DERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
Een nieuwe reisgenoot.
Den volgenden morgen werd de tocht voortgezet, ook nu weer te voet, want het reizen met den postwagen was Van Halen, door de slechte wegen, zóó onaangenaam geweest, dat hij liever nog loopen wilde.
Tegen het vallen van den avond bereikten de reizigers een dorp; het was zeer gering, maar er was een pleisterplaats, hadden zij onderweg vernomen. Zij zochten er naar en vonden een klein huis, met een schuur en een stal.
In het eerste troffen zij een paar andere reizigers aan, die er slecht geluimd uitzagen, een jonge marskramer alleen uitgezonderd, die vruchteloos met zijn grappen de anderen aan het lachen zocht te maken.
Van Halen vroeg om avondeten.
„Avondeten?” zei de waardin. „We hebben geen tijd om voor de reizigers te koken; wij voorzien alleen in logies, goed logies en uitspanning. Maar u kunt bier krijgen.”
„Dat ziet er slecht uit, jongen!” bromde Van Halen, bedenkelijk zijn neef aanziend.
„Och wat,” zei de vrouw, „je kunt in het dorp koopen wat je verkiest en moogt het vrij in onzen oven koken. Da's toch mooi genoeg zou ik meenen!”
Zij zwierven dan door het dorp om mondbehoeften op te doen en het eind was, dat zij hun avondmaal deden met gebakken eieren en roggebrood.
Een bestevâar met roode konen, die een brandende lantaarn droeg, kwam de reizigers al zeer vroeg halen om ze hun slaapplaatsen aan te wijzen.
Zij volgden hem, tegelijk met de overige gasten.
Over een slikkerig erf, waar zij veel te doen hadden met hun voeten veilig neer te zetten, bracht het oudje hen in een koestal. Daar was aan weerszijden van elke koe een hoopje schoon stroo neergelegd, benevens een grooter stroobundel als peluw.
De oude man zag met vaderlijken trots op zijn werk neer. Van Halen was er minder mee ingenomen:
„Laat je Christenmenschen zoo maar tusschen het vee liggen?” vroeg hij ontstemd.
„Het is hard genoeg voor de arme beesten. Zij hebben nauwelijks plaats om zich om te draaien.”
„Wat zeg je daar? Is het dan niet hard voor òns?”
„Voor jullie?” vroeg de oude verbaasd. „Wat zou er hards in zijn? Ik heb er mijn heele leven tusschen geslapen. En bekijk me vrij! Ik ben tachtig en heb al mijn dagen geen minuut hoofdpijn gehad, alleen maar van tusschen de koeien slapen. Je moogt dus liever van geluk spreken, zou ik meenen; koeienasem is tienmaal zoo gezond als de asem van Christenmenschen. Probeer het maar!” Meteen sloeg hij de staldeur dicht, zoodat ze in 't donker bleven.
„Neef, waar ben je?” riep Andries benauwd.
„Hier!”
„Hoe heeft u het?”
„Ik weet het niet; maar zoover ik gissen kan heeft het er veel van of ik al in den dut raak. En jij?”
„Ik zeg mijn avondgebed op.”
„Dat is braaf van je.”
„Neef, ik heb haast gedaan, och toe, ga nog niet slapen, 'k wou zoo graag nog wat praten ...”
„Rep je dan wat, voor dezen keer! want ik heb een gevoel (een geeuw!) of ik op een—warme—wolk in de lucht drijf.”
„Neef?!”
(Een geeuw!) „Hola, hei! Is het tijd om op te staan?”
„Ongelukkig niet. Ik heb mij met bidden gehaast om nog wat te praten. We zullen voor den morgen bevroren zijn, zoo zonder dek.”
„Wel, weet je wat je doen moet?”
„Nu?”
„Kruip bij de koe!”
„Dank je!”
„Begraaf je dan in het stroo,” klonk nu de stem van den jongen marskramer, dien ze Thomas hadden hooren noemen. „Je moet wel pas in de wereld komen kijken om over zóó iets te brommen. Hoe zou het je bevallen, om in den nachtvorst op een slagveld te liggen, zoo als ik eens, spiernaakt, met niets om mij warm te houden dan het lijk van een kerel, dien ik den hoek had omgeholpen.”
„Afschuwelijk! Vertel er mij alles van.”
„Wel, wij hadden een kleine schermutseling aan de grenzen gehad en een overwinninkje behaald. (Want ik ben een poosje in den oorlog geweest.) Maar het kwam ons duur te staan; verscheidene voetknechten staken de beenen in de lucht, onder andere mijn persoon.”
„Dood? Och kom!” zei Andries, die begreep dat het heele verhaal slechts op een onderhoudend verzinsel of belachelijke snoeverij zou uitloopen.
„Zoo dood als een pier! Stikvol lanssteken, tot het bloed uit me wegliep als de wijn uit een vat waarvan de duigen loslaten. Ik ben wel goed, dat ik mijn verhaal zoo uitvoerig doe, want—(een geeuw!)—ik ben slaperig (een geeuw!)—nu, waar was ik ook?”
„Je laagt voor dood op het slagveld te bloeden als een speenvarken, ik wil zeggen als een wijnvat of zoo iets. Verder, bid ik je, verder; het is zonde, midden in zoo'n mooie vertelling te gaan slapen.”
„Dat is het ook,” ging Thomas voort. „Nu, er kwamen eenige van die vagebonden, die gesneuvelde soldaten uitplunderen en dat gespuis haalde mij het laatste vod van het lijf; verder deden ze mij geen kwaad, omdat zij er niets aan hadden.”
„Neen, je was dood.”
„Goed onthouden! Dit moet tegen zonsondergang geweest zijn. 's Nachts kwam een vinnige vorst, die het bloed op mijn wonden deed stollen en al de stroompjes die mijn hart uitliepen stopte; en omstreeks middernacht werd ik als uit een schijndood wakker.”
„En dacht je toen niet dat je in een heerlijk bed lag?” vroeg Andries, die hoe langer hoe meer schik in het verhaal kreeg, waarvan hij natuurlijk geen enkel woord geloofde.
„Daarvoor neep mij de kou te hard, jongenlief; buitendien hoorde ik aan alle kanten de gekwetsten kermen, dus wist ik, dat ik nog op mijn oude plaats was. Ik begreep dat ik den dag niet halen zou zonder deksel. Ik tastte in het rond, rillend en bibberend van de kou. Eindelijk, daar hield er ineens een op met kermen. Jij bent er geweest, zei ik, kroop naar hem toe en jawel, hij was dood hoor; maar warm, begrijp je!
„Ik nam het heer in mijn armen, maar was te zwak om hem te dragen en zoo rolde ik met hem in een droge sloot. En daar vonden mijn kameraden mij 's morgens, aardig wat door brandnetels gestoken en een dooden Spanjaard omhelzend, om het er levend af te brengen.”
„Ach ja,” zei Andries, „de oorlog is alleen vriendelijk voor wie er niet in geweest zijn.”
„Watblief?”
„Ik zeg—wat zijn sommige menschen toch koelbloedig en onversaagd!”
„Nietwaar? Dus bij zulk soort van dingen—vergeleken—zijn dit soort van dingen de hemel. Zacht,—warm—goed gezelschap, met een koe er bij als kameraad—wat—wou je—dan nog kla...?”
De tong van den vroolijke verhaler kwam voor eenige uren tot rust.
's Morgens werd Andries wakker door een straal vocht die zijn oog trof en daar zag hij den snaakschen Thomas die de uier der koe als een spuit gebruikte.
„O, foei!” riep Andries, „is dat de kostelijke melk vermorsen!”
„Wel, laten we die er dan mee vullen!” zei de kwant, een hoornen beker te voorschijn halend.
„Geef maar hier,” zei Andries, „ik heb dat méér bij de hand gehad. Maar waarachtig, ik zie niet in, met welk recht we iets van haar melk ...”
„Breek je daar het hoofd niet over!” viel Thomas in. „De kameraad is vannacht niet zoet geweest, moet je weten; maar wat zou dat? Ware vriendschap ontslaat van plichtplegingen. Vanochtend nemen wij gelijke vrijheid met haar.”
„Wel, wat heeft ze dan gedaan, het arme beest?”
„Mijn peluw opgegeten.”
„Ha! ha!”
„Toen ik wakker werd, wist ik niet waar mijn hoofd gebleven was, tot ik het eindelijk vond, veel lager dan waar ik het gisteravond had neergelegd. Zij heeft ons kussen opgegeten, wij drinken ons kussen terug.” Toen, zich tot de koe richtend: „Op uw gezondheid, mejuffer, en—zonder wrok.”
„De oude paai had toch gelijk,” zei Andries tegen Van Halen, die ook al wakker was. Ik ben nog zoo frisch niet opgestaan, in heel mijn leven, geloof ik. Laat ons voortaan altijd in een koestal overnachten, neef.”
„Je vergeet, dat je zeeman wordt, beste jongen.”
„Zeeman? wat 'n gelukskind!” riep Thomas.
„Zou je dat dan liever zijn dan marskramer?” vroeg Van Halen met belangstelling.
„Nu, dat geloof ik! 'k Heb me dan ook al een keer of vijf aangemeld, toen ik laatst een poosje in Rotterdam was, maar geen mensch wou me hebben. Ze denken stellig dat ik te veel eet!” liet hij er lachend op volgen.
„Als het je ernst is,” zei Van Halen, „kun je wel een plaats op mijn schip krijgen. Maar je zult, tijdens de eerste reis, met het baantje van scheepsjongen tevreden moeten zijn.”
„U bent dus kapitein?” vroeg de jongen verrast. „Nu, wàt graag!” liet hij er verheugd op volgen.
„Zorg dan, binnen veertien dagen in Vlissingen te wezen. Je kunt in dien tijd meteen van je koopwaar af zijn.”
„O, ik was juist zoo goed als uitverkocht. Dus wat dàt betreft zou ik dadelijk wel met u mee kunnen.”
„Welnu, je kunt dan voorloopig mijn bediende wezen en zoo dadelijk met ons afreizen als je wilt.”
Thomas was daar zóó verheugd over, dat hij oogenblikkelijk eenige van zijn laatste artikelen tegen verminderden prijs aan de waardin verkocht, het weinigje dat restte stopte hij in zijn knapzak en de leege mand gaf hij aan den ouden paai present, uit dankbaarheid voor het gezond logies, zooals hij lachend beweerde.
Weldra ging het drietal op stap en Thomas wist zóóveel grappen onderweg, dat de tijd als omvloog.
's Avonds kwamen zij aan een dorp nabij de Eendracht en Van Halen meende vandaar met de veerschuit naar Vlissingen te vertrekken.
Zij vonden vrij spoedig een herberg van een goed uitzicht, waar zij een behoorlijk avondmaal benevens logies konden krijgen.
„Tusschen de koeien?” vroeg Andries terstond.
„Neen, neen! we hebben twee ruime logeerkamers, tezamen met drie bedsteden!” zei de waardin.
Van Halen was echter zeer ontstemd, toen de waard hem vooraf om betaling vroeg. Niettemin voldeed hij aan het verzoek, maar alle drie waren zij verontwaardigd over de schandelijk hooge rekening, die de vent hem liet betalen.
Toen ze reeds op hun kamer waren (de beide jongelui hadden het vertrek met de twee bedden gekregen) pruttelde Thomas nog na: „Wat een afzetterij toch! Maar—misschien kan ik dat heer nog wel een poets spelen tot zijn straf, waarvan we schik zullen hebben!”
Hij rommelde wat in zijn knapzak en dolf er een fleschje phosphor uit op, waarna hij precies deed alsof hij iets op den wand ging schilderen.
Andries keek en keek, maar er kwam niets te voorschijn.
„Wat haal je toch uit?” vroeg hij daarom verbaasd.
„Even geduld, maat!” was het antwoord.
Opeens blies Thomas de kaars uit. Ze waren in het donker; en nu las Andries op den wand in geheimzinnig glorend vlammenschrift:
„Wee den afzetter!”
„Wat zeg je er van?” vroeg Thomas met zelfvoldoening.
„Alleraardigst!”
„Nietwaar? Maar nu is mijn werk volbracht en wordt het jouw beurt.”
„Dat is te zeggen....?”
„Wel, om de grap volkomen te maken moet jij nu den waard onder het een of ander voorwendsel op onze kamer zien te lokken.”
„Dank je hartelijk!”
„Dan zal ik gaan!” zei Thomas beslist. „De kerel heeft het dubbel en dwars verdiend, dat we hem een kleinen schrik bezorgen....”
„Dat ben ik met je eens! Maar toch—neen, laten we het liever niet doen!” gaf Andries in bedenking. „Mijn neef mocht het ons eens kwalijk nemen, en dat zou jij toch zeker óók minder aangenaam vinden, is 't wel?”
Thomas stond even in beraad.
„Je hebt gelijk!” zei hij toen. „Ik ben nog nauwelijks een dag in zijn dienst en mag het er dus niet op wagen, het nu al bij mijn meester te verkerven.—Allo, dan de kaars maar weer aan!”
Met behulp van Thomas' vuurslag en tonteldoos, benevens een eindje zwavelstok, gelukte dat, waarop beiden nog wat babbelden, tot de kaars schier geheel was opgebrand.
Zij hadden nog juist den tijd om er zich bij uit te kleeden, toen gaf zij den geest.
„Toch jammer dat de grap niet doorging!” mompelde Thomas, uit zijn bedstede nog even, met droomerige oogen, op de geheimzinnig glorende bedreiging starend, die nu weer zichtbaar was.
Meteen sliep hij in.
