← Table of contents
De Wonderen van den Antichrist

Tweede deel.

Reading edition

„De Antichrist zal van land tot land

gaan en den armen brood geven.”

I.

De vrouw van een groot man.

Het was in Februari en de amandelboomen begonnen op het zwarte lavaveld rondom Diamante te bloeien.

Cavaliere Palmeri had een tocht op den Etna gemaakt en een grooten amandeltak vol knoppen en bloemen meegebracht; dezen had hij in een vaas in de muziekzaal gezet.

Donna Micaela beschouwde den bloeienden tak. De amandelbloemen waren dus reeds gekomen! Gedurende een gansche maand, gedurende zes volle weken zou men ze nu overal vinden.

Zij zouden op het altaar in de kerk staan, zij zouden liggen op de graven, en zij zouden in het knoopsgat, op den hoed en in het haar gedragen worden.

Zij zouden bloeien langs den weg, op de bergen en ruïnes, en zij zouden prijken op het zwarte lavaveld.

En iedere amandelbloem zou haar herinneren aan den dag, toen de klokken luidden en Gaetano nog vrij en gelukkig was, toen zij droomde een heel leven met hem te zullen leven.

Het kwam haar voor, dat zij nooit te voren volkomen begrepen had wat het wilde zeggen, dat hij gevangen en weg was en dat zij hem nooit meer zou zien.

Zij moest gaan zitten om niet te vallen, haar hart scheen op te houden met kloppen en zij sloot de oogen.

Terwijl zij daar zoo zat, had ze een visioen.

Opeens bevindt zij zich thuis in het paleis te Catania. Zij zit in de hooge vestibule te lezen en zij is een vroolijke jonge dame, signorina Palmeri. Een bediende voert een reizenden koopman tot haar. ’t Is een jonge, mooie man met een takje amandelbloemen in het knoopsgat, op het hoofd draagt hij een plank vol heiligenbeeldjes, uit hout gesneden.

Zij koopt eenige beeldjes van hem, onderwijl verslindt de jonge man met zijn oogen alle kunstwerken in de vestibule. Zij vraagt hem of hij hun verzameling wil zien. Ja, dat wil hij gaarne. En zij gaat zelf met hem mee om hem alles te toonen. En hij is zoo gelukkig door hetgeen hij ziet, dat zij denkt dat hij een kunstenaar moest worden en zij doet zich zelf de gelofte, dat zij hem niet zal vergeten.

Zij vraagt hem waar hij thuis behoort.

Hij antwoordt: „In Diamante.”

„Is dat ver weg?”

„Vier uur met den postwagen.”

„En met den trein?”

„Er bestaat geen spoorweg naar Diamante, signorina.”

„Ge moest er een aanleggen.”

„Wij, wij zijn te arm. Vraag den rijken menschen in Catania of zij voor ons een spoorweg willen aanleggen.”

Nadat hij dit gezegd had, wil hij gaan, maar in de deur wendt hij zich om en komt terug om haar zijn amandelbloemen te geven. Dat is tot dank voor al het schoone, dat zij hem heeft laten zien.—

Toen donna Micaela de oogen opende, wist zij niet of zij gedroomd had of dat zoo iets misschien werkelijk eens gebeurd was. Gaetano kon immers heel goed eens in het palazzo Palmeri geweest zijn om zijn beelden te verkoopen, ofschoon zij het vergeten was; maar nu hadden de amandelbloemen dat voorval weer in haar geheugen geroepen.

Maar dit was hetzelfde. De hoofdzaak was, dat de jonge houtsnijder Gaetano was. Het was als had zij met hem gesproken. Zij meende te hooren hoe de deur achter hem dichtviel. En na dezen droom rijpte het plan in haar, dat zij een spoorweg moest aanleggen tusschen Catania en Diamante.

Gaetano was zeker tot haar gekomen om haar te verzoeken dit te doen. Het was een bevel van hem en zij voelde, dat zij hem moest gehoorzamen. Zij deed volstrekt geen poging om zich te verzetten. Zij was overtuigd dat Diamante meer behoefte had aan een spoorweg dan aan iets anders. Zij had Gaetano eens hooren zeggen, dat indien Diamante slechts een spoorweg bezat, zoodat het zijn oranjeappelen, zijn wijn, honing en amandelen kon vervoeren, en de vreemdelingen het gemakkelijk konden bereiken, het spoedig een rijke stad zou zijn.

Zij was ook vast overtuigd, dat zij een spoorweg tot stand zou kunnen brengen. Zij moest het in elk geval beproeven. Het viel haar geen oogenblik in, dat zij het kon laten. Als Gaetano het wenschte, moest zij gehoorzamen.

Zij dacht er over na hoeveel geld zij zelf daarvoor zou kunnen afstaan. Maar daarmee zou zij wel niet ver komen. Het eerste, dat zij doen moest, was trachten geld te krijgen. Nog in hetzelfde uur was zij bij donna Elisa en riep haar hulp in om een bazaar te regelen.

Donna Elisa hief haar oogen op van haar borduurwerk. „Waarvoor wilt ge een bazaar houden?”

„Ik wil geld verzamelen voor een spoorweg.”

„Dat is juist iets voor u, donna Micaela, daar zou niemand anders aan gedacht hebben.”

„Hoe, donna Elisa? Wat meent gij?”

„O niets.”

En donna Elisa ging weer aan haar borduurwerk.

„Gij wilt mij dus niet helpen met mijn bazaar?”

„Neen.”

„En gij wilt geen kleine bijdrage daarvoor afstaan?”

„Zij, die zoo kort geleden haar man verloren heeft,” antwoordde donna Elisa, „moest niet aan dergelijke grapjes denken.”

Donna Micaela begreep, dat donna Elisa boos op haar was om een of andere reden en dat zij haar daarom niet wilde helpen.

Maar er zouden wel andere menschen te vinden zijn die begrijpen zouden, dat dit heerlijke plan Diamante zou redden.

Maar donna Micaela moest tevergeefs van deur tot deur gaan. En al sprak en smeekte zij nog zoo veel, zij kreeg geen aanhangers.

Zij trachtte de menschen te overtuigen, zij wendde al haar welsprekendheid aan om hun het plan te verklaren.

Maar er was niemand, die op haar voorstel wilde ingaan. Waar zij kwam, antwoordde men haar, dat men te arm was, te arm.

De vrouw van den sindaco wilde niet, dat haar dochters op den bazaar zouden helpen verkoopen. Don Antonio Greco, de eigenaar van het marionetten-theater, wilde niet komen met zijn poppen. De stadsmuzikanten wilden niet spelen. Geen koopman wilde goederen afstaan. En als donna Micaela heengegaan was, lachte men haar uit.

Een spoorweg, een spoorweg! Zij wist niet, wat zij wilde. Daarvoor waren statuten, een maatschappij, aandeelen en een concessie noodig. Hoe zou een vrouw dat alles kunnen regelen?

Maar anderen vergenoegden zich niet met donna Micaela uit te lachen, sommigen werden boos op haar.

Zij ging naar den donkeren winkel naast het klooster der Benedictijnen, waar meester Pamphilio zijn ridderromans vertelde. Zij kwam om hem te vragen of hij op haar bazaar wilde komen om het publiek te onderhouden, met Karel den Grooten en zijn paladijnen; maar daar hij midden in een verhaal was, moest zij wachten.

Toen sloeg zij donna Concetta gade, meester Pamphilio’s echtgenoote, die op de estrade aan zijn voeten zat te breien.

Zoo lang meester Pamphilio sprak, bewogen donna Concetta’s lippen zich. Zij had zijn romans zoo dikwijls gehoord, dat zij die van buiten kende en de woorden zei, vóórdat ze over meester Pamphilio’s lippen kwamen. Maar het was voor haar altijd nog hetzelfde genot hem te hooren verhalen, en zij weende en lachte, zooals zij gedaan had, toen zij hem voor de eerste maal had hooren vertellen.

Meester Pamphilio was een oude man, die zeer veel gesproken had in zijn leven, zoodat zijn stem hem in den steek liet, als hij aan de groote oorlogstooneelen kwam, die met luide en krachtige stem verhaald moesten worden. Maar donna Concetta, die iederen roman van buiten kende, ontnam meester Pamphilio nooit het woord. Zij gaf den toehoorders een teeken dat zij moesten wachten tot zijn stem terugkwam.

Als echter zijn geheugen hem ontrouw werd, deed donna Concetta, alsof ze een steek liet vallen; dan bracht zij haar kous bij de oogen en daarachter wierp zij hem het woord toe, zoodat niemand het kon merken.

En allen wisten, dat hoewel donna Concetta de romans misschien mooier had kunnen verhalen dan meester Pamphilio, zij dat nooit zou willen doen. Niet slechts omdat dit onpassend was voor een vrouw, maar ook omdat dit haar nooit zulk een genot kon zijn als haar geliefden meester Pamphilio te hooren vertellen.

Toen donna Micaela zoo keek naar donna Concetta, verzonk zij in droomen. O, zoo te zitten onder de estrade, waar de geliefde spreekt, zoo daar te zitten dag uit en dag in om hem te aanbidden. Zij wist, wie dat gaarne zou willen! Maar toen meester Pamphilio zijn verhaal geëindigd had, ging donna Micaela naar hem toe en verzocht hem of hij haar wilde helpen. ’t Viel hem moeielijk neen te zeggen op de duizenden smeekbeden, die in haar oogen geschreven stonden.

Donna Concetta kwam hem te hulp. „Meester Pamphilio,” zei zij, „verhaal donna Micaela van Guglielmo den Slechten.”

En meester Pamphilio vertelde:

„Donna Micaela, weet ge, dat er eens een koning in Sicilië heerschte, die Guglielmo de Slechte heette?

„Hij was zoo gierig, dat hij zijn onderdanen al hun geld ontnam. Hij beval dat allen die gouden munten bezaten, hem die moesten afstaan. En hij was zoo slecht, dat allen hem moesten gehoorzamen.

„Nu, donna Micaela, wilde Guglielmo de Slechte weten of iemand nog gouden munten in zijn huis verborgen had. En daarom zond hij een zijner dienaren met een schoon paard door de corso in Palermo. En de man bood het paard te koop aan en riep luid:

„Te koop voor een gouden munt! te koop voor een gouden munt!”

„Maar er was niemand, die het paard kon koopen.

„Doch het was een zeer schoon paard en een jonge heer in Palermo, de hertog Montefiascone, was opgetogen daarover.

„Er bestaat voor mij geen vreugde op deze aarde meer indien ik dit paard niet kan koopen,” zei hij tot zijn hofmeester.

„Signor duca,” antwoordde de hofmeester, „ik kan u zeggen, waar gij een gouden munt kunt vinden. Toen uw heer vader stierf en door de Kapucijners werd weggehaald, legde ik volgens oud gebruik een gouden munt in zijn mond. Die kunt ge immers nemen, signor.”

„Want ge moet weten, donna Micaela, dat men in Palermo zijn dooden niet in den grond begraaft. Men brengt hen naar het klooster der Kapucijnen, waar de monniken hen in hun grafkamers hangen.

„O, hoe velen hangen daar! Zoo vele dames gekleed in zijde en satijn, zoo vele hooge heeren met ridderorden op hun uniform, en zoo vele priesters met pij en kalotje op het doodshoofd en over het geraamte.

„De jonge hertog volgde den raad. Hij begaf zich naar het klooster der Kapucijnen en nam de gouden munt uit zijns vaders mond en kocht het paard daarvoor.

„Maar gij begrijpt, dat de koning slechts zijn dienaar met het paard uitgezonden had om te weten te komen of nog iemand geld bezat. En nu werd de hertog voor den koning gevoerd.

„Hoe komt het, dat gij nog eene gouden munt bezit?” zei Guglielmo de Slechte.

„Sire, die was niet van mij, maar van mijn vader.” En hij verhaalde vanwaar hij de munt gekregen had.

„’t Is waar ook,” zei de koning. „Ik had vergeten, dat de dooden nog geld bezitten.”

„En hij zond zijn dienaar naar de Kapucijners om alle munten uit den mond der dooden te nemen.”

Hier eindigde de oude meester Pamphilio zijn verhaal. En nu wendde donna Concetta zich met van toorn fonkelende oogen naar donna Micaela.

„Gij zijt het die met het paard uitgaat,” zei zij.

„Ben ik dat? ik?”

„Ja, gij donna Micaela. Nu zal de regeering zeggen: „Zij leggen een spoorweg aan in Diamante. De menschen daar zijn dus rijk.” En men zal onze belastingen verhoogen. En God weet, dat wij de belastingen, die ons reeds zijn opgelegd, niet kunnen betalen, zelfs indien wij onze voorvaderen plunderden.”

Donna Micaela wilde haar kalmeeren.

„Zij hebben u uitgezonden om te vernemen of wij nog geld bezitten. Gij zijt een spion der rijken, gij wordt betaald door de regeering. Die bloedzuigers in Rome hebben u betaald.”

Donna Micaela wendde zich van haar af.

„Ik kwam om met u te spreken, meester Pamphilio,” zei zij tot den grijsaard.

„Maar ik ben het, die u antwoorden zal,” viel donna Concetta haar in de reden, „want het is een onaangename zaak, en die moet ik op mij nemen. Ik weet, wat de vrouw van een groot man past, donna Micaela.”

Donna Concetta zweeg, want de voorname dame keek haar aan met een blik, zoo vol afgunstig verlangen, dat zij medelijden met haar gevoelde. God ja, er bestond ook verschil tusschen mannen, don Ferrante of meester Pamphilio!

II.

Panem et circenses.

In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn.

Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat, beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt:

Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft.

Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen, dat duurzaamheid bezit.

Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte.

Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld.

Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden, gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit aanschouwd hadden.

’t Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam, was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen als een koningin.

De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel, dat de straten der stad iederen dag geveegd werden?

Als zij ’s morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het kasteel of naar ’Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo of Nicolosi konden rijden.

En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen!

Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar uit deze te komen zien.

Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop op de Engelsche signorina vestigde.

Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij nam hem.

Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. ’t Was daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde.

Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden.

Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen!

Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar zij regeerde.

Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen.

Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der oude keizers gedaan zou hebben.

Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten kwam!

Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren deuren van het Grieksche theater openschuift.

Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen, die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken.

Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op ’t feest en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels, met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen, allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest.

De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche signorina haar te overwinnen.

Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten.

Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna, de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu aan San Pasquale gewijd was.

En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen, zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de hielen volgde.

Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat, was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts, zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam en een zwaar, plomp gemoed.

Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel ander mensch.

Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en niets anders was het!

Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter, die aan ’t boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor haar en zei:

„Ik drink op uw welzijn, signorina.”

Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan om te worden aangebeden?

Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn.

Ze hielden toespraken tot haar.

„Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die Sicilië bemint”—en zoo voort, en zoo voort.

En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer, dat zij glimlachen kon.

Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen zij noodig had.

Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote weldoenster.

Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht.

De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem.

„Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had,” zei hij.

„Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!”

En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen, hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft?

Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht met hun gejubel en gedans te vervullen.

Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar gasten aan te bieden?

Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar, de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel het schoone panorama aanschouwden.

De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met een schat van lof.

Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert en bezielt.

Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk.

Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben, maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die haar liefhadden.

Zij trad het laatst van allen op.

Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd te worden.

Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men wilde den grond verpletteren om haar te huldigen.

Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag.

Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot.

Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden, opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en zwak. En de menschen kenden elken toon.

Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche signorina. Later was het de man met kanker in ’t gezicht, die zoo lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet.

Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden, die valsch zingen.

Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven gedaan hadden.

Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele zuivere toon!

Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven, dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om hun ooren te pijnigen met vijl en zaag?

Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om in een daverend gelach uit te barsten?

Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina!

Het kwam overweldigend voor haar. ’t Kwam al te overweldigend onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen.

Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat zij niet zien kon.

Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was, dat haar niet aanging.

Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon zien schudden van ’t lachen.

Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde van ’t lachen en de zee glinsterde van pret.

Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij riepen haar terug. „Bravo! Bis! Da capo!” Zulk een genoegen konden zij zich niet laten ontgaan.

En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos.

Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren verslonden te worden.

En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren, werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf.

Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen, omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde en zij was bang.

En zij lachten en lachten!

Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw, gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was....

Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara, bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn vrouw te worden.

Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en trouwde met hem.

Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante zijn.

Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat, maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche.

Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar zelf merkte men niets.

Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche huisvrouw behoort te zijn.

Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot stand brengen, dat duurzaamheid bezit.

III.

De verworpeling.

Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover te betuigen.

Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille van de armen——Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen te blijven.

Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster zou vertrekken.

In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden, donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche signorina’s, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen.

Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde.

„Signor Dio,” mompelde hij, „ik ben geruïneerd. Als gij dit laat geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den arm en werp mij in den Etna.”

De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven.

„Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?” zei ze. „Moge God u kracht schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met haar, signora!”

Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham sprak met signor Favara over zaken.

Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde zij hem duidelijk zeggen: „Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken, indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu———” Hier daalde zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven, zou niemand dat kunnen.

Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg.

„Fra Felice,” riep hij, „gij komt hier om ruzie te maken met de groote weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden.

„Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!”

Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit.

Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen, werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon, dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra Felice zeker niet gewoon.

Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij, trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen, hadden heden tijd om aan fra Felice te denken.

De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice staande hield.

Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij fresco’s van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan?

Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de kerk van San Pasquale.

Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster opgeheven en aan een koopman verkocht werd.

De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus te verkoopen.

Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef.

Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd gedaan had.

De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de groote wijngaarden, die er bij behoorden.

Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen, ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster.

Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden.

Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik.

Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen, dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen.

Maar de waarheid was, dat nu fra Felice’s kerk zoo leeg was, dat niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat.

Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn verzoek toegestaan.

Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen.

Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt van scheiden kon.

Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit, maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld.

Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde.

Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had.

Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen.

Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien.

Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen glimlachte zij en zei: „Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice.”

„Gij moogt het gaarne behouden,” zei de grijsaard. „Moge het mij nooit weer onder de oogen komen.”

Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice, glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje, het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige steenen.

Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege hoogaltaar van zijn kerk plaatste.

Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad.

Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het koord ongebonden op zijn rug.

De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter haast aansporen.

De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende hem niet.

De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts, waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij bleef stilstaan.

Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje riep de signora.

„Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet spreken.”

Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op zijn wangen.

Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen.

Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld, maar het beeld was onbeschadigd gebleven.

En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd.

Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest het ’t eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming genomen had.

En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte.

Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken, vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag, en dat het een wonderdoener was.

„Hij is de grootste en mildste wonderdoener,” zei zij.

Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht heeft en welk niet.

Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren, alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje speelde.

Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling, dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor, en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat.

IV.

Het oude passiespel.

Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust van het graf zou schenken.

Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat in te grijpen en te leiden.

Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken zooals hij altijd gedaan had.

Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven binnen vier muren.

Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van hem ontving.

Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de buitenwereld hooren.

Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, die zij op haar bazaar wilde verkoopen.

Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en doosjes van schelpen maken.

Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.

Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.

Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn hoofd en wees op zijn kalen schedel.

„Zie naar mij, donna Micaela,” zei hij. „Zoo kaal zal deze spoorweg uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt.”

„Wát meent gij, fra Felice?”

„Donna Micaela,” zei de grijsaard, „is het geen dwaasheid, een groot plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?”

„Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice.”

„Ja, menschen,” zei de grijsaard. „Maar wat helpen menschen? Als iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden.”

’t Was fra Felice’s bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden, indien zij dit slechts deed.

Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale.

Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: „Gaven voor den Etnaspoorweg.” Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar.

’t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is.

In den herfst was namelijk don Antonio’s theater begonnen achteruit te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek aan geld hadden.

Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft.

Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op het verguldsel der kronen.

Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd op dezelfde wijze hebben.

Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.

Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen, en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een zeer hooge betaling.

Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan.

Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van geheel Diamante bleven weg van het theater.

Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don Antonio’s poppen moesten voor leege banken optreden.

En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er heen te gaan.

Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, alles weer zooals vroeger in te richten.

Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.

En nu was don Antonio’s kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de muzikanten.

Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met prachtige monteering.

Maar ook dat hielp niets.

Er is een tooneelspel, dat „de dood van den paladijn” genoemd wordt en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.

Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis.

Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers.

Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een vergelijk komen.

In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren.

Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar nu lachten zij nooit meer. ’t Was niet zoozeer de nood, die hen drukte, maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken.

Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden.

„Waarom staan San Pasquale’s kerkdeuren open?” zei donna Emilia. „Dat heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien.” En zij trad de kerk binnen.

Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice’s geliefd beeld en de groote collectebus.

En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op haar knieën zonk om te bidden.

En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de groote bus, die naast hem hing.

Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren, dat haar zeide, wat zij doen moest.

Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura.

En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:

„Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel hoorde.”

Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: „het Passiespel.”

Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig verlengd was.

Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij vele mijlen afgelegd had.

Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn beide handen en staarde naar den grond. ’t Was droevig don Antonio aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er door scheen.

Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.

Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan een idee ontbrak.

Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit:

„Zie mij aan, don Antonio Greco,” zei ze. „Ik breng u gouden schalen vol koningsvijgen!”

En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.

Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. „Het oude Passiespel,” schreeuwde hij. „Het oude Passiespel.” Want het oude passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld.

Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog slechts als een sage in de herinnering van het volk.

In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd.

Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon, die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was.

Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden zij het oude passiespel ook niet liefhebben?

Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht en de kruisiging.

Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen, als het beeld hen wilde bijstaan.

Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.

In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.

Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen dag duurde.

Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten van des sindaco’s tuin.

Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in don Antonio’s theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen.

En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. ’t Had hem zoo verheugd te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen: „Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie bedrijven door cavaliere Filippo Orioles.”

Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door.

Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was niemand ongeruster dan donna Micaela.

„Zal het kleine beeld mij helpen?” vroeg zij onophoudelijk. Zij zond haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.

Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen hadden besloten don Antonio te ruïneeren.

Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio’s theater, maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde.

Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.

Maar toch was zij niet terneergeslagen. „Treed binnen, donna Micaela,” zei ze. „We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft.”

Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen, met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek bekleed.

Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don Antonio’s borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de coulisse.

„Donna Micaela,” riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken geleden, „we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen toeschouwers noodig.”

Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen te laten.

„Wat zegt ge van mij, donna Micaela?” zei hij lachend. „Maar gij begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was, dat mij tot priester gemaakt heeft.”

Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met don Antonio.

De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.

Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.

Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand het theater vulden.

Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, eigenzinnige knapen.

Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.

Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. ’t Was hun onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen gestormd.

Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, het oude passiespel! ’t Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht nog niet verloren.

Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten.

Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.

Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.

Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot priester gemaakt had.

Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven!

V.

De dame met den ijzeren ring.

Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd, maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had zij dezelfde wijs gezongen.

„Ik heb een lok geknipt van mijn haren,” zoo zong ze. „Ik heb mijn glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen omstrengelen.”

Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te voorspellen, dat haar wachtte.

Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein aanglijden op nieuwe glinsterende rails. ’t Was een feesttrein. Er wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden jubelende menschen. „Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe spoorweg!” riepen ze.

Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein.

En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg.

„Verlang een gunst van ons, vorstinne!” zei de koning, haar aansprekend met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona’s vroeger gevoerd hadden.

„Sire,” antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, „schenk de vrijheid aan den laatsten Alagona!”

En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna.

Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed, zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen en den hals van den gevangene.

O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat zij hem geen oogenblik vergete!

VI.

Fra Felice’s testament.

Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang, en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het geliefde treurspel te zien.

Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond.

Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus van het kleine beeld.

In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.

„Hebt ge gehoord, donna Elisa,” zei men, „dat don Antonio Greco geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela’s spoorweg?”

Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.

Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, die het beeld reeds verricht had.

„Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk, als het zulk een groote wonderdoener is,” zei donna Elisa.

Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.

Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de eenige der oude Alagona’s die nog in Diamante woonde. De menschen richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben willen helpen.

Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar schoonzuster wilden bijstaan.

Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een zondaar, gekweld door gewetenswroeging.

Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.

„Donna Micaela is geen vrouw van den Etna,” zei zij tot zich zelf. „Ze houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit.”

Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes.

Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar gedachten terug.

„Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona’s te versieren op San Sebastiaans feest,” dacht zij. „Zij wilde zeker niet dat de heilige Gaetano zou helpen.”

Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën en altaarstukken in breede vergulde lijsten.

Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen.

Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de stad gekomen?

Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk hangt tot nagedachtenis der dooden.

Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen.

De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een theater zou veranderen.

Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. ’t Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.

Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden.

Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel aangenomen.

Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.

Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu?

Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange, leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen, een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo hard zij slechts konden.

„Wat is er te doen?” vroeg donna Elisa.

„Ze willen ons onze kerk ontnemen,” jammerden de kinderen en tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.

In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio’s echtgenoote, donna Concetta.

„Ach, donna Elisa,” zei ze, „nooit in uw leven hebt ge zoo iets vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan.”

Maar donna Elisa ging verder.

In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag.

„Mijn God,” zei donna Elisa en vouwde haar handen, „ze breken Sor Arrigo los.”

En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem.

„Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?” dacht donna Elisa. En door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden Jezuïet aan te raken.

Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest, dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.

De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het zonnelicht zien.

Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.

En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor, don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen om de bedroefden te troosten.

Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk een ellende treffen?

Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.

Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.

„Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa,” zei het oude vrouwtje. „Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer, alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën, toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje, dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat.

„Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui, niets, niets was er.”

„Och, arme!” zei donna Elisa.

„Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. „Wat doet ge met Sor Arrigo?” riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de nis van Sor Arrigo kwam.

„Wij moeten hem wegvoeren,” antwoordde men mij.

„Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze kerk voor een theater!

„Waar is pater Succi?” vraag ik eindelijk. „Is pater Succi nog hier?” En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij.”

„De pastoor zal jelui een andere kerk geven,” zei donna Elisa.

„Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen, dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.

„Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende.

„Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen.”

Donna Elisa’s hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen aandeed.

Toen ging donna Elisa naar don Matteo.

„Uw Hoogeerwaarde,” zei ze, „heeft u gesproken met den sindaco?”

„Ach, ach, donna Elisa,” zei don Matteo. „’t Is beter, dat gij beproeft met hem te spreken, dan dat ik het doe.”

„Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit hooren spreken over de blinden.”

„Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.

„Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd worden.”

Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde man kwam binnen.

„Vader Elisa,” fluisterde men. „Vader Elisa.”

Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen.

Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar vader Elisa om met hem te spreken.

„Vader Elisa,” zei ze, „ge moest naar den sindaco gaan.” De grijsaard herkende donna Elisa’s stem en hij antwoordde met zijn grove oudemannenstem:

„Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?”

Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. „Ik heb hem verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen te beoordeelen.

„En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende, omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer.

„Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe dichten.

„Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?

„Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning, dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document.”

„Wat antwoordde hij toen?”

„Hij lachte mij uit.”

„Kan geen der andere raadsleden u helpen?”

„Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen van Pontius naar Pilatus gezonden.”

„Vader Elisa,” zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, „hebt ge vergeten de heiligen aan te roepen?”

„Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts bij naam kende.”

„Gelooft gij, vader Elisa,” zei donna Elisa en zij liet haar stem nog meer dalen, „dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde geld te geven voor donna Micaela’s spoorweg?”

„Ik heb geen geld te geven,” zei de grijsaard moedeloos.

„Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa,” zei donna Elisa, „nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven, vader Elisa. Een belofte kost niets.”

„Ik wil beloven wat gij slechts wilt,” zei de grijsaard.

Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten te worden.

„Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?” zei ze.

„Doe gelijk gij wilt, donna Elisa,” zei de grijsaard.

Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur ’s morgens opgestaan en zijn kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had.

Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen de stralen fra Felice’s oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, evenals fra Felice zelf.

„Wij zien er uit als jonge knapen,” dacht de grijsaard. „We hebben nog vele jaren te leven.”

Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich in zijn pij wikkelde.

’t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: „Nu heb ik je noodig, fra Felice.”

Hij knikte terug. „Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden.”

Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.

Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen had om hem vaarwel te zeggen.

Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het niet aanging zoo uit het leven te glijden.

’t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij had immers niemand om hen te halen.

Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. ’t Was alsof hij geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn pij wikkelen.

Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.

Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela’s zaak bevorderd zou worden.

Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.

Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. „Ik moet sterven,” zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei: „Ik ga sterven.”

Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen.

„Ga hier zitten,” zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw het stof van den grond te wisschen.

Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.

„Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa.”

’t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten.

Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol vuur en zonder eenige moeite.

„Donna Elisa,” zei fra Felice, „ik heb een erfenis weg te schenken. ’t Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien ik die zou nalaten.”

„Fra Felice,” zei donna Elisa, „wees daarover niet bezorgd. Er is geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan.”

Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor hem was geweest.

„Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca te maken?” zei hij.

„Ja, dat is een groote gave,” zei donna Elisa.

„Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave,” zei fra Felice. „Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. ’t Is alsof men een zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen, het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor een armen monnik, donna Elisa.”

Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.

„Als ik langs den weg kwam in zonnehitte,” zei fra Felice, „kwam de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. ’t Is een goede gave geweest, donna Elisa.”

„Ja, dat is waar,” zei donna Elisa.

„En ’t is geen harde arbeid geweest,” zei fra Felice.

„Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa, het was een Godsgave.”

„Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice,” zei donna Elisa.

Fra Felice glimlachte: „Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag, als de trekking pas geweest is,” zei hij. „Maar Donderdags en Vrijdags en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de loting is.”

Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.

„Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice.”

„Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?”

„Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?”

„Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel.”

Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde heftig.

„Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster verloren hebben,” fluisterde hij.

En na een tijdje vervolgde fra Felice: „Ik zou het ook wel gaarne willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons allen waakt.”

„Zijt gij zoo rijk, fra Felice?” vroeg donna Elisa.

„Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel.”

Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:

„Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa.”

Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.

„Ziehier, donna Elisa,” zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar overreikte. „Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van Diamante.”

„Hier, donna Elisa,” zei fra Felice, „hier zijn de vijf cijfers, die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers, een heele quinterne, donna Elisa.”

Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet vele oogenblikken meer te leven.

„Als het nu Zaterdag is,” zei fra Felice, „zullen er velen aan fra Felice denken.

„Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?” zullen zij vragen. „Kan het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?”

„Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, alle honderd.

„Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.

„En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste hoop te koesteren.

„Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa, zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. „Heden winnen zij niets,” zullen zij zeggen, „heden maakt de staat een goede winst.” Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer.

„Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt, men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men is rijk. Geheel Diamante is rijk...”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings