VIERDE HOOFDSTUK.
Reading edition
In ongelegenheid.
Daar men reeds November had was het nog donker, toen de waard 's morgens op de deur van Pieter van Halen's kamer klopte.
De kapitein was dadelijk wakker.
Daarop ging de man naar het andere logeervertrek, om ook de jongelui te wekken.
Thomas en Andries, wijl ze zoo laat naar bed gegaan waren, sliepen evenwel als egels in den winter.
Toen de waard dus op zijn herhaaldelijk geklop slechts een kreunend antwoord kreeg, deed hij eindelijk de deur open..... Maar hij gaf een schreeuw van ontzetting, toen hij daar plotseling het nog altoos glorend vlammenschrift in het oog kreeg.
„Tooverij!” riep de man ontsteld en holde als dol naar de gelagkamer.
„O, die schelmen! Ze hebben ons huis betooverd!” riep hij zijn vrouw toe.
De waardin, die juist het ontbijt voor het drietal klaar zette, stiet van schrik haast de olielamp om.
„Loop dadelijk naar den schout!” riep ze bevend. „Loop! en laat de deugnieten gevangen nemen!”
De waard snelde de deur uit.
„Weg schelmen, weg schavuiten!” gilde het vrouwmensch, toen de drie logeergasten zich een oogenblik later aan het ontbijt kwamen zetten. En overhaast nam zij de vlucht.
„Lieve hemel, wat scheelt je meesteres toch?” vroeg Van Halen aan den knecht die juist binnenkwam.
„Ik zou je raden, dat jullie je maar zoo gauw mogelijk uit de voeten maakt,” zei deze gemoedelijk: „De baas is naar den schout; hij raasde en tierde, dat jullie zijn heele huis hadt betooverd.”
De kapitein haalde de schouders op. Toch zette hij de jongelui tot spoed aan; hij wenschte liever niet in moeite te komen, wijl dit maar oponthoud geven kon.
Toen de waard met den schout en twee dienders in de herberg terugkwam, waren de logeergasten dan ook reeds verdwenen.
In allerijl repten de drie reizigers zich naar de rivier.
Op hun navraag kregen zij daar tot hun groote teleurstelling ten antwoord, dat de veerschuit al voor een half uur vertrokken was en zij, voor de eerst volgende, tot den namiddag dienden te wachten.
Dat zag er dus gek voor hen uit, te meer wijl inmiddels de dag reeds was aangebroken.
Langzamerhand verzamelde zich een hoop volk rondom het drietal en na heel veel vragen bood eindelijk een oud man met zijn twee zoons hun zijn schuit aan.
Een der omstanders vond het bespottelijk.
„De stroom is te sterk voor drie man op de riemen,” meende hij.
„Dan zal ik helpen roeien!” verklaarde Van Halen.
„Dat behoeft niet,” zei de oude man. „De vent spreekt alleen uit afgunst; hij is de eigenaar van de andere schuit.”
Er was een stijve koelte en zij hadden vlak voor den wind; de schipper zette een breed zeil uit en, tegelijk roeiend, staken zij met een goeden gang van wal.
De stroom maakte veel bochten en daardoor kregen zij af en toe den wind op zij. Dan gingen allen aan loef, om te beletten dat de schuit te sterk overhelde, behalve een kind van omstreeks een jaar of vijf, de kleinzoon en lieveling van den schuitenvoerder. De guit was, een oogenblik voor zij aan wal staken, aan boord geslopen en daar hij te licht was om verandering in de vracht te brengen, beschouwden zij hem als boven, of liever als onder het reglement.
Zij zeilden lustig voort, onbewust dat zij vervolgd werden door den schout, den waard uit de herberg en twee dienders, schoon hun vervolgers hen begonnen in te halen; want was de wind sterk, de stroom was het niet minder.
Opeens vroeg een der jonge schippers aan het kleine appelgezicht, wat hem toch scheelde.—Zijn neefje was namelijk met een hangend lipje bij het roer gekomen en toen in tranen uitgebarsten.—Hij deed hem allerlei vragen, eerst op vleienden toon, daarna kortaf: Of hij zich gestooten had? Of hij geschrikt was? Of hij het koud had? Of hij misselijk was? Of hij mal was?
Op alles gaf het kind een onveranderlijk „hu! hu! hu!” tot antwoord.
„Weet ook een van jullie, wat den kleinen schreeuwleelijk scheelt?” bromde de schipper ongeduldig.
„Kijk liever dezen kant eens uit,” zei zijn broer. „Begrijp jij soms wat ze daar nazitten?”
De oude man en zijn andere zoon keken en zagen toen vier mannen, die op den Oostelijken oever voortgingen.
Zij hielden even op met roeien en staken aan het stuur de hoofden geheimzinnig bij elkaar, beurtelings blikken op hun passagiers en op de voetgangers werpend, die ze reeds herkend hadden.
Beter dan zich in bespiegelingen te verdiepen was het hun echter geweest, wanneer ze getracht hadden het geheim van het appelgezicht te doorgronden.
„Als het is zooals ik vrees,” fluisterde een der jonge schippers, waarom hun dan geen kans gegeven om te ontsnappen? Laat ons op den rechterwal aanhouden.”
De oude man weigerde beslist.
„Ben je gek, moeten wij ons last op den hals halen voor vreemden? Neen, laat ons liever naar bakboordzij sturen: houd het altijd met den sterken arm! dat is mijn leus. Wat zeg jij, Willem?”
„Ik zeg, vader, dat je voor mijn part kunt doen wat je wilt!”
Een windvlaag maakte op de onpartijdigste wijs een eind aan de oneenigheid van den ouden en den jongen schipper. Het kleine vaartuig ging overzij, de mannen sprongen aan loefzij om het in evenwicht te houden, doch zagen op hetzelfde oogenblik tot hun schrik, dat aan lij een plas water de schuit van het eene eind tot het andere vulde. En in 't volgend oogenblik zagen zij niets meer, maar zij voelden den stroom, den kouden snellen stroom.—Het appelgezicht had de prop uit het hoosgat getrokken.
De dienders wonden de touwen van hun middel.
Van Halen en Thomas konden zwemmen als een eend, doch zelfs de beste zwemmer moet, wanneer hij met een schuit omslaat, vóór hij zwemmen kan, eerst zinken.
Het donkere water borrelde boven hun hoofd, toen kwamen zij boven, voor een oogenblik bijna doof en blind. Terstond daarop zagen zij echter alle twee de schuit het onderst boven en menschen die er zich aan vasthielden. Zij schudden hun hoofden als poedelhonden en zwommen er naar toe, uit een zekere onberedeneerde navolgingsdrift, maar eer zij het vaartuig bereikten, hoorden zij achter zich een stem die niet luid maar met diepe droefheid riep: „Vaarwel, het is gebeurd met me!”
Zij keken om en daar was de arme Andries bezig met te zinken, wijl hij in 't geheel niet zwemmen kon. Zijn gezicht was bleek en zijn wijd open oogen stonden met een wanhoops-uitdrukking naar zijn vrienden gewend.
Thomas en Van Halen zwommen naar hem toe, als dollen het water doorklievend, doch eer zij hem bereikt hadden, zonk de arme jongen.
Van Halen dook naar hem. De gerechtsdienaars knoopten eenige touwen aan elkander en wierpen het eind van de lijn in het water.
De kapitein deed een greep en Andries voelde zich met zulk een krachtigen ruk opgetild, dat hij met het halve lijf boven water kwam.
„Grijp mij nu niet beet! Grijp me niet beet!” riep Van Halen, in grooten angst dat Andries dien noodlottigen misgreep zou doen.
„Wees niet bang!” gorgelde Andries.
Toen Van Halen zag dat zijn neef begrip van den toestand had, herkreeg hij onmiddellijk zijn moed en bedaardheid weer.
„Op je rug!” zei hij bits, en een slag vooruit doende, hielp hij tot de vereischte beweging.
„Je hand op mijn schouder!... Mooi zoo!”
„En op mijn schouder je andere hand,” zei Thomas nu.
Het gelukte en moeizaam worstelden de beide zwemmers toen dwars door den stroom. Slechts een oogenblik hadden zij geweifeld welken kant uit te zwemmen, zonder het noodlottig belang van een zoo eenvoudige keuze te weten: toen, ziende dat de westelijke oever een weinig nader was, zwommen zij daarheen, in plaats van als zoete jongens naar de gerechtsdienaars te zwemmen en zoo een nieuw avontuur tegemoet te gaan.
Door den sterken stroom dreven zij geweldig af en nadat zij ongeveer een honderd slagen gedaan hadden, vroeg Andries ongerust: „Hoeveel nu nog?”
„Wees niet bang,” hijgde Thomas, „je bent zoo veilig als in bed.”
Een oogenblik later voelden zij tot hun verbazing, grond, en zij waadden naar den kant.
Zoodra zij op den vasten wal stonden zagen zij elkaar van het hoofd tot de voeten aan, reikten elkaar gelukwenschend de hand en keken daarop hoe de anderen het er afgebracht hadden.
De gansche bemanning zat veilig en wel op de omgeslagen schuit, met jongeheer appelgezicht, den omkeerder der dingen, in het midden. Al dit rumoer scheen geen bijzondere stoornis in zijn gewoonten gebracht te hebben, althans hij huilde, toen hij het gezelschap in het water liet duikelen, en hij huilde toen het er weer uit was.
„Zullen we wachten neef, tot zij de schuit weer in orde hebben?”
„Neen, Andries, de vracht is betaald. Laat ons dadelijk voortmaken!”
Zoodra hun besluit duidelijk werd, ontstond er aan den overkant beweging in den troep die op hun beraadslaging gelet had, en zij hadden slechts weinige stappen gedaan, toen er een stem over het water tot hen kwam, die „halt!” riep.
Ze keken om, zonder hun tred te vertragen en zagen toen, dat de schuit nog altijd midden op den stroom dreef.
„Halt! in naam van den schout!” klonk het van den overkant.
Het drietal stapte echter des te haastiger door, tot er van hun vervolgers niets meer te zien was.
Thomas miste eindelijk voor het eerst zijn knapzak. Die had in de schuit vlak naast hem gelegen en zou nu wel op den bodem van de Eendracht rusten, meende hij. Hij troostte zich echter, dat er niet zoo heel veel bijzonders meer in zat.
„En je toovermiddel dan?” vroeg Andries lachend.
Van Halen werd nu opmerkzaam en vernam thans, wat de eerste aanleiding tot hun avontuur was geweest.
Weldra kwamen zij in een klein dorp, en traden de herberg in met de bedoeling zich bij den haard zoo goed mogelijk wat te drogen.
„Lieve menschen, kijk me nu toch eens aan! Jullie bent dóórnat!” riep de waardin verbaasd. „En dat in November! 't Is om ziek te worden! Gauw die spullen uit! 'k Zou het mijn leven lang niet kunnen verantwoorden als ik jelui zóó daar zitten liet!” Meteen drong zij het drietal naar een afzonderlijk vertrek, gaf Van Halen het Zondagsche pak van haar man, benevens wat ondergoed, schommelde inderhaast ook voor Andries en Thomas wat kleeren samen, waarop ze zei: „Ziezoo, gooi nu maar gauw die kille plunje uit en als je verkleed bent, waarschuw je maar, dan zal ik die natte rommel dadelijk te drogen hangen.”
Het drietal zag er nu weldra allerpotsierlijkst uit, want Van Halen was het pak veel te klein, zoodat hij zijn armen nauwelijks verroeren durfde uit vrees, dat het buis in den rug mocht scheuren; en Andries en Thomas zat alles zoo wijd, dat het hun bij iedere beweging om de leden slobberde.
Zoo kwamen zij vroolijk de gelagkamer weer binnen en ook de waardin had uitbundig veel pret in den vermakelijken optocht.
Daar zij 's morgens, wegens hun overhaast vertrek, hun ontbijt halfweg in den steek gelaten hadden, gebruikten zij thans met groote graagte en opgewektheid het door Van Halen bestelde, en toen hun kleeren eindelijk weer droog waren gingen zij het dorp in, om te zien of zij een schuit konden krijgen.
Het geluk was hun mee, want al spoedig vonden zij een schipper die bereid was, hen op hun bestemming te brengen.
Voor dien dag echter was het daartoe reeds te laat. Maar den volgenden morgen namen zij afscheid van de hartelijke waardin en reeds 's avonds kwamen zij te Vlissingen aan.
Langzamerhand keerden ook de vier matrozen terug, elk van eenige aangeworven zeelui vergezeld.
Toen ze allemaal gearriveerd waren, bleken er in het geheel vier-en-twintig, waaronder een kok en een chirurgijn. Pieter had dus volk genoeg, want twintig man was voor zijn schip reeds voldoende geweest.
Zoodra alle matrozen aan boord waren, liet Van Halen het anker lichten, hijzelf nam de post van stuurman waar, en de beruchte Doodkist ging tot een proeftocht onder zeil.
Licht en bevallig als een trotsche zwaan gleed het slanke vaartuig over de wateren, terwijl het door honderden menschen aan de haven met bezorgdheid werd nageoogd.
Het was op zee tamelijk stormachtig, maar „De Vlugge Christina” doorkliefde de golven, den storm tegemoet, en verdween uit het oog der toeschouwers, die eigenlijk niet wisten of zij waakten of droomden en aan tooverij dachten.
Twee dagen later wierp het schip zijn anker weer uit en baarde algemeen opzien.
Nu had Van Halen zijn mannen met zijn vaartuig vertrouwd gemaakt. Alle vrees was voorbij; de matrozen erkenden nu, hoe véél het schip vóór had boven andere vaartuigen en stelden thans ook een onbepaald vertrouwen in hun genialen kapitein.

