Tweede deel. (continued 2)
Reading edition
Donna Elisa had fra Felice’s hoofd met haar arm gesteund, terwijl hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar achterover. De oude fra Felice was dood.
Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.
Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, maar niet toegegeven.
Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had.
Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden bijstaan.
Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, zouden ze verpanden en verkoopen.
De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen dag lastig gevallen was door allerlei menschen.
„Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?” zei hij. Donna Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.
Toen vertelde zij hem van het testament.
De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.
„Dat is zeer interessant,” zei hij en strekte de hand uit naar het papier.
Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:
„Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?”
„Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van een stervende.”
Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten.
„Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten bijeenkomen, behoort ook tot de dooden,” sprak zij nu.
„Signora Antonelli, begint gij ook hierover?” zei de sindaco heel vriendelijk. „’t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan ik niet.”
„Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?”
„Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster, maar zulk een klooster bestaat niet meer.
„En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?”
„Men zou u liefhebben als een goeden man.”
„Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te houden. Morgen zal het vergeten zijn.”
„Morgen!” zei donna Elisa. „Nooit zullen wij het vergeten.”
De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk van Diamante beter te kennen dan zij.
„Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?” vroeg hij.
„Ja, dat geloof ik, signor sindaco.”
Toen glimlachte de sindaco weer. „Geef mij dien brief eens, signora.”
Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken.
„Ik wil u zeggen,” sprak hij, „dat ik juist nu verneem, dat de oude fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is.”
Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen hij gezegd had.
En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: „De cijfers, de cijfers!”
De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen.
„Ge moet er wel aan denken,” zei hij, „dat fra Felice onmogelijk weten kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen.
„Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat iemand het gelezen heeft.”
„De cijfers,” riepen de vrouwen. „Laat ons de cijfers zien!”
„Indien ik het testament mag vernietigen,” zei de sindaco, „beloof ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden.”
Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de leuning vast.
„Hemelsche Vader,” zuchtte donna Elisa, „is hij een duivel dat hij het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?”
„We zijn tot nu toe arm geweest,” riep nu een vrouw, „we kunnen ook in de toekomst de armoede dragen.”
„We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus,” riep een andere.
De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde.
De kerk der blinden was gered.
„Dit is een wonder,” fluisterde de oude donna Elisa. „Allen gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers verbranden! Dat is een wonder.”
’s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een arme, oude, verlaten vrouw.
Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. ’t Kostte haar moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en het bedierven.
Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien.
De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan twijfelen, dat er nu een wonder was geschied.
De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben, dat men fra Felice’s nummers verbrandde, indien zij niet gebonden waren door een wonder.
Het deed een arm mensch zoo’n verdriet, dat de goede heilige donna Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en donna Elisa stond uit oude gewoonte op. ’t Was donna Micaela, die nu binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken.
Donna Micaela was overgelukkig.
„O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!”
„Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!”
„Donna Elisa!”
„Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze u liefhebben.”
Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen waarom donna Elisa kwaad op haar was.
„Indien Gaetano thuis was,” zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur hart drukte:
„Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht tegen me waart.”
„Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?”
„Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad, terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te verwijten indien hij thuis was.”
Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op.
„Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een zaak?” en haar stem klonk wonderlijk vreemd.
„Maar donna Elisa,” fluisterde donna Micaela nu. „’t Is immers geheel onmogelijk hem niet lief te hebben.
„Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang voor hem ben.
„Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben.”
„Moest ik dat?” Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af.
Donna Micaela geraakte buiten zich zelf.
„En Gaetano heeft ook mij lief,” riep zij. „Niet Giannita maar mij had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen, en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen.”
Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel om haar heen slaan.
„Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje,” zei zij.
VII.
Na het wonder.
Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun kruk naast zich liggen.
Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten, wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van deze heerlijke, oude academie.
Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten, maar spoedig was alles weer rustig en stil.
De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op om nieuwe gedichten voor te dragen.
„Gij menschen, die op den heiligen Etna woont,” reciteerde een van hen. „Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel.
„Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn, die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen zij verlangt.”
„Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen,” zei een andere. „Hij staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van blik en zijne diamanten zijn van glas.
„Brengt geen offers aan mij, gij armen,” zegt hij. „Bouwt geen tempel voor mij, gij ellendigen.
„Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden schoentjes dragen, met paarlen versierd.”
En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het aangenomen of verworpen.
De blinden gingen met groote strengheid te werk.
Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg in het hart van het volk.
Na het wonder van fra Felice’s testament begonnen de menschen gaven te geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram.
„Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?” zei donna Elisa. „’t Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt.
„Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen.”
Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden.
Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. ’t Was niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende.
Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de spoorweg wel tot stand komen.
Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen was, en hem vrij over hun grond laten gaan.
Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was niet zoo moeilijk.
Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven voor den nieuwen spoorweg.
Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament, dat hen met heiligen waanzin vervulde.
Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg!
Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur.
VIII.
Een jettatore.
In Catania leefde eens een man met „het booze oog”, een jettatore. Van alle jettatoren op Sicilië duchtte men hem het meest.
Zoodra hij zich op straat vertoonde, haastten de menschen zich om het beschermende teeken met de hand te maken. Toch hielp dit dikwijls in het geheel niet.
Degene die hem ontmoet had, kon zich voorbereiden op een onaangename gebeurtenis. Als hij thuis kwam was zijn eten aangebrand, en de mooie, oude kristallen schotel lag in scherven op den grond. Hij zou hooren, dat zijn bankier de betalingen gestaakt had, en dat het briefje, dat hij aan de vrouw van zijn vriend geschreven had, in verkeerde handen was terechtgekomen.
Meesttijds was de jettatore een lange, magere man met bleeke schuwe oogen en een langen neus, die kromde over de bovenlip. God heeft den jettatore dezen papagaaienneus gegeven als kenteeken.
Maar alles verandert, niets blijft zich steeds gelijk.
Deze jettatore was een kleine man met een neus als van San Michaël.
Daardoor kwam het dat hij nog veel meer kwaad stichtte dan een gewone jettatore.
Hoeveel vaker steekt men zich niet aan de doornen van de roos, dan dat men zich brandt aan een netel.
Een jettatore moest nooit volwassen zijn; zoo lang hij nog een kind is, heeft hij het goed. Dan waakt zijn moedertje nog over hem en zij ziet nooit het booze oog, zij begrijpt nooit waarom zij zich steeds met de naald in den vinger prikt, wanneer hij bij haar naaitafeltje komt. Zij is nooit bang om hem te kussen. Ofschoon er altijd ziekte in haar huis heerscht en de dienstboden voortdurend wegloopen, en haar vrienden het huis verlaten, merkt zij nooit iets.
Maar als de jettatore later in de wereld komt, is zijn lot dikwijls treurig genoeg. Men moet immers in de eerste plaats aan zich zelf denken, men kan toch niet zijn geheele leven bederven door goed te zijn jegens een jettatore. Er zijn verscheidene jettatores, die priester zijn.
Dit is niet zoo vreemd, de wolf is immers gelukkig, als hij vele schapen kan verslinden. En zeker kan een jettatore niet meer kwaad stichten, dan wanneer hij priester wordt. Men moest slechts weten, hoe het den kinderen gaat, die zij doopen en den bruidsparen, wier huwelijk zij inzegenen.
Deze jettatore van Catania werd ingenieur en wilde spoorwegen aanleggen.
Hij werd geplaatst bij een der staatsspoorwegen. De staat kon toch niet weten, dat hij een jettatore was.
Maar, o, welk een ellende, welk een ellende!
Zoodra hij aangesteld was bij den spoorweg, geschiedden er niets dan ongelukken.
Wilde men een heuvel doorboren, dan had er een instorting plaats, als men een brug wilde leggen, mislukte het keer op keer.
Wanneer men een mijn liet springen, werden de arbeiders gedood door de rondvliegende steenen.
De eenige die steeds ongedeerd bleef, was de ingenieur, de jettatore.
Maar de arme menschen, die onder hem werkten! Ze telden iederen morgen hun vingers en ledematen.
„Morgen hebben wij ze misschien niet meer allemaal,” zeiden ze.
Men deed zijn beklag bij den hoofdingenieur, men klaagde bij den minister. Geen van beiden wilde hooren. Ze waren te geleerd en te verstandig om aan het booze oog te gelooven. De arbeiders moesten maar beter bij het werk opletten. ’t Was aan hun eigen onvoorzichtigheid te wijten, dat er ongelukken geschiedden.
En de kolenwagens stortten in den afgrond, en de locomotieven ontploften.
Op een morgen fluisterde men, dat de ingenieur weg was. Hij was verdwenen, niemand wist waar hij gebleven was.
Had iemand hem soms vermoord?
O, neen, o, neen! wie zou het gewaagd hebben een jettatore te dooden!
Maar hij was werkelijk weg, geen mensch wist waar hij was.
Eenige jaren daarna was het, dat donna Micaela begon te denken aan haar spoorweg. En om geld daarvoor bijeen te brengen, wilde zij een bazaar houden in het groote Franciscanerklooster.
Daar was een groote tuin, omringd door prachtige, oude zuilengangen. Donna Micaela richtte kleine kraampjes en tenten voor ververschingen in onder deze arcaden. Zij slingerde guirlandes van Venetiaansche lampions van zuil tot zuil. Ze liet groote vaten Etnawijn rondom de kloosterbron opstapelen.
Terwijl donna Micaela daar buiten werkte, sprak zij dikwijls met den kleinen Gandolfo, die na den dood van fra Felice, wachter van het klooster geworden was. Op een dag liet zij zich door Gandolfo door het geheele klooster geleiden. Zij liep het door van den zolder tot den kelder. En toen zij deze ontelbare kleine cellen met haar tralievenster en naakte muren en harde houten banken zag, kreeg zij een inval. Zij verzocht Gandolfo haar op te sluiten in een dezer cellen en haar daar gedurende vijf minuten te laten.
„Nu ben ik een gevangene,” zei ze, toen zij alleengelaten werd. Ze voelde, dat de deur gesloten was, ze zag dat er dikke traliën voor de vensters waren. Zij was opgesloten. Zoo was het dus gevangen te zijn! Vier naakte wanden om zich heen, de stilte, de kilheid van het graf!
„Nu wil ik gevoelen zooals een gevangene,” dacht zij.
Op hetzelfde oogenblik vergat zij alles voor de gedachte, dat Gandolfo misschien niet komen zou om haar deur te ontsluiten. Hij kon immers weggeroepen worden, hij kon plotseling ziek worden, hij kon doodgevallen zijn in een der donkere gangen.
Er kon zooveel gebeurd zijn, dat hem verhinderde te komen. En niemand wist, waar zij was, niemand kon haar zoeken in die afgelegen cel. Indien zij een uur daarin moest vertoeven, zou ze waanzinnig van angst worden.
Ze dacht aan de kwelling van den honger en van de eindelooze uren van angst.
O, hoe zou ze ingespannen luisteren naar naderende schreden, hoe zou ze roepen!
Hoe zou zij rukken aan de deur. Zij zou de kalk van den muur schrappen, zij zou trachten de traliën voor het venster kapot te bijten.
En als zij haar dan eindelijk vonden, zou zij dood op den grond liggen, en overal zou men sporen vinden van haar pogingen om zich te bevrijden.
Waarom kwam Gandolfo niet? Nu was zij toch een kwartier, een half uur in de cel geweest.
O, waarom kwam hij toch niet?
Ze was overtuigd, dat ze een heel uur opgesloten was geweest, toen Gandolfo kwam. Waar was hij toch zoo lang geweest?
Maar hij was niet lang weggeweest. Donna Micaela was slechts vijf minuten in de cel.
O God, zóó was het dus gevangen te zijn! Zoo was dus Gaetano’s leven! Ze barstte in tranen uit, toen ze weer den blauwen hemel boven zich zag.
Een tijdje daarna toen zij op een open loggia stonden, wees Gandolfo haar een raam met luiken en groene gordijnen.
„Woont daar iemand?” vroeg zij.
„Ja, donna Micaela.”
Gandolfo vertelde, dat daar een man woonde, die nooit anders dan ’s nachts uitging. Een man die nooit met iemand sprak.
„Is hij krankzinnig?” vroeg donna Micaela.
„O neen, o neen, hij is even wel bij het hoofd als gij of ik. Men zegt, dat hij zich moet verbergen. Hij is bang voor de regeering.”
Donna Micaela stelde veel belang in dezen man.
„Hoe heet hij?” vroeg ze.
„Ik noem hem signor Alfredo.”
„Hoe krijgt hij eten?” vroeg zij hem.
„Ik kook voor hem,” zei Gandolfo.
„En kleeren?”
„Die verschaf ik hem. Ik ben het ook, die hem boeken en tijdschriften bezorg.”
Donna Micaela zweeg een tijdlang.
„Gandolfo,” zei ze, terwijl zij hem de roos gaf, die zij in de hand hield, „leg deze roos op het blad, als je straks eten brengt aan je ongelukkigen gevangene!”
Na dien dag zond donna Micaela bijna elken dag een kleinigheid aan den gevangene in het klooster. Nu eens was het een boek, dan een bloem of een vrucht.
’t Was haar zulk een genot, ze speelde met haar phantasie. ’t Gelukte haar bijna zich voor te stellen, dat het Gaetano was aan wien ze dit alles zond.
Toen de dag aanbrak, dat de bazaar geopend zou worden, was donna Micaela ’s morgens reeds vroeg in het klooster.
„Gandolfo,” zei ze, „ga voor mij naar je gevangene en vraag hem of hij vanavond op het feest wil komen.”
Gandolfo kwam spoedig met het antwoord terug.
„Hij dankt u zeer voor uw uitnoodiging, donna Micaela,” zei de knaap. „Hij wil gaarne komen.”
Zij was verbaasd, want zij had niet gedacht, dat hij zich zou durven vertoonen. Zij had hem slechts een vriendelijkheid willen bewijzen.
Er was iets, dat donna Micaela dwong om op te zien. Zij stond in den kloostertuin, een venster in een der gebouwen tegenover haar werd geopend. Donna Micaela zag een man van middelbaren leeftijd met een aangenaam uiterlijk voor het raam staan en naar haar kijken. „Daar is hij, donna Micaela,” zei Gandolfo.
Zij was gelukkig. ’t Was alsof ze dezen man gered en verlost had. En meer dan dit. Menschen, die geen phantasie bezitten, kunnen dit niet begrijpen.
Maar donna Micaela was den ganschen dag in spanning en verwachting. Ze overwoog, hoe zij zich ’s avonds zou kleeden. ’t Was alsof zij Gaetano verwachtte.—
Maar donna Micaela had spoedig wel iets anders te doen dan te droomen. Den geheelen dag werd ze overstelpt door onaangename wederwaardigheden.
Eerst ontving ze een brief van den ouden rooverhoofdman Falco Falcone.
Waarde vriendin, donna Micaela,
Daar ik gehoord heb, dat ge voornemens zijt een spoorweg aan te leggen op den Etna, wil ik u zeggen, dat dit nooit met mijn toestemming zal geschieden. Ik zeg u dit nu maar dadelijk, opdat ge aan deze zaak niet meer geld en moeite zult verspillen.
Hooggeboren en edele signora, ik verblijf
uw nederige dienaar, Falco Falcone.
P.S. Passafiore, mijn neef, heeft dezen brief geschreven.
Donna Micaela smeet het vuile briefje op den grond. Het was haar alsof ze het doodvonnis van haar spoorweg in de hand hield, maar heden wilde zij daaraan niet denken, heden had zij haar bazaar.
Een oogenblik daarna kwamen haar wegwerkers, Giovanni en Carmelo, bij haar. Ze wilden haar raden een ingenieur te raadplegen.
Zij wist zeker niet, hoe de grond was op den Etna. Eerst was het lava, dan asch en dan weer lava.
Moest de weg aangelegd worden op de bovenste lavalaag of op het aschbed, of moesten zij nog dieper graven? Moest de bodem voor een spoorweg zeer vast zijn? Zij moesten er iemand bij hebben, die er verstand van had.
Donna Micaela kon hen echter nu niet te woord staan.
Morgen, morgen! heden had zij geen tijd om daaraan te denken. Dadelijk daarna kwam donna Elisa met nog slechter nieuws.
Er was een stadswijk in Diamante, waar arme en woeste menschen woonden. Deze ongelukkige stakkers waren angstig geworden, toen ze hoorden van den spoorweg.
Nu komt er gewis een aardbeving of een uitbarsting van den Etna, hadden ze gezegd.
De machtige Etna duldt geen ijzeren banden. Hij zal den geheelen spoorweg van zich afslingeren.
En het volk zei, dat men den spoorweg moest opbreken zoodra die gelegd was.
Welk een ongeluksdag! Donna Micaela voelde zich verder dan ooit van haar doel.
„Waarvoor dient het nu, of wij geld bijeenbrengen op den bazaar?” zei ze mismoedig.
En het scheen ook niet, dat zij veel geld zou krijgen op haar feest. ’s Namiddags begon het te regenen. Sedert den dag, dat de klokken luidden, had het nog niet zoo geregend in Diamante. ’t Was alsof de wolken op de daken drukten, en het water er uit stroomde. Eer men twee minuten op straat liep, was men doornat.
Tegen zes uur, toen donna Micaela’s bazaar geopend zou worden, regende het zoo hard mogelijk. Toen zij in het klooster kwam, waren daar geen andere menschen dan degenen, die haar zouden helpen verkoopen en bedienen.
Zij had wel kunnen schreien! Welk een ongeluksdag! Wie had toch al dezen tegenspoed over haar hoofd gebracht?
Donna Micaela’s blikken vielen op een vreemden man, die tegen een pilaar leunde en haar beschouwde.
Opeens herkende zij hem! Dat was de jettatore. Het was de jettatore van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen.
Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe.
„Wilt ge even met mij gaan, signor,” zei ze, terwijl zij hem voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven verwoestte.
Zij dacht er in het geheel niet aan waar zij heenging. Plotseling stond ze bij de deur van de kloosterkerk en trad naar binnen.
Het was er bijna donker. Alleen een klein olielampje brandde bij het Christusbeeld.
Toen donna Micaela het Christusbeeld zag, verschrikte zij. Juist nu had zij het liever niet gezien. Zij herinnerde zich hoe zijn kroon gerold was voor Gaetano’s voeten, toen deze zoo vertoornd was op de bandieten.
Misschien wilde het Christusbeeld niet, dat zij den jettatore verstiet.
Maar zij had toch werkelijk reden hem te vreezen. En ’t was slecht van hem op haar feest te verschijnen. Zij moest trachten hem van hier te verwijderen.
Donna Micaela liep de geheele kerk door en stond nu stil voor het Christusbeeld.
Zij kon geen woord zeggen tot den man, die haar volgde. Zij herinnerde zich hoeveel medelijden zij nog onlangs met hem gehad had, omdat hij gevangen zat, hij evenals Gaetano.
Zij was zoo gelukkig geweest hem tot het leven terug te voeren. Wat wilde zij nu doen?
Hem weer in de gevangenis zenden?
Zij dacht aan haar vader en aan Gaetano. Zou het nu voor den derden keer zijn, dat zij...
Zij stond zwijgend en voerde een hevigen strijd met zich zelf.
Eindelijk begon de jettatore te spreken.
„Niet waar, signora, ge hebt genoeg van mij?”
Donna Micaela maakte een ontkennende beweging.
„Wenscht gij, dat ik terugkeer naar mijn cel?”
„Ik begrijp u niet, signor.”
„Ja zeker, gij begrijpt me wel. Er is u vandaag iets vreeselijks overkomen. Gij ziet er nu geheel anders uit dan dezen morgen.”
„Ik ben zeer moede,” zei donna Micaela ontwijkend.
Hij trad dicht op haar toe, als om haar de waarheid af te dwingen. De vragen en antwoorden volgden elkaar kort en stootend.
„Ziet ge niet, dat uw geheele feest dreigt te mislukken?”
„Dan doen we het morgen weer over.”
„Hebt ge mij dan niet herkend?”
„Ja, ik heb u vroeger wel eens in Catania gezien.”
„En gij zijt niet bang voor den jettatore?”
„Ja, vroeger als kind.”
„Maar nu zijt ge niet meer bevreesd?”
Zij ontweek hem te antwoorden.
„Zijt ge zelf bang?” vroeg ze.
„Zeg de waarheid!” zei hij ongeduldig. „Wat wildet gij mij zeggen, toen gij mij hierheen voerdet?”
Zij zag onrustig om zich heen. Zij moest hem iets zeggen, zij moest hem een antwoord geven. Toen kwam er een gedachte in haar op, die haar angstig maakte. Zij zag naar het Christusbeeld.
„Eischt gij dit van mij?” scheen ze hem te vragen.
„Moet ik dit doen voor een vreemden man? Maar dit staat immers gelijk met mijn eenige hoop te vernietigen.”
„Ik weet nauwelijks of ik het wel wagen durf u te zeggen, wat ik u verzoeken wilde,” zeide zij.
„Neen, ziet ge wel dat gij den moed niet hebt.”
„Ik ben van plan een spoorweg aan te leggen, weet ge dat?”
„Ja, dat weet ik.”
„Ik wilde u vragen of gij mij helpen wildet?”
„Ik! Ik!”
Nu zij eenmaal begonnen was, viel het haar gemakkelijker te vervolgen. Zij was verbaasd hoe natuurlijk het klonk, toen zij het hem vroeg.
„Ik weet, dat ge een spoorwegingenieur zijt. Ja, ge begrijpt wel, dat aan mijn spoorweg geen geld verdiend wordt. Maar het was beter, dat ge me hielpt, dan dat ge in uw cel opgesloten zit. Gij verspilt slechts uw tijd.”
Hij keek haar bijna streng aan.
„Weet ge, wat ge daar zegt?”
„Ja, het is natuurlijk een vermetel verzoek.”
„Ja juist, een vermetel verzoek.”
Daarna begon de ongelukkige man haar te waarschuwen voor al het onheil, dat haar dreigde, indien zij zijn hulp aannam.
„Het zou met uw spoorweg gaan, zooals met uw feest.”
Donna Micaela was overtuigd van de waarheid zijner woorden, maar zij had nu alle wegen achter zich afgesloten, zij moest nu voortgaan, goed te zijn.
„Mijn feest zal spoedig in vollen gang zijn,” zei ze beslist.
„Hoor naar mij, donna Micaela,” zei de jettatore.
„Het laatste waaraan men weigert niet te gelooven is aan zich zelf. Men kan niet nalaten zich zelf te vertrouwen.”
„Neen, waarom zou men dat ook doen?”
Hij maakte een beweging, alsof hij ongeduldig was over haar vertrouwen.
„Toen ik eerst over de zaak begon te denken,” zei hij, „troostte ik mij gemakkelijk. Door een paar ongelukkige toevallen, zei ik tot mij zelf, heb je den naam van jettatore gekregen, zoodat dit langzamerhand een vaste overtuiging is geworden. En juist dit geloof sticht het kwaad. Men heeft mij ontmoet en geloofd, dat men zou verongelukken, en toen geschiedde het ook. Het is een ongeluk erger dan de dood, aangezien te worden voor een jettatore. Maar gij behoeft het zelf niet te gelooven.”
„Het is zoo ongerijmd,” zei donna Micaela.
„Ja, niet waar, hoe zouden mijn oogen de macht bezitten kwaad te stichten? Ik wilde een proef nemen. Ik reisde naar een plaats, waar niemand mij kende. Den volgenden morgen las ik in de courant, dat door den trein waarmee ik gereisd had, een baanwachter overreden was. Toen ik een dag in het hotel was, zag ik dat de hotelhouder wanhopig was, en alle gasten ontsteld waren.
„Wat is er gebeurd?” vroeg ik.
„Een van onze bedienden is door de pokken aangetast. O, welk een ellende!”
„Donna Micaela, toen sloot ik mij op en onthield mij van allen omgang met menschen.
„Toen een jaar verstreken was, kwam ik tot rust. Ik ben immers geen gevaarlijk mensch, zei ik, en ik wil toch niemand eenig kwaad doen. Waarom zou ik dan als een misdadiger leven?
„Ik had mij juist voorgenomen terug te keeren tot het leven, toen ik fra Felice in een der gangen ontmoette.
„Fra Felice, waar is de kat?”
„De kat, signor?”
„Ja, de kat van ’t klooster, wie ik altijd melk geef. Waar is zij?”
„Zij is in een rattenval geraakt.”
„Wat zegt u, fra Felice?”
„De kat is met haar staart in de val gekomen en kon zich toen niet bevrijden. Zij heeft zich naar een der ramen gesleept en is van honger gestorven.”
„Wat zegt ge daarvan, donna Micaela?”
„Was het dan uw schuld, dat de kat stierf?”
„Ik ben immers een jettatore.”
Zij trok de schouders op. „Ach, welk een dwaasheid!”
„Toen eenige tijd verstreken was, ontwaakte opnieuw de lust in mij om te leven. Toen klopte Gandolfo op mijn deur en noodigde mij op dit feest. Waarom zou ik niet gaan? Men kan onmogelijk van zich zelf gelooven, dat men ongeluk aanbrengt, alleen door zich te vertoonen.
„’t Was reeds een feest, donna Micaela, me klaar te maken, en mijn zwarte kleeren voor den dag te halen, ze te borstelen en aan te trekken. Maar toen ik op het feestterrein kwam, was dit verlaten, de regen stroomde neer, en uw Venetiaansche ballons waren vol water.
„En gij zelf zaagt er uit, alsof al de rampen van het leven u op één dag getroffen hadden.
„Toen ge mij zaagt, werdt ge aschgrauw van schrik.
„Ik vroeg iemand: Hoe heet signora Alagona van zich zelf?—Palmeri—
„O, Palmeri, zij is dus uit Catania? Zij heeft den jettatore herkend.”
„Ja, ’t is waar, ik heb u herkend.”
„Ge zijt zeer goed en vriendelijk geweest en ik ben zeer bedroefd, dat ik uw feest verstoord heb. Maar nu beloof ik u, dat ik mij verre van uw feest zoowel als van uw spoorweg zal houden.”
„Waarom zoudt gij u daar verre van houden?”
„Ik ben immers een jettatore.”
„Dat geloof ik niet. Ik kan het niet gelooven.”
„Ik geloof het zelf ook niet. Maar toch, ja, ik geloof het. Weet ge, dat men zegt, dat niemand een jettatore kan overwinnen, dan hij die even groot in slechtheid is, als de jettatore zelf?
„Men vertelt, dat eens een jettatore in den spiegel zag, en dat hij toen neerstortte en stierf. Ik zie nooit in den spiegel. Ik geloof het dus zelf.”
„Ik geloof het niet. Misschien geloofde ik het nog wel, toen ik u daarbuiten zag. Nu echter geloof ik het niet meer.”
„Gij wildet mij misschien laten werken aan uw spoorweg?”
„Ja, ja, indien gij slechts zelf wilt.”
Weer trad hij dicht op haar toe, en zij wisselden eenige korte zinnen.
„Kom in het licht, ik wil uw gelaat zien.”
„Ge gelooft, dat ik niet de waarheid spreek?”
„Ik geloof, dat ge slechts beleefd wilt zijn.”
„Beteekent die spoorweg iets voor u?”
„Die beteekent leven en geluk voor mij.”
„Hoezoo?”
„Die moet iemand winnen, dien ik liefheb.”
„Zeer lief?”
Zij antwoordde niet, maar hij kon het antwoord lezen in haar blik.
Toen viel hij op de knieën voor haar en boog zijn hoofd zoo diep, dat hij den zoom van haar kleed kon kussen.
„Gij zijt goed, gij zijt zeer goed. Dit zal ik nooit vergeten. Indien ik degene was, waarvoor ge mij hieldt, hoe zou ik u dan dienen!”
„Maar ge moet mij dienen,” zei ze. En zij was zoo getroffen door zijn ongeluk, dat zij in het geheel geen vrees meer gevoelde, dat hij haar deren zou.
Hij sprong op.
„Ik wil u iets zeggen. Ge kunt niet loopen zonder te struikelen wanneer ik naar u zie.”
„O, waarom niet?”
„Beproef het!”
En zij beproefde het. Maar zij was bang. Reeds bij de eerste schrede voelde zij zich onzeker.
Maar toen dacht zij: „Indien het voor Gaetano was, dan kon ik het zeker wel.” En toen ging het ook.
Zij liep heen en weer.
„Zal ik het nog één maal doen?” Hij knikte.
Terwijl zij liep kwam de gedachte bij haar op:
Het Christusbeeld heeft den vloek van hem genomen, omdat hij mij wil helpen.
Zij wendde zich plotseling om en kwam naar hem toe.
„Weet ge, weet ge dat ge geen jettatore zijt?”
„Ben ik dat niet?”
„Neen, neen!” zij greep hem bij den arm en schudde dien. „Begrijpt ge dan niet, ziet ge dan niet? ’t Is van u genomen.”
De stem van den kleinen Gandolfo klonk buiten de kerk.
„Donna Micaela, donna Micaela, waar zijt ge? Er zijn zooveel menschen, donna Micaela! Waar zijt ge?”
„Regent het dan niet meer?” zei de jettatore met onzekere stem.
„’t Regent niet meer, hoe zou het kunnen regenen? Het Christusbeeld heeft den vloek van u genomen, opdat gij zijn spoorweg zoudt kunnen dienen.”
De man wankelde en greep met zijn hand in de lucht.
„’t Is weg. ’k Geloof, dat het weg is. Nog zooeven was het over mij, maar nu...”
Weer wilde hij knielen voor donna Micaela.
„Dank mij niet,” zei zij. „Maar hem, hem!” en zij wees op het Christusbeeld.
Maar toch viel hij voor haar op de knieën, kuste haar handen, en onder snikken en tranen vertelde hij haar hoe de menschen hem vervolgd en verafschuwd hadden en hoeveel ellende het leven hem gebracht had.
Den volgenden dag begon de jettatore te werken aan den spoorweg. En hij was niet gevaarlijker dan eenig ander mensch.
IX.
Het paleis Geraci en het paleis Corvaja.
In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het palazzo Corvaja.
De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken.
De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde naar de tweede verdieping.
Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met zuilen versierde loggia’s.
De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters, maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren, dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn.
De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen.
Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo.
Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende de gansche bouwperiode.
Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer met wit ingelegd.
Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een dakterras met hooge vazen op de balustrade.
Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet tusschen de families die ze gebouwd hadden.
De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen aan allen, die daarin woonden.
Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja.
Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar Napels om voor Robert en Johanna te strijden.
Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door een goed huwelijk.
De beide geslachten konden nooit tot rust komen.
Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om strijd. De Geraci’s trokken naar het hof der Bourbons in Napels, niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja’s daar ook waren.
De Corvaja’s van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen bezitten, omdat de Geraci’s belangstelden in landbouw en mijnwezen.
Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet overstraald zou worden.
’t Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen, opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen.
Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening met de galons der livreien en met het tuig der paarden.
De pluimen van Corvaja’s vierspan mochten geen duim hooger zijn dan die der Geraci’s. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci’s moesten even groote hoornen hebben als die van Corvaja.
Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja’s in het eene paleis, noch een der Geraci’s in het andere.
Nu is de binnenhof der Geraci’s een vuile plaats, waarop zoowel ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd en gebroken.
In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de andere is een schoenmakerswerkplaats.
De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde menschen.
En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter.
Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven.
Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel.
Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren en onderhoorigen.
Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad, die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci’s staat, scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft.
Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen.
San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna de schutspatrones van Corvaja is.
Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven.
Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven.
Donna Micaela woonde op Geraci’s gebied, en spoedig waren al de bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken.
Corvaja’s bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan, dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was.
Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door een spoorweg wilde bedwingen.
Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen, die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal.
Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren.
Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de citroen had. Maar toen donna Micaela’s arbeiders bleven doorwerken aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren, sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld met steenen.—
—Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van het paleis Corvaja.
Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder, koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere heerlijkheden van Corvaja.
Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten.
Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen te spreken. Zij vertelde hun sagen.
„Er was eens,” zei ze.
Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes’ soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze kapot wilde slaan.
Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar heen, maar ook volwassen menschen. ’t Was juist Zaterdagavond, zoodat de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen bij Corvaja’s bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar huis gingen.
Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om te luisteren.
De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove, zwarte mantels en slappe hoeden.
Plotseling zei de oude dame tot de kinderen:
„Houdt ge van het Christuskind?”
„Ja, ja,” zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden.
„Zoudt ge het gaarne willen zien?”
„Ja, ja,” riepen de kinderen.
De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het hoofd en gouden schoentjes aan de voeten.
„Hier is het,” zei ze. „Ik heb het meegenomen om het je te toonen.”
De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe.
„Is hij niet schoon?” zei de oude dame.
„Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?” riepen de kinderen.
Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen, zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken.
De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te verbergen.
„Geef hier, donna Elisa, geef hier!” zei de man.
De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om het beeld aan het volk te toonen.
„’t Beeld helpt ons, wanneer het wil,” zei zij. „Wij moeten het niet tot wonderen dwingen.”
Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd te worden.
Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich zou winnen.
Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het beeld nam.
„Geef het mij goedschiks, donna Elisa,” zei de man, „anders, bij God, neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine stukjes hakken.
„Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop.
„Ge zult eens zien of ’t het zal kunnen volhouden tegen de zwarte Madonna.”
Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze kon noch vluchten, noch zich verzetten.
„Micaela!” riep zij klagend, „Micaela!”
Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. ’t Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor zij altijd zoo bang was.
Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit.
„Neem het,” zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede tegemoet. „Neem het en doe er mee, wat ge kunt.”
Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den donkeren arbeider toe.
Hij wendde zich naar zijn kameraden.
„Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan,” zei hij hoonend.
En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten.
Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade, die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag, die in eens het gehate beeld zou verpletteren.
Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd.
„Je kunt het toch niet,” zei ze en ze trok het beeld niet terug.
Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst.
Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was.
„Piero!” klonk het toen luid jammerend. „Piero, Piero!”
„Mijn God, Marcia roept mij,” zei hij.
Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut, die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten.
De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was, maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder, en sprong de trede van het terras op.
De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en zei haastig:
„Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn zijde staan.”
Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden.
Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen, die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend tusschen de mannen. ’t Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas.
„Laten wij nu gaan,” zei donna Elisa tot donna Micaela. „Nu denkt niemand meer aan ons.”
Maar donna Micaela’s blik was gevallen op een der vrouwen. Zij schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar leven te verliezen.
Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. „Hier is een ziel, die kan lijden en liefhebben,” zei het gezicht.
Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw.
„Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan,” zei ze tot donna Elisa.
De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan.
„Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!”
’t Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan.
De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen.
„Ninetta is de moeder van het kind,” zei hij, „dat weet ge immers wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was, maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert Marcia Ninetta’s zoontje af te staan. ’t Is zoo hard voor Ninetta, die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen.
„’t Is toch ook Ninetta’s kind,” zei hij overredend.
Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja.
„Ninetta is een Geraci,” riep Piero en de kring bleef rondom den karabinier gesloten.
„Toen we hier kwamen om het kind te halen,” zei deze, „konden we het niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen dat haar kind op het kerkhof lag.
„Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het luidst? Was dat niet een der meisjes? „Hoe heet je?” vroeg ik haar.
„Francesco,” antwoordde zij dadelijk.
„’t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta’s knaap kon zijn, en ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia’s huis zag gaan. Ik trad binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van Ninetta. Marcia heeft er geen recht op.”
Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem, die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts weinige maar edele gebaren.
„Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet genomen had.
„En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden.”
De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier te merken, dat hem de zege zou geworden.
Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco.
„Dood mij, als ge wilt,” zei hij tot Piero. „Maar helpt je dat? Zal je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van Ninetta.”
Piero wendde zich tot donna Micaela.
„Bid hem, dat hij mij helpt!” Hij wees op het beeld.
Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden van inmenging.
„Marcia,” fluisterde zij, „beken! Beken het als je durft.”
De vrouw zag haar ontsteld aan.
„Ik zie het immers,” fluisterde donna Micaela. „Gij zijt zoo gelijk als twee appels van denzelfden boom.—Maar ik zal niets zeggen, als je het niet wilt.”
„Hij zal mij dooden,” zei Marcia.
„Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt,” zei donna Micaela. „Anders ontneemt men u het kind,” vervolgde zij.
Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige ontroering. Toen bewoog zij de lippen. „Het is mijn kind,” zei zij, maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog eens, nu klonk het als een doordringende kreet.
„Het kind is van mij.”
„Wat zal je mij doen, nu ik het beken?” zei ze tot haar man. „Het kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar, dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam, zei ze: Ninetta’s zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God, indien het mijn kind was geweest!
„Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat Ninetta’s zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij deed, gelijk ik wilde.
„Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je:
„Laten we een kind aannemen. ’t Is nooit goed tusschen ons beiden geweest. Laten we het eens probeeren met een kind.” Jij vondt het goed, en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij leefden als in een paradijs.”
Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem en hij vervolgde stil zijn weg.
Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de ongelukkige vrouw te beschermen.
Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen:
Die vrouw staat buiten de wet.
De een na den ander ging weg.
Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn, zou er iets ontzettends gebeuren.
En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond voor zijn toornigen meester.
De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer van haar man beleedigd hebben.
De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.—Nooit zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero, indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: „Ge hebt slecht gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad.” Een edele man zou het kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond.
Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden door een ondoordringbaren muur.
Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen had. Hij schopte Marcia’s zoon van zich weg.
Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend, maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste heengegaan was.
Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld en legde het in Marcia’s armen.
„Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen,” zei ze.
De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. ’t Was alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich gereedmaakt tot een sprong.
Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia’s armen.
De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde.
Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende over hem te brengen.
„Neen, Piero, neen, dood mij niet!” schreeuwde zij. „Zij zullen je naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien.” Zij ijlde naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar.
Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond, juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een paar mannen hielden haar vast.
„Och, laat mij los! ’t Is beter voor hem!”
Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij was diep ontroerd.
„Neen, Marcia, blijf!” zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden.
„Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik mij niet. Kom! ’t Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia.”
Hij legde den arm om Marcia’s middel en ging met haar naar zijn huis in de ruïnen van ’t palazzo Corvaja. ’t Was alsof een der vroegere baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia.
Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna Micaela kuste Marcia.
„Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia,” zei ze.
X.
Falco Falcone.
Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante’s spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale’s kerk was iederen avond vol gaven.
Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen, die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte.
Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan.
In de laatste weken waren geschenken van alle kanten toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations, anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl weer anderen eten gaven aan de arbeiders.
Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen ’s nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen.
Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders ’s morgens opkwamen, zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen.
Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd:
Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone?
Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over den Etna geregeerd heeft?
Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging?
Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert?
Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze ’s nachts met spaden en houweelen komen aangeslopen?
Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela zei tot zichzelf: „Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?”
Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten, sprak men over niets anders dan over hem.
Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den naakten rotswand.
’t Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. ’t Is zoo klein, dat er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten tegen den muur moeten opslingeren.
Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom.
In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed zich ontwikkeld bij Falco.
Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar buren verachtten haar.
Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte wie dien het eerst zou betreden.
Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een dochter baren?
Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand, waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af, het bleef een even getal.
Zij zou dus een zoon baren.
Den volgenden dag telde zij weer opnieuw.
„Misschien heb ik mij gisteren vergist,” zei ze.
Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het over de straat vloeien.
Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken, bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde.
Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei:
„Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb.”
Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren.
Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril was, en C een slang. Dat kon hij leeren.
Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg haar, en zij liet hem met rust.
„Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held,” zei ze.
In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen, als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste, maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten.
Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om dat te toonen.
En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond niet toe, dat men hem bespotte.
„Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen,” zei ze.
Toen men aan dit alles dacht, zei men: „Falco is hoogmoedig. Hij zal het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten.” En toen men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken aan een andere geschiedenis van hem.
Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme menschen op den Etna. ’s Maandags ging hij met zijn broeders naar het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week, en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was blijde als hij ’s Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte kussens gespreid te vinden.
Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen, wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag nog op den deurdrempel.
Hoe, waren allen in huis overleden?
Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar vinger figuren op den grond.
„Wat is er gebeurd?” vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof zij tot den grond sprak.
„Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht.”
„Wil men ons het huis ontnemen?” riepen de broeders.
„Zij willen ons eer en brood ontnemen.”
Toen vertelde zij: „Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo, en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood, dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel, dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik.
„Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis.
„Signora Gasparo had haar weggejaagd.”
„Wat had Pepa gedaan?” vroeg Nino, die na Falco de oudste was.
„Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben.
„Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar dienst te nemen.
„Neen,” zei ze, „het meisje is niet eerlijk.”
„Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo,” zei ik. „Vraag het hem slechts.”
„Ik kan het hem niet vragen,” zei de signora. „Hij is weg en komt niet vóór de volgende maand thuis.”
„Signora,” zei ik, „we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst komen.”
„Neen,” zei ze „ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer in huis neemt.”
„Neem u in acht,” zei ik toen, „ontneemt gij mij het brood, dan ontneem ik u ’t leven.”
„Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan.”
„Wat is er aan te doen?” zei Nino. „Pepa moet een anderen dienst zoeken.”
„Nino,” zei moeder Zia, „je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en signor Gasparo.”
„Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?” zei Nino.
„Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het avondmaal voor ons bereid hebben,” zei Toruddo.
„Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen, omdat zij hem....”
„Moeder,” viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, „ik ben niet voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa.”
„De galeien verslinden geen Christenen,” zei moeder Zia.
„Nino,” zei toen Pietro, „we gaan naar de stad om ons eten te verschaffen.”
Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. ’t Was Falco.
Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij Pepa’s broer zag, maar zij dacht:
„Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet nog van niets.”
„Bebbo,” zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, „gaat het goed met den wijnbouw?”
Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven.
Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan.
„Weet ge,” zei hij, „dat onze pachter vermoord is?”
„Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik.”
En zij vroeg hem hoe het gebeurd was.
„Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een signora om te hooren?”
„O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden.”
„Salvatore heeft het zóó gedaan, signora,” en Falco nam zijn mes en legde zijn hand op het hoofd der vrouw.
„Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor.” En terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen schreeuwen! ’t Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien gezonden, hij bleef daar vijf jaar.
Toen men dit vertelde wies de angst.
„Falco is moedig,” zei men. „Niets ter wereld kan hem van zijn voornemen afbrengen.”
Toen herinnerde men zich nog een voorval.
Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden.
„Nu is onze tijd gekomen,” zei Falco tot Biagio.
„Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis,” zei Biagio.
Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan.
Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was.
„Dan dooden we je!” dreigden ze hem, toen gaf hij toe.
Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen.
’s Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten.
En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen.
En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken.
Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft, en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten.
Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt.
Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld.
Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij was niet toegevend, hij was zeer streng.
Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo, maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni.
„Uw Hoogeerwaarde,” zei Nino tot hem, „mijn broer verzoekt u om vijf honderd lire.”
„Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?” zei don Giovanni.
„Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig,” zei Nino.
Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen.
Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen.
„Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn snuifdoos zal halen,” zei don Giovanni.
En Nino stond hem drie dagen uitstel toe.
„Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht,” zei hij.
Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het geld te krijgen.
Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende?
Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco.
„Wat beduidt dit, don Giovanni?”
„Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te krijgen. Wees barmhartig jegens mij.”
Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij hem geweest was.
„Uw Hoogeerwaarde,” zei Falco, „men heeft u willen bedriegen.”
Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante.
Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer Nino. Deze verscheen op een der balkons.
„Wel Nino!” zei Falco lachend. „Je hebt den pastoor geld willen afzetten!”
„Weet je dat al?” vroeg Nino. „Ik wilde het je juist gaan vertellen.”
Nu werd Falco strenger.
„Nino,” zei hij. „De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld.” En hij legde zijn geweer aan en schoot Nino dood.
Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van schrik bijna van zijn ezel viel.
„Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino’s aanslag tegen u?”
En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts gedurende vijf jaar roover was geweest.
„Zal Falco den spoorweg sparen?” vraagt men als men deze geschiedenis hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde?
Men herinnert zich nog een ander voorval.
Na Nino’s dood dreigde Falco een vendetta. Nino’s vrouw was zoo verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer naast zich om op Falco te wachten.
En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan.
De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige oogen achter de ruiten schitteren.
Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van haar man.
Als men dit hoort, groeit de vrees.
Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. ’t Zal hem stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen.
Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet.
Toen ontmoette hij een boer.
„Heb je Falco Falcone ook gezien?”
„Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te groeten.”
„Diavolo!”
„Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen.”
„Diavolo! Diavolo!”
„Maar indien ge nog eenmaal tracht....”
„Diavolo! Diavolo! Diavolo!”
Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen?
En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen:
Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de soldaten vreezen hem.
Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming.
Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te schaden, die hem schatting betalen.
Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten, kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen.
En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die het wilde maaien.
Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder.
„Waar rijdt ge heen, Nicola?”
Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel bij de teugels en keerden om.
„Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis.”
Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen:
„Wijs ons nu de akkers!” En ze gingen naar de arbeiders. „Werken, jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet.”
De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen kant en Biagio aan den anderen.
En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet.
„Falco houdt woord,” zegt men. „Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft.”
Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle gevaren ontsnapt.
Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf, ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen.
In de couranten staan Falco’s heldendaden dikwijls vermeld. ’t Is bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in de hand stoppen, als zij hun Falco’s steengroeve willen wijzen. Ook weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de laatste groote roover is.
Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat van Messina getrokken en in Italië geweest.
Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het pantserschip te doopen.
Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft vierden.
Men denkt er aan en beeft. „Falco is bemind en machtig,” zeggen de arbeiders. „Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil.”
Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei:
„Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn zilveren bruiloft met den Mongibello vieren.”
De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem beschermd en gediend als een echtgenoote.
Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den Mongibello.
En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn.
Dan denken de arbeiders:
Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid.
Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten, omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik van zijn geweer te komen.
Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen.
Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas.
Daar is niet Sicilië, daar is Indië.
In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia’s zoo groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een bed van rozeblâren.
Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus.
Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk de bloemen vast te houden.
Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels.
Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij er slechts naar kijkt.
Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen, rozen en pelargonea’s. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil willen voegen.
Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder.
Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt als een slang om Falco’s voeten en beenen.
Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken werden aan zijn voeten.
En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der galeien zijn rug geeselde.
Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels, want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar aan den arbeid waren.
Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den zonsondergang.
„Zie eens naar den Mongibello,” zegt hij tegen Passafiore, „zie eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in de steengroeve.”
En Passafiore antwoordt: „De Mongibello heeft zeker nooit anders gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen.” Maar plotseling houdt Biagio op met lachen.
„Dat gaat nooit goed, Passafiore,” zegt hij, „Falco wordt al te hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal drijven.”
De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan.
„Ware het slechts hoogmoed,” zegt Passafiore.
Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden, soms is hij reeds uren lang waanzinnig.
Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid niet dragen, ze worden allen waanzinnig.
Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots.
Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt, dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was.
Eindelijk is Falco’s krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk op den top van den Mongibello te komen.
Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder, zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man.
Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen, dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes.
Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello’s heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze, zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke dichte wouden.
In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij oud is, spreekt hij gaarne.
Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop, hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon.
Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg.
Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden, velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten.
En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus.
Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende ontzetting.
De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden, doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend.
—En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk aan die van den Etna?
Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen, die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd, dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft.
Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen.
Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte bereikt heeft, breekt de zon door.
De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door het heerlijke morgenlicht.
Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt, dwars over het gansche eiland.
Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen in het Zuiden.
Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en zijne grootheid erkent.
Falco legt den krans op Mongibello’s top.
Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand, en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen opneemt en in zijn zak doet.
Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn leven. Zoo groot als daar op Mongibello’s top heeft hij zich nooit tevoren gevoeld.
Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken.
Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den Mongibello te bevrijden van den spoorweg.
Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia, die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen eenzaam te wonen.
’t Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort.
Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo, dat men meent dat hij heen en weert slingert.
Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt.
Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni.
„De macaroni staat op het vuur,” zegt donna Silvia. „Ga zitten en wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben.”
De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek.
„Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela’s spoorweg?” vraagt de bedelaar.
Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend.