Eerste deel. (continued 2)
Reading edition
Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.
Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte Madonna haar zou bijstaan.
Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde oogenblik van meening veranderde.
Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.
’t Was een morgen, drie weken later.
Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa’s winkel om een waskaars te koopen.
’t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen.
Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar een jonge man.
Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië.
Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen als zij iets schoons zag.
Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke schilderijenverzameling in het paleis te Catania.
Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd door den grooten meester Van Dijck.
Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En het werd een groote wanorde en verwoesting. ’t Zou donna Elisa zeker veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer de zon daarop straalt.
Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.
Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot hen gezegd:
„O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd.”
Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude edele heeren.
Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan hadden.
En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide, dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest helpen zoeken.
Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië te vertrekken.
Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl hij zelf haar stil beschouwde.
Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak.
Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam en daarmee naar haar toe kwam.
Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier wikkelde.
Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.
Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.
Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van San Michaëls voet?
Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?
Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het zacht ter zijde.
Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.
En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij tot haar.
Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet?
Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?
Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak.
„Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen,” zeide ze. En toen Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd, haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben.
En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.
Gaetano luisterde aandachtig naar haar.
Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde.
„Donna Micaela,” zei hij, „ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in de domkerk.”
„Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?”
Toen steeg een blos naar Gaetano’s wangen en hij zei bijna toornig:
„Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de zwarte Madonna?”
„Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar gesmeekt en gebeden.”
Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.
Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.
En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.
Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de toonbank stonden.
„Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?” zei hij.
Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd al haar zonden af te leggen.
Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw met de beenwonde te verplegen.
Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven.
Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, de angst, die haar verteerde! Werd die dan in ’t geheel niet gerekend?
Hij trok slechts zijn schouders op. „Had zij niets anders beproefd?”
„Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij legde de rozenkrans niet uit haar handen.”
Gaetano’s woorden wonden haar op.
Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts:
„Niets anders? Niets anders?”
„Maar ge moet toch begrijpen,” zeide ze, „don Ferrante geeft mij toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat toch begrijpen!”
Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen.
„Hij begreep het wel,” antwoordde hij haar. „De geheele samenhang was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de heiligen geen macht hadden.
„Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen.”
Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht en overtuiging uit Gaetano’s woorden, dat zij begon te gelooven, dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.
Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de armen te doen.
Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij nog een steek daaraan naaide.
„Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent,” zei hij, terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek.
„Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u ernst is en geen spel.
„Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante, indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult, waarom zal ze u dan helpen?”
Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.
„Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen, indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat men heiligen dwingt.”
Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna.
Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op straat gaat.
Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri’s arm genomen en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om te hooren of ze zijn raad gevolgd had.
„Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?”
Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan gewerkt had.
„Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna Micaela.”
„Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano.”
Zij zorgde er voor, dat ze een afstand van de anderen bleven, want zij wilde hem ergens over spreken. Toen ze bij de Porta Etnea kwamen, liepen ze door de poort en daalden af van de treden, die naar de palmbosschen van den Monte Chiaro leiden.
Ze hadden niet in de drukke straten kunnen blijven.
Donna Micaela sprak zóó, dat de menschen in Diamante haar gesteenigd zouden hebben, indien ze gehoord hadden, wat ze zeide.
Zij vroeg Gaetano of hij ooit de zwarte Madonna van de domkerk gezien had. Den vorigen dag had zij haar voor de eerste maal gezien. De Madonna was misschien in zoo’n donkeren hoek van den dom geplaatst, opdat niemand haar zou kunnen zien. Zij was immers zwart en stond achter een traliehek. Geen mensch kon haar zien.
Maar heden had donna Micaela haar gezien. De Madonna had een feestdag en zij was uit haar nis gehaald. De vloer en de wanden van haar kapel waren versierd met witte amandelbloemen en zij zelf had beneden op het altaar gestaan, groot en donker, omgeven door de verblindend witte bloemenpracht.
Maar toen donna Micaela het beeld gezien had, was ze in vertwijfeling geraakt. Want dat beeld stelde geen Madonna voor. Neen, degene, tot wie zij gebeden had, was geen Madonna. O, wat een ramp, wat een ramp!
’t Was stellig een oude godin. Zij die iets gezien hadden, konden zich daarin niet vergissen. Zij droeg geen kroon, maar een helm, ze had geen kind op den arm, maar een schild. Het was een Pallas Athene.
Het was geen Madonna. O, neen! O, neen!
’t Was hier in Diamante, dat men zulk een godslastering vereerde! En wist hij, wat het grootste ongeluk was?
Hun Madonna was zoo leelijk. Zij was zoo verweerd en oud, ook was ze nooit een kunstwerk geweest. Zij was zoo leelijk, dat men niet naar haar kijken kon.
Dat ze op een dwaalspoor was geleid door al de duizenden gaven, die in de kapel hingen, bedrogen was door al de legenden, die van haar verteld werden!
Drie weken verspild met het bidden tot haar!
Zie, daardoor was ze niet geholpen! Het was geen Madonna, het was geen Madonna!
Ze sloegen den weg in, die rondom den Monte Chiaro onder den stadsmuur loopt.
De geheele wereld rondom hen was wit.
Witte nevels omhulden den voet van den berg en de amandelboomen verder op den Etna waren geheel wit van bloemen. Soms liepen ze zelf onder een amandelboom, die zijn glinsterende takken boven hun hoofd welfde en zoo volgeladen was met bloemen, alsof hij in een bad van zilver gedompeld was. De maneschijn lag zoo verblindend wit op de aarde, dat alles van zijn kleuren beroofd werd en wit scheen. Men was bijna verbaasd, dat men die niet voelde, dat zij geen warmte gaf en dat zij de oogen niet verblindde. Donna Micaela vroeg zich af of het de maneschijn was, die Gaetano bedwong, zoodat hij haar niet greep en in den Simeto wierp, toen zij de zwarte Madonna lasterde.
Hij ging zwijgend en kalm aan haar zijde, maar zij was bevreesd voor hetgeen hij doen zou. Doch hoe angstig zij ook was, zij kon niet zwijgen.
Hetgeen zij nu nog moest vertellen, was het vreeselijkste van alles. Zij zei, dat zij den ganschen dag beproefd had aan de werkelijke Madonna te denken, en dat zij zich alle beelden van haar die zij kende, voor den geest geroepen had.
Maar alles was vergeefsch geweest, omdat zoodra zij dacht aan de stralende hemelkoningin, de oude godin zich voor haar stelde. En zij zag haar komen gelijk een rimpelige, oude jonkvrouw om de groote koningin der hemelen te verjagen, zoodat er voor haar nu geen Madonna meer bestond.
Zij vreesde, dat deze vertoornd op haar was, omdat zij te veel voor die andere gedaan had en dat zij nu haar aangezicht en genade van haar afwendde. Maar ter wille van de valsche Madonna zou haar vader nu in het ongeluk gestort worden. Nu zou zij hem niet meer in haar huis mogen behouden.
Nu zou ze nooit zijn vergiffenis ontvangen.
O, God! O, God!
En dit alles zeide zij tot Gaetano, die de zwarte Madonna van Diamante meer vereerde dan iets anders.
Hij naderde haar nu heel dicht, en zij vreesde dat haar laatste uur geslagen had. Zij zei met zwakke stem als om zich te verontschuldigen:
„Ik ben waanzinnig. De angst maakt me waanzinnig. Ik slaap nooit.”
Maar Gaetano was stil naast haar gegaan en had aan niets anders gedacht dan welk een kind zij was, en hoe weinig zij zich naar het leven wist te schikken.
Hij wist het nauwelijks zelf vóórdat hij haar zacht naar zich toe getrokken en haar gekust had, omdat zij zulk een onervaren en dwaas kind was. Ze werd door zulk een verbazing aangegrepen, dat zij er in het geheel niet aan dacht weg te loopen. En ze gilde noch vluchtte. Ze begreep dadelijk, dat hij haar kuste, zooals men een kind kust. Ze ging slechts haastig verder en begon toen te weenen.
Juist deze kus deed haar gevoelen hoe hulpbehoevend en eenzaam zij was en hoezeer zij verlangde naar iemand, die sterk en goed was en die haar in bescherming nam. Het was een ongeluk, dat zij hoewel zij een man en een vader bezat, toch zoo verlaten was, dat deze vreemde medelijden met haar gevoelen moest.
Toen Gaetano haar gestalte zag schokken onder stille snikken, voelde hij hoe ook hij begon te beven. Een diepe en heftige ontroering greep hem aan.
Weer naderde hij haar en legde zijn hand op haar arm. Toen hij sprak, was zijn stem niet luid en helder, maar dof en verstikt door aandoening.
„Wilt ge met mij vluchten naar Argentinië, indien de Madonna u niet helpt?”
Nu week donna Micaela voor hem terug. Ze voelde plotseling, dat hij niet meer tot haar sprak als tot een kind. Zij wendde zich om en ging naar de stad terug.
Gaetano volgde haar niet, maar bleef staan op de plek, waar hij haar gekust had en het was hem alsof hij nooit meer in zijn leven deze plaats zou kunnen verlaten.
Gedurende twee dagen droomde Gaetano van donna Micaela, maar op den derden dag ging hij naar het zomerpaleis om met haar te spreken.
Hij trof haar op het terras en hij zei haar dadelijk, dat zij met hem vluchten moest.
Hij had aan haar gedacht, sedert ze van elkaar gescheiden waren.
Hij had in zijn werkplaats staan peinzen over alles, wat er gebeurd was, en nu was hij tot klaarheid gekomen.
Ze was een roos, door den sterken sirocco van den struik gerukt en ruw door de lucht geslingerd, opdat zij des te beter rust en beschutting zou vinden bij een hart, dat haar beminde.
Zij moest begrijpen, dat God en alle heiligen wenschten en verlangden, dat ze elkaar zouden liefhebben, anders zouden die groote ongelukken haar niet in zijn nabijheid gevoerd hebben. En indien de Madonna weigerde haar te helpen, dan was dat, omdat ze haar wilde ontslaan van haar trouwbelofte aan don Ferrante. Want alle hemelsche goden wisten, dat zij de zijne was. Zij was voor hem geschapen, voor hem was zij opgegroeid, voor hem leefde zij. Toen hij haar in den maneschijn op den weg gekust had, was hij geweest als een wanhopig kind, dat lang in de woestijn gedoold heeft, en nu eindelijk aan de poort van het ouderlijk huis is gekomen.
Hij bezat niets, maar zij was zijn thuis en zijn haard.
Zij was het erfdeel, dat God hem toegedacht had, het eenige in de wereld, dat het zijne was.
Daarom kon hij haar niet achterlaten. Ze moest hem volgen, ze moest, zij moest!
Hij lag volstrekt niet voor haar op de knieën.
Hij sprak tot haar met gebalde handen en vlammende oogen. Hij smeekte haar niet, maar beval haar met hem te vertrekken, omdat zij de zijne was.
Het was geen zonde haar weg te voeren, maar veeleer zijn plicht dat te doen. Hoe zou het haar gaan, indien hij haar hier achterliet?
Donna Micaela hoorde hem aan, zonder een beweging te maken. Een langen tijd zweeg zij, ook nadat hij opgehouden had met spreken.
„Wanneer vertrekt ge?” vroeg zij eindelijk.
„Ik vertrek Zaterdag van Diamante.”
„En wanneer gaat de stoomboot?”
„Die vertrekt Zondagavond uit Messina.”
Donna Micaela stond op en liep naar de trap van het terras.
„Mijn vader zal Zaterdag naar Catania reizen,” zei zij.
„Ik zal don Ferrante verzoeken hem daarheen te mogen brengen.”
Ze daalde een paar treden van de steenen trap, alsof zij niets meer te zeggen had. Toen bleef zij staan.
„Indien gij mij dan in Catania ontmoet, zal ik u volgen waarheen ge wilt.”
Zij haastte zich van de trap. Gaetano beproefde niet haar terug te houden. Er zou zeker eens een tijd komen, dat zij niet voor hem zou vluchten. Hij wist dat zij niet kon nalaten hem lief te hebben.
Den ganschen Vrijdagmiddag had donna Micaela in de domkerk doorgebracht. Zij had zich in wanhoop voor de Madonna op de knieën geworpen.
„O, Madonna mia, Madonna mia! Zal ik morgen een ontrouwe echtgenoote zijn? Zullen de menschen dan het recht hebben al het mogelijke kwaad van mij te spreken?”
En alles scheen haar even vreeselijk. Zij was bang om met Gaetano te vluchten, en zij wist niet hoe zij het zou kunnen uithouden bij don Ferrante. Zij haatte den eene zoowel als den andere. Geen van beiden scheen haar iets anders dan ongeluk te kunnen bieden.
Zij zag wel, dat de Madonna haar niet zou helpen.
—En nu vroeg zij zich af, of het nog geen grooter ellende was met Gaetano te vluchten, dan te blijven bij don Ferrante. Was het de moeite waard, dat zij zich in het verderf stortte, om zich op haar man te wreken?
En bestond er wel iets afschuwelijkers dan te vluchten met een man, dien zij niet liefhad?
Ze leed hevige smarten. De gansche week werd ze gekweld door een verterende onrust. Het vreeselijkste was, dat ze nooit kon slapen. Zij dacht geen gezonde, klare gedachten meer.
Keer op keer begon zij haar gebeden opnieuw. Maar toen dacht zij opeens: De Madonna kan mij niet helpen; en zij hield dadelijk op met bidden.
Toen moest ze denken aan de smarten van vroeger dagen en herinnerde zich het kleine beeld, dat haar eens bijgestaan had, toen zij in groote wanhoop verkeerde. En nu richtte zij met hartstochtelijken ijver haar gebeden tot het kleine, arme Christuskind.
„Help mij, help mij! Help mijn ouden vader en help mij zelf, opdat ik mij niet laat verleiden tot zonde en wraak.”
Toen zij dien nacht ging liggen, streed zij nog steeds tegen haar onrust en angst.
„Kon ik slechts een enkel uur slapen,” zei ze, „dan zou ik weten wat ik wil.”
Gaetano zou den volgenden morgen heel vroeg vertrekken. Ten slotte nam zij het besluit met hem te spreken, vóórdat hij vertrok, en hem te zeggen, dat zij hem niet kon volgen. Zij kon het niet verdragen beschouwd te worden als een gevallen vrouw.
Nauwelijks had zij dit besluit genomen of zij viel in slaap. Ze ontwaakte niet vóórdat de klok den volgenden morgen negen uur sloeg. En toen was Gaetano reeds vertrokken. Zij kon hem niet meer zeggen, dat ze berouw had van haar besluit. Maar daaraan dacht zij niet meer. In den slaap was er iets nieuws en vreemds over haar gekomen. Haar scheen het, dat zij gedurende den nacht in den hemel vertoefd had en dat ze de gelukzaligheid gesmaakt had.
Waar wordt er een heilige gevonden, den menschen tot grooter nut dan San Pasquale? Gebeurt het niet somtijds, dat ze op een eenzame plaats in het bosch of op het veld staan te praten en dat ze óf kwaad van iemand spreken óf plannen beramen tot iets slechts? Nu, let eens op, als zij daar op hun best staan, hooren ze een geraas achter zich, zoodat ze omkijken en denken, dat iemand hen met een steen geworpen heeft.
’t Is niet noodig, dat zij lang omkijken. ’t Is niet de moeite waard dat ze opstuiven om dengene te zoeken, die den steen geworpen heeft. Die kwam van San Pasquale.
Zoo zeker als er rechtvaardigheid in den hemel bestaat, was het San Pasquale die hoorde, dat zij over iets slechts spraken en hen met een zijner steenen wierp om hen te waarschuwen.
En degene, die er niet van houdt gestoord te worden in zijn booze plannen, moet zich niet daarmee troosten, dat San Pasquale’s steenenvoorraad spoedig uitgeput zal raken. Zijn steenen zullen nooit opgebruikt zijn. Er zijn er zoo vele, dat ze zullen reiken tot den laatsten dag der wereld.
Want toen San Pasquale hier op aarde leefde, weet ge wat hij toen deed? Weet ge waaraan hij meer dacht, dan aan iets anders? San Pasquale lette op al de kleine kiezelsteenen, die op zijn weg lagen, en verzamelde deze in zijn zak.
Gij, signor, wilt u nauwlijks bukken om een soldo op te rapen, maar San Pasquale bukte zich voor elk kiezelsteentje, en toen hij stierf, nam hij die alle mede naar den hemel en daar zit hij nu en werpt allen, die iets slechts beramen, met een zijner steenen. Maar dit is zeker niet het eenige nut, dat San Pasquale den menschen doet. Hij is het ook, die een teeken geeft als iemand zal trouwen of sterven en hij kan ook teekens geven met iets anders dan steenen.
Oude Saraedda in Randazzo zat op een nacht bij haar dochters ziekbed te slapen. Maar haar dochter was bewusteloos en stervende, en niemand kon de priesters waarschuwen. Hoe werd de moeder toen intijds gewekt? Hoe werd ze gewekt, zoodat ze iemand kon zenden om den pastoor te halen? Door niets anders dan dat een stoel heen en weer begon te wiegelen en te kraken en te krakken, totdat zij ontwaakte. En het was San Pasquale, die dat deed. Wie anders dan San Pasquale denkt aan zoo iets?
Er valt nog een geschiedenis van San Pasquale te verhalen. Deze betreft den langen Kristoforo van Tre Castagni. Hij is geen kwade man, maar hij had zich een slechte gewoonte eigen gemaakt, hij kon zijn mond niet openen zonder te vloeken. Hij kon geen twee woorden zeggen, zonder dat het eene een vloek was.
En gelooft ge, dat het hielp, dat zijn vrouw en buurlieden hem waarschuwden?
Maar boven zijn bed hing een klein schilderij, dat San Pasquale voorstelde en het gelukte dit kleine beeld hem te helpen. Iederen nacht slingerde het heen en weer in zijn lijst, slingerde hard of zacht, naarmate Kristoforo overdag gevloekt had. En hij merkte, dat hij geen enkelen nacht zou kunnen slapen, vóórdat hij ophield met vloeken.
San Pasquale heeft in Diamante een kerk, die buiten de Porta Etnea ligt, een weinig beneden de stad. Die kerk is heel klein en arm, maar de witte wanden en de roode koepel liggen heerlijk in een bosch van amandelboomen.
Daarom is San Pasquale’s kerk, zoodra de amandelboomen bloeien, de schoonste godstempel in Diamante. Want de bloeiende takken welven zich daarboven, vol geladen met glinsterende witte bloemen, een prachtig kleed gelijk.
San Pasquale’s kerk is zeer ongelukkig en verlaten, omdat er nooit meer een godsdienstige plechtigheid in gehouden kan worden. Want toen de Garibaldisten, die Sicilië bevrijdden, in Diamante kwamen, sloegen ze hun leger op in San Pasquale en in het Franciscanerklooster, dat naast de kerk ligt. En ze waagden het redelooze dieren in de kerk te brengen en daar zulk een woest leven te leiden met vrouwen en kaartspel, dat de kerk sedert als onrein en onheilig beschouwd werd en nooit meer voor den godsdienst geopend kon worden.
Daardoor komt het, dat slechts als de amandelboomen in bloei staan de voorname menschen San Pasquale’s kerk opmerken. Want hoewel dan de geheele voet van den Etna wit is van amandelbloemen, staan toch de grootste en schoonste boomen rondom de oude, verlaten kerk.
Maar de arme menschen komen gedurende het gansche jaar tot San Pasquale. Ofschoon de kerk gesloten is, gaan ze daarheen om raad te vragen aan den heilige. Want bij den ingang staat onder een groot steenen baldakijn een beeld van hem, dat men pleegt aan te roepen om iets van de toekomst te vernemen. Niemand voorspelt de toekomst beter dan San Pasquale.
Nu gebeurde het, dat juist op den morgen, dat Gaetano van Diamante vertrok, wolken uit den Etna nederdaalden, zoo dicht alsof ze uit stof bestonden, en opgejaagd waren door ontelbare krijgsscharen.
En ze verduisterden de lucht als donker gevleugelde draken, ze spuwden regen, en slingerden nevels en duisternis op de aarde. En er hing zulk een dichte mist boven Diamante, dat men de overzijde der straat niet kon onderscheiden. De nevel maakte alles nat, de vloer was even vochtig als het dak, van de deurposten droppelde het water, de treden der trap waren overstroomd: nevel hing en trilde in alle vertrekken, zoodat men had kunnen denken dat ze met rook gevuld waren. Maar zeer vroeg op dezen morgen, nog voordat het begon te regenen, reed een rijke Engelsche dame in haar grooten reiswagen uit de poort van Catania om een rit te maken rondom den Etna. Toen ze echter eenige uren gereden had, plaste een vreeselijke regen neer, die alles in een dichten nevel hulde.
En daar zij het genot der heerlijke streken, waardoor ze reed, niet wilde missen, besloot ze de naastbijzijnde stad binnen te rijden en daar te vertoeven, totdat de bui voorbij was. Maar die stad was juist Diamante.
Deze Engelsche dame was miss Tottenham, en zij was het, die het palazza Palmeri in Catania bewoonde. Onder al de voorwerpen, die zij in haar koffer meevoerde, was ook het Christusbeeld, dat donna Micaela eens had aangeroepen. Want dit beeld, dat nu oud en onooglijk was, vergezelde haar altijd op al haar reizen, als een herinnering aan een oude vriendin, die haar al haar rijkdommen geschonken had.
Men zou geloofd hebben, dat San Pasquale wist, welk een groot wonderdoener het beeld was, want het scheen als wilde hij het begroeten. Op hetzelfde oogenblik, dat miss Tottenham’s reiswagen door de Porta Etnea reed, begonnen de klokken te luiden in de kerk van San Pasquale.
En zij luidden gedurende den ganschen dag geheel vanzelf.
San Pasquale’s klokken zijn niet veel grooter dan die gebruikt worden op de landhoeven om het arbeidsvolk naar huis te roepen en evenals deze hangen ze boven op het dak onder een kleinen luifel; men pleegt ze in beweging te brengen door aan een touw te trekken, dat langs den kerkmuur hangt.
Het is geen zwaar werk deze klokken te luiden, maar ze zijn toch niet zoo licht, dat ze geheel vanzelf in beweging kunnen komen. Degene, die gezien heeft, hoe de oude fra Felice van het Franciscanerklooster zijn voet zet in een lus van het klokketouw en op en neer trapt om ze aan den gang te brengen, weet wel, dat de klokken niet kunnen beginnen te luiden zonder hulp.
Maar dat was het, wat ze juist wel deden op dezen morgen. Het touw was stevig vastgebonden aan een spijker in den muur, en er was niemand, die het aanraakte. En er was ook niemand op het dak gekropen om de klokken in beweging te brengen. Men kon duidelijk zien hoe de klokken heen en weer slingerden en hoe de klepels tegen de metalen wanden sloegen. Het was onbegrijpelijk, hoe ze in beweging waren geraakt.
Toen donna Micaela ontwaakte, luidden de klokken reeds en zij lag langen tijd stil te luisteren en te luisteren. Zoo iets schoons had zij nog nooit gehoord.
Zij wist niet, dat het een wonder was, maar ze vond slechts dat het heerlijk klonk.
En zij was verwonderd, dat aardsche metalen klokken zoo konden klinken.
Men kan immers ook niet weten wat voor metaal het was, dat er op dien dag klonk in de klokken van San Pasquale! Haar scheen het, dat de klokken haar zeiden, dat ze nu blijde moest zijn, nu zou ze leven en liefhebben, nu zou ze nooit meer angstig of bedroefd zijn. Toen begon haar hart te kloppen op de maat van een statige melodie, en onder het luiden der klokken betrad zij plechtig een heerlijken burcht.
En wien anders kon deze burcht toebehooren, wie kon de heer zijn van zulk een prachtig slot, dan de liefde? Men kan het niet langer verbergen, toen donna Micaela ontwaakte, voelde zij, dat ze Gaetano liefhad en dat zij niets vuriger verlangde dan met hem te vluchten.
En toen donna Micaela het luik van haar raam wegschoof en den grauwen morgen zag, zond zij dien een kushand en fluisterde:
„Gij, die de morgen zijt van den dag, dat ik zal vertrekken, gij zijt de schoonste morgen, dien ik nog ooit gezien heb, en zoo grauw als ge zijt, wil ik u streelen en liefkoozen.”
Maar het klokgelui behaagde haar het meest. Daaruit kon men zien, dat haar liefde sterk was, want alle andere menschen vonden het pijnlijk deze klokken te hooren, die maar niet met kleppen wilden ophouden.
Niemand dacht er aan gedurende het eerste half uur, toen hoorde men nauwelijks het klokgelui, maar gedurende het tweede en derde uur.————
Gij moet niet denken, dat de kleine klokken van San Pasquale zich niet konden doen hooren. Zij hadden altijd een helderen klank, maar nu was het alsof het geluid in haar groeide en groeide. Spoedig scheen het, alsof er niets anders dan klokken in den nevel waren. Het was alsof de gansche hemel er vol van hing, ofschoon men ze niet kon zien door den dichten mist.
Toen donna Elisa voor het eerst den klank hoorde, meende zij dat San Giuseppe’s kleine klok luidde; en later geloofde zij, dat het de klok van de domkerk was. Daarna dacht ze te hooren, hoe de klokken van het Dominicanenklooster met het gelui instemden en ten slotte wist zij zeker, dat alle klokken der stad luidden en luidden, zoo hard ze slechts konden; al de klokken der vijf kloosters en zeven kerken. Ze meende het geluid van elk afzonderlijk te onderscheiden, tot ze vroeg en hoorde, dat het slechts de kleine klokken van San Pasquale waren, die luidden. Gedurende de eerste uren, toen men ook nog niet overal wist, dat de klokken geheel vanzelf luidden, bemerkte men slechts, dat de regendroppels op de maat van het klokgelui neervielen, en dat allen, die spraken een harde metaalstem hadden. Ook merkte men, dat het onmogelijk was op de mandoline of de gitaar te spelen, omdat het klokgelui zich met de muziek vermengde en die oorverdoovend maakte. Men kon ook niet lezen, omdat de letters gelijk klokklepels heen en weer slingerden en de woorden een stem hadden en zich zelf volkomen duidelijk oplazen.
Spoedig konden de menschen het niet uithouden naar bloemen te zien, die aan lange stengels hingen, ze schenen heen en weer te wiegelen. En de menschen klaagden, dat de bloemen in plaats van geur klank gekregen hadden.
Maar anderen beweerden, dat de nevel, die door de lucht zweefde, zich op de maat van het klokgelui bewoog, en ze zeiden, dat de slingers van alle pendules zich daarnaar richtten, en dat alle menschen, die in den regen buiten liepen, hetzelfde trachtten te doen.
En dat was toen de klokken nog slechts een paar uur geluid hadden en de menschen er nog om lachten. Maar in het derde uur scheen het gelui nog krachtiger te worden en enkelen stopten watten in de ooren, terwijl anderen onder dikke dekens kropen. Maar evenwel voelde men hoe de lucht trilde van de klokslagen en men scheen te bemerken hoe alles zich op de maat van het gelui bewoog.
En degenen die naar den donkeren zolder vluchtten, hoorden daar het klokgelui zoo duidelijk alsof het van den hemel kwam en degenen, die zich in den diepen kelder verstopten, hoorden het daar zoo sterk en dreunend, alsof San Pasquale’s kerk in de onderwereld stond. En alle menschen in Diamante werden angstig, behalve donna Micaela, die door de liefde voor allen angst behoed werd.
Nu begon men te denken, dat het iets moet beteekenen, dat het juist de klokken van San Pasquale waren die luidden. En elk vroeg zich af wat de heilige voorspelde. En ieder had zijn eigen vrees en geloofde dat San Pasquale juist hem profeteerde, wat hij het minst van alles wenschte. En elk had een daad die hem op het geweten drukte en geloofde nu dat San Pasquale straf neerluidde over hem.
Maar tegen den middag, toen de klokken nog steeds bleven doorluiden, was men overtuigd, dat San Pasquale zulk een ramp over Diamante luidde, dat men niets anders kon verwachten dan dat alle menschen binnen het jaar zouden sterven.
En de mooie Giannita kwam hevig ontsteld, schreiende bij donna Micaela en klaagde, dat het San Pasquale was die de klokken luidde.
„O, God, o God, indien het slechts een ander was geweest dan San Pasquale!
„Hij ziet dat ons iets ontzettends dreigt,” zei Giannita. „De nevel verhindert hem niet om zoo ver te zien als hij wil. Hij ziet, dat een vijandelijke vloot op zee nadert, hij ziet, dat er een aschwolk uit den Etna opstijgt, die op ons zal neervallen en ons zal begraven.”
Maar donna Micaela lachte en meende, dat zij wel wist waaraan San Pasquale dacht.
„Hij luidt de doodsklok over de schoone amandelbloemen, die door den regen verwoest worden,” zei ze tegen Giannita.
Zij liet zich door niemand beangstigen, omdat zij geloofde, dat de klokken slechts voor haar luidden. Ze wiegden haar in droomen. Zij zat stil in de muziekzaal en liet de vreugde in haar opstijgen.
Maar de gansche wereld rondom haar was in vrees, onrust en angst.
Nu kon men niet meer stil bij den arbeid blijven. Men kon aan niets anders denken dan aan de ramp die San Pasquale voorspelde.
En de bedelaars kregen meer geschenken dan ooit te voren; maar zij verheugden zich niet daarover, daar zij niet geloofden, dat zij een volgenden dag zouden beleven. En de priesters waren niet verheugd, hoewel zij zoo vele biechtelingen hadden, dat zij den ganschen dag in den biechtstoel moesten zitten en ofschoon gave na gave gestapeld werd op het altaar der heiligen.
Zelfs Vicenzo de Lozza, de briefschrijver, was niet blijde met dezen dag, ofschoon men zijn schrijftafel onder de loggia van het raadhuis belegerde en hem gaarne een soldo per woord wilde betalen, indien men slechts op dezen dag des oordeels een afscheidswoord aan de beminde afwezigen geschreven kreeg.
En ’t was onmogelijk school te houden, want de kinderen schreiden den ganschen tijd. Maar tegen den middag kwamen de moeders met een gelaat, verstijfd van ontzetting, en namen de kleinen mee naar huis, opdat men tenminste bij elkaar zou zijn, indien er iets gebeurde.
Eveneens hadden alle leerjongens bij de schoenmakers en kleermakers een vrijen dag. Maar de arme knapen waagden het niet daarvan te genieten, ze bleven liever stil op de werkplaats om te wachten.
En de klokken bleven tot in den namiddag doorluiden.
Aan de poort van het palazzo Gerazi, waar nu slechts bedelaars wonen, verhief zich de oude poortwachter, die zelf een bedelaar was en gekleed ging in de ellendigste lompen, en trok zijn lichtgroene livrei aan, die hij slechts droeg op feestdagen en op den geboortedag des konings.
En niemand kon hem daar in de poort zien zitten in zijn feestgewaad, zonder door vrees aangegrepen te worden, want men wist, dat de grijsaard verwachtte, dat geen geringer heer dan de ondergang zelf, door de poort zou gaan, die hij bewaakte.
En de angst ging gelijk een besmetting van mensch tot mensch. Zoo liep de arme Torino, die eens een welgesteld man was geweest, van huis tot huis en riep dat de tijd nu gekomen was, dat allen die hem bedrogen en bestolen hadden hun straf zouden ontvangen. Hij ging in al de kleine winkels aan de corso, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu allen in de stad hun vonnis zouden krijgen, omdat ze meegeholpen hadden hem te bedriegen.
En even beangstigend was het, wat men hoorde van het speelgezelschap in café Europa. Daar hadden dezelfde vier spelers jaar in jaar uit aan de speeltafel gezeten, en men had nooit gedacht dat ze iets anders konden doen dan spelen. Maar nu lieten ze plotseling de kaarten vallen en beloofden elkaar, dat indien ze in ’t leven bleven na dezen dag der verschrikking ze de kaarten nooit meer zouden aanraken.
Donna Elisa’s winkel stond vol menschen, en om de heiligen te bewegen het dreigende gevaar af te wenden, kochten ze al de heilige zaken, die donna Elisa te verkoopen had. Maar donna Elisa dacht slechts aan Gaetano, die reeds vertrokken was en zij meende dat San Pasquale voorspelde dat hij op reis zou omkomen.
En zij verheugde zich volstrekt niet over al het geld, dat zij verdiende.
Maar toen de klokken van San Pasquale den ganschen namiddag bleven doorluiden, kon men nauwelijks het leven uithouden.
Want nu wist men dat zij een aardbeving voorspelden, en dat geheel Diamante verwoest zou worden.
In de stegen, waar zelfs de huizen bang schenen te zijn voor de aardbeving en zich tegen elkander aandrukten om elkander te steunen, zetten de menschen hun armzalige oude meubels in den regen op straat en spanden daarboven een tent van beddelakens. En ze droegen zelfs de kleine kinderen in hun wiegen naar buiten en wierpen doeken over hen heen. Trots den regen was er zulk een gedrang op de corso, dat men er nauwelijks door kon komen. Want een ieder wilde door de Porta Etnea gaan om de klokken te zien slingeren en zwaaien en om zich te overtuigen, dat niemand aan het touw trok, maar dat dit voortdurend vastgebonden was. En allen die buiten kwamen vielen op hun knieën op den weg, waar het water in stroomen naar beneden bruiste en de modder grondeloos was.
De deuren van San Pasquale’s kerk waren als altijd gesloten, maar daar buiten ging de oude monnik fra Felice tusschen de biddenden rond met een koperen schaal om de gaven in ontvangst te nemen.
In optocht trokken de verschrikte menschen naar het beeld van San Pasquale onder den steenen baldakijn en kusten hem de hand. Een oude vrouw droeg heel voorzichtig iets, dat ze met een groene parapluie beschermde. Het was een glas, gevuld met water en olie, waarop een pitje dreef dat met zwakken glans lichtte. Dat plaatste zij vóór het beeld, en daarna zonk ze er voor op de knieën. Hoewel velen vonden, dat men trachten moest de klokken vast te binden, was er niemand, die den moed had het voor te stellen. Want men waagde het niet Gods stem tot zwijgen te brengen.
Ook durfde niemand zeggen, dat het een list van den ouden fra Felice kon zijn om geld te verzamelen. Fra Felice was bemind, en degene, die dat zei, zou slecht te pas zijn gekomen.
Ook donna Micaela kwam naar San Pasquale, ze had haar vader bij zich. Zij liep met fier opgeheven hoofd en geheel zonder vrees.
Zij kwam tot San Pasquale om hem te danken, hem die den grootsten hartstocht in haar ziel luidde.
„Mijn leven begint dezen dag,” zei ze tot zichzelf. En het scheen ook niet, dat don Ferrante angstig was, maar boos en kwaad was hij! Want allen gingen naar zijn winkel om hem te zeggen wat zij van ’t klokgelui dachten en hem te vragen naar zijn meening, omdat hij een der Alagona’s was, die zoo lange jaren over de stad geregeerd hadden.
Den ganschen dag kwamen bevende, angstige menschen in zijn winkel. En allen zeiden tegen hem:
„Welk een vreeselijk klokgelui, don Ferrante. Wat zal er van ons worden, don Ferrante?”
Er was nauwelijks één der inwoners van de stad, die niet in don Ferrante’s winkel kwam om hem te raadplegen. Zoo lang het klokgelui duurde, hingen ze over de toonbank zonder voor zooveel als een soldo te koopen.
Zelfs Ugo Favara, de zwaarmoedige advocaat, kwam in zijn winkel, nam een stoel en ging achter de toonbank zitten. En den ganschen dag bleef hij daar, doodsbleek, volkomen onbeweeglijk, de ondraaglijkste smarten lijdend zonder een woord te spreken.
Maar elke vijf minuten kwam Torino il Martello binnen, sloeg met de vuist op de toonbank en zei, dat nu het uur gekomen was, dat don Ferrante zijn straf zou ontvangen.
Don Ferrante was een harde man, maar hij kon de klokken evenmin ontloopen als iemand anders. En hoe langer hij ze hoorde, hoe meer hij zich verwonderde, dat alle menschen juist zijn winkel binnenstroomden. Het was alsof ze iets daarmee bedoelden.
’t Was alsof zij hem aansprakelijk wilden stellen voor het klokgelui en voor de ramp, die het voorspelde.
Hij had het aan niemand gezegd, maar zijn vrouw had het zeker verspreid. Hij begon te gelooven, dat allen aan hetzelfde dachten, ofschoon zij niet waagden het te zeggen. Hij dacht, dat de advocaat er op zat te wachten, dat hij zou toegeven. Hij geloofde, dat de geheele stad kwam om te zien of hij werkelijk zijn schoonvader durfde wegzenden.
Donna Elisa, die het zoo druk had in haar eigen winkel, dat zij zelf niet kon komen, zond gedurig de oude Pacifica naar hem om te vragen, wat hij dacht van het klokgelui. En de pastoor kwam ook een oogenblik in zijn winkel en zeide evenals alle anderen:
„Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord, don Ferrante?”
En don Ferrante zou gaarne geweten hebben of de advocaat en don Matteo en al de anderen slechts kwamen om hem te verwijten, dat hij cavaliere Palmeri wilde wegzenden.
’t Bloed begon aan zijn slapen te kloppen. De winkel begon met hem rond te draaien. En onophoudelijk kwam er iemand binnen om te vragen:
„Hebt ge ooit zulk een vreeselijk klokgelui gehoord?”
Maar wie niet kwam was donna Micaela. Zij kwam niet, omdat zij volstrekt geen angst gevoelde. Zij was slechts trotsch en opgetogen, dat de hartstocht nu was gekomen, die haar gansche leven vullen zou.
„Nu zal ik leven het groote en machtige leven,” zei zij. En het ontstelde haar, dat zij tot nu toe slechts een kind was geweest. Zij zou vertrekken met den postwagen, die om tien uur ’s avonds voorbij Diamante kwam. Toen het tegen vier uur liep, dacht zij dat zij nu alles aan haar vader moest zeggen, en zijn goed moest inpakken.
Maar ook dit scheen haar niet moeilijk. Haar vader zou haar spoedig nakomen naar Argentinië. Zij zou hem vragen eenige maanden geduld te hebben tot ze een thuis hadden om hem aan te bieden. En zij was overtuigd, dat hij het goed zou keuren, dat zij don Ferrante verliet.
Zij was in een zalige vervoering. Alles wat haar vreeselijk moest schijnen, bestond niet meer voor haar.
Geen schaamte, geen gevaar, neen niets meer.
Zij verlangde slechts het ratelen van den naderenden postwagen te hooren.
Toen klonken er vele stemmen op de trap, die van den binnenhof naar de woning leidde. Zij hoorde het geluid van vele zware voetstappen. Zij zag menschen gaan door de open zuilengangen, die rondom den binnenhof liepen en waardoor men moest gaan om in de vertrekken te komen. Zij zag dat zij iets zwaars droegen maar zij kon niet onderscheiden, wat het was, omdat er zoo veel menschen waren.
De bleeke advocaat liep vooruit, en zeide haar, dat don Ferranto Torino uit den winkel had willen jagen, maar dat deze hem toen met zijn mes verwond had.
Het was niet gevaarlijk. Don Ferrante was reeds verbonden en zou na veertien dagen geheel hersteld zijn.
Don Ferrante werd nu naar binnen gedragen, en zijn blikken dwaalden in het rond, niet om donna Micaela, maar om cavaliere Palmeri te zoeken. Toen hij hem zag, deed hij zonder een woord te spreken, met eenige handgebaren zijn vrouw verstaan, dat haar vader nooit zijn huis zou behoeven te verlaten, nooit! nooit!
Toen drukte donna Micaela de handen tegen de oogen. Hoe? haar vader zou niet vertrekken? Zij was dus gered. Er was een wonder geschied om haar te helpen. O, nu moest zij verheugd, gelukkig zijn!
Maar dat was zij niet. Zij voelde een heftige smart.
Zij kon niet weggaan. Haar vader zou blijven en dus moest zij don Ferrante trouw zijn. Zij deed moeite om die gedachte te begrijpen. Het was zoo.
Zij kon niet vertrekken.
Zij trachtte het op een andere wijze te verklaren. Misschien was dit een valsche gevolgtrekking. Zij was zoo verward. Neen, neen, het was zoo, zij kon niet weggaan.
Toen gevoelde zij zich zoo nameloos moede. Zij had immers gereisd en gereisd den ganschen dag. Zij was zoo lang onderweg geweest. En nu zou zij nooit gaan. Zij zonk ineen, een bezwijming nabij. Er bleef haar niets over dan te rusten na de verre reis, die zij gemaakt had. Maar dat zou zij zeker nooit kunnen. Zij begon te weenen, omdat zij nu nooit zou gaan. Gedurende haar geheele leven zou zij reizen en reizen en toch nooit vertrekken kunnen.
VIII.
Twee canzones.
Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale’s klokken geluid hadden en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag, toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel verkocht, en ’s morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd, de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen om zich heen te zien.
Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken, want nu had zij geld in overvloed.
Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur stilhouden.
Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:
„Donna Elisa! Donna Elisa!”
’t Was Gaetano.
„Mijn God, waarom ben je teruggekomen?” riep zij.
„Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe beelden voor u te snijden.”
„Maar hoe weet je dat?”
„Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft mij alles verteld.”
„Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!”
„Ja, was dat niet gelukkig,” zei Gaetano.
Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.
Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.
Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.
Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te verlokken.
Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante was gekomen op den dag, dat San Pasquale’s klokken geluid hadden.
En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem aangeroepen had.
De regen en het klokgelui was zijn werk!
Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een wonder was geschied om harentwille.
Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.
Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de hand en sprak in het geheel niet tot haar.
Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar niet wilde verleiden of verlokken.
Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.
Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker smacht naar de eerste roos in de lente.
Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de Madonna wel een wonder kon verrichten.
Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet vervolgd had, maar teruggekeerd was.
Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden.
Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem meester gemaakt.
Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen was.
Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben.
„Wie zou dat zijn,” placht zij hem te vragen, „die eens op de markt stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets kon een oude koopman niet doen!
Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam.
Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.
„De oude Alagona’s zijn dus tot nieuw leven gekomen,” zou er aan het hof gezegd worden.
„Wie heeft het geslacht doen herleven?” En men zou vragen en vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje, is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de voerlieden uitschold?
„Neen,” zou men zeggen, „dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan onmogelijk dezelfde zijn.”
Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in, dag uit met hem sprak.
Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem.
Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen.
„Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje bezit, wilt ge mij die dan leenen?” vroeg zij.
„Wat! wilt gij gaan lezen?” zei donna Micaela.
„De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. ’t Is voor Gaetano, dat ik het u vraag.”
Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht.
Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw maakte zich van haar meester.
Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, die geholpen was door het heilige Christuskind.
Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:
O, had ik antwoord op één enkle vrage!
’k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren,
Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken.
’k Goot reeds het lood in het kokende water,
Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte.
’k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten,
’k Smeekte ten slotte de engelenscharen.
Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?
Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.
Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd noemde.
Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, was te weten of Gaetano haar liefhad.
Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij don Ferrante.
Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.
„Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn grooten magnolieboom.
„Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien.”
En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.
Donna Elisa’s magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels!
Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken, begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren.
„Wat doet ge daar, schoonzuster?” vroeg donna Elisa.
„Niets, niets.”
„In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in de magnoliebloemen.”
„Misschien doen zij dat nog.”
„Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt.”
„Gij kunt immers niet lezen.”
„Maar ik heb Gaetano toch.”
„En Luca, het is ’t beste, dat ge u tot Luca wendt.”
Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord geven. Maar zij maakte zich belachelijk.
Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.
En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, dat hij ’s middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot waren als het waterrad van een molen.
Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.
Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en als de oude Alagona’s door de corso reden, stroomden de menschen uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.
Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich ’s middags niet in zijn wagen op de corso vertoonde.
Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona’s?
Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.
Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde niet gunnen?
Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.
„Waarom wil je niet met mij rijden?” zei don Ferrante. „Vergeet niet, dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn.”
Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den ouden galawagen.
Maar het ging in ’t geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.
In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te stellen had met don Ferrante.
Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er niemand in Diamante die lachte.
Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!
De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.
Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden, en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl.
Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte coupé, waarop de reizigers zaten.
Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de hooge, stille huizen van Diamante.
Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.
Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen, als zij thuis kwamen?
„Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien,” en dan zouden zij vertellen en lachen, en vertellen en lachen.
Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets anders doen dan tobben met don Ferrante.
Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.
Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de echtgenoote was van een voornamen heer.
In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder begeleiding van een gitaar of viool.
Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, krekels en sprinkhanen een concert gaven.
„Er is weer iemand verliefd op Giannita,” zei don Ferrante. „Dat is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet te beminnen.”
Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, anders woonde zij nu in het zomerpaleis.
Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don Ferrante zoo lastig was geworden.
Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.
En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem.
Op één der bladen was geprikt:
„Wie heeft mij lief?” En nu stond daaronder:
„Gaetano.”
Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.
Bij een der kleine canzones stond een teeken:
Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten.
Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren,
Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u.
Gierig bewaakte ik angstig mijn schat.
Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed,
Zullen mijn lippen ’t geheim nog bewaren.
Sluitend de deur, werp ’k den sleutel in d’afgrond.
’k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.
De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur.
IX.
De vlucht.
In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in Diamante.
De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante, dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk.
Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij bij haar in het hotel zou komen.
Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen.
Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden.
Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de lippen, en begon zijn beelden in te pakken.
Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss Tottenham verkoopen, maar stil heengaan.
En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit:
„Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde, hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen heiligenbeelden verkoopen.”
Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt, verrukt!
Hier was het ware geloof en heilige toorn.
Deze jonge man moest kunstenaar worden.
Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen.
Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten.
Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok.
Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen.
X.
De sirocco.
Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer en armer werden.
Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst moest worden.
In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline.
Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen nacht en men weet niet meer wat slaap is.
Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende gezichten der jonge vrouwen van den Etna.
Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich naar de wijnpers en ’s nachts werd er niet gedanst op de platte daken.
In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood, kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.
Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet te versmachten.
Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen.
En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat bij haar ouden man, don Ferrante.
Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, dat zij bijkans schenen te bersten.
En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij begreep dat zij in opstand moesten komen.
Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander middel over.
In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.
„De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië’s geel goud is verongelukt. Waarvan moest men dan leven?”
En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.
Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.
En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen prijs moest koopen in de winkels der regeering?
En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling, dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?
In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten?
De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars?
Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En opnieuw begon zij te vragen:
Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?
En waarom liet men het volk tot zoo’n groote armoede en ellende vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, dat zij stierven van den honger?
De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.
„Hier met de juweelen der oude Alagona’s, hier met don Ferrante’s millioenen!”
Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden door de roofgierige bende.
Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig leven in Rome of in Parijs?
Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden.
Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer voor de zonden der rijken tegenover de armen.
Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.
Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.
De zwaveldamp gloeide ’s nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel werd tot in Diamante gehoord.
De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de corso te zien komen aanrijden.
Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: „Dief, dief!” Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek, duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde.
In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden,
Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da Felice of Umberto?
Toen greep ontzetting haar aan.
Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.
Giannita trachtte haar gerust te stellen.
„Wij hebben geen socialisten in Diamante,” zei zij. „In Diamante denkt men er niet aan om oproer te maken.”
Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?
Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen, zou ook Diamante wel meedoen.
Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo Geraci.
Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij het ochtendgekriek.
Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen.
Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.
Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg.
Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en aanvoerders der verwoesting gelijk.
Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, dat hoog in aanzien stond.
Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in haar ziel heerschen.
Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.
Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken, dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep.
In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, welk een brief! Donna Micaela’s eerste gedachte was hem te verbranden.
Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano’s liefdesverklaring gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven te geven.
Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had willen uitroepen: „ik kom” en weg had willen vliegen. Zij voelde zich tot hem getrokken, meegesleept.
„Laat ons gelukkig zijn!” schreef hij. „Wij verspillen den tijd, de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn.”
Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.
Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig verlangen was het, dat uit elk woord sprak.
Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.
Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook zoo behaagde.
Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, dat hij ze niet vond.
Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.
En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die te bezitten, droegen toch alle menschen die in ’t geheim.
Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden.
De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.
Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!
Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid.
Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven.
Het eiland werd in staat van beleg verklaard.
Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te moorden naar hartelust.
Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, zagen er onheilspellend uit.
Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis zouden plunderen.
Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen.
Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, nu zij ook don Ferrante moest verliezen.
Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?
Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed bij zijn legerstede.
Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen.
Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de treurende vrouwen.
Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk zouden wegvoeren.
In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, dat over den doode gespreid was.
Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona’s behoorde, een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder bescherming stond tusschen het verwoede volk.
Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?
„Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken.”
Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.
Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar kamer binnentraden.
De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote.
„Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn meester verloren heeft!—Waarom zijn de luiken voor uw vensters gesloten? vragen de voorbijgangers.—Ik antwoord: ik kan het licht niet verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig.”
„Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders weggedragen?
„Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man verloren, mijn man, mijn man!”
De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag der jammerende vrouwen.
Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.
Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en Nieuwjaar.
Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, om Diamante binnen te stormen en te plunderen.
Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.
Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen bij honderden tegelijk doodschoten.
Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten.
Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij niets anders was dan trillende vrees.
Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante’s dood was Gaetano thuis gekomen.
En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te hebben, die haar beschermen kon.
Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was.
Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.
„Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand over hem spreekt?”
„Ach, Micaela,” antwoordde Giannita, „hoe minder men spreekt over Gaetano, hoe beter het is voor hem.”
Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.
„Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd,” zei zij. „Hij gelooft niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten te helpen.”
Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had.
Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!
Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk opriep.
De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou uitloopen.
Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone’s rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.
Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste, statige schreden haar weg vervolgden.
Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken.
Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder steun en beschutting zou zijn.
Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en zieken gezorgd zou worden?
Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante, dat zij nooit meer brood zouden derven.
Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.