← Table of contents
De vliegende Hollander

VIJFDE HOOFDSTUK.

Reading edition

De eerste tocht.

Het jaar 1624 was berucht door zijn stormen en de veelvuldige ongelukken die daar, in verband ook met den bouw der toenmalige zeeschepen, het gevolg van waren.

In dit jaar deed „De Vlugge Christina” haar eerste reis naar Oost-Indië.

Van Halen had een groot deel van zijn vermogen te Hamburg besteed aan manufacturen, waarmee hij zijn schip bevracht had. Het stouwen was onder zijn opzicht gebeurd en zoo voortreffelijk uitgevoerd, dat het vaartuig, hoewel zwaar geladen, toch niets van zijn vlugheid verloor. Het was ook met tien lange, metalen stukken gewapend, maar kon toch het meest nog vertrouwen op zijn onbegrijpelijke vlugheid, gevolg van de heel bijzondere tuigage en den zoo eigenaardigen bouw van den romp.

Den vijfden December ging Van Halen in zee en den tienden had hij het midden van den grooten Atlantischen Oceaan al bereikt. Maar hier wachtten hem ál de ongemakken, die gedurende dien noodlottigen winter zoo menig zeeman in gevaar brachten. Zoodra hij in volle zee was, brak er een storm uit het Noordwesten los, vergezeld van hagel en sneeuw, die negen volle dagen aanhield. Gelukkig, dat het schip geheel nieuw en zoo bijzonder sterk was, want het werd ver weg geslingerd naar onbekende gedeelten van den Oceaan.

„De lucht is bepaald warm,” zei Andries op zekeren dag, „en dat nog wel in het hartje van Wintermaand!”

„Ja,” zei Van Halen, „ik geloof dat we snel de Zuidelijke luchtstreek naderen, want ook het water is veel warmer. Jammer, dat de storm ons verhindert, eenige waarnemingen te doen.”

De sneeuw was overgegaan in een dichten, aanhoudenden regen en zoo werd „De Vlugge Christina” eindelijk in een gedeelte van de zee gedreven, waar de Oost-Indievaarders nooit kwamen.

Eenzaam kliefde het schip de golven.

Op den negenden dag des avonds, toen de storm zich juist met vernieuwde kracht verhief, riep Andries eensklaps:

„Kijk neef, een schip!”

Allen zagen nu een vaartuig, dat hevig met de golven kampte. Het had niets behouden dan den mast, terwijl op „De Vlugge Christina” aan den boegspriet, den voorsten en den grooten mast de zeilen nog in goeden staat waren en Van Halen met behulp daarvan zooveel mogelijk Westwaarts trachtte te sturen.

„Nu kun je toch eens zien,” zei Thomas, „met wat een verwonderlijke snelheid ons schip voortgaat,” want het vreemde vaartuig was nauwelijks in het gezicht, of de „Christina” vloog het als de wind weer voorbij.

Het was, hadden zij opgemerkt, een slavenschip dat zich stellig in nood bevond, want er werden kanonschoten gelost, waarvan het geluid nog flauw tot hen overwoei.

Aan hulp verleenen viel echter niet te denken en binnen vijf minuten was de „Christina” al een halve mijl Zuidwestwaarts gedreven.

Het vreemde schip kwam uit Portugal en was naar Guinea bestemd; toen het weer bedaarde herstelde het zijn averij en de bijgeloovige manschappen vertelden naderhand dat hun, juist toen zij in den hoogsten nood verkeerden, een vreemd gebouwd vaartuig zonder bemanning, dat de Hollandsche vlag voerde, als een spookachtige verschijning met volle zeilen was voorbij geijld. De matrozen sierden dit sprookje onwillekeurig nog wat op, en in West-Indië was spoedig het verhaal van een Hollandsch spookschip het onderwerp der gesprekken van alle rustende zeelui.

's Nachts werd plotseling de lucht helder, tot groote vreugde van schipper Van Halen. „Andries? haal me den Jacobstaf[3] eens!” riep hij. „Ik wil dadelijk eenige waarnemingen doen!”

Met verbazing bevond hij, dat hij de linie al gepasseerd was en den vijfden graad Zuiderbreedte had bereikt. Hij kòn het haast niet gelooven. Maar toen den volgenden middag de wind naar het Oosten liep en de gloeiende zonnestralen het teer op het schip vloeibaar maakten, toen de waarnemingen van zijn matrozen allemaal precies zoo uitkwamen als die van hem, zie, toen ging er een luid gejuich op, want nu bleek, dat het schip, in weerwil van den storm, binnen den korten tijd van zestien dagen 1150 zeemijlen had afgelegd.

Met een haast bijgeloovigen eerbied beschouwden nu de zeelui den man, die zóó iets wonderbaarlijks had uitgevonden. Thomas hechtte zich van nu af aan zijn meester met de trouw van een hond.

En Van Halen zelf? O, hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig, nu al zijn arbeid en denken ten slotte zoo schitterend werden beloond, nu ervaren zeelui als de zijne telkens en telkens weer een uitroep van bewondering slaakten, zoo vaak zij een nieuwe voortreffelijkheid, een nieuwe verbetering aan tuig of romp ontdekten.

Er was dan ook doorloopend een aangename stemming aan boord en dat die er in bleef bij de bemanning, daar zorgde Thomas genoegzaam voor.

Thomas zat geregeld vol gekheid en guitenstreken; van een zak en een oud buis bijvoorbeeld wist hij een beer in elkaar te zetten zoodat hij den scheepsheelmeester er eens den grootsten schrik mee op het lijf joeg, toen hij het nagebootste dier in de schemering om een hoekje van de kajuit plaatste; met een stukje touw of eenige andere kleinigheid wist hij de aardigste kunstjes; hij zong liedjes die geen der matrozen kende om de eenvoudige reden dat hij ze zelf berijmde op bekende wijzen; hij kon griezelige geschiedenissen vertellen, dat zelfs de ruwste matrozen er bij huiverden en dan weer verhaalde hij een zoo kluchtig avontuur, tijdens zijn rondzwerven als marskramer beleefd, dat de bemanning schaterde van pret.

Soms echter waren zijn streken wel eens onaangenaam voor den persoon, die er bij betrokken was, maar ook dan nog bleven zij toch meestal onschuldig.

Zoo had de kok een vriend aan boord, dien hij de grootste genegenheid toedroeg en dikwijls met welbehagen op den rug kon kloppen, hem prijzend om zijn voortreffelijkheid.

En toch—zoo wreed is het noodlot soms—hij moest hem dooden met eigen hand.

De vriend was namelijk een vet varken.

Om af en toe eens versch vleesch te hebben had Van Halen er een vijftal meegenomen, waarvan dit het zwaarste was; de vier andere zouden tijdens de reis vetgemest moeten worden.

De kok kon soms, tijden aanéén, met zijn pijpje in den mond, genoeglijk naar het logge dier zitten kijken; of hij trakteerde het op de lekkerste hapjes van hetgeen er van het middagmaal was overgebleven. En terwijl het varken at, krauwde de kok het liefkozend tusschen de ooren.

Maar eindelijk moest zijn dierbare vriend er toch aan gelooven; en het werd hoog tijd inderdaad, want hij was zóó vet, dat hij niet eens meer loopen kon.

Zuchtend sleep de kok in de kombuis zijn mes, zuchtend onderzocht hij, op den nagel van zijn duim de scherpte der snede en met nog veel dieper gezucht trad hij eindelijk op zijn lieveling toe.

Deze zat hem echter reeds in alle voornaamheid af te wachten: Een ronde hoed met slappen rand, dien de kok enkel bij feestelijke gelegenheden droeg, dekte zijn kop! Een mantel omhulde zijn plomp lichaam, terwijl een breede, witte halskraag aan het domme varkensgezicht een vreemde waardigheid verleende. Daarbij stond, op een omgekeerd vaatje als lessenaar, een opengeslagen boek schuin omhoog voor den vetten sinjeur opgericht, waarin het scheen dat hij met groote deftigheid zat te lezen.

Nauwelijks kreeg de kok deze dwaze vertooning te zien, of hij werd rood van kwaadheid, terwijl hij riep: „Dat heeft me natuurlijk die weergasche Thomas geleverd!”

Met dreigende houding en blik keek hij rond, opgewonden tierend: „Waar zit hij, die galgestrop, die caronje, die ... die ...”

Hij was buiten zichzelf, hij kón niet meer.

De geheele bemanning vloog naar het varkenshok, om te zien wat er gaande was.

Toen dreunde opeens een bulderend gelach, want de matrozen vonden de grap allerkostelijkst.

„Ik wist niet, dat meneer Knor familie van je was!” grinnikte er een.

„Ei kom, dat kan je toch wel zien,” plaagde een ander; „ze hebben zelfs samen één kleerenkast!”

„Nu ik zou wát trotsch zijn op zoo'n bloedverwant,” zei weer een derde, „'t lijkt wel een rechtsgeleerde!”

Daar kwam de kapitein op het leven af.

De kok schoot onmiddellijk op hem toe, zoodra hij den gezagvoerder in 't oog kreeg en riep: „Kapitein, u moogt dien Thomas, dien schelm, wel eens duchtig onder handen nemen, want hij heeft ...”

Ongelukkig voor den armen kok kon echter ook Van Halen zijn lachlust niet bedwingen en keerde zich dadelijk om, terwijl hij proestend weer in de kajuit verdween.

Daar ontbood hij echter Thomas bij zich en gaf hem er het een en ander te doen, om den jongen voor dien dag onder het oog van den kok vandaan te houden.

Met deze en dergelijke grappen en dwaasheden, maar vooral ook door zijn hulpvaardigheid, won Thomas zich steeds meer en meer de gunst der matrozen. Zoo'n scheepsjongen was wat wáárd, meenden zij, die bracht nog eens wat afleiding in het dagelijksch leven aan boord!

En intusschen spoedde het schip zich maar immer over de golven en had reeds den negentienden dag, dus na een reis van vijf-en-dertig dagen, de kust van Brazilië in het gezicht.

Hier ontmoetten zij een menigte schepen, maar „De Vlugge Christina” vloog die alle als een vogel voorbij. Oorlogsschepen praaiden het ongewone vaartuig, maar Van Halen lette er weinig op; woedende kapiteins zonden het kogel op kogel na, maar niet één, die het bereikte. Als een spooksel verdween het vlugzeilende vaartuig uit de drukbezochte Amerikaansche wateren en snelde ver naar het Zuiden heen.

Daarna wendde Van Halen den steven naar het Oosten en ging op zoo'n grooten afstand om de Kaap, dat hij geen land zag en ook geen enkel schip ontmoette.

Eindelijk bereikte hij de Indische zee, maar hier, in die wateren vol klippen en eilanden, werd zijn geduld op allerlei wijzen op de proef gesteld. Toen hij op de hoogte van den keerkring gekomen was, werd het volkomen windstil, zoodat hij in vijf dagen niets vorderde. Maar op den zesden dag verhief zich een haast onmerkbaar koeltje, tegen den avond nam dit nog wat toe, en het vlugge schip, dat bij den minsten wind al in beweging kwam, vloog weer als een zeemeeuw over de golven.

Tegen middernacht waarschuwde een van de wachthebbende matrozen plotseling: „Schip in zicht!”

Van Halen en Andries, die zich ter kooi begeven hadden, waren nu in een oogenblik aan dek. De heldere maan bescheen weldra de volle zeilen van het vaartuig en toen de „Christina” het nog meer naderde, bleek het een groote, Hollandsche Oost-Indievaarder te zijn. Maar het lompe, logge gevaarte lag doodstil, terwijl de „Christina” vlug en bevallig over het effen zeevlak gleed.—Door de bemanning van het andere vaartuig werd dit met bijgeloovige verbazing aangezien.

Toen zij van hun eerste verrassing wat bekomen waren, verzochten en kregen zij verlof, om met een sloep aan boord te komen.

Daar de zes roeiers uit angst voor het vreemde vaartuig verzocht hadden, in de boot achter te mogen blijven, betrad alleen de stuurman het dek.

Met de grootste verwondering bekeek de man het vaartuig van Van Halen en toen die hem vertelde, en in zijn scheepsjournaal aantoonde, dat hij van Hamburg tot hier geen volle drie maanden onderweg was, toen steeg zijn verbazing op het hoogst. „Hoe is het mogelijk! hoe is het mogelijk!” riep hij uit. „En wij zwalken al 278 dagen op zee en de Hemel weet, of het nog geen 10 weken zal duren, éér we Java bereikt zullen hebben!” En opnieuw bekeek de vreemdeling het schip en zijn tuig, waarvan hem alles even raadselachtig voorkwam.

Aan boord van zijn eigen vaartuig teruggekeerd, raakte hij niet uitgepraat over wat hij gehoord en gezien had en met ontzetting zag zijn volk, terwijl zij zelf nog altijd onbewegelijk lagen, het wonderschip nu verder en verder zweven, totdat het aan den gezichteinder verdween.

„De Vlugge Christina” kreeg meer en meer wind en bereikte eindelijk zonder verdere ongemakken Java, waar men het anker wierp voor de reede van Bantam. De geheele reis, van Hamburg tot hier, met een vrij grooten omweg nog wel, bleek afgelegd te zijn in nog geen 170 dagen.

Van Halen ging aan wal, waar hij zijn papieren moest toonen, en zich van het bestuur der Oost-Indische Compagnie voor een vrij groote som het recht koopen, om handel in de kolonie te drijven.

Het werd hem toegestaan.

Al wat hij had meegebracht wist hij nu spoedig en heel voordeelig te verkoopen, waarna hij ballast innam, om vervolgens naar de Molukken te stevenen. Hier laadde hij de kostbaarste specerijen, voer, al handeldrijvend, van de eene eilandengroep naar de andere en nam, na zijn schip rijkelijk beladen te hebben, de terugreis naar Europa weer aan, waar hij, na een afwezigheid van 503 dagen, het anker wierp voor Amsterdam.

Chapter ornament
Chapter ornament

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings