← Table of contents
Door duisternis tot licht

RADEN ADJENG KARTINI. (continued 4)

Reading edition

Er heeft zich nog een andere uitweg voor ons geopend. Een ons persoonlijk onbekende zendeling-dokter, van goeden naam en gevestigde reputatie, die veel van ons van onze vrienden hoorde, bood zich uit eigen beweging aan, zoo wij er lust toe gevoelen" ons geheel kosteloos tot accoucheuses op te leiden. Van eene andere zijde werd ons ook de gelegenheid geboden. Dat stemt ons zoo dankbaar! Ge hebt zeker wel eens gehoord of gelezen van de groote Inlandsche Christengemeente Modjowarno—in de residentie Soerabaja? In "Maatschappelijk werk in Indië", congresverslagen, Vrouwenarbeidtentoonstelling, komen de naam van dien zendeling-dokter[2] en Modjowarno verscheiden malen. voor. Dat vroedvrouwen hier in Indië schreeuwend noodig zijn, hebt ge zeker reeds meer gehoord. Jaarlijks sterven er op Java of geheel Nederlandsch-Indië gemiddeld 20,000 kraamvrouwen en 30,000 pasgeboren kinderen wegens gebrekkige verloskundige hulp. Op dat gebied is er voor ons dus een uitgestrekt arbeidsveld om onze zusters tot nut en zegen te zijn.

Wij voelen ook heel veel voor de zaak, maar het zou logen zijn, om te beweren, dat acchoucheuse zijn eene illusie van ons is. Doch 1000 maal liever accoucheuse te worden, dan afhankelijk te zijn van familieleden, gezwegen nog van een gedwongen huwelijk.

Van Vader hebben wij de toestemming om naar Modjowarno te gaan en ons voor accoucheuse te bekwamen, als andere wegen ons door omstandigheden afgesloten zijn. Andere familieleden zijn er fel tegen; zij vinden dat werk te min voor onze aristocratische handen!! Onze vrienden ook zouden het ten zeerste betreuren, indien wij dien weg moesten inslaan, maar hun reden is zooveel edeler, o, zoo oneindig hooger. Ze zouden 't zoo hard voor ons vinden, omdat wij andere illusies hebben. In beginsel zijn ze niet tegen ons gaan naar Modjowarno, ze vinden het werk daar hoog en edel. Maar of wij ons doel van vóórlichten en voorbeeld geven daarmee zouden kunnen bereiken? Waar zelfs in 't beschaafde Europa men nog met min of meer minachting neerziet op 't accoucheuse-beroep, zou Indië, 't aan pracht en praal verknochte Indië, 't mooie van dat werk kunnen apprecieeren? Het zou alleen het nederige daarvan inzien, en wat niet hoog is en schittert en geurt, acht mijn arm land 't aankijken niet waard. Dat wij zelf niets om die minachting zouden geven, begrijpt gij wel, maar de gevolgen daarvan zouden ons niet onverschillig zijn. Wij willen de baan breken voor de vrijheid en zelfstandigheid der Javaansche vrouw! Het voorbeeld, dat wij geven, moet door anderen kunnen worden aangepast. En iets, waar men met minachting op neerziet, zal geen navolging vinden. Willen wij, dat anderen ons voetspoor zullen volgen, dan moet 't voorbeeld dat wij geven, iets zijn, dat spreekt, bewondering afdwingt en tot navolging wekt. Wij hebben hier dus niet op eigen wenschen te letten, maar wel degelijk rekening te houden met 't karakter van 't volk, dat wij willen voorlichten en tot voorbeeld zijn.

Er is in den laatsten tijd in Holland en voornamelijk in Den Haag eene beweging ten leven opgestaan, om de in verval geraakte Indische kunst te doen opleven en bloeien. De Vereeniging "Oost en West", een spruit van de Vrouwenarbeidtentoonstelling, waarvan ge zeker al meer gehoord en gelezen zult hebben, en die er hoofdzakelijk is om de belangen aller Indischen te behartigen, heeft eene afdeeling voor de kunst, waarin eenige kunstenaars van naam zitting hebben.

Die kunstafdeeling is voornemens een kunstenaar of kunstenaren (op 't gebied van beeldende kunst) naar Indië uit te zenden om de Indische kunst in 't algemeen en de batikkunst in 't bijzonder op te helpen, haar te zuiveren van vreemde inmenging, als Europeeschen invloed enz., die haar in verval doet geraken. De belangstelling in Holland voor de Indische kunst is gewekt door de uitstekend geslaagde tentoonstellingen, die Oost en West van Indische kunsten gehouden heeft. In het buitenland ook begint de Indische kunst, inzonderheid de batikkunst, bekend te worden.

Ik meen je reeds verteld te hebben, dat Roekmini veel aanleg en zeker ook talent voor teekenen heeft, en het haar grootste illusie is om schilderes te worden. Daartoe is een opleiding in Europa vereischt en die is voor haar helaas onbereikbaar! Althans uit eigen middelen zullen wij nooit zusje's droom in verwezenlijking kunnen helpen brengen. Je raadt nu zeker wel, waarheen we willen. Wij willen ons met Oost en West in verbinding stellen en van de Vereeniging gedaan zien te krijgen, dat mijne zuster hare illusies verwezenlijken kan; dat zij direct of indirect door Oost en West in staat gesteld wordt de Haagsche teeken- en schilderacademie te bezoeken om later op Java zich geheel te wijden aan onze kunst. Wie zou zich beter aan de belangen van de Javaansche kunst kunnen wijden, dan een kind van dat volk zelf, wie de liefde voor de Inlandsche kunst is aangeboren en niet aangeleerd? Als kind van de Javaansche natie zelf, zou Roekmini overal toegang kunnen krijgen, waar de Europeaan, hoe goed het ook met de Javanen meenend, een gesloten deur vinden zou. Wij kennen eenige personen, die in 't bestuur zitten van Oost en West en van de kunstafdeeling der vereeniging.

Als onze pogingen schipbreuk lijden, dan wil R. zich bekwamen tot accoucheuse. Zij wil òf schilderes òf accoucheuse worden, maar wat ze doet, wil ze goed doen. Daarom wil ze, als 't lot haar 't verloskundig vak aanwijst als middel van bestaan en om zich nuttig voor de Gemeenschap te maken, moeite doen om in Europa voor dat vak te worden opgeleid. In Holland zou ze zich tot eene volledige verloskundige kunnen bekwamen, en de moeders hier, als ze hare studiën zal hebben voltooid, van groot nut zijn.

De doktoren kunnen haar hier slechts tot vroedvrouw opleiden, die onder toezicht van een dokter werkt. En 't maakt in de oogen van ons helaas voor groote idealen en verheven denkbeelden weinig vatbare volk, dat alleen glans en glorie eert, groot verschil of ze zich hier of in Europa tot accoucheuse heeft bekwaamd. In Europa gediplomeerd, zou men niet op haar werk neerzien, en zou haar voorbeeld allicht navolging vinden. Van de Regeering willen we gedaan zien te krijgen, om R. op hare kosten in Holland tot verloskundige te doen opleiden. Hiertoe willen we de hulp van Professor Hector Treub in Amsterdam en Dr. Stratz in Den Haag inroepen, mannen die reeds menig keer de lans hebben gebroken voor de allergebrekkigste verloskundige hulp in Indië, waardoor jaarlijks duizenden onnoodig sterven. Ook van de Volksvertegenwoordiging is de aandacht op deze zaak gevestigd door van Kol, als ik mij niet vergis. Dit Kamerlid komt in Indië; ik hoop hem te zien en te spreken te krijgen; mijn broer kent hem heel goed.

De Regeering in Indië heeft reeds stappen gedaan om verbetering in dien treurigen toestand te brengen. Alle doktoren op Java krijgen van de Regeering eene maandelijksche subsidie, die zich willen belasten met de opleiding tot vroedvrouw van al degenen, die zich daarvoor aanmelden. Deze krijgen gedurende haren leertijd eene subsidie van de Regeering ter bestrijding van verblijfkosten, enz., en na geëxamineerd te zijn, worden ze door 't land bezoldigd.

Het plan van zus R. is om, wanneer ze hare studie van verloskundige in Europa zal voltooid hebben, op Java een cursus in dat vak te openen. Op de kundigheid der doktoren, die hier daarin les geven, valt niets af te dingen, maar wat beteekent knapheid in 't te onderwijzen vak, als men zich niet goed verstaanbaar kan maken aan de leerlingen, omdat onderwijzer en leerling ieder een andere taal spreken? Bijna zonder uitzondering zijn de doktoren hier de landstaal weinig of niet machtig. Maleisch, en dan meestal nog heel gebrekkig, is de taal, die de doktoren tegen 't volk bezigen. Javaansch spreekt nagenoeg geen een dokter. Bitter weinig Javanen uit 't volk zijn er maar, die Maleisch verstaan en spreken. Begrijpt ge nu, wat een heksentoer het voor de doktoren is, om zich in hun gebroken Maleisch verstaanbaar te maken aan hunne leerlingen, vrouwen, meisjes uit 't volk, die van huis uit hoegenaamd niets geen ontwikkeling meebrengen, en die behalve haar moedertaal geen andere kennen en verstaan?

Die moeilijkheden zouden vervallen, indien iemand, die volkomen de Inlandsche talen machtig is, de taak op zich neemt, Inlandsche vrouwen tot vroedvrouwen te bekwamen.

R's geboorte zou ook kunnen bijdragen tot het welslagen harer onderneming. De Inlanders zijn zeer gehecht aan hunnen adel, en wat van den zoo door 't volk vereerden adel uitgaat, vindt gemakkelijk bij hen ingang.

24 October, juist twee weken na het afbreken van dezen brief, hervat ik hem weer. Mijn kaart, tusschentijds verzonden, bracht je reeds op de hoogte van de treurige omstandigheden, waarin we verkeerd hadden en die nu gelukkig voorbij zijn. Zooals je reeds weet, is R. gevaarlijk ziek geweest; tot twee keeren toe hing haar leven aan een zijden draadje; doch nu is ze Goddank weer aan de beterhand, en gaat met den dag goed vooruit; vandaag is ze al buiten geweest. Hoe dankbaar en gelukkig we zijn, dat 't zoo goed met haar afgeloopen is, kan ik je niet zeggen. Ook zusje Kardinah is weer op de been; zij kan nu al een kwartier achtereen wandelen en begint weer een kleurtje op hare arme, magere wangen te krijgen. Wij hebben flink ons deel in ellende gehad.

't Is nu ook overal zoo ongezond van wege de groote droogte. Arm land, wat zweeft u behalve de gevaarlijke ziekten nog boven 't hoofd? Door de groote droogte zijn er bijna over het geheele land verscheidene sawahs mislukt. In het naburige Grobogan is de nood 't hoogst, daar heerscht hongersnood, en met angst en beven ziet men in Demak, waar 26.000 bouws sawahs mislukt zijn en bovendien hevig de cholera woedt, den komenden westmoesson tegemoet, die het land verdrinkt elk jaar. Arm land, dat in den oostmoesson uitdroogt door watersnood, en in den westmoesson verdrinkt door watersnood. Doch ik zal maar niet meer over die ellende schrijven, maar mijn gesprek van 14 dagen geleden vervolgen.

Zusje Kardinah wil ook bij het onderwijs komen, en heeft als vakken gekozen: huishoudkunde en koken. Ons plan is om altijd bij elkander te blijven en met elkaar samen te arbeiden aan ons gemeenschappelijk doel: de beschaving van ons volk. Samen willen we, als het Lot ons gunstig is, een school openen, waarin onderwijs zal gegeven worden in de vakken van 't lager en meer uitgebreid onderwijs, in handwerken, huishoudkunde en aanverwante vakken, en tevens zal er een cursus aan verbonden worden òf in kunst (batikkunst, teekenen, enz.) òf in verloskunde.

Tot leerares in de huishoudkunde en koken kan men alleen in Holland zich bekwamen; zulk eene gelegenheid bestaat er hier niet. Kleintje's fort is eigenlijk muziek, en haar liefste illusie was en is nog steeds zich op de muziek toe te leggen, doch dit is voor haar absoluut onbereikbaar. En mijne kleine meid heeft afstand gedaan van haren droom; als zij maar die andere illusie verwezenlijken kan, zal ze al gelukkig zijn. Zij wenscht zoo zielsgraag wat te kunnen bijdragen tot de opheffing van ons volk. En als leerares in de huishoudkunde zou ze ontzaglijk veel goeds kunnen doen. Al meer en meer geeft de Regeering te kennen, dat zij gaarne het volk en hare ambtenaren spaarzaam zou willen zien.

En waar het huishouden in vrouwenhanden berust, spreekt 't wel van zelf dat, wil men 't volk spaarzaamheid leeren, men het met de vrouwen moet beginnen. Wat baat het of de mannen die deugd aanleeren, als hunne huishoudsters de waarde van 't geld niet kennen? Dit is 't motief dan, dat we zullen aanvoeren, als we de Regeering 't verzoek doen Kleintje in de gelegenheid te stellen zich tot leerares in de huishoudkunde te bekwamen om later op Java een cursus in dat vak te openen. Mijn kleine zus wil de grootsche taak op zich nemen vrouwen en moeders van de toekomst op Java zuinigheid of waarde van 't geld te leeren.

Wat mij betreft, ik kan hier klaar komen, d.i. mijn acte halen, doch altijd is eene opleiding in Europa te verkiezen boven eene in Indië, voor de algemeene ontwikkeling en verruiming van den blik en zoveel meer.

In den laatsten tijd vooral geeft de Regeering duidelijk te kennen, prijs te stellen op de beschaving en ontwikkeling harer ambtenaren, dit is o.a. sterk gebleken uit de jongste regents-benoemingen, waarbij de keus der Regeering viel op twee personen, die volgens bestaande bepalingen—'t opvolgingssysteem van vader op zoon, en zoo er geen zoon of geschikte zoons zijn dan een ander familielid van den laatsten regent—er niet voor in aanmerking komen, wijl zij in geen betrekking staan tot de regenten, die zij opvolgen; maar die jongbenoemde regenten zijn zeer ontwikkeld, en hebben in Europa hunne opvoeding genoten.

Uit alles en alles blijkt, dat het de Regeering ernst is om Indië te beschaven en te ontwikkelen, het Javaansche volk in 't algemeen, en in 't bijzonder den Inlandschen adel, waaruit de meeste landsdienaren worden gerecruteerd, tegemoet te komen in zijne behoefte aan kennis en ontwikkeling.

De heer Abendanon heeft bereids gezegd: "dat het geen betoog behoeft, dat de intellectueele ontwikkeling der Inlandsche maatschappij niet krachtig kan voortschrijden, indien daarbij de vrouw ten achter blijft. Ten allen tijde is de vooruitgang der vrouw eene belangrijke factor tot volksbeschaving gebleken".

De meeste Inlanders zien er tegen op hunne dochters naar school te zenden, omdat mannen er onderwijs geven. Onderwijzeressen moeten er komen.

Een jaar of 15 geleden zond de Nederlandsch-Indische Regeering op hare kosten vier Inlandsche jongelieden naar Holland, om daar onder leiding van een bekwaam hoofdonderwijzer opgeleid te worden tot onderwijzer. De wil om naar Holland te gaan om daar zich te bekwamen tot onderwijzer om later, met meer vrucht dan wanneer ze in Indië hunne opleiding genoten hadden, te werken aan de beschaving hunner landgenooten, was niet uit hen zelf, maar was uitgegaan van iemand wien de ontwikkeling van Indië zeer ter harte gaat.

Anders is 't met ons gesteld. Hier is de drang, 't verlangen naar Licht uit eigen diepgewortelde overtuiging geboren, verkregen door eigen leed, in medelijden en medevoelen van anderer leed, en nadenken.

Met de uitvoering van onze plannen wachten we slechts op Vader's toestemming. Vergeeft 't een Vader, Stella, dat hij aarzelt zijne kinderen aan eene onzekere toekomst prijs te geven. Als de eerste baanbreeksters hebben wij allen tegenstand en vooroordeel te bestrijden en te overwinnen, en dat dit niet zonder veel teleurstellingen en verdriet zal gaan, is zeker.

En welke ouders zullen hunne kinderen niet zielsgraag voor leed bewaren willen? welke ouders zullen niet met een bezwaard en beklemd hart hun kinderen aan een moeilijk leven vol strijd en teleurstellingen, dat 't lot is aller baanbrekers, wijden?

Ik weet niet, of ik wel naar Holland zal gaan om te studeeren, als mij die gelegenheid geboden werd. 't Is altijd eene groote illusie van mij geweest, en is 't nu nog, om in Holland te gaan studeeren. Verleden jaar, toen 't denkbeeld geopperd werd, dat ik thuis zou gaan studeeren, heb ik er mij met hand en tand tegen verzet. Als ik studeer, wil ik goed studeeren, en dat kan ik alleen òf in Holland òf op Batavia. Holland is onbereikbaar voor me, als ik er met eigen middelen komen moet, dus op Batavia had ik mijn hoofd gezet.

Thuis zou ik niet goed kunnen studeeren, d.i. ik zou mij niet geheel aan de studie kunnen wijden, wat met 't oog op mijn leeftijd wel noodig, zelfs dringend vereischt is. Huiselijke en conventieplichten zouden me te veel van mijn werk afhouden. Mij er aan te onttrekken als ik thuis bleef, is onmogelijk. Ik stak dus mijn hoofd op daartegen; dat was verleden jaar, toen was mijn best Vadertje gezond en sterk; nu is vader het niet meer, helaas!

Vergeef 't eene dochter, Stella, als zij eens, wanneer haar de gelegenheid mocht geboden worden, haren hartewensch te vervullen, waaraan in de toekomst veel heil voor anderen kon verbonden zijn, daarvan afziet, omdat haar hart zich niet losmaken kan van een vader, die geheel haar leven lang voor haar één liefde en toewijding is; wien zij alles, wat zij is, dankt; en die, met eene zwakke gezondheid sukkelend meer dan ooit hare toewijding en liefde behoeft. Stella, ik ben kind, ik ben dochter, niet de vrouw alleen, die met hart en ziel verlangt zich geheel te geven, te wijden aan een schoon, grootsch werk dat tot nut en zegen zal strekken voor velen; ik ben ook kind met de innigste banden der teederste liefde en warmste dankbaarheid gehecht aan een ouden, grijzen vader, oud en grijs geworden in de zorgen voor zijn kinderen, waarvan ik hem misschien 't liefst ben, omdat onze karakters zooveel punten van aanraking hebben, wij zoo één zijn in denken en voelen. Stella, gij die mijne groote liefde voor hem kent, en daarnaast mijne liefde voor hetgeen ik als onze roeping beschouw, en van mijne innige gehechtheid aan mijne dierbare zusjes weet, zult kunnen begrijpen. wat een zwaren tweestrijd 't mij zal geven, als ik eens voor de twee keuzen zal staan: mijn vader, afscheiding van de zusjes, voor 't grootste gedeelte afstand doende van mijne roeping, òf afscheiding van mijn vader, vereeniging met de zusjes, mij geheel gevende aan onze roeping!

Vader is zwak nu, heeft dikwijls oppassing en steeds toewijding noodig, mijn eerste plicht is mij aan hem te wijden.

Noem 't een klein belang, maar o, Stella, ik zou nooit een oogenblik rust kunnen hebben, als ik mijne roeping volgend, ver van Vader zijnde, hem lijdend en hulpbehoevend wist!

Schoon, edel is 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen, ons te wijden aan groote belangen, te werken aan de opheffing van de verdrukte Inlandsche vrouw, van het Inlandsche volk, kortom iets te beteekenen voor de Gemeenschap, te werken aan de eeuwigheid; maar ik zou 't nooit voor mijn geweten kunnen verantwoorden, wanneer ik mij aan anderen gevend en wijdend, mijn armen ouden Vader, die toch de eerste rechten heeft op mij, alleen liet lijden en sukkelen, terwijl hij mij noodig heeft.

Een der ideeën, die ik verbreiden wil is: heb eerbied voor al wat leeft, voor zijne rechten, zijne gevoelens; zonder noodzaak en met noodzaak toch te schromen anderen zelfs 't geringste leed te doen; het gansche idee is, onze medeschepselen zooveel wij 't vermogen voor leed te bewaren, en alzoo hunne levens helpen te vermooien; en dan daar is een hooge, heilige plicht, die heet dankbaarheid.

Zou ik deze ideeën ingang bij mijn volk kunnen doen vinden, indien ik, die ze verkondigde, ze in de praktijk negeerde?

Mijn kinderplicht mag ik niet verzaken, maar ook niet de plichten, die ik tegenover mezelve heb te vervullen, vooral niet als mijn zelfverwezenlijking niet alleen eigen geluk insluit, maar ook nut zal hebben voor anderen. De quaestie is nu de twee groote plichten, die ik te vervullen heb, en die lijnrecht tegenover elkaar staan, zooveel mogelijk met elkaar te doen harmonieeren. De oplossing van dit vraagstuk is voorloopig, dat ik mij aan mijn vader wijd, en toch de studie niet verzaak. Ik ga hier thuis dan zelf studeeren voor 't onderwijs, zoover als men 't door zelfstudeeren, gerugsteund door krachtig willen en volharding, brengen kan. Om de hoofdacte te behalen, moet men eerst in 't bezit zijn van de hulpacte en een bewijs van twee jaar voor de klasse te hebben gestaan. Zelf heb ik reeds lang over dit plan nagedacht, maar Mevrouw Abendanon heeft 't den doorslag gegeven, toen ze eenigen tijd geleden ook met dat idee aankwam. Al wachtende op verdere beslissingen van 't grillige Lot, gaan wij drieën zelf studeeren; welk vak 't Lot de zusjes ook aanwijzen zal, het geleerde zal haar steeds te pas komen.

Wij hebben sedert twee maanden een onderwijzeres op de plaats, in wie wij eene lieve, hartelijke vriendin gevonden hebben. Zij is nog heel jong, een flink en degelijk meisje, dat familie en vaderland verlaten heeft om hier haar brood te verdienen. Zij komt veel bij ons. Toen ik haar van ons plan vertelde, was zij dadelijk bereid ons in en met alles te helpen, zooveel ze 't zelf kan. Ze heeft behalve de hulpacte nog acte Fransch. Dadelijk is ze gaan informeeren, welke leerboeken er op de normaalscholen op Soerabaja en Batavia gebruikt worden voor de studie van hulpacte. Over al wat ze aan leerboeken bij zich heeft mogen we beschikken, en wat ze niet heeft, zullen wij van de familie A krijgen.

Later wil ik ook examen doen in de Inlandsche talen, Javaansch en Maleisch.

Jammer maar, dat die ellendige ziekengeschiedenis er tusschenbeide is gekomen, anders waren we nu al flink aan den gang; natuurlijk dat ik al dien tijd niet in een boek heb kunnen kijken. Annie Glaser, dat is de onderwijzeres, gaat eerdaags van 't hotel verhuizen naar eene familie hier; zoodra zij hare zaken geordend heeft, zal ze ons of mij alleen aan 't werk zetten. Mijne arme zusjes mogen nog niets in handen en vooral niets aan haar hoofd hebben. Zij voelen zich erg ellendig onder dat nietsdoen, maar handen en hoofd zijn nog zoo moe.

Hoe denk je wel over al deze hoogvliegende plannen?

Als je maar niet zegt: "Mensch, mensch, je zweeft in te hooge sferen", dan ben ik al tevreden.

Weet ge wat ik gemerkt heb van velen onzer vrienden? dat zij een te hoog denkbeeld hebben van ons. Zij schrijven ons kundigheden en gaven toe, die wij niet bezitten. Wij moesten soms wel eens lachen om hun enthousiasme. 't Spreekwoord "liefde is blind of verblind" is hier van toepassing. Je moet eens hooren waartoe ze ons al niet in staat achten. Wij voeten diep onze eigen kleinheid, wanneer onze vrienden ons zoo in de zon zetten; klein en toch o, zoo dankbaar voor de liefde, die daaruit spreekt. Een vriend van ons zou gaarne zien, dat ik door mijne pen werkte aan de opheffing van ons volk. Ik moest een tijdschrift of zoo iets oprichten, gewijd aan de belangen van 't volk, en daarover de redactie voeren; of ik moest medewerkster worden aan de voornaamste dagbladen en tijdschriften in Indië en daarin stukken op pooten schrijven, die zelfs de vast slapenden moeten wakker schrikken!!! Had ik geen gelijk met mijne bewering, dat hier 't gezegde "liefde verblindt" van pas is?

Als ik de hulpacte heb, zal ik wel 't huis uit moeten èn om voor de hoofdacte te studeeren èn om voor de klasse te staan. Daartoe bieden de kloosterscholen op Batavia gelegenheid. Je geeft er les in de vakken van lager onderwijs, en krijgt daarvoor in de plaats eene vrije opleiding voor de hoofdacte benevens vrije inwoning, kost, bewassching en geneeskundige behandeling. Maar dit heeft nog tijd; eerst de hulpacte halen en dan—komt tijd, komt raad!

Een naar idee om van de zusjes te scheiden; zij vinden 't verschrikkelijk, maar ik niet minder; vooral om te bedenken, dat wanneer haar toegestaan wordt, wat zij vragen, zij zoo ver van ons en in een geheel vreemd land zullen zijn. Gelukkig, dat zij daar een broer zullen hebben, die evenals ik zielsveel van onze zusjes houdt. Die broer is een en al geestdrift en sympathie voor onze ideeën, waarin hij zijne eigen denkbeelden terug vindt. Met hem hebben we een verbond gesloten en wanneer hij zijne studiën zal hebben voltooid, zal hij zich bij ons komen voegen om samen te arbeiden aan de verwezenlijking van ons gemeenschappelijk ideaal!

Verrukkelijk is 't, zooals hij opgaat in de ideeën zijner zusters en daarmee sympathiseert. Zoo iets geeft bezieling, tilt je omhoog en stuwt je voorwaarts, evenals die heerlijke groote sympathie en innige belangstelling van je 't ons doen. Er is ook nog een ander jongmensch, Europeaan, die ons alleen maar door zijne moeder, onze vriendin, kent, die ook groote sympathie heeft voor onze zaak en daarin levendig belang stelt. Die groote sympathie en warme belangstelling van vrienden, bekend en onbekend, zijn ons zoo'n grooten steun. Deze zedelijke steun hebben wij zoo noodig! Geef jij mij dien altijd, hé, Stella?

18 October 1901. (VIII.)

't Kan in 't leven soms toegaan of alles er op is toegelegd onze levenskracht te breken. Alles komt te zamen, onweer en stormen breken met donderend geweld over ons los, 't woeden der orkanen schijnt te zeggen: "neêr, gij nietig mensch neêr in 't stof!" Alleen sterken van hart en geest vermogen zich staande te houden in zulk een storm, weerstand te bieden aan de wreedheid en hardheid van wereldmachten.

't Komt mij voor dat juist zij, wier hart en geest sterk zijn, 't meest bezocht worden door datgene, dat men Noodlot heet! Foei wat ben ik somber, dat komt zeker doordat ik in den laatsten tijd zooveel ellendigs heb gezien en doorleefd. O! nietig wurmpje, dat ik ben, dat al siddert en beeft, als 't de roe nauwelijks op zich voelt neerkomen; hoe wil ik toch troosten en opbeuren?

U mag mijn land niet verlaten vóór we u nog eens hebben weergezien, en vóór ... vóór u uw drietal gelukkig weet.... wij werkelijk een overwinning hebben behaald over datgene, dat ons laag bij den grond wil houden, en van ons stomme, ziellooze voorwerpen wil maken. Maar dat zullen ze niet kunnen. Zij kunnen uwe meisjes breken, maar buigen niet. Met uw beider steun zullen, moeten wij er komen!

Daar zijn drie jonge harten, die u warm tegenkloppen, harten die u aan het uwe heeft gehecht, die harten vertrouwen zich aan u toe! U zult ze nooit verlaten, nooit nietwaar? al wordt de afstand, die ons inderdaad van elkaar scheidt ook nog zoo groot, dat de snelste stoomer nog weken er voor noodig heeft om hem te overbruggen. Aan dien tijd, die eenmaal komen zal, denken wij 't liefst niet. Wij kunnen dat idee niet uitstaan, dat u ook eens onbereikbaar ver van ons zal zijn. Roekmini en Kleintje hebben besloten om géén nieuwe banden meer aan te knoopen; na u willen zij niemand meer liefhebben. Mijn dwaze meiskens, wat weet men toch vooruit te zeggen, over onze harten te beschikken? Liefde en sympathie komen ongeroepen, leggen 't arme harte vast, zonder te vragen of 't gewenscht is of niet.

20 November 1901. (VIII.)

Men moest eigenlijk maar nooit iets beloven, tenzij aan zichzelf, omdat men niet vooruit weten kan, wat er gebeuren zal. Zoo zal men anderen menige teleurstelling besparen. Hoe oprecht de belofte ook gemeend is, en de wil om haar na te komen ernstig, er kunnen onvoorziene omstandigheden als ziekte b.v. komen, die ons 't naleven van onze belofte onmogelijk maken. Er is bij ons Javanen een geloof, dat wie zijne belofte niet nakomt, bezocht zal worden door een oeler weling (vergiftige slang). Deze slang doet den belover herinneren aan zijne belofte; komt hij deze niet spoedig na, dan zal hij weder slangenbezoek krijgen, nu van een oeler welang, wiens beet doodelijk is. Als dit gebeurt, dan is 't niet geraden, langer te talmen met 't nakomen der belofte, en zal met den belover een ongeluk gebeuren. Dit slaat alleen op beloften aan heilige geesten gedaan. B.v. als men aan de geesten van heilige afgestorvenen bloemen, wierook, een slametan enz. belooft. De slangen zijn door hen afgezonden om den mensch zijne beloften te herinneren. Maar wat doe ik toch met u dit Javanengeloof te vertellen? Vergeef me, 't viel me zoo in onder 't schrijven.

Ik heb wel degelijk een flink standje verdiend voor mijn lang wegblijven, want dat was grootendeels uit indolentie. Ik ben niets tevreden over mijzelf! Hoe kwam ik toch zoo intens lui te zijn en energieloos; ik begrijp het zelf niet. Ik weet alleen maar dat ik mij aldoor niet heel wel gevoelde. Bepaald ziek ben ik niet; maar recht gezond toch ook niet; loom, lusteloos, mat en moe; onzin!—hypochondrie—daar! Ik moet me maar flink aanpakken en veel, veel werken. Daar zit 't hem juist; werk is 't, dat ik noodig heb; werk, dat ik liefheb. En nu komt mijn stommiteit: omdat ik niet hebben mag, wat ik hebben wil, keer ik mij van alle anderen af en zit er over te tobben. Dat is zwakheid, groote zwakheid. O! die dagelijks terugkeerende lamme strijd mat zoo af. Ik kan beter de roe verdragen dan die aanhoudende speldeprikken. En dan heb ik zóóveel akeligs bijgewoond en doorgemaakt in den laatsten tijd. Mijn zenuwen zijn wat van streek, de dokter zegt ook: werk. Mijn vurig temperament speelt me parten, ik kan niets uit mijn hoofd zetten, wat ik er eenmaal in heb, en moet er voortdurend aan denken.

29 November 1901. (VIII.)

Wij wisten dat 't u beiden innig leed zou doen, hetgeen mijn brief u berichtte. Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat, ofschoon de stand der zaak nog dezelfde is, we nu kalm zijn. 't Is nu niet meer nacht in ons gemoed, een groote rust en kalmte is daarin gedaald. Door duisternis en nevelen heen zien wij de heerlijke lichtende gedaante, die ons wenkt met vriendelijke hand: ons Ideaal!

Neen, wij weten 't nu, wij kunnen er niet meer afstand van doen, 't is één geworden met ons bestaan. Een afscheiding daarvan zal onze ondergang zijn. 't Is niet vandaag, niet gisteren, dat wij gedacht, gevoeld, geleden, geleefd hebben voor onze zaak! Men moet ons een nieuw hart, nieuwe hersenen en nieuw bloed in de aderen geven, om ons anders te doen denken en voelen. Wie eenmaal zijn ziel, 't goddelijke in den mensch, heeft gekend, haar kreet om Licht heeft vernomen en verstaan, zal haar nooit weer kunnen vergeten.

Wat u mij schrijft, heb ik alles gedacht, gevoeld, doorleefd. Lang, lang geleden, heel in den beginne van ons toetreden tot elkaar reeds, heb ik den zusjes meermalen gezegd, gesmeekt, gebeden, zich van mij los te maken, zich niets, niets aan mij gelegen te laten.

Wat ben ik, wie ben ik, hoogmoedige dwaas, dat ik kalm aanzie, rustig toelaat, dat de zusjes met mij medegaan? Ik ging vreemde, onbekende wegen op, die leiden moesten naar den hemel, maar me brengen in de hel. En deze laatste nog eerder dan de eerste; de hel is vlak bij en licht te bereiken, en de hemel zoo ver en moeielijk te naderen.

?Ja, zeiden de zusjes, noch jij noch iemand anders kan ons denkbeelden ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wijzelf daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel".

Mijn mooie trouwe zieltjes, niet zij hebben van mij geleerd, maar ik was en ben nog steeds hare leerling. O! zooveel hebben ze mij geleerd!

Hoe kon 't anders, dan dat wij één in denken en gevoelen zijn geworden? Alles, innerlijk en uiterlijk heeft meêgewerkt, dat wij één werden. Heel ons leven lang zijn we samen geweest. Cijfer daarvan het grootste gedeelte weg, de jaren dat wij alleen voor 't uiterlijke naast elkaar leefden, en houd er slechts de zes laatste jaren van over, en ga die na. Zielen, die één oogenblik maar in groote sympathie samen zijn geweest, kunnen elkaar nooit weer vergeten; hoe dan de onze, die zes jaar in volkomen harmonie naast en met elkaar hebben geleefd. Die jaren tellen tienvoudig.

Wij zien hetzelfde, hooren hetzelfde dag aan dag en bespreken alles met elkaar. In alles vinden wij elkaar; neigingen en smaak stemmen overeen. Wij lezen dezelfde bladen, tijdschriften, boeken, houden met elkaar over het gelezene uitwisseling en wrijving van gedachten. De oudjes zien onze eensgezindheid gaarne, en moedigen die zeer aan, minder door woorden dan wel door daden. En hunne ingenomenheid met de drie-eenheid ging zóó ver, dat zij zelfs soms onbillijk waren tegen degenen, die er buiten stonden, 't driebond bevoorrechten boven de anderen.

't Is juist 't ongelukkige, dat bij ons het trouwen geheel buiten 't meisje om kan geschieden. Om een huwelijk aan te gaan, heeft men slechts de toestemming van den vader, oom of broeder van de vrouw noodig. Bij de huwelijkssluiting is de tegenwoordigheid van het meisje in 't geheel niet noodig. Alleen als zij vader, oom, noch broeder heeft, is hare tegenwoordigheid bij de huwelijkssluiting vereischt. Onze beschermers kunnen ons uithuwelijken aan wien zij willen. Alleen in één geval mogen onze ouders ons niet dwingen te trouwen, n.l. wanneer de huwelijkscandidaat van een minderen stand is dan wij. Ouders mogen hunne dochters niet dwingen met iemand beneden haar stand te trouwen. Dat is ons eenige wapen tegen den willekeur onzer beschermers.

Om te trouwen heeft de man slechts met den vader, oom of broeder van 't meisje naar den panghoeloe[1] of iemand anders te gaan, en het huwelijk wordt gesloten, ook al wil het meisje daar niets van weten. Getrouwd wordt ze, als hare ouders het willen.

Mama kende eene vrouw, die weigerde te trouwen. Ze stierf liever dan met den persoon te huwen, dien hare ouders voor haar bestemden. De hemel was genadig, drie maanden vóór haar huwelijk nam de cholera haar weg; was ze in leven gebleven, men zou zich niet aan hare weigering gestoord hebben en haar hebben uitgehuwelijkt ondanks haar protest.

Er is niets nieuws onder de zon; ook vroeger waren er weerspannige dochters. Men heeft ons steeds voorgepredikt, dat wij blindelings onze ouders moeten gehoorzamen. En datzelfde zei men van eene jonge vrouw, die zich onderwierp aan dat gebod, den man volgde aan wien ze was uitgetrouwd en zich ongelukkig voelde met hem: "Onzin (tinka's[2]), waarom wilde ze dan trouwen? Als je getrouwd bent, dan heb je 't ook gewild. Als je een man volgt, dan heb je 't ook gewild; en als je gewild hebt, mag je niet klagen".

Toen ik den brief en de twee artikels van Mijnheer ontving, stonden we op 't punt om naar een bruiloft te gaan. Usance is 't niet, dat jonge meisjes naar een bruiloft gaan en mede in een bruiloftsgezelschap aanzitten, maar Mama gaf er royaal hare toestemming toe. Als de bruidsmoeder, eene oude kennis van ons, er niet zoo op aangedrongen had, dat wij 't groote feest der bruid met onze tegenwoordigheid zouden "vereeren", dan waren wij o, zoo graag weggebleven. Voor wij vertrokken, zagen wij van ons huis uit de stoet van den bruidegom moskeewaarts gaan. 't Regende, dat het goot; 't rijtuig, waarin de bruidegom zat, was gesloten, eveneens de andere rijtuigen, die het volgden. Goudgestreepte pajoengs staken de aloen-aloen[3] over.

't Was een sombere stoet; wij werden er door ontroerd, 't Deed ons denken aan een begrafenisstoet. Ten huize der bruid gekomen, vonden wij haar kant en klaar voor de "kwade" (troonhemel) gezeten, wachtende op den bruidegom, die nog in de moskee was. Vader kwam ook mee en zag er zeer bleek uit! Arme, arme Vader!

Wij zaten op den grond dichtbij de deur, 't oudje tusschen beide zusjes in. Wierook en bloemengeur vulden 't vertrek, waar de bruid en wij zaten. Gamelantonen en een zacht gegons van stemmen drongen van buiten tot ons door. Van de bruid gingen mijne oogen naar mijn buurmeisje, en van haar naar Vader, die buiten zat. De gamelan sloeg een welkomstlied aan; de bruidegom was aangekomen.

Twee vrouwen vatten de bruid bij den arm, hieven haar op, en leidden haar den man tegemoet, die ook aan de hand geleid door twee personen haar naderde. Op eenige passen afstands van elkaar gekomen, wierpen bruid en bruidegom elkaar een opgerold sirihblad toe; nog eenige passen elkaar tegemoet getreden, en beiden zonken neer, zaten tegenover elkaar op den grond. Op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe en beleed voor de menigte hare onderdanigheid aan den man. Vlak vóór hem gekomen maakte zij eene eerbiedige sembah, en kuste daarop ootmoedig hem den voet. Weder een deemoedige sembah, en beiden rezen op om hand aan hand naar te kwade te gaan en er voor plaats te nemen.[4]

"Joe, Joe, fluisterde Kleintje vroolijk me toe, met stralende oogen en een guitigen trek om den frisschen mond: "hè, wat zou ik dol, dolgraag een bruidspaar willen zien, dat lachend elkaar tegemoet komt en met tintelende oogen elkaar sirih toewerpt. Dat moet natuurlijk één zijn van de jonge generatie, een bruidspaar, dat elkaar kent. Wat zou dat leuk zijn, hè Joe? Zal 't gebeuren eens? ik zou 't zoo gaarne, dol, dolgaarne willen zien."

"De tijd zal komen," zeide ik werktuigelijk en glimlachte, maar o, hierbinnen, 't was of mijn hart met dolksteken werd doorpriemd.

En aan mijne andere zijde zat met stralend gelaat en tintelende oogen ons zusje!

Van de tengere, broze figuur aan mijn zijde, dwaalde mijn blik naar buiten en vestigde zich op de groote, forsche figuur, die omringd zat van Inlandsche Hoofden. Juist keek hij, voor wie de menigte in deemoedige houding was gezeten, onzen kant uit, en ik zag een gelaat zoo bleek en bedrukt. Weer een vlijmende pijn hierbinnen. O! waarom? waarom? kreet in wilde vertwijfeling het wanhopige hart.

Den volgenden dag greep ik zonder te zien een boek, ik wilde lezen om mijn geest te verstrooien. Ik sloeg het open en wat las ik? "Gebed van den onwetende" van Multatuli. Een dag of wat geleden stak ik weer op goed geluk af de hand uit naar een boek. Weer was 't Multatuli, dat ik opensloeg, en 't eerst wat ik las, was "Thugater". Nog steeds blijven mij de woorden in de ooren hangen: "Vader, zeg haar: dat weten, begrijpen en begeeren zondig is voor een meisje".

Weinig had zeker de groote, geniale schrijver vermoed, toen hij die woorden neerschreef, dat ze eens diep, diep gevoeld zouden worden door de dochters van het volk, dat hij zoo lief had en voor wiens belangen hij zooveel, ja àlles ten offer had gebracht.

Wij ook weten, evenals Barthold Meryan, wat ons wacht, als wij blijven neerknielen voor het altaar onzer innigste zielsbehoeften, een altaar dat slechts verrijzen kan op de puinhoopen van alles, wat ons tot dusverre het heiligste en dierbaarste is geweest.

Daar was een vrouw uit 't volk n°. 2 geworden van een Inlandsch ambtenaar. De eerste vrouw, die niet wel bij 't hoofd was, ging na een poos van hem af, hem een troep kinderen nalatende. N°. 2 werd officieele vrouw, en was eene zorgzame, liefhebbende moeder voor hare stiefkinderen. Zij was zeer ijverig, werkte hard om de inkomsten van haar man te vermeerderen, ten einde zijne kinderen een goede opvoeding te kunnen geven. En dat de zoons allen terecht kwamen, was grootendeels aan haar te danken. En nu komt de dank. Op een keer, dat hij naar de stad was gegaan en laat in den avond thuis kwam, riep hij zijne vrouw om buiten te komen. Er was een gast meegekomen, waar zij voor zorgen moest, een kamer klaar maken enz. Zij kwam buiten; de gast was eene jonge vrouw. En toen ... en toen vertelde haar man haar, dat die gast was zijne vrouw ... en zij, zijne oude, moest voortaan alles met haar deelen.

Ontzet, verstomd stond zij hem aan te kijken, zij begreep hem niet; maar toen de vreeselijke waarheid tot haar doordrong, zakte ze zonder eenig geluid in elkaar. Toen zij weder bijkwam, vroeg ze op staanden voet echtscheiding aan. Eerst wilde hij er niets van weten, maar zij drong en dwong, tot hij ten laatste zwichtte en haar het gevraagde briefje gaf. Nog dien nacht ging ze 't huis uit, te voet door woud en bosch naar hare oudes in de stad. Hoe ze er kwam, wist ze niet; toen zij weer denken kon, was ze bij hare familie, die haar vertelde, dat zij langen tijd ziek gelegen had.

Later, toen ze weer bijkwam, keek ze den brief eens in, dien ze haar man in dien vreeselijken nacht had afgetroggeld; en 't bleek, dat ze nog niet van hem was gescheiden, dat 't briefje bevatte haar signalement, en de mededeeling, dat zij van hem weggeloopen was.

Hij had heel geen plan om haar heur vrijheid terug te geven. Later verzoende zij zich met hem. De andere ging het huis uit, en in een ander wonen, en zij behield haar oud rijk. In dien vreeselijken nacht zwoer zij een duren eed, ze slikte zand in, nooit, nooit zou zij de hand leenen om 't recht van een ander te verkrachten. Zij had 't gedaan als kind; hare ouders hadden haar op 14-jarigen leeftijd aan den man uitgehuwelijkt. Ze wist niet, wat ze deed, ze gehoorzaamde slechts haren ouders, en—zij was er gestraft voor geworden. Zij wist nu wat een hellepijn het is, als men door eene andere verdrongen wordt van de zijde van een echtgenoot. Zij is haar eed trouw gebleven. Niet lang geleden huwde haar man een nichtje uit aan iemand, die reeds eene vrouw had. Zij weigerde pertinent eene hand uit te steken om wat voor de bruiloft te doen en trotseerde den toorn van haar man. In haar huis is de bruiloft niet gehouden geweest.

Wij kennen haar heel goed, en hebben veel achting voor haar. Wat ze is, dankt ze zichzelve; zij heeft zichzelve opgewerkt. Niets had ze van huis uit geleerd; ze heeft lezen geleerd en verscheidene boeken heeft ze met vrucht doorgewerkt. Wij stonden dikwijls verstomd over hare gezegden, die getuigden van veel en diep nadenken en gezond verstand. Zij is waarlijk eene bijzondere vrouw (er zullen er meer zijn), die niets heeft geleerd en gezien, maar denkt en voelt als wij, maar zij heeft ontzettend geleden. Haar lijdensgeschiedenis is niet eenig; zooals zij hebben velen vóór haar geleden. Maar waar zou ik eindigen, als ik u van Inlandsch vrouwenleed verhaalde? Wie niet ziende blind en hoorende doof is, weet hoè er geleden wordt in onze wereld. Ruk ons 't hart uit 't lijf en de hersens uit 't hoofd, als men ons veranderen wil.

Lang voor u mij die woorden van Zangwill uit "Droomen van het Ghetto" zond, sprak Kleintje ongeveer dezelfde gedachte uit, ofschoon in andere bewoordingen natuurlijk. Wij aten taart of zoo iets, klein zusje kwam aanloopen en wilde er ook van hebben, er was geen schoon bord bij de hand en zusje Kartinah zeide: "Eet maar van 't bord van Joe-Joe, dan wordt je ook knap als zij", waarop Kleintje heftig uitviel: "Neen, niet doen, blijf maar dom. Knap zijn is niet voor iedereen een geluk. Ongelukkig is 't om te kunnen denken en niet te mogen; om te kunnen voelen, te kunnen, te willen, en 't niet te mogen. Blijf maar dom". Er lag een wanhoopskreet in die woorden.

Op een keer dat ik overweldigd van moreele pijn roerloos tegen den muur leunde, met wijdopen oogen, die niets zagen, starende in de lucht, trof een smartkreet mijn oor, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. Over mij boog Vader zich, zijne armen hielden me omvat, en beurden me op, zijn gelaat was van mij afgewend. Dat was de smartkreet eener gewonde ziel, die trilde in den uitroep: "ach neen, zoo niet, zoo niet! Ni! Vader zal er met anderen over spreken, heb geduld!"

"Monster, spook, gilde het daarbinnen, dat je hem zoo lijden laat, wreedaard!"

Met zijn arm om me heen geslagen, bracht Vader me naar de achtergalerij bij de anderen.

Welk eene gewaarwording voer me weer door de ziel.

O! Vader, waarom de stem van 't eigen hart niet gehoord, gevolgd? waarom geluisterd naar de stemmen van buiten? Waarom anderen, die niets voor ons gevoelen en ons onverschillig zijn, in die zaak gehaald, waarin uw eigen geweten beslissen moest, en belanghebbenden alleen uw stem vroegen, behoefden?

O! een daad maar, één daad van moed, en de gapende afgrond, die ons dreigt te verslinden, zoude gedempt zijn!

Vader vindt onze ideeën mooi, erkent ons verlangen naar kennis en rechtvaardigheid. Dat was geen scherts, toen Vader ons verleden jaar toestond om een zelfstandig bestaan te veroveren.

't Brengt ons zóó in opstand te bedenken, waarom wij onderdrukt worden. Waarom moeten wij terug? waarom moeten wij geknot, gekortwiekt worden? Om kleingeestige, kleinzielige menschenpraatjes.

Wij moeten dáárom afstand doen van onze idealen, om een kleinzielige, kleingeestige menigte tevreden te stellen.

Als 't noodzakelijk was, onvermijdelijk noodzakelijk, dat we afstand deden van onze illusies, ja, dan moest het; maar zóó is 't niet, alles draait om het spil; publieke opinie! Alles wordt bedorven daarom! Alles wordt daaraan opgeofferd.

De menschen zullen dit, zullen dat zeggen, als wij gingen doen, wat wij zoo zielsgraag willen. En wie zijn dan die menschen? Bah! En om die menschen moeten onze neigingen onderdrukt, verstikt worden, en wij naar 't donker terug?

Dit te bedenken maakt ons helsch.

De sympathie der denkende wereld is veel, ja zeker. Of wij niet weten hoe zij genieten als beschaafden en ontwikkelden ons aanhalen; maar 't domme lachen der niet begrijpende menigte is meer, is meer zelfs dan de stem van 't geweten. Kunnen wij er in berusten?

Er is zooveel gesproken, geschreven over de vooruitstrevendheid van ons huis, over 't vooruitstrevende geslacht der Tjondronegoro's. Lang reeds is Grootvader gestorven, maar zijn naam leeft voort, wordt met eerbied en sympathie genoemd door wie van hem weet of hoort. Grootvader was de eerste, die zijn zoons, ook zijn dochters, eene Europeesche opvoeding gaf. Grootvader was baanbreker, was waarlijk een hoogstaande man.

Wij hebben het recht niet om dom te zijn.

Vader heeft veel sympathie in de Europeesche zoowel als in onze eigen wereld, en waarom?

Vader heeft geen enkel regent tot schoonzoon, maar Vader heeft zijn kinderen, zoons en dochters, tot denkende wezens gevormd. Dat is een verdienste, dè verdienste, die Vader veler achting en sympathie heeft doen verwerven. En de achting en sympathie der weldenkenden zullen niet verminderen, maar zullen toenemen, als Vader zijn werk kroonde met ons toe te staan onze innigste zielsbehoeften, die Vader zelf opriep, te bevredigen. Maar de spotlach der niet begrijpende menigte is meer—o!

Onze opvoeding was komedie—schitteren was het doel. Wij moesten en zouden schitteren, met echte of valsche steenen, om 't even. En wij mogen het niet kwalijk nemen; ook in de maatschappij, door wier licht wij onze zielen kennen, staat de schijn in hoog aanzien. Arme dwazen, die Waarheid liefhebben boven den almachtigen koning Schijn. Ook wij zullen komedie spelen, dat verplicht ons onze trots, die niet gedoogt, dat de wereld onze zielewonden ziet.

31 December 1901. (VIII).

Wij willen niet langer op een wrak schip varen. Er moet iets gedaan worden aan die diep treurige zaak. Wij zullen al heel, heel gelukkig zijn, als maar de aandacht der weldenkenden daarop gevestigd is. Ik heb meer dan eens met vrouwen van Inlandsche hoofden en vrouwen uit de volksklasse over het idee van het onafhankelijke, zelfstandige, geldverdienende meisje gesproken, en 't kwam telkens hierop neer: "Er moet één zijn, die voorbeeld geeft." Wij zijn overtuigd, dat, als een den moed heeft om te beginnen, velen zullen volgen. Werkelijk het zal géén onbegonnen werk zijn. De quaestie is maar: één moet voorgaan, en het voorbeeld moet goed, degelijk zijn. De een wacht op de ander; niemand durft de eerste te zijn; de ouders wachten op elkaar: wie zal den zedelijken moed hebben, om zijne dochter zelfstandig, onafhankelijk te laten worden, op zichzelf te doen staan? Wij kennen een regentsdochter, van onzen leeftijd, die ook een en al geestdrift is voor het vrijheidsidee. Zij zou dolgraag verder willen leeren. Zij spreekt keurig Hollandsch en heeft veel gelezen. 't Is de dochter van den Regent van Koetoardjo[1]; er zijn twee groote meisjes, allerliefste kinderen, wij mogen ze dolgraag. Ik weet van eene onderwijzeres, eene kennis van ons, dat 't oudste meisje dolgraag studeeren wil.[2] Van haar zelf wist ik, dat ze o zoo graag Europa zou willen zien. Het tweede meisje is ook een lief, aardig kind. Een paar jaar geleden zijn ze hier bij ons geweest; toen ze thuis kwamen, hebben ze direct schilderen geleerd, en nu schildert de jongste keurig. De vader zegt, dat 't zoo'n groote steun is voor den man, wanneer de vrouw wat geleerd heeft. Hij waardeert zeer de beschaafde, ontwikkelde vrouw. Wij hebben eene andere, getrouwde dochter van hem gesproken, die wel geen Hollandsch spreekt, maar toch op de hoogte van alles is, en zeer veel voelt voor de vrije, onafhankelijke Europeesche vrouw. Zij zou 't idealig vinden, als 't ook zoo in de Inlandsche wereld was.

Er is eene andere regentsdochter hier geweest, een Soendaneesch meisje, dat geen woord Javaansch spreekt, en met ons in 't Hollandsch converseerde.

De eerste vraag, die ze mij deed was: "Hoeveel moeders hebt u?" Ik keek haar met pijnlijke verbazing aan. (Zij was in huis bij Europeanen opgevoed). En dan ging ze door (schrik niet): "Ik heb 53 moeders, weet u, en ben met ons 83 (zegge drie en tachtigen). Ik ken de meeste mijner broers en zusters niet; ik ben de jongste, en heb mijn vader nooit gekend; die was gestorven vóór mijn geboorte". Is 't niet diep, diep treurig?

In vele streken van de Preanger hebben de adellijke meisjes vrije keuze, velen kennen haren aanstaanden echtgenoot. De jongelieden kennen elkaar en verloven zich op Europeesche wijze. Gezegend land! en toch—en toch! Daar is een meisje, eenig kleinkind van een regent, (de ouders zijn dood), heeft eene prachtige opvoeding genoten. Naar hetgeen haar onderwezen werd te oordeelen, moet ze een wonder van geleerdheid zijn; zij speelt keurig piano, enz. enz. Zij is verloofd op Europeesche wijze en getrouwd—met iemand—die vrouwen en een troep kinderen, waaronder volwassenen zijn, heeft. Ik heb met eene schoondochter van haar kennis gemaakt, een lief Hollandsch sprekend vrouwtje, moeder van een tweejarig kind; zij was 17 jaar oud—een jaar of twee jonger dan hare schoonmama. Zij heeft haar man zelf gekozen, vertelde ze mij, en is heel gelukkig. * * * * * Het idee om alles wat ik denk en voel over dieptreurige dingen in onze Mohammedaansche vrouwenwereld te publiceeren, bestond bij me reeds lang. Ik dacht er over het in boekvorm op te stellen: eene briefwisseling tusschen twee regentsdochters, eene Soendaneesche en eene Javaansche. Reeds heb ik een paar brieven geschreven ter inleiding en aanteekeningen gemaakt. Het idee zal ik niet laten varen, al zal 't misschien nog eenige jaren duren, voor ik het uitvoeren kan. Vooral zal ik 't niet opgeven, nu ik weet, dat dat ook het idee is van Mijnheer. De groote moeielijkheid is, dat Vader mij niet toestaat zulk een geschrift te publiceeren. "Dat ik de Hollandsche taal machtig ben, is heel mooi, zegt Vader, maar ik mag daarvan niet gebruik maken om mijne meening te zeggen".

Wij meisjes mogen geen meening hebben, wij hebben alles maar goed te vinden, en ja en amen te zeggen, op wat anderen goed dunkt.

Reeds een paar jaar geleden vroeg eene Hollandsche schrijfster van naam, redactrice van een damesblad, waarmee ik correspondeer, en voor wie ik heel veel sympathie gevoel, een brief van mij te mogen publiceeren, waarin ik even die quaestie heb aangeroerd. Mogelijk kon publicatie gedachtenwrijving uitlokken, en dit zou goed aan de zaak doen. Zij zou mij onherkenbaar maken; naam, woonplaats, alles verzwijgen; alle particuliere dingen er uit laten, en alleen die gedeelten plaatsen, waarin ik 't over zekere zeden en gewoonten van mijn land heb. De brief is naar Java teruggezonden, om aan Vader voorgelegd te worden. En 't mocht niet—later ... Ik wist wat dit later beteekende, als ik onschadelijk zal zijn, 't Raden Adjeng in Raden Ajoe veranderd is. De dame kwam nog eenige keeren daarop terug, maar 't bleef bij een neen.

Onlangs had zij het weer er over. Mevrouw Ter Horst, redactrice en oprichteres van 't Indische damesblad "de Echo", die persoonlijk veel van het Inlandsche vrouwenleven kent en in medelijden heeft met de adellijke meisjes in de Vorstenlanden, die als 't ware zoo maar worden uitgegeven, cadeau gedaan aan wie haar hebben willen, stelde me haar blad ter beschikking. Ze stelde me voor, om daarin een causerie van twee regentsdochters te openen. Geheimhouding voor zoover het noodig is, is absoluut zeker. Ook schetsjes uit onze wereld zullen goed aan de zaak kunnen doen. Ik gaf Vader den brief te lezen, verkreeg toestemming; maar vóór ik iets heb kunnen doen, werd zij weer ingetrokken. Ik mocht voorloopig mijne meening niet zeggen ... alweer was het: later....

De heer Boes van Probolinggo schreef Vader en vroeg mijne medewerking voor zijn blad: "De Nederlandsche Taal", tijdschrift voor Inlanders.

Ik mocht, schreef den Heer Boes, kreeg een brief terug, er werden mij eenige onderwerpen ter behandeling gegeven: "Inlandsch onderwijs voor meisjes", "iets over Inlandsche kunst" en "een nuttige Inlandsche instelling".

Toen zijn we naar Batavia gegaan. Er kwam zooveel tusschenbeide nog, ik kon niet aan de pennerij doen, en daarna werd ik toch zoo wanhopig om het wel mogen vandaag, en morgen weer niet, dat ik mijne paperassen verscheurde. Echt dom van me.

Ik kan bij wijlen en tijden zoo'n driftkop zijn. Ik was wanhopig; ik mocht alleen onzin schrijven; ernstige dingen mocht ik niet aanroeren.

Toen ben ik gaan denken, als ik over die dingen schreef, zou ik stellig heel de Inlandsche wereld tegen mij hebben, en als ik dan onderwijzeres werd, wie zou mij zijne kinderen willen toevertrouwen? Ik zou gewoon krankzinnig verklaard worden. En toch, dat denkbeeld is mij zoo lief, om door middel van de pers onze zaak te dienen. Stel u voor een school zonder kinderen, eene onderwijzeres zonder leerlingen!—maar zoo ver zijn we nog niet. Wij moeten eerst zien, hoe wij zouden kunnen studeeren. Wij zullen eerst trachten Vader over te halen ons verzoek aan den Gouverneur-Generaal te steunen.

Wij zullen er maar niet al te zeer op vlassen, dat ons verzoek zal worden toegestaan. En o God, als 't niet wordt toegestaan, wàt dan? Dan rest ons nog maar één weg: accoucheuse worden. Wij zouden dan onze ideeën van voorgaan en voorlichten moeten opgeven; alleen ons nuttig maken voor eene beperkte menigte zouden we nog kunnen, maar dit vinden we zooveel, veel beter; verkiezen we, boven een baantje als boekhoudster, of apothekersbediende b.v. Ons leven zou in deze betrekkingen zoo leeg, zoo dor zijn; wij zouden voor ons alleen leven, en wij willen leven voor de Gemeenschap, ons geheel daaraan geven.

Ik heb volledige inlichtingen over de Rijkskweekschool voor verloskundigen te Amsterdam, waar men geheel kosteloos voor dat vak wordt opgeleid. Moeten wij dien weg opgaan, dan zullen wij de hulp inroepen van Prof. Hector Treub. Het maakt wel degelijk verschil in de oogen onzer landgenooten, als wij accoucheuse werden, waar wij onze opleiding genoten hebben. Zij zullen het zoo min niet vinden, als wij in Europa opgeleid worden.

De cursus duurt twee jaar. Hoe wij in dat geval naar Europa zouden kunnen komen? Wij weten 't niet, maar er moet iets op gevonden worden.

Maar wij zullen hiertoe niet overgaan, voor we alles beproefd hebben, om tot dat andere te kunnen geraken.

Och, konden wij maar contact hebben met onze beschaafde, vooruitstrevende jonge mannen, zooals Abdoel Rivai e.a.; hun sympathie voor onze zaak winnen, wat zou dat veel goed doen! O! wanneer zal toch de tijd aanbreken, waarop jongens en meisjes, mannen en vrouwen elkaar als gelijke wezens zullen beschouwen, als kameraden? Zooals 't nu is in onze Inlandsche maatschappij—bah! wat worden wij vrouwen toch vernederd, telkens en telkens weer!

Illustration from Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk

Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).

Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).
Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).

3 Januari 1902. (VIII.)

Maar de Resident zal ons wel zien en spreken; ZEd. was 't, die ons 6 jaar geleden te voorschijn haalde; op zijn verzoek kwamen wij naar buiten; vóór dien tijd kwamen wij nooit in gezelschappen, betraden wij zelfs de pendopo niet, en moesten allen, die ons zien en spreken wilden, bij ons in de binnenkamer of achtergalerij komen. 't Is wel aardig om die periode te volgen, hoe wij stap voor stap den weg der Vrijheid opgingen. De Heer Sijthoff[1] was 't, die ons den eersten stap hielp doen. Nu staan wij op 't punt om een nieuw tijdperk in te gaan. De zes jaren, die achter ons liggen, zijn onze gelukkigste jaren—veel geweend, maar ook veel gejubeld!

Toen wij op Semarang kwamen, kwam mijn oudste zus over; zij woont in 't Kendalsche. Zij had rust noch duur voor zij ons drieën gezien had. "Zus, zus", was alles wat ze zei, toen ze mij zag. De armen, die om mij heen werden geslagen, trilden, en hare oogen waren omfloersd door tranen. Oog in oog, hart aan hart, stonden wij daar zwijgend met ons beidjes—wij begrepen elkaar. Eindelijk hebben wij elkaar gevonden![2]

Wij hebben innig, innig medelijden met zus; men kan zóó zien, dat zij zoo graag met ons mee wil en zich van hare onmacht is bewust. Eindelijk dan na jaren vinden wij bij haar sympathie en waardeering. 't Geeft ons moreele satisfactie en weer meer moed. Zij was eerst beslist tegen al dat nieuwe, was beslist conservatief en nu...?

Aardig om hare bewondering voor de jongere zusjes te zien. Verwonder u er dus maar niet over dat wij ijdel en pedant zijn! Dat zij nu door hare bewondering erkent, dat wij niet kwaad zijn, wat wij doen niet slecht, doet ons goed, maar pijn doet 't ons aan den anderen kant toch ook.

Zij heeft een besten man. Ik heb hem kort geleden pas leeren kennen, wij drieën zagen hem slechts enkele keeren, wisselden een paar woorden met elkaar, en daarmee was alles gezegd.

Den laatsten keer, dat wij hem zagen, hebben wij lang met elkaar gesproken—en ik vind, dat zus een prijs heeft getrokken uit de huwelijks loterij. Hij heeft ook de Hoogere Burgerschool bezocht en een paar klassen afgeloopen en is toen bij 't Binnenlandsch Bestuur gegaan. Mijn schoonbroer heeft nu geen vader meer. Al zijne broers en zusjes hebben de Europeesche school bezocht. Een broer van hem zit nog op de H.B.S.; hij zit in de 4de en moet dit jaar naar de 5de klasse overgaan. 't Is een vlugge jongen. Een neef van hem, regent, ried mijn schoonbroer aan, den jongen van school af te nemen; hij zou dan wel zorgen, dat hij terecht kwam. Telkens kwam die neef erop terug, maar zwager wilde daar niets van weten. "Wat, hem van de studie weghalen? Zeker, en dan hem schrijver van een assistent-wedono op f 15 of f 20 tractement laten worden? Geen quaestie van; hij moet de H.B.S. afloopen, en dan bij den handel gaan of bij het spoor".

Flink zoo zwager, hij aanbidt dus niet de goudgestreepte pajong en W. knoopen! Mooi van zijne moeder, vindt u niet, om dien jongen toch door te laten leeren, terwijl zij thuis nog vier kinderen heeft?

Wat is het toch heerlijk om veel geld te hebben; men kan er anderen zoo gelukkig mee maken. Ik wilde wel, dat ik over tonnen te beschikken had, dan stuurde ik dien jongen naar Europa, om verder te studeeren.

Ik ken ook een meisje, die de kloosterschool op Semarang bezocht, en nu wegteert. Arm, arm meisje! zij was aan een heel ander leven gewoon; nu als wedono's dochter, ziet en spreekt ze niemand, en kwijnt weg. Als zij iets had geleerd, waarmee zij geld verdienen kon, zou 't dan zoo zijn met haar? Voor zulken moet 't voorbeeld gegeven worden, dat arbeid adelt, dat een Inlandsch meisje niet van familie hoeft afhankelijk te zijn, als ze dat zelf niet wil.

Is er grooter vernedering dan afhankelijk te zijn? Als zij een vak had geleerd, dan was ze nu vrij en zelfstandig! En wat lot wacht haar, als zij leven blijft?—Natuurlijk moet zij trouwen.

Niet lang geleden kwam hier een wajang orang[3] troep, en een van de dansvrouwen was ... een regentskleindochter! Wat is oorzaak van die degradatie?

Vroeger was 't geen gewoonte om de kinderen te laten leeren; nu is 't iets alledaagsch. Maar als men een stuk of 25 kinderen heeft, kan men hun toch niet allen een goede opvoeding geven?

Er is gevraagd naar de oorzaak der vermindering van het prestige van den Inlandschen adel. Werd die quaestie toen aangeroerd, dat men 't recht niet heeft levens te verwekken, als men niet laten leven kan? Och wat ben ik toch onnoozel!

Aan alles, alles doordenkende, stijgt uit mijn hart een kreet, een bede op: "Geef den Javaan opvoeding!" En bij die opvoeding moet niet alleen op het verstand gewerkt worden, maar ook op 't gemoed.

En telkens als ik dingen zie of hoor, die mij doen rillen van afschuw, of mijn hart bloeden doen, stijgt als een kreet de bede in mij op: "Geef den Javaan opvoeding!"

Eene groote illusie is het van mij, om ons eens in verbinding te stellen met alle ontwikkelde, vooruitstrevende mannen van Indië. Als één mensch alleen ben ik machteloos, maar als de jonge garde zich vereenigde, zouden wij met vereende krachten iets goeds tot stand kunnen brengen. Wij gloeien van geestdrift, wanneer wij knap geschreven artikelen van onze landgenooten lezen. Hoe zullen wij ons toch met hen in verbinding kunnen stellen? Nu is 't bijna een volstrekte onmogelijkheid. Men zou ons dadelijk verdacht maken. Vriendschap tusschen man en vrouw, tusschen jonge menschen van beiderlei kunne, acht men onbestaanbaar. Als onze broer terug is, zouden wij 't pas kunnen doen.

Ik dacht bij mezelve, als ik iets vreeselijks deed, dat werkelijk ieders verachting verdiende, en iedereen zich van mij afkeerde, mij smadelijk verstiet, zouden Vader, Moeder 't ook doen? Neen—dat zullen ze niet; ik blijf hun kind, een plaats in hun hart behouden, al had ik 't vreeselijkste gedaan. En er kwam eene groote verteedering over mij. Terwijl wij hier in onze kamer zitten te pieken aan Kleintje's kleeren, (ze wil niet hebben, dat een vreemde er aan komt; wij moeten alles zelf doen), gaat de deur telkens open en komt Vader binnen ... om dit weerspannige hoofd te streelen, waarin zoovele oproerige gedachten woelen.

Over vier weken zal zus niet meer in ons midden zijn. ?Jullie zullen mij erg missen, dat weet ik", zei zij. Eens alles drie geweest, altijd drie bijeen, en dra?...

Wij zullen nooit kunnen vergeten.

15 Februari 1902. (I.)

Als mij iets onaangenaams van de menschen overkomt, dan brengt dat mijn bloed aan 't koken, ben ik verontwaardigd, maar daarna komt er zoo iets als vreugde over me: ik ben blij dat zij 't zijn, die mij het aandeden en niet ik hun, want dan zou ik laag zijn, en als ik dan bedroefd ben, is 't omdat zij met die laagheid mij schandelijk onrechtvaardig bejegenden.

Vergeef me, dat ik nu eerst je schrijf; zoo dadelijk na 't vertrek van onze lieveling, ons harte- en zielezusje, kon ik aan geen schrijven denken, schoon jij me niet uit de gedachten was aldoor. Zus is den 31en Januari van hier naar hare nieuwe woning vertrokken. God geve, dat ons kindje zoo gelukkig mag worden, als een jong, rein, onschuldig menschenkind dat maar bij mogelijkheid worden kan. Je weet hoezeer wij drieën aan elkander zijn gehecht, en dat zij ons beider troetelkindje is geweest, omdat zij niet sterk is en zooveel onze hulp en steun behoefde steeds. Zooveel hebben wij vóór haar trouwen reeds om de a.s. scheiding geleden, dat toen de groote slag viel, wij ongevoelig waren. Wij waren zoo akelig kalm, wij dachten niets, wij voelden niets. Zij ging, en wij zagen haar gaan met droge oogen. We werden bang van ons zelf, wij waren zoo koud, zoo heelemaal zonder gevoel; niets raakte, roerde ons aan. Dat was onnatuurlijk; koud zijn, dat is tegen onze natuur in; we waren bang, dat er iets broeide, iets in aantocht was; dat die ongevoeligheid de voorbode was van iets naars: ongesteldheid of zoo iets. Wij voelden ons zoo leeg in 't hoofd en van binnen. Annie Glaser, ons makkertje, zocht ons veel op, op verzoek van zusje. Op een avond dat zij er weer was, speelde ze zusje's en onze lievelingsstukken op de piano. En daar langzaam ontdooide de ijskorst om onze harten onder de tonen van haar muziek. En met de warmte keerden de pijnen weer terug in onze harten. Goddank, dat wij ons gevoel weer terug hebben! Goddank; zeggen wij, niettegenstaande de pijnen, want wie ongevoelig is voor pijn, is ook niet vatbaar voor de vreugde. Wie niet heeft geleden, kan ook niet hoog genieten.

Zij is weg, ver weg van ons, en wij kunnen 't ons nog maar niet voorstellen, dat zij hier niet meer is, ons kleintje, ons eigen kindje. Wij zien haar overal, ze is om en bij ons als altijd, alleen maar dat wij niet luid met elkaar praten als altijd, maar dit nu slechts in gedachten doen. 't Is ons nog zoo vreemd, dat we naar papier en pen moeten grijpen om haar 't een en ander te zeggen!

Kleintje, ons kleintje, zijt gij dan werkelijk van ons heen? Ah! Dierbaar zusje, wees gelukkig in uw nieuwe leven en verspreid geluk om u heen, zooals gij het hier deed, en waarmee ge harten aan het uwe hebt vastgeschakeld.

Stella, heb veel geduld met me, ik zou je zoo graag gelukkig willen maken met een jubelenden brief, maar dat zal ik nog in lang niet kunnen doen, vrees ik. Maar wees jij niet ontmoedigd, mijn beste, wij denken er in de verste verte niet aan om onze plannen op te geven; wij zijn juist steeds doende om onze positie sterk te maken; heerlijk, dat wij steeds meer sympathie winnen.

Daar is een jongmensch, een erg knappe bol, en zedelijk hoogstaand, die ons niet persoonlijk kent, maar toch zooveel sympathie voor ons streven gevoelt en daarin zoo levendig belang stelt, als was hij een eigen broer van ons. Wij correspondeeren met hem en later zal hij hier komen om persoonlijk met zijne zusjes kennis te maken. Hoe anders is hij dan al de andere jongelui, die wij kennen. Het heiligst goed op aarde, las ik eens, is een edel mannenhart. Wij onderschrijven die woorden, waarlijk, een edel mannenhart is 't kostbaarste goed op aarde; het is zoo zeldzaam. Gelukkig zij, die in hun leven zulk een parel ontmoeten. En gelukkig zijn wij, wij kennen eenige van dat kostbare en zeldzame exemplaar. Zie, al dat goede steunt ons, geeft ons telkens nieuwen, frisschen moed en kracht tot arbeid en tot strijd.

Zus Roekmini houdt zooveel van je en stelt je zoo hoog. 't Is zoo'n best kind, zij is zoo goed, zoo trouw. Je zoudt zeker goed met haar kunnen opschieten, als je haar kende. Maar je kent haar reeds door mij, niet waar?

Toen ik zoo ziek was, verzocht ik haar je te schrijven, maar dat wilde ze niet, omdat 't je zou verontrusten.

Ik hoop vurig, vurig voor haar, dat zij hare grootsche illusies zal kunnen verwezenlijken.

Weet je wat mij tot nadenken stemde en ook eenigszins ontmoedigde?

Toen zij en naderhand ik zoo zwaar ziek waren, dacht ik bij mezelve: "Ziehier iemand, die gloeit van geestdrift voor eene edele zaak, die oprecht en vurig wil, het Goede dienen, zooals haar dit het beste lijkt; zij waant zich sterk om bergen te verzetten, en zie, daar ligt zij weerloos, machteloos!

Als iemand haar opnam, en in de put gooide, zij zou 't stil laten begaan, geheel weerloos, machteloos, als zij was.

Nu eerst begrijpen we zoo goed, wat de Genestet in zijn "Terugblik" zei:

"Wat wij wenschen, willen, streven, Hooger geest gebiedt. Vrije mensch, uw weg, uw leven, Maakt g' u zelven niet. 's Adelaars vlucht heeft vaste perken, Waar hij henen schiet. De Almacht neigt den wil der sterken, Als de wind het riet. Leg den grond voor—luchtpaleizen, Op der plannen kaart, Merk den weg, dien gij zult reizen Wijd en schoon is de aard! Kies uw lot en zoek uw wegen Bij uw eigen licht!... Maar verwacht een God van zegen, Die uw gangen richt!"

En diezelfde dichter heeft ons zooveel troost geschonken in zware, moeilijke dagen.

18 Februari 1902. (VIII.)

Wij kunnen ook wel zoo echt dol en dartel, zoo ècht jong zijn—o! konden wij u hier tooveren. Wij waren den Zondag na ontvangst van uwen lieven brief, en dezen Zondag weer met Anneke aan 't strand. Wij dachten aan u en spraken van u. Ah, kon u maar bij ons zijn, om naar 't woeste golvenspel te kijken, naar 't ongemeen mooie kleurenspel, dat de scheidende zonne tooverde aan het uitspansel. Er woei zoo'n harde wind, in minder dan geen tijd waren onze pruiken gehavend, en hadden wij moeite om onze kleeren bijeen te houden. Er was leven in de boomen, leven in 't onafzienbare watervlak, en leven ook in de vijf personen, die de golven naderden en zich door de golven na lieten loopen. Wat hadden we een pret! Door 't geraas der golven heen, hoorde men onze stemmen, onzen lach. Dat waren de "onderwijzeres" en de deftige "prinsessen", die daar renden en draafden met verwaaide haren en verwaaide kleeren. 't Was zoo verrukkelijk, zoo ècht jong en dartel! Onze koetsier en enkele voorbijgangers bleven staan om ons met open mond aan te gapen.

Den volgenden morgen gingen we weer naar 't strand; de zee was uitgeraasd, kalm; rustig lag daar 't onmetelijke watervlak vóór ons; slechts kleine rimpels, waarop 't zonnelicht als briljanten danste, vertoonden zich op den waterspiegel, die 't prachtige blauw van den hemel weerkaatste. We gingen de zee in; de bodem was effen; geen steentje, geen zeewier, geen modder; we gingen een heel eind ver, tot 't water aan onze kin reikte. De baboe aan 't strand werd angstig; we konden elkaar niet meer verstaan. Zij liep als een gek met hare armen te zwaaien, ons terugroepend. En wij lachten om haar angst. Van uit de verte zag ze de vijf hoofden rond drijven: wij dansten en over het water klonken onze stemmen, die een frisch liedje aanhieven.

Als verjongd kwamen we uit de zee, brachten thuis een geweldigen honger mede. Als we flink ontbeten hadden, zette Annie zich aan de piano. Uit de volheid van haar hart speelde ze een "danklied" en wij zongen mee. 't Was intusschen halfelf geworden. Nu fluks aan den arbeid; in de achtergalerij stond onze schilderdoos klaar! Met ons vijven zaten we om een tafel, en waren dra druk aan den gang; niet alleen de vingers repten zich, maar ook de mondjes zaten niet stil; er werd aldoor gepraat, gelachen en gezongen. In een oogwenk was de tijd om, en moesten we weer aan tafel. 's Middags een toertje maken, en dan aan 't strand wandelen!

Van de wandeling, ten minste, als 't niet al te donker is, in den tuin thee drinken, te midden van groen en bloemen, en boven ons een prachtig blauwe hemel, met enkele sterren en de bleekgouden maan. En daarna samen lezen of musiceeren. Als Annie piano speelt, zitten wij er gewoonlijk bij te handwerken of te schrijven, zoo onder muziek te werken is heerlijk. 't Werk vlot zoo goed. Koken staat ook op 't program. Dat doen wij na de rijsttafel.

Komt u beiden maar zelf over, om u hier te verpoozen van dat drukke Batavia. Toe, doet u 't eens? Wij zullen u opwekken. Wij zullen u laten genieten van een echt dessaleven, zoo rustig, zoo stil, kalm en vredig; voor leven zullen wij zorgen; daarin zullen ons bijstaan de boomen, de wind, de zee, de vogels, die 's ochtends ons steeds met een concert begroeten.

Komt over, lieve Vrienden, komt in ons eenvoudig en stil plaatske nieuwe, frissche kracht halen!

Van de bruiloft hier zal ik maar vertellen, dat Zusje was een lieve bruid.

Zij trouwde in wajang-kostuum en zag er keurig uit. 's Avonds op de receptie verscheen ze als een sprookjesprinses uit duizend en een nacht. Zij had een gouden kroon op en was gesluierd, 't Was als een sprookje! Iets nieuws, het zal stellig navolging vinden.[1]

Resident Sijthoff, die Zus graag nog voor 't laatst als jong meisje zag, woonde de geheele geschiedenis bij. Graag hadden ze haar nog voor 't laatst als jong meisje de hand gedrukt, maar dat was niet mogelijk. Ze konden haar maar met de oogen groeten. Als uit steen gehouwen zat ze daar voor den goud-glanzenden troonhemel; kaarsrecht, het hoofd fier opgericht, de oogen recht vooruit, starend naar de toekomst, die dra ontsluierd zou worden. De gebruikelijke traantjes werden er gestort; zelfs vreemden waren ontroerd; doch èn zij, èn wij tweeën, waren en bleven kalm, koud en onbewogen. Gamelan, noch muziek; wierook noch bloemengeur, vermocht de minste ontroering bij ons teweeg te brengen.

Wij waren koud. Men had zich het afscheid vreeselijk voorgesteld, en men was verbaasd.

Wij hadden veel bekijks en hebben nog steeds veel bekijks. Men is benieuwd, hoe wij ons er onder houden.

Wij hebben den Resident nog over onze plannen gesproken, dien avond nog. Stel u voor, temidden van feestgewoel spraken we over eene zaak zóó ernstig en zóó teer. Maar 't was de eenige gelegenheid om hem alleen te spreken, en wij moesten voortmaken. Alleen! en om ons heen waren menschen en nog eens menschen. Te midden van groen en bloemen, zijdegeglans, goud- en juweelengeschitter, stemmengegons, in een zee van licht zaten wij daar met een champagneglas in de hand, 't was middernacht, over ernstige onderwerpen te spreken. Van tevoren wisten we, dat hij ons zou uitlachen en minstens ons "mal" vinden. Wij lieten er ons niet door afschrikken. Hij sprak mij eerst, daarna Roekmini, om te zien zeker, of wij elkaar al dan niet nabrauwden. Dikwijls verliet hij ons in eene niet zeer vriendelijke stemming, maar kwam toch telkens weer terug, om 't gesprek opnieuw weer aan te knoopen.

Als wij naar Holland konden gaan om te studeeren, wat zou u beiden beter voor ons vinden, dat wij gingen of dat wij hier bleven? Wil u ons hierop antwoord geven? omdat u mijn gezicht niet kunt zien, terwijl ik dit schrijf, meld ik 't u, dat ik 't u heel lief vraag en daarbij u heel lief aankijk!

Nog een groot verzoek heb ik u te doen. Zou u zoo zeer vriendelijk willen zijn als u uw vriend Dr. Snouck Hurgronje ontmoet, ZEd. te vragen of er bij de Mohammedanen ook wetten van meerderjarigheid bestaan als bij u?

Of zou ik 't wagen, mijzelf tot ZEd. te wenden om inlichtingen? Ik zou zoo graag het een en ander willen weten over de rechten en plichten, of beter nog over de wetten der Mohammedaansche vrouw en dochter. Een mooie geschiedenis, ik moet er mij voor schamen, dat wij dat zelf niet weten. Wij weten zoo bitter weinig!

't Spijt me ook zoo innig, dat de Meisjes H.B.S. wordt opgedoekt. Vreeselijk is 't.

28 Februari 1902. (VIII.)

't Bloed verloochent zich niet; ik hecht waarde, gewicht aan de afkomst van al wat me omringt; ik heb idee, dat voorwerpen afkomstig van personen, die ik onverdeeld eer, liefheb en hoogacht, mij zegen aanbrengen! Uit uwe boeken zal ik zeker met meer lust en ijver, en ik hoop ook met meer gemak, leeren! Vindt u mij nu niet erg dwaas? Ik ben ook niet meer dan een groot kind dat verlangt véél lief te hebben, zoo gaarne weten wil om te kunnen begrijpen. Dàt willen wij zoo graag!

Begrijpen is een heel moeilijke kunst, nietwaar, liefste—heel moeilijk om aan te leeren, wien het niet als eene gave aangeboren is.

Begrijpen, doet zacht oordeelen, doet vergeven, en maakt ons goed. Innig dank, mijn liefste, dat u beiden ons leeren wilt te leeren begrijpen!

't Is Vrijdagavond, gamelan-avond, onze lievelingsstukken worden daar gespeeld! De ijskorst om onze harten is gesmolten; 't zonnetje heeft de koude harten warm gekust! Nu zijn ze weer vatbaar voor aandoeningen! Op de zoete, serene tonen, die deze zachte avondwind van de pendopo komt aandragen, zweven weer onze zielen òp naar de blauwe hemelen onzer verbeelding!

Droom voort, droom voort, droom zóólang ge droomen kunt! Als er géén droomen waren, wat zou 't leven dan zijn? de werkelijkheid is meestal zoo hard.

Men heeft misschien gelijk, wij moesten eigenlijk alleen op een onbewoond eiland wonen!

Maar dat zou puur egoïsme zijn nietwaar? wij moeten, geloof ik, met en voor de menschen leven. Dàt is de bestemming van 't leven—om het Leven mooi te maken!

Leed loutert, tenminste als de mensch van goed maaksel is; in 't tegenovergestelde geval verlaagt het. Ook wij zijn veranderd —hoe, dat zal de toekomst leeren; wij weten alleen maar, dat we de dartele kinderen niet meer zijn.

Wij hebben al de prulletjes van onze kamer weggedaan, en er de kinderen mee blij gemaakt. De vroolijke meisjeskamer is er niet meer, waar zooveel werd gedroomd, gedweept, gedacht, gevoeld, gejubeld, gestreden en geleden! Alteen onze boekenkast is er onveranderd gebleven, en lachen onze oude vrienden nog steeds ons vriendelijk en vertrouwelijk en bemoedigend toe!

Een onzer beste vrienden, een oudje, waar niet veel meer naar omgekeken wordt, omdat 't ouderwetsch is, ziet men dadelijk, wanneer men hun woning ontsluit. Ons lief, trouw oudje, menigeen haalt er den neus voor op, maar wij hebben hem lief, onzen ouden vriend, die ons nooit heeft verlaten, in vreugdedagen met ons meejubelt, en in smart en donkere dagen ons troost en opbeurt. Het is ... de Genestet.

Het heeft ons in de laatste tijden zooveel troost geschonken!

5 Maart 1902. (VIII.)

Weet u wie de wajangs steeds voor ons teekent? U raadt 't nooit. Een gamelan-bespeler van ons. Verwonderlijk, hoe die man dat kan, en zoo keurig. Maar 't schijnt dat teekenkunst inheemsch is in Japara; kleine katjoengs, karbouwenjongetjes, teekenen keurig wajangs, in 't zand, op den muur, op bruggen, brugleuningen.

De muur achter ons huis zit steeds volgekrast met wajangfiguren. Als de brugleuningen vandaag gewit worden, zitten zij morgen al weer vol wajangfiguren, geteekend met houtskool of een stukje roode baksteen, door naakte, bemodderde aapjes.

't Is wel makkelijk voor ons, om een teekenaar in onze omgeving te hebben; willen wij 't een en ander hebben, dan hoeven wij 't maar te zeggen en uit te leggen.

Nu is de houtsnijder bezig aan iets moois, n.l. een boekenkast van djatihout, met sonohouten randjes. De deur, die uit één glazen ruit bestaat, wordt gevat in een dubbele lijst, twee smalle uitgesneden repen sonohout op kleine afstanden samengevoegd door wajangs en djatihout; aan den benedenkant worden de lijsten vereenigd door slangen, die op elkaar losstormen; het bovenstuk wordt met wajangs besneden; en er komt dan nog lofwerk op. Het bovenstuk rust bij de deur op twee stijltjes, uitgesneden en ingelegd met snijwerk van sonohout. Wij zagen iets dergelijks op Mantingan, het graf van den Sultan van Mantingan ('t ligt een half uur rijdens of iets meer van hier); geen houtsnijwerk, maar pleisterwerk en in de muren gemetseld. 't Zijn oudheden van China afkomstig, waar de Sultan geweest was.

Daar is een heel verhaal aan verbonden. Het is een heilig graf; wij gaan er nog al eens naar toe. Een Chinees was den Sultan uit China hierheen gevolgd; hij ligt daar ook begraven. Naast zijn graf groeit een patjéboom. Aan dien boom is een wonderkracht toegeschreven. Kinderlooze vrouwen, die gaarne een kind zouden krijgen, gaan er naar toe, brengen den Sultan bloemen en wierookoffers. Als er een patjévrucht op 't graf van den Chinees valt, moeten de vrouwen ze oprapen, daarvan roedjah maken en eten. Haar wensch zal dan vervuld worden. Men heeft ons namen genoemd van personen, die daar baat bij vonden.

Edie heeft gelijk, 't Javaansche volk is een volk van sagen en sprookjes!

Men zegt, dat kinderen, waarmee de Sultan van Mantingan de kinderloozen zegent, allen meisjes zijn! Arme kinderloozen! Wij zullen naar een heilig graf zoeken, dat de wereld met jongens zegent; er zijn al veel te veel vrouwen op de wereld!

Hemeltje, wat ben ik aan 't dwalen geweest. Ik schreef over die kast en vergat ze geheel. Dat mooie meubel is bestemd voor zusje Kardinah, een cadeau van de familie Ovink. Zuske boft er bij!

Verleden maand zijn twee vuurschermen klaargekomen, voor een controleur, die naar Holland gaat. Prachtige dingen—ook met wajangfiguren—het eene, uit drie blaadjes bestaande, is geheel van djattihout gemaakt; en het andere uit één blad djatti hout, gevat in donker sonohouten omlijsting. Prachtig, gewoon!

Heerlijk, dat zooveel vraag is naar ons Japarasch houtsnijwerk. Verbeeld u wat wij op ons dak kregen: er is bederf getreden in de Japarasche houtsnijwerkindustrie, doordat dochters van een hooggeplaatsten Inlandschen ambtenaar aldaar steeds voortgaan de houtsnijders naar Europeesche modellen en motieven te laten werken. Het heeft in een der bladen gestaan. We stonden er verstomd van te kijken, toen wij dat hoorden, daar wij altijd gedacht hadden, dat wajang specifiek Indisch was, en nu blijkt 't, dat wij ons vergist hadden, dat 't iets Europeesch is, want dat waren de modellen en motieven van de kaboepaten afkomstig. Maar vergissen is menschelijk, niet waar? en wij zijn maar menschen, Javanen nog wel. 't Was een heele toer geweest om onze artisten over te halen wajangpoppen te snijden. Ze waren doodsbenauwd dat de wajanggeesten op hen vertoornd zouden worden. Eerst toen Vader hun verzekerde, dat Vader alle verantwoordelijkheid op zich nam, en de toorn en de wraak der geesten hèm alleen zullen treffen, hem, den lastgever, en niet hen, die slechts uitvoerders waren van zijn wil, wilden zij. Vermakelijk was het! zoo is het met meer dingen.

't Was ook heel moeielijk geweest om eenige foto's in de kampong te maken. Het bijgeloof zegt, dat men zijn eigen leven kort, als men een portret van zich maken laat, en een photograaf is een groot zondaar; al de portretten, die hij maakt, zullen in het hiernamaalsche hem om levens vragen.

Toen wij met een photograaf in een kampong kwamen, begonnen eenige vrouwen te huilen, maar toen er eindelijk één moedige was, die durfde, droogden zij hare tranen, en toen wij weer eens terugkwamen, boden zij zich aan, om gefotografeerd te worden.

Zoo is 't met alles, hè liefste; één moet durven, voorbeeld geven!

Zusje R. is bezig een portret van zusje K. als bruid te maken. Zij teekende 't uit 't hoofd. De bovenlip en neus willen nog niet goed lijken; het overige kan er mee door, vooral de bruidstooi heeft zusje aardig gedaan. Zij wil probeeren het op een bord na te boetseeren, op de wijze zooals u 't ons beschreef. Van zusje Kartinah heeft ze in haar schetsboek een aardig portretje gemaakt. Aardig toch, dat ze al die dingen doet, zonder 't ooit geleerd te hebben, maar zij is ook een kind van Japara, waar zelfs karbouwenjongens teekenen kunnen. Bevoorrecht land toch dat Japara! U weet niet hoe trotsch wij op ons lieve woon zijn! En velen, die hier moeten zijn, verwenschen het noodlot, dat hun naar dit onmogelijke oord voerde. Verschil van smaak!

Nu even een "ijdelheidskwestie". Onlangs vroeg ik eene Hollandsche schrijfster haar oordeel over ... mijn Hollandsch. Verleden week kreeg ik een briefje van haar en daarin gesloten een schrijven aan eene andere Hollandsche dame, aan wie ze juist haar oordeel zeide over mijn Hollandsch, toen zij mijn brief ontving. Hoe toevallig toch en aardig! Ik was blij natuurlijk! Een week tevoren kreeg ik door tusschenkomst van eene vriendin, van eene andere Hollandsche dame, redactrice van een vooruitstrevend vrouwenorgaan, eene aanbieding, om medewerkster aan haar blad te worden, om de 14 dagen een brief er voor te schrijven. Mijne vriendin had die dame over ons gesproken, en zij voelde veel voor ons streven, en wilde gaarne door middel van haar blad wat voor de Javaansche vrouwen doen. Ook zij was van oordeel dat een kind van het Javaansche volk zelf haar stem moest laten hooren, om de Hollanders een beteren kijk op het Javaansche volk te doen krijgen, en hun sympathie te doen opvatten voor dat volk. Ik wil dolgraag, maar moet natuurlijk eerst toestemming van Vader hebben, en ik heb er goede hoop op, die te krijgen.

14 Maart 1902. (I.)

Er spreekt zoo'n groote bezorgdheid uit je brief.

Wees nu gerust, lieveling, er heeft niemand mij kwaad gedaan. Ik zelf, domme, onverstandige ik, was 't, die mijzelf kwaad deed. Ik vond er genoegen in om in eigen zielewonden te wroeten, vindt je dat nu niet in-dom? Ah, de practijk van de theorie "door lijden tot heerlijkheid" is zoo hard!

Over mijn zusje schreef ik je reeds in een vorigen brief, 't Is zoo'n groot gemis; wij missen ons harte- en zielezusje bij alles. Wij kregen gelukkig steeds opgewekte brieven van haar. O! 't Is zoo'n lief en edel kind! zij is meer dan wij beiden tezamen. Zij heeft 't heel goed in haar nieuwe woon en ondervond veel hartelijkheid van 't publiek. Haar nieuwe familie draagt haar op de handen, en waar zij kwam, daar ondervond zij veel hartelijkheid en sympathie van Inlandsche zoowel als van Europeesche zijde.

De Europeanen verwachten van haar, dat zij de vrouwen van de Inlandsche ambtenaren zal ontwikkelen. Zusje kan veel doen voor onze zaak.

Wat haar man is, weet je reeds uit de huwelijksannonce, die wij je zonden, Patih; dat is op een na de hoogste rang in de Inlandsche ambtenaarswereld; onze zwager is bovendien troonopvolger. Als zijn vader eerlang aftreedt, zal hij hem opvolgen.[1] Als regentsvrouw zal zusje veel kunnen doen voor de beschaving der Inlandsche vrouw, meer nog dan wij 't ooit kunnen. En wij hebben goede hoop, dat haar man haar daarin zal bijstaan; tenminste hij was zeer voor de plannen van den heer Abendanon.

Hij is erg aardig voor zijn vrouwtje, vroolijk en opgewekt, en heeft een medelijdend hart. Hij onderhoudt een schep arme familieleden. Aardig toch, vindt je niet?

Maar dat doen meer Inlanders, en die het goed hebben gedenken hun arme nabestaanden.

Daar is bijna geen enkel Inlandsch hoofd, dat niet een stuk of wat arme familieleden in huis heeft en hen onderhoudt. Niet voor niets dus staat Indië bekend om zijne hartelijkheid.

Over zusje ben je nu dus ook gerust, vrouwtje?

Zij is alleen maar wanhopig, dat men zooveel van haar verwacht, evenals haar oudste zus, die nooit zoo goed haar kleinheid voelt, dan wanneer zeker iemand in Holland (Amsterdam) haar zoo in het zonnetje zet.

Waarlijk, Stella, dat moet je niet doen; ik zal je zoo bitter tegenvallen, als het gelukkigste aller gelukkigste gesternten mij eens in je armen voert. Je hebt een veel te mooien dunk van mij, mijn karakter en mijn intellect. Die zijn, om je de waarheid te zeggen, geen dubbeltje waard, en ik meen het. Maar wat je niet zal teleurstellen, vrouwtje, dat is mijne liefde voor jou!

Laatst kreeg ik een brief van een ouden heer, die het over mijn "zacht gemoed" en "lieven aard" en "bedrevenheid in de Hollandsche taal" had. Ik glimlachte weemoedig, toen ik dat las en dacht bij mijzelf: "Wist gij het maar!" Hij is op 't laatst van 't vorige jaar uitgekomen en zou ons verleden maand opzoeken, maar 't lot heeft anders gewild; door ziekte moest hij hals over kop naar Europa terug, ook zijne vrouw, met wie hij uitgekomen was, om afscheid van 't Zonneland te nemen.

't Spijt ons innig; wij hadden hem zoo graag ontmoet en over onze zaak gesproken. Toen voor korten tijd geleden sprake was van eene mogelijkheid dat wij naar Holland konden komen studeeren, hadden wij gedacht, gehoopt, in dezen zomer samen met die familie naar Europa te kunnen vertrekken. Helaas! die hoop is vervlogen! Gisteren kregen we brieven uit Holland en ik zei tegen mezelve: "ouwe jongen, 't hoofd op, het zal heusch de eenige teleurstelling niet zijn, die het leven je brengt; geloof maar vast, dat de toekomst nog een heele hoop voor je in haar schoot verborgen houdt!" En ik ben er overheen gestapt. 't Leven leert je vanzelf koelbloedigheid.

En nu over het voorstel van Mejuffrouw Van der Meij. Allereerst dank ik je hartelijk, mijn trouwe kameraad, voor hetgeen je voor mij hebt gedaan; dan dank ik je ook voor de toezending van "Belang en Recht". Ik ben met je briefje, waarin je mij dat voorstel deedt, naar Vader gestapt, dien ik 't liet lezen.

Vader wil eerst de komst van Van Kol afwachten, alvorens in die zaak te beslissen. Ik heb goede hoop op zijne toestemming. Hoef ik je nog te zeggen, dat "ik wil"? Je weet, dat 't pennen mij steeds heeft aangetrokken, en ik zal maar gelooven, dat ik daartoe aanleg heb, zooals jij het mij zoo dikwijls verzekerd hebt. Ja, Stella, ik wil, maar niet onder mijn eigen naam, ik wil onbekend blijven, vertel dat aan Mejuffrouw Van der Meij. Maar dat zal ook veel helpen!!! als men hier in Indië hoort van artikelen eener Javaansche vrouw, dan weet men dadelijk de schuldige aan te wijzen. 't Is vervelend; ik word niet graag aangesproken over mijne pennevruchten (misbaksels) en vooral niet, als ik niets dan lof hoor, bah! Men vindt eene Hollandsch schrijvende Javaansche vrouw interessant, ziedaar het geheim van het goedkoope succes. Pleizierig voor mij I

Maar laat ik nu de voordeden aan dat interessant-zijn verbonden, niet over het hoofd zien.

Het heeft wèl degelijk zijne voordeden. Ja, Stella, ik en anderen gelooven, met jou, dat het veel goed kan doen, wanneer een kind van het eigen volk zijn stem verheft, eene Javaansche vrouw zelf wijst op 't lief en o zooveel leed in hare wereld.

Daar wordt zooveel en zoo bitter geleden in onze arme vrouwenwereld. Maar eer ik mijn stem tegen al die onrechtvaardigheden in onze wereld verhef, moet ik mij goed, goed bedenken; moet ik weten, wat ik doe; ik zal mij met mijne stemverheffing den haat op den hals halen van allen, die voordeel genieten van de onrechtvaardigheden, waartegen ik ten strijde trek.

Mij persoonlijk kan die vijandschap niets schelen, maar 't kan onze zaak schaden. Als ik onderwijzeres zal zijn, zou dat misschien vele ouders weerhouden hunne kinderen aan mij toe te vertrouwen, daar ik ingrijp in overoude instellingen. Tot zulk geschrijf zal Vader mij geen toestemming geven, althans voorloopig niet. De gelegenheid daartoe is mij reeds meermalen aangeboden geworden, en ik mocht niet.

Maar wat Mejuffrouw Van der Meij voorstelde, is iets anders; ik heb hoop, dat ik het zal mogen. Maar zooals ik je reeds zei, geheimhouding is de conditie.

In dien geest voor 't publiek te schrijven, is de weg, dien een vriend van ons mij ook aanwees op te gaan. Ik moest stukken schrijven, die besproken worden, en zelfs in de Tweede Kamer komen, zóó dat er een enquête wordt ingesteld op last van genoemd regeeringslichaam.

't Heeft altijd in mijne bedoeling gelegen om zulk een werk uit te geven, maar ik voel zelf, dat 't nu de tijd nog niet is, om uitvoering aan mijn voornemen te geven; ik voel mij daartoe nog niet sterk genoeg; mij ontbreken nog vele gegevens. Ik moet nog veel zien, veel hooren, en dat alles goed verwerken, diep, diep mijne gedachten erover laten gaan.

De vrucht is nog niet rijp, Stella; wanneer zij 't is, zal ik niet langer aarzelen haar aan de openbaarheid te bieden.

Als wij ons tot de Koningin wenden, dan is 't niet om de hulp van 't Koningschap in te roepen, om door Koninklijke tusschenkomst de hulp van den Staat te verkrijgen, maar wij vragen der Vorstin Haar persoonlijke of particuliere hulp. Als je weet, hoe trotsch wij zijn, dan begrijp je, wat een strijd 't ons kost, voor we er toe besluiten kunnen hulp te vragen.

Maar zooals je zegt, waar groote belangen zijn, moeten kleine zwijgen.

En wij zien onzen trots voorbij voor het belang van het algemeen.

Steeds hebben wij vragen afschuwelijk gevonden, ook al weten we, dat wij geen weigering zullen krijgen. In dit geval is vragen de eenige kans tot slagen.

Iemand, die bij de Koninginnen is geweest, verzekerde mij, dat ook de Koningin-Moeder warm belang stelt in Indië en dat H.M. verwonderlijk goed op de hoogte is van heel veel hier in Indië.

En wij willen het graag gelooven. Toen wij ter gelegenheid der Vrouwententoonstelling de Koningin een paar werkjes aanboden, was het de Koningin-Moeder, die haar particulieren secretaris naar de presidente van Insulinde zond, om naar ons cadeau te informeeren. H.M. was het, die op de Tentoonstelling de presidente, die haar rondleidde, verzocht, een paar zinnen uit onzen brief voor te lezen. Of de Regeering, òf de Koningin, een van beiden zal en moet 't zijn. En als 't bij allebei op een nul uitloopt, dan maar naar Modjowarno, al is dat nu ook juist niet mijn hartewensch. Weet je waar ik soms naar verlang in moedelooze buien? naar de Buitenbezittingen, naar onzen vriend,[2] die diep, diep in 't hartje van de binnenlanden zit, tusschen koppensnellers leeft en deze wilden weldoet op allerlei manier, vooral door geneeskundige hulp.

Als een vogel met lamgeslagen vleugels zou ik bij hem komen, en hij zou mijn moede kopje streelen, zoolang, tot mijn hijgen en steunen bedaart, en uit zijn hand wat van de vrede, die over heel zijn wezen is verspreid, in mij is gevloeid! Toch is hij ook mensch, heeft hij zijn neerslachtige buien, zijn strijd.

Stella, Stella, dat ik even mijn armen om je heen kon slaan, mijn hoofd aan je hart kon laten rusten.

Misschien ga ik toch naar Celebes, naar onzen vriend en de koppensnellers. 't Komt er niet op aan, op welk eene wijze je 't Goede dient, als het maar goed is. Och neen, neen, schrik er niet van, denk er niet aan, Stella, lieveling, 't zal misschien niet noodig zijn, en 't moeilijke raadsel zal nog op eene bevredigende wijze kunnen worden opgelost. Er zit nog wil, nog energie in me, Goddank!

Hoop 't beste, denk 't beste en heb mij steeds lief, lieveling.

21 Maart 1902. (V.)

Ge hebt gelijk. Zusje's vertrek is voor ons een groot gemis, wij waren zóó lang en zóó innig samen. Niet ten onrechte zegt men, dat wij drieën één geworden waren, één in denken, één in voelen. Dat Zusje ons voorgoed verlaten heeft, wil nog niet bij ons in; 't idee, dat ze van ons is weggegaan en niet weerom komen zal, is ons onverdragelijk. Wij denken nog maar steeds, dat ze voor een poos gaat uit logeeren en op een dag weerom komen zal.

We missen ons Kleintje zoo erg. Doch 't beste is maar om er niet lang bij stil te staan, want dat zal wel niet het eenige harde afscheid zijn; nog vele wachten ons stellig in de toekomst. 't Is onvermijdelijk in ieder leven, scheiden is 't wachtwoord, 't heele leven door!

"'t Is verstandig van tijd tot tijd, Een teed'ren, sterken band, Die 't arme harte bindt en vleit, Te schudden van de hand."

zegt de Genestet, maar 't is gemakkelijker gezegd dan gedaan, vindt ge niet?

We kregen steeds opgewekte brieven van zusje; zij maakt 't goed en heeft 't goed. En dat stemt ons zoo dankbaar! Haar geluk is ons geluk. En nu zal ik aan uw verzoek voldoen, en het een en ander vertellen van zusje's huwelijk.

Een Inlandsche bruiloft brengt een vreeselijke drukte mee. Reeds dagen, weken van tevoren werden de toebereidselen voor de plechtigheid gemaakt. Wij hadden zusje's huwelijk vrij stilletjes gevierd, vanwege een sterfgeval in de familie. Een nichtje van ons en zuster van den bruidegom stierf kort vóór de bruiloft. Arm mensch, 't was nog zoo'n jong ding, en zij liet kindertjes na. Gij moet weten, dat zusje met een eigen neef is getrouwd; zijne moeder is eene zuster van Vader. Vóór dien tijd was hij al eens hier bij ons geweest, maar toen was zij nog een schoolgaand kind, en dacht niemand aan eene verbintenis. 't Gebeurt anders meer, dat kinderen verloofd en getrouwd worden, om later, wanneer beiden groot of volwassen zijn, te trouwen of over te trouwen.

De kennismaking van zusje en haar man is hernieuwd geworden, toen de Gouverneur-Generaal op Semarang was. Usance is, dat jonge meisjes nooit 't huis uit mogen, tenzij om een haar wildvreemden echtgenoot te volgen. Maar, zooals ik u reeds zei, wij hebben reeds met menige traditie gebroken, wat niet anders kan met onze vrije opvoeding. En wij zijn nog steeds doende met nog meer te breken! Kort vóór haar trouwen mag een Javaansch meisje in 't geheel niet 't huis uitkomen, zij moet binnenshuis of als zij een eigen kamer heeft, dan in hare kamer blijven.

En in December waren we met zusje op Semarang, en liepen er de winkels plat, om zelf 't een en ander te koopen.

Gefeliciteerd wordt 't Javaansche meisje niet met haar engagement, en men spreekt er haar ook niet over; nog minder doet zij 't zelve. Zij doet juist, of zij er niets van weet.

Ik zou wel in de harten mijner landgenooten hebben willen lezen, toen zij zusje doodgewoon over haar huwelijk hoorden spreken.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings