← Table of contents
Door duisternis tot licht

RADEN ADJENG KARTINI. (continued 7)

Reading edition

Hiervoor vragen wij opvoeding en onderwijs voor meisjes.

Wij zijn innig overtuigd, dat de beschaving van 't Javaansche volk niet krachtig zal kunnen voortschrijden, zoolang de vrouwen daarvan uitgesloten blijven.

Den vrouwen moet het beschavingswerk in de hand gegeven worden—en de beschaving zal zich krachtig verbreiden onder het Javaansche volk. Vorm flinke, verstandige moeders, en Java zal flinke arbeidsters aan zijn vooruitgang hebben gekregen. Zij zullen haar beschaving en ontwikkeling op haar kinderen overplanten; haar dochters, die weer moeders zullen zijn, haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn te waken over de belangen van het volk.

O, waar zal de tijd zijn, dat mijne landgenooten deze denkbeelden zullen onderschrijven? Ik vrees, die tijd is nog heel, heel ver! Maar als er niet eindelijk eens een begin aan wordt gemaakt, dan zal hij nog verder zijn, nog langer wegblijven.

Alle begin is moeilijk en voor menigen baanbreker is 't leven vol bitterheid. En 't is heel begrijpelijk, dat ouders hun kinderen liever een lot zien kiezen, dat hun meer waarborgen geeft voor een gelukkig leven, dan een, waarvan men vooruit met zekerheid kan zeggen, dat het vol bitterheid zal zijn.

Als men in het hart een groot ideaal draagt, en dat ideaal beoogt nu eens niet eigen geluk, maar anderer heil, is 't dan zonde, om te trachten 't ideaal te bereiken, ook als men daardoor een paar liefhebbende harten breekt? Of is 't dure plicht om terwille dier harten het ideaal uit eigen boezem te rukken?

Hoe zal men zich het nuttigst maken voor de menschheid, door zelfverzaking, of door zelfverwezenlijking? Zelfverzaking ter wille van een paar dierbaren, of zelfverwezenlijking ten dienste van het groote huisgezin Maatschappij?

O! wat is 't schoon om te willen, te kúnnen en te mògen! Deze gelukkige combinatie is helaas! slechts voor heel weinigen weggelegd.

Met groot, groot genot maakten wij kennis met Frits Reuter. Hè, dat is nu eens een lectuur, waaraan men zijn hart ophaalt. Het is zoo gezond en frischt zoo op. Groot, groot genoegen, heeft u ons met dat heerlijke cadeau gedaan! Ook anderen hier hebben van dat heerlijk werk genoten. Het ging hun als ons; toen zij er eenmaal aan begonnen waren, konden zij er niet van scheiden. Wat zegt u wel, van 7 uur in den vooravond tot 3 uur in den nacht aan één stuk doorlezen? Verstandig is het niet, maar wel begrijpelijk als men in zulk een uitstekend gezelschap is. Als 't uwe bedoeling was, dat wij uwen grooten volksdichter zouden liefkrijgen, dan heeft u wel voldoening van uw werk. Frits Reuter heeft een vast plaatsje veroverd in onze liefde en vereering!

Van Couperus' prachtig werk hebben wij zeer genoten. Wij lezen hem anders alleen graag om zijn heerlijk mooie taal; de personen in zijn werken vinden wij doorgaans ziekelijk. Maar nu hebben taal en inhoud beide tot ons gesproken. Verrukkelijke sprake! Wel mag Nederland trotsch zijn op zulk een kunstenaar!

Ook de lectuur van Vosmaer's voortreffelijk boek heeft ons groot genot verschaft. Met ontroering lazen wij zijn mooie "Inwijding". Het is de eerste maal, dat wij met dezen Nederlandschen schrijver kennis maakten, en wij danken u wel hartelijk voor deze kennismaking, die tot een der aangenaamsten van dien aard behoort. Na de lezing van "Inwijding" kregen wij een boek over de Grieksche Mythologie, met afbeeldingen van de Goden en Godinnen uit de Grieksche Godenleer. Heerlijk om die platen te zien en de beschrijvingen daarvan te lezen: na de lectuur van "Inwijding"! O! al dat moois met eigen oogen te aanschouwen, de zielsverrukking te ondergaan, die Sietske en Frank doortrilde bij het gezicht van al dat Grootsche en Schoone! Neen, neen, zooveel niet verlangen!—laten wij al dankbaar zijn, dat er iemand is, begaafd met de macht over 't woord, die dat Schoone zoo levendig heeft uitgebeeld, en wij zijn schoone taal verstaan!

Sedert een paar maanden is een van Nederland's groote kunstenaars op Java, mijn mooi vaderland. De tooneelspeler en declamator Willem Royaards maakt een ware zegetocht door ons Zonneland, oogst het grootste succes in, overal waar hij het publiek genieten laat van zijne machtige kunst.

Hoe gaarne zouden wij hem willen hooren. De vorige maand stonden wij op 't punt om van zijne kunst te genieten, toen de voordracht, die hij zou geven, afsprong. Wij hebben den grooten kunstenaar niet op 't tooneel mogen hooren, ons is eene andere vreugde ten deel gevallen. Wij hebben hem persoonlijk gesproken. Wij hadden hier heelemaal niet op gerekend; geheel onverwacht ontmoetten wij hem; 't was eene heerlijke verrassing:—een pleister op de wonde, die ons dat zelfde uur in het harte geslagen werd.

Een droef gebeuren was de aanleiding tot die onverhoopte kennismaking. Wij brachten onze vrienden, de familie Ovink weg, en aan boord van 't stoombootje, dat ons naar de groote boot bracht, die onze vrienden van ons wegvoeren zou naar hun eigen land, ontmoetten wij den heer Royaards, die ook de familie Ovink uitgeleide deed.

Het was voor ons een hard oogenblik, toen wij onze vriendin moesten afstaan—en God weet, misschien voor goed, want zij komen niet meer naar Indië terug. Er is geen kans op weerzien, tenzij het "gelukkigste aller gelukkigste gesternten" ons naar haar land voert!

Zou daar hoop op zijn?—de tijd, die antwoord geeft op alle levensvragen, zal ook deze vraag eens beantwoorden!

Ze zijn ons zoo lief! Wij hadden een gevoel of een stuk van ons eigen werd losgescheurd, toen de beide booten van elkaar afvaarden! Zij zijn als een stuk geworden van onze eigen ziel! "Er kan geen duurzame vriendschap, geen volkomen sympathie bestaan tusschen kinderen van een verschillend ras, geboren onder een verschillende hemelstreek", beweert men zoo dikwijls. Hoe wordt die bewering hier gelogenstraft! Inniger, trouwer vriendschap kunnen kinderen van eenzelfde ras en land niet met elkaar sluiten, dan de vriendschap hier tusschen de blanke kinderen van het Westen en de bruine kinderen van het Oosten! De ziel, het onzienlijke, het wezenlijke in ons, dat eeuwig is, spot met alle uiterlijkheid; waar de ziel een zusterziel ontmoet, bestaat er voor haar geen scheidsmuur van ras en van geloof; en zal zij met groote vreugde de ziel, wonend in een lichaam van andere huidskleur, dan die van 't hare, begroeten en zich met haar vereenigen,—omdat zij zich met haar verwant voelt. Zieleverwantschap is dieper band dan bloedverwantschap.

Gezegende menschen, die in dit leven zijn geplaatst niet alleen als bloedverwanten, maar ook als zielsverwanten, de zusters en broeders naar den geest en naar de ziel!

De controleur, dien u hier bij ons ontmoet heeft, en die ook een vriend is van ons, is den heer Ovink als assistent-resident gevolgd op Djombang: een speling van het toeval!

Het gaat dikwijls heel vreemd toe in het leven! Het geluk kiest soms de onmogelijkste wegen, om ons te naderen, en wij kortzichtige menschen, met ons eindige verstand, zijn gauw geneigd om te morren, als wij iets niet verklaren kunnen van het Oneindige! En toch, alles is zoo eenvoudig als wij maar begrijpen willen. Geen licht, waar niet duisternis vooraf ging: dat leert dag aan dag, avond aan avond, de dag en de nacht!

Wat zouden wij 't aardig vinden, als u in den Haag eens onze vrienden, de familie Ovink, ontmoette! 't Spijt mij nog altijd, dat u indertijd niet naar Djombang had kunnen gaan. U had dan het Zendingsstation Modjowarno kunnen zien, en dat was wel de moeite waard. Wij zelf zouden er graag naar toe willen, helaas! tot nu toe hebben we geen uitvoering aan dat voornemen kunnen geven. Wij zouden er zelfs een tijdje willen blijven. Het zal ons stellig goed doen om een poos te ademen in die heilige, zichzelf verzakende liefdesatmosfeer. Die reine lucht werkt zuiverend en versterkend!

Geen mensch zoo verdorven, of hij ondergaat den invloed van zulk eene hooge, heilige liefde!

11 October 1902. (I.)

O! je weet niet, hoe zoet 't me streelt, dat men nu de kunstvoortbrengselen van ons land kent en waardeert. Ik maak mij er wel eens bezorgd over, wie zal ons werk in die richting voortzetten, als wij hier niet meer zijn? Onze zusjes kunnen wij het niet opdragen; ze zijn nog zoo jong, en er is eene geldelijke verantwoordelijkheid aan verbonden. Komt er een Europeaan hier, die zich met dien arbeid belast, dan zal 't natuurlijk zijn, dat onze artisten geëxploiteerd zullen worden ten bate van zijn eigen zak. Voor zijn pleizier, of ter wille van die lieden, Javanen, zal hij de tusschenpersoon en correspondent der Japarasche kunstenaars en de markt, niet zijn. Er moet èn liefde voor de kunst, èn liefde voor den Javaan in 't hart wonen om dien arbeid belangeloos en met toewijding te vervullen.

Gelukkig, dat Oost en West zich nu over onze beschermelingen ontfermd heeft, doch ook die Vereeniging moet hier iemand hebben, want zich direct in verbinding stellen met die lieden kan zij niet, aangezien deze alleen hun eigen taal spreken en lezen.

Dat baanbreker zijn geen kinderwerk noch pleizierwerk is, wisten we altijd; dat het een lot vol bitterheid is, ook; maar dat je de hel in je draagt, neen, Stella, dat wisten we niet. O! en toch duizend maal liever de hel in ons, dan geen gevoel! Al wat uitsteekt, moet geknot worden; al wat blinkt, besmet, bevuild! Ten allen tijde hebben idealisten het hard te verantwoorden gehad. De wereld duldt niet, dat er andere merken onder de menschen rondloopen dan het gros. En iemand, die niet is als de anderen, zal zijn levenlang geplaagd worden, om zijn eigen kleed weg te werpen, en in plaats daarvan het kleed der gewoonheid aan te doen.

Ik kan je niets beloven en wil niets beloven, Stella, want ik weet niet, of ik mijne belofte wel zal kunnen houden. Vindt je Modjowarno dan zoo verschrikkelijk? Wat heb je liever, dat we krankzinnig worden hier thuis, of dat wij genezing zoeken voor onze zielewonden in die liefdesatmosfeer? Daar zal het naar toe, als ons verlangen niet wordt bevredigd, wij nog langer gevangen, gekluisterd gehouden worden door kleinzieligheid en kleingeestigheid. Wij zijn veel te vurig van aard, om ons te kunnen schikken in een toestand, dien wij met hart en ziel verachten en verfoeien. Niet de buitenlandsche vijand maakt ons vleugellam, dien vreezen we niet; maar de binnenlandsche vreet ons in de ziel, in 't hart, in de hersens! Niets kan ons troosten, niemand kan ons helpen dan God en wij zelf!

Toe, zeg, dat je niet terneergeslagen, wanhopig verdrietig zal zijn, als je een brief van me krijgt, om je brieven voortaan naar Modjowarno te adresseeren. Gun ons die troost, Stella. Toe, sta, als 't moet, met weemoed, doch niet met bloedend hart ons af aan Modjowarno. Die plaats heeft voor ons geen verschrikking. Wij hebben de innige overtuiging, dat die omgeving van hooge, reine, zichzelf verzakende liefde onze harte- en zielewonden zal heelen, en ons louteren. Dat wij daar met verscheurde harten en diepgewonde zielen zullen komen, lijdt geen twijfel, maar Modjowarno zal daaraan niet de minste schuld hebben. En nog zal alles dan niet verloren zijn, Stella! Jij zelf hebt mij zoo vaak gewezen op mijne pen. Die zal ik op Modjowarno ook nog hebben. Want ik zal daar niets te verliezen en niets te wagen hebben dan mijzelf. Hier waag ik veel, als ik alles uitzeg, wat in mij leeft en bruist. Word ik opvoedster, dan is de voorwaarde tot slagen, dat de menschen vertrouwen in mij hebben en mij apprecieeren; anders zal men mij zijne kinderen niet ter opvoeding toevertrouwen. En dat zal men niet, als ik alles zeg, wat ik denk en voel; dat zal de menschen tegen mij in het harnas jagen. En, zooals ik je reeds zei, op Modjowarno zullen wij niet anders komen dan met verscheurde harten en diep gewonde zielen. Weet je wat dit beteekenen zal voor mijne pen?

Niets spreekt zoo tot 't hart als hartebloed. De jongste gebeurtenissen hebben het weer bewezen, en mij doen zien, dat ik kàn meeslepen met mijne pen, zoo ... ik haar in hartebloed doop. Ik heb harten doen trillen van ontroering, oogen vochtig doen worden. Je kent mij te goed, hoop ik, om te denken aan ijdelheid, dat ik je dit vertel. Het is mij alleen te doen, om je te laten zien, hoezeer de waarde van een pen stijgt, heeft men hartebloed tot inkt. Weinige maanden nog maar geleden snikte een mij persoonlijk geheel onbekende het uit bij het lezen van enkele woorden van me; zij voelde hòe mijne ziel verscheurde en mijn hart brak, toen de woorden aan mijn pen ontvloeiden. Het greep haar zóó aan, dat zij onmiddellijk werk maakte om redding te brengen in dien nood. Den volgenden dag reeds kon zij ons eene uitkomst bieden; helaas, om een paar dagen later teniet gedaan te worden door het verstand.

Men denkt mij zeker een pleizier te doen met me telkens te verzekeren, dat ik "prachtig" schrijf. Wat heb ik daaraan? Ik wil, dat mijn geschrijf blijvend indruk maakt, Stella, en diepte wordt alleen verkregen door graven. In mijn hart, mijn ziel moet gewroet, gegraven worden, en als daaruit als een fontein het bloed opspuit, dan eerst zal het blijvende waarde hebben. Treurig, maar waar!

12 October 1902. (VIII.)

Al sinds een jaar heb ik wat van mijzelf gehoord, dat mij bedroeft. Ik ben coquet. Spaar mij niet, antwoord mij oprecht: ben ik coquet? En zoo ja, waarin dan? Ik ben er erg verdrietig om, want ik wil niets aan me of om me hebben dat wuft is.

Iemand, geen kwaadspreker, zegt, dat ik met mijne oogen spreek. Is het waar? Ik heb den zusjes gevraagd om goed op mijn doen en laten te letten en mij dan te zeggen, wat voor bijzonders zij er in zien, wat er aan is van mijn oogengespeel. En het waarheidlievend zusje zegt, altijd geweten te hebben, dat mijne oogen schitteren, als ik veel spreek, met wie ook.

Geloof me, dat ik het niet met opzet doe, en dat ik er nooit aan gedacht heb, waarmee ook, te behagen, en als ik iets doe, waaraan zij die uitlegging geven, het onbewust is, ondanks mijzelve.

't Is eene vreemde gewaarwording, als men altijd gedacht heeft, een ernstig degelijk meisje te zijn, om dan op eens te hooren, dat men een coquet schepsel is. Ik stond verstomd, en was toen erg verdrietig er over. Geloof me toch, dat ik nooit, nooit gedacht heb aan die dingen, en het ook nooit doen zal.

Men wil, dat ik zedig (schijnheilig) mijne oogen neersla; dat doe ik niet; ik wil de menschen in de oogen zien, niet voor hen mijne oogen neerslaan, noch hen naar de oogen kijken. Ik weet wel, wat men ons zal laten beloven, misschien wel onder eede, als wij van hier gaan, dat wij hun die vreeselijke schande niet zullen aandoen, van met Europeanen lief en leed te deelen. Zij kunnen gerust zijn op dat punt.

Uit ons eigen zullen, wij al daaraan niet denken; immers wij zouden er de heele boel mee bederven. Van onszelven mogen wij het niet; wij, die voorbeeld willen geven in het goede.

U weet wel, hoe bitter weinig wij geven om wat "men" zegt, maar in dit geval mag men niet en nooit zeggen: "Daar heb je het al, waar 't naar toe gaat, als men zijne dochters Europeesch opvoedt, dan trouwen ze met Europeanen." Dat zou onberekenbare schade aan de zaak toebrengen, en dat màg niet.

En toch doen wij feitelijk niet anders dan lief en leed met Europeanen deelen. Wat doe ik op 't oogenblik? Leven niet Europeanen ons innigste voelen, ons zieleleven mee? en leven wij niet mee het gemoedsleven van Europeanen?

Men kan ons veel, ja alles ontnemen, maar niet mijne pen. Die blijft mijn, en ik zal mij ijverig oefenen in het hanteeren van dat wapen. Laat men ons niet al te veel tergen, ook 't taaiste geduld wordt uitgeput, en dan zullen we van dat wapen gebruik maken, al zullen wij ons-zelven er aan wonden. U kan er zeker van zijn, dat als wij op Modjowarno komen, wij daarvan flink gebruik zullen maken. Dan zullen wij niets meer te verliezen of te wagen hebben dan onszelf.

Dat wij in deze dagen meer dan ooit naar een trouw vriendenhart verlangen, hoeven wij u dat nog te zeggen?

Wij zijn koud geworden, wij willen onze verkilde harten warmen aan uw hart, uwe liefde! Wij klagen over andrer egoïsme, en wat zijn we zelf dan? De grootste egoisten! Is het niet puur egoïsme, om anderen in eigen pijnen en smarten te doen deelen? om liefde te vragen, terwijl wij weten, dat liefde voor ons onafscheidbaar is van leed?

Vindt u ons niet erg achteruit gegaan?

Wij zijn hard, liefdeloos geworden en scherp; o, wij schrikken er dikwijls zelf van.

O! God, geef ons kracht, sterk, steun ons! En u, lieveling, vraag ik vergeving voor 't leed, dat ik u doe met dezen brief. Zwijgen is ook weer niet goed, niet eerlijk. Vergeef me, heb uwe bruine kinderen lief.

27 October 1902. (VIII).

O! konden wij u maar zeggen, welk eene verteedering er over ons komt telkenmale als wij bewijzen uwer hartelijke liefde voor ons ontvangen. In al onze ellende achten wij ons bevoorrechte wezens. Er zijn o, zoo vele armen, in ellendiger toestand nog dan wij, die alleen, zonder maagd of vriend het leven moeten doorworstelen, nooit een hartelijk-deelnemend woord hooren, een sympathieken blik opvangen, een warmen handdruk krijgen. Wij voelen ons rijk gezegend in het bezit van zulk eene vriendschap en liefde als de uwe.

Blijf ons steeds liefhebben en vertrouwen, Moedertje, zóó maakt u ons gelukkig. Wij danken u innig, innig voor uwe liefde en sympathie.

U ziet, dat we al wat op streek zijn gekomen; hierop wachtten wij om u te antwoorden op uw laatste schrijven, dat wij in ons hebben opgenomen en bewaren als een reliquie.

Och toe, wij bidden en smeeken u, denkt u niet meer zóó aan ons geluk, wij hebben het u al zoo dikwijls gezegd, niet ons geluk zoeken wij, maar dat van anderen.

Geloof ons, wij verwachten van Europa, noch van onze toekomst rozen voor ons zelf. Wij hebben maar één droom, één illusie van Europa, dat het ons goed zal toerusten voor den strijd, dien wij ons hebben aangebonden voor het heil van ons volk, onze zusteren.

Heusch, we verwachten niets, niets van Europa, wat Europeesche meisjes daarvan droomen: "vreugde"; noch daar veel vriendschap en sympathie te zullen vinden; noch ons gelukkiger te zullen gevoelen in eene Europeesche omgeving; wij verwachten en hopen slechts dit eene, daar te zullen vinden, wat wij noodig hebben voor ons doel: kennis, ontwikkeling. En dááraan alléén denken wij. Wat komt het er op aan, of wij het niet prettig zullen vinden in Europa, ons nooit thuis zullen kunnen gevoelen in die Hollandsche omgeving, als wij daar maar krijgen wat wij zoeken en noodig hebben voor ons doel? Daarvoor komen wij, en niet om er vreugde te scheppen.

Het lichtpunt van ons zijn daar zal zijn het samenzijn met onzen besten broer, aan wien wij verbonden zijn, niet alleen door banden des bloeds, maar ook door verwantschap van ziel en geest!

Regentswoning te Japara met een der paseban's.

Regentswoning te Japara met een der paseban's.
Regentswoning te Japara met een der paseban's.

Werkelijk wij verwachten niet, dat de Europeesche wereld ons gelukkiger zal maken. De tijd is lang voorbij, dat wij in allen ernst meenden "de Europeesche maatschappij is het eenige ware, het voortreffelijke en onovertreffelijke".

Vergeef ons, dat wij het zeggen. Maar u zelf, vindt u de Europeesche maatschappij volmaakt? O, wij zullen de laatsten zijn, die niet dankbaar het vele, zéér vele goede in uwe wereld zullen erkennen; maar zal u ontkennen, dat tegenover het heel-mooie, het grootsche en verhevene in uw maatschappij, veel is, dat dikwijls den naam beschaving tot eene bespotting maakt?

Wij klagen over kleinzieligheid en kleingeestigheid in onze omgeving; meen niet, dat wij denken in de wereld, waarin wij wenschen te komen om ons doel te bereiken, dat kleine niet te zullen vinden.

Wel zal het ons misschien zwaarder vallen, omdat wij van "beschaafden" anders mogen verwachten.

U zelf weet het beter dan wij, dat onder de duizenden, die de wereld "beschaafd" heet, slechts weinigen dit in werkelijkheid zijn; dat breedheid van blik en opvattingen nog lang niet het eigendom is van iederen Europeaan, van wien men dat kan en mag verwachten; en dat zelfs in de meest elegante, voorname en schitterende salons bekrompenheid en kortzichtigheid géén zeldzaamheden zijn.

Wij stellen ons Holland heusch niet voor als een ideaal land; integendeel; afgaande op hetgeen wij hier van Hollanders hebben gezien en ondervonden, kunnen wij er vast op rekenen, in hun klein, koud land veel te zullen zien en ondervinden, dat ons gevoelsmenschen pijnlijk zal aandoen en bitter grieven.

Men verwijt ons Javanen, dat wij geboren leugenaars zijn, volstrekt onbetrouwbaar en de ondankbaarheid gepersonifieerd.

Niet slechts hebben wij dit gelezen, maar ook meermalen hooren zeggen, wat reeds een mooie proeve aflegt van sprekers fijngevoeligheid.

Wij glimlachen er slechts om, als wij zulke lieflijkheden hooren of lezen; in ons eigen denken wij aan het Europeesche gezelschapsleven, dat o zoo dikwijls de schitterendste getuigenissen aflegt van de waarheidsliefde, oprechtheid van menigen, menigen Europeaan, die zoo hoog neerziet, en schimpt op den volstrekt leugenachtigen, onbetrouwbaren Javaan.

Tot voor eenige jaren geleden kwamen wij zeer weinig met Europeanen in aanraking. De eerste keer, dat wij ons in een Europeesch gewoel bevonden, was ter gelegenheid der kroning van Hare Majesteit. O! hoe u onze ontroering te beschrijven, toen wij voor 't eerst leerden beseffen, welk eene bewonderingswaardige hoogte het komediespelen in de Europeesche wereld, buiten het tooneel, heeft bereikt.

't Was op dat feest, dat mijne roerende vereering voor Europeanen doodelijke steken ontving. We zagen twee dames in druk gesprek, innig gearmd, vertrouwelijk tegen elkaar aanleunend, wij hoorden lieve woorden heen en over. Goede vriendinnen, dachten we. Een heer kwam het tweetal scheiden, en we hoorden de aangezochte tot hem zeggen: "Zoo'n kat!", terwijl de overblijvende tot eene andere dame zeide: "dat malle mensch, om zich zoo bespottelijk toe te takelen". Even tevoren verklaarde zij innig, dat die "lieve" zoo allerliefst was gekleed.

Slag op slag waren we dien avond getuigen van dergelijke en andere "hartverheffende" tooneeltjes. We zagen rood-verhitte mannengezichten, "heeren", die een afschuwelijke dranklucht om zich verspreidden als zij spraken. En o, dat gejoel en getier, waarbij het hooren en zien verging.... Wij werden koud om het hart, en snakten er naar van de "beschaafde" omgeving weg te komen. O! als wij eens gemeen waren en wilden terug vertellen, wat vrienden van elkander zeiden, er zou een formeele burgeroorlog uitbreken.

Zoo pas schreef een meisje ons opgetogen over een bezoek, dat zij aan een wederzijdsche kennis bracht, zij was er zoo allerliefst, zoo allerhartelijkst ontvangen. Kort daarop spraken we bewuste kennis, en bedankten voor de lieve ontvangst van ons kennisje, en wat kregen wij ten antwoord? "Ik vind haar een akelige meid, zij kijkt altijd even zuur, is nooit eens lief en vriendelijk, maar altijd even snibbig."

Ontelbare malen waren wij getuigen van misselijke zoen-partijen tusschen personen van wie wij wisten, dat zij elkander haten.

En het waren niet die geminachte nonna's,[1] die het deden, maar blanken van onvermengd bloed, beschaafd en ontwikkeld opgevoed. Wij zagen ook, hoe onnoozele nonna's voor den gek werden gehouden door knappe, beschaafde Hollanders.

De Javaan is een geboren leugenaar, is volstrekt onbetrouwbaar!

Wij laten die beschuldiging daar; wij vragen slechts: als een kind zondigt uit onwetendheid, en een volwassen, denkend persoon begaat diezelfde zonde met overleg, uit berekening, wie van beiden is het meest schuldig? Wij vragen ons soms wel eens af: wat is dan beschaving? Is het ... is het meesterlijkheid in het ... huichelen?

O! wat doen we? wat hebben wij gezegd? Vergeef ons, Moedertje! U weet wel dat het niet in onze bedoeling ligt u te krenken of te beleedigen, dat wij slechts oprecht tegenover u willen zijn. Nietwaar, oprechtheid is de basis van onze vriendschap, onze liefde? 't Is dikwijls niet hoffelijk oprecht te zijn. Als het niet zijn moet, dan willen wij niet gaarne onhoffelijk zijn, daarvoor zijn wij Javanen, tot wier specifieke eigenschappen "hoffelijkheid" behoort.

Uw licht heeft ons doen zien en vragen: "wat is vorm zonder inhoud?" Wij vinden dat u moet weten, hoe wij een en ander in uwe maatschappij vinden; omdat u schijnt te denken, dat wij de Europeesche wereld een ideaal vinden. Wat wij ware beschaving vonden, weet u reeds lang; en wij weten, dat u er ook zoo over denkt: de ware beschaving is nog volstrekt niet het algemeene eigendom in de landen der beschaving. Het ware is ook wel te vinden bij de volkeren, waarop het gros van 't blanke ras, overtuigd als het is van eigen voortreffelijkheid, met minachting neerziet.

Gebreken heeft ons volk zeer zeker, maar daarnaast ook deugden, waaraan de "beschaafde volkeren" wel een voorbeeld kunnen nemen. Wij zijn al ontaard, dat ziet u; anders zouden wij dat zeker niet zeggen, hetwelk geen mooie dunk geeft van een der specifieke eigenschappen van het Javaansche volk: "bescheidenheid".

Vader heeft me eens gezegd: "Ni, denk niet, dat er veel Europeanen zijn, die werkelijk van je houden. Er zijn er maar heel enkelen".

Dat hoefde Vader waarlijk niet te zeggen; wij weten het zelve heel best; wij kunnen op onze vingers natellen, en hoeven daarvoor niet eens twee handen te gebruiken, degenen, die het oprecht met ons meenen. De meesten wenden sympathie voor, om mee te poseeren of uit berekening.

Bespottelijk! Het beste is maar om in zulke dingen slechts het humoristische te zien; dan ergert men er zich niet aan. O! de menschen zijn dikwijls zoo in-bespottelijk en doen allerdwaast. Denkt u niet, dat zeer velen, die nu roepen om de Inlandsche kunst, er niet over uitgepraat raken, het slechts doen om meê te doen, en niet omdat zij er zelf wat voor voelen? Eenige voornamen interesseeren er zich voor en iedereen dweept er mee! Of men het uit overtuiging doet? Maar wat komt het er op aan als het doel der ware Javanen -en kunstvrienden er maar mee bereikt wordt?

Denkt u, dat wij niet weten, waarom de Echo gaarne stukken van ons plaatst, al zijn we nog zóó onnoozel? 't Is een mooie reclame voor het blad. De Hollandsche Lelie stelde mij hare kolommen ter beschikking, en de vorige directrice verzocht keer op keer brieven van me te mogen plaatsen; waarom? Voor de reclame! Brieven van eene echte dochter van het Oosten, van een "heusch Javaansch meisje", gedachten van zoo'n half-wilde en dan door haar zelf in eene Europeesche taal gevat, o, hoe vreeselijk interessant? En als wij wanhopig onze ellende uitschreien in het Hollandsch, dan is het weer zoo innig "interessant". En—God moge het verhoeden!—als wij eens mochten sterven aan gebroken harten om ons vermoord ideaal, dan zal het o zoo machtig interessant zijn.

O! en er zijn menschen, die interessant-zijn iets begeerenswaardigs vinden.

Er is zoo heel veel moois in de Javaansche zedenleer. 't Is alleen maar jammer, dat niet iedereen symboliek verstaat.

Men vat letterlijk op, wat de wijzen leeraren. B.v. onthouding van slaap en voedsel; daaruit ontstaat nu, dat men moet vasten en zoo weinig mogelijk slapen, om goed te gaan in dit leven en in het hiernamaalsche. Het groote idee gaat hun voorbij! "Niet eten en slapen is het doel van ons leven."

Ik ben een Boeddha-kindje, weet u, en dat is al een reden om geen dierlijk voedsel te gebruiken. Als kind was ik zwaar ziek geweest; de doktoren konden me niet helpen; ze waren radeloos. Daar bood zich een Chinees (een gestrafte,[2] waar wij kinderen mee bevriend waren) aan, mij te helpen. Mijne ouders namen het aan, en ik genas. Wat de medicijnen van gestudeerde menschen niet vermochten, deed "kwakzalverij". Hij genas me eenvoudig door me asch te laten drinken van brandoffers aan een Chineesch afgodsbeeldje gewijd. Door dien drank ben ik geworden het kind van dien Chineeschen heilige, den Santik-kong van Welahan. Een jaar of wat geleden brachten wij den heilige een bezoek. 't Is een klein gouden beeldje, dag en nacht bewierookt. In tijden van epidemiën wordt het naar her en der gehaald en met statie rondgebracht om den invloed van booze geesten te bezweren. Met grooten luister wordt steeds gevierd de verjaardag van den heilige. Chineezen van her en der komen er dan voor over. Van Chineesche oud-ingezetenen hoorden we de legende van dat gouden beeldje, dat voor de Chineezen werkelijk leeft.

Ons land is een land van mystiek, mythen, sagen en legenden.

U heeft zeker wel gehoord van de benijdenswaardige berusting, die de Javanen toonen onder de vreeselijkste slagen van het noodlot. "Het is tekdir!" (voorbeschikt) zeggen zij en daarin putten zij troost en berusting. "Het lot van ieder mensch is bepaald, nog vóór hij 't levenslicht ziet. Geluk en ongeluk is hem voorbeschikt vóór zijne geboorte. Geen mensch vermag te keeren, wat God heeft beschikt. Maar vóór het ongeluk gebeurt, is het plicht alles te doen om het te weren; gebeurt het toch, dan is het "tekdir". En tegen "tekdir" vermag niets ter wereld.

Weet u, wat dit zegt voor ons? Wij moeten volhouden, doorzetten, laten gebeuren, wat gebeuren moet, en zij zullen er in berusten en zeggen: "het is tekdir".

Vóórdat het gebeurd is, zullen ze ons nog aldoor tegenwerken; staan ze voor het feit, dan staan ze voor een "tekdir" en zullen berusten. God geve ons kracht!

't Is diep treurig; wij zijn bezig ons te vervreemden van onze lieven, banden los te maken, die tot dusver ons grootste geluk hebben uitgemaakt.

Maar liever een klein gaaf hutje, dan van een kasteel de ruïne; liever in een volkomen gaaf schuitje, dan te drijven op 't wrak van een prachtige stoomboot.

Al sinds geruimen tijd moet ik naar bed zonder Vader's bijzonderen nachtgroet voor mij alleen.[3]

Tot voor een paar maanden geleden ging Vader nooit naar bed, zonder op zijn gang daarheen, voor onze kamer stil te staan, zijn hoofd tusschen onze deur te steken, om nog eens zijn dochtertje te zien, haar naam te noemen, vóór hij ter rust ging. Was mijne deur op slot, dan tikte hij er aan; zijn dochtertje moest hooren, dat haar liefste haar niet vergat.

Voorbij nu die lieve, lieve tijd!

Ik heb veel liefde gehad, te veel zelfs. En wat de een te veel heeft, moet een andere te weinig hebben.

God is rechtvaardig. Nu is het mijn beurt om te ontberen, te lang reeds heb ik in overvloed gebaad.

Hard is het voor mij, maar voor hem, mijn Vader, mijn lieve, hoop, bid ik vurig, innig, dat het hem zal mogen gelukken mij uit zijn hart te bannen. Mijn armen lieve zal dan veel bitter leed gespaard worden.

Ik heb hem nog steeds innig, hartelijk lief; ondanks alles, is hij mij dierbaar gebleven als voorheen;—alleen—ik moet mij nog wennen aan liefhebben zonder den glans van het ideale.

't Was zóó mooi geweest, o zóó mooi! Ik dankte aan die ideale liefde heel-mooie, werkelijk gelukkige jaren!

Mijn arme, arme Vader, voor hem ware het beter geweest, dat ik géén Boeddha-kind was geworden, dan bezat hij mij nog geheel onverdeeld, al was het slechts in zijne herinnering.

't Is zoo waar, wat Nellie zegt: "Het leven brengt soms nog wreeder scheiding dan de dood; en wat de dood ons ontnam in den bloei der liefde en der vriendschap, dat blijft veel zekerder ons geestelijk eigendom, dan wat het leven ons laat!"

Arme, lieve, oude Vader, dat hij dit op zijn ouden dag van zijn hartekind moet ondervinden.

't Is bitter hard voor hem; moge God mij vergeven. Maar niet hij alleen heeft geleden, lijdt en zal lijden; ook wij hebben gestreden en geleden. Wij bidden God vurig, dat hij niet te veel om ons zal lijden, en dat 't hem gegeven mag zijn, mettertijd werkelijk reden te hebben om trotsch op zijne dochtertjes te zijn.

Dat zal hem verzoenen met de groote teleurstelling, die wij hem nu bereiden.

21 November 1902. (VIII.)

Als wij liefhebben, dan moeten wij heel blij en dankbaar zijn, als het voorwerp onzer liefde veel liefde geniet, èn geven èn ontvangen. Is het niet? Als wij liefhebben, dan is onze liefste wensch, dat onze liefste gelukkig is. En gelukkig is degene, die veel liefheeft en veel wordt geliefd. Ik spreek hier niet van eene liefde tusschen man en vrouw; 't is een teer punt, en ik kan er niet over oordeelen. Ik spreek hier van eene liefde, die men voor velen kan gevoelen, hoewel voor de eene weer op een andere wijze dan voor een ander.

Of is 't zelfzucht van mijzelf, als ik van anderen, die ik liefheb, en mij wederkeerig liefhebben, verwacht, dat zij zich zullen verheugen in mijn geluk, ook als dat bestaat uit het wegschenken van mijn hart aan een ander?

21 November 1902. (X.)

Je moet weten drie van de vier planken onzer boekenkast zijn propvol boeken; de vierde houden wij open voor de portretten van onze vrienden en andere souvenirs; zoo hebben wij dan alle vrienden bij elkaar. Je staat tusschen Mama en broer Kartono; iets verder op Dr. Adriani, die zeer sympathieke geleerde en groote menschen-vriend; dan komt een lief schepseltje, een rein, frisch, onbedorven natuurbloempje, waar wij heel veel van houden; ook Papa is er in groot tenue; je bent er in goed gezelschap, werkelijk! 't Is een plaats, waar we iederen dag komen; de dag is voor ons nog niet begonnen, als wij onze vrienden nog niet in de lieve, trouwe gezichten hebben gezien.

Als wij goed nagaan, dan vinden wij het eigenlijk toch wel goed, dat niet al onze wenschen kunnen worden vervuld. Daargelaten, dat het akelig zou zijn, indien wij niets te wenschen zouden hebben, zou het er treurig uitzien, indien al wat we wenschten in vervulling kwam. Wij wenschen niet zelden, gedachteloos iets, dat als het vervuld werd, ons erg berouwen zou. Uit eigen ervaring weten we, dat dikwijls de vervulling van hartewenschen gepaard gaat met bittere tranen.

Wij hebben idee, dat wij je toch eens zullen zien, en dat die ontmoeting dan zal zijn zeer vluchtig. Een ontmoeten, groeten en weer scheiden in een paar minuten tijds. Wij zullen als 't ware een glimp van elkaar zien en dan voor goed voor elkaar verdwijnen. Gek, hè, dat we dat idee hebben en het niet uit ons hoofd kunnen zetten.

Waarom moeten we toch naar een persoonlijk ontmoeten verlangen, als de geestesontmoeting al zoo goed is; meer hebben wij immers niet noodig; de geest, is dat niet het beste in ons? En als wij het beste in elkaar kennen, wat willen wij dan nog meer?

Hoe vond je 't vuurschermpje van Japarasch houtsnijwerk—niet heerlijk? O! ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik ben dat de kunst van ons land hoe langer hoe meer gekend en gewaardeerd wordt. Heil allen edelen Javanenvrienden, die de kunst van Indië en daarmede het zielemooi van het volk aan het licht brachten. Wij hopen innig, dat de belangstelling in de Indische kunst niet zal blijken te zijn als zoo menige andere: een vluchtige mode.

Neen, niet waar, dat zal ze niet; wij hopen het van niet, al moeten we ook erkennen, dat de meesten, die nu belangstelling toonen in onze kunst, het slechts doen uit mode,—degenen die den eersten stoot gaven tot die beweging, deden het uit innige overtuiging, en deze zal het op den langen duur wel winnen op de zucht tot nadoen van het gros.

Maar dat is niet de geschiedenis van al het nieuwe, ook dat voorbestemd is tot een làng leven?

Doch laat ik nu niet langer dit onderwerp uitspinnen.

Zie je, ik zou zoo graag verschillende levens willen meeleven, b.v. in een mijndistrict te midden van mijnwerkers; of wel in een Inlandsche Christengemeente te midden van Inlandsche Christenen; in een Chineesche, een Maleisch kamp, en wat niet al. Vooral zou ik innig graag willen meeleven het leven in de dessa en kampong te midden van het eigenlijke volk. Dat heeft steeds groote bekoring voor me; ik weet dat ons volk me dan nóg vaster aan het hart zal groeien. De ziel van welk volk ook kan je eerst goed leeren kennen, als je een tijd midden in dat volk en met dat volk mee leeft.

Ik heb zooveel liefs van ons eigen volk gezien; het is een voorsmaak van wat ik genieten zal, als ik er midden in leef. Zooveel mogelijk zoeken we aanraking met het volk en als we alleen uitgaan, dan brengen we steeds een bezoek aan een of meer kamponghuizen. In den beginne keken ze ons er wel wat vreemd op aan, maar nu zien ze er niets meer in.

Een kinderhand is gauw gevuld; zoo ook de hand van een kinder-volk. Ze zijn erg gevoelig voor hartelijkheid, en hebben ook veel zin voor humor. Zoo kan je ze met een kwinkslag die hen hartelijk lachen doet, een zware karwei vroolijk doen verrichten. Wij hebben al sinds een paar maanden elken dag een hoop werkvolk van den Waterstaat op het erf. Ze zijn bezig het achterhuis te verbouwen; wij krijgen een aardige pendopo achter.

In het rustuur komen wij dikwijls op de werkplaats om een praatje te maken met het werkvolk. Stel je voor je zusjes op een zandhoop zittend; om haar heen moe gewerkte lieden, bijna geen kleeren aan 't lijf, een strootje rookend of sirih kauwend. Wij moeten natuurlijk steeds het gesprek beginnen; als het niet moet, dan zal een mindere liever den geheelen dag zwijgen, dan het eerst te spreken tot zijn meerderen.

Het is erg aardig; we hooren op die wijze het een en ander, dat anders buiten ons gehoor zou blijven. Dat volkje werkt onder toezicht van een Indo.[1] Deze was in den beginne stug, teruggetrokken, groette zelfs niet, als hij kwam en ging. Nu zijn wij goede maatjes—wij zijn begonnen hem eerst te groeten en daarna aan te spreken. Hij was vreeselijk verlegen eerst, maar nu kan hij boomen, hoor!

Hij is goed voor zijn volkje, dat met hem vrij omgaat en toch beleefd. We hoorden het volkje dikwijls gekheid maken met den "toewan", een bewijs, dat de baas goed is voor ze. Kregen ze standjes, moesten ze iets overdoen, dan hoorden wij ze niet mopperen. Aardig hè? Aan dien sinjo[2] konden vele "bazen" een voorbeeld nemen.

12 December 1902. (VIII.)

Wat het snijwerk betreft, het is prachtig geslaagd, en wij vinden uw tafeltje het mooiste wat wij ooit van onzen Singo hebben bewonderd.

Heerlijk is 't om te zien, hoe de goede ziel steeds vooruitgaat.

Kort geleden was hij als door een wonder aan een groote ramp ontsnapt. Er brandden om zijn huis elf woningen zijner kameraden tot den grond toe af; de klapperboomen op zijn erfje stonden reeds in lichte laaie, maar als door een wonder bleef zijn huis geheel ongedeerd. Het geheele dorpje liep uit om dit wonder te aanschouwen en om den gelukkigen eigenaar van het gespaard gebleven huis te vragen, welke "ilmoe", ("djimat"[1]), dan wel tooverwapen hij had, dat, waar al de omliggende huisjes geheel afbrandden, het zijne alleen pal bleef staan, ongedeerd. "Neen, hij had "ilmoe", noch "djimat", noch tooverwapen; hij had alleen maar "Goesti Allah", en die heeft hem voor hem en de zijnen gespaard". Aardig geantwoord, vindt u niet? Maar nu moet u verder hooren, den dag na den brand kwam die man bij ons, en verbeeld u, hij bedankte ons voor het behoud zijner woning. Er ging niets van af; onze zegen hield het vuur van zijn huis af. Het was de kracht van onze zegenbede voor hem, die zijn huis voor onheil beveiligde! Wat zegt u daar wel van! Roerend is zulke eenvoud en naïef geloof!

Ik vraag mijzelf af, of ik wel goed doe door de eenvoudige zielen hun naïef geloof te ontnemen, waar zij mee gelukkig zijn? En wat zal ik hun in de plaats daarvan kunnen geven? Afbreken kan de domste, maar opbouwen? Ons geloof kunnen wij hun nu nog niet geven. En kan men zijn geloof wel ooit aan een ander geven? Geloof, echt, waar geloof, geen aangenomen, geërfd, ontstaat door een zieleproces.... Wij vinden het zoo eng, dat ons door die eenvoudige zielen een macht wordt toegeschreven, die wij, noch iemand anders bezitten.

Wij hebben zoo menig liefs van onze vrienden uit 't volk ondervonden.

Dáárom hebben wij ons een langen tijd geheel van allen godsdienst afgekeerd, omdat wij zooveel liefdeloosheid zien onder den dekmantel godsdienst. Eerst langzamerhand leerden wij inzien, dat niet de godsdienst liefdeloos is, maar dat het menschen zijn, die het oorspronkelijke goddelijk mooie leelijk maken. De mooiste en de hoogste godsdienst vinden wij de Liefde. En moet men dan absoluut een Christen zijn om naar dit goddelijk gebod te kunnen leven? Ook de Boeddhist, de Brahmaan, de Jood, de Mohammedaan, zelfs de heiden, kan een zuiver liefdeleven leiden.

Er is iets, waarin ik geheel opga, wèg raak, zoo dikwijls ik daarin leef: mooie muziek. Men kan alles van ons gedaan krijgen, als wij bedwelmd zijn door muziek. En als wij eens iets moesten doen, waar heel, heel wat moed toe noodig is, dan zouden wij ons eerst willen bedwelmen door heerlijke muziek. Zoo'n invloed heeft muziek op ons. Toch waren wij eens er volmaakt koud voor.

Anders moeten wij ons dikwijls geweld aandoen, om onze vingers niet te laten meegolven op de tonen van den gamelan, die een vuurstroom in onze aderen gieten. Ook de jongere zusjes hebben hetzelfde gevoel, als zij mooi gamelan hooren. Wij hebben alleen als kinderen aan dansen gedaan, geheel uit ons eigen; toen wij nauwelijks loopen konden, begonnen wij onze armen, handjes en lijf te bewegen op de tonen van de gamelan. En als kleine peuzels was 't onze illusie eens danseressen te worden, en sloten wij vriendschap met danseressen. Heel dikwijls kleedde Moeder ons als eene danseres aan, en dan danste ik tot ik er bij neerviel. O! reine onschuld; vertrouwelijk nestelden wij ons in de armen van danseressen; wij bewonderden haar kunst en zij waren heel lief voor ons.

Later, heel, heel later leerden wij begrijpen, wie zij waren, die wij zoo innig bewonderden, en wij verguisden de kunst om den mensch, en wij schaamden er ons voor, ooit verlangd te hebben eene danseres te worden.[2] En heel later weer leerden wij de kunst van den mensch te scheiden—en wij zijn nog steeds leerende. Het moest ons volstrekt onverschillig laten wat de mensch-schrijver is; wij moesten alleen den kunstenaar in hem eeren, evenals in Multatuli het genie.

Zooals ik ergens reeds zei, verlangen wij zeer met menschen van allerlei ras, geloof en richting in aanraking te komen. Dezen laatsten keer op Semarang maakten we kennis met eenige Said's families.[3] Broer kent er heel velen, goede, vrome menschen. Hij bracht ons o.a. bij den kapitein der Arabieren, en we kwamen tot de ontdekking, dat we familie van elkaar zijn. Door over en weer te vragen ontdekten wij, dat zijn familie, grootvader, goed bevriend was met den onzen; zijn vader en oom waren de speelkameraden van Vader en zijn broers en van grootvaders aangenomen zoons. Door omstandigheden verloren de vrienden elkaar uit het oog, tot nu het toeval de kleinkinderen weer tezamen bracht.

Aardig om een kijkje te nemen in een vreemd interieur, en wij vonden er zooveel hartelijkheid. Dat ondervinden wij meer van menschen van allerlei ras, onszelf geheel vreemd, maar die zelf, of wier ouders onze grootouders hebben gekend.

Zoo hebben wij ook in het Moorsche kamp vrienden zitten, wier ouders met onze grootouders bevriend waren. Wij werden er steeds heel hartelijk ontvangen. Onlangs trouwde een zoon van hen met een Moorsch meisje hier. Wij kwamen op de bruiloft; veel van de oude gebruiken zijn thans afgeschaft, zoodat mijne beschrijving van zulk eene bruiloft nu niet geheel juist is. Het is dan ook al zoo oud, ik schreef het als kind en een paar jaar geleden verscheen het in 't tijdschrift voor taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië.[4] Ik weet niet of ik mij er over verblijden moet, dat sommige hunner oude gebruiken zijn afgeschaft, als ik zie, wat zij in de plaats van dat oude hebben aangenomen. Dat namaak-Europeesche, geplakt op het oude kleed der traditie, geeft zoo'n allerpotsierlijkste vertooning. Terecht wekt zulks den lachlust op van Europeanen. De voorname Kodja vindt het nu te min om op zijn huwelijksdag, bij de ontmoeting, zijn jong vrouwtje de gebruikelijke sirih in een sierlijken gouden koker gevat te geven. De bruidegom, dien wij onlangs zagen, gaf zijn bruidje een bloemtuiltje bonte kunstbloemen, waaraan bonte linten wapperden. Geen kenanga, tjempaka en melati tooiden hunne bruidsgewaden, maar bonte kunstbloemen. Zij waren immers Europeesch!

Maar één met de voeten treden van een oud gebruik, juichen wij onverdeeld toe. Het is bij hen het gebruik, dat jonggetrouwden in de drie eerste dagen van hun samenzijn, het huis niet uit mogen. Nu zouden de ouders, die maar kort hier bleven, de jonggetrouwden graag bij ons brengen; maar hoe kon het, de vereischte drie dagen zouden dan nog niet verstreken zijn. Hoe verrast en verrukt waren wij, toen wij hem zijne vrouw hoorden zeggen: "Besok pagi soré kemanten saja sowanken ka kaboepaten".

"Pigi mana dan, belom tiga ari? Masa boleh?" wierp zijne vrouw tegen. En de Kodja antwoordde: "Kangdjeng bilang, itoe atoeran kan tjoema adat sadja. Adat tida toeroet apa-apa; oentoeng, tjilaka pembawakannja orang sendiri. Kaloek atinja sendiri, eklas, boewang adat, slamat tida ada satoe apa. Saja poenja ati menoeroet, dawoenhja Kangdjeng. Soedah slamat, tiada apa apa".[5]

Onze oogen flonkerden hem tegen, wij hadden hem wel de hand willen drukken. Dus ook hij, de aan oude zedelijke gewoonten verkleefde Oosterling, erkent, dat adat niets is dan een aangenomen gebruik, dat men evenals een oud kleed afleggen kan, als 't ons niet meer voldoet, en dat de adat op zichzelf niets te maken heeft met ons levensgeluk.

Wij zijn duizendmaal bevoorrecht. Wij hebben een hoog doel, en wij hebben liefde! Konden wij maar wat geven van onze weelde! Maar geluk kàn niemand ons geven, als wij het niet zelf willen.

Wij durven er niet aan denken, laat staan hopen, maar toch—maar toch, wat zou het zalig zijn, zoo wij één snaar konden doen trillen, zoolang verstikt onder materie, zoo wij de Godsvonk konden aanwakkeren tot een mooie vlam! Aan dat alles denkende, komt in ons een vredig en wonder soort gevoel, en daarnaast innige dankbaarheid. Rijk is ons leven; wel veel bitters is er in, maar daarnaast ook veel wonderzoets.

Het gelukkigste en 't rijkst gezegend voelen wij ons, als wij een medemensch hebben kunnen helpen. Stoffelijk hebben wij niets te geven. Wat wij hebben en kunnen geven, geven wij—dat is onze liefde. Vaak vinden wij 't erg vreemd, dat menschen, zoo veel, veel ouder dan wij, getrouwd en moeder van groote kinderen, in onze armen hun leed uitschreien. 't Stemt ons zóó dankbaar, als wij dan één traan kunnen drogen. Wie dàt gevoel eens heeft gekend, zal 't niet weer kunnen en willen vergeten.

Maakt u zich daarom niet over ons ongerust, lieveling, als onze toekomst eens donker mocht zijn. Zóó lang er op aarde nog tranen te drogen zijn, nog harten liefde behoeven, zullen uwe bruine vriendinnetjes werk hebben en bezig zijn, dat is: gelukkig zijn. Werkelijk, maak u zich niet ongerust over ons, nu niet en later niet, nooit! Draag ons op aan het Opperwezen, aan den Vader van Liefde! Hij zal ons helpen, steunen, troosten en voorlichten. Wees gerust en treur niet, wij weten ons Godes. Hij kent ons, en zal ons richten liefdevol. Willen wij 't goede, dan zal Hij ons helpen; willen wij 't kwade, dan zullen wij onze straf niet ontgaan. Dat geloof draagt ons en geeft ons zoo'n rust en vrede.

Wij streven er naar om werkelijk sterk te worden—zóó dat wij onszelf helpen kunnen. Zichzelf helpen is dikwijls moeilijker dan anderen te helpen. En wie zichzelf helpen kan, zal anderen nog beter kunnen helpen.

Op den grooten weg tusschen Depok en Buitenzorg.

Op den grooten weg tusschen Depok en Buitenzorg.
Op den grooten weg tusschen Depok en Buitenzorg.

3 Januari 1903. (VII.)

Hoe zal ik u mijn dank betuigen voor hetgeen uw brief en het Kamerverslag van 26 November j.l. ons melden; wij zullen u nooit, nooit genoeg dankbaar kunnen zijn voor hetgeen u voor ons heeft gedaan. De schuld, die wij aan u hebben, is nooit af te doen, die nemen wij mee naar de andere wereld. O! hoe u te beschrijven den stroom van gedachten, die zich uitstortte in mijn gemoed, toen ik door een floers van tranen heen èn uw brief èn de aangestreepte gedeelten in 't Kamerverslag las. God is groot, God is machtig, God is liefde. Dit is eene goddelijke genade. Wij beidjes keken elkaar aan zonder elkaar te zien, vèr over elkanders hoofden heen zweefde onze blik, zweefden onze gedachten naar verre landen, verre vrienden, naar tijden, gebeurtenissen, die de toekomst nog omsluierd houdt. Beiden dachten en gevoelden we op dat oogenblik hetzelfde. Naast een gevoel van onuitsprekelijke dankbaarheid, was er weemoed, diepe weemoed, in het hart.

Weemoedig waren wij, omdat wij niet oogenblikkelijk de trouwe, edele zielen bedanken konden, onze vrienden niet de hand drukken, of hen aan 't hart sluiten, die deze groote vreugde ons bereidden.

En weemoedig waren wij om de vele lieve, dierbare, beminde harten, aan welke de heugelijke tijding door ons met zoo innige dankbaarheid begroet, bloedende wonden zou toebrengen.

Arme, arme oudjes! De vervulling van onzen hartewensch beteekent voor hen, afstand doen van hunne kinderen, beteekent zielsverdriet. Het zal zoo bitter, bitter hard zijn voor hen, als eenmaal de boot wegstoomt, die hunne lieven van hunne harten scheurt en brengt naar 't verre, vreemde land. Zullen zij ongedeerd weeromkomen?—zullen de oudjes hen wederzien?

Zij zijn zoo innig aan ons gehecht, vooral mijn vadertje aan mij, die hem zoo zeer aan zijne moeder herinnert en in wie hij ziet zijn eigen portret.

God trooste de arme, bedroefde, beminde harten, als het zoo ver is. Het is egoïstisch, maar wij hopen, dat 't dra zoo ver komt.

Broer, Stella en alle vrienden zullen stellig ingelukkig zijn, dat uwe nobele pogingen met zulk een goeden uitslag bekroond zijn geworden. Met diepe ontroering lazen wij uwe rede, waarin u Regeeringshulp in riep voor een paar kinderen van het volk, wiens lot u zich zóó zeer aantrekt; daarna 't antwoord van den Minister en hierop uwe dankzegging!

Als u zeg ik uit 't diepste mijns harten u mijn innigen dank en druk u warm de hand. En als Mevrouw, hopen wij, dat de toekomst zal bewijzen, dat u niet aan onwaardigen uwe sympathie heeft geschonken en er voor gewerkt. Heb wil van uw nobel werk, mijn Vriend!

Zóóveel hebben wij er al voor gestreden en geleden. En wij gelooven, dat nog ernstige beroeringen ons te wachten staan, aleer wij al dat nare, en daarnaast dat vele lieve achter ons kunnen laten, om weg te stoomen naar dat verre land, waarvan wij verwachten, dat het ons goed zal toerusten voor de taak, die wij denken te gaan vervullen.

Men hoeft niemand ooit iets kwaads gedaan of iets in den weg gelegd te hebben om zich felle vijanden op den hals te halen. Men is bezig de familie op te stoken tegen onze plannen. "Het is niet pantes,[1] dat wij naar Holland willen gaan. En wat een schande om te willen gaan op andermans kosten".

Er zijn er, die met leede oogen aanzien, dat ik schrijf; en er is mij een wenk gegeven, om daarmede op te houden. Het is niet "pantes" voor een meisje om voor het publiek te schrijven. O, foei, een ongetrouwde vrouw, wier naam links en rechts wordt genoemd: "Als zij een man had, dan kon 't er meê door!"

Van Dr. Adriani heb ik zoo pas een langen brief gekregen over onderwerpen, die u ook belang inboezemen. Ik heb hem verteld, wat u heeft gedaan voor ons, en hij is er zóó blij over. Hij schreef o.a.: "Wat Mevrouw Van Kol u heeft doen zien, is datgene, wat het wezen van allen godsdienst is: de erkenning van God als een persoon, niet een begrip, niet het Goede, maar De Goede!"

Er staan heel mooie en ernstige dingen in zijn brief. Wat zou ik niet graag dien samen met u lezen en bespreken. Ik moet hem nog beantwoorden.

Ergens zegt hij: "maar ik zie het niet anders in: het Christendom brengt niemand geluk aan; alleen de persoonlijke verhouding tot God is het, die aan het Christendom zijne beteekenis geeft".

14 Januari 1903. (IX.)

Mijn broertje wil absoluut niet priaji worden en bij 't Binnenlandsch Bestuur komen, en als Mevrouw u wel eens 't een en ander van mijne brieven heeft medegedeeld, dan zal u wel weten, dat ik hier niet om treur, maar integendeel juist broertje toejuich om zijne voornemens en plannen. Wij vinden 't heerlijk, dat broertje niet tot ideaal heeft, wat duizenden landgenooten vóór en met hem als het meest begeerenswaardige, als het toppunt van geluk beschouwen; een kleine vorst-zijn, schitterende W-knoopen en goudgestreepte zonneschermen! 'Is voor ons een groote vreugde, dat die glans en geur niet tot hem spreken; en heerlijk vooral vinden wij, dat hij zoo jong tot die erkenning is gekomen en geheel uit zijn eigen een anderen weg wil inslaan dan die tot nu toe gevolgd en door duizenden platgetreden.

Liever zou ik gezien hebben, dat hij zich ging wijden aan de lijdende menschheid en de doktersstudie koos. Dit is misschien gedeeltelijk zelfzucht van me. Ik zou hem graag dokter zien worden, omdat er op dat gebied zoo ontzettend veel en moois is te doen en ... omdat hij dan ook ideeën van ons zou kunnen verwezenlijken. Wat zou hij niet veel kunnen doen voor de wederzijdsche waardeering van het Europeesche en het Inlandsche element! Hij zou zijn volk vertrouwd kunnen maken met de Europeesche geneeswijze en in de Europeesche wereld aandacht vragen voor eenvoudige Inlandsche middelen, welker deugdelijkheid is geconstateerd.

Ik sprak broertje van de dokter-djawa-school, maar daar heeft hij geen lust in, en wij willen geen pressie uitoefenen.

17 Januari 1903. (VII.)

In geen drie weken is er een druppel regen gevallen; 't is hier zoo snikheet, als wij 't nooit hebben gehad, zelfs niet in den droogsten Oostmoesson.

Vader is wanhopig; de bibit-paddi staat op de sawahs te bruinen. O! arm, arm volk! Tot dusver heeft de bevolking dezer afdeeling genoeg voeding, en kent zij die vreeselijke ramp "voedingsgebrek" niet. Maar wat niet is, kan komen, en deze groote droogte in den Westmoesson voorspelt alles behalve goeds. Waar moet het heen, als de droogte aanhoudt? Sedert een paar morgens waaien er winden, die wij anders in Mei krijgen. Is de kentering nu al ingetreden? en de Oostmoesson begonnen?

Vreeselijk: men staat er machteloos over. Ontzettend is het om al wat men heeft gezaaid en geplant te zien bruinen en sterven, zonder er iets tegen te kunnen doen. Men kan geen water maken! En die groote warmte werkt ook afmattend op het lichaam; men voelt zich loom en lusteloos.

Wat zegt u wel van zulk een klacht van een kind der zon! O! hoe verschrikkelijk voor de menschen die op de velden werken, als het hier bij ons al zoo broeiend warm is—en dat in den Westmoesson. Stuur nu toch wat van uw koü, u mag van onze warmte zooveel nemen als u wil. Konden wij dàt maar werkelijk doen!

25 Januari 1903. (IX.)

Lang heb ik op 't papier zitten turen, zonder dat ik verder kwam dan de aanhef; zoovele gedachten waarden in me rond, zoovele gevoelens doortrilden mijne ziel. In die enkele oogenblikken leefde ik mijn geheele leven van de laatste jaren weer.

Naast jubelend geluk kenden wij uren van bittere smart, wanhoop en vertwijfeling. 't Is ons, of wij in dien korten tijd verscheidene levens hebben afgelegd. De jaren van ons blij-kind-zijn lijken al zóó ver achter ons te liggen. Rijk aan groote oogenblikken waren de laatste dagen en weken weer voor ons.

En er was weemoed, er was dankbaarheid, er was van alles wat in mijn hart, maar weemoed had er den boventoon.

Nu, terwijl ik schrijf, varen mij dezelfde gewaarwordingen weer door de ziel; heb ik een gevoel als om te stikken. Neen, ik wil er niet aan toegeven; ik neem uwe woorden, vanmorgen gesproken, ter harte. Ik wil mij niet laten vermeesteren door treurige gedachten; de meerdere wil ik zijn van 't leed; het verdriet moet me dienen.

En wat u aan 't strand en vanmorgen in den wagen met ons gesproken heeft, o, hoe zullen wij u daarvoor bedanken?[1]

Ik weet geen woord, dat onze gevoelens goed kan weergeven. Dat laat zich alleen gevoelen, niet zeggen! Wij zijn o zoo dankbaar en gelukkig, dat u met ons gesproken heeft. Dat was de taal van een oprecht vriendenhart. Ik heb gisteren den heelen nacht aan uwe woorden aldoor moeten denken, en wat dit voor eene uitwerking heeft, weet u. Wij beiden hebben er lang met elkaar over gesproken gisteren en vandaag, en zoodra Vader wat meer aangesterkt zal zijn, zullen wij er met hem over spreken. Nu kunnen wij alvast beginnen met Mama op de hoogte der zaak te brengen, en onderwijl rustig en kalmpjes de nota schrijven. Is het zaakje beklonken, dan gaan er brieven naar Holland. Wij hebben nu zoo'n rustig gevoel over ons. Dat was het, waaraan wij behoefte hadden; een kalm, ernstig, sympathiek woord van een, dien wij oprecht vriend weten.

Wij hadden er naar gesmacht om met u beiden te spreken. Uit het diepst van mijn hart zeg ik u dank voor uwe woorden, uwen raad.

Wat ons ook naar Holland deed verlangen, was de wensch om een tijdje geheel van die wereld weg te zijn, die zoo smartelijk onze zielen heeft gewond. Dat helsche leed mocht niet weer geleden worden. Holland sluit die mogelijkheid geheel uit, maar in plaats daarvan bergen van andere ellende.

Dank, dat u er ons op gewezen heeft.

27 Januari 1903. (X.)

Ik dacht aan den vorigen keer toen met je Vader je Moedertje samen met ons genoot van de zee, onze zee! Dat waren weelde-oogenblikken die je niet, nooit vergeet! Ook dezen laatsten keer zal dat aan 't strand zitten met je Vader steeds in onze herinnering blijven voortleven. Dáár sprak je Vader met ons over onze plannen.

Wàt was ons dàt weldadig, dat gesprek van hart tot hart met een dien wij zóó hoogachten, liefhebben en oprecht vriend weten. En wat dàt voor eene uitwerking had? Ik had er den geheelen nacht niet van kunnen slapen; ik had in bed liggen woelen met je Vader's ernstige, liefdevolle woorden in mijn hoofd en in mijn hart! Dàt was het waaraan wij behoefte hadden, waarnaar wij met smachtend verlangen hadden uitgezien: een ernstig, liefdevol woord gesproken van hart tot hart, oog in oog.

Den volgenden ochtend heel vroeg moest je vader al weêr weg tot ons groot verdriet; wij brachten Z.Ed. weg en in den wagen hervatten wij weder ons gesprek aan 't strand. Het resultaat daarvan is, dat wij al heel gauw met volkomen toestemming van de oudjes een request aan den Gouverneur-Generaal zullen richten, om door de Regeering in de gelegenheid te worden gesteld ten bate van de Javaansche vrouw in de toekomst, onze opvoeding te voltooien op ... Batavia!

Kijk je er niet van op beste broer? Ik weet niet hoe jij het vinden zal. Maar vindt je ons niet erg wispelturig? Dat wilde eerst met alle geweld naar Holland; bewoog hemel en aarde om haar zin te krijgen, en nu zij eindelijk kunnen gaan, dank zij 't werk der vrienden, zeggen zij: "Ik blijf!" Wat zeg je wel van zulk een wispelturigheid? Maar beter gedwaald en ten halve gekeerd, dan heelemaal gedwaald, soms alleen uit dwazen trots om niet ongelijk te willen bekennen.

Weet je wanneer dat idee van naar Holland gaan in ons vaste vormen nam?

In de Decemberdagen van 1901, toen wij nameloos leden. In ons kwam een wild, woest verlangen wèg, ver, ver weg te gaan, geheel van de omgeving weg, die ons zoo bitter heeft doen lijden. Weg, weg, weg, vèr weg, in een andere atmosfeer, in een ander land, in een andere luchtstreek ademen, leven, en als onze zielewonden waren geheeld, en wij naar den geest, en misschien ook naar lichaam, waren gesterkt, terugkeeren als herboren in onze oude maatschappij om er te werken aan hare hervorming.... Dat helsche leed mag niet meer worden geleden. Holland sluit die mogelijkheid geheel uit, men zal niet meer aan ons denken; helaas, dat men dat vergeten maar al te goed zal doen. Ook door dat deel der Inlandsche maatschappij zullen wij vergeten worden, voor wie wij juist werken willen, zijn wij in Holland geweest. En wat in Holland ons wacht? bergen verdriet, waarvan wij geen flauw vermoeden hebben. Hierop heeft je Vader ons gewezen en op ander verdriet, dat ons hier wacht van de zijde van hen juist, voor wie we werken willen als wij in Holland zijn geweest.

Het is alles zéér waar,—o! arme illusies! Je weet, dat 't steeds een groote illusie van ons is geweest, om in Holland opgeleid te worden voor de taak, die wij denken te gaan vervullen.... Ook Vaders laatste zware ongesteldheid heeft ons tot nadenken gebracht. Z.Ed. is zóó aan ons gehecht.... Aangrijpende tooneelen aan zijn jongste ziekbed staan me voor den geest, waaruit wij zagen hoezeer dat lieve hart aan ons gehecht was. Maar ik vraag mezelf af, zouden wij wel tot dit besluit zijn gekomen, als je beste vader niet hier was geweest en met ons had gesproken, zooals Z.Ed. het heeft gedaan? Ik weet het niet ... doch dat onze oudjes je Vader veel te danken hebben, lijdt geen twijfel. En wijzelf zijn Z.Ed. o zoo dankbaar!

Lang hebben zusje en ik over je Vader's woorden gesproken en nagedacht, en de slotsom is, dat het gaan naar Holland voorloopig onder het loodje blijft, en wij hopen al heel spoedig te Batavia te kunnen komen.

Doch dit alles is persoonlijk. Op den voorgrond moeten staan de practische voordeden, die onze zaak heeft van eene opleiding op Batavia. Wij zouden al dadelijk kunnen beginnen, terwijl als wij naar Holland gingen, wij nog zoolang moeten wachten. Ik denk aldoor aan je Vader's woorden: "Waarom niet dadelijk gedaan, wat gedaan kan worden? Het is dan gedaan, terwijl dat andere nog in de toekomst ligt." Je Vader sprak van een gewonde, die om hulp roept: daar komt iemand, maar die zegt: "Neen vriend, ik wil je nu niet helpen, ik zal eerst leeren, hoe wonden moeten verbonden worden." Die iemand gaat weg, studeeren, en als hij eindelijk volgens de kunst verbinden kan, is de gewonde, die om hulp riep, al lang dood.

Dan sprak je Vader van een parel, die diep ligt in zee. Je weet, dat zij er in ligt, maar je weet niet precies waar. Je stapt in zee en wil haar zóó halen. Het water komt je aan de lippen. Er komt iemand, die je zegt: "Vriend, doe zoo niet, ga niet verder, 't water reikt je aan de lippen; als je verdrinkt, dan heb je de parel nog niet. Ga terug, stap in een prauw, peil en visch naar de parel."

Je Vader zei, dat als wij wilden, wij al dadelijk de school konden openen, zonder eenig examen gedaan te hebben. 't Staat nergens in de wet voorgeschreven, dat men examen moet gedaan hebben om aan Inlandsche meisjes onderwijs te geven. Wij konden dan Europeesche onderwijzeressen er bij nemen, dat was bijzaak. Maar vindt je wel dat wij die school mogen openen, zonder er eerst voor opgeleid te worden? 't Is waar, dat wij met "Onze School" (hoe grappig klinkt het, en pedant tevens) meer een zedelijke opvoeding beoogen dan een doctrinale. Daarom zouden wij de school niet van Regeeringswege opgericht willen hebben, maar particulier, omdat wij ons anders aan bepaalde voorschriften moeten onderwerpen, en wij willen ons schooltje geheel inrichten volgens ons idee, de kinderen onderwijzen, niet schoolsch, maar zooals eene moeder hare kinderen opvoedt.

Het moet volstrekt niet aan eene school herinneren, maar aan een groot huisgezin, waarvan de leden elkander liefhebben en van elkaar leeren, en de moeder niet in naam, maar inderdaad moeder is—de lichamelijke en geestelijke opvoedster van het kind.

Aan dat idee van je Vader hebben wij wel meer gedacht, maar op deze manier: als wij niet konden studeeren en thuis moesten blijven, zouden wij dan niet dochtertjes van regenten bij ons nemen, zooveel als de kaboepaten maar bergen kan, ze hier naar school laten gaan en thuis hare zedelijke opvoeding op ons nemen, spelenderwijze de jonge hartjes leiden, de karaktertjes vormen, en op uren, dat ònze kinderen schoolgaan, andere kindertjes van Inlandsche hoofden hier ter plaatse bij ons nemen, ze leeren handwerken, enz., onderwijl ongemerkt aan hare hartjes kloppende voor den geest, dien wij voorstaan? Maar als wij eene school konden openen, dan wilden wij liever eerst studeeren, vindt je dat ook niet, broer? De school zal komen òf op Magelang òf op Salatiga. Je Vader heeft er met den onzen over gesproken, en er is heel geen bezwaar; wel voor dat gaan naar Holland. Heerlijk, hè broer?

Op de wijze als daareven aangegeven, had indertijd mijn Grootvader anderer hoofdenzonen opgevoed. Grootvader had een gouverneur uit laten komen voor zijne kinderen, en Pangerans van Solo en een regent van Midden-Java zonden Grootvader hunne zoons om op te voeden. Zoo zie je; er is niets nieuws onder de zon; ons idee, zoogenaamd "splinternieuw", is al een oud idee, van Grootvader reeds afkomstig. Onze denkbeelden, onze geest is overgeërfd; hij, Grootvader, was de pionnier; wij zetten slechts zijn werk voort. 't Waren beste menschen, beiden, Grootvader en Grootmoeder.

Je Vader heeft ons den inhoud van het request voorgezegd; 't is een enkel regeltje maar, doch daarbij moet een nota gaan, waarin onze plannen en ideeën uitvoerig en nauwkeurig moeten omschreven worden, en het moet geschreven worden uit het hart, heelemaal niet denken, dat het bestemd is voor den Gouverneur-Generaal, maar eenvoudig schrijven wat 't hart ons ingeeft.

Je Vader wil die nota wel eerst lezen, als wij daarop gesteld zijn, maar Z.Ed. denkt, dat 't niet noodig is.

Wij moeten eenvoudig schrijven wat uit 't hart komt.

31 Januari 1903. (X.)

Vandaag moet de brief af, want morgen sluit de mail, waar hij meê moet gaan. Wat vliegt de tijd toch! 't Is vandaag al een week geleden, dat je beste Vader hier kwam.

Nu even over zaken spreken, is het goed? Het tafeltje en 't boekenplankje heb ik den houtsnijwerker opgegeven, hij is er al aan bezig. Maar je zal wel een beetje geduld willen oefenen, niet waar? Hij heeft een hoop te doen voor Oost en West. Je tafeltje hebben wij achtkantig laten maken, en naar een batik-patroon van een kain van me, zuiver Javaansch, hoor! Ik heb het, evenals het boekenplankje, laten uitvoeren in sonohout (donker gevlamd); het is het mooiste hout dat wij hier krijgen kunnen. Het boekenplankje hebben wij uit twee planken laten bestaan, niet te groot, zooals jij 't me gevraagd hebt. De juiste afmeting ben ik op het oogenblik vergeten. Ik heb eigenlijk twee tafeltjes laten maken van verschillenden vorm. Hierbij een ideetje daarvan. Ze staan op drie bewerkte pootjes met kleiner blad er tusschen in.

Het scherm dat wij dezer dagen verzonden voor den Gouverneur-Generaal is om voor neer te knielen. Je vader heeft het nog hier gezien, en is er vol lof over. Nu laten wij twee vuurschermpjes maken, een driebladig in schelpvorm à jour en een in den vorm van een garoeda (legendarische Inlandsche vogel) met beweegbare vleugels.

Gedurig schieten ons nieuwe denkbeelden te binnen, en 't is heerlijk dat Oost en West ons in staat stelt ze uit te laten voeren. Soms valt ons iets in, als wij al in onze mandjes zijn; gauw er uit gekropen, het licht aangestoken, (gekke uitdrukking toch) en de gedachte opgeteekend; wij mochten haar soms vergeten den volgenden morgen en dat zou toch jammer zijn.

Vertel jij aan Moedertje, dat wij reeds met de oudjes hebben gesproken over dat gaan naar Batavia en die school op Meester-Cornelis of Salemba. Ze hebben heelemaal geen bezwaar. Heerlijk hè, broer? Ze zijn verrukt, dat wij op Java blijven. "Ik zou 't vreeselijk vinden, als je ging," zei Vader. "Ik moet je altijd kunnen zien." Arme lieverd! Nu is het goed. Ze zijn je Vader zoo dankbaar. Wij moesten Mama beloven altijd bij elkaar te blijven en samen te werken. Kan 't mooier? dat is juist wat wij willen.

Het is toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden. Nu zijn ze gelukkig met Batavia; als wij Batavia hadden gewild, zouden er bezwaren zijn geweest; na Holland vallen die bezwaren weg. Nu gaat al heel gauw ons request in zee met nota en Vader's verklaring niets tegen onze plannen te hebben.

Wat zal Annie Glaser er blij om zijn! Nu zullen wij dan weer bij elkaar komen! Leuk idee!... Ze komt dan misschien bij ons op Batavia. Dat was haar plan, vroeger. Dan zouden wij weer bij elkaar zijn, en als trouwe kameraden, zuur en zoet samen deelen. Gisteren kregen wij een briefje van haar, en verbeeld je, met een lijstje vragen ter beantwoording, van een mijnheer, die veel belang stelt in de vraag van den dag: de opvoeding van het Javaansche volk, en gaarne onze gedachten en ideeën er over zou vernemen. Mr. Slingenberg, aan 't Ministerie van Koloniën[1] werkzaam, hierheen gezonden door de Regeering om een nieuwe strafwet te maken. Annie zegt, dat hij 't ernstig meent, zijn best wil doen en zien wat hij voor ons doen kan. Hij kan niet meer hier komen, daar hij half Februari weer weg moet. Daarom moesten die vragen spoedig beantwoord worden en uitgebreid ook!!!

Het zijn zeer belangrijke vragen, die hij ons ter beantwoording stelde, juist die, waarvan wij vervuld zijn; maar juist daarom zouden wij ze met roef-roef kunnen en willen beantwoorden. Om je maar iets te noemen, vraag 1 luidt: "Welke maatregelen zijn geschikt om het volk van Java tot meerdere ontwikkeling en welvaart te brengen?" een vraag, waarop grijze, kundige mannen hebben gestudeerd ... en die zouden wij een, twee, drie, en dan gedetailleerd moeten beantwoorden!

2. In welke richting moet 't onderwijs verbeterd en uitgebreid worden?"—'t is me een vraag om met een enkel woord beantwoord te worden! er zouden minstens een stuk of wat pagina's voor noodig zijn!

Vraag 5 kan echter dadelijk en met één woord beantwoord worden: "Wordt de beteekenis van de vrouw in de ontwikkeling van den Javaan door de staatslieden niet te weinig in het oog gehouden?"

Hij is stellig een nieuw-denkend mensch die deze vraag heeft gesteld.

En de laatste vraag is eenvoudig verrukkelijk om te beantwoorden. "Op welke wijze kan het best een aanvang gemaakt worden met de meerdere beschavingen ontwikkeling der Javaansche vrouw van hooger of lager stand, en komt men, zoo doende niet in strijd met de zeden en gebruiken van het land?" Allemaal heerlijke vragen! wij zullen er nog uitvoerig over correspondeeren; is het goed?

Ze inspireeren ons gedachten en gevoelens, die wij zonder die vragen niet zouden hebben gehad. Wij hebben ze gisteravond laat opgeteekend en gaan ze verder uitwerken. Vreemd toch, zooals 't toegaat in de wereld. Het eene lokt het andere uit, en ten slotte hangt alles aan elkaar. Daar zijn ideeën in ons opgekomen, die zeker het Christelijk Kabinet niet aangenaam zouden zijn, als het er van hoorde.

Wat denk je van een zending, die niet het kerstenen beoogt, allen godsdienst er buiten laat, maar enkel en alleen uit liefdebeginsel het volk van Java wèl doet? Waarom zouden er niet op meer plaatsen van Java instellingen als op Modjowarno kunnen komen, zonder dat zij gedekt staan, onder godsdienstig vaandel? Zoo zal men de Mohammedaansche bevolking niet tegen zich in het harnas jagen. De Mohammedaan beschouwt met min of meer minachting den voormaligen geloofsgenoot, die zijn eigen geloof verzaakt en een ander omhelst. Dit is in het oog van den Mohammedaan de grootste zonde, die men begaan kan. En de Christen geworden Mohammedaan kijkt van zijn kant met minachting neer op zijn voormaligen geloofsgenoot. Nu hij dezelfde leer belijdt als de blanda[2], denkt hij even hoog te staan als deze. Ik hoef niet verder uit te spinnen wat hieruit voortvloeit.

Wil men den Javaan absoluut godsdienst leeren, welnu, leer hem dan den eenigen God kennen, den Vader van liefde, die de Vader is van alle schepselen, die van Christenen, zoo goed als van Mohammedanen, Boeddhisten, Joden enz. Leer hem den waren godsdienst, d.i. den innerlijken, en men kan dien godsdienst belijden als Christen, zoowel als Mohammedaan e.a. Ons idee is, dat Nederland zende beschaafde, ontwikkelde en hoogstaande menschen, die uit zuivere menschenmin zich willen vestigen midden in het Javaansche volk, met hen levende en lievende, hen onderrichtende, genezende, helpende, overal waar hulp noodig is.

Het volk latende in zijn eenvoud, geen meerdere behoeften leerende kennen, en alleen dáár ingrijpen met zachte hand waar de zeden lijnrecht staan tegenover het hooge beginsel: Liefde! Later zou dit werk ter hand genomen kunnen worden door de kinderen van 't land zelve; op 't oogenblik zijn daarvoor nog geen krachten beschikbaar.—In 't kort, zendingsarbeid—doch zònder doop.

Zou dat uitvoerbaar zijn? 't Zal wel lastig zijn om geschikte elementen voor zulk werk te vinden. Ik kom er telkens weer op terug. Er moet eerst een zedelijke ondergrond gevormd worden, en bij alle te geven onderwijs dit punt in 't oog houden.

Hoe de volwassenen en half-volwassenen dien zedelijken ondergrond bij te brengen? Mij dunkt door lectuur. Men moet bladen uitgeven, die ontspanningslectuur (om veel gelezen te worden) bevatten, maar altijd met een opvoedkundigen ondergrond. Hetzelfde idee, dat wij op onze kindertjes willen toepassen, spelenderwijs, onderwijzen en opvoeden, waarom zou dat niet toegepast kunnen worden op volwassen menschen?

Op Batavia hopen wij veel met de a.s. dokter-djawa's in aanraking te komen om met hen veel over die dingen te praten, en te zien of wij niet een paar er voor kunnen winnen. Zij zouden dan dat zendingswerk zonder doop kunnen doen.

Mijn jongste zus Soematri heeft onlangs het klein-ambtenaarsexamen afgelegd. Zij is het eerste Javaansche meisje, dat dat examen deed! Leuk hè!

1 Februari 1903. (IX.)

Maar nu de oudjes zelf; roerend was hunne verrukking, dat wij zullen blijven. Zij zijn er u innig dankbaar voor! Achteraf beschouwd is het toch wel goed geweest, dat wij eerst absoluut naar Holland wilden; nu zijn de oudjes blij met Batavia, en hebben heelemaal geen bezwaren voor onze verdere plannen; alleen bedong Mama, dat wij beiden steeds bij elkaar moesten blijven en samenwerken. Kan 't mooier? Dat is juist wat wij willen.

Ik moet u toch nog eens hartelijk bedanken voor uw vriendenraad. Wat heeft me dat gesprek enorm goed gedaan. Waarom zal ik 't u niet bekennen, van die zijde hebben wij de zaak nog niet bezien; n.l. dat het gaan naar Holland voor de zaak zelve gevaarlijk zou zijn. Onze "vrienden" zouden zeker maar al te gaarne het praatje verbreiden, dat wij geheel "blanda" zijn geworden, als wij naar Holland gingen, en menige ouders zouden huiverig worden ons hunne kinderen toe te vertrouwen. Goddank, dat u nog bijtijds ons de oogen er voor opende! Hartelijk dank!

Van morgen op een rijtoertje waren wij getuigen van een staaltje van naïef volksgeloof.

't Was buiten op 't veld. Mensch en dier waren er vereenigd in een gebed tot den Allerhoogsten om de dorstige aarde te laven met hemelwater.

Vooraan zaten de priesters en santries, daarachter priesteressen[1] in witte gewaden, en aan weerszijden honderden mannen, vrouwen en kinderen. Schapen, geiten, paarden, karbouwen, stonden aan paaltjes gebonden. Een priester leidde den dienst, stond aan de spits en bad met luide stem. De menigte viel in met "amin, amin", waarbij zich mengde het geblaat der schapen.

"Sembajang istira" heet het. Roerend naïef geloof en vertrouwen van ons kindvolk.

Het zegengebed heeft drie dagen en drie nachten geduurd. U kunt begrijpen hoe opgetogen en dankbaar het volk is, dat het sedert heeft geregend, dat het goot. Het gebed heeft geholpen! En weet u wat men zegt? Omdat wij den dienst bijwoonden!

Het is hun niet uit het hoofd te praten, dat wij daar part noch deel aan hadden.

Tevoren had men op andere plaatsen óók "sembajang istira" gehouden, maar nergens viel een drup regen, en 't toeval wilde, dat wij geen van die plechtigheden bijgewoond hadden. Dat deed ons naïef kindvolk de conclusie trekken, dat wij kracht hadden bijgezet aan het laatste zegengebed, waarom het dan ook dadelijk werd verhoord.

Werkelijk, roerend is zoon kinderlijk vertrouwend geloof!

Ik wenschte zoo dikwijls, dat ik een fototoestel had en kieken kon, als wij eigenaardigheden zagen van ons volk, waar geen Europeaan bij kan komen. Zoo veel zouden wij in woord en beeld willen vastleggen, dat den Europeaan een zuiver beeld zou kunnen geven van ons Javanen.

Iemand beloofde mij om het heele wordingsproces van de paddi voor ons te kieken, de karbouwen en de botjak-angons[2] incluis. Ik zou er dan eene beschrijving bij geven, zooals ik als kind van 't volk zelve de dingen zie en voel.

U weet, dat ik altijd gráág wat voor u doe, dat het voor mij een feest is, om wat voor u beiden te mogen doen. Ook Oost en West kan steeds over mij beschikken. Ik bewijs daarmee niemand dan mij zelve een dienst. Het is voor ons volk, en daar voel ik mij één meê. Al wat ik aan ons volk doe, doe ik aan mijzelve. Beschik dus steeds gerust over mij, draag mij zooveel op als u wil; vrees nooit, dat 't mij te veel zal zijn. Alleen roep ik uw aller welwillendheid in, als een en ander niet vlug genoeg naar uw zin kan afkomen.

In heb met den goudsmid gesproken over het gaan naar Solo, om daar het bewerken van schildpad te leeren. De man was er dadelijk voor te vinden, toen ik het hem voorstelde. Kammetjes kan hij al maken, en hij heeft er de bekakas[3] voor; doch het polijsten kan hij nog niet goed, dat zou hij dan op Solo leeren. Ook bewerkt men daar hoorn en parelmoer; dat moet hij er ook bij leeren, en dat wil hij wel.

Wij staan nog maar heel aan 't begin van de wederopkomst onzer mooie kunst, en natuurlijk, dat dan alles niet dadelijk in de puntjes kan zijn.

Ik kreeg een aardigen brief van Dr. Pijzel, een der redacteurs van Eigen Haard; ook eenige afdrukjes van 't stukje over het houtsnijwerk.[4] De kiekjes zijn mooi afgedrukt, vindt u ook niet? Ik kreeg er een paar op mooi papier afgedrukt. Weet u wat ik heerlijk vindt? Dat Moedertje mij heeft ingeleid, den allereersten keer, dat ik onder mijn eigen naam voor 't publiek schreef. Maar minder aardig vinden wij, dat men ons weer als reclame heeft gebruikt.[5] Dat schijnt nu zoo er bij te moeten behooren.

Heerlijk vinden wij 't bericht, dat ook in de Minahassa een Inlandsch meisje "dwaze ideeën" heeft als wij. Ziet u wel; wij zijn de eenige "gekken" niet! En als nu de adel hier ons niet hebben wil, en óók het volk ons afwijst, dan vluchten wij naar dat verre zusterzieltje, om ver van het marktgewoel, ergens op een vergeten plaats werk te zoeken en te vinden voor hoofd, hart en handen. Er zal in de groote, groote wereld ergens wel een plaatsje zijn, waar men ons wel verdragen kan.

Mijn oudste zuster is hier geweest; zij is gisteren weer vertrokken, doch niet om door te gaan naar Kendal, maar om op Koedoes bij hare schoonmoeder af te stappen en onze zaak bij haar te bepleiten.[6] Al wat wij in den laatsten tijd hebben ondervonden, maakt ons stil, ernstig! Daar gaat iemand onze zaak bepleiten, die zich steeds zoo scherp tegenover ons had gesteld.[7] Wij hadden ons hoofd niet gebroken om een toespraak samen te stellen, die haar 't hart zou vermurwen. Wij hadden eenvoudig van hart tot hart gesproken, en 't was ons zoo vreemd te moede, toen onze zuster met vochtige oogen en eene trilling in hare stem zeide: "Goed, volvoert je plannen, verwezenlijkt je ideeën; ik zal God bidden, dat Hij je zegene!"

Wij vroegen haar nog: "Zult gij 't u niet aantrekken, als anderen ons beschimpen, veroordeelen?" En zij antwoordde; "Ook de luidste sprekers zullen eenmaal zwijgen!" Zus denkt, dat hare moeder wel zal willen; ook, dat haar man het goed zal vinden.

En hoe 't hier thuis is? Vroeger mochten wij er nooit met anderen over spreken; nu spreken zij er zelf over. Wij spraken onlangs met een vreemde over allerlei onderwerpen; hoe zwol mijn hart van vreugde en geluk, toen ik mij telkens naast Vader zag staan. Ook naar den geest ben ik zijn kind, zong mijn hart! Vader verzocht dien vreemde ook hier te komen, om onze gedachten aan elkaar te toetsen, dat was goed voor ons. O! zal dan onze droom eens verwezenlijkt worden, dat wij onzen weg beginnen met hun vollen zegen!

O! en wat zegt u er wel van, nog vóór wij den Heer Sijthoff[8] geschreven hadden, kregen wij verleden week een heel hartelijken brief van hem, waarin hij ons zijn spijt betuigde over onze koppigheid, om een paar regels verder te verklaren, dat dat hem eerbied afdwong, om daarop ons steun te beloven. Waar wij dien noodig hadden, behoefden wij slechts bij hem aan te kloppen.

4 Maart 1903 (VIII.)

Ik ben erg naar geweest. Dagen lang had men hier in angst over mij gezeten, en had ik de afschuwelijkste pijnen. Goddank, die ellende is nu achter den rug, 't leed is weer geleden. O! en wat een onnoozel middeltje heeft mij van die pijnen bevrijd. Wij hebben het opgeteekend voor onze verzameling, die later onzen kinderen ten goede zal komen.

Gisteren ben ik weer begonnen te werken; 't gaat best; en vandaag ben ik voor 't eerst eens weer meê uit rijden geweest. Roerend was Vader's dankbaarheid er over. Ik zat natuurlijk naast hem, en Vader hield mij aldoor vast, als vreesde hij me te verliezen. Dat waren weelde-oogenblikken, kostbare herinneringen, voor mij een talisman voor de toekomst! O, wij hebben allen zóóveel geleden, physiek en moreel.

9 Maart 1903 (VIII.)

Wij hebben bericht gekregen, dat het schildpad binnen weinige dagen hier zal zijn en dan gaat de goudsmid er mee naar Solo. Heerlijk, nu zijn er al drie takken van kunstnijverheid in mijne geboorteplaats aan het opleven, en wij zijn doende om nog andere op te sporen, en er leven in te brengen. Zij weten nu, zien in, dat het ons doel is, henzelven tot welvaart te brengen; zij begrijpen hun voordeel, en apprecieeren ons werk, door met lust en ijver mede te werken. Al wat wij voor hen doen, zou nutteloos zijn, als zij niet begrepen, dat wij het goed met hen voor hebben, en hun welvaart voor oogen hebben. Ik ben dankbaar, dat zij dit begrijpen!

Het is heerlijk om te zien, hoe er leven komt in die takken van nijverheid. De dringin-werksters[1] beginnen op groote schaal te werken, en zelfs in de kampong, om het Maleische kamp, doen Inlanders er aan. Het gaat dus goed. De goudsmid heeft meer knechts en leerlingen genomen. En er zijn knapen, die zich voor het houtsnijwerk-vak laten opleiden. Eén feit heb ik vooral met groote vreugde begroet. Er is onder die leerlingen een knaap van de kota, dus geen kind van Blakang-Goenoeng, het houtsnijwerkersdorp. Andere leerlingen zochten wij, maar die ééne uit de kota kwam zichzelven er voor aanmelden. Dat is het ware! en zoo'n heerlijk, verblijdend teeken! Ik ben er erg dankbaar voor!

De kleintjes hier zullen ons werk voortzetten, als wij er niet meer zijn; wij zullen haar leiden van uit de verte, zoolang zij nog leiding behoeven.

Iemand klaagde ons over ondankbaarheid, en over den haat der menschen onderling. Wij zeiden hem, dat als hij verdriet had over de ondankbaarheid der menschen, dat zijn eigen schuld was.

Hij keek ons met groote oogen aan en vroeg: "Mijn schuld, als de menschen ondankbaar tegenover mij zijn?" "Ja, uw schuld, als u daarover verdriet hebt; want wij moeten nooit het goede doen, om dankbaarheid te oogsten, doch het goede doen, enkel en alleen omdat het goed is, en wij daarin zelfvoldoening vinden.

Ik denk en geloof, dat 't beste middel om zelf gelukkig te zijn en daarbij anderer leven mooi te maken is, dat wij zóóveel mogelijk trachten te begrijpen. Hoe meer wij begrijpen, hoe minder verbittering er is in ons, hoe liefdevoller, rechtvaardiger ons oordeel is voor anderen. Dit laatste maakt anderer leven mooi, en het eerst ons eigen; niet verbitterd zijn, is gelukkig zijn.

Hij vroeg ons ook:

"Wat zou er gebeuren, als je iemand ontmoette, waarvoor je hart klopte?"

"Ik zou blij en dankbaar zijn, want dat zou beteekenen, dat ik een geestverwant ontmoette, en hoe meer geestverwanten wij vinden, hoe beter voor onze zaak en des te liever is het ons."

"Een geestverwant zal je nooit ontmoeten."

Kras gezegd; òf hij stelde onze mannen zóó laag, òf hij stelt mij overdreven hoog!

Wist hij maar, dat ik zoo juist een enthousiastischen brief kreeg van een mij onbekenden, jeugdigen geestverwant. Ik zal u dien brief bij gelegenheid eens zenden; hij is van een leerling der Inlandsche artsenschool. Een spontane uiting van sympathie, naar aanleiding van het stukje in Eigen Haard, dat u inleidde. Zoo echt jongensachtig—jòng in zijn gloeiend enthousiasme, maar daaruit sprak ontegenzeggelijk een niet alledaagsche geest—een degelijke ondergrond schemerde er door.

Auteurswedde, dat onbekende menschen zich vriend voelen met iemand, wiens woord hun hart trof! Ik vind 't een heerlijk idee, dat u 't was, die mij onder mijn waren naam in 't publiek binnenleidde. Zulk een inleiden door iemand, die men zielslief heeft, moet zegenend zijn.

En als dat stukje eenig succes heeft gehad, dan schrijf ik dat toe aan de omstandigheid, dat het door uwe handen 't licht zag. Er is mij veel wedervaren naar aanleiding daarvan, maar het heeft zijn doel niet gemist; voor onze artisten heeft het eenig succes gehad. Er zijn naar aanleiding daarvan eenige niet onbelangrijke aanvragen naar houtsnijwerk gekomen.

19 April 1903. (IX.)

Zelfbeperking heb ik zoo zeer noodig aan te leeren.

Het is uitstekend, dat men mij in den laatsten tijd dikwijls daarop attent maakt.

Ik kijk mijn schrijfmap dikwijls met heimwee aan, maar ik moet mij beheerschen; aan mijn schrijflust mag ik niet meer ten allen tijde bot vieren; dat mag nu slechts een uitspanning voor me zijn.

En nu nog iets prettigs. De schoonmoeder van mijne zuster Soelastri, wil met groot genoegen ons chaperonneeren,[1] wáár ook; het aangenaamst voor haar natuurlijk op Magelang, waar zij in familie en vrienden zit, en die allen vóór de vrije opvoeding zijn. Mijn zwager was er dadelijk voor te vinden.

25 April 1903 (I.)

Laf, onvergeeflijk is 't, dat wij je niet direct zelf geschreven hadden, toen het groote besluit genomen was, dat wij vooreerst niet van de vrucht van uw aller edel werk zullen gebruik maken.... Niemand kan meer verbaasd zijn over deze uitkomst dan wij zelven. Alles hadden wij verwacht, doch nooit dat wij uit eigen vrijen wil zouden zeggen: "wij blijven!"

Denk niet aan ons, denk aan de zaak en wat voor háár het beste is; daar moeten wij ons bij neerleggen.

O! denk niet, dat wij van gevoelens veranderd zijn; geenszins is dat het geval. Zelfs nu, terwijl ons request reeds op weg is naar den Gouverneur-Generaal gelooven wij vast, dat voor onze toekomstige leerlingen, eene opvoeding in Europa, uitstekend zal zijn. Doch daarnaast staat thans een andere waarheid: "Voor de zaak is op het oogenblik een blijven in Indië beter."

Je weet, dat het een onzer grootste illusies is geweest en nòg is, om in Europa onze opvoeding te voltooien. Begrijp je, wàt het ons gekost heeft, om daarvan afstand te doen, terwijl zij op 't punt stond werkelijkheid te worden? Ontzettend hebben wij gestreden, voor wij daartoe konden overgaan. Gaven wij aan ons zielsverlangen toe, dan zochten wij ons zelf, want wij weten, dat de zaak, op een andere manier beter gediend zal worden. Wij hooren nu ons zelf niet meer toe, wij hooren de zaak toe. Op 't oogenblik dienen wij haar 't beste, door in 't land te blijven. Het publiek, waarvoor wij willen werken, moet ons nog leeren kennen; gaan wij nu weg, dan zullen wij ons daarvan vervreemden. En als wij over eenige jaren terugkomen, zal men in ons Europeesche vrouwen zien. En als men Europeanen zijne dochters niet wil toevertrouwen, des te minder zal men dit willen doen aan een, in zijn oog, Europeesch geworden Javaansche vrouw.

Het doel is ons volk. En als dit tegen ons ingenomen wordt, wat zal ons Regeeringshulp baten? De quaestie is nu, zoo spoedig mogelijk aan den slag te gaan, het publiek voor een feit te stellen: een school voor Inlandsche meisjes is er! Op 't oogenblik houdt men zich met ons bezig, zijn wij over geheel Java bekend; wij moeten het vuur gaande houden. Als wij weggingen en lang uitbleven, zou die belangstelling verflauwen en op 't laatst verdwijnen. Wij moeten ons nu persoonlijk bekend maken aan ons publiek, zijn sympathie trachten te verwerven en het leeren in ons vertrouwen te stellen. Hebben wij die sympathie en dat vertrouwen, dan kunnen wij gerust gaan. Dat gaan naar Holland vervalt niet geheel, Stella. Wij kunnen nog altijd gaan. En als wij dat van uit Batavia doen, zal dit beter zijn, dan van hier uit. Ten eerste voor de Oudjes. Zij zullen al gewend zijn, ons op een grooten afstand van zich te weten, en dan kunnen zij gemakkelijker er toe overgaan, zich dien afstand nog grooter te denken. Voor ons zelf zou dat ook goed zijn. Kijk, wij zijn nooit van huis geweest. En dan in eens van ons warm nestje, van ons land, verplaatst in eene andere omgeving, in een vreemd land, zoo ver van al wat ons lief is. Die overgang zou te groot zijn.

Doch dat is maar bijzaak, dit wisten wij altijd toch wel, en wij hadden er nooit tegen opgezien. Hoofdzaak is: het gevaar voor onze onderneming zelf. Dit hadden wij nooit ingezien, uit trotschen overmoed, of overmoedigen trots, hoe je het noemen wil. Geheel opgaande in onze extase, dachten wij weinig of niet aan de meening van ons publiek; ja, wij stelden er zelfs eene eer in, om haar te trotseeren, waar zij afweek van de onze; en deze hoog te houden tegenover de menigte, ons niets storend aan hare afkeuring, waar wij voor ons heilig overtuigd waren van het goede van ons willen, streven of daad. Wij blijven dit goed vinden, doch in dit geval mogen wij zulks niet doen, hebben wij wel degelijk rekening te houden met de inzichten van het publiek. Immers voor ons volk willen wij werken, en dan is het zaak het niet tegen ons in te nemen, door met ruwe hand te grijpen in ideeën, waarin het is groot gebracht en oud geworden.

Geduld! hebben de wijzen ons toegeroepen, wij hoorden het, maar verstonden het niet. Nu eerst begrijpen wij het, Stella, nu weten we, wat het wachtwoord is van alle hervormers: Geduld! Wij kunnen den loop der dingen niet bespoedigen, wèl vertragen door te hard van stapel te willen gaan. Als het publiek tegen ons ingenomen was, dan zou dit den gang der zaak vertragen. Men zou huiveren zijnen dochters eene verlichtende opvoeding te geven, als deze zulke onmogelijkheden vormde als wij, die de menigte tot voorbeelden worden gesteld.

Geduld! geduld tot in het oneindige, Stella, ik was zóó ontroerd, toen deze waarheid tot me doordrong. Wij moeten ons beteugelen, er voor waken, dat wij in ons vuur en ijver het doel niet voorbij streven. Mevrouw Van Kol schreef ons: "om een ideaal te bereiken, moet men menige, o menige illusie afleggen". De eerste illusie, die wij hebben afgelegd is: ons te geven aan het publiek zooals wij zijn.

Neen, dat mag niet; het publiek mag nooit weten, wat wij bestrijden. Den naam van den vijand, waartegen wij te velde trekken mag nooit, nooit gehoord worden: polygamie. Weet men dit, dan zal geen mensch ons zijn kind ter opvoeding willen geven. Ik heb mij dit erg aangetrokken; 't is mij of wij met een leugen onze taak aanvaarden.

Onze illusie was, dat men ons geheel kende, en dan uit overtuiging ons zijne kinderen afstond.

Dit is onmogelijk.

Wij staan nog vóór onze taak, en wij zien de illusies al een voor een verdwijnen...! O, Stella, maak ons het afstaan van deze groote illusie niet nog zwaarder door er verdriet over te hebben. Zóó is 't ons al hard genoeg. Je hebt 't altijd geweten, dat het een groote, groote illusie van me was, om in je land te komen en daar wijsheid te vergaren voor ons volk. Laat ik er niet meer over spreken. Ik dank je, ook namens mijne Oudjes, duizend maal voor alles wat je voor ons gedaan hebt ... en voor niets! Neen, Stella, niet verloren is je werk; jullie aller werk; maken wij van de vrucht daarvan op het oogenblik geen gebruik, voor de zaak is het van groot nut. De aandacht is er op gevestigd, en weldenkenden bepeinzen dat vraagstuk. De vrucht van deze overdenkingen zal ons volk tot zegen komen.

Reeds zijn ons vragen over de opvoeding van het Javaansche volk gedaan door menschen, die wat in de melk te brokkelen hebben.

Zou men dit ooit gedaan hebben, als niet jullie de aandacht van weldenkenden op ons gevestigd hadden? Zou de Regeering, zouden velen bereid tot helpen zijn, indien jullie niet voor ons gewerkt hadden? Stella, nogmaals duizendmaal dank voor jouw groote, groote liefde! Neen, lieveling, jouw werk, jouw moeiten zijn niet verloren. Uit naam van ons volk dank ik je er innig voor. Aan den Javaan zullen al je moeiten ten goede komen.

Onze plannen zijn, zoodra er gunstig op ons request geantwoord is, dadelijk naar Batavia te gaan. Roekmini om zich te bekwamen voor teekenen, handwerken, gezondheids-, zieken- en verbandleer. In teekenen zal ze les krijgen van een leeraar van het gymnasium, en voor hygiëne de lessen volgen der dokter-djawa-school. Ik ga voor het onderwijs studeeren, met welke studie ik sedert een paar maanden begonnen ben onder leiding van een hoofdonderwijzer. Ik ga maar één acte halen. Zoodra ik die heb, wordt onze school geopend, òf op Magelang òf op Salatiga, beide een koel klimaat en met veel doktoren (officieren van gezondheid). Wij hebben grootsche plannen; als de school er is, en alles goed gaat, dan willen wij daaraan een cursus voor vrouwelijke geneeskundigen, verpleegsters en verloskundigen verbinden, waarin officieren van gezondheid zullen les geven, en waarvan Roekmini de leiding zal hebben. Zoo iets kan hier alleen bestaan onder leiding van eene beschaafde, ontwikkelde vrouw.

Wij hebben de Regeering ook subsidie gevraagd voor de oprichting van die school. Wordt het geweigerd, dan gaan wij particuliere hulp inroepen. Misschien gebeurt het dan toch nog, dat wij ons tot de Koningin zullen wenden.

Dat was ook Vader's idee geweest, in Indië studeeren, en daarna voor verruiming van den geesteshorizon naar Europa gaan. Niet zooals wij eerst van plan waren, in Europa studeeren, daar dus eenige jaren blijven.

Het is net een jaar geleden, dat ik je jubelend gelukkig schreef over het bezoek van den heer Van Kol. En precies één jaar daarna moet je dezen krijgen. Stella, heb mij nog een beetje lief; uit piëteit voor de groote liefde die je mij eens toegedragen hebt, smeek ik je: Heb mij nog een beetje lief.

14 Mei 1903. (IX.)

Onlangs kreeg ik eenige aardige kiekjes van sawahs; ik wacht op 't rijp worden van de paddi, om daarover te gaan droomen; en als die droom dan aardig uitvalt, gaat hij met de kiekjes naar Holland om gedrukt te worden.

Wij zijn gisteren op Blakang Goenoeng geweest. Wat genoten wij, èn van de heerlijke mooie kunst, die we zagen, èn van de zichtbare welvaart van onze artisten! Wat is Singo's huis veranderd, sinds we 't laatst daar zijn geweest. Hij heeft nu een houten en steenen huis! Heerlijk! Ze zagen er zóó gelukkig uit! O! U moest ze toch eens bezig zien! De kleine aapjes, die hij opleidt, zijn al zoo handig. 't Is een lust om die kindertjes te zien werken! Wij zijn er gisteren geweest met goede kennissen. En 't was, zooals ik gedacht had; nu zij daar zijn geweest, staat de kunst onzer simpele artisten nòg hooger in hun oog.

Notes in this chapter

Note 1 · Met nonna's worden aangeduid de vrouwelijke afstammelingen van Europeanen en Inlandsche vrouwen. Het woord is blijkbaar overgebleven van denNote 2 · De gestraften gingen vroeger dagelijks buiten de gevangenis allerlei werk verrichten op de Gouvernementserven.Note 3 · Dat deze passage opgenomen is niettegenstaande haren zeer vertrouwelijken aard, geschiedt om een beeld te geven van het zielelijden. WanneerNote 4 · Indo = Indo-Europeaan.Note 5 · Sinjo is afgeleid van het Portugeesche Senhor dat heer (mijnheer) beteekent. Met Sinjo duidt men aan de in Indië geboren afstammelingen van Note 6 · Ilmoe = wetenschap om te verkrijgen wat men wenscht. Djimat = middel om van rampen bevrijd te blijven. Met tooverwapen wordt bedoeld een wapNote 7 · De danseressen hebben op Java geen goeden naam.Note 8 · Said is de titel van Arabische afstammelingen van Nabi Moehammad, den stichter van de Mohammedaansche leer.Note 9 · Zie de noot op blz. 16.Note 10 · De vrije vertaling luidt: Morgenavond zal ik het bruidspaar naar de kaboepaten (regentswoning) leiden. Hoe kan dat; de drie dagen zijn dan nNote 11 · Pantes = behoorlijk.Note 12 · Het gesprek blijkt uit den volgenden brief.Note 13 · Mr. J. Slingenberg, thans rechter in de Arr. Rechtbank te Amsterdam. De nota volgt achter de brieven op blz. 353.Note 14 · Blanda = Europeaan, meer bepaald: Hollander.Note 15 · Met "priesters" en "priesteressen" worden bedoeld personen die de godsdienstplichten te Mekka hebben vervuld. Met "santries" meer in het algNote 16 · Botjak-angons sijn jongetjes belast met het hoeden der karbouwen.Note 17 · Bekakas = gereedschap.Note 18 · In het nummer van 3 Januari 1903 (blz. 11) met het opschrift "Van een vergeten uithoekje".Note 19 · Door het afdrukken der portretten, hetgeen zonder toestemming geschiedde. De portretten waren door iemand anders in Nederland aan de redactiNote 20 · Het doel en de uitslag der bespreking vindt men in den brief van 19 April 1903 (blz. 307).Note 21 · Men vergelijke hier blz. 52.Note 22 · Den Resident.Note 23 · "Dringin" is een bepaalde werkwijze waardoor verkregen worden doeken met hetgeen in Nederland genoemd worden "moesjes".Note 24 · Voor de oprichting van een internaat voor Inlandsche meisjes van goeden huize.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings