RADEN ADJENG KARTINI. (continued 6)
Reading edition
Ik neem er geen woord van terug; integendeel, ik heb daarover nog heel veel te zeggen, en 't is steeds mijn stellig voornemen geweest, om daarover eens luide mijne stem te verheffen, omdat alléén publicatie zou kunnen leiden tot de gewenschte verbetering in toestanden, die verbetering zóó noodig behoeven; maar ik dacht daarmee te wachten tot ik vasten voet zou hebben verkregen op den gekozen weg, ik mijne vrijheid en zelfstandigheid zou hebben bevochten.
Doch 't is beter zoo, dadelijk met open vizier te strijden, bij 't begin af aan der Inlandsche maatschappij te zeggen geheel en al, van welken geest wij zijn.
Maar wie kaatst, moet den bal terug verwachten, nietwaar? En daarom is 't, dat ik u eenig uitstel vraag met het publiceeren van mijn brief. Niet, dat ik één woord wil terugnemen van hetgeen ik gezegd heb over het wreede mannenrecht, dat vrouwen en óók kinderen zoo lijden doet, maar ik wil mij op andere punten wapenen, waarop men mij mogelijk aanvallen zal, en dat de zaak zou kunnen schaden.
In dien brief zeide ik, dat nu hoe langer hoe meer Inlandsche ouders voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen, en beriep mij op de Gouvernements- en particuliere scholen, die daarvan zouden kunnen getuigen. Dat bovenstaande een feit is, weten we, èn zelf èn door kennissen en anderen; maar wij hebben geen vaste gegevens: cijfers, en die willen we ons verschaffen.
Dan maakte ik melding van een Europeesche school voor dochters van den adel in de Preanger (Manondjaja). Dit heugelijk bericht las ik in "de Echo", maar ik kan dat nummer niet weer vinden, wel een ander waarin staat, dat die Europeesche school voor kinderen van den Inlandschen adel door de Regeering gesubsidieerd wordt. Daarnaar wil ik informeeren.
Vindt u 't ook niet beter zoo? De gevraagde toestemming om den brief te publiceeren, heeft u, doch wil u met de uitvoering daarvan nog wat wachten, tot ik nader bericht zal hebben gezonden?
Dat men mij persoonlijk hard vallen zal om hetgeen ik zeg van die instelling, zóó gemakkelijk voor den man, maar, o zoo wreed en hard voor de vrouw, is niets; daar ben ik wel op voorbereid, ik verwacht niets anders. Wij houden slechts op de zaak, uitsluitend daarop, het oog gericht, en wat haar zou kunnen schaden, moeten wij voorkomen, niet waar?
Intusschen het eerste buitje van verontwaardiging en spot, spot vooral, is reeds over ons heengevaren, naar aanleiding van 't artikel van den heer Stoll in "de Locomotief". Maar 't liet ons koud: Wij doen zóó ons best om ons te verheffen boven alles wat klein is, kleinzieligheid, kleingeestigheid e.a.
De spot der menschen deert ons niet, werkelijk!—maar wat ons wèl verdriet deed en heel erg ook, was, dat wij onze lieve Ouders zooveel leed moesten doen met ons trouw blijven aan ons ideaal! Maar wij konden en kunnen niet anders.
't Is wel te begrijpen, dat 't hun hard en zwaar valt, ons, hun kinderen, het dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een leven, dat wel aan een mooi doel is gewijd, maar dat vol moeiten zal zijn, omdat dit nu eenmaal het lot aller baanbrekers is, op welk gebied en ten welken tijde ook. Goddank! Goddank! dat zij nu eindelijk in vrede ons hunne toestemming hebben gegeven, om ons leven te wijden aan de bereiking van ons ideaal.
Hoe dankbaar wij hiervoor zijn, kan ik u niet zeggen! Die toestemming heeft hun en ons zoo ontzettend veel strijd gekost; een heele geschiedenis van worstelen, hopen en wanhopen, strijd, moeite, lijden en smart ligt achter ons! Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij in vrede van onze dierbaren zullen gaan; dat hun zegen op ons streven rust en ons overal heen vergezellen zal, waar wij gaan in den dienst van het Goede. 't Zou ontzettend hard zijn voor ons, om zonder dien onzen weg te gaan; 't zou voor immer eene schaduw op ons leven werpen; wij hebben onze ouders zoo zielslief, en wij moeten dien weg gaan; wij zouden nooit vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij, toegevende aan onze kinderliefde, de krachtige roepstem in ons binnenste smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de Eeuwigheid!
Ik hoor Moeder nog zeggen: "Welnu kinderen, ik zal gelooven, dat dàt jullie bestemming is, dat God 't is, die jullie tot dat leven heeft bestemd". Er klonk zoo'n berusting en weemoed ook in haar stem; dat woord zal ons steeds bijblijven, ten steun en troost op ons pad. En Vader!
Diep voelde ik zijn smart, en leed met hem.
O! Vader, mijn Vader, kreet mijne ziel, vergeef mij, vergeef uw kind ... zij kon niet anders.
Die strijd, voor ons het zwaarste, is achter ons. Hoe dankbaar wij zijn, kunt u zich voorstellen, vooral nu hun toestemming geen scheuring heeft gebracht tusschen onze lieven en ons, maar de band tusschen ons juist hechter maakt en nauwer toehaalt.
Dit is een genade Gods!
Wij staan nog voor het leven, maar ons is 't, of wij al een heel leven achter ons hebben, een leven vol innerlijken strijd en lijden. 't Zal boekdeelen vullen, u dat alles te vertellen, maar eens zal u het hooren, hetzij schriftelijk dan wel mondeling.
Als vriendin, onze vriendin, in den volsten zin, de mooiste beteekenis van 't woord, heeft u recht ons geheele leven te kennen, en dat zal u.
Nu ik terugblik op 't verleden, zie ik daar vooral Gods hand, en met groote dankbaarheid erken en gedenk ik, dat in de moeilijkste oogenblikken onze Vader ons niet heeft verlaten.
Wie zond ons te rechtertijd vrienden, toen wij, geheel alleen kampend en worstelend, dreigden onder te gaan in wanhoop? Wie voerde geheel vreemde menschen van hun verre woon hierheen, naar dat vergeten uithoekje, om moed en hoop weder te wekken in wanhopige harten?
Toeval!—néén, géén toeval, 't was een beschikking van God. 't Was God, onze Vader, die hen hier zond, om de jonge, worstelende zielen frissche kracht en moed te geven. Die ontmoeting was een keerpunt in ons leven. Tevoren weifelden wij nog, maar daarna waren we vast besloten ons ideaal te bereiken, wat 't ons ook kosten moge.
't Leek vroeger zoo mysterieus; thans is 't klaar, helder,
God alleen kent 't wereldraadsel; Zijne hand bestuurt het Al; Hij is het, die wegen ver uiteen, bijeenvoegt ter vorming van nieuwe wegen.
Zoo voerde Hij den weg dier vrienden naar den onze, opdat wij gesterkt door eene ontmoeting, vereeniging met groote, sterke zielen, een nieuwen weg konden banen voor hen, die achter ons staan. Wij kenden elkaar heelemaal niet, en wij wisten niets van hen af. Daar ineens stonden wij voor elkander, en de zielen tot dusver elkaar vreemd, straalden dadelijk groote sympathie voor elkander uit. Enkele uren slechts bleven wij in elkaars gezelschap; toen wij scheidden, wisten wij, dat wij vrienden voor 't leven zouden zijn.
Het wonder was begonnen, en het zette zich voort! Eene maand na die ontmoeting gebeurde iets, dat wij nooit dachten, nooit droomden dat gebeuren zou. U weet, nietwaar, dat uitgaan voor Javaansche jonge meisjes géén adat is, dat zij eigenlijk aldoor achter de muren of bamboezen wanden behooren te zitten, zoolang tot een onbekende "door God voor haar bestemden echtgenoot" haar komt opeischen en meevoeren naar zijne woning.
Zoo kort nog maar kennen wij de wereld of vrijheid, hoe u 't noemen wil, van met den stroom meê te vliegen over ijzeren banen.
Het nooit verwachte gebeurde: wij kwamen op Batavia bij onze nieuwe vrienden.
"'t Is of ik heel Java doorkruisen moet alléén om jullie te vinden, jullie zocht ik, jullie mòest ik vinden. En toen ik jullie gevonden had, was ik zóó voldaan".
Wij waren bestemd om elkaar te ontmoeten, zij, om grooten invloed te oefenen op ons leven.
Vóór hun komst zweefden wij reeds, doch 't was nog zoo duister om ons heen. Onbewust, zonder het te willen, hebben zij eene vaste richting gegeven aan ons nog onbestemd zweven. Daar moesten wij heen, dien weg op naar het Ideaal!
Over godsdienst hoop ik u een volgenden brief uitvoerig te schrijven. Heerlijk, dat u daarover met ons praten wil en wij met u vrijelijk er over mogen spreken. Laat ik u nu slechts dit zeggen ter geruststelling: U kan er zeker van zijn, dat wij steeds zullen blijven wat wij zijn. Vurig hopen we met u, dat 't ons gegeven moge zijn eens onzen godsdienstvorm beminnelijk te maken in de oogen van andersdenkenden.
Steeds hebben wij verstaan en begrepen, dat de kern van alle godsdiensten is het Goede, dat alle godsdiensten goed en mooi zijn. Maar o! menschen, wat hebt gij daarvan gemaakt!
Godsdienst is bedoeld als zegen, om een band te vormen tusschen alle schepselen Gods, blank of bruin, van welken stand, sexe, geloof, allen zijn wij kinderen van één Vader, van één God!
Er is geen God dan God! zeggen wij Mohammedanen, en met ons alle geloovigen, monotheïsten; God is de Heer, de Schepper van het Al.
Kinderen van één Vader, broeders en zusters dus, moeten elkander liefhebben, d.i. helpen, steunen. Elkander helpen en steunen, liefhebben, dàt is de grondtoon van alle godsdiensten.
Och, werd 't maar verstaan en nageleefd, de godsdienst zou voor de menschheid zijn, wat zijne oorspronkelijke, goddelijke bedoeling is: een zegen!
Dàt had ons zoo in 't harnas gejaagd tegen den godsdienst, dat de belijders van de eene leer, die eener andere minachten, haten, ja vervolgen zelfs soms. Doch nu genoeg hierover.
Neen, helaas!—Hollandsch is de eenige Europeesche taal, die wij lezen, wat een groot verdriet is voor ons. Dolgaarne willen wij de moderne talen leeren; 't is eene groote illusie van ons, om mooie werken van buitenlandsche schrijvers eens te kunnen genieten in 't oorspronkelijke. Er is hier geen gelegenheid geweest om talen te leeren. Nu zouden wij gaarne met het Fransch beginnen, waarin een vriendinnetje van ons, eene onderwijzeres, die uw echtgenoot hier ook ontmoette, ons gaarne helpen wil.
Zijn er geen Hollandsche vertalingen van Lessing's werk, 't welk u bedoelde, en van de levensbeschrijving van Pundita Ramabai? Van deze moedige Indische hebben wij meer gehoord. Ik ging naar school, toen ik voor 't eerst van die dappere hoorde. O! ik weet het nog zoo goed; ik was nog heel jong, een kind van 10 of 11 jaar, toen ik gloeiend van geestdrift in de krant van haar las. Ik beefde van opgewondenheid: dus niet alleen voor de blanke vrouw is 't mogelijk zich een zelfstandig bestaan te veroveren!—óók de bruine Indische vrouw kan zich vrij, onafhankelijk maken.
Dagen lang dacht ik aan haar, en nooit heb ik haar kunnen vergeten. Wat een goed, moedig voorbeeld toch kan, vermag!—zóó ver gaat en werkt zijn invloed.
En nu uw zeer vereerend verzoek om onze medewerking voor uw Volks-kinderbibliotheek. Van ganscher harte ja: zusje en ik vinden 't heerlijk, een voorrecht, om met u te mogen meewerken, ergo u een genoegen te kunnen doen; wij hopen maar ten zeerste, dat wij het zullen kunnen. Wij zullen er ons best op doen, en als er niets tusschenbeide komt, hopen wij vóór het einde van dit jaar u onze kleine bijdrage voor uw mooi werk te kunnen aanbieden.[2]
't Is toch zoo aardig; 't was of we al een voorgevoel hadden, dat u ons dàt vragen zou. Een week of wat vóór de ontvangst van uw brief zaten we op een avond buiten in den tuin, 't was heldere maneschijn. U weet wel, niet waar, dat Javaansche kinderen, bij voorkeur de vollemaan-avonden kiezen, om buiten op 't erf hun spelletje te spelen en liedjes te zingen. Vóór ons speelde een troepje van dat kleine grut. Onze eigen kinderjaren leefden weer voor ons op. Daar kreeg ik op eens eene ingeving, om dien gelukkigen tijd altoos levendig in onze herinnering te bewaren. Ik haalde papier en potlood, en schreef in 't heldere maanlicht de spelletjes en zangen zóó uit den mond der kinderen op. Aardig toch, vindt u niet, en kort daarop kreeg ik uw schrijven met dàt verzoek.
En nu dank ik u hartelijk, ook namens zusje, voor de werkjes, die u ons zond. Weet u, wat wij elkaar zeiden, na de lezing daarvan? "Die werkjes zijn voor kinderen bestemd, maar ouders mogen ze wèl lezen, ze moèten het, ze zullen er zooveel uit leeren".
't Zou mij te ver voeren om u over elk werkje afzonderlijk onze gedachten te zeggen, doch geloof ons, zèlden lazen wij met zoo'n innig genot eenig werk. Het is niet iets om door te vliegen, even te genieten en dan weer te vergeten, maar iets, dat men in zijn ziel prent en niet weer vergeet.
Verrukkelijk, dat u ons eene verzameling van uwe gedachten wil zenden; wij danken u daar innig hartelijk voor! Wij zullen er zeker veel, veel uit leeren. "Een ernstig woord over ernstige dingen" beschouwen we als een vervolg op eenige punten in uw brief. Beide zijn ze voor ons eene openbaring!
O! wij danken u zoo innig, innig voor al de schatten en parelen, die u ons gaf. Kon u mij maar zien, terwijl ik dit schrijf! mijne oogen zouden u veel, veel meer zeggen, dan mijne pen of mijn mond 't ooit zou kunnen, van hetgeen ik zoo diep in mijn hart voel voor u.
Iets bijzonder liefelijks, en waarmee u onze Javaansche harten voorgoed aan het uwe heeft vastgesmeed is uw "Van de reis mee thuisgebracht". Wij vinden dat een juweeltje; ik zou u niet kunnen zeggen, hoeveel keeren ik dat stukje wel "opgepeuzeld" heb en telkens met nieuw genot. Ik kan mij zoo geheel in de gevoelens van dien bruinen vader verplaatsen, wiens hart u stal door uwe hartelijkheid voor zijn schat. Ik zie hem voor mij met zijn mooi kindje op den arm; ik zie de blanke vrouw, die't niet beneden zich achtte, een Javaansch volkskind op hare knie te nemen, te liefkoozen, zoenen; een eenvoudigen dessaman de hand drukken, zijn dronk van gastvrijheid uit zulk een simpele drinkschaal drinken!
Haven en visschersdorp te Japara.

Wat zal dàt zijn hart zoet gestreeld, verrukt hebben! Een Javaan is zoo gevoelig voor vriendelijkheid, vooral wanneer zij komt van 't blanke ras, waartegen hij zoo hoog opziet!
Ach! wisten de blanken maar, hoe weinig ze te doen hebben om het hart van den bruinen broeder te winnen. Geef liefde en gij zult liefde terug ontvangen. Een vriendelijk woord kost niets, en kan toch zooveel uitwerken.
Uw "Wat zullen de kinderen lezen?" las ik al eens in de "Gids" nu twee jaar geleden. Toen reeds interesseerde ik mij er voor. Op dat gebied ligt in onze Inlandsche maatschappij het geheele veld nog braak; daar is nog niets, totaal niets aan gedaan.
O! wat zijn we toch bevoorrecht, om juist in dezen tijd te leven; overal, overal is er zooveel te doen! wij hoeven slechts de hand uit te strekken, om goed, heerlijk werk te vinden! Heerlijk! verrukkelijk! Waar zal de tijd zijn, dat onze landslieden zullen ontwaken uit hun sluimer, zich zullen werpen op de hoopen, bergen werk, die op rappe handen wachten, overal, overal! Zullen wij dien tijd nog beleven?
Neen, zóóveel nièt verlangen; laten wij al innig dankbaar zijn, als wij het onze kunnen bijdragen tot het banen van den weg daarheen.
En waar zal de tijd zijn, dat wij in werkelijkheid, oog in oog, hand in hand, u kunnen bedanken voor al 't moois dat u ons gaf en nog zooveel meer. Geduld!... wij zijn vol hoop en moed. Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij u gevonden hebben, wij laten u nooit meer los, nooit! U wil onze vriendin, onze raadsvrouw en gidse zijn en blijven, nietwaar, altoos?
Zeg ja, het is niet voor één, niet voor twéé menschen, maar voor heel een volk, vooral voor de Javaansche vrouw!
Natuurlijk zullen wij doodbedroefd zijn, als die tijd dáár is, en wij afscheid moeten nemen, van allen en alles, die zóó lang een groot deel van ons geluk uitmaakten; maar wij zullen gaan met den zegen onzer dierbaren; die zal den donkersten nacht licht voor ons maken, den warmsten dag koel, en den storm tot zachte bries! Het ongelooflijkste, het nooit-gedachte, het nooit-gedroomde is geschied; onze Moeder, die in geheel andere begrippen, meest contra de onze, is opgevoed, gaat en voelt thans met ons mee, ja, droomt zelfs mee met ons. Dat is een genade uit den Hooge van onzen almachtigen en algoeden Vader!
Wèl moesten wij eerst over een langen weg van dorens gaan, voor wij tot de poort kwamen, die onze ideeën toegang tot haar hart verleenden, maar eenmaal er voor ontsloten, blijft het er voor openstaan. Véél heeft onze lieve goede Moeder en hebben wij geleden, vóór wij elkaar op die punten ontmoetten.
28 Juli 1902. (VIII.)
Maar geen wolk is eeuwigdurend, evenmin als er een eeuwige zonneschijn is. Uit den donkersten nacht wordt dikwijls de schoonste morgen geboren. En hier troost ik me mee. Het menschelijk leven is eene getrouwe weerspiegeling van 't leven der natuur.
Waar wij God dag aan dag om moeten bidden is: kracht!
De regen, die de eene plant in blad en knop doet schieten, werpt eene andere ter aarde en doet haar verrotten.
8 Augustus 1902. (X.)
Brieven spelen een groote rol in ons leven, bijna alles hebben wij daaraan te danken; zonder onze correspondentie zouden wij nooit zoo ver gekomen zijn, dat wij breken durven met oeroude tradities en gewoonten. Je weet niet, of eigenlijk je weet wel wat de brieven onzer vrienden, superieuren naar den geest en naar de ziel, voor ons zijn. Er gaat een louterende, verheffende invloed daarvan uit; zij ontwikkelen ons naar den geest en het gemoed. Daar is zooveel moois, liefs en kostbaars door de post tot ons gekomen, paarlen, edelgesteenten voor hoofd en hart.
Mondelinge gesprekken kunnen in onze ziel gegrifd zijn, maar je zult wel toestemmen, dat de tijd menig woordje verbleken doet, al blijft de hoofdzin onaangetast; brieven nu herhalen ieder woord getrouw ten allen tijde, zoo vaak je wilt.
10 Augustus 1902. (VI.)
Wat u ons daar zegt, heeft Moeder ons zoo dikwijls gezegd: "àlle gaven zijn slechts een geschenk van Goesti Allah". "Verbeeld je nooit, wanneer je iets goeds hebt verricht, dat dat je eigen, geheel je eigen werk is; wij zijn slechts werktuigen, uitvoerders van Zijn wil. Gaven, talenten zijn ons toevertrouwd; onze plicht is daar goed voor te zorgen".
En die overtuiging is het, die Moeder, in een geheel anderen geest opgevoed dan wij, wèl na veel strijd, ons hare toestemming deed geven; wij hebben haar die niet afgedwongen. Nu berust zij er in, droomt zelfs met ons meel
Wanneer men haar over ons aanvallen zal, is haar antwoord eenvoudig: Zij zijn onze kinderen, maar niet ons eigendom. Dat zijn ze van Hem, die haar schiep; en haar Bezitter is 't, die haar leven en lot bestuurt. Er zijn vele wegen, bekende en onbekende, die naar 't Goede leiden; vreemd, onbekend, is de weg, waarover Hij onze kinderen laat gaan; wij ouders hopen en vertrouwen, dat Hij haar tot 't Goede zal leiden".
Wat zal Moeder blij zijn, als wij haar vertellen, wat u ons heeft gezegd.
Nu is Moeder niet thuis; zit bij een ziek zusje van ons. Moeder is onze Vriendin o zoo dankbaar voor hetgeen HEd. ons deed vinden. "Ik verlang zoo Mevrouw Van Kol te ontmoeten om haar te bedanken, dat zij jullie harten heeft geopend. Zij is niet van ons geloof, maar wat doet het er toe, haar God is onze God, ons aller God".
Wèl heeft u gedaan met ons te waarschuwen voor ijdelheïd; wij danken er u zeer hartelijk voor.
Doch stel u gerust. Wij, kinderen van een Vader, aan wien macht en aanzien is toebedeeld—u, die onze maatschappij kent, weet wat dat in onze Inlandsche wereld beteekent; waar macht en aanzien alles is, glans en glorie als 't toppunt van geluk worden beschouwd—wij hebben van af onze prilste jeugd aanraking met vleierij, wij hebben van ze leeren walgen. 't Doet ons o zoo'n pijn ouden van dagen, grijsaards voor kinderen te zien kruipen. Het is adat! Kunnen wij niet alles afweren, wij hebben nooit gewild, dat men ons den voet kuste.
Véél heeft ons tot mijmeren en peinzen gebracht, en het wordt al klaarder en klaarder in ons: 't is plicht, dure plicht, om met alle kracht te trachten ons die volksvergoding eenigszins waard te maken.
De leus van den Inlandschen adel moet zijn: "De adel zij de volksvereering waard!"
Slechts van weinige menschen hooren wij graag wat liefs; die, welke wij boven alle vleitaal verheven weten. Hun woorden van waardeering hebben een bezielende, voortstuwende kracht voor ons, sterkt, moedigt ons aan tot het volharden in het goede.
15 Augustus 1902. (I.)
Nellie's[1] geestdriftige woorden in Oost en West zijn hier door verschillende bladen opgenomen, en schrijft o.a. "de Echo" er een warm woord onder, voor ons de sympathie en medewerking vragend, van alle vrouwen in Indië. Het doet goed. De "Echo" plaatste evenals Nellie een woordje uit mijn brief in haar artikel en verzocht dien in zijn geheel of gedeeltelijk te mogen publiceeren. Ik vind beter van niet, één brief gepubliceerd is genoeg, en die van Nellie geeft volle licht op de zaak. Weer iemand anders vroeg mijne toestemming tot het plaatsen van een brief van me over eene Javaansche bruiloft. Hilda de Booy is het—dochter van den heer Charles Boissevain, directeur van het Algemeen Handelsblad. Zij zond de copie van dien brief naar huis, en nu schrijft haar broer, die secretaris is der directie, dat ik met het plaatsen van dien brief mijn volk goed zou doen. Beter dan uit wat ook, zullen de Nederlanders uit zulke brieven begrijpen, dat het Javaansche volk in sommige opzichten hun meerdere is, in vele opzichten hun gelijke, en slechts misschien in meer hun mindere is. Aldus de heer Boissevain.
Wat denk je er van, Stella?
Ik ben bezig aan een artikel voor Belang en Recht; ik hoop, dat het geplaatst zal worden! ik werk er met pleizier aan. Wordt het niet aangenomen, dan werk ik het om voor een ander blad of tijdschrift.
Voor Nellie zijn we bezig Javaansche sprookjes te verzamelen, en zusje R. is bezig met teekenen daarvoor.
O, Stella, wat een schat van moois hoorden wij uit den volksmond; wijsheden, waarheden, zoo klaar, in eenvoudige en toch o, zoo melodieuse woorden! Jou taal goed, goed onder de knie hebben, en dan die mooie, gewijde muziek verstaanbaar voor ulieden maken! Als jullie eens de ziel van ons volk kennen, hoe zal jullie je dan tot ons aangetrokken gevoelen. Wij zijn zoo dicht nog bij de natuur, den oorsprong; onze wijsheid kost geen hoofdbreken om ze te verstaan. In simpele woorden, maar o, hoe schoon van klank en rythmus.
Kon ik je maar mijn taal leeren, dat je van ons moois genieten kon in zijn oorspronkelijken staat. Hoe meer ik doordring tot de diepste diepten van de ziel van ons volk, hoe meer superieur ik ze vind. Bij jullie worden wijzen en dichters aangetroffen, meestal in zekere standen, en wordt beschaving gevonden bij zekere klassen; de groote meerderheid, dat is het volk, is, mag ik zeggen?—ruw. Er zijn superieuren bij die volksklasse, maar het gros, Stella? gij weet 't beter dan ik.
Maar ga jij eens met me ronddwalen in kampong en dessa, laten wij de schamele hutten der armen binnengaan, hoor hun spreken, hunne gedachten.... 't Zijn ongeschoolde menschen, allemaal, maar wat woordmuziek kan er uit vele monden ruischen, wat een zielemooi ligt daarin uitgedrukt. Zacht, bescheiden van aard, eenvoudig en nederig! Als ik bij je ben eenmaal, zal ik je zooveel, zooveel van ons zacht volk vertellen, van zijn denk- en zienswijze. Je moet ze kennen en liefhebben als wij.
Dichters en artisten vindt je er zooveel onder hen, en waar een volk gevoel heeft voor poëzie, het schoonst en lieflijkst in 't leven, kan het niet laag staan in innerlijke beschaving.
Al wat hoog en mooi is in 't leven is poëzie. Liefde, toewijding, trouw, geloof, kunst, alles wat verheft, veredelt en vermooit, is poëzie. En 't Javaansche volk en poëzie zijn zoo innig samengeweven. De minste, allerminste Javaan is poëtisch. Wat denk je van den roerenden eerbied, die jongeren, ouderen bewijzen? Wat denk je van de roerende piëteit van levenden voor afgestorvenen?
Geen blij gebeuren, waarbij niet onze afgestorvenen worden herdacht, hun zegen en die des hemels worden afgesmeekt. In vreugde en leed steeds gedenken wij onze dooden.
En de moedernaam, wat is hij heilig! In uren van vertwijfeling, van pijn, prevelen de bleeke lippen steeds dien naam. 't Is Moeder, en weer Moeder, die aangeroepen wordt, hebben wij hulp, hebben wij steun noodig!
In het aanroepen van haar naam in ernstige, smartelijke oogenblikken ligt de vereering van het moeder zijn. Waarom roepen wij niet onzen vader aan, waarom juist onze moeder? omdat de mensch van jongs af aan instinctmatig voelt, dat moeder beteekent een wereld van liefde en toewijding!
Elk voorwerp dat je hand ontvalt oprapen onder den uitroep: "O, Allah, mijn kind!" Wat of dat te beteekenen heeft, waar het van getuigt, hoef ik het je nog nader te verklaren?
Stella, ik leg mij ernstig toe op jou taal, dat ik haar eenmaal zoo machtig ben, dat ik al het moois van ons kan verstaanbaar maken voor ulieden. Ik leg mij ook ernstig toe op mijn eigen taal, ik wil ons volk het blanke ras leeren kennen, zooals ik het ken in zijn mooi- en edelheid. Zij moeten jullie edelen en grooten kennen, eeren en liefhebben, dat zullen zij.
Ik zou soms nog een dubbel stel handen willen hebben, om alles te kunnen doen, wat ik wil. De wil is groot, maar de kracht is klein. Ik mag er mijne gezondheid niet aan wagen, dat is het domste wat ik doen kan. En toch ben ik zoo dikwijls dom; vaak tot laat in den nacht zit ik te werken, en dat is niet goed voor me. Zoo zal ik mijn doel voorbijstreven; ik wil veel werken, en 't eind van 't lied zou kunnen zijn, dat ik niet kan werken wegens lichaamszwakte. Dat zou vreeselijk zijn. Daarom doe ik nu mijn best om me te matigen en verstandig te leven.
15 Augustus 1902. (X.)
Hoera! voor de Inlandsche kunst en nijverheid; ze gaan beslist een schoone toekomst tegemoet!
Ik kan je niet zeggen hoe blij, dankbaar en gelukkig ik hierover ben. Wij bewonderen zoo graag ons volk, wij zijn er zoo gaarne trotsch op! Ons volk zoo weinig gekend en ... zooveel miskend!...
De toekomst onzer Japarasche artisten is verzekerd.
De Heer Zimmermann[1] was in extase over hetgeen hij hier zag van den artistieken arbeid van het zooveel gering geschatte bruine ras. Houtsnij-, goudsmeed- en textiele kunst staan hier op eene beduidende hoogte. Onze artisten hebben hier een groote bestelling gekregen van Oost en West voor St. Nicolaas. Wij genieten; nu kunnen de knappe artisten mooie idee's ten uitvoer brengen, poëtische gedachten in schoone vormen belichamen, sierlijke lijnen, golvingen en wendingen, schitterende, gloeiende kleurschakeeringen.
O, 't is lust, 't is heerlijkheid om voor en in alles het mooie, het goede te zoeken. Die Godsvonk is er in ieder en alles, zelfs in wat oogenschijnlijk allerslechtst is. Deze waarheid moet tot velen, velen doordringen, en die velen moeten het opvatten als plicht, eene, die het leven mooi maakt èn voor anderen èn voor zichzelf.
Daar is een kind gekomen bij eene bejaarde vrouw, dat op haar vraag, wat ze hebben wilde, daar zij niets bezat, geen lekkers, geen sieraden, geen kleeren, antwoordde: "Ik verlang lekkers noch sieraden, noch kleeren. O Moeder, geef mij een bloem, die open gaat in het hart."
Hoe vindt je het?—o—en je moest het eens hooren in het oorspronkelijke, het verzoek van dat kind klinkt zoo zoet, diepe zin in bloementaal: "Njoewoen sekar melati, hingkang mekar hing poendjering ati."
En zoo iets hoor je slag op slag. Wij zijn nu bezig, alles op te schrijven, wat wij hooren, moois uit den volksmond. Het woord "gedicht" bestaat in onze taal niet, wij zeggen "bloementaal", en is het niet juist gezegd?
Wij zijn nu ook bezig zangen te leeren, geen jubelzangen; heb je die wel ooit gehoord van ons volk? De gamelan jubelt nooit; zelfs bij de dolste feesten, klinkt er weemoed in zijn zang, misschien wel dáárom. Weemoed is het leven, géén jubelzang!
De vorige bladzijden heb ik geschreven onder zoet streelend weemoedig gezang. 't Was avond; vensters en deuren stonden open; de bloeiende tjempaka voor onze kamer zond met 't zachte koeltje, dat ruischte in haar groen, ons haren geurigen adem ten groet—ik zat op den grond, zooals nu, aan een laag tafeltje, links van mij zusje Roekmini, eveneens schrijvend, rechts van mij Annie Glaser, ook op den grond, te naaien, en vóór me een vrouw, die ons voorlas uit een boek op zang. Het was heerlijk! Een droom van mooi, belichaamd in reine, serene, sonore klanken, die onze trillende zielen mee omhoog voerden in het rijk der gelukzaligen.
Hoe wenschte ik toen dat jij mede in ons kringetje aanzat, je zoudt met ons meevoelen, meegenieten, en meedroomen. Droomen! Het leven is geen droom, maar koude, nuchtere werkelijkheid, maar de werkelijkheid hoeft niet leelijk te zijn als men dat niet wil; zij is het niet, zij is mooi, altijd waar wij het mooie in ons hebben.
O, daarom zou ik wenschen, dat bij de opvoeding wel degelijk werd gelet op karaktervorming, en wel in de eerste plaats op de ontwikkeling van de wilskracht. Deze moet de opvoeding in het kind ontwikkelen, aldoor, aldoor....
Doch ik ben hier op een ander terrein gekomen. Ik wilde met je spreken over ons volk, en niet over de opvoeding; daarover later, niet waar?
Er is hier een oudje aan wie ik bloemen bedelde, die geuren in het hart. Veel gaf zij mij reeds en zij heeft nog meer, veel meer, en ik wil meer, immer meer. Zij zal mij dan meer willen geven, maar ik moet het verdienen, haar bloemen moet ik koopen.... Waarmee?... Waarmee moet ik betalen?....
En hoog ernstig klonk het uit haar mond: "Vast één dag en één nacht en breng dien tijd wakend en in eenzaamheid door."
"Door nacht tot licht, Door storm tot rust, Door strijd tot eer. Door leed tot lust",
ruischte als een requiem mij in het oor.
Dat is de zin, de gedachte in de woorden dier oude vrouw. Dat vasten en waken is het symboliek van: "door ontberen, lijden, nadenken tot het licht!" Geen licht, waar niet duisternis vooraf ging; mooi vindt je niet? Onthouding is overwinning van den geest over de stof; eenzaamheid is de school van het nadenken.
Als kind deed ik al die dingen werktuigelijk, zonder vragen, omdat anderen vóór mij en met mij hetzelfde hebben gedaan. Toen kwam er een tijd, waarin mijn geest begon te vragen: "Waarom doe ik dit, waarom is dit en dat zoo?" Waarom—waarom —tot in het oneindige!
En ik verkoos toen niet meer, dingen te doen waarvan ik tekst noch uitleg kende. Ik wilde niets meer werktuigelijk doen zonder te weten waarom, waarvoor, waartoe. Ik wilde geen Koran meer leeren lezen, spreuken in een vreemde taal leeren opzeggen, waarvan ik de beteekenis niet begreep, en waarschijnlijk mijne leermeesters en leermeesteres ook niet. "Zeg mij de beteekenis en ik zal alles willen leeren." Ik had gezondigd; het boek der boeken is te heilig om verstaanbaar voor ons gemaakt te worden.
Wij verkozen niet meer te vasten en andere dingen te doen die wij eens gedachtenloos deden en die wij nu dènkend niet meer konden doen. Men was wanhopig—wij waren wanhopig—niemand wilde ons verklaren wat ons onbegrijpelijk was.
Onze God was ons geweten, onze hel en hemel waren ons geweten. Deden we kwaad, ons geweten strafte ons; deden we goed, ons geweten beloonde ons.
De jaren kwamen en zij gingen.... Wij heetten Mohammedanen, omdat wij afstammelingen daarvan zijn, en wij waren Mohammedanen in naam, meer niet. God, Allah waren voor ons een aanroep, een woord, een klank zonder zin.... Zoo leefden wij voort—totdat de dag aanbrak, die een ommekeer bracht in ons zieleleven.
Wij hebben Hem gevonden, waar onze zielen onbewust, lange, lange jaren naar smachtten.
Zóólang en zóóver hebben wij gezocht; wij wisten niet; het was zóó nabij, steeds om en bij ons. Het is in ons.
Wie ons Hem heeft doen vinden? Wel was het reeds lang aan het gisten in ons—maar die ons heeft doen vinden het zoo lang gezochte, is: Nellie van Kol. En wie ons nu leidt en den weg wijst tot Hem, het is Mama.
Wat zijn wij toch stom, toch dom, om een heel leven lang een berg schatten naast ons te hebben en het niet te zien, niet te weten.
Domme, dwaze eigenwijze, pedante personen, die we zijn. O, je weet niet hoe gelukkig Mama en met haar àl de oudjes hier zijn om dezen ommekeer in ons gemoedsleven. Geen woord van verwijt uit hun mond, en waar wij onszelf de hevigste verwijten doen over onze inbeelding, pedanterie en eigenwijsheid, zeggen zij zacht, troostend, verzoenend: "Het heeft God nú eerst behaagd jullie harten te openen, weest daar dankbaar voor!"
O, kon ik je maar ten volle zeggen hoe rustig en vredig het thans in ons is, hoe dankbaar en gelukkig, hoe veilig en gerust wij ons voelen, nu wij Hèm gevonden hebben; nu wij weten—voelen, dat er steeds Iemand bij ons is en over ons waakt. Die Iemand zal onze steun, onze troost, onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dàt voelen wij.
17 Augustus 1902. (X.)
Goeden morgen; hier is zus weer om wat met je praten. 't Is een heerlijke frissche ochtend; ik zit hier in een gezellig hoekje bij 't venster, waar ik 't gezicht heb op den tuin. Een volgenden keer zal ik je toch eens onze omgeving beschrijven, ons huis, onze doenia[1] en ... ons klooster! Nu ga ik mijn praatje van gisteren vervolgen. O! aandoenlijk is de blijdschap der oudjes over den terugkeer der verdoolde schaapjes op het rechte pad.
Een oudje hier bood ons uit pure vreugde daarover, hare collectie boeken aan, oude Javaansche handschriften, vele met Arabische karakters geschreven. Dit gaan we nu weer leeren lezen en schrijven. Je weet misschien dat Javaansche boeken zeer moeilijk zijn te krijgen, doordat zij met de hand geschreven zijn; slechts enkelen zijn gedrukt. Wij zijn nu bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal. Wat wenschte ik dat je onze taal kende; o, zoo innig graag zou ik je van al dat moois laten genieten in het oorspronkelijke; vertaald is het niet meer wat het was. Voel je iets voor 't leeren van de Javaansche taal? Moeilijk is zij zeer zeker, maar o, zoo mooi! Het is een gevoelstaal vol poëzie en ... snedigheid. Verbaasd staan wij, eigen kinderen van het land, dikwijls over de snedigheid onzer landslieden. Je kunt je niets bedenken, of zij kunnen daarvan wat maken. Noem maar iets op, in den blinde, wijs een voorwerp aan, en een geestige Javaan, die je vooral veel vindt onder het eigenlijke volk, weet daarop onmiddellijk een rijm te maken, dat verbaast door snedigheid en geestigheid. Het is aan Oostersche volken eigen denk ik. Jammer maar dat toen die kostelijke gave hier werd uitgedeeld, je zusjes heel achteraan stonden. Volstrekt geen visschen naar een complimentje hoor; wij meenen het oprecht. Om dat te bewijzen dit: Waar de feeën ons stiefmoederlijk bedeelden met geestigheid, maakte een andere zuster fee het euvel weer goed, door ons rijkelijk te schenken hare gave: gevoel. Ik denk zelfs, dat zij wel wat al te mild was. Wij moeten steeds goed toekijken en oppassen, dat die deugd niet ontaardt in ondeugd. Gevoelig is goed, maar overgevoelig is weer niet goed. Je zal vroeg of laat, nú misschien reeds, ervaren dat het je zusjes dikwijls moeilijk is den gulden middenweg te bewaren. Voor iemand van uitersten is dat zeer, zeer moeilijk. Het je oprecht bekennen mijner fouten, sluit een bede in; heb je ze verstaan? Zij luidt: help mij mijne fouten verbeteren, overwinnen. Wil je dat?... wil je?—je zusjes wijzen op dingen, die niet goed zijn? Wil je? zal je zooals wij dat wel verwachten van een oprechten broer en vriend?
Weet je nog wel dien brief van je in Januari, waarin je sprak van toon en woordmuziek, van kunstenaar en gevoelsmenschen? Daarin heeft onze vriend, de denker en dichter, eene les zoo fijn geweven. Dat wij die ter harte nemen, zou je kunnen weten, als je dagelijks met ons omging. Je zou dan weten dat het verdriet ons nu dient, en niet wij het. Wroeten in eigen zielewonden beteekent: het leed koesteren aan je hart. En onze plicht is het, om met alle kracht te trachten de meerdere te worden van het verdriet, dat ons moét dienen, opbouwen!...
Na dagen regen gehad te hebben, gingen wij eens naar onze bloemenkinderen, die zeer geleden hadden onder het overvloedige regenwater, kijken. Wij zagen onze gehavende rozenstruiken vol groene knopjes. De dagen kwamen en de dagen gingen ... onze rozen stonden volop in blad en heerlijke bloemen.... Regen, regen, hebben ze zoo noodig gehad om tot dien heerlijken bloei te komen.
Regen, regen, heeft de ziel noodig om te groeien en te bloeien.
Nu weten we het. Onze tranen van heden dienen slechts om het zaad te doen ontkiemen waaruit nieuwe, hoogere levenslust opbloeit in de toekomst.
Spartel niet tegen; klaag en verwensch niet het verdriet als het tot u komt; want het verdriet heeft recht van bestaan, heeft zijne roeping. Laat gewillig u door het verdriet opbouwen; dàt doet het, indien het hart goed is. Zoo waar is het: "hetzelfde vuur dat het goud zuivert, verteert het hout tot asch".
Nu dien ik je toch te vertellen, hoe wij aan Nellie van Kol zijn gekomen. Misschien heb je in de krant reeds het een en ander hierover gelezen. Het volgende dient je in dat geval dan tot toelichting: In de tweede helft van April kregen wij hier voor één avond den heer Van Kol over. Eene Hollandsche dame, die zeer met het streven van je zusjes sympathiseert, zond hem in dat belang hierheen. Het was een van de prettigste kennismakingen die wij ooit hadden.
Had hij reeds lang onze harten gewonnen door hetgeen hij is voor Java en den Javaan, die persoonlijke kennismaking verzekert hem voor goed eene plaats in onze liefde en hoogachting. Het is heerlijk om superieure menschen te ontmoeten. O! het doet zoo goed, zoo goed. Dat was zoo'n groote gebeurtenis in ons leven, toen wij je lieve ouders ontmoetten—weet je dat dàt was een keerpunt in ons leven? Diè ontmoeting was een ontwaken tot werkelijk leven; voorheen hadden wij slechts geleefd in naam, inderdaad hadden wij geslapen, aldoor geslapen en gedroomd. Nú léven wij, strijden en worstelen, hopen en wanhopen, lijden en jubelen, weenen en juichen, dàt is leven! Wij zijn gestegen tot zonnehoogten van genieten, wij zijn gedaald in diepten van ellende. Je weet het alles van je Moeder, en ik ben gelukkig dat ik lééf.
Van je Moeder weet ik, dat je sympathiseert met ons streven, onze ideeën en jijzelf vertelde 't ons. 't Zal je dan zeker genoegen doen, te vernemen, dat anderen, en niet de eersten de besten, maar superieure menschen sympathiseeren met onze zaak. Die andere zijn: de heer Van Kol en zijne vrouw.
Den heer Van Kol vertelden wij alles, droegen hem onze belangen op, daarvoor was hij hier gekomen, en hij beloofde ons met alle kracht ons streven te zullen steunen, even als ook je Vader het zal doen.
Ben je niet blij, dat de zaak van je zusjes een warmen verdediger heeft gevonden in Holland, in 's lands vergaderzaal? Alles wat hij doen kan, zal hij doen om je zusjes te helpen haar ideeën tot werkelijkheid te brengen. Toen wij met hem spraken over onze harte-ideeën, vroeg hij ons telkens weer of ik zijne vrouw schrijven wilde; zij zou voor ons eene trouwe en reine raadgeefster kunnen zijn; het ontroerde me zoo. Hoe vol liefde, eerbied en vereering sprak hij van zijne vrouw, zijne leidster en raadgeefster! Dat is een man—en welk een!—die zóó sprak van eene vrouw. Voor ons waren dat oogenblikken van hoog genieten. O! en zulke mannen zijn er meer, mannen, die in de vrouw het hooge zien, haar eerbiedigen dáárom.
Ik liet er geen gras over groeien, dadelijk na 't vertrek van den heer Van Kol, schreef ik zijne vrouw. Was 't instinct, of was 't iets anders, ik weet 't niet; wat ik wèl weet, is, dat ik heelemaal geen gevoel had van mij tegenover een wildvreemde—wat 't feitelijk was—te bevinden, toen ik met haar sprak; zoo ook hier met haar man. 't Was of zij een moeder voor mij was; zonder voorbehoud stortte ik voor haar mijn gemoed uit. Tegenover haar man, kon ik onbeschroomd vertrouwelijk zijn, me wel verklaren. Hij was zoo eenvoudig, zoo vriendelijk; kwam ons zoo hartelijk tegemoet, was vaderlijk voor ons. Ik ben blij, dat ik de stem van mijn hart gevolgd had en Mevrouw Van Kol dadelijk had geschreven. We kregen een brief van haar terug, dadelijk—en o welk een! Wij voelen ons zoo rijk met de sympathie die van haar uitstroomt naar ons. God heeft ons weer een warm vriendenhart geschonken en door dat vriendenhart deed hij ons Hèm zelf vinden. Kon ik je maar zeggen, hoe gelukkig wij zijn! Wij zijn niet jubelend gelukkig om den goeden keer, dien de zaken genomen hebben, maar wij zijn stil, innig gelukkig, dankbaar, en vredig gestemd om hetgeen wij gevonden hebben. Dezer dagen kregen wij weer een brief van Nellie, een, vol mooie, heerlijke, edele gedachten. Er gaat zoo'n stroom van reinheid van haar uit. Het is een Goddelijke genade, dat wij deze reine, superieure vrouw mochten ontmoeten. "Dan zijn wij de rechte menschenvrienden en helpen", zegt ze, "als wij onzen steun niet in de eerste plaats bij de menschen zoeken, maar uitsluitend in ons zelf en bij Vader-God". Daar zijn we Nellie innig, innig, dankbaar voor, meer dankbaar dan voor al het andere, dat zij voor ons deed en doen zal. Dàt wat zij ons gaf van haarzelf, was liefde in haar hart, haar ziel. Nu weer zegt ze: "De liefste en beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens. Nestel u aan het Vader-hart. Hij zal uwe wonden helen, uwe tranen drogen."
In de dagen, dat ik aan dezen brief bezig was, is ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór onze kennismaking met Nellie, wanhopig zou gemaakt hebben. Maar nu—wij zochten niet bij de menschen troost—wij klemden ons vast aan Zijn hand. En daar werd de duisternis licht, en de stormwind zachte bries.
Wij zijn niet bang, heusch niet bang; waar wij ook zijn, daar is een Vader, die over ons waakt, die ons gadeslaat, die over ons oordeelt met liefde.
Wat malen wij om de menschen, terwijl wij ons Godes weten!
't Is Zijn werk, dat wij doen; Hij zal ons de kracht er toe geven.
Wij zijn bereid, bereid tot alles, bereid tot geven: onszelf—tot ontvangen: hartewonden. Tranen, bloed zullen er vloeien; veel, veel, maar het is niets; dat alles zal leiden tot zegepraal. Géén licht, waar niet duisternis vooraf ging. De dageraad wordt uit den nacht geboren.
Nu wij Hem gevonden hebben, is 't ons of ons leven mooier is geworden; onze roeping schooner, heerlijker, hooger. De Geest geeft eene hooge wijding aan alles!
Hoe denk jij over dat alles, Edie?
Ik weet één ding vast en zeker: dat is, dat je blij bent voor je zusjes om alles en alles.
Nu ga ik nog wat met je praten, en dan moet de brief weg; anders wordt hij zoo oud, en hij is al zoo lang. Misschien verveel ik je er wel geducht mee. Eerlijk zeggen, hoor! Oprechtheid moet de basis zijn onzer vriendschap. Schroom nooit mij iets te zeggen, al zal 't mij pijn doen, waar je dat heilzaam voor me weet. Zal je dat, broer? Ik zal 't juist des te meer apprecieeren.
Van jou hebben en kunnen wij niets anders verwachten, dan dat je niet kan en nooit zal kunnen toestaan, dat de arbeiders onder je bevelen geslagen worden. Wij deelen in dezen volkomen je gevoelens en opvattingen. Ik voor mij kan niet zien slaan. 't Doet zoo'n pijn, zoo'n pijn, om het dier in den mensch te zien, ongeketend, ongetemd, om den mensch tot dier verlaagd te zien worden.
Wij kunnen 't ons heelemaal niet begrijpen, hoe er menschen, ja zelfs vrouwen, naar eene strafoefening kunnen gaan kijken. Wij vinden 't min, harteloos. Je weet wel, dat gedroste ketting-gangers met rottanslagen worden gestraft. Hartelooze menschen, die zich tot 't uitvoeren van zulk een straf willen leenen. Min vind ik dit van den Javaan, nog minder van den Europeaan, die zich daartoe vernedert. Ik heb gezien, hoe een volstrekt niet domme, integendeel zeer ontwikkelde Europeaan, bij een volksfeest, eerst een kind en daarna een vrouw en jong meisje, op eene vreeselijke manier met zijn stok deed kennis maken, omdat de stumpers niet tijdig genoeg voor dien grooten heer op zij gingen. Ik klemde mijne tanden vast op elkaar, om geen geluid te geven; iedere slag striemde mij door de ziel. O, 't deed zoo'n pijn!
't Is niet 't idee van griezeligheid, dat mij doet gruwen van lichamelijke kastijding, maar wel het diep vernederende, dat er in ligt èn voor den bestrafte, èn voor den bestraffer. Zulk soort straf verbittert, maar verbetert niet; dit is onze overtuiging.
Als kinderen van ambtenaren in eene maatschappij, waarin het idee is vastgeroest, dat een Raden Mas of Raden Adjeng enz. absoluut een wezen is van hoogere orde, dat aanspraak, recht, heeft op goddelijke vereering, van het volk, hebben wij meer dan ons lief was scènes bijgewoond, die ons deden rillen van verontwaardiging. Bij zulke gelegenheden zijn we doodstil; kunnen praten noch lachen; verontwaardiging en meelij snoeren ons den mond. Een kennis van ons snapte dit eens, en zei: "Wij moeten het wel doen; hoe zouden wij met ons tientallen anders de orde en rust kunnen handhaven over duizenden en duizenden? Ze zouden ons reeds lang het land hebben uitgejaagd, de zee ingeworpen, zoo zij die vrees voor ons niet hadden."
Gehoorzaam uit vrees! Waar zal de tijd zijn, dat 't Goddelijk gebod, dat Liefde heet, zal doordringen tot millioenen en millioenen harten? Duizend negen honderd en twee jaren is de schoone liefdeleer gepredikt, nog hoeveel honderdduizenden jaren moeten er komen, vóór Liefde het eigendom wordt, niet van bijzondere harten alleen, maar van de groote menigte?
Je moeder kent ons heele leven; heeft zij je wel eens wat verteld van onze kinderjaren, toen wij leden onder een despotische regeering van oudere broers en zusters?
Bij ons geldt het als wet; jongeren moeten ouderen gehoorzamen in alles. Dat was heelemaal niets voor zusje Kartini, bij wie al heel vroeg de vrijheidsdrang is ontwaakt. Het gevolg daarvan was, dat ik steeds overhoop lag met mijne oudere broers en zuster, omdat ik niet verkoos te gehoorzamen, wat hun goed dunkte, dan alleen wanneer ik de billijkheid er van inzag. Zoo stond ik daar, een kind van even 12 jaar, alleen tegenover eene vijandelijke macht. Ook toen had God mij niet verlaten. Hij hielp mij dien moeilijken tijd doorkomen. Bittere, bittere tranen werden door ons kinderen geschreid. Weet je wie altijd een vriend van ons is geweest? onze hulp en bijstand? Kartono, maar hij was meestentijds niet thuis, zat op Semarang. Onze vriendschap is dus al heel oud, zij dateert uit onze vroegste jeugd. Mijn oudste zus trouwde, mijn oudste broer ging hier vandaan, en van dien stond af begonnen wij hier een nieuw leven. De leus was: "vrijheid, gelijkheid en zusterschap! Wij willen geliefd zijn, bemind en nièt gevreesd.
't Is niet om er op te bluffen, maar alles wijst er op, dat onze kleintjes liever met en bij ons zijn, dan met en bij de anderen. Orde is er, harmonie, en géén vrees. Liefde is de band, die het geheel bijeenhoudt. Wat een liefs hebben wij van onze kleintjes ondervonden! Zij hebben ons veel geleerd. Ook zij, die ons kinderleven jaren verbitterden, waren onze leermeesters. Zij hebben ons geleerd, hoe wij doen moesten, d.i. niet als zij. Weer een bewijs, dat leed recht heeft van bestaan.
Zij, die ons vroeger heftig bestreden, komen nu tot ons met liefde en vriendschap. Zij zeggen het niet in woorden, maar daden getuigen daarvan. In iederen brief vraagt onze schoonzus ons over te komen; ons zijn bij hen doet goed aan haar en haar huis, zegt ze telkens.
God is groot, God is machtig!
Zou dat stukje leven, onze geschiedenis, niet de levensgeschiedenis kunnen worden van twee volken, het Hollandsche en het Javaansche volk?
Zou 't mogelijk zijn dat eens wederzijdsche achting en liefde Java en Nederland verbinden?
Hoe wij 't hebben aangelegd om tot dat heerlijks te komen, weten wij heusch niet. Meermalen werd ons de vraag gedaan. Wij weten alleen maar, dat wij lief hebben, heel lief nebben. En dit is het geheele geheim, geloof ik.
Nu, beste broer, ik hoop hartelijk, dat deze lange praat je niet zal afschrikken van eene verdere correspondentie met je zusjes, maar dat hij je een bewijs en eene bevestiging zal zijn van ons oprecht meenen, waar wij je zeggen, dat wij je geheel als broer en vriend beschouwen. Hartelijk hopen wij, dat meer brieven van Sawah Loento de bestemming Japara zullen hebben te volgen. Spreek met ons over alles, vertel ons van alles, van je werk, het leven, je omgeving.
't Is jammer, dat fotografeeren zoo'n dure liefhebberij is; wij zouden er anders dolgraag aan doen, om typische, echt Javaansche kiekjes te maken. Wij, als landskinderen, hebben overal toegang tot ons volk; waar gij lieden niet kunt komen, daar kunnen wij wel komen.
20 Augustus 1902. (VII.)
Wij kregen menschen van Batavia over, die met hart en ziel de kunst van ons volk minnen en er veel voor willen en kunnen doen. 't Waren leden van 't hoofdbestuur van Oost en West in Indië, die tegen Sinterklaas gaarne een etalage van voorwerpen van Inlandsche kunst en nijverheid had, en gaarne zou willen dat daarbij de volkskunst in Japara goed vertegenwoordigd was.
De voorbereiding van dat werkje, dat wij zoo gaarne op ons namen, was oorzaak, dat ik niet reeds veel eerder weer praatte met onze vriendin te Princenhage. Uw man zal u later wel vertellen op welk eene beduidende hoogte hier houtsnij- en textiele kunst staan. Het is voor ons zoo'n genot om mede te mogen werken aan de bekendmaking van onze volkskunst.
Wij achten 't een groot voorrecht de tusschenpersonen te mogen zijn, door wier handen sommige zieleuitingen van ons volk hun weg vinden in een nieuwe wereld; kunstvoorwerpen, die bewondering en eerbied afdwingen voor het kunnen van hun simpelen vervaardiger, den zooveel gering geschatten Javaan.
Als men die prachtige voorwerpen beschouwt, en daarnaast hun uiterst eenvoudigen maker ziet, en de uiterst primitieve werktuigen, waarmee hij arbeidt, dan krijgt men haast een gevoel van diepen eerbied en bewondering voor zijn kunst, de innige overtuiging, dat men hier te doen heeft met een waren kunstenaar. Eens, dat we in extase waren over zijn kunst, vroegen we hem: "Hè man, waar haal je al dat moois toch vandaan?" Even werden de naar beneden kijkende oogen tot ons opgeslagen, een beschroomd lachje speelde hem om den mond en eenvoudig antwoordde hij: "Uit mijn hart, bendoro!"[1]
We waren verrukt, en daarnaast hadden we zóó 't land aan ons zelven, dat wij daar op den stoep zaten en hij voor ons op den grond in eene deemoedige houding, zich klein makend voor ons, aan wie hij honderdvoud superieur is.
Waarom? Waarom? omdat wij nu toevallig kinderen zijn van een vader, aan wien macht en aanzien is toebedeeld. O! hoe prullerig! * * * * * Heerlijk! dat door uw en enkele anderer onvermoeid streven en werken de oogen van Groot-Nederland zich beginnen te openen voor dit belangrijke punt in de kinderopvoeding: de kinderliteratuur.
Gelukkig mag Nederland zich achten, dat het zulke voortreffelijke krachten bezit, die zich met hart en ziel gelegen laten liggen aan de vorming naar hart en geest der Nederlandsche jeugd. En bevoorrecht is in dat opzicht het Hollandsche kind boven het Javaansche, dat geen enkel boek bezit, dan de leerboeken der schoolgaande kinderen. Een man, die veel wil en kan doen voor de opvoeding der Inlandsche jeugd, heeft daarover eens zijne gedachten laten gaan. Het is al jaren geleden, en wij hooren er niets meer van.
Wij waren nog kinderen, toen een inspecteur van het Inlandsch onderwijs ons verzocht, kleine verhaaltjes uit 't Inlandsche kinderleven voor Inlandsche kinderen te schrijven, die geïllustreerd bij wijze van prentenboekjes zouden verschijnen. Niet 't minste vermoeden hadden wij, toen wij die lesjes schreven, dat eens de pionierster dier edele beweging in Nederland: der jeugd opvoedende lectuur te geven, ons zou vragen, een steentje bij te dragen voor den bouw van den hoogen, slanken toren, hoog oprijzend in reine lucht; een toren met veel vensters, uitkijkende naar alle hemelstreken,—vensters van klaar en onbedriegelijk glas ... dien zij optrok voor hare lievelingen: de jeugd, den mensch van de toekomst! Wij bidden God, dat wij het gevraagde steentje zullen kunnen bijdragen.
Wij zijn nog steeds bezig sprookjes, sagen, spelletjes en liedjes te verzamelen voor dat doel. Het zal echter niet gemakkelijk gaan, denk ik, om de wijsjes der spelletjes en sprookjes op notenschrift te brengen. Eerstens, doen wij, hoewel groote muziekliefhebsters, tot onzen grooten spijt, zelf niet aan muziek, daar wij nooit in de gelegenheid zijn geweest daarin onderwijs te krijgen. Maar dit is zoo erg niet, het kan wel verholpen worden; de grootste moeilijkheid ligt hierin, dat wij een geheel anderen toonladder hebben dan u, en daarin tonen voorkomen, die wij vergeefs zoeken in Europeesche muziek.
Verleden week nog spraken wij een Europeaan, die reeds 20 jaar lang kunstuitingen van 't Inlandsche volk, in alle denkbare vormen verzamelt, o.a. ook pantoens; en nu wilde hij graag eenige Javaansche liederen, gamelanmuziek, bij zijne collectie hebben, en tot dusver is 't hem nog niet gelukt, er een op notenschrift te zetten, vanwege genoemde moeilijkheid.
Maar nu is gamelanmuziek dan ook ontegenzeggelijk moeilijk, en daartegenover de kinderzangen bij spelen en sprookjes zeer eenvoudig.
Een paar probeerden wij op de piano en het ging vrijwel; alle kruisen en mollen.
't Schijnt, dat er onzichtbare telefoondraden van Lalie Djawa naar hier loopen en daarvan druk gebruik gemaakt wordt door ons onzienlijk ik. Wij begrijpen anders niet, hoe menig punt in uw brief, ongeveer op denzelfden tijd, dat u hem schreef, door ons werd gedacht en besproken en zelf geschreven. In mijn brief, die den uwen heeft gekruist, zal u menig punt hierin, beantwoord vinden. Zelfs dat idee om de wijsjes, de spelletjes en sprookjes er bij te geven, bespraken wij reeds vóór de ontvangst van uw schrijven. Wij zouden het zoo jammer vinden als 't niet kon, want juist de zangen geven bekoring aan de spelletjes en sprookjes. Als kinderen vonden wij 't niet aardig, als onze sprookjesvertelster onder 't verhalen niet zong, waar dat te pas kwam.
Dezer dagen hebben wij een warmen woordenstrijd gevoerd over den invloed van boeken. Onze tegenpartij vond alles onzin; idealen, poëzie waren idiotisme; het boek nul, van niet de minste waarde.
Hoe ontroerd waren wij, toen wij den volgenden morgen het Amsterdammer (blad) openslaande, uw mooi artikel over den invloed van boeken vonden.
Wij zijn leeken, prullen, ons oordeel is nul; maar nu is een autoriteit aan het woord.
Het is een zeer eigenaardig mensch, daarom voor ons interessant hem gade te slaan en er onze gevolgtrekkingen uit te maken. Een mensch met vele goede eigenschappen, maar o zóó zwak.
Door hem zien wij nog duidelijker, wat er in 't kind vooral moet ontwikkeld worden: wilskracht. Zonder deze, zijn alle andere goede eigenschappen van weinig of geen waarde.
O! ik kan u niet zeggen, hoe dankbaar wij u zijn, dat u ons den weg heeft gewezen tot waar geluk, tot ware vrijheid, tot God.
Wie God waarlijk dient, is vrij; hij is aan geen mensch gevangen.
Steunen op menschen is zich gevangen geven aan menschen.
Het is zoo iets heerlijks, zoo iets grootsch, waarop u ons gewezen heeft.
Het waar geluk, waar is het?
Het is niet ver, maar o zoo moeilijk te bereiken; men kan er niet komen per tram, per spoor of per boot, en geen goud brengt er ons heen. Het reisgeld is bitter duur; het zijn tranen, hartebloed en nadenken. Waar of het is? In ons zèlf. Men kan in de wereld véél vinden, dat ons verrukt, in vervoering brengt, dat men denkt dàt is het, het langgezochte, het geluk! Even dikwijls als men dàt vindt, zal men ervaren, vaak met bitterheid, dat hetgeen men voor geluk heeft gehouden, maar ijdel schijn is.
Het waar geluk, dat blijvende is en in ons woont, heet zielevrede. Ik heb het reeds làng gevoeld; u heeft 't mij leeren zeggen.
God is naijverig, zegt men; Hij duldt niet, dat men andere goden aanbidt dan Hem en straft daarom den mensch met bittere ontgoocheling, die zich goden schept en hen aanbidt met goddelijke vereering.
Maar wij vinden: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben" een gebod zóó liefdevol. Ligt daarin niet eene even ernstige als humane waarschuwing: de mensch is mensch—een feilbaar wezen....
Ach, werd 't maar beter verstaan; zooveel bitter leed zou de menschheid zijn bespaard gebleven!
Het moge dan waar zijn, dat wij door velerlei omstandigheden er op voorbereid zijn geworden, het neemt niet weg, dat u het is, die in deze licht heeft ontstoken voor onze zielen.
Moeder is zoo blij en dankbaar voor dezen ommekeer in ons gemoedsleven.
Zij zou dolgraag u willen ontmoeten, om u persoonlijk te bedanken voor het wonder, dat u aan hare kinderen heeft verricht: ons het hart geopend voor den Vader van Liefde!
Wat ons tot ongeloovigen maakte? 't Was véél, wat we zagen onder den dekmantel Godsdienst.
O! en dan die onverdraagzaamheid van zoo menig streng geloovige!...
Wij waren kinderen, hoever reiken de gedachten van een kind?
Wij konden niet weten, begrijpen, dat het menschen zijn, die leelijke dingen doen, Gods naam ijdelijk gebruiken tot dekking van kwade practijken. Wij konden niet weten, dat oorspronkelijk alles mooi was, maar dat de menschen het mooie leelijk maakten.
Wij vroegen en vragen nog steeds, niet wàt is uw geloof? maar, hoè is uw levenswandel?
Het Goede, dat was onze God, dien wij steeds getracht hadden te dienen; nu wèten we: het Goede en God zijn Eén!
Nu zijn we bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal: Het woord gedicht is er in onze taal niet, wij zeggen bloementaal, en is 't niet juist?
Herinnert u zich de koele, heldere, tropische avonden, als alles in rust is, en stilte door niets verbroken dan door wind-geruisch in de klapperkronen, de frissche avondwind op zijn adem u toevoert zachte, zoete geuren van kemoening, tjempaka en melati? Was niet wel eens een droomerige zang tot u doorgedrongen? De zang van een Javaan, die zijn gezin en buren voorzingt van liefde, heldenfeiten, schitterende pracht, mooie, wijze, alvermogende mannen en vrouwen, prinsen en prinsessen uit het làng, làng verleden?
Al onze boeken zijn in dichtmaat geschreven en worden gelezen op zang.
't Is het liefelijkste uur, als de Javaan, moe van de volbrachte dagtaak, verpoozing zoekt in zang, alle zorgen van zich wegdroomend, geheel opgaande in het schitterend vèr verleden, waarvan hij zingt en waar zijn zang zijn ziele henen voert. "Het Javaansche volk is een volk van herinnering", zegt terecht een jonge vriend van ons. "Het is schoon in den ziele-droom van zijn eeuwenslaap".
Zeer juist, maar wij lèven en moèten lèven, dat is ons steeds bewegen en in vooruitgaande richting!
Dat zegt onze vriend ook: "tot een werkzaam, krachtig naar buiten zich uitend geheel moeten wij je volk doen ontwaken!"
Menig liefs zal daardoor zeker op den achtergrond geraken, maar mogen wij daarom ons laten weerhouden te ontwaken?
Droomen is heerlijk, droomen zijn mooi, maar wat heeft men er aan, als zij droom blijven? men moet ze nog schooner, heerlijker maken, door te trachten ze tot werkelijkheid te brengen.
Er is zooveel moois in 't Javaansche volk! Door u hoorden wij in de laatste dagen veel moois uit den volksmond. Het verzamelen van sprookjes brengt ons in aanraking met velerlei menschen, en 't is voor ons zoo'n groot genot om hunne gedachten te hooren.
In eenvoudige, maar o zoo gracieuse taal worden de mooiste gedachten gezegd, die ontroeren door de treffende waarheid en wijsheid er in.
Wat zou ik u graag eenige mooie gedachten in die gracieuse en melodieuse taal willen zenden; vertaald zijn ze niet meer, wat ze zijn.
Wij mogen u veel van ons volk vertellen, niet waar? Wat een vraag toch, het spreekt immers vanzelf, dat u er gaarne over hoort spreken, u beiden, die ons volk zoo hartelijk liefheeft. En aan die liefde, danken wij dit mooie in ons leven.
Wij gelooven met u: het wezenlijke is in den geest, en niet in de wereld.
Wij zijn zoo rijk en zoo gelukkig met de geestesvrienden, die wij hebben. Is 't zelfzuchtig, dat wij van iedereen willen leeren?—en bij voorkeur met menschen correspondeeren, die onzen geest voeden en verruimen?
O! wij vinden 't zoo afschuwelijk om nietszeggende brieven te ontvangen en ze te moeten beantwoorden; epistels, die ons doen vragen "waarom wòrden ze geschreven?"
Wij zijn waarlijk bevoorrechte menschen, om voeling te hebben met eenige superieure geesten.
Diep in het hartje van Celebes hebben wij een vriend zitten, een edel man naar hart en geest. O! wij bewonderen hem zoo innig, om zijn edel werk. 't Is voor ons een feest, als wij brieven krijgen van Dr. Adriani, die even interessant als leerrijk zijn. 't Was zoo'n groote vreugde voor ons, toen wij hem bij de familie Abendanon ontmoetten. Mevrouw had ons bijelkaar gebracht, wetende hoeveel we aan die kennismaking zouden hebben. De gedachte aan hem en zijn werk is ons een troost, als wij hier zooveel liefdeloosheid en egoïsme zien, of er van hooren. 't Meeste pijn doet ons de zelfzucht der menschen, die dikwijls grenzeloos is.
O! hoe zoet streelt 't ons, om te midden van koude, lauwe, onverschillige menschen, vélen zonder hart en hoofd, nu en dan eens een wezen te ontmoeten, één liefde en geestdrift en heldengeest!
God lof, dat wij zulke menschen kennen van verre en van nabij. * * * * * Wat spijt 't ons, dat u ons niet kende in den bloei van ons verbond. U zou er zeker schik in gehad hebben.
Drie samengestemde zielen in 't leven naast elkaar geplaatst als zusters?
Stormen zijn er over die jonge hoofden gegaan, stormen hebben in die jonge harten gewoed.
Ik denk aan u, "om zijn ideaal te bereiken, moet men menige illusie afleggen".
Uit den dood van jonge lentebloesems rijpte echter menige vrucht; zoo ook in 't menschenleven, nietwaar?—uit den dood van jonge illusies kunnen somtijds andere, rijpere, verrijzen, die tot vrucht kunnen rijpen....
Een gróóte illusie hebben wij afgelegd. In het bittere, ellendige uur, toen wij met hartebloed haar begroeven, voelden wij op eenmaal als een stroom door ons gaan, en in ons verrijzen, nieuw, frisch, krachtig leven!
Wij weten en voelen het: nog véél, véél tranen en hartebloed moeten en zullen er vloeien om de jonge vrucht te laven en haar tot vollen wasdom te brengen.
Véél, véél geduld! Wij beginnen nu te begrijpen, wat Mr. Abendanon bedoelde, toen hij ons dat door zijn vrouw liet zeggen. Veel, wat vroeger klànk voor ons was, krijgt nu beteekenis. Ja, wij kunnen en moeten slechts zeer langzaam gaan; de reis is zoo ver en zoo lang, en de weg zoo steil en moeilijk! Zelf lijden is zoo erg niet, maar de zaak belemmeren in haar gang, zullen wij verschrikkelijk vinden.
Ik denk aan een zekeren avond in 't jong verleden. Een kennis nam ons beiden mee naar een concert in den schouwburg op Semarang. 't Was voor 't eerst in ons heele leven, dat wij beiden, zonder zusje, zonder Vader, zonder Moeder ons bevonden in een groote menschenzee. Wij beiden heel, heel alleen tusschen al die vreemde gezichten. En opeens dachten wij: Zoo zal ons leven in de toekomst zijn! Wij beiden alleen op de groote levenszee! Doch wij zijn gerust! er is een God, die over ons waakt!
Den 20en dezer waren we in onze gedachten op Tandjong Priok; wij zagen de Willem II van Java's kust wegstoomen, met zich voerend een kostbaren last: Java's grooten vriend en warmen verdediger, naar 't verre Nederland, waar in 's Lands vergaderzaal hij nu, door zijn nobele daad van liefde, met des te meer gezag en kracht zal opkomen voor de belangen van millioenen kinderen van deze landen.
Breng hem veilig over, Willem II, voor deze landen en voor zijn lief gezin!
Er was dankbaarheid, er was weemoed, er was hoop in 't hart, maar boven alles een gevoel van groote verteedering. Menschenmin, liefde voor 't recht ... het zijn geen groote, ijdele woorden, geen bleeke hersenschim....
Wij gelooven in de Liefde!
En nu lieve, trouwe en reine raadgeefster, onze hooggeachte en hartelijk geliefde vriendin, danken wij u met een warmen handdruk voor uwen brief, die ons zoo in alle opzichten goed deed. Hij stemde ons tot ernstig nadenken, sterkte ons en opende ons weer nieuwe gezichtspunten.
2 September 1902. (VIII).
Eigenwijs van ons, om "moeder" te spelen en dikwijls over "kinderen", die ouder zijn dan wij. Maar wat doet leeftijd er toe? ieder mensch heeft liefde noodig, de grijsaard zoowel als het kind.
Zou de vrouw werkelijk alleen en uitsluitend in het huwelijk tot haar recht, tot de volle ontwikkeling harer gemoedsgaven kunnen komen?—omdat der vrouw hoogste en schoonste glorie is het moederschap? Maar moet een vrouw dan absoluut een eigen kind hebben om "moeder" te zijn, zooals dat woord behoort te beteekenen: een wezen, één liefde en toewijding? Als dat waar was, hoe bedroevend laag is het standpunt der wereld dan, dat men alleen een stuk van zichzelf kàn liefhebben, met algeheele overgave van het eigen ik! Hoeveel moeders zijn er niet, die alleen "moeder" heeten, omdat zij kinderen ter wereld hebben gebracht, maar die verder den moedernaam niet waard zijn te dragen. Een vrouw, die zich aan anderen geeft, met àl de liefde, die er in haar hart is, met alle toewijding, waartoe zij is in staat, is in geestelijken zin "moeder".
Wij stellen de geestelijke moeder hooger dan de lichamelijke.
Wij hopen en bidden vurig, dat later als 't ons gegeven is ons ideaal verwezenlijkt te zien, in een school te staan, onze kinderen ons niet alleen voor den vorm "moeder" zullen noemen; maar omdat zij in ons "moeders" zien en voelen.
Wij hopen innig, dat Anneke op Buitenzorg lieve, hartelijke menschen zal vinden, die het arme, alleenstaande kind het gemis van een moeder en een eigen thuis eenigszins zullen vergoeden.
Anneke heeft hier het Javaansche leven meê geleefd. Kon u maar eens om het hoekje van de deur zien, als Anneke met ons zoo zusterlijk op den grond zit. Op een avond zat zij bij ons in de kamer, aan het laag tafeltje, waaraan ik nu zit; zij naaide en wij schreven; er was nog een vierde in 't vertrek, een vriendin van ons; zij las ons vóór op zang.
U weet waarschijnlijk wel, dat al onze boeken in dichtmaat, bloementaal—zooals wij zeggen—geschreven zijn, en zij gelezen worden op zang.
Deuren en vensters stonden open; vóór de kamer bloeide een tjempakaboom, die met een windezucht ons zijn zachten, zoeten geur zond. Liefelijk klonk de zachte, weeke stem; zoet streelde het graag-luisterend oor haar zang, die onze zielen meevoerde naar 't ver verleden, naar de oertijden vol schittering en pracht, en wijze, schoone, àlvermogende menschen....
Het was heerlijk, die zielendroom....
Wij beten, al droomend, meer op onze penhouder, dan dat wij ze over 't papier lieten vliegen. En in die echt Javaansche omgeving, zat tusschen bruine kinderen van 't zonneland, een blank dochtertje van het Westen. O! zoo gaarne zouden wij u zóó in ons midden willen hebben.
Wij leeren die zangen ook, en als wij niet al te verlegen zijn, zullen wij voor u droomen op zang.
Gisteren heeft Annie met ons iets typisch Javaansch uitgehaald. Zij wilde zoo graag van Japara weg; toen zeiden wij haar: "Vraag hulp van den Soenan van Mantingan; beloof hem een bloemoffer als je wensch uitkomt".
Zij heeft het gedaan. Eergisteravond dacht zij er aan, en den volgenden morgen ging zij met ons offeren. Met een troep priesters zijn we gisteren naar het heilige graf getogen; wij brachten bloemen en wierook mee.
Anneke ging met ons in het gebouw der heilige graven, en zat met ons op den grond aan het voeteinde van het graf. Er werd wierook gebrand, en een mystiek gebrom, eerst zachtkens, maar allengs luider, steeg op als priesterkoor. Het was plechtig en indrukwekkend. Wij zaten allen met gebogen hoofden, waarover het mystiek gebed der priesters ruischte en de blauwe wierookwolken gingen. Een der priesters bracht, over den grond vooruitschuifelende, Annie's bloemen aan, en legde die eerbiedig op het graf van den Soenan en daarna op de andere graven. Naast me hoorde ik snikken. 't was Anneke! Blootsvoets, ten teeken van eerbiediging, kwam zij het gebouw binnen, en wij brachten de dooden op onze wijze groet en hulde.
Vandaar gingen we naar de kalie, die achter het kerkhof stroomt, om er onze voeten te wasschen.
Wij vroegen den priesters om voor Anneke 's Hemels zegen af te smeeken.
Liefste, wij zouden zielsgraag met ü dit alles willen doen en doorleven.
Er is zooveel in 't Javaansche leven, dat verteedert, bijv. de roerende eerbied, dien we voor onze dooden hebben, voor onze ouderen. Er gebeurt niets in ons leven van eenig belang, zonder dat wij onze dooden gedenken, vreugde of rouw.
Anneke zal nog wel eens aan Japara denken, als ze al hoog en droog op Buitenzorg zit, al mocht ze 't daar ook duizendmaal beter hebben dan hier op Japara. Wie Japara en zijne ziel eens heeft gekend, zal het nooit meer kunnen vergeten. Men mòet er aan terug denken, hetzij met liefde, hetzij met haat.
Gistermiddag zijn wij naar de houtsnijwerkerij geweest; 't was hoogst interessant, er waren 15 menschen, mannen en knapen, aan 't werk. 't Was hoogst eenvoudig, doch hoe effectvol, wat er van daan komt!
Zusje R. moest natuurlijk dadelijk meewerken, en zat al spoedig met de houtsnijwerkers aan een bank, heel genoegelijk of ze daar altijd aan gezeten heeft.
15 September 1902 (VIII).
Hoe zal ik u zeggen, met welke gevoelens bezield, wij de Charlotte van de Willem II zagen afvaren! Wij zagen hen aan met een lach om de lippen, maar tranen in het hart. Daar gaan ze, een stuk van ons hart, een stuk van onze ziel. Moedertje is weg, onze vriend is weg; wij hebben hier nu niemand meer als u. Wil u nu ons Moedertje zijn, ons nog meer liefhebben? Liefste, liefste, ik wilde, dat ik in uwe armen kon vliegen, mij nestelen aan uw hart, om te hooren hoe warm dat voor ons slaat! Blijf ons altijd liefhebben en vertrouwen! Liefste, liefste, is er dan heelemaal geen kans, dat wij elkaar terugzien in dit leven? Wij kunnen en willen het niet gelooven.
De heer Royaards, die bij den Resident logeerde, bracht onze vrienden weg; wij herkenden hem dadelijk van de portretten, die wij van hem zagen. Hij maakte een allerprettigst en indruk, en was zeer vriendelijk voor ons. Hij kon niet naar Japara komen, zei hij uit zichzelf; zou 't aardig vinden, als wij hem konden hooren, en inviteerde ons hem a.s. Zaterdagavond te komen hooren in Julius Cesar, dat zeker tot ons spreken zal. Hij zou die uitnoodiging aan onzen broer zenden; konden wij daarvan geen gebruik maken, dan zou 't niets zijn. Aardig toch, vindt u niet? Hij hoopt ons in Holland te ontmoeten; wij óók. Wij zijn heel dankbaar hem ontmoet te hebben, al zullen wij het voorrecht niet mogen hebben hem te hooren; wij zijn al gelukkig hem persoonlijk te hebben mogen spreken. Wij hadden dat heelemaal niet gedacht.
Zelden was voor ons eene week zoo rijk aan emoties, en van zoo velerlei en uiteenloopenden aard, als deze afgeloopene. Zij begon met eene gebeurtenis, in 't leven van vrienden, die grooten invloed op hun verdere toekomst kan oefenen. Wij waren er in gewijd. Daarop deden wij iets, een vriendendienst, waardoor wij ons Vaders ongenade op den hals haalden. Ik zie mij nog zitten voor Vader, hem vrij in de oogen ziende; ik was mij van geen slechte daad bewust. Vader heel somber, en bedroefd klonk zijn stem: "Ni, heb ik dat aan jou verdiend? ik heb jou vertrouwd. Je hebt mij nooit wezenlijk pijn gedaan, nu doe je het. Ik ben nooit ernstig boos op je geweest, maar nu heb ik werkelijk sakit ati.[1] Wat je ook gedaan mag hebben, ik ben nooit boos op je, maar dit doet mij wezenlijk pijn." Ik zei niets, geen woord, en ik sloeg mijne oogen niet neer, overtuigd, als ik was, geen slechte daad begaan te nebben. Bedroefd was ik, dat Vader zich de zaak zoo aantrok, maar hemelsch gelukkig daarnaast met zijne verzekering, dat ik hem nooit wezenlijk pijn had gedaan, en hij nooit wezenlijk boos op mij was geweest. Ik had de overtuiging, dat de tijd Vader anders zou doen denken over die slechtheid van me. Wij hadden niets gedaan, dat wij niet zouden durven vertellen; wij hadden tegen onze ouders gezwegen, omdat het was een geheim van anderen, en niet omdat wij het niet durfden. Wij kúnnen niet bij alles 't allereerst aan ons zelf denken, en dat willen zij. Wij mogen anderen wèl helpen, als wij zelf er hoegenaamd niets geen gevaar bij loopen. Dit is misschien zeer verstandig, maar dat strookt heelemaal niet met ons idee, die den dood zweert aan alle egoïsme. En het is een groot verdriet voor ons, dat wij onze omgeving dit hoog beginsel niet duidelijk kunnen maken. Het woord zelfzucht zoeken wij nog steeds in onze taal—heerlijke taal, waar dat woord niet in voorkomt. Was het in 't leven ook maar zoo! Helaas! Alles draait om het spilletje "ik". Weldoen als je zelf genoeg hebt, helpen als je zelf er geen onaangenaamheden door op den hals haalt. Wij kúnnen niet in dat schuitje meevaren. Wij kunnen het niet met 't woord bepleiten; wij moeten prediken met de daad, het voorbeeld!
Eerder dan wij verwacht hadden, kwam Vader tot een ander inzicht. Den avond van den zoo treurig begonnen dag kreeg ik eene ingeving; ik dacht er niet aan, dat het voor mij ook nut kon hebben, toen men mij raad vragend, ik raad gaf. Ik dacht alleen aan de belangen van mijn raadgeefster, en zie de gegeven raad kwam ook mijzelve ten goede. Vader liefkoosde me weer, en sprak met me of er niets was gebeurd. Wat zou ik me vroeger, vóór ik Nellie kende, doodongelukkig gevoeld hebben onder Vaders toorn en ongenade, maar nu hebben wij God om op te steunen en te vertrouwen, en wij waren kalm onder dat ongeval.
Hierna namen wij afscheid van Annie. 't Was ellendig, maar uiterlijk kon men aan ons niets zien. Misschien vond Annie ons wel koel, maar wij weten 't nu: stilte is de tolk van diep voelen. Na het afscheid van Annie—u raad nooit, wat ons toen overkomen is; wij werden biechtmoeders van iemand die bijna twee maal zoo oud is als wij. Dit vreemde geval deed ons zonderling aan. Wonderlijke dingen zijn ons overkomen, maar dit geval was zeker wel het allervreemdste. Wij hoorden de biecht aan met ouderlijke toestemming. Bij die gelegenheid wonnen wij een vriend voor den Javaan en een vriend voor ons streven. "Jullie zijn echte duvels, om een ouwen man de les te lezen". Dat klonk zóó van harte, dat wij in een lach schoten.
Grappig, dat wij bij onze pogingen om anderen te helpen den weg tot het goede, het waar geluk, zielevrede te vinden, menschen ouder dan wij zelf ontmoeten, die onze hand vatten.
Het geeft zoo'n heerlijk zoet gevoel, het bewustzijn anderen te kunnen helpen. Wij verbeelden ons volstrekt niet, dat wij "lichten" zijn, en daarom menig treurend hart tot ons komt om steun en troost, maar wij denken, dat men instinctmatig voelt liefde bij ons te vinden. Wij vinden het heerlijk, dat wij kunnen liefhebben, ons aan anderen kunnen geven. Arme harten, die niet kunnen liefhebben!
Wij deden heel gekke vragen, maar wij mochten alles, werd ons vooruit verzekerd.
Wij vroegen o.a.: "Wanneer een man eene vrouw liefheeft, waar denkt hij dan het allereerst aan: zal ik haar gelukkig kunnen maken? of zal ik door haar gelukkig kunnen worden?" De arme geplaagde krabde zich achter 't oor: "dat is een drommels lastige vraag, maar ik heb beloofd je oprecht op alles te antwoorden. Ik denk het laatste het eerst, en ik geloof, dat alle mannen, op enkele uitzonderingen na, er zóó over denken, want het gros der mannen is egoïstisch; jullie vrouwen staan zedelijk veel hooger dan wij". Wij wisten, dat 't was oprecht gemeend. Veel hebben wij van dien man geleerd, dat zeiden wij hem ronduit. Hij heeft ons geduld en zelfbeheersching geleerd; die stelde hij bij ons dikwijls zwaar op de proef. Materialistisch als hij is, kon hij vreeselijk tekeer gaan tegen hetgeen ons lief en dierbaar is. Als hij zoo tergend spotte en afbrak, dan kostte het ons dikwijls moeite om ons kalm te houden. En nu bekende hij, dat hij spotte, omdat hij voor zich zelven niet weten wilde, dat hetgeen wij zeiden hem trof; hij lag er dikwijls halve nachten over te pikeren.[2] Hij had over die dingen nooit nagedacht en zich het leven maar laten aanwaaien. Nu voelt hij hoe leeg het is. We zeiden hem, dat het gemakkelijk is om het leven van de oppervlakte te leven, maar dat de ziel zich niet verdrukken laat, en vroeg of laat boven op komt. Onvoldaanheid, leegheid, is haar uiting, haar kreet om voedsel!
"'t Is waar, mijn leven is zóó leeg; maar waarom heeft mijne ziel niet eerder gepiept!"
"U heeft haar niet willen hooren."
Hij was verbaasd, hoe wij sommige dingen zeiden, precies zooals hij dacht. "Dan moet er toch wat aan zijn van zielen, zielenverwantschap, enz.; ik word er nog huiverig van", zei hij met eene opglinstering van zijn ouden spot. Nu konden wij zijn spot beter verdragen, nu wij weten, dat het veelal slechts tot dekmantel diende van zijn warm gevoelen.
22 September 1902. (VIII.)
Innig dank voor uwe deelneming in ons leed over het vertrek onzer beste vrienden. Wij hadden zóó gehoopt, dat u hen nog zou kunnen zien. Uit uw briefje zien we, dat zij niet naar u hadden kunnen komen. U was in die dagen, dat zij er waren, juist op Buitenzorg. Wat is u aan 't pretmaken geweest! Mijn lief, best "Oudje" heerlijk! weer eens jong en vroolijk geweest! Ik las in de courant, dat het concert der Italianen ter gelegenheid der races bijzonder mooi moet zijn geweest, en dat Z.Exc. en hare gasten meermalen blijken van ingenomenheid gaven, ik wist toen niet, dat onder die gasten liefste was!
't Ligt misschien aan onzen gebrekkigen smaak, maar wij kunnen maar geen vermaak scheppen in de wedrennen zelf, hoewel wij dol veel van mooie paarden houden en ze te zien ons een lust is! Doch hen zoo te zien afjakkeren, wij moeten het nog leeren daarvoor enthousiast te worden; voor ons hopen wij, dat wij het nooit zullen leeren. Het aardigste nummer van races vinden wij wel de dames-bendie-race. Dat is een lust om te zien, jonge meisjes, jong en frisch als de morgenstond, in lichte toiletjes en bloemen het carré rondrijdend in lichte karretjes met vurige paardjes.
U moet weten, wij hadden ook eens de weelde gekend, van een race-club te bezitten. Een paar jaar geleden hebben wij de Japarasche Race-club met muziek, bloemen en champagne begraven op de toenmalige residentie-hoofdplaats Pati.
Hoef ik u nog te zeggen, hoe ik geniet van uwe verrukking over het schermpje! Heerlijk, dat het zóó in uw beider smaak viel! Het is een heel mooi idee, dat u mij daar aan de hand deed. Zeg u aan Mijnheer, wil u, dat ik ZEd. bedank voor zijn vertrouwen in mij; ik zal mijn best doen het niet te beschamen, d.i. uw meiske zal hare krachten eens gaan beproeven aan dat verlangd artikeltje[1] en zien wat zij daarvan zal terechtbrengen. Doch een verzoek: Stel u er niet te veel van voor en heb een beetje geduld! De vorige week heb ik net iemand bedankt, die me voorstelde het Japarasche houtsnijwerk in de Echo te gaan bespreken. Het lachte mij wel toe, maar ik heb nog zooveel schrijfwerk, en ik schreef toen maar terug, dat ik het niet aandurfde, wat nu niet geheel een verzinseltje is. Die dame zal er over gaan schrijven in de Bataviasche en Soerabajasche bladen.
24 September 1902. (IV.)
Hoe zal ik u onze blijdschap beschrijven, toen wij uwe vriendelijke kaart en boekske ontvingen. Wij zijn u o, zoo dankbaar, dat u ons geschreven heeft; nu durven wij u weer te schrijven.
Schandelijk hebben wij u veronachtzaamd; wij schamen er ons diep over! Er is geen verontschuldiging voor te vinden, en die zoeken wij ook niet en willen wij u niet aanbieden, doch eerlijk en oprecht willen wij schuld belijden.
't Was zwakheid van ons, die ons zoolang tegen u zwijgen deed. Bedroevende bekentenis van menschen die eene taak zoo groot op zich willen nemen als wij. U, die één liefde is, zal ons zacht oordeelen, onze jeugd, onze onervarendheid in aanmerking nemen.
Groot is mijn schuld tegenover u; nog grooter het kwaad, dat wij daardoor onszelven doen. Vergeef ons! wij zijn zwak geweest. Wil u ons helpen sterk te worden?—dàt moeten wij zijn, om de groote taak, die wij zoo zielsgraag op ons willen nemen, naar behooren te kunnen vervullen.
Wij zijn nog zoo jong, staan nog heel aan het begin, nog vóór onze taak, vóór het leven, wij, jonge, onervaren menschen, heel alleen met ons beiden. Zóóvele gedachten hebben in deze jonge hoofden gewoeld, zoovele gevoelens de jonge harten beroerd. Groot was telkenmale het verlangen om ons te wijden aan onze vrienden, maar wij onervaren kinderen waren te zwak en te onbedreven om ons los te rukken van de tallooze gedachten en gevoelens, die ons gevangen hielden. Zusje heeft u reeds alles verteld van wat er heeft omgegaan, en nog omgaat in onzen geest en ziel, van wat er is gebeurd in ons leven van de laatste maanden, van onze plannen, onze droomen voor de toekomst. Wij hopen, dat u daaraan uwe sympathie zal hechten.
In vele emotievolle en dikwijls zeer moeilijke dagen was de gedachte aan u beiden, edele menschenvrienden, ons een troost, een. steun, eene opbeuring. Wat ons in 't leven zóó bedroefd, is der menschen egoïsme, dat dikwijls geen grenzen kent. En als wij weemoedig gestemd door 't zien en weten van grove zelfzucht, "het afschuwelijk monster", dat ons van alle kanten aangrijnst, aan u beiden denken, komt over ons pijnlijk getroffen hart eene groote verteedering. De Liefde is, ondanks dat zelfzucht de wereld schijnt te besturen.
Te midden van brandend denken en gevoelen, over veel, dat gevoelige naturen als de onze moet pijn doen in het leven, en ontmoedigt, is eene gedachte aan u beiden ons eene lafenis, die versterkend werkt.
Veel spreken en denken wij aan u beiden, en dat doet zóó goed. U zei ven onbewust gaf u ons steun en troost in vele moeilijke uren. Wij danken God, dat wij u op onzen weg hebben mogen ontmoeten, en wij hopen en bidden vurig, dat wij uw vriendschap heel het leven door mogen behouden.
U kent nu àl onze plannen, ons doel, ons streven; wij hoeven 't u niet te vragen, ons hart zegt ons, dat u zelf het reeds gedaan heeft en nog meermalen doen zal: voor uwe jonge Javaansche vriendinnen bidden om hulp en steun van Boven, van den Allerhoogste, het Opperwezen!
Hoe verschillend de wegen ook zijn, die wij bewandelen, zij leiden alle tot één en hetzelfde doel: het Goede. Wij ook dienen het Goede, dat u God noemt, en wij Allah.
Waarom zullen wij het u niet zeggen? Eerlijk en oprecht willen wij steeds tegenover u zijn—eene vriendschap, of welk verbond ook, dat niet oprechtheid tot grondslag heeft, zal de tand des tijds niet kunnen weerstaan, en wij willen, dat onze vriendschap, die ons heel lief is, zal blijven ons heele leven door—langen tijd was God, Alla, voor ons slechts een aanroep. Goddank! dat die heerlijke naam thans voor ons heeft een gewijden klank en heilige beteekenis.
O! hoe zal ik u zeggen, hoe gelukkig we zijn, hoe rustig en vredig het in ons is, nu wij Hem hebben gevonden, om er ons geheel aan over te geven, om er op te steunen en te vertrouwen. Wij zijn zóó gerust en voelen ons zoo veilig in Zijn hoede. Er is een Vader, die ons kent, ziet en liefdevol oordeelt!
Wie ons dien schat, het geloof in het Opperwezen heeft doen vinden? Mevrouw Nellie van Kol. 't Mag dan zijn, dat lang te voren het in ons reeds aan het werken en gisten is geweest, wij ons zelven onbewust, een zieleproces ondergingen; een feit is en blijft: Mevrouw van Kol heeft de nevelen voor onze oogen weggevaagd, waardoor het Licht helder tot ons straalt.
Zij heeft ons den weg doen vinden tot den Vader van Liefde, dien u God en wij Allah heeten.
Wij voelen ons zoo onuitsprekelijk gelukkig met dien gouden schat in ons, de overtuiging, het innige geloof aan het bestaan van een Vader van Liefde.
Dat geloof doet ons alles in een ander en gelukkiger licht zien; het verzoent en vertroost en maakt ons vrijer en gelukkiger.[1]
O, we kunnen niet genoeg dankbaar zijn, dat die goddelijke uitvinding, die correspondentie heet, bestaat. Zij heeft zooveel goeds en liefs in ons leven gebracht. Wat zou ons leven zijn zonder die nooit volprezen uitvinding: correspondentie?
Superieure gedachten in boeken en andere gedrukten tot ons komend werken opvoedend, ontwikkelend, veredelend en verheffend op ons—van nog grooter opbouwende kracht zijn ze, wanneer ze tot ons komen direct van de personen zelf, wier geest en ziel die gedachten voortbrachten. Wij kunnen nooit genoeg dankbaar zijn, dat wij tot de bevoorrechten behooren, die direct in verbinding staan met enkele superieure geesten en zielen. Dat maakt ons het leven zoo rijk en zoet.
't Is voor ons een feest als wij brieven ontvangen, waarvan wij door de personen, die ze afzonden, weten, dat zij mooie, zooals Nellie zegt, "levensgeluk en liefde verspreidende gedachten" bevatten.
U kunt wel raden, wie o.a. ons een feestdag bezorgt met ons zijne gedachten over de post te doen toekomen. Met groote belangstelling en genoegen namen wij kennis van den inhoud der geschriften, die u zoo vriendelijk was ons te schenken.
Wij achten het een groot voorrecht om den schrijver dier belangwekkende artikelen persoonlijk te kennen en de geschriften direct van hem te krijgen. Mevrouw Abendanon vertelde ons zooveel van uwe lezing op Batavia, nu twee jaar geleden. Zij sprak er ons met zooveel enthousiasme over. Wij waren erg verlangend kennis te nemen van het gesprokene op 3 September 1900. Hoe verrukt waren we, toen u, zonder 't te weten, dien wensch van ons vervulde. Hoe heerlijk moet het zijn, om wat gedrukt tot ons kwam, van u zelf te hooren!
Waar zal de tijd zijn, die dien innigen wensch van ons zal vervullen? Wij hopen, dat hij eens komen, en niet te lang op zich laten wachten zal.
En nu danken wij u recht hartelijk voor uwe vriendelijkheid, om ons de zoo leerzame, boeiende en belangwekkende lectuur te zenden; wij hebben er zeer van genoten en veel in ons opgenomen. Met zeer veel belangstelling ook volgden wij de levensschets van "Njai Magdalenah". Reeds meer hebben wij van die vrome, godvruchtige vrouw gelezen; het laatst, meen ik, in de Hollandsche Revue. 't Is toch zoo jammer, dat Mapane[2] zoo ver en zoo moeilijk te bereiken is. Wat zouden wij 't anders verrukkelijk vinden, om bij u te komen! Er is zooveel, dat wij zoo gaarne met u zouden willen bespreken, en moeilijk alles in een brief zeggen kunnen. De langste, uitvoerige brief haalt niet bij een rustig uurtje mondeling gesprek. In een gesprek kan men zooveel beter zich uitdrukken, wat men denkt en wil.
Het verslag van het eindexamen der kweekelingen van de kweekschool voor Inlandsche onderwijzers te Tomohon heeft zeer onze aandacht getrokken; wij lazen het met klimmende belangstelling en genot.
't Is voor ons een groote vreugde om bewijzen te zien van de vatbaarheid voor ontwikkeling der volken in Indië. Wij bewonderen ze zoo graag en zijn er zoo gaarne trotsch op!
Hoe graag zouden wc in de Minahassa willen komen, en er de landskinderen leeren kennen. Al wat vandaar komt, boezemt ons belangstelling in. Zoo gaarne zouden wij de geschiedenis van dat land en volk kennen. En wat wij er gaarne zouden zien, is de kostschool voor Inlandsche meisjes in Tomohon. We zouden er zooveel uit kunnen leeren.
Steeds hebben wij belang gesteld in de Minahassa en de Minahassaërs. Nu wij in die buurt een vriend hebben zitten, die het beschavingswerk begint onder de koppensnellers, stellen wij des te meer belang in die landen en volken.
Moge u steeds voldoening hebben van uw edel werk; 't is een bede, die uit het diepst van mijn hart opstijgt, telkenmale, als ik aan u en aan uw werk denk.
Hoe gaarne zouden wij een tijdje op uw zendingspost, bij zendelingen, willen vertoeven. Ons lijkt het zoo iets heerlijks toe om te zijn te midden van reinen van hart, die leven enkel voor de Liefde.
Als het hart zoo rumoerig is, in opstand komt tegen het lot, hoe vredig zou die reine liefdes-atmosfeer op ons inwerken!
De omgang met reine, liefdegevende en zichzelf geheel vergetende menschen moet louterend werken.
Wie weet of die wensch niet vervuld zal worden. En, zooals het meer gaat, de vervulling van lieve wenschen gaat menigmaal gepaard met bittere tranen.
Als wij naar Modjowarno mochten gaan, zullen wij afgedaan hebben met andere illusies en droomen; wij zullen den dood aan ze gebracht en ze begraven hebben.
Zusje heeft u reeds verteld, wat onze plannen zijn, als wij onze ideeën niet tot werkelijkheid konden brengen, niet konden studeeren voor de vakken, waarin wij gaarne zouden willen opgeleid worden, afstand moesten doen van onze illusie: eene school op te richten voor meisjes van den Inlandschen adel.
Niet, dat Modjowarno voor ons een schrikbeeld is; ik vertelde u reeds, wat wij ons daarvan voorstellen: voor het uiterlijk bedrijvig, rusteloos; voor het innerlijk, een vredig rustoord. Maar u begrijpt wel, dat het voor ons bitter hard zal zijn, om afstand te moeten doen van onze idealen, die wij reeds zóó lang in ons hebben omgedragen en liefgehad.
4 October 1902. (III.)
Werkelijk, meermalen had ik de pen reeds opgenomen om u te schrijven, maar dan kwam er weer dit en dat tusschen, dat mij mijn brief weer deed uitstellen. Ik wachtte op een mooie gelegenheid ... nu zie ik, dat die gelegenheden nooit komen, men moet ze maken.
Brieven aan ons onverschillige menschen worden makkelijker geschreven, of beter gezegd, men komt er gemakkelijker toe ze te schrijven, dan epistels aan personen, waarvoor men sympathie gevoelt.
Aan de eersten heeft men niets te vertellen, kan men afkomen met een paar woordjes; maar onzen vrienden willen wij uitvoerige brieven schrijven.
't Vorige jaar was er aldoor verdriet in de kaboepaten van Japara. De een na den ander werd op 't ziekbed geworpen en wel steeds in zóó hevige mate, dat wij voortdurend in angst verkeerden, een dierbaar leven te moeten afstaan. Goddank! alles is ten goede gekeerd. Het nieuwe jaar begon vroolijk en verdrietig tezamen. Den 24sten Januari vierden wij hier bruiloft. Zusje Kardinah, de jongste van het klaverblad, trouwde; dit was een blijde gebeurtenis. Aan die vreugde was leed verbonden. Wij, die steeds zoo innig met elkaar samen waren geweest, moesten afstand van elkaar doen. Na haar vertrek was hier zoo'n groote pijnlijke leegte. Er is met haar zooveel liefs uit huis gegaan.
Wij zijn al eens bij haar geweest, in April; toen zag ze er uitstekend uit; was dik, wat ze thuis nooit was, en had rozen op de wangen. Ma heeft haar in Augustus weergezien. Ma ging er met angst in 't harte heen, want een ernstige ongesteldheid riep haar bij zusje. De rozen op de wangen waren weg, doch wij waren dankbaar, dat Ma zusje nog vond. Het was heel erg met haar geweest, een zware attaque van malaria. Nu is zusje weer beter en zit in het gebergte, om in een koel klimaat de verloren krachten te herwinnen.
Met groote belangstelling lazen wij het belangwekkend in-rijke stuk van u "Een talenbond met Nederland". Wij danken u nog eens zeer hartelijk voor uwe vriendelijke attentie ons dat geschrift te zenden; wij stellen uwe vriendelijkheid op hoogen prijs. Wij lazen verscheidene artikelen, geschreven naar aanleiding van het uwe.
Uit het artikel van Mr. P. Brooshooft, hoofd-redacteur van de Locomotief, zagen we, dat de vertaling van het veelbesproken stuk van Professor Anton van de hand zijner lieve, begaafde vrouw is.
Heerlijk voor den man, die in zijne vrouw niet alleen een huishoudster, een moeder zijner kinderen, maar ook een vriendin heeft, die belang stelt in zijn werk, met hem meeleeft daarin. Dit is voor den man ongetwijfeld van onschatbare waarde, ten minste als hij niet bekrompen en pedant is. Genoeg zijn dezulken zeker, die in de belangstelling hunner vrouwen voor hun werk, nieuwsgierigheid en bemoeizucht zien. Zoo zoetjes aan betreed ik 't gebied der vrouwen-emancipatie, waarvan u in Europa meer dan genoeg zal gehoord hebben. Heeft de vrouwenquaestie reeds uwe aandacht getrokken, in de komende jaren zal u daaraan meer aandacht geven, omdat u nu zelf ook een dochtertje heeft op te voeden.
Als wij hier onderwijs en opvoeding voor de meisjes vragen, ja bidden, smeeken, dan is het niet omdat wij van de meisjes concurrenten van den man willen maken in 's levens strijd, maar omdat wij, overtuigd als wij zijn van den grooten invloed, die van de vrouw kan ten leven uitgaan, de vrouwen beter geschikt willen maken tot de groote taak, die moeder Natuur zelf haar in handen legt: moeder—eerste opvoedster zijn van het menschdom!
Niet waar, van de vrouw ontvangt de mensch zijn allervroegste opvoeding, die in de meeste gevallen niet zonder beteekenis is voor het geheele leven.
't Is de vrouw, de moeder, die in 's menschen hart de allereerste kiemen van deugden en ondeugden legt, welke den mensch meestal het geheele leven door bijblijven.
Niet zonder grond zegt men: "hij of zij heeft het met de moedermelk ingezogen".
Lang geleden dachten we, dat wie intellectueel goed ontwikkeld was, ook zedelijk hoog stond. Helaas! al gauw werden we uit dien droom opgeschrikt—leerden we inzien, dat hooge intellectueele ontwikkeling nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit.
Diep ontroerd en pijnlijk getroffen stonden wij voor deze ontdekking. Toen wij van deze groote emotie bekomen waren, drongen wij diep in de quaestie door, en speurden de oorzaken na. En daar stonden wij weer voor een tweede waarheid: "Niet de school alleen ontwikkele den geest van het kind, vooral ook het huisgezin moèt opvoeden! De school ontwikkelt het verstand, het gezin vorme het karakter!"
Aan de moeder, het middelpunt van het gezin, is eene groote taak in de opvoeding harer kinderen opgedragen: het zedelijk deel hunner vorming. Men geve den meisjes eene deugdelijke opvoeding, bereide haar degelijk voor tot hare groote taak.
O, dat de moeders weten, wat zij in handen krijgen, als haar het grootste vrouwengeluk geschonken wordt: moederweelde! Met het kind aanvaarden zij de toekomst. O, dat 't haar klaar en duidelijk voor oogen sta de verplichting, die het moederschap haar oplegt. Niet voor haar zelven hebben zij het kind gekregen; zij moeten het opvoeden voor dat groote gezin, waarvan het eens deel zal uitmaken, het reuzengezin, dat Maatschappij heet!