wensch haar te huwen; gij zult mij zulks immers wel toestaan?” De vizier, op een dusdanig voorstel niet bedacht, geraakte eenigzins in verwarring, maar hij liet zich niet verblinden door eene verbindtenis, die de meeste hovelingen voor eene groote eer zouden hebben gerekend. „Sire!” antwoordde hij, „ik ben de eer niet waardig, die uwe majesteit mij wil aandoen, en ik smeek haar zeer onderdanig, mij van die gunst te verschoonen. Gij weet, sire, dat ik een' broeder had, genaamd Noureddin Ali, die te gelijk met mij uw vizier was. Wij kregen te zamen verschil, hetgeen ten gevolge had, dat hij eensklaps verdween, zonder dat ik iets van hem kon te weten komen; eerst vóór vier dagen heb ik vernomen, dat hij te Balsora als vizier van den sultan aldaar overleden is. Hij heeft echter een' zoon nagelaten, en daar wij ons vroeger verbonden hebben, onze kinderen te zamen te laten trouwen (in de veronderstelling, dat wij die zouden krijgen), zoo ben ik overtuigd, dat hij gestorven is met de gedachte aan dat huwelijk. Daarom zou ik ook gaarne mijne belofte willen nakomen, en ik bezweer uwe majesteit mij zulks te veroorloven. Er zijn aan dit hof vele andere hovelingen, die volwassen dochters hebben, en die gij met uwe verbindtenis kunt vereeren.” De sultan van Egypte was over deze afwijzing en over de vrijmoedigheid van Schemseddin Mohammed zeer gevoelig, en zich niet kunnende inhouden, zeide hij in toorn tot hem: „Vergeldt gij op deze wijze de goedheid van uw' heer, die zich wil vernederen om u tot schoonvader aan te nemen? Reken er op, dat ik mij genoegdoening zal weten te verschaffen voor de voorkeur, welke gij aan een ander boven mij, uw' heer, uw' meester en uw' weldoener, durft geven. Ik zweer u, dat uwe dochter geen ander tot man zal hebben, dan de geringste en de mismaaktste van mijne slaven.” Na deze woorden, zond hij den vizier toornig weg. Deze keerde geheel verslagen en diep bedroefd naar zijne woning terug.
Heden,” vervolgde de toovergodin, „heeft de sultan een' zijner stalknechten bij zich doen komen, van voren en van achteren gebogcheld, en zoo leelijk om er van te schrikken, en tot deze gezegd: „Ik heb eene vrouw voor u.” Daarop heeft hij zijn' vizier ontboden, en dezen gedwongen toe te stemmen in het huwelijk van zijne schoone dochter met den gedrogtelijken slaaf; hij heeft het kontrakt in zijne tegenwoordigheid doen opmaken en door getuigen laten onderteekenen. De toebereidselen tot dezen bespottelijken echt zijn reeds gemaakt, en op dit oogenblik bevinden zich al de slaven der Egyptische hovelingen, elk met een' fakkel in de hand, aan de deur van het badhuis. Zij wachten daar, tot dat de gebogchelde stalknecht uit het bad komt, om hem in statigen optogt naar zijne echtgenoot te brengen, die reeds geheel gekleed en gekapt is. Toen ik Caïro verliet, maakten de genoodigde hofdames zich gereed de jonge vrouw, in vollen bruidstooi, naar de zaal te geleiden, waar zij den gebogchelde ontvangen moet.”
Toen de toovergodin zweeg, zeide de geest tot haar: „Wat gij ook moogt zeggen, zuster, ik kan niet gelooven, dat de schoonheid van die jonge dame, die van dezen jongeling te boven gaat.” „Ik wil hierover niet met u twisten,” hernam de nimf, „maar u gaarne bekennen, dat hij ten volle waardig is, te trouwen met de schoone, welke voor dien bogchel bestemd is. Het komt mij voor, dat wij eene goede daad zouden verrigten, als wij ons verzetten tegen dezen onregtvaardigen dwang van den sultan, en dezen jongman de plaats van dien mismaakten slaaf deden innemen.” „Gij hebt gelijk,” hernam de geest, „en ik zeg u dank voor het gelukkige denkbeeld, dat gij geopperd hebt. Ik stem er in toe; laat ons de wraak van den sultan verijdelen, een' bedroefden vader troosten, en zijne dochter zoo gelukkig maken, als zij nu meent beklagenswaardig te zijn. Ik zal alle pogingen in het werk stellen om dit plan te doen gelukken, in de overtuiging, dat gij mij behulpzaam zult zijn. Ik belast mij om den jongeling, zonder dat hij ontwaakt, naar Caïro over te brengen, en het blijft aan uwe zorg aanbevolen, om, als wij ons doel zullen bereikt hebben, hem naar elders te vervoeren.”
Zoodra de toovergodin en de geest het aldus eens waren, nam de geest Bedreddin zachtjes in zijne armen op, voerde hem met eene onbegrijpelijke snelheid door de lucht, en legde hem neder voor de deur van eene herberg in de onmiddelijke nabijheid van het bad, dat de gebogchelde gereed was te verlaten met den slavenstoet, die op hem stond te wachten.
Toen Bedreddin Hassan ontwaakte, wreef hij zich de oogen en, rond ziende, was hij ten hoogste verbaasd, zich in eene hem onbekende stad te bevinden. Hij wilde zich tot een' der omstanders wenden om te vragen, waar hij was, doch de geest zijn oogmerk gissende, tikte hem op den schouder zeide dat hij geen woord moest spreken, en gaf hem een' fakkel in de hand. „Ga,” zeide hij, „meng u onder de slaven, die gij voor de deur van dat badhuis ziet, en begeef u met hen in eene groote zaal, waar men bruiloft houdt. De jong getrouwde man is een gebogchelde, zoodat gij hem ligtelijk kunt kennen. Plaats u aan zijne regterzijde, en open de beurs met sequinen, welke gij op uwe borst draagt, om den inhoud er van gedurende den optogt onder de muzijkanten, dansers en danseressen uit te strooijen. Als gij in de zaal zult zijn, verzuim dan niet het zelfde te doen onder de slavinnen, welke de bruid omgeven, zoo dikwijls zij in uwe nabijheid komen. Wees daarbij niet karig met uwe sequinen, maar strooit ze met volle handen. Volg naauwkeurig, wat ik u gezegd hebt; draag zorg uwe tegenwoordigheid van geest te bewaren; verwonder u over niets; vreest niets en verlaat er u op, dat deze zaak door eene hoogere magt in uw belang bestuurd wordt, en alzoo noodwendig een goed einde moet hebben.”
De jonge Bedreddin, dus door den geest onderrigt omtrent hetgeen hij te doen had, ging naar de deur van het badhuis, stak zijn' fakkel bij dien van een' der slaven aan, mengde zich onder hen, even als of hij aan eenig heer uit Caïro toebehoorde, stelde zich met hen in beweging, en voegde zich bij den gebogchelde, die, uit het bad komende, een paard besteeg uit de stallen van den sultan. Voorop gingen de muzijkanten, de dansers en de danseressen, en Bedreddin Hassan deed nu en dan een' greep in zijne beurs, en strooide zijne sequinen met milde hand uit. Hij deed dit met zooveel bevalligheid en op zulk eene verpligtende wijze, dat allen, die ze opraapten, de oogen op den strooijer vestigden, en hem zoo welgemaakt en schoon vonden, dat zij hunne blikken niet meer van hem konden afwenden.
Eindelijk bereikte men de woning van den vizier Schemseddin Mohammed, die zeker niet vermoedde, dat zijn neef zich zoo digt in zijne nabijheid bevond. De portiers, daar geplaatst om alle wanorde te voorkomen, weigerden de slaven, die de fakkels droegen, binnen te laten. Zij wezen zelfs Bedreddin Hassan af, maar de muzijkanten, voor wie de toegang openstond, bleven staan, en verklaarden niet te zullen binnen gaan, tenzij men ook Hassan toeliet. „Hij behoort niet tot het getal der slaven,” zeiden zij, „gij behoeft hem slechts aan te zien, om daarvan overtuigd te worden. Hij is buiten twijfel een jeugdig vreemdeling, die zich uit nieuwsgierigheid bij ons heeft gevoegd, ten einde ooggetuige te zijn van deze huwelijks-plegtigheden.” Dit zeggende, namen zij hem in hun midden en drongen door zonder zich om den tegenstand der deurwachters te bekommeren. Zij namen hem den fakkel af, gaven dien aan den eersten slaaf den beste, en bragten hem vervolgens in de zaal, waar zij hem plaats deden nemen naast den gebogchelde, die zich op een' prachtigen troon nederzette, bij de dochter van den vizier.
De bruid was in hare kostbaarste kleederen gedost, maar op haar schoon gelaat lag een waas van neêrslagtigheid, of liever eene doodelijke droefheid verspreid, waarvan de reden niet moeijelijk te gissen was, indien men slechts een' blik wierp op het gedrogt, dat aan hare zijde zat, en hare liefde zoo weinig waardig was. De troon van deze zoo slecht bij elkander passende echtgenooten was midden op eene groote sofa. De vrouwen van de emirs, van de viziers en van de kamerheeren des sultans zaten een weinig lager aan beide zijden, ieder naar haren rang, en allen rijk en smaakvol gekleed, zoodat hare schoonheid op het voordeeligst uitkwam, en men deze vrouwenschaar niet genoeg kon aanzien. Elk der dames hield eene brandende waskaars in de hand.
Toen Bedreddin Hassan binnentrad, wierpen de dames een' blik op hem; zijne vorstelijke houding en zijn schoon gelaat boeiden haar zoozeer, dat zij de oogen niet van hem konden afhouden. Zoodra hij gezeten was, bleef niet eene enkele terug, om hare plaats te verlaten en den schoonen jongeling te naderen, ten einde hem van meer nabij te zien, en de meeste der Caïrosche dames droegen, naar hare plaatsen terugkeerende, eene teedere genegenheid in haar hart mede.
Het groote verschil tusschen Bedreddin Hassan en den gebogchelden stalknecht liep zoo zeer in het oog, dat dit eene algemeene ontevredenheid bij het gezelschap te weegbragt. „Aan dezen schoonen jongeling,” riepen de dames, „en niet aan dien leelijken gebogchelde, moest men onze bruid geven.” Het bleef daar niet bij, sommigen gingen zoo ver zich in berispingen uit te laten tegen den sultan, omdat hij zijne magt aldus misbruikte, door het schoone met het mismaakte te vereenigen. Zij beschimpten den gebogchelde openlijk, en deden hem tot groot vermaak van het gezelschap zijne bedaardheid verliezen. Het gelach en gekuch, dat nu ontstond, bragt zelfs voor een oogenblik de muzijk tot zwijgen.
Eindelijk begonnen de muzijkanten weder te spelen, en de vrouwen die de bruid gekleed hadden, voegden zich bij haar, om haar te verkleeden, hetgeen op de maat der instrumenten tot honderdmalen toe plaats had.
Telkens als de jonggehuwde van kleed had verwisseld, stond zij op en ging, gevolgd door hare vrouwen, den gebogchelde voorbij, zonder hem met een' blik te verwaardigen, terwijl zij staan bleef voor Bedreddin Hassan, om zich aan hem in haren nieuwen tooi te vertoonen. De gebogchelde meende razend te worden, en wierp haar nijdige blikken toe, die hem nog afschuwelijker maakten. Dit had echter geen ander gevolg, dan dat het gezelschap begon te lagchen. Inmiddels verzuimde Bedreddin Hassan niet den raad van den geest te volgen, door zijne sequinen met milde hand uit te strooijen onder de vrouwen, welke hare meesteres vergezelden. Hij vergat ook de muzijkanten en de dansers niet, maar wierp hun nu en dan een handvol sequinen toe. Het was vermakelijk om te zien, hoe deze lieden elkander verdrongen, om de goudstukken op te rapen. Zij betuigden hem bij herhaling hunnen dank, en gaven hem door teekens hunnen wensch te verstaan, dat de jonggehuwde voor hem, en niet voor den gebogchelde, bestemd mogt zijn. De vrouwen zeiden hem het zelfde, zonder er zich om te bekommeren, of dit gehoord werd door den gebogchelden stalknecht, wien zij menigen trek speelden, tot groot vermaak der aanschouwers.
Toen de plegtigheid van het verwisselen der kleederen zoo dikwijls had plaats gehad als gebruikelijk was, hielden de muzijkanten op met spelen en verlieten de zaal, aan Bedreddin een teeken gevende, dat hij hen niet volgen, maar blijven moest. De dames stonden mede op, en verwijderden zich met allen die niet tot de huisgenooten behoorden. De bruid trad in een zijvertrek, gevolgd door hare vrouwen, die haar moesten ontkleeden. In de zaal bleven alleen de gebogchelde stalknecht, Bedreddin Hassan en eenige bedienden. De gebogchelde, hevig gebeten op Bedreddin, die hem den ganschen avond gehinderd had, zag hem van ter zijde aan, en vraagde op barschen toon: „En gij, waar wacht gij op? Waarom vertrekt gij niet, gelijk alle anderen? Pak u weg!” Daar Bedreddin geen voorwendsel kon vinden om te blijven, zag hij zich in verlegenheid gebragt en verwijderde zich. Naauwelijks echter bevond hij zich buiten de zaal, of de geest en de toovergodin vertoonden zich en hielden hem tegen. „Waar wilt gij heen?” vraagde de geest, „blijf gerust. De bogchel heeft de zaal voor een oogenblik verlaten, keer terug, en begeef u naar de kamer der bruid. Zoodra gij met haar alleen zijt, zeg' haar dan stout weg, dat gij haar man zijt; dat de sultan geen ander voornemen heeft gehad, dan zich ten koste van den gebogchelde te vermaken, en dat gij om dezen gewaanden echtgenoot te vreden te stellen, hem in zijn' stal een' goeden schotel room hebt laten toebereiden. Voeg er bij wat u voor den geest zal komen om haar te overtuigen. Bij uw gunstig voorkomen zal u dit niet moeijelijk vallen, en zij zal zich verheugen op eene zoo aangename wijze bedrogen te zijn. Wij zullen inmiddels zorg dragen, dat de bogchel niet terugkomt en u hindert.”
Terwijl de geest Bedreddin Hassan aldus aanmoedigde en hem onderrigtte, wat hij doen moest, had de bogchel werkelijk de zaal verlaten. De geest ging naar de plaats, waar heen hij zich begeven had, vertoonde zich aan hem in de gedaante van eene groote zwarte kat, en begon op eene verschrikkelijke wijze te maauwen. De gebogchelde stalknecht, de kat willende verjagen, schreeuwde en klapte in de handen, doch in plaats van de wijk te nemen, stelde zij zich op hare achterpooten, en zag hem met vlammende oogen aan. Zij begon nog sterker te maauwen, en maakte zich allengskens zoo groot als een ezelsveulen. Op dit gezigt wilde de bogchel om hulp roepen, maar de schrik had hem zoo zeer bevangen, dat hij met open mond bleef staan, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen. Ten einde hem geen' tijd te geven om tot zich zelven te komen, veranderde de geest zich terstond in een' buffel van vervaarlijke grootte, en riep hem met brullende stem toe: „Leelijke bogchel!” Op deze woorden viel de verschrikte stalknecht op den grond, bedekte zich het hoofd met zijn kleed, ten einde het vreeselijke beest niet voor oogen te hebben, en antwoordde bevende: „Opperste vorst der buffels, wat begeert gij van mij?” „Wee u!” herhaalde de geest, „gij hebt de vermetelheid gehad met mijne minnares te trouwen!” „Ach, mijn beste heer!” sprak de bogchel, „ik smeek u mij te willen vergeven. Indien ik misdadig ben, dan ben ik dit onwetend, want ik wist waarlijk niet, dat deze jonge dame een' buffel tot minnaar had. Beveel wat u zal behagen, ik beloof u eene onderdanige gehoorzaamheid.” „Bij hel en duivel!” riep de geest op brullenden toon', „indien gij van hier gaat of uw' mond opent, vóór dat de zon zal zijn opgegaan, of slechts een' kik geeft, zoo zal ik u den kop verpletteren. Eerst als de zon op is, veroorloof ik u dit huis te verlaten; maar doe het dan haastig en zonder achter u te zien. Zoo gij de stoutheid hebt er immer weder een' voet in te zetten, zoo zijt gij een man des doods.” Na deze woorden, nam de geest eene menschelijke gedaante aan, greep den bogchel bij de beenen, zette hem op het hoofd tegen den muur en vervolgde: „Indien gij u beweegt, vóór dat de zon is opgegaan, gelijk ik u reeds gezegd heb, zoo zal ik u andermaal bij de beenen nemen, en u tegen dezen muur den kop verpletteren.”
Doch laat ons thans tot Bedreddin Hassan terugkeeren. Aangemoedigd door den geest en door de tegenwoordigheid van de toovergodin, was hij naar de zaal teruggekeerd en onopgemerkt de bruidskamer binnen geslopen, waar hij zich nederzette, in afwachting, hoe het zou afloopen. Na eenigen tijd kwam de bruid, begeleid door eene oude vrouw, die bij de deur staan bleef, en haar binnen liet, waarna zij de deur sloot, en vertrok.
De jonge echtgenoot was ten hoogste verrast, in plaats van den bogchel, Bedreddin Hassan aan te treffen die zich met de grootste bevalligheid aan haar voorstelde. „Hoe nu, lieve gast!” zeide zij, „gij hier en dat op dit uur? Gij moet wel een groot vriend van mijn' man zijn.” „Neen, mevrouw!” antwoordde Bedreddin, „ik behoor tot een' geheel anderen stand, en heb met dien gebogchelden stalknecht geene verkeering.” „Maar,” hernam zij, „weet gij wel, dat gij kwaad van mijn' echtgenoot spreekt.” „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, „kondet gij waarlijk zoo lang in dat denkbeeld verkeeren? Dwaal dan niet langer; zoo vele volmaaktheden zijn niet bestemd om aan den verachtelijksten van alle mannen te worden opgeofferd. Zie in mij den gelukkigen sterveling, mevrouw! voor wien die bewaard zijn. De sultan heeft slechts zijn' vizier, uw' geachten vader, eene poets willen spelen, en hij heeft mij verkozen tot uw' wezentlijken echtgenoot. Gij hebt kunnen opmerken, hoe de dames, de muzijkanten, de dansers, uwe vrouwen en al uwe huisgenooten zich met deze komedie vermaakt hebben. Wij hebben den ongelukkigen bogchel weggezonden, die op dit oogenblik in zijnen stal aan een' schotel met room zit te smullen, waarmede hij zich troosten mag; want gij kunt er staat op maken, dat hij u nimmer weder onder de oogen zal komen.”
Na deze woorden veranderde het gelaat van de dochter des viziers. Bleek en ontdaan, meer dood dan levend, was zij de bruidskamer binnengekomen; maar thans verspreidde zich over haar aanminnig gelaat een blos van vreugde, die haar zoo schoon maakte, dat Bedreddin geheel verrukking werd. „Ik verwachtte zulk eene aangename verrassing niet,” zeide zij op liefelijken toon, „integendeel ik dacht het overige van mijn leven ongelukkig te zijn. Mijn geluk is echter thans zoo veel te grooter, daar ik in u een' man zal bezitten, die mijne genegenheid ten volle waardig is.” Dit gezegd hebbende, begaven zich beide ter rust.
Toen de jonge echtgenooten waren ingeslapen, zeide de geest tot de toovergodin, welke hij weder had opgezocht, dat het thans tijd werd de taak zij zoo goed aangevangen en bestuurd hadden, te voleinden. „Zorgen wij nu,” ging hij voort, „dat de dag ons niet verrasse. Vervul thans uwe taak en vervoer den jongen man, zonder hem wakker te maken.”
De nimf begaf zich in de kamer der gelieven, die beide in diepe rust waren, nam Bedreddin Hassan op, en vloog, vergezeld door den geest, met verwonderlijke snelheid naar Syrië tot voor de poort van Damaskus. Zij kwamen er aan juist, toen de mahomedaansche priester het volk opriep tot het morgengebed. De toovergodin legde Bedreddin bij de poort zachtjes op den grond neder, en verwijderde zich met den geest.
Kort daarop werd de poort geopend, en de menschen, die hierop in grooten getale wachtten, ten einde naar het veld te gaan, waren zeer verwonderd, Bedreddin Hassan aldaar te zien liggen in zijn nachtgewaad. De een zeide: „Hij heeft zeker zijn bed met zoo veel haast moeten verlaten, dat hem de tijd ontbroken heeft om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een ander, „waartoe een mensch komen kan, als hij te diep in het glas heeft gekeken; ik wil wedden, dat hij dronken is geweest; naar buiten gegaan zijnde, heeft hij de deur niet terug kunnen vinden, is als een nachtwandelaar voortgescharreld en hier voor de poort in slaap gevallen. De koele nachtlucht zal hem wel goed gedaan en nuchteren gemaakt hebben; stoot hem eens aan!” Anderen spraken er weder anders over; ieder had wat te zeggen, maar niemand wist het regte. Juist ontblootte de wind zijne borst, die witter was dan sneeuw. Alle omstanders waren zoo verbaasd over deze bijzondere blankheid van vel, dat zij een' kreet van verwondering slaakten, die den jongman deed ontwaken. Deze was niet minder verwonderd, dat hij zich bevond bij de poort van eene hem onbekende stad, en omringd werd door eene menigte, die hem met nieuwsgierige blikken aanstaarde. „Mijne goede lieden,” zeide hij, „hebt de goedheid mij te zeggen, waar ik ben, en wat gij van mij wilt hebben?” Een uit hen nam het woord en antwoordde: „Jongeling! toen de poort geopend werd, en wij ons naar buiten spoedden, vonden wij u in dezen toestand. Hierover waren wij zoo verwonderd, dat wij zijn blijven staan om naar u te zien. Hebt gij hier den nacht doorgebragt? En weet gij wel dat gij aan eene der poorten van Damaskus zijt?” „Aan eene der poorten van Damaskus!” herhaalde Bedreddin. „Gij drijft den spot met mij. Toen ik mij dezen nacht ter rust begaf, was ik te Caïro.” „Het is jammer,” zeiden eenige der omstanders op een' medelijdenden toon, „dat een zoo welgemaakt jongeling zijn verstand heeft verloren.” En zij vervolgden hun' weg.
„Mijn zoon,” sprak nu een goedhartige grijsaard, „gij bedenkt niet, wat gij zegt, daar gij heden morgen te Damaskus zijt, hoe kunt gij dan gisteren avond te Caïro geweest zijn, dat meer dan zestig dagreizen van hier ligt. Dat is immers onmogelijk?” „En evenwel is het waarheid,” bragt Bedreddin in, „even waar, als dat ik gisteren den ganschen dag te Balsora heb doorgebragt.” Naauwelijks had hij dit gezegd, of allen, die nog waren blijven staan, borsten uit in schaterend gelach; terwijl sommigen riepen: „Het is een gek, het is een gek! Wat luisteren wij langer naar hem.” Eenigen echter beklaagden hem om zijne jeugd, en een man uit de menigte vooruit tredende, zeide tot hem: „Mijn zoon, gij moet niet bij uw verstand zijn, want gij weet niet wat gij zegt; is het mogelijk dat iemand gedurende den dag te Balsora, des nachts te Caïro, en des morgens te Damaskus zijn kan? Gij zijt zeker nog niet goed wakker; neem uwe zinnen eens bijeen.” „Wat ik u gezegd heb,” hernam Bedreddin Hassan, „is even waar, als dat ik gisteren avond in de stad Caïro met de dochter van den groot-vizier getrouwd ben.” Allen, die vroeger gelagchen hadden, schaterden het nu uit. „Gij zult dat alles gedroomd hebben, mijn zoon!” hernam de zelfde geduldige man, die hem reeds had toegesproken, „en nu staan die beelden u nog levendig voor den geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” hernam Bedreddin, „maar zegt gij mij dan, hoe het mogelijk is, dat ik in den droom naar Caïro ben gegaan, waar men mijne echtgenoot, telkens in een nieuw kleed gedost, tot zevenmalen aan mij heeft voorgesteld; en hoe ik eindelijk een' afschuwelijken bogchel gezien heb, dien men haar tot man wilde geven, en hoe niet hij, maar ik bij de bruid ben toegelaten. Verklaar mij ook, wat er van mijn kleed, van mijn' tulband en van de beurs met sequinen is geworden, die ik te Caïro had.”
Hoewel Bedreddin aldus bij herhaling verzekerde, dat al deze zaken werkelijk zoo waren, dreven echter allen, die hem aanhoorden, er den spot mede en lachten hem uit. Dit bragt hem zoo in de war, dat hij eindelijk zelf niet meer wist, wat hij gelooven moest, van al hetgeen hem was overkomen. Na eenigen tijd stond hij op, en ging de stad in, gevolgd door de menigte, onder het geschreeuw van: „Een gek, een gek!” Op dit geroep zag men hier een hoofd uit het venster steken, daar eene deur open gaan, en anderen zich aansluiten bij degenen, die Bedreddin omgaven, en even luid riepen: „Een gek, een gek!” zonder dat zij eens wisten, wat er van de zaak was. Aldus voortgaande, kwam hij voorbij de woning van een' pasteibakker, die juist zijn' winkel opende. Hij nam een spoedig besluit en trad binnen, ten einde zich aan de schreeuwende volksmenigte te onttrekken.
De pasteibakker was vroeger aanvoerder geweest van een troep stroopende Arabieren, die er hun werk van maakten, om de karavanen uit te plunderen, en ofschoon deze rooverhoofdman, sedert hij zich te Damaskus had gevestigd, een bedaard leven leidde, en aan niemand reden tot klagen gaf, was hij echter bij allen, die hem kenden, gevreesd. Het gevolg hiervan was, dat een enkele donkere blik, dien hij op de volksmenigte wierp, voldoende was, om die uit een te doen gaan. De pasteibakker ziende, dat het volk zich verwijderde, deed den jongman, die in zulk eene zonderlinge kleeding eene toevlugt bij hem had gezocht, onderscheidene vragen; onder anderen, wie hij was, en hoe hij in zulk een' vreemden toestand te Damaskus kwam. Bedreddin Hassan verborg voor hem noch zijne geboorte, noch den dood van zijn' vader, den groot-vizier. Hierop verhaalde hij hem, waarom hij Balsora had verlaten, en hoe hij, na den vorigen nacht op de graftombe van zijn' vader in slaap te zijn geraakt, zich bij zijn ontwaken te Caïro had bevonden, alwaar hij eene zeer schoone jonge dame gehuwd had, en eindelijk, hoe groot zijne verbazing was, toen hij zich naar Damaskus verplaatst zag, zonder den sleutel van al deze wonderlijke gebeurtenissen te kunnen vinden.
„Uwe geschiedenis is inderdaad zeer wonderlijk,” zeide de pasteibakker, „doch indien gij mijn' raad wilt volgen, zoo spreek tegen niemand van alles, wat gij mij thans hebt medegedeeld. Wacht geduldig af, tot dat het den Hemel behagen zal, deze raadsels op te lossen en uwe rampen te doen ophouden. Even als op regen, zonneschijn volgt, zoo komen ook na treurige, vrolijke dagen. Gij kunt niet beter doen, dan bij mij te blijven, tot dat die gelukkiger tijd voor u zal zijn aangebroken; en daar ik geene kinderen heb, en uw voorkomen mij behaagt, zoo ben ik bereid u, indien gij er in toestemt, tot zoon aan te nemen. Dan kunt gij vrij door de stad gaan, zonder dat gij voor beleedigingen van het volk behoeft te vreezen; want men heeft ontzag voor mij.”
Ofschoon nu deze aanneming tot kind van een' pasteibakker juist geene eer was voor den zoon van een' groot-vizier, besloot echter Bedreddin dit voorstel niet af te slaan. Hij oordeelde te regt, dat hij in den ongelukkigen toestand, waarin hij verkeerde, niet te kiesch op het punt van eer moest zijn. De pasteibakker liet hem behoorlijk kleeden, nam getuigen mede, en legde voor den kadi de verklaring af, dat hij Bedreddin Hassan tot zoon aannam. De jonge man bleef nu bij zijn' aangenomen vader inwonen onder den eenvoudigen naam van Hassan, en leerde het pasteibakken.
Terwijl dit te Damaskus voorviel, ontwaakte de dochter van Schemseddin Mohammed, en Bedreddin aan hare zijde missende, meende zij, dat hij was opgestaan, zonder haren slaap te willen storen, en dat hij wel spoedig zou terugkomen. Zij wachtte nog op zijne terugkomst, toen haar vader, de vizier Schemseddin Mohammed, verontwaardigd, over de beleediging, welke hij geloofde van den sultan van Egypte ondergaan te hebben, aan de deur van hare kamer tikte, met voornemen om haar treurig lot met haar te beweenen. Hij riep zijne dochter bij haren naam, en zij, zijne stem herkennende, haastte zich om op te staan en hem open te doen. Zij kuste haren vader de hand, en ontving hem met een zoo blij gelaat, dat de vizier, die verwachtte haar in tranen te zullen vinden, daarover ten hoogste verbaasd werd. „Ongelukkige!” riep hij toornig uit, „verschijnt gij aldus voor mij? Kunt gij, na het vreeselijke offer, dat gij hebt moeten brengen, mij zulk een blij gelaat toonen?”
Toen de jonge vrouw zag, dat haar vader haar de vreugde verweet, waarvan zij blijken gaf, zeide zij: „Lieve vader, bespaar mij, bid ik u, zulke onverdiende verwijten. Ik ben niet met den gebogchelden stalknecht, dien ik tot in den afgrond verwensch, ik ben niet met dat afschuwelijke monster gehuwd. Men heeft hem zoo beschimpt en in verlegenheid gebragt, dat hij gedwongen werd zich in zijn' stal te gaan verbergen, en dat hij plaats heeft moeten maken voor een' schoonen jongeling, die mijn ware echtgenoot is.” „Welk een fabeltje vertelt gij mij daar,” viel Schemseddin Mohammed toornig in, „hoe, de bogchel zou niet uw man zijn?” „Neen, vader,” antwoordde zij, „ik heb niemand anders tot man, dan den jongeling met zijne schoone oogen en groote gitzwarte wenkbraauwen, van wien ik u gesproken heb.” Op deze woorden verloor de vizier het geduld, en voer in toorn tegen zijne dochter uit: „Onwaardige! wilt gij mij het verstand doen verliezen met uwe laffe sprookjes?” „Gij zijt het, vader,” hernam zij, „die mij zinneloos zoudt maken door uwe ongeloovigheid.” „Het is dus niet waar,” hernam de vizier, „dat de bogchel....”
„Ach! laten wij den bogchel daar,” viel zij met drift in, „verwenscht zij dat wezen! Zal ik dan altoos van dien bogchel hooren spreken? Ik herhaal u nogmaals, vader, niet hij, maar de lieve man, van wien ik u zoo even sprak, en die niet verre van hier kan zijn, is mijn man geworden.” Schemseddin Mohammed, nu niet meer wetende, wat hij er van denken moest, verliet het vertrek van zijne dochter, om dien lieven man met zijne schoone oogen en gitzwarte wenkbraauwen, indien hij niet in haren droom, maar in wezentlijkheid bestond, te gaan opzoeken; doch in plaats van hem te ontmoeten, vond hij, tot zijne niet geringe verbazing, den bogchel, die met het hoofd omlaag en de beenen omhoog tegen den muur stond, in de zelfde houding, waarin de geest hem geplaatst had. „Wat moet dit beteekenen?” vraagde hij, „wie heeft u in dezen toestand geplaatst?” De gebogchelde, den vizier herkennende, gaf hem ten antwoord: „Ach! gij zijt het dan, die mij wildet doen trouwen met de minnares van een' buffel, het liefje van een' kwaadaardigen geest? Ik zal zoo dwaas niet zijn, en gij zult mij niet beet hebben.”
Toen Schemseddin Mohammed den gebogchelde op dergelijke wijze hoorde spreken, dacht hij, dat deze raaskalde, en zeide tot hem: „Keer je om, en ga op je beenen staan, slaaf!” „Ik zal er mij wel voor wachten,” hernam de gebogchelde stalknecht van den sultan, „eerst moet de zon zijn opgegaan. Toen ik gisteren avond hier heen ging, stond er plotseling eene zwarte kat voor mij, op zijne achterpooten, en met oogen, die als kolen vuur glommen. Ik wilde haar wegjagen, maar ja wel, zij bleef, en maakte zich van lieverlede zoo groot als een buffel. Ik heb nog niet vergeten, wat deze tot mij gezegd heeft. Daarom, ga aan uwe bezigheden, en laat mij hier.” In plaats van hieraan te voldoen, nam de vizier hem bij de beenen, en zette hem met een' snellen draai op zijne voeten. Terstond nam nu de bogchel een loopje en ijlde het huis uit zonder achterom te zien, juist zoo als de geest hem had bevolen. Hij liep naar het paleis en liet zich bij den sultan van Egypte aandienen, aan wien hij, tot groot vermaak van dien vorst, zuchtende zijn beklag deed over de behandeling, welke hij van den geest had ondergaan.
Schemseddin Mohammed nog meer in het onzekere gebragt, over hetgeen er gebeurd was, keerde naar het vertrek van zijne dochter terug. „Welnu, bedrogene dochter!” zeide hij, „kunt gij mij geene nadere inlichting geven omtrent een voorval, dat mij verbaast en in verwarring brengt?” „Heer,” antwoordde zij, „ik kan u niets anders mededeelen, dan hetgeen ik reeds de eer heb gehad, u te zeggen. Maar zie hier de kleeding van mijn' echtgenoot, welke hij op dezen stoel heeft achtergelaten. Misschien kan zij u de opheldering geven, waarnaar gij verlangt.” Dit zeggende bood zij haren vader den tulband van Bedreddin aan. De vizier bezag hem naauwkeurig. „Ik zou hem,” zeide hij, „voor een' viziers-tulband houden, indien hij niet naar de mode van Moussoul was.” Bemerkende, dat er iets tusschen de stof en de voering zat, vraagde hij eene schaar, en de voering losgetornd hebbende, vond hij een toegevouwen papier. Dit was het geschrift, dat Noureddin Ali op zijn sterfbed aan zijn' zoon Bedreddin had gegeven, die het, om het te zekerder te bewaren, in zijn' tulband verborgen had. Toen Schemseddin Mohammed het papier geopend had, herkende hij terstond het schrift van zijn' broeder Noureddin Ali, en las dit opschrift:
„Voor mijn' zoon Bedreddin Hassan.”
Vóór dat hij over deze zaak kon nadenken, stelde zijne dochter hem tevens de beurs ter hand, welke zij onder het kleed van haren man gevonden had. Hij opende ook deze; die nog vol sequinen was, want hoe mild Bedreddin Hassan ook was geweest, de geest en de toovergodin hadden gezorgd, dat de beurs altoos gevuld was gebleven. Schemseddin las op een briefje, dat aan de beurs gespeld was:
„Duizend sequinen toebehoorende aan den jood Izaäk.”
En daar onder, hetgeen door den jood was geschreven, alvorens hij van Bedreddin Hassan scheidde:
„Terhandgesteld aan Bedreddin Hassan, voor de aan mij verkochte lading van het eerste zijner schepen, dat de haven zal binnenloopen, en welke schepen vroeger het eigendom waren van zijn' vader Noureddin Ali, zaliger gedachtenis.”
Toen de vizier deze woorden gelezen had, gaf hij een' gil en viel in onmagt. Zoodra hij door de hulp van zijne dochter en van hare vrouwen, welke zij geroepen had, weder bij zijne kennis kwam, zeide hij tot haar: „Lieve dochter! verontrust u niet, over hetgeen mij is overkomen. Als ik u zal gezegd hebben, wat daartoe aanleiding gaf, zult gij mij naauwelijks kunnen gelooven. Verneem dan, dat dit geschrift mij het bewijs geeft, dat uw' echtgenoot de eenige zoon van mijn' jongeren en thans overleden broeder Noureddin Ali is. De duizend sequinen, die in deze beurs zijn, herinneren mij een' twist, dien ik met dezen broeder gehad heb; zij zijn ongetwijfeld bestemd tot een huwelijksgift, die hij u doet toekomen. Allah zij geloofd!” Vervolgens sloeg hij de oogen op het schrift van zijn' broeder, kuste dit herhaalde malen en bevochtigde het met zijne tranen. „Ach!” riep hij uit, „mogt ik even als dit geschrift van zijne hand, dat mij zoo veel vreugde schenkt, ook dien lieven broeder zelven voor mij hebben, om mij met hem te kunnen verzoenen.”
Hij las nu het geschrevene geheel door, en vond daarin de dagteekeningen van de aankomst zijns broeders te Balsora, van diens huwelijk en van de geboorte van Bedreddin Hassan. Het waren de zelfde dagen van zijn huwelijk en van de geboorte zijner dochter te Caïro. Hij overwoog daarbij, dat zijn neef werkelijk, zoo als hij eens met zijn' broeder gedweept had, zijn schoonzoon was, en gaf zich geheel aan de vreugde over. Hij nam het geschrift en het opschrift van de beurs, en begaf zich daarmede naar den sultan. De vorst was zoo verrast over deze onvoorziene gebeurtenis, dat hij zijn' vizier weder in genade aannam, en zijne geschiedenis in geschrift liet brengen, opdat zij voor de nakomelingschap bewaard mogte blijven.
Intusschen kon Schemseddin Mohammed zich de zonderlinge verdwijning van zijn' neef en schoonzoon niet begrijpen, en na hem gedurende zeven dagen te vergeefs terug te hebben verwacht, deed hij door geheel Caïro naar hem zoeken. Maar hoeveel moeite hij zich gaf, hij kon niets van hem vernemen. Dit baarde den vizier eene groote ongerustheid; wat reden kon Bedreddin hebben, zijne schoone jonge vrouw dus te verlaten; was het vrees voor den sultan, die hem naar elders de wijk had doen nemen? Hij wist het niet, en moest de oplossing van dit raadsel aan de toekomst overlaten.
In de onzekerheid, wat in het vervolg zou kunnen plaats hebben, achtte de vizier het noodig, het voorgevallene op te teekenen, tot zelfs de staat van zijne huishouding, de wijze waarop de zaal en de bruidskamer van zijne dochter gemeubeld waren, en alles wat verder op dit zonderlinge huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van den tulband, de beurs en de verdere kleedingstukken van Bedreddin een pakje en sloot dit zorgvuldig weg.
Eenige maanden na haar huwelijk kreeg de dochter van den vizier een' zoon. Men gaf het kind eene min, en vrouwen en slavinnen om het op te passen. Zijn grootvader gaf hem den naam van Agib. Toen de jonge Agib zijn zevende jaar had bereikt, zond de vizier Schemseddin Mohammed hem, in plaats van een' huisonderwijzer te nemen, naar de school bij een' leermeester, die in een' zeer goeden naam stond. Twee slaven moesten hem dagelijks naar school brengen en terughalen. Agib was een levendige jongen; hij speelde gaarne met zijne schoolmakkers, en daar deze allen in rang beneden hem stonden, waren zij zeer voorkomend jegens hem. Zij regelden zich daarbij naar den leermeester, die bij het kleinzoontje van den vizier veel door de vingers zag, wat hij bij hen niet ongestraft liet. Deze blinde toegevendheid, welke zoowel de meester als de scholieren voor hem hadden, was voor Agib hoogst nadeelig; hij werd daardoor hoogmoedig en vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat zijne makkers alles van hem moesten verdragen, zonder dat hij van hen iets wilde verduren. Hij speelde bij elke gelegenheid den baas, en zoo een zijner schoolkameraden den moed had zich tegen zijne dwingelandij te verzetten, dan wierp Agib hem allerlei beleedigingen naar het hoofd, ja, somtijds ontzag hij zich niet, hem te slaan. In één woord, hij werd zoo onverdragelijk voor zijne medescholieren, dat zij zich gezamentlijk over hem bij den leermeester beklaagden. Deze vermaande hen in den beginne, om geduld met hem te hebben; maar toen hij zag, dat Agib daardoor in het kwade gestijfd werd, en toen ook hij eindelijk het geduld begon te verliezen, zeide hij tot zijne leerlingen: „Kinderen! ik zie wel, dat Agib een onverbeterlijke en moedwillige knaap is. Ik wil u daarom een middel aan de hand geven, waardoor gij hem zoo beschamen zult, dat hij u daarna niet meer zal plagen; ik denk zelfs niet, dat hij weder school zal komen. Als hij morgen komt, en gij te zamen zult spelen, vormt dan een' kring om hem, en een uit u moet hardop zeggen: „Wij willen gaan spelen, jongens, maar onder beding, dat allen, die wenschen mede te doen, den naam van hunne ouders moeten opgeven. Die dit niet doen, mogen niet met ons medespelen.””
Zoodra zij den volgenden morgen allen bijeen waren, omringden zij Agib, en een van hen het woord opvattende, riep: „Laat ons gaan spelen, jongens! maar onder beding, dat hij die den naam van zijne ouders niet weet te noemen, niet mag medespelen.” „Goed zoo!” riepen allen en ook Agib zelf. De knaap, die het voorstel gedaan had, ging nu den kring rond en deed den eenen na den anderen de genoemde vraag. Allen voldeden hieraan, uitgenomen Agib, die ten antwoord gaf: Ik heet Agib, mijne moeder wordt genoemd, Parel van Schoonheid, en mijn vader, Schemseddin Mohammed, vizier van den sultan. De scholieren barstten in een schaterend gelach uit, en riepen: „Neen, neen, het is uw grootvader, en gij moogt niet met ons spelen. Wij willen zelfs niet met u omgaan!” Dit zeggende, verwijderden zij zich, bespotten hem, en gingen voort onder elkander te lagchen. Agib werd zoo beschaamd over hunne spotternijen, dat hij in tranen uitbarstte.
De leermeester, die alles afgeluisterd en aangehoord had, ging nu naar den schreijenden knaap en zeide tot hem: „Agib, weet gij dan nog niet, dat de vizier Schemseddin Mohammed uw vader niet is? Hij is uw grootvader, de vader van uwe moeder, Parel van Schoonheid. De naam van uw' vader is ons even onbekend als u; wij weten alleen, dat de sultan uwe moeder heeft willen uithuwelijken aan een' gebogchelden stalknecht, maar dat een geest zijne plaats bij uwe moeder heeft ingenomen. Dit is ongelukkig voor u, en moet u leeren in het vervolg uwe schoolmakkers met minder trotschheid te behandelen.”
Agib, gevoelig voor de plagerijen van zijne makkers, en niet bevredigd door hetgeen de meester tot hem gezegd had, verliet norsch de school en liep weenende naar huis. Hij ging dadelijk naar de kamer zijner moeder, welke ontstelde, toen zij hem zoo droevig zag, en met aandrang naar de reden daarvan vraagde. Hij kon slechts met half afgebroken woorden en met tranen antwoorden, zoo overstelpt van droefheid was de knaap. Zijne moeder moest hare vraag verscheidene malen herhalen, eer hij zich in staat bevond, haar de beschamende reden van zijn schreijen mede te deelen. „En,” vervolgde hij met drift, „zeg mij dan nu toch, moeder, als ik u bidden mag, wie is mijn vader?” „Wel, kind,” antwoordde zij, „hoe kunt gij nu zoo vragen, dit is immers de vizier Schemseddin Mohammed, die zoo goed voor u is.” „Gij zegt mij de waarheid niet,” bragt Agib in, „dat is mijn vader niet, maar de uwe. Maar wie is mijn vader?” Deze vraag herinnerde de viziersdochter aan haren bruidsnacht, die door een' zoo langen weduwe-staat gevolgd was, en zij kon hare tranen niet bedwingen, bij de gedachte aan het grievende verlies van zulk een' beminnelijken echtgenoot als Bedreddin.
Terwijl moeder en zoon om het hardst weenden, trad Schemseddin Mohammed binnen, en wilde de reden van deze droefheid weten. Zijne dochter zeide hem, welke beleediging Agib op de school ondervonden had, en de vizier, hierover zeer getroffen, mengde zijne tranen met de hunne. Tevens begreep hij, dat men in het openbaar niet meer met lof van zijne dochter sprak. Dit denkbeeld alleen maakte den hooghartigen man wanhopig; hij ging onverwijld naar het paleis van den sultan, wierp zich aan zijne voeten, deelde hem het gebeurde mede, en verklaarde, dat het hem onverdragelijk was te moeten hooren, dat de geheele stad de echtgenoot van zijne dochter voor een geest hield. Hij smeekte hem uit dien hoofde zeer eerbiedig naar Balsora en omliggende landen te mogen reizen, om zijn' neef Bedreddin Hassan op te zoeken. De sultan nam deel in de smart van zijn vizier, billijkte die, stond hem het gevraagde verlof toe en liet hem gaan met den wensch, dat hij zijn doel mogt bereiken. Den volgenden dag zond de sultan hem een' open brief, waaraan hij zijn grootzegel gehecht had, en waarin hij de vorsten en overheden van de plaatsen, waar Bedreddin zich mogt ophouden, verzocht hem aan zijn' vizier uit te leveren.
Schemseddin Mohammed kon geene woorden genoeg vinden om den sultan voor zijne goedheid, naar waarde, dank te zeggen. Hij wierp zich andermaal voor de voeten van zijn' vorst neder, en de tranen, die in zijne oogen stonden, waren de getrouwe getuigen van zijne opregte dankbaarheid. Eindelijk nam hij afscheid van den sultan, na hem alle mogelijke heil te hebben toegewenscht.