ZESDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Van Halen neemt een noodlottig besluit.
De tocht van schipper Van Halen met het door hem zelf uitgevonden vaartuig werd druk besproken.
Toen Andries tegen den avond een van de herbergen aan het IJ binnenstapte om er een kan Haarlemsch te drinken, zaten ook dáár de aanwezigen er druk over te redeneeren.
„Ik zeg maar,” schreeuwde een scheepsbarbier, een klein, zwetserig kereltje, met hooge, gillende stem: „Ik zeg maar, dat het nu feitelijk bewezen is, dat de berekeningen van schipper Van Halen juist waren. En dat heb ik altijd gezegd, ofschoon ieder indertijd volhield, dat de uitvinding van den knappen schipper geen halve duit waard was!”
„Och wat!” gromde een scheepstimmerman, „heb je er zelf indertijd niet het hardst van allen den draak mee gestoken?”
„Ik!” gilde het mannetje, rood van inspanning en verontwaardiging, „ik? Een man van ontwikkeling?! Dat is immers te dwaas om los te loopen!”
„En ik zeg je, dat je 't wèl gezeid hebt!” bulderde de scheepstimmerman.
„Bedaar, bedaar! vriend Jaspersz!” piepte het kereltje, terwijl hij angstig achteruit schoof; „ik heb dat wel eens gezègd, zeker, zeker! Maar uit gekheid, weet je?”
„Jawel,” gromde de scheepstimmerman, „zoo kan je natuurlijk je d'r altijd uit redden.”
„Hoor eens!” piepte de barbier, die, nu hij zag dat Jaspersz bedaarder was geworden, weer wat moed begon te krijgen, „ons vroeger oordeel doet er eigenlijk ook weinig aan toe; dit is zeker: Door Pieter Van Halen is de scheepsbouwkunst een heele stap vooruit gebracht. Heb jullie ooit een schip gemaakt, dat in den ongelooflijk korten tijd van een jaar de reis naar de vèrste deelen van Indië kon doen?”
„En dat zoo weinig vòlk noodig heeft?” voegde een ander zeeman er bij. Ofschoon ik dáár nu juist niet zoo mee ingenomen ben.”
„En dat waaròm niet?” gilde het scheepsbarbiertje weer.
„Waaròm niet? Wel, dat is dunkt me zoo klaar als een klontje: Het vaartuig van schipper Van Halen heeft maar een derde van de manschap noodig, die een ander schip van dezelfde grootte vereischt. Een heeleboel zeevolk zal daardoor moeten leegloopen, als het gauw allemáál van die nieuwerwetsche schepen worden!”
„Och wat!” gilde het stemmetje van den barbier nu weer. „Hoe korter reis en hoe minder manschap hoe voordeeliger voor de reeders. Die zullen dus meer schepen gaan bouwen, er zullen meer reizen worden gemaakt en ten slotte worden de zeelui er nog beter in plaats van slechter van.”
„Ja, als het de reeders goed gaat,” zei weer een ander, „dan varen ook de zeelui daar wel bij.”
„En wat een verbetering met betrekking tot de gezondheid!” krijschte de barbier weer; „want bij schipper Van Halen behoeven niet zooveel menschen in een beperkte ruimte opgehoopt te worden als op andere schepen. En doordat de reis met dat schip maar zoo kort duurt, is er lang zooveel gevaar niet, dat het volk gebrek aan mondbehoeften en goed drinkwater zal krijgen, waardoor scheurbuik schier onmogelijk wordt!”
„Bovendien,” zoo mengde zich Andries nu in het gesprek, „hebben we nù den tocht gedaan bij het ongunstigste weer. We mogen dus hopen, dat er onder meer gunstige omstandigheden nog voordeeliger uitkomsten te wachten zijn.”
„We? heb je dan de reis meegemaakt?” riepen verscheidene stemmen.
„Ja, dat heb ik. Schipper Van Halen is mijn neef,” zei Andries met zekeren trots.
Van alle kanten werd hij nu met vragen bestormd, waar maar geen eind aan scheen te komen.
„Nu, vriendschap!” zei ten slotte een van de aanwezigen, „na zoo'n gelukkigen uitslag is voor je neef zijn fortuin zoo goed als gemaakt. Je zult zien, het régent straks aanbiedingen, de een al mooier dan de ander, van rijke reeders die ook zulke schepen willen hebben.”
„Ik vrees, dat het hun weinig zal baten,” gaf Andries ten antwoord.
„En dat waarom?” riepen verscheidene gasten verwonderd.
„Wel, toen mijn neef, jaren geleden, met zijn uitvinding voor den dag kwam, heeft niemand hem willen helpen. Integendeel, overal waar hij zich aanmeldde, werd hij bespot en uitgelachen....”
„Ah, jawel,” viel een matroos hem in de rede: „Vroeger, toen ik jullie noodig had, zal hij denken, wou jelui niemendal van me weten; wel nou, loop jullie dan nou óók maar naar de maan!”
„Ja, zoo denkt hij er precies over,” bevestigde Andries, betaalde zijn bier en stapte de herberg uit.
Nauwelijks had hij die verlaten, of hij werd door een der aanwezigen, die slechts zwijgend geluisterd had, gevolgd en staande gehouden:
„Zeg vriendschap!” zei de vreemdeling, „zou je neef heusch geen plan hebben om, zelfs voor veel geld, zijn uitvinding bekend te maken?”
„Ik zou het niet denken, vriend!” gaf Andries ten antwoord.
„Jullie moet dan wel heel rijk zijn,” ging de man voort, „om ter wille van een misplaatst eergevoel zelfs een schitterende aanbieding van de hand te wijzen!”
„Jullie? Mijn neef wil u zeggen. Want ik voor mij bezit geen duit!”
Dat was het juist, wat de vreemdeling wilde weten. Vandaar dat hij met opzet het meervoud had gebruikt. „Welnu, als dat wààr is, dan zul je er toch ook niet op tegen hebben, om op een gemakkelijke manier een honderd gulden te verdienen.”
Honderd gulden verdienen op een gemakkelijke wijze! Andries' oogen schitterden! Want hij had, helaas, voor een groot deel de geldzucht van zijn vader geërfd!
„En wat zou ik daarvoor dan moeten doen?” vroeg hij gretig.
„Al heel weinig. Luister maar: Ik ben scheepsbouwmeester en het zou mij veel waard zijn, als ik óók zulke schepen als „De Vlugge Christina” kon maken. Daarom wil ik aan je neef het voorstel doen om hem, voor een groote som desnoods, zijn uitvinding af te koopen. Ik begrijp echter heel goed, dat dit niet dadelijk zal gelukken. Maar je hebt misschien invloed op hem. Welnu, tracht dan, zoodra ik weer vertrokken ben, uw neef te bewegen mijn voorstel aan te nemen. Gelukt je dit, dan betaal ik je onmiddellijk honderd gulden uit!”
„Aangenomen!” zei de jonkman.
„Laten we dan afspreken, dat we elkaar precies over veertien dagen weer in dezelfde taveerne van hedenavond zullen ontmoeten.”
„Top!” riep Andries, waarna hij den vreemdeling verliet om weer naar boord te gaan.
Reeds den volgenden morgen werd den kapitein door den scheepstimmerman een inderdaad schitterend aanbod gedaan. Maar Van Halen, die in den man een van zijn vroegere tegenwerkers herkende, weigerde beslist. Andries deed wat hij kon om neef Pieter tot andere gedachten te brengen, maar—niets mocht baten. Dit maakte hem verdrietig en daar van het onderwijs in den eersten tijd tòch niets komen zou, vroeg en kreeg hij verlof om eens voor een week naar zijn familie in Rotterdam te gaan. Want men moet weten, dat na den aanval zijn vader het toch maar veiliger geacht had, om weer dáár te gaan wonen.
Aanhoudend dacht Andries aan de halsstarrigheid van zijn neef, die hem verhinderde in één oogenblik honderd gulden te verdienen. O, als hij die uitvinding eens gedaan had, als hij die plannen en teekeningen eens bezat! Wat zou hij er zaken mee doen! Voor duizenden guldens zou hij ze verkoopen....
Maar—hij hàd ze nu eenmaal niet. En Pieter, die ze wèl bezat, liet ze nu verder ongebruikt vergelen. Wáár zouden ze liggen? In de kast natuurlijk, die neef altijd zoo zorgvuldig gesloten hield.... Maar als die kast nu te eeniger tijd toevallig eens los was, zou het dan zoo erg wezen als hij, Andries, die papieren er uit nam en ze voor veel, veel geld verkocht? Ze lagen daar immers toch maar renteloos! Pieter zou er dus heelemaal geen schade bij hebben....
Zóó mijmerde Andries voort en hoe méér hij er over dacht, hoe méér zijn geldzucht hem aandreef, zich van die plans en teekeningen meester te maken.
Na een week reeds keerde hij naar Amsterdam terug, vást besloten, om zijn voornemen ten uitvoer te brengen, zoodra de gelegenheid maar gunstig was.
Onder die omstandigheden vond hij het nu zelfs gelukkig, dat zijn neef zoo halsstarrig geweigerd had. „Maar,” zoo vroeg hij zich af, „zal Pieter bij zijn weigering blijven?”
Spoedig bleek hem echter, dat voor die vrees weinig grond bestond. Wel ontving Van Halen van alle kanten uitnoodigingen en bezoeken, wel kreeg hij van alle kanten aanzoeken om modellen te maken volgens zijn stelsel; ja, poogden de Oost-Indische Compagnie en de Hooge regeering zelfs hem over te halen tot mededeeling van zijn uitvinding, maar schipper Van Halen bleek niet te vermurwen. Hij was nu met hart en ziel koopman geworden en trachtte alleen in die hoedanigheid van zijn uitvinding zooveel mogelijk voordeel te trekken. Zijn eischen liepen dus buitensporig hoog, zoodat de regeering van alle verdere onderhandeling met hem afzag.
Particulieren die dit hoorden, waagden het nu heelemaal niet meer. Maar van dat oogenblik af aan trachtten alle mogelijke scheepsbouwmeesters, die tòch al het land aan Van Halen hadden, zijn uitvinding te kleineeren. Volgens hun oordeel was „De Vlugge Christina” een schip, dat slechts zoo kon worden gemaakt, omdat het zoo'n klein vaartuig was. Groote schepen zou men op die manier niet kunnen bouwen, ging men zeggen. In het kort, wangunst en boosaardigheid deden wat zij konden, om den roem, dien Van Halen als uitvinder reeds verworven had, zoo klein mogelijk te maken, zoodat weldra de meeste menschen de overtuiging hadden, dat Van Halen een heel gewoon schippertje, maar een geweldig groote bluffer was.
Andries begreep echter, dat de mannen van het vak voor zich zelf wel beter wisten en dat het bezit van neef Pieters teekeningen nog alle waarde voor hen hebben zou.
Op den bepaalden tijd begaf hij zich naar de herberg, waar hij, volgens afspraak, den scheepstimmerman zou ontmoeten. Nu de zaken zoo'n keer hadden genomen, had hij echter weinig hoop, den vreemdeling daar aan te treffen. Zooveel te grooter was dus zijn verrassing, toen hij er den man toch zitten vond.
„Je bent er niet in geslaagd, je neef tot andere gedachten te brengen?” vroeg de vreemdeling zacht, om niet door de aanwezigen gehoord te worden.
„Neen,” zei Andries, „maar wat zou het u waard zijn,” fluisterde hij, „als ik u die ontwerpen verschafte?”
„De zaak loopt prachtiger van stapel, dan ik had durven hopen,” dacht de vreemdeling, die juist gekomen was om Andries, wiens geldzucht hem den vorigen keer vrij duidelijk was gebleken, tot die slechte daad over te halen.
„Wat mij dat waard zou zijn? Stellig wel een duizend gulden!”
„Neen, voor zoo'n bagatel wil ik het niet doen,” was het antwoord.
Lang en druk werd er daarop gefluisterd en het gevolg was, dat Andries op zich nam, den vreemdeling voor tienduizend gulden de papieren, die op de uitvinding betrekking hadden, in handen te spelen.
Van dat oogenblik af bespiedde hij zorgvuldig de kast die neef Pieter tot eigen gebruik diende. Maar op welk uur van den dag hij ook de kajuit binnen sloop, steeds vond hij ze gesloten. Eens, toen Pieter zich aan dek bevond, beproefde Andries den sleutel van zijn eigen kast op het slot, maar tot zijn spijt bleek die niet te passen.
Wat nu gedaan! Wachten tot Pieter bij ongeluk de kast eens niet afsloot kon hij niet lang meer, want de noodige herstellingen aan het schip waren al gedaan, de lading was al zoo goed als binnen en over een paar dagen zouden zij weer in zee steken. Neen, hij moest zijn slag slaan, nu of morgen, anders was het te laat! Maar nu, dat ging niet, want alle matrozen waren aan dek. De verdenking zou dus dadelijk op hém vallen ... Zou het moeilijk gaan, de kast open breken? Hij rukte even aan de deur.—Er kwam beweging in ... Ze zou gemakkelijk los te breken zijn ... Zonder veel geluid stellig ... En—Pieter sliep altijd vast ... O, van nacht, van nacht ... Ja, dan moet het gebeuren ... Morgen—dan was het misschien te laat.
Pieter was dien dag druk in de weer geweest, want hij wilde dat het stouwen van de lading, evenals vroeger, geheel onder zijn toezicht zou geschieden. Moe van alle beslommeringen begaf hij zich eindelijk naar bed en sliep dadelijk in. Hij droomde van de nieuwe reis, die hij met zijn geliefd schip weer ondernomen had. „De Vlugge Christina” vloog weer, licht als een veertje, over de golven. Schepen van allerlei natiën snelde hij voorbij, tot hij ze in een oogenblik ver achter zich gelaten had. In weinige dagen was hij reeds de warme luchtstreek genaderd. Hij had nog geen waarneming gedaan, maar hij voelde het duidelijk aan den lauwen adem van den wind, die langs zijn wangen streek. Op eens, midden in den nacht, zag hij dreigend een donkere klip uit den oceaan omhoog steken. Hij wilde haastig het roer wenden, maar, door een onbekende oorzaak was dit onbruikbaar. Hij poogde te schreeuwen, om den bijstand der matrozen in te roepen, maar het scheen of zijn tong verlamd was. En intusschen naderde het vaartuig al sneller en sneller de klip, waar het regelrecht op afliep ... Reeds zag hij de klip vlak voor den boeg ... reeds hoorde hij een onheilspellend gekraak ... Toen werd hij wakker.
Gelukkig, hij had slechts gedroomd.
Maar dat gekraak dan, dat was toch géén droom geweest. Dat had hij duidelijk gehoord.
Hij richtte zich op en keek rond.
Plotseling ontwaarde hij in een hoek van de kajuit een donkere gestalte, die zich over een menigte papieren heenboog, in de grootste wanorde over den grond verspreid.
Bliksemsnel greep hij naar het pistool, dat altijd onder zijn bereik lag en sprong het bed uit. Maar zijn hand zonk machteloos weer neer, want in hetzelfde oogenblik had hij, bij het bleeke licht van de maan dat door een der ruiten van de kajuit drong, in den dief zijn eigen neef herkend.
„Groote God!... Andries!! Jij?” riep hij vol ontzetting.
„Pieter ... ik ... ik ...”
„Weg!! Weg!!” schreeuwde Van Halen met heesche stem. Want die geopende kast, die papieren, over den grond verspreid, deden hem met smartelijke helderheid eensklaps alles begrijpen.
„Je bent—o, je bent een ellendeling!.. Weg! Weg!” kreet Pieter opnieuw.
Doodsbleek en sidderend van angst greep Andries de deur van de kajuit en verdween als een schim in den nacht, om nooit weer aan boord te komen.
Van Halen verzamelde nu alles wat op den grond lag en sloot de kast, waarna hij zich als wezenloos in een stoel liet neervallen.
De papieren, die op zijn uitvinding betrekking hadden, had Andries niet kunnen vinden, omdat die op een geheime plaats achter het beschot bewaard werden. Niettemin had dit voorval Van Halen geweldig geschokt. Van alle kanten door vijanden omringd, zonder vrouw of kind om hem lief te hebben, had hij al zijn genegenheid, al zijn hoop op dezen schranderen jongeling gevestigd. En zijn plan stond reeds vast om zijn geheele bezitting aan hem te vermaken en, door hém, zijn uitvinding, die hem dierbaar was boven alles, eenmaal aan de wereld over te dragen.
Maar van nu af had hij niemand, niemand meer aan wien hij zich hechtte; van nu af aan zou zijn hart voor ieder gesloten zijn. Wie ter wereld was dan ook nog te vertrouwen, als zelfs hij, voor wien hij alles, alles had willen zijn, ja, dien hij tweemaal zelfs het leven had gered, hem nog ellendig bedroog? Neen, hij zou Europa verlaten en, (als een eeuwige zwerver,) nooit weer terugkeeren naar het werelddeel, waar hij zulke bittere ervaringen had opgedaan.
In treurige overpeinzingen en plannen voor de toekomst verdiept, zat hij nog lang na middernacht in de kajuit. Tegen den morgen had hij zijn besluit genomen. Hij stond op, legde een flink vuur aan en haalde toen uit de geheime kast al de papieren, die op zijn uitvinding betrekking hadden. Stuk voor stuk wierp hij ze in de vlammen en zag toe, hoe de arbeid en inspanning van schier heel zijn leven snel door de gretige vlamtongen omkronkeld en verteerd werden. Een traan rolde langs zijn door de zon gebruind gezicht—het was de laatste warmte-uiting van een gemoed, dat plotseling verkild was.
Toen stond Van Halen op. Hij was een geheel ander mensch geworden. Moe van den hevigen schok en het droevige peinzen en denken, wierp hij zich opnieuw op zijn leger neer, vol heftigen haat voor de menschen, van wie hij zijn leven lang niets dan spot, miskenning en laagheid had ondervonden.
In sombere stemming kwam hij dien morgen aan dek. „Mannen,” sprak hij, nadat hij al zijn matrozen om zich heen verzameld had: „ik heb besloten, Europa voor goed te verlaten. Wat mij tot dit besluit bewogen heeft, doet er weinig toe. Ik dwing niemand om met mij te varen, die er niet vrijwillig toe overgaat. Wie echter lust heeft met mij te vertrekken waarheen ik verkies, zal nooit mogen vragen waaróm ik dit doe of dat; wànneer wij zullen landen of wáar wij zullen aankomen, want van nu af geef ik niemand rekenschap van mijn doen of laten meer. Ieder, die deze voorwaarde aanneemt, beloof ik een dubbele gage en eenmaal, wanneer hij voor den dienst ongeschikt wordt, een rijkelijk pensioen. Ieder, die dat niet wil, kan vandaag nog in mijn kajuit komen om zijn loon en desnoods dadelijk vertrekken. Morgen echter gaan wij onder zeil.”
Negentien van zijn manschappen, allen kloeke, onverschrokken kerels, sloten nu een verdrag met hem, overeenkomstig de voorwaarden die hij had gesteld. Ook Thomas, nu als matroos meevarend, sloot zich bij hen aan. De vijf overigen waren getrouwde mannen en verlieten het vaartuig en zijn kapitein, die zij beide lief hadden gekregen, met een gevoel van weemoed, zooals ze nog bij geen enkele afmonstering gekend hadden.
Van Halen zag ze echter onverschillig vertrekken.
Den volgenden dag liet hij, tegen den avond, de ankers lichten zonder zijn pas te vertoonen, waarop het wachtschip onmiddellijk van wal ging om hem aan te houden.
Maar onder het gejuich der matrozen liet Van Halen de Hollandsche vlag hijschen. Een zwarte wimpel waaide van den grooten mast als bewijs, dat hij zoowel met zijn vaderland als met ieder ander wilde breken, en spoedig was het vlugge vaartuig als een waterspook uit het gezicht verdwenen, ofschoon het oorlogsschip alle zeilen bijzette en het kogel op kogel nazond.

