DE SCHERPSCHUTTERS VAN ZUID-AFRIKA. (continued 5)
Reading edition
"Maar zij komen niet meer te voorschijn," lacht de sergeant; "ze durven voòruit noch àchteruit; zij zitten in de klem."
"Toch niet," zegt de officier; "je vergist je leelijk. Kijk, daar komt weer een groep Boeren te voorschijn."
"Waar?" vraagt de sergeant.
"Wel dáár, waar ik met den vinger heenwijs. Nu zitten ze weer achter een struik," zegt de officier.
"Ze schuwen het daglicht, ze werken als de vleermuizen," zegt de sergeant minachtend.
"Ik denk, dat die vleermuizen ons nog werk zullen geven," zegt de officier.
Intusschen klimmen de Boeren in de gloeiende zonnehitte onophoudelijk voorwaarts. Zij versmachten van dorst, en telkens worden ze met een hagelbui van kogels begroet, maar ze geven 't niet op. Zij klauteren als klipbokken tegen de helling op; zij hangen tegen de rotswanden aan, alsof zij er een deel van uitmaken.
Nu bereiken zij een zeker punt, waar zij gedekt zijn voor het vijandelijk vuur.
Hier worden de krachten verzameld en de dorst gelescht, want het zwaarste stuk werk komt nog aan. Ook worden de Boerenkrijgers thans in drie afdeelingen gesplitst: Malan neemt den linkervleugel, Ferreira den rechter en Roos het centrum.
Roos zegt: "Onze God zal ons helpen, en wij zullen den kop nemen."
"Amen!" antwoorden de eenvoudige Boeren, en zij stormen voorwaarts.
De lange luitenant der Schotsche Hooglanders ziet hen naderen.
"Vuur!" kommandeert hij, "vuur!"
De kogels fluiten de Boeren om de ooren, maar geen oogenblik staken zij den stormloop. Zonder een woord te spreken, de tanden op elkander geklemd, vast besloten, om te overwinnen of te sterven, stormen deze Hollandsche Afrikaanders voorwaarts. Maar God de Almachtige dekt hen met een onzichtbaar schild, en de Engelsche kogels kletteren onschadelijk tegen de grijze klipsteenen.
Onrustig loopt de luitenant heen en weer. Hij vreest dat de Boeren zullen opdringen, en zullen trachten, van dezen kant den berg te beklimmen. Zijn blik zoekt naar hulp, maar de andere troepen hebben eveneens de handen vol werk, en het blijkt, dat de Boeren den berg van drie zijden omsingelen. Slechts de steilste kant, dien de Engelschen, om geen argwaan te wekken, heden nacht moesten nemen, is vrij.
"Wat zeg je nu van de vleermuizen?" vraagt de luitenant aan den sergeant, maar het antwoord wordt den sergeant letterlijk van de lippen weggeschoten, en een kogel doorboort zijn wang. Hij houdt zich vast aan een hoogen klipsteen, en tracht het hevige bloeden te stelpen, maar een tweede kogel vindt hem en strekt hem levenloos neer.
"Zoo gaat het niet," roept de luitenant, "zoo gaat het niet. Kom, jongens, wij zullen een uitval doen, en zien, of de Boeren tegen een hartig Engelsch hoera bestand zijn!"
"Hoera!" roepen de dappere Bergschotten, en zonder aarzelen springen zij hun moedigen aanvoerder na, die met den revolver in de éene, en den sabel in de andere hand, de Boeren tegenstormt.
[Illustratie: Veldkornet Stephanus Roos.]

Twee keeren zwaait hij met zijn wapen; dan valt hij, door een kogel in het hart getroffen, voorover, stort dertig voet de diepte in, en blijft daar, met den wapenrok in het struikgewas vastgehaakt, hangen.
Nu ontzinkt den Bergschotten de moed. Zij vluchten en bereiken, deerlijk gehavend, het plateau van den berg.
Eenigszins zijwaarts van een afdeeling Boeren klautert een oude Voortrekker tegen de helling op.
Van elken rotsblok, van het kleinste struikje weet hij partij te trekken. De kranigste jager van het Pruisische leger zou van dezen man nog kunnen leeren, hoe men dekking zoekt. Achter een molshoop zou hij des noods nog gaan schuilen.
Zilveren lokken omgolven zijn verweerd en door de zon verbrand gelaat, maar in zijn blauwe oogen schittert de strijdlust van den jongeling. En heel zijn houding verraadt moed, voorzichtigheid en onverschrokkenheid.
Maar plotseling blijft hij staan, alsof hij in de verte een visioen heeft gezien, om snel achter een hoogen, breeden klipsteen te verdwijnen.
Doch het is geen visioen geweest, maar een mensch van vleesch en bloed — Kees Botter.
Na den mislukten aanslag op den ouden Kloppers is hij teruggekeerd naar het Engelsche kamp, en even goed bekend met de stellingen der Boeren als met den raadzaamsten weg naar den Amajuba, heeft hij heden nacht de Engelsche troepen als gids gediend.
Ook Kees Botter heeft den ouden Kloppers herkend, en is onmiddellijk achter een klip geschuild.
Hij onderzoekt zijn uitstekend tweeloopsgeweer en brengt het in den aanslag.
Dat het een strijd wordt op leven en dood, begrijpen beiden; slechts een van hen zal de plaats levend verlaten.
In de aderen van Kees Botter gist en gloeit een haat, die geen erbarming kent, doch de grijze Voortrekker beschouwt zich hier als de Overheid, die recht zal doen, en het zwaard niet te vergeefs draagt.
Hij is alleen, doch dat hindert niet.
Zijn zwager Jansen en zijn zoon zijn in het gewoel der bestorming een eind van hem afgeraakt.
Lang blijft het stil achter beide klipsteenen, maar als een tijger ligt de verrader op de loer.
Daar wordt de rechterarm van den ouden Voortrekker plotseling zichtbaar buiten de dekking der klip, doch om pijlsnel weer te verdwijnen.
Rakelings langs de klip fluit Botter's kogel.
Ja, die verrader is een scherpschutter — wees op uwe hoede, Dirk Kloppers!
Hij is op zijn hoede.
Voorzichtig neemt hij zijn breeden hoed, zet hem op den tromp van zijn geweer, en brengt hem in die positie voorzichtig buiten den klipsteen. Nauwelijks is de hoed echter buiten de dekking der klip, of hij wordt door een kogel doorboord.
"Nu is mijn beurt gekomen," zegt Kloppers, terwijl hij overeind springt. "Hij heeft beide kogels uit zijn tweelooper geschoten, en ik zal er voor zorgen, dat hij hem niet meer laadt."
Vlug snelt hij op den verrader af.
Op tien pas afstands blijft hij staan.
De verrader is juist bezig, op nieuw te laden, doch hij ziet het gevaar en wil vluchten.
Het is te laat.
Hij staart in de oogen van den grijzen Voortrekker; ze zijn hard en onverbiddelijk als het zwaard van een scherprechter.
Hij leest in die oogen zijn doodvonnis.
"Op je knieën, verrader!" roept de Voortrekker.
"Genade!" smeekt Kees Botter. Zijn gezicht is vaal van angst.
"En doe je laatste gebed!" vervolgt de grijsaard.
"Genade!" smeekt de ongelukkige nog eens.
"Genade kan de Heiland bewijzen, Die den moordenaar in zijn laatste stonde verhoorde — roep tot Hem om genade!" zegt Kloppers.
Smeekend heft de verrader de handen omhoog.
Hij heeft meer dan eens den dood moedig in de oogen gezien; te Lang-Nek, waar een en te Schuinshoogte, waar twee Boerenkogels zijn hoed doorboorden, doch thans doet de vrees voor den dood hem klappertanden.
"Vergeef mij, baas Kloppers!" stamelt hij.
"Ik wil vergeven," antwoordt de oude Voortrekker met bijna plechtige stem; "vergeven wil ik den man, die mijn kleindochter, een ongelukkig, blind kind, met den dood heeft bedreigd; vergeven wil ik den man, die zijn weldoener in spijt van diens grijze haren wilde verminken en met waarlijk satanische boosheid folterde.
[Illustratie: Tweegevecht op den Amajuba. TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]

Doch niet vergeven mag ik het verraad, dat gij aan mijn volk, en den moord, dien gij aan Teunis Smit hebt gepleegd. Ik sta hier niet voor u als uws gelijke, Kees Botter, maar als uw meerdere, als uw overheid, die het verraad en den moord moet straffen."
En met de majesteit van den rechter richt hij zich op vóór den verrader.
Botter werpt een blik achterwaarts naar de Engelsche troepen, doch hij ziet duidelijk, dat van dien kant geen hulp is te wachten.
Hij knielt. Hij vouwt de handen en sluit de oogen.
Bidt hij? Of is het slechts een schijnvertooning?
Plotseling snelt hij overeind, en het scherpe dolkmes trekkend, springt hij met de vlugheid van een panter op zijn tegenstander aan. Maar de kogel van Dirk Kloppers vangt hem op, en vlak vóór de voeten van den grijzen Voortrekker stort de verrader, zonder een zucht te slaken, dood neer.
Slechts éénen blik werpt de oude Boer op het lijk. Dan laadt hij op nieuw en snelt voorwaarts, naar den kruin van den berg, want de beslissing nadert.
In zware kruitdampen is de bergtop gehuld.
Reeds lang is de lach verdwenen van Colley's gelaat. Al bezorgder staart zijn oog — bange voorgevoelens gaan door zijn ziel.
Hij werpt een blik op zijn dappere soldaten — bij tientallen liggen zij gewond en stervend in 't rond. Door de schietgaten heen heeft de kogel der Boeren hen weten te vinden.
Binnen een half uur, binnen een kwartier kunnen zij boven den rand van den bergtop verschijnen, en dan?
Maar nog éénmaal vermant zich het krijgsmanshart van den moedigen bevelhebber, en terwijl de eerste breede hoeden boven den bergrand verschijnen, kommandeert hij een bajonet aanval.
Op de punt van de bajonet zal hij de vermetelen in de diepte slingeren — tot op twintig pas naderen de Engelschen hun vijanden, doch dàn moeten zij, om niet geheel vernield te worden, terug.
Reeds nestelen zich de Boeren onder aanvoering van veldkornet Roos op den bergtop achter de klipsteenen; nu verschijnen ook de manschappen van Ferreirra, en aan de andere zijde de manschappen van Malan.
Van drie zijden ziet Colley de Boeren aankomen. Zij gaan van achter de klipsteenen weg, en het open terrein betredend, fluiten hun kogels dicht als hagel over het plateau.
Colley grijpt met de rechterhand den revolver, en de linker hand heft hij omhoog, om den storm te bezweren, die niet te keeren is.
Als rijpe korenaren onder den sikkel van den maaier, zoo vallen de Engelschen.
Er is geen hulp in dezen strijd — er is geen verweer. God zelf strijdt voor de Boeren, en wie is tegen God bestand?
Colley ziet het ongeluk aankomen, doch hij ziet het te laat. Hij neemt den witten zakdoek uit zijn wapenrok, om hem aan een bajonet te binden, want hij wil zich overgeven. Maar hij bereikt zijn doel niet meer. Door twee kogels tegelijk in het hoofd getroffen, zakt hij doodelijk gewond ineen. Hij legt den zakdoek op een harden klipsteen naast zich; daarop legt de generaal het hoofd.
Die zakdoek is zijn stervenspeluw.
In een wilde vlucht zoeken de Engelschen hun heil. Zij schuiven, springen, storten van hoogten van tien tot twintig, dertig voet naar beneden, scheuren zich het gelaat open aan de scherpe doornstruiken, vallen te pletter tegen de kantige klipsteenen, sneuvelen onder het moordend schot der Boeren...
Achter een klip vinden de Boeren een Engelschman in burgerkleeding. Hij was oorlogscorrespondent van een Engelsch dagblad, en bevend smeekt hij om zijn leven. Maar de Boeren zijn geen beulen, en tegenover een overwonnen vijand zijn zij steeds edelmoedig.
Zij brengen den correspondent bij een gesneuvelden hoofdofficier, dien zij niet kennen.
"Wie is dat?" vragen zij.
"Dat is generaal Colley," zegt de man.
Bij deze mededeeling ontblooten de helden van den Amajuba eerbiedig het hoofd, en scharen zich in een kring om den generaal.
Zoo eenen zij hun dapperen tegenstander, maar de dood van generaal Colley verkondigt aan de geheele wereld, dat het Transvaalsche volk: geen schennende hand aan zijn vrijheden duldt.
Maar de Engelschen houden geen stand. De schrik zit er in, en zij vluchten, door de Boeren vervolgd, naar het oude kamp.
Tot op honderdvijftig pas zijn de Boeren nu, onder het onophoudelijk kanonvuur, het kamp genaderd, en zij maken zich gereed, om het te bestormen. Maar plotseling verduistert zich de lucht; zware onweerswolken trekken laag over de bergen, en terwijl het hemelvuur niet meer van de lucht verdwijnt, wordt het gewoel van den strijd door de ratelende donderslagen en den losbarstenden storm overstemd.
De Boeren breken thans het gevecht af, en in zegepraal keeren zij naar hun lagers terug.
En op de hoogten en langs de hellingen van den Amajuba-berg liggen, bleek en stom, de wakkere Bergschotten, en nooit zullen zij hun geliefde hooglanden terugzien!
Het Engelsche dagblad "Witness" ontving van haar correspondent over het gevecht van den Amajuba het volgend telegram:
"27 Februari half drie uur n. m. Onze manschappen met groot verlies aan beide zijden van den berg verjaagd. Vele officieren, eenigen van hoogen rang, gedood en gewond.
Drie uur. Onze manschappen, die vrij kwamen, worden op slechts honderd geschat. De Boeren vielen den berg viermaal aan, en spanden de wagens in, gereed om weg te rijden, toen onze troepen genoodzaakt waren, terug te trekken, aangezien er niet voldoende reserve-ammunitie was medegenomen. Al de gewonden komen. Men zegt, dat generaal Colley dood is. Het verlies van de Engelschen driehonderd ten volle; het verlies der Boeren naar het schijnt gering. Al de stafofficieren zijn gebleven. Het regent sterk. De gewonden lijden zwaar. Er wordt een aanval op het kamp verwacht. Latere berichten bevestigen den dood van generaal Colley; op het einde van het gevecht werd hij door het hoofd geschoten. De soldaten van het 60ste regiment schijnen goed in het kamp teruggekomen zijn, maar de Hooglanders en de manschappen van het 68ste zijn meest allen gedood. Toen de soldaten geen ammunitie meer hadden, hebben zij de Boeren met steenen geworpen, maar eindelijk werden zij toch overmeesterd. Generaal Wood vertrekt uit Maritsburg, om dadelijk het opperbevel over te nemen."
Dat geen ammunitiegebrek, zooals in het aangehaalde telegram wordt beweerd, de oorzaak der verpletterende nederlaag was, blijkt duidelijk uit het feit, dat de Boeren nà den slag nog een groote hoeveelheid Engelsche patronen buit maakten, doch de Engelschen begrepen niet, hoe zoo'n nederlaag anders mogelijk was.
De dappere Ferreira begreep het echter wel.
"Ik moet bekennen," meldde hij in zijn rapport, "dat wij de Engelschen niet geslagen hebben, maar God de Heere.
Het was voor menschen onmogelijk. En dan maar één man aan onzen kant te verliezen! Dus geen eer aan menschen; aan onzen grooten Generaal hier boven komt de eer toe!"
In dienzelfden geest luidde het rapport van den Generaal-kommandant.
En als een waardig slot verscheen van de regeering de volgende schoone, tot het hart sprekende dagorder:
"Heidelberg, Gouvernementshuis, 7 Maart 1881.
Aan den Kommandant-Generaal, de Kommandanten, Officieren en Burgers in het Transvaalsche Lager bij de Drakensbergen.
Mannen, Broeders! — Ons hart dringt ons, u een woord toe te spreken. Wij weten, dat de geheele Zuid-Afrikaansche Republiek met eerbied en dank naar u opziet. Wij roemen niet in kracht van menschen. Het is God de Heere, Die u heeft geholpen; het is de God onzer vaderen, tot Wien wij nu vier jaren lang om redding hebben gesmeekt en gebeden. Hij heeft groote dingen aan ons gedaan en onze gebeden verhoord.
En gij, edele en moedige broeders, zijt in Zijne hand het middel geweest, om ons te redden; uw moed en dapperheid hebben aan die machtige mogendheid, welke ons zoo onrechtvaardig aanvalt, getoond, dat zelfs het zwakste volk, dat voor zijn vrijheid vecht, in staat is, wonderen van dapperheid te verrichten.
Drie maal nu, op Lang-Nek, op Schuinshoogte en op den Spitskop (Amajuba) hebt gij met uw klein vuur een overmachtigen vijand staande gehouden en verslagen. Geen kanonnen, geen verraderlijke en afschuwelijke vuurpijlen hebben u afgeschrikt.
Uw Kommandant-Generaal schrijft, niet sprekende van zich zelf, (hij is te edel, om zich zelf te roemen), neen, sprekende van officieren en zeer jonge krijgslieden: "Mijne achting voor hen is groot; hun naam behoeft in heldenmoed niet onder te doen voor een Wellington of een Napoleon. Wij zeggen het Z.Ed.Gestrenge na, maar maken het algemeen, van den Kommandant-Generaal tot elken Burger, die streed: Wij danken u; gij hebt veel aan het vaderland verdiend!
Houdt vol tot het einde toe! Die God, Die het hart der koningen leidt als waterbeken, zal ons verlossen — vertrouwt op Hem!
De Regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek.
W. EDUARD BOK,
S. J. P. KRUGER,
Staats-Secretaris
.
Vice-President
"
HOOFDSTUK XXV.
Het was de Boeren tot nog toe wonderlijk meegeloopen. Bij het begin van den veldtocht hadden zij aan alles gebrek, en geen ammunitie genoeg, om een gevecht eenige uren vol te houden, en nu heerschte er in de Boerenlagers overvloed aan ammunitie, levensmiddelen en kleedingstukken, alles op den Engelschman buit gemaakt.
Doch ook de burgers, die thuis waren gebleven, zaten niet stil. Jan Ferreira van Gatsrand maakte een groote hoeveelheid kruit, waarvan de kwaliteit zeer werd geroemd, en patronen, die met het Engelsche fabrikaat konden concurreeren, terwijl de smid H. Ras te Rustenburg van wagenbandijzer een kanon smeedde, dat goed schoot, en vervolgens aan een rifle-kanon begon.
Intusschen kwam er een formeele wapenstilstand tot stand, en vele harten smeekten tot God om een eervollen vrede. Met bekwamen spoed werden ook de vredesonderhandelingen aangeknoopt, doch er kwam een plotselinge stremming, daar Engeland eischen stelde, die de Transvaalsche regeering onmogelijk kon inwilligen.
Op nieuw verduisterden de oorlogswolken de lucht.
"Dat houd ik niet langer uit," zeide Lodewijk Jansen, terwijl hij zijn forsche wenkbrauwen fronsde; "de Engelsche staatslui zullen ons te glad af zijn in de politiek, en wij liggen hier werkeloos in ons lager. Laten wij den stier bij de horens grijpen, en het Engelsche kamp bestormen!"
"Dat is goed gezegd," riepen een aantal Boeren, die in de nabijheid stonden.
"Wie doet er mee?" vraagde Jansen op luiden toon.
"Wij! En wij! En wij!" klonk het in het rond.
"En ik wil niet de laatste zijn!" zeide de jonge Jan Kloppers, terwijl zijn blauwe oogen begonnen te schitteren van geestdrift.
"En gij?" vraagden de Boeren, zich tot zijn vader wendend.
"Me dunkt," zeide de grijze voortrekker, "dat mijn hand nog sterk genoeg is, om den Engelschen standaard naar beneden te rukken!"
"Hoera!" riepen de Boeren.
"Maar laten wij niet vooruit loopen op den gang der onderhandelingen," voegde hij er aan toe op bedachtzamen toon; "onze voormannen hebben getoond, goed en bloed over te hebben voor ons volk, en wij mogen hun plannen niet doorkruisen."
"Dat is een verstandig woord," zeide Lodewijk Jansen, "maar geeft generaal Wood ons de onafhankelijkheid niet terug, dan zullen wij stormen, niet waar mannen?"
"Ja," riepen ze, "dan zullen wij het Engelsche kamp bestormen!"
"Want wij zijn voor generaal Wood evenmin bang als voor generaal Colley," zeide de jonge Kloppers.
"Laten wij het elkander als mannen beloven," zeide Jansen, de krachtvolle Voortrekker, "met woord en handslag — houw en trouw in nood en dood! In den strijd voor vrijheid en recht!"
Toen beloofden zij het elkander bij woord en handslag. Maar de Transvaalsche regeering ontwierp met het oog op den dreigenden toestand eene nieuwe proklamatie, die bij het ontbranden van een nieuwen oorlog onder de Hollandsche Afrikaanders van de Kaapkolonie en van Natal zou worden verspreid.
Het is de zoogenaamde "Derde Proklamatie"; zij tintelde van ernst, gloed en verontwaardiging.
Zonder twijfel zou deze proklamatie bij de spanning, die er heerschte in de Afrikaansche gemoederen, heel Zuid-Afrika in vuur en vlam hebben gezet. En President Brand, de even schrandere als voorzichtige President van den Oranje-Vrijstaat, van wien het gevleugelde woord afkomstig is: "Alles komt terecht," stelde, van den inhoud der proklamatie op de hoogte gesteld en zich volkomen bewust van het hoogernstige van den toestand, alle middelen in het werk, om nog tot een vreedzaam vergelijk te komen.
HOOFDSTUK XXVI.
In den morgen van den 15den Maart verscheen Paul Kruger in het Boerenlager van het Drakengebergte.
Het was een heerlijke morgen; de zon scheen aan den onbewolkten hemel, en alles beloofde een schitterenden zomerdag.
Achthonderd Boeren gingen Kruger als een eerewacht tegemoet.
In de linkerhand hielden zij den teugel, en in de rechterhand, rustend op de rechter dij, het geweer.
In onberispelijke orde trok de eerewacht, met de oude Boerenvlag voorop, de hoogte op tot vóór de groote generaalstent van den Kommandant-Generaal. De vierkleur wapperde in den frisschen noordewind zoo vroolijk, alsof zij van zelf tegen de hoogte zou opgaan, en de damp uit de neuzen der paarden was duidelijk zichtbaar.
Nu werd halt gehouden, en Paul Kruger nam, op een verhooging plaats nemende, onder eene ademlooze stilte het woord.
"Mannen, Broeders," zeide hij met bewogen stem, "ik ben zoo recht verwonderd en verbaasd over de trouw, standvastigheid en geestkracht, waarmede gij burgers zijt bezield geweest. Voorts vermaan ik u, om toch steeds op God te vertrouwen, en te erkennen en te weten, dat God met ons werkt. Niet door onze dapperheid of kracht hebben wij dezen wonderbaren strijd gewonnen, maar wij moeten het erkennen, dat het de Heere was, Die voor ons heeft gestreden. En nu moedig ik u aan, om niet bij dat erkennen te blijven staan, maar alles aan den Heere over te geven, al uwe bekommernissen voor de toekomst Hem op te dragen, en aan Hem uwe geloften te betalen."
Op een wenk van den spreker nam nu Ds. Ackerman het woord, die de Boeren opriep, met hem in te stemmen in den kreet: "God zegene onze Republiek!"
Tot drie keeren toe werd de kreet vol geestdrift herhaald, en op den uitdrukkelijken wensch van Piet Joubert werd er met niet minder warmte, tot drie malen toe, aan toegevoegd: "God zegene geheel Zuid-Afrika!"
Nu wendde zich de Kommandant-Generaal tot de burgers, dankte hen voor hun vaderlandsliefde, en verzocht hen, zich thans van de generaalstent te verwijderen, daar de voormannen nog een zwaren en hoogst verantwoordelijken arbeid voor zich hadden.
Zonder morren trokken zich de Boeren onmiddellijk terug. Halverwege tusschen het Engelsche en het Boeren-kamp stond de groote tent, waar de vredesonderhandelingen werden gevoerd.
Het Engelsche gouvernement was vertegenwoordigd door generaal Wood en vier leden van zijn staf; het Transvaalsche gouvernement door de leden van het driemanschap: Paul Kruger, Piet Joubert en M. J. Pretorius, alsmede door een viertal aanzienlijke burgers, terwijl president Brand als vriend van beide partijen aan de beraadslagingen deel nam.
De conferentiën duurden van 16 tot 23 Maart, en dank zij de gematigdheid der Transvaalsche voormannen, het beleid van president Brand en de ontegenzeggelijk milde houding der Engelsche regeering, werden tot blijdschap van alle voor de Boeren kloppende harten, de onderhandelingen met een gunstig gevolg bekroond en in den avond van den 23sten Maart 1881 de vrede gesloten.
Het Transvaalsche volk herkreeg de zoo vurig begeerde staatkundige vrijheid, doch Engeland bedong voor zich het laatste woord, zoo de Zuid-Afrikaansche Republiek betrekkingen wilde aanknoopen met het buitenland.
Dus verkregen de Boeren niet alles, wat zij wenschten, maar toch dat, waarvoor zij hun bloed hadden gestort, namelijk volkomen onafhankelijkheid in eigen huishouding, en de oude Dirk Kloppers zeide, met het oog op het jonge Transvaal, op vroolijken toon: "Er moet later voor de jongeren ook nog wat werk aan den winkel blijven."
"Al de lagers worden opgebroken, de wagens ingespannen, en de Burgers verschijnen te tien uur marschvaardig vóór de groote generaalstent van den Opperbevelhebber!"
Met deze order worden de Boeren in den vroegen morgen van den volgenden dag, Woensdag 24 Maart, verrast.
Intusschen zijn Roos, Malan en Ferreira, de drie wakkere aanvoerders bij de bestorming van den Amajuba, boven op den kop van den berg verschenen, waar zij volgens afspraak den opperbevelhebber van het Engelsche leger, generaal Wood, met zijn staf ontvangen.
De generaal bezoekt de plek, waar de Bergschotten werden vernietigd, en vraagt eenige inlichtingen omtrent het verloop van het gevecht, die hem bereidwillig worden verstrekt.
Zoo daalt men neder van den hoogen berg en begeeft zich naar de generaalstent van Piet Joubert, terwijl de weg daarheen, aan beide zijden drie dicht aaneengesloten rijen diep, is afgezet door 2500 Boeren te paard in hun gewone velduitrusting: de gevulde bandelier over de borst, en het geweer rustend op de rechter dij.
Paul Kruger bevindt zich in de tent, doch generaal Joubert staat vóór de tent, om den hoogen bezoeker te ontvangen.
Met ernstige blikken nemen de Boeren over de koppen van hun paarden den Engelschen generaal op, van wiens beleid en onverschrokkenheid zij reeds zooveel hebben gehoord. Maar hij wandelt met zijn schitterenden staf van officieren tusschen hun rijen door, en ontbloot zijn hoofd voor de dappere wacht van het Drakengebergte.
Vóór de generaalstent wordt hij ontvangen door Piet Joubert, en beide bevelhebbers drukken elkander welgemeend en oprecht de hand.
Nu monstert Wood de Boerentroepen, en vorschend gaat zijn blik over die gelederen, waar hij naast den baardeloozen jongeling den grijsaard ziet, tot zijn oog blijft hangen aan een jongen, die, met den gevulden bandelier over de borst en het geweer in de hand, dicht in zijn nabijheid staat.
Hij wendt zich tot den jongen, en vraagt hem naar zijn ouderdom.
"Dertien jaar, baas," antwoordt de jongen.
Hij verwondert zich over dien jeugdigen leeftijd.
Nu neemt hij het geweer en den bandelier van den jongen, weegt het te samen op zijn handen en verwondert zich nog sterker.
"Is dat geweer je niet te zwaar, ventje?" vraagt hij op vriendelijken toon.
"Niks te zwaar," antwoordt de jongen; "ik kan er de Roodbaatjes zoo lekker mee schieten."
"Pas op!" zegt de generaal, en hij heft den vinger schertsend omhoog, "weet jij wel, dat ik ook een Roodbaatje ben?"
"Ik weet het," antwoordt de jongen; "doch wees maar gerust, baas, ik zal je nou geen kwaad doen, want het is vrede."
"Kom, dat is eene heele troost voor mij," lacht de generaal, en hij reikt den jongen op de hem eigen innemende manier de hand.
Intusschen is er in de generaalstent een koud middagmaal gereed gemaakt, en de tafel is versierd met ruikers van prachtige gele en roode bloemen, langs de hellingen van den Amajuba geplukt. Hier vereenigen zich de gasten, terwijl Paul Kruger en Piet Joubert de gastheeren zijn.
Er heerscht aan tafel een prettige, gezellige toon, en snel is een uur verstreken. Nu neemt generaal Wood met zijn officieren een hartelijk afscheid, en vertrekt, door een eeregeleide der Boeren een eind weegs vergezeld, terug naar zijn kamp.
Maar Kruger, Joubert en Pretorius, de leden van het driemanschap, wenden zich tot hun volk, danken hen voor de onvergetelijke diensten, in bange uren aan het vaderland bewezen, prijzen hun moed en hun lijdzaamheid in de moeilijkste omstandigheden, herinneren hen aan de weldadigheden des Heeren en de treffende gebedsverhooringen, en vermanen hen, om God de eere te geven der zegepraal, en met een vast voornemen des harten te wandelen in Zijne inzettingen.
En nu is het oogenblik van vertrekken aangebroken.
Het Boeren-kommando zal, na een veldtocht van drie maanden, huiswaarts keeren.
Reeds staan de wagens in drie rijen naast elkander gereed om te vertrekken.
De jukken stootten tegen de harde hoornen der trekossen, de lange zweepen klieven de lucht, de stijgbeugels rammelen, luide klinken de kommando's, de ossen buigen den sterken nek, en knarsend, krakend en stampend zetten zich de tweehonderd zeventig ossenwagens in beweging.
De wagens vormen de voorhoede, en achter hen aan komen, in gesloten gelederen, op hun vlugge, taaie, trappelende paarden, de helden van Bronkhorstspruit en Lang-Nek, van Schuinshoogte en Amajuba.
Zij trekken voort zonder geschal of rumoer; kalm, bedaard en ernstig. Maar in hun oogen blinkt ingehouden, mannelijke vreugde, en de blanke loop hunner geweren schittert in de namiddagzon.
En boven op een berghoogte staat, in den kring zijner officieren, de opperbevelhebber van het Engelsche leger.
Hij leunt op zijn sabel, en hij oogt de vertrekkende Boerenkrijgers na.
En zij heffen het moedige psalmlied aan:
"Als God mijn schild en hulp wil wezen, Wat zou een nietig mensch mij doen?"
En de wind neemt de toonen op van het lied, en draagt het tot de berghoogte, waar hij staat, de dappere generaal Wood.
En zijn gelaat neemt een peinzende houding aan, en niemand zijner officieren spreekt een woord.
Maar als de stofwolken in de verte oprijzen, en ros en ruiter voor zijn oogen verdwenen zijn, wendt hij zich tot zijn staf en zegt, de handen naar het noorden uitstrekkend: "Mijne Heeren, daar gaan de helden van Zuid-Afrika!"
En hij knoopt den rooden wapenrok dicht, want het begint koeler te worden, en zwijgend keert hij met zijn staf naar het Engelsche kamp terug. En de passen van het Drakengebergte, de poorten der Transvaal liggen eenzaam en verlaten.... En de trouwe wacht van het Drakengebergte spoedt huiswaarts, naar vrouwen en kinderen, want geen vijand bedreigt meer de poorten des lands....
HOOFDSTUK XXVII.
Wij hebben den gewonden Engelschen infanterist Charles Marling, in den avond van den 28sten Januari onder de hoede van Dirk Kloppers in een wagen van gekwetsten bij den Lang-Nek achtergelaten.
De wagen was den volgenden dag noordwaarts getrokken de Transvaal in, om de gewonden zoo mogelijk bij de hunnen terug te brengen.
Eén der geblesseerden behoorde thuis in de buurt van "Vredenoord", en dit had Dirk Kloppers doen besluiten, om den gewonden soldaat aan zijn vrouw ter verpleging te zenden.
Hij had er een brief bijgevoegd, dien de voerman af zou geven, en waarin met betrekking tot den gekwetste het volgende stond te lezen:
.... "Gisteren avond vonden wij een Roodbaatje, die in het gevecht een kogelwond aan het hoofd heeft gekregen, en die door bloedverlies bewusteloos was geworden. Wij hadden hem wel naar het Engelsche kamp kunnen zenden, maar ik denk, dat die kogelwond een langdurige en zorgvuldige verpleging zal noodzakelijk maken, en ik vrees, dat de Engelsche dokters, die de handen meer dan vol hebben, daaraan niet zullen kunnen beantwoorden. En daarom zend ik het Roodbaatje aan jou, Anneke!
Hier kwam van morgen een erg geleerd man in ons lager en zeide: "Wat ben jullie Boeren toch rare menschen! Eerst schiet je de Engelschen zooveel mogelijk dood, en later, als het gevecht over is, doet ge je best, om de Engelschen, die nog niet heelemaal dood zijn, met kunst- en vliegwerk op te knappen. Dat begrijpt ik niet!" Maar je broer Lodewijk antwoordde hem: 'Jij bent te geleerd, om dat te begrijpen, mijnheer, en daarom moet je maar in je eigen sop gaar kooken!'
Dus denk maar goed om het gekwetste Roodbaatje, lieve vrouw, en wij willen hopen, dat hij moge genezen, en nog tot iets beters moge worden opgeleid dan tot het dooden van menschen, wier eenige misdaad het is, dat zij geen onderdanen willen zijn van de Engelsche koningin!"
De brief bereikte even als de wagen met den gekwetste de oude vrouw Kloppers, en terwijl zij zich verblijdde over het goede nieuws, dat de brief bevatte, verwonderde zij zich toch over het gewonde Roodbaatje.
Maar zij was een gulle, hartelijke, Afrikaansche vrouw, en zij zeide: "Wat mijn baas doet, is nog altijd goed uitgekomen." En zij spoedde zich naar den ossenwagen, en haar hart werd vervuld met medelijden, toen zij in het holle gelaat van den gewonde staarde. Snel riep zij eenige Kaffers, die den gekwetste voorzichtig naar boven droegen, en in het kamerke van Jan, in de bruine houten bedstede, werd hij op een zacht, veeren bed behoedzaam neergelegd.
Vrouw Kloppers onderzocht nu de wond, bette ze zorgvuldig met versch koud water, belegde ze met linnen pluksel en legde een nieuw, stevig verband.
Zij deed dit met vlugge, vaardige hand, zooals een huismoeder het heeft geleerd, die haar gansche leven heeft geworsteld met de gevaren en de wisselvalligheden der Afrikaansche wildernis.
Intusschen had zij één der Kaffermeiden reeds gelast, om een krachtige bouillon gereed te maken, doch de gewonde staarde haar aan, met den koortsgloed in de oogen.
Hij wierp zich rusteloos van de ééne zijde op de andere; hij was inderdaad zeer ziek.
Met een ernstig gelaat zette zich moeder Kloppers bij den vreemdeling neer, en het bord bouillon, dat de Kaffermeid bracht, schoof zij zwijgend ter zijde.
Zij deed zelfs geen poging, om den zieke te doen eten, doch nu en dan verkwikte zij zijn brandende lippen met een teug water.
Het werd namiddag — zij zat nog bij de ziekensponde. Het werd avond — zij zat er nog.
Zij liet zich het eten boven brengen, en op een fluisterende vraag van haar kleindochter Lena antwoordde zij: "Hij krijgt een harde koorts; ik blijf van nacht bij hem op."
En zij deed het.
Bij het sobere licht eener brandende vetkaars hield zij den ganschen nacht de wacht, en met de liefde en het geduld der echte ziekenverpleegster lette zij op de geringste beweging van den koortslijder.
Maar de koorts klom, en die ingevallen kaken begonnen te gloeien met een bedriegelijk rood. Zijn onrust nam toe, en het scheen, alsof zijn geest, door furiën werd voortgezweept.
Onophoudelijk wendde zich zijne blik naar het houten beschot aan zijn voeten, en het scheen, alsof hij daar schrikwekkende visioenen zag. Maar plotseling kon die angst en vertwijfeling, die hem bezielde, overgaan in een groote diepe droefheid, en de toon, waarop hij in die oogenblikken uitriep: "Mijn arme moeder, wat is er van uw kind geworden!" had iets onbeschrijfelijk treurigs.
"Als hij maar tot rust konde komen!" zuchtte moeder Kloppers, terwijl zij den zieke koude compressen met water op het hoofd legde, maar ach! daar haperde het aan!
Tegen den nanacht nam het ijlen nog toe, en de verpleegster had handen vol werk, om den koortslijder in bed te houden.
"Nog één zoo'n koorts, en hij is weg," steunde zij, en zijn beurtelings geroep om zijn moeder deed de teederste snaren trillen van haar eigen moederhart.
Zij was diep bewogen en wischte het klamme zweet van zijn gelaat.
En zij knielde vóór de bruine bedstede neder, smeekte dringend en ernstig om de genezing van dezen vijand van haar volk.
En God verhoorde dat gebed.
Plotseling vloog hij overeind, en de koorts schudde hem als een espenblad.
Toen viel hij machteloos neer en sloot de oogen.
Moeder Kloppers voelde in ongewone spanning zijn pols, en langzaam verhelderde zich haar gelaat.
"Er komt hoop!" fluisterde zij tot zich zelven, en luisterend zette zij zich aan het hoofdeinde neder.
De vreemdeling lag daar als een schijndoode; dat deed de uitputting. Men kon nauwelijks merken, dat hij ademhaalde, maar moeder Kloppers zeide: "Hij slaapt, en die slaap zal hem genezen."
Zij kortte haar nachtrust in, om zooveel mogelijk haar tijd den koortslijder te kunnen wijden. Zij vermaande hare huisgenooten tot de grootste stilte, en gaf in alles het goede voorbeeld. Telkens moest zij denken aan die arme moeder in het verre Engeland, van wie hij had gesproken in zijn ijlen, en een groot en diep medelijden vatte post in haar hart. Zij bevochtigde nu en dan zijn heete, verschroeide lippen met eenige druppels wijn, en op de geringste zijner bewegingen lettend, zat zij daar aan zijn ziekensponde als zijn goede engel.
Twee keeren sloeg hij even de oogen op, doch om ze onmiddellijk weer te sluiten.
Eenige dagen later, op zekeren namiddag, toen het bedrijf de afwezigheid van moeder Kloppers noodzakelijk maakte, had Lena de plaats van haar grootmoeder ingenomen.
Zij was in haar handwerk en in haar gedachten verdiept, en zij merkte het niet, dat de zieke haar reeds eenige minuten met groote, verwonderde oogen lag aan te staren.
Vervolgens staarde hij naar boven, naar de lage, ruwe zoldering, en naar buiten, naar het dichte, ruischende loover van den lindeboom, vlak vóór het kleine venster.
Hoe stil, hoe gezellig en vredig was dit eenvoudig kamerke! En nu en dan brak het zonnelicht door het lichte loover van den lindeboom heen, en straalde als goud in het kleine vertrek.
Hij wreef zich peinzend het voorhoofd. Er was een gaping in zijn herinnering, die hij trachtte aan te vullen, en nadenkend staarde hij op zijn bleeke, uitgeteerde vingers. Nu eerst kwam een vermoeden in hem op van de zware ziekte, die hij had te doorworstelen gehad, en hij herinnerde zich den hotsenden ossenwagen, waarmede hij was vervoerd geworden.
Doch hoe hij hier, in deze bedstede, was gekomen, kon hij zich niet meer herinneren, want toen had de ijlkoorts hem reeds te pakken gehad.
Nu trachtte hij zich op te richten, maar machteloos viel hij terug in het veeren kussen. Doch Lena had met haar scherp gehoor begrepen, wat hij wilde, en zij zeide op hare innemende, bevallige manier: "Is onze patient eindelijk wakker?"
"Ja," zeide hij; "heb ik lang geslapen?"
"Ja, een heele tijd," antwoordde zij op vriendelijken toon.
"Waar ben ik eigentlijk?" vraagde hij met klimmende verbazing.
Zij deelde het hem mede.
"Ge zijt vriendelijke menschen," zeide hij bewogen; "ik ben u veel, veel dank verschuldigd," en hij strekte zijn magere uitgeteerde handen uit.
Doch zij bemerkte dit niet.
"Hebt gij mij opgepast?" vraagde hij.
"Neen," zeide ze, "mijn grootmoeder."
"Kijk, daar hangt mijn roode uniform," riep hij; "daar, tegen den muur."
Het scheen hem goed te doen, dat hij iets bekends zag.
"En mijn helm en mijn sabel! Maar wat hangt daar toch naast?"
"Ik weet het niet," antwoordde zij; "ik kan niet zien."
"Waarom niet?" vraagde hij verwonderd.
"Ik ben blind," antwoordde ze.
"Ach," zeide hij, "blind!"
"Maar moet ge niet wat te eten hebben?" vraagde Lena bezorgd.
"Nu," antwoordde hij met een hongerigen blik uit zijn diepliggende oogen, "ik lust wel wat!"
"Dan zullen wij je helpen," zeide Lena op vroolijken toon, en zij liep voorzichtig de trap af.
Het duurde niet lang, of zij kwam met grootmoeder terug.
Moeder Kloppers had reeds een bord soep meegebracht.
Zij kruiste de armen over elkander en zeide: "Zoo Roodbaatje, begin je honger te krijgen? Daar ben ik blij om. Hier heb ik al wat goeïe kost meegebracht, hoor," en zij stutte het kussen in zijn rug.
En terwijl zij het bord vasthield, greep hij haastig naar den lepel en begon te eten.
Maar zij verwonderde zich zeer, keek hem aan met strakken blik en zeide: "Bid je niet voor den eten?"
"Neen," antwoordde hij verlegen.
"En hebben je ouders je dan geen bidden geleerd?" ging zij voort.
"Ja," zeide hij met klimmende verlegenheid.
"En waarom bid je nu dan niet?" vraagde ze in groote verbazing.
"Ik kan niet meer bidden," zeide hij treurig; "ik heb het verleerd."
"Ach, dat is erg," zuchtte de oude vrouw, en ook Lena zuchtte.
Zij waren beiden bedroefd. Het was, alsof de zon, die pas na een aantal sombere dagen op nieuw begon te schijnen, plotseling door een zwarte, duistere wolk werd onderschept.
Charles Marling voelde die droefheid. Tegen harde, scherpe woorden ware hij bestand geweest, maar tegen deze droefheid had hij geen verweer.
Zwijgend nuttigde hij zijn bord soep en legde zich neder. Ware hij alleen geweest, dan had hij misschien zijn handen gevouwen, om te danken, doch nu wilde hij het niet doen, om den schijn van huichelen te vermijden.
Doch moeder Kloppers en haar kleinkind namen het anders op, en deze dag eindigde recht treurig op "Vredenoord".
En Charles Marling voelde zich diep ongelukkig.
HOOFDSTUK XXVIII.
De vreemdeling zit voor den eersten keer onder den lindeboom.
Hij is in gewone Boerenkleeding; in plaats van de roode uniform draagt hij den blauwen kiel.
Zijn wangen staan nog hol, en diep liggen de oogen in hun kassen. Hij heeft veel geleden.
Over zijn moeder heeft hij na zijn ijlen niet meer gesproken. Trouwens hij spreekt zoo weinig mogelijk.
Het beste kan het de blinde Lena nog met hem vinden.
Hij is ongelukkig door zijn verleden, en zij door hare blindheid — dat schijnt onbewust een geheimzinnigen band te vormen.
Droomend gaat zijn blik over den tuin en den boomgaard, over de golvende maïsvelden en de groene, schemerende heuvelen aan den horizon.
Liefelijk strekt zich het landschap met zijn tallooze bloemen uit voor zijn blik, maar zijn oog glijdt er onverschillig over heen.
Zijn geest is er niet bij. Zijn geest staart op zijn vervlogen leven — een diep treurig, verloren leven.
En op den achtergrond ziet hij een treurende, schreiende weduwe, die haar zoon beweent — en die zoon is hij.
Lena zet zich in zijn nabijheid neder. Hier, in de schaduw, heerscht een aangename koelte. Daar binnen, in huis, is het heet.
"Wij zijn beiden ongelukkig," zegt hij na een langdurig zwijgen.
"Dat gij ongelukkig zijt," zegt zij, "vermoed ik, maar dat blindheid een vreeselijk ongeluk is, dat weet ik."
"Zijt ge blind geboren?" vraagt hij met eenige belangstelling.
"Neen," antwoordt ze, "maar ik heb een ziekte op mijn oogen gekregen, en zoo ben ik blind geworden."
"Kreegt ge de ziekte op beide oogen tegelijk?"
"Neen," zegt ze; "ze ging over van het ééne oog op het andere."
"En hoe lang is dat geleden?" vraagt hij met ongewone belangstelling.
Zij deelt hem het verloop der ziekte mede.
"En heeft uw familie nooit een bekwamen oogarts geraadpleegd?" vorscht hij.
"Neen," antwoordt het eenvoudige meisje; "hoe heeft ze dat gekund? Wij leven hier in zeer bewogen tijden, en dan komt er niets van."
"Maar zou ik dan nog genezen kunnen worden?" vraagt zij met blijde verrassing in haar stem.
"Ik weet niet," zegt hij, "maar ik heb er wel eens van gehoord. In Londen — daar zou 't misschien gaan."
"Daar zal ik nooit komen," zegt zij treurig.
"Ik denk het ook niet," zegt hij, en hij haalt de schouders op.
Er volgt een langdurige pauze.
Een groote Ulmer dog komt met langzame schreden aanloopen, en vleit zich neder aan de voeten van zijn meesteres.
Van de groote duiventil achter het huis klinkt het gekir der duiven, en in den bloementuin gonzen de bijen.
Charles Marling wendt zich op nieuw tot het meisje, maar zij kijkt hem verwonderd aan, want zij begrijpt zijn spraakzaamheid niet.
"Ik ben ongelukkig," zegt hij; "ongelukkiger dan gij."
"Dat weet ik niet," zegt ze.
"Veronderstel eens, dat ge je moeder op het hart hebt getrapt, is dat niet erger dan blindheid?" vraagt hij.
"Ja," zegt ze, terwijl zich hare glanslooze oogen op hem richten, "dat is erger."
"En hebt gij dat gedaan?" vraagt ze op ernstigen toon.
"Ja," zegt hij, "dat heb ik gedaan."
En nu komt het er uit, wat hem foltert dag en nacht: in eens, plotseling, hartstochtelijk, als een opschuimende fontein. Hij vertelt, hoeveel smart hij zijn moeder heeft veroorzaakt, en hoe hij met allen godsdienst als het grootste struikelblok tot het ware geluk heeft gebroken.
Hij verhaalt van het bittere hartzeer, dat zijn moeder om zijnentwil heeft gevoeld, en van den wreeden spot, waarmede hij haar laatste vermaningen heeft aangehoord. Hij tracht zich niet te verschoonen, maar schijnt er behoefte aan te hebben, om ten minste aan één mensch in de wijde schepping te laten zien, welk een verworpeling hij is.
"'t Is verschrikkelijk," roept zij uit.
Zij rilt er van, maar aan een plotselinge ingeving gevolg gevend, zegt zij: "Gij zijt als de verloren zoon in het evangelie — keer terug naar het Vaderhuis!"
Op den avond van dezen dag knielt in het groote, drukke Londen een eenzame weduwe op haar kamer neder.
Op de tafel ligt een Zuid-Afrikaansche courant, waarin haar zoon onder de vermisten bij het gevecht van Lang-Nek is opgegeven.
Doch in spijt van deze vreeselijke tijding geeft de moederliefde den kamp nog niet op voor het behoud van haar kind.
Zóó sterk is de moederliefde — zij worstelt tegen den dood.
"Heere," zegt de eenzame weduwe, "red mijn kind, als het nog leeft! Red zijn arme ziel! Hij weet niet, wat hij doet — red hem uit de strikken van Satan, en breng hem terug als den verloren zoon!"
Dit gebed doet zij elken avond — ach, den ganschen dag! Het is haar kind, en het blijft haar kind, al is het verdoold op de paden der ongerechtigheid.
Kan een moeder ooit haar kind vergeten?
En ver weg, in de wildernissen van Zuid-Afrika, op een donker dakkamerke van "Vredesoord" buigt een jonge man zijn knieën en roept om genade!
En de engelen leggen het oor te luisteren naar het smeekgebed van een arm, gejaagd menschenhart, en zij nemen reeds de gouden harpen van de marmeren zuilen.
We zijn weer eenige dagen verder.
De slag van den Amajuba is voorbij, en met dankbare blijdschap is het goede nieuws op "Vredenoord" vernomen.
Stil en in zich zelven gekeerd zit Charles Marling op zijn oude plaats onder den lindeboom.
Hij sterkt langzaam aan, en de hoofdwond betert goed.
Hij heeft een Engelsch testament in de hand en leest het met groote aandacht.
Nog is het winter in zijn hart, maar reeds zweven de lentewolken er over heen, die het ijs zullen smelten.
Een groote, diepe droefheid vervult zijn ziel — ja, het zal lente worden!
De adem van den Eeuwige gaat over dit verloren hart — zou het daar geen lente worden?
Hij leest de gelijkenis van den verloren zoon.
En hij leest ze nòg eens en nòg eens.
Ach, dat is hij — trek voor trek!
Maar hij wordt bewaard voor de vertwijfeling, en de ster der hoop beschijnt zijn pad.
"En tot zich zelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!"
Nu beginnen de lentewolken te druppelen....
Nu zal het ijs gaan smelten...
"Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig, uw zoon genaamd te worden; maak mij als éénen van uwe huurlingen!"
Reeds is de zon ondergegaan, en nog altijd zit Charles te peinzen en te lezen. En de tranen biggelen hem over de bleeke wangen.
"Kom, Marling," zegt Lena, die naar buiten komt, "het wordt te koud onder den lindeboom."
Hij gaat naar binnen, als in een droom.
En in dezen nacht look geen slaap zijn oogen. Er was ook geen tijd voor, want hij deed de reis naar zijn vader.
"En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende viel hem om zijnen hals en kuste hem."
En toen grepen de engelen in de snaren hunner gouden harpen, want er is bij hen blijdschap over éénen zondaar, die zich bekeert.
En nu was de lente waarlijk gekomen! Het lied van den zangvogel werd gehoord, en de bloesems botten uit. De hemel neigde zich tot de aarde, en weerspiegelde zich in het oog van een zalig menschenkind. Het verloren kind had zijn vader teruggevonden en het eeuwige rustpunt voor zijn hart.
Charles sprak dien morgen weinig, maar de verandering, die bij hem had plaats gehad, blonk uit zijn oog en straalde van zijn gelaat, en openbaarde zich in de teederheid, waarmede hij sprak.
Er was iets grootsch in dit huis geschied, en moeder Kloppers vermoedde het, al wist zij 't niet.
In den loop van den dag verzocht Charles papier en inkt, en schreef een langen brief. En telkens brak hij den brief af, en hier en daar waren de letters uitgewischt, en dat kwam van de tranen, die op het papier nedervielen.
Dezen brief sloot hij in een couvert, en adresseerde hem aan een weduwe in Londen.
En deze weduwe was zijn moeder.
HOOFDSTUK XXIX.
Weduwe Marling houdt een brief in de hand.
Reeds het adres is voor haar een verkwikking, want het is de hand van Charles.
Dus hij leeft nog! En hij denkt aan haar!
Nu opent zij met een kloppend hart het couvert, en ze is blijde verwonderd, zoo'n langen, langen brief te ontvangen.
De inkt is wel wat bleek, en de pen schijnt niet van het beste soort te zijn geweest, doch dat hindert niet. Een lange brief is een bewijs van een warm hart.
En nu zet de weduwe zich neder en begint te lezen.
"Innig geliefde Moeder!"
Zie, zóó heeft hij in langen tijd niet geschreven. De aanhef was gewoonlijk koeler, harder.
"Dit is nu de eerste brief, dien Gij, lieve Moeder, in langen tijd van mij ontvangt, en ik ben diep bedroefd, dat ik zoo'n trouw moederhart zooveel pijn heb veroorzaakt."
Is deze brief van Charles?
Ja, 't is zijn brief, 't is zijn hand.
"Ik hoop, dat de Heere mij in het leven moge sparen, om ten minste eenigszins uwe liefde te vergelden, waar gij om mij zooveel harteleed hebt doorgestaan."
De weduwe leest door — in wondere, blijde verbazing — maar de letters beginnen te dansen voor haar oogen — zij kan niet verder.
Het geluk is te groot, om het in eens te vatten.
Hier staat zij voor een buitengewone gebedsverhooring, en slechts aarzelend durft zij aan die verhooring te gelooven.
Doch er is geen twijfel aan; het is geen droom. En is de brief nat gemaakt door de tranen van haar kind, tranen van berouw, nu vallen er de tranen op van de moeder, tranen van overstroomende blijdschap.
Het wordt licht in haar woning; het wordt licht in haar hart.
Zij begeeft zich naar het raam.
Het gewoel der wereldstad dreunt en dondert onder haar vensters voorbij, en duizenden menschen dwarrelen dooréén, haastig en gejaagd, ieder naar zijn doel.
Ach, zij zou nu al die menschen wel bij elkander willen vergaderen, ja heel Londen, en tot hen roepen: "Zie, mijn kind was dood en het leeft; het was verloren en het is gevonden — weest nu blijde met mij!"
Veel smart, veel bitter zielewee heeft haar jongste zoon, haar Charles haar veroorzaakt, maar deze korte oogenblikken van zaligheid wegen er tegen op, en maken alles, alles goed!
Zij wil de menschen deelgenoot maken van haar vreugde, en zou zij haar God niet danken?
Op gebogen knieën dankt zij hem....
Nu neemt zij weer den brief ter hand, en met groote kalmte leest zij hem ten voeten uit.
"Als Eduard komt," zegt zij, "wat zal hij zich verblijden!" Eduard is haar oudste zoon — zij heeft slechts twee kinderen — en heeft gestudeerd voor arts. Hij heeft zijn doctoraal examen met lof afgelegd, en staat thans op het punt, zich te vestigen als arts in de oogheelkunde, waarvan hij een bizondere studie heeft gemaakt.
Hij zou zich reeds hebben gevestigd, doch daar zijn moeder in ruimere financiëele condities is gekomen, kan hij zich de weelde veroorloven, om zich in de kliniek voor zijn ernstige taak voor te bereiden.
Hij is ook heden morgen naar de kliniek gegaan, doch daar hoort zijn moeder reeds zijn welbekenden stap, de trappen op.
Ge kunt wel zien, dat hij een broeder van Charles is, doch hij is iets langer, heeft een donkerder opslag, en uit dat bleek gelaat staren twee donkere oogen.
Heel zijn houding verraadt den man van studie en wetenschap.
Verwonderd staart hij zijn moeder aan, want het stildroevig gelaat, dat hij zooveel jaren heeft gekend, heeft plaats gemaakt voor een gezicht, waarop blijde ontroering ligt.
"Wat is 't, moeder?" vraagt hij belangstellend.
"Lees maar, mijn jongen," zegt ze, en ze reikt, terwijl haar de tranen op nieuw in de oogen komen, aan Eduard den brief.
Eduard is niet als zijn moeder.
Hij is een man van zelf beheersching, en bedaard leest hij den brief. Maar toch beeft zijn stem, als hij zegt: "Moeder, moeder, wat een geluk!"
Hij leest den brief nog eens, langzamer dan zooeven.
"En hebt ge wel gelezen, dat hij wegens zwakte nog niet kan komen, en dat hij wenscht, dat wij hem zullen halen?" vraagt Eduard.
Zijn moeder knikt bevestigend.
"En dan heeft hij het over een blind meisje, uit eene familie, die hem van den dood heeft gered, zooals hij schrijft, en nu moet ik het meisje genezen."
"Kan dat?" vraagt zijn moeder met spanning; "zou dat kunnen, Eduard?"
"Het is mogelijk," antwoordt hij. "Wel te verstaan," laat hij er bedachtzaam op volgen, "als Charles zich niet vergist, en door een ziekte een verduistering van het hoornvlies is ontstaan. Dat kan genezen. Verleden week heb ik nog zelf in de kliniek een operatie bij een dergelijke oogziekte met het beste resultaat uitgevoerd."
"Dan gaan wij er heen," zegt de weduwe op beslisten toon.
"Ik vind het uitstekend, moeder!"
"En gij moet dat kind zien te redden. Ik ben aan die familie — hoe heeten ze ook nog!"
"De familie Kloppers," zegt hij.
"Juist; ik ben aan die familie Kloppers mijn leven lang de grootste dankbaarheid verschuldigd."
"Dus wij gaan, moeder?"
"Wij gaan, zoo God wil. Zoo'n zeereisje zal u ook goed doen, Eduard; dan hebt ge eenige ontspanning."
"Uitstekend," zegt hij, en hij wrijft zich vergenoegd de handen, "uitstekend! Maar is zoo'n zeereis voor u niet bezwarend?"
"Een echte Engelsche vrouw heeft de zee lief, want daar ligt onze kracht!"
"En ik verlang er naar," roept hij uit, "om den oceaan eens te zien in zijn majesteit en heerlijkheid!"
"En wanneer zullen we gaan, moeder?"
"Hoe eerder, hoe liever; ik verlang naar mijn kind. De vrede is gesloten — laat ons over acht dagen gaan!"
"Over acht dagen, dat kan niet," lacht hij; "maar over veertien dagen, dat zou gaan!"
"Wel nu, dan over veertien dagen," zegt de energieke vrouw, "maar zeker niet later."
"Goed; ik zal straks bij het kantoor der Donald Currie-lijn aangaan, om voorloopige informaties te nemen, doch ik wacht eerst nog op Henri Stephens, met wien ik even naar het Park wilde wandelen."
Hij neemt den brief, die op de tafel ligt, nog eens ter hand.
"Is het u niet opgevallen, moeder, welk een gunstig getuigenis Charles aflegt van de Transvaalsche Boeren?"
"Ja," zegt ze; "hij dweept letterlijk met de Boeren."
"Hij is dan ook al bij bizonder hartelijke menschen aangeland," meent Eduard.
"Hij legt in elk geval een gunstiger getuigenis af van de Boeren, dan wij hier in de pers te lezen krijgen," zegt zij met eenigen klem.
"Ik heb reeds lang aan de waarheid van die couranten-berichten getwijfeld," zegt hij, "maar verleden week heb ik een lijvige brochure gelezen, waarin duidelijk en zakelijk wordt aangetoond, dat de Boeren gruwelijk zijn belasterd."
"Ik heb hart voor de Boeren," zegt de weduwe; "zij hebben mijn kind van den dood gered."
"Maar als zij uw kind, in de vijandelijke uniform, van den dood redden, dan zijn het niet de duivels, waarvoor zij worden uitgekreten," zegt hij met nadruk.
Onder dit gesprek is Henri Stephens, de vriend van Eduard en eveneens wordend arts, binnen gekomen.
"Wat een druk gesprek wordt hier gehouden," zegt hij met opgewekte stem.
"Ik heb zoo even een brief ontvangen van Charles," zegt de weduwe op levendigen toon, "en hij maakt het uitstekend."
"Kom aan, dat doet me pleizier," zegt Henri; "hij had licht op den Amajuba kunnen blijven."
"Hij werd bij Lang-Nek zwaar gewond," zegt Eduard, "en is toen in de handen der Boeren gevallen."
"In de handen der Boeren!" zegt Henri; "dan ben je ook voor je pleizier uit!"
"Zij hebben Charles verpleegd als hun eigen kind," zegt de weduwe met warmte.
"Dat gaat mijn verstand te boven," zegt hij schouderophalend.
"En van den dood gered," voegt de weduwe er aan toe, "dat zult ge nog minder kunnen begrijpen?"
"Inderdaad, Mevrouw," zegt Henri, "dat begrijp ik nog minder."
"En waarom begrijpt ge dat niet?" vraagt Eduard, terwijl hij zijn vriend met zijn donkere oogen vorschend aankijkt.
"Omdat het toch bekend genoeg is, dat de Boeren niet deugen," zegt Henri.
"Ja, bekend genoeg — maar is het waar?" vraagt Eduard met eenigen nadruk.
"Natuurlijk is het waar," antwoordt de aangesprokene eenigszins uit de hoogte.
"Maar laten wij daar nu niet verder op ingaan," zegt hij vriendelijker; "je broer is er goed afgekomen, en dat is de hoofdzaak. Ik ben er blij om en feliciteer je er mee."
Hij reikt Eduard en diens moeder de hand, die hartelijk wordt aanvaard.
"Doch ik moet toch nog even op de Boeren terug komen," zegt Eduard op bedaarden toon. "Ik laat ze maar zoo niet afmaken zonder bewijzen. Dat er onder de Boeren schurftige schapen loopen, dat kan wel waar zijn —"
"Dat denk ik ook wel," roept Henri er tusschen in met schamperen lach.
"Maar onder ons volk loopen ook schurftige schapen," gaat Eduard voort. "Doch dat het vòlk niet deugt, voor die bewering moet je bewijzen hebben, Henri. En naar die bewijzen ben ik toch nieuwsgierig."
"Nu, ik heb ze," antwoordt Henri met nadruk. "En nu gij er mij toe dwingt, om er over te spreken, ga ik nog wat verder. Ik heb zoo even beweerd, dat de Boeren niet deugen, maar ik heb me niet sterk genoeg uitgedrukt. Het zijn beulen en dieven; zij mishandelen de Kaffers en stelen hun vee; zij schenden de Kaffervrouwen en jagen ze dan de woestijn in. Dat zijn jou lieve Boertjes!"
"Mijnheer Stephens," zegt de weduwe met verontwaardiging in haar stem, "zulke taal duld ik niet in mijn huis."
"Mevrouw," antwoordt Henri op beleefden toon, "het spijt mij zelf, doch uw zoon heeft er mij toe genoodzaakt."
"Breng mij bewijzen," zegt Eduard, met moeite zijn zelfbeheersching bewarend — "bewijzen!"
"Ik heb ze," tart Henri.
"Dr. Philip?" vraagt Eduard op minachtenden toon.
Hij haalt het boek uit den zak.
"Ik ken het," zegt Eduard; "'t is zonder toestemming van Livingstone na zijn dood uitgegeven."
"Dat zegt niets," beweert Henri.
Hij slaat het boek op.
"Zijt ge nu overtuigd, Eduard?" vroeg Henri.
"Ik vraag bewijzen," zegt Eduard.
"Wel nu, is Livingstone nog niet voldoende?" vraagt Henri met bevreemding.
"Neen, Livingstone is me zeker niet voldoende," zegt Eduard. "Hij blijft voor mij een der grootste zendelingen onder de heidenen, die ooit hebben geleefd, maar hij was een feilbaar en lichtgeloovig mensch. Hij spreekt van het journaal van van Riebeek, doch dit journaal rept met geen woord van dat monsterachtig beginsel, waarvan Livingstone spreekt. Hij heeft over de Boeren geschreven, zonder hun taal te kennen, zonder hun zeden te verstaan, zonder hun geschiedenis te begrijpen. Waarschijnlijk heeft hij ter kwader ure zijn oor geleend aan den één of anderen Boerenhater, en met zijn eerbiedwaardigen naam — ter goeder trouw, doch met groote lichtvaardigheid! — den afschuwelijksten laster gedekt. En zijn vrienden hebben op die lichtvaardigheid de kroon gezet, door het schotschrift, dat hij misschien voor het vuur had bestemd, in druk te laten verschijnen."
"Ik vraag bewijzen, bewijzen!" gaat hij voort met klimmenden nadruk, "geef mij een bewijs, het kleinste bewijs, maar ge kunt het niet, omdat alles leugen en laster is, van a tot z."
"Livingstone is mijn zegsman," zegt Henri op koelen toon, "en als Livingstone je niet voldoende is, dan spijt me dat. Ik betreur het dan ook, dat Engeland aan de Boeren de vrijheid heeft teruggegeven."
"Ik vind het een edele daad van het ministerie Gladstone, dat het de vijandelijkheden heeft gestaakt," meent Eduard, terwijl hij den huisvriend een sigaar presenteert.
"Edel?" zegt Henri, terwijl hij de sigaar opsteekt, "edel? In de politiek komt geen edel of onedel te pas. Onze mineralogen hebben den Transvaalschen grond onderzocht, en niet voldoende goud gevonden; dat is de hoofdreden van ons toegeven."
"Ik zou het betreuren," zegt Eduard, "als dit de hoofdreden was. Ik meende toch, dat er vroeger goud is gedolven in de Transvaal."
"Dat is er ook," zegt Henri.
"En nu niet meer?"
"Ten minste niet voldoende," antwoordt Henri.
"Dan heeft God het goud van de Transvaal misschien voor onze wijze mannen opgeborgen," meent Eduard.
"Dat denk ik ook," lacht Henri; "in elk geval is de bewering van jou een gissing, maar wat geen gissing is, is dit, dat wij Engelschen den aanleg hebben ontvangen, om de wereld te regeeren. En waar een aanleg is, is een roeping ook!"
"Een mooie redeneering!" spot Eduard. "Een dief heeft aanleg, om te stelen; anders zou hij geen dief zijn. En met te stelen vervult hij juist zijn roeping — bepaald een mooie redeneering!"
"Ja, jij met je ziekelijk idealisme zoudt de macht van ons volk helpen afbreken," zegt Henri met bitterheid.
"En jij met je brutaal machtsbegrip," antwoordt Eduard, "wilt mijn volk, dat ik liefheb, vernederen tot een roofridder en zeeschuimer. Wanneer is Engeland ooit grooter geweest dan in het begin dezer eeuw, toen de Europeesche vrijheid achter onze krijtrotsen een veilig Pella vond? Toen streed het voor de vrijheid der volken, en zal het nu de eeuw eindigen met de vrijheid der volken te knechten? Moeten de Transvalers, omdat zij een klein, nietig volk zijn, onder het juk?"
Hij sprak met toorn; zijn bleeke wangen kleurden.
"Hebt ge ooit," ging hij voort, "Barker's pakkende schilderij gezien, waarop een zwart inlandsch opperhoofd uit Midden-Afrika aan onze blanke koningin den bijbel overhandigt met de woorden: Hare Majesteit, zie daar het geheim van Engelands grootheid?"
"Ik heb de schilderij gezien," zegt Henri, "er zat poëzie in."
"En waarheid!" vroegt Eduard er aan toe.
"Nu — ga je mee?" vraagt Henri, terwijl hij opstaat.
"Als ge uw oordeel over de Boeren herroept — dan ja!"
"En anders —?" vraagt Henri op ijskouder toon.
"En anders — niet!" antwoordt Eduard met nadruk.
"Dan ga ik alleen," roept Henri met harde stem, "want ik herroep mijn oordeel niet. De Boeren zijn en blijven voor mij een troep psalmzingende schurken!"
Nauwelijks groet hij, en met snelle, driftige treden gaat hij de trap af.
Moeder en zoon staren elkander eenige oogenblikken aan.
"Daar gaat de opinie van Engeland," zucht de moeder.
"Ik vrees het ook," zegt de zoon, "maar die opinie zal ons toch dezen heerlijken dag niet bederven!"
"Neen;" zegt de moeder, en de vreugde straalt opnieuw uit haar oogen, "dat zal ze ook niet. Want mijn kind was dood, en zie — het leeft! Het was verloren, en zie — het is gevonden!"
HOOFDSTUK XXX.
't Zal van daag een feestdag worden voor "Vredenoord". Ge kunt het aan alles merken.
De Kafferdienstmeiden zijn op hun Zondags uitgedoscht, met strikken en linten van schelle, schreeuwende kleuren, en zij loopen zoo vlug als antilopen, want moeder Kloppers heeft hen van daag, nu de Boeren van het oorlogsveld worden terugverwacht, een bijzondere traktatie beloofd, en zij lachen en giegelen en knijpen elkander onder den arbeid in de dikke ooren.
En moeder Kloppers staat met opgestroopte mouwen in het kookhuis, en eenige Kaffers zijn bezig, om met vaardige hand groote lappen malsch vleesch te braden, want dat kunnen ze, en een paar anderen snijden groote stapels brood, en moeder Kloppers zorgt voor de koffie.
Maar Charles Marling kan nog niet veel doen, want hij is nog zwak, doch hij doet wat hij kan, en smukt de huisdeur met lover en bloemen. En Lena kan in 't geheel niets doen, en leunt zwijgend tegen den breeden stam van den lindeboom vóór het huis.
En nu alles gereed begint te komen, om de verwachte gasten een waardige ontvangst te bereiden, neemt de oude, krasse vrouw het geheele huis nog eens zorgvuldig in oogenschouw, schikt den grooten, rieten stoel in den hoek bij de tafel, waar haar man placht te zitten, kijkt het wagenhuis na, of de wagens, de ploegen, de eggen en de andere landbouwgereedschappen in nette orde zijn geplaatst, heeft voor den eenen Kaffer, die vlug door werkt, een woord van lof, en voor den anderen, die wat trager van inhoud is, een klinkende oorveeg over, en neemt de blank gepoetste voorwerpen, die van daag als spiegels blinken, met een goedkeurende glimlach op. Dan gaat zij naar binnen en kleedt zich in haar beste kleed, zooals het de vrouw des huizes betaamt, als het op "Vredenoord" feesttij is.
Nu kijkt zij op de oude, groote hangklok met de zware koperen gewichten en de zwarte, dikke wijzers.
"Binnen een half uur kunnen zij hier zijn," zegt zij binnensmonds, en zij gaat naar buiten, en plaatst zich vlak voor de oprijlaan en Lena voegt zich bij haar.
En zoo staat moeder Kloppers daar te wachten, en dat oude, verweerde gelaat wordt schoon in den dubbelen glans van liefde en blijdschap. En geen bruid kan reikhalzender uitzien naar haren bruidegom, dan zij naar haar man, haren dapperen, onversaagden Voortrekker!
Nu bukt zich Lena, en zij legt het oor luisterend op den grond, en zij zegt na een pauze: "De grond begint te dreunen onder het getrappel van vele hoeven." En in het volgend oogenblik wordt er een knetterend geweersalvo gehoord, en daar boven op den laatsten heuvelkam, daar verschijnen zij, op hun vlugge paarden, de Scherpschutters van Zuid-Afrika!
En sneller jagen zij van de heuvelen naar beneden, en de oude Boerenvlag wappert op den wind, alsof zij vleugels heeft, en nu buigen de ruiters de oprijlaan in, tien, twintig, tachtig man, en kletterend gaan de vlugge hoeven over de harde steenen van de werf. En terwijl het zweet van hun flanken spat, houden de paarden, onder de luide hoera-kreten der Boeren, als met een ruk midden op het erf stil.
Aan de spits, naast den kommandant, rijdt Dirk Kloppers.
Met de vaardigheid van een jongeling springt hij uit het zaâl, en met een vreugdekreet begroet hem zijn vrouw. En even als veertig jaar geleden, toen hij uit den eersten Engelschen oorlog kwam, zegt hij: "Anna, liefste!" en hij kust haar.
Met vochtige oogen staart zij hem aan, en zij fluistert: "God heeft alles wel gemaakt!"
"En hier is je jongen, je Benjamin!" roept de oude Voortrekker met een tinteling van trots in zijn van vreugde stralend oog.
En Jan snelt op zijn moeder aan, en hij kust die oude wangen, en zij fluistert geroerd: "Heb ik je weer terug, mijn licht en mijn zonneschijn!"
En daar komt Arie zich tusschen de uit het zaâl gesprongen ruiters doorwringen, en hij zwaait met zijn hoed en hij roept met zijn frissche stem: "Grootmoeder, wij zijn de Roodbaatjes op den rug geweest," en zij zegt op haar hartelijken toon: "Zoo, mijn wildzang, ben jij daar ook?" En nu schuift Herman Hoogerhuis zich in den kring, en zijn bruine oogen staan vroolijker dan ooit, en moeder Kloppers zegt: "Herman, van nu af aan behoort gij tot de familie Kloppers, alsof gij mijn eigen kind waart, want uw zelfopofferende daad is mij ter oore gekomen."
Maar nu heft moeder Kloppers haar oogen op naar de ruiterschaar, en zegt met een weemoedigen klank in haar stem: "Ik mis Teunis den leeuwenjager."
En de oude Kloppers antwoordt: "De groote leeuwenjager rust in het koele graf, in de passen van het Drakengebergte, en als een eenzaam schildwacht is hij achtergebleven."
En Lena staat er bij, zwijgend en luisterend.
Maar nù gaat er een trilling door haar gansche lichaam, want dicht in haar nabijheid hoort zij het ruischen der geliefde Boerenvlag. En zij legt de hand om den ouden vlaggestok, maar hij is afgesplinterd, en de zwaar gebaarde vaandeldrager zegt: "Dat hebben de Engelsche granaatscherven gedaan." En zij neemt het verweerde doek en drukt het vol eerbied aan haar lippen.
En daar heb je waarlijk ook den ouden Columbus!
Hij ziet er al wonderlijk uit, met den witten helm op het zwarte hoofd, en een dragondersabel op zij. Hij zwaait met zijn lange armen, en het hoofd fier in den nek geworpen, stapt hij met groote waardigheid naar de Kafferhutten, die achter op het erf staan.
Hij is spoedig herkend, en al wat Kaffer is, schaart zich om hem heen, en ze roepen: "Daar is de ouwe Columbus — o ouwe Columbus, wat ben jij mooi!" Zelfs de kleine, halfnaakte Kafferkinderen met hun zwarte kroeskopjes rijzen uit de mulle zandhoopen op, waarin zij liggen te wentelen, en roepen, terwijl zij komen aanwaggelen: "O ou Colum! ou Colum!"
En ze joelen en schateren van pret.
En de zwarte Kafferdeernen, met de glinsterende glaskralen om den hals, vragen: "O ouwe Columbus, waar zijn jou bloote voeten gebleven?"
"Die zitten in deze dragonderlaarzen," antwoordt hij heel deftig, en hij stampt met de laarzen, dat de lange sporen rinkelen.
"En waar heb jij jou kousen van daan gehaald?" vragen zij met groote nieuwsgierigheid.
"Wel," grinnikt hij, "ik kwam bij een verbandplaats voorbij, waar een Roodbaatje zat, wiens beide beenen moesten worden afgezet. En ik zeide aan den dokter: Baas, geef mij de kousen van dat Roodbaatje. En hij vraagde: Waarom, Kaffer? en ik antwoordde: Wel, dat Roodbaatje heeft geen kousen meer noodig, als hem beide beenen worden afgezet. Toen zeide de dokter: Kaffer, jij bent een wijs schepsel, en jij zult de kousen hebben. En zoo kreeg ik de kousen."
En de vroolijke Kafferdeernen lachen, terwijl zij dit verhaal aanhooren, zoodat hun witte tanden blinken als elpenbeen, en zij roepen opgetogen: "O ouwe Columbus, jij bent slim als de slangen van Zoeloe-land!"
En de oogen van den ouden Columbus beginnen bij die lofprijzingen te schitteren als de oogen van zijn grooten naamgenoot, toen hij aan den horizon der deinende watervlakte de groene oevers van een onbekend werelddeel zag opdoemen.
Intusschen hebben zich de huiswaarts keerende Boerenkrijgers in gezellige groepen in den uitgestrekten boomgaard onder het groen gebladerte neergevleid, en onophoudelijk loopen de Kaffers rond, om voor de hongerige en dorstige magen hooge stapels boterhammen en dampende ketels koffie rond te dragen.
De boomgaard levert op dit oogenblik in zijn bewegelijkheid een tafereel, het penseel van een beroemden kunstenaar waardig, en Charles Marling wandelt, door de levendigheid van het tooneel aangetrokken, met belangstellenden blik tusschen die druk pratende groepen door.
Zijn geschiedenis is onder de Boeren ook gauw bekend, en de jonge Barend Jansen roept: "Kom, Roodbaatje, en schik hier bij ons aan!"
"Goed," zegt hij opgeruimd, "dat zal ik ook doen," en hij reikt de Boeren, die hier in de schaduw van eenige groote kastanjeboomen zich hebben neergevleid, de hand.
"Maak jij wat ruimte voor ons Roodbaatje," roept Barend tot Leen Blok, "en gooi je lange, smalle beenen eens den anderen kant uit!"
Leen voldoet aan deze order, en Charles vleit zich in het malsche gras bij de jonge Boeren neer, die vol scherts en vroolijkheid zijn. Niemand laat hem merken, dat hij als Engelschman een vijand van hun volk is, en de jonge Boeren behandelen hem als een kameraad.
Zij hebben misschien een uur bij elkander doorgebracht, daar komt een kort, dik vrouwtje aanloopen, met een jongen hond aan haar zijde. Haar gezicht gloeit van de warmte, en zij rent regelrecht op Leen Blok aan.
"Leen, daar is je vrouw," lachen de Boeren, "ontvang ze met waardigheid!"
Onmiddellijk staat Leen op, en het kleine vrouwtje slaat haar korte, dikke armen om zijn mageren hals, en strijkt hem het gele, sluike haar uit het gezicht en snikt: "O Leentje, wat ben ik blij, dat ik je weer heb!" Maar uit haar stem klinkt zooveel teederheid en liefde, dat de jonge Boeren zelf worden getroffen.
"En wij hebben er negen lammeren bij gekregen," zegt ze, "en twee kalveren, maar gij zijt mij meer waard dan alle lammeren en kalveren, die er in de Transvaal zijn. En kom nu mee, Leentje, dadelijk, want gij krijgt van daag je lijfgerecht!"
"Rijst met rozijnen?" vraagt de altijd hongerige Leen.
"Rijst met rozijnen," zegt ze plechtig, maar bij deze wending van het gesprek barsten de jonge Boeren uit in een luid gelach.
Doch Trijntje stoort er zich niet aan, en slaat op nieuw de armen om den mageren hals van haar echtgenoot.
Vlak achter Leen Blok graast zijn baloorige poney, en tusschen die ruige, bruine oogharen flikkeren de kleine oogen kwaadaardiger dan ooit.
Oogenschijnlijk begint hem het tafereel daar vóór hem schrikkelijk te vervelen, en na twee keeren misgehapt te hebben, slaat hij zijn bruingele tanden den derden keer vast in den rechter jaspand van zijn meester, en tracht hem met de halsstarrigheid, waarmede dit beest blijkbaar ter wereld is gekomen, uit de armen van zijn vrouw te rukken.
Maar ook de vrouw houdt vast wat zij heeft, en zoo vechten Trijntje en de poney beide om het bezit van den langen Leen. En het spijt me, dat ik het zeggen moet, maar de Boeren steken geen hand uit, om de strijdenden te scheiden, ja zij vinden de zaak integendeel heel vermakelijk, en terwijl Barend Jansen heel bedaard een pijp stopt, zegt hij: "Dat zaakje daar kan nog wel een poosje duren!" Doch nu vermant zich de lange Leen, en met een krachtigen ruk en het verlies van zijn rechter jaspand scheurt hij zich los uit den muil van het ondier.
Het duurt nu niet lang, of hij heeft den poney getuigd en plaatst zich in het zadel. En na de Boeren gegroet te hebben, zet zich de kleine stoet in beweging.
De vrouw loopt naast haar man, en de jonge, speelzieke hond blaft luid en driftig tegen de lange beenen van Leen Blok, die bijna den grond raken.
Intusschen maken zich ook de Boeren langzamerhand gereed, om het gastvrije erf van Dirk Kloppers te verlaten.
Zij zadelen hun paarden, nemen een hartelijk afscheid van de familie Kloppers, en hun paarden de sporen gevend, rijden zij snel de oprijlaan af tegen de heuvelen op.
Spoedig zijn zij achter den eersten heuvelkam verdwenen — slechts de oude Boerenvlag is nog zichtbaar — zij wappert nog eens boven den hoogsten heuvel — en verdwijnt uit het gezicht.
Doch Dirk Kloppers stopt zijn pijp, en met de oude vrouw aan zijn zijde houdt hij, zooals dat den baas van "Vredenoord" betaamt, met bedachtzamen, onderzoekenden blik generale inspectie in huis en hof.
HOOFDSTUK XXXI.
Er zijn weer eenige weken verstreken. Malsche regens zijn gevallen, en hebben het dorstend aardrijk, dat om water schreeuwde verkwikt.
En de van droogte gespleten grond is op nieuw bedekt met een frisch groen, en ver, in het zuiden, in de passen van het Drakengebergte, is het eerste, teedere gras uitgesproten boven de groote, breede grafheuvels.
Weduwe Marling met haar zoon Eduard zijn verleden week na een voorspoedige reis hier te "Vredenoord" aangekomen en zijn thans de hartelijk welkome gasten der familie Kloppers.
De ontmoeting tusschen de weduwe en haar kind, haar Charles, wil ik niet beschrijven, daar ik het niet kan. Het was een éénig, zalig en heilig oogenblik in beider leven.
In het groote woonvertrek van Dirk Kloppers zijn de huisgenooten thans bijeen.
Eduard heeft met groote nauwkeurigheid en zorgvuldigheid Lena's oogen onderzocht en is tot de overtuiging gekomen, dat zij door een operatie het licht weer terug zou krijgen in haar oogen, en heden zal tot de operatie worden overgegaan.
't Is een merkwaardige groep, die gij hier ontmoet.
Dicht bij het raam, zit de blinde Lena. Naast haar staat een kleine tafel, waarop eenige heelkundige instrumenten liggen uitgespreid, en vóór haar staat Eduard Marling, de kundige, Engelsche arts met dat fijn en schrander gelaat.
Achter de groote tafel zit het oude echtpaar Kloppers, en hun zoon Jan staat, leunend op den stoel van zijn vader, met groote belangstelling te kijken naar de beginnende operatie.
De moeder van den dokter zit naast de vrouw des huizes, en haar zoon Charles heeft met Herman Hoogerhuis recht tegenover haar plaats genomen.
De jonge Arie staat dicht bij het raam, en Lodewijk Jansen, de broeder van vrouw Kloppers, die, wat men noemt toevallig hier van daag is aangekomen, zit met een gefronsd gelaat, en machtige rookwolken uitblazend, in een hoek van het vertrek.
Dat er in het vertrek een groote spanning heerscht, behoef ik wel niet te zeggen.
De weduwe bidt in haar hart tot God, dat Hij moge helpen en bijstaan.
Maar er zijn er meer, die bidden.
De dokter brengt het hoofd der blinde in de goede houding.
Nu neemt hij van de kleine tafel een lancet.
Aller oogen zijn op den jeugdigen arts gericht, maar Lodewijk Jansen barst los met harde stem: "Ik begrijp je niet, zwager, ik begrijp je niet!"
"Wat begrijp je niet?" vraagt de oude Kloppers in de grootste verbazing.
"Dat gij je kleinkind aan een Engelschman overgeeft," antwoordt hij verontwaardigd.
"En waarom aan geen Engelschman?" vraagt de oude Kloppers.
"Omdat een Engelschman nooit te vertrouwen is," antwoordt hij op ruwen toon.
Er volgt een pijnlijke pauze, en niets wordt gehoord dan het eentoonig getik der oude klok aan den muur.
"Hoe zal dat eindigen!" zucht de weduwe, en moeder Kloppers werpt een toornigen blik op haar broeder.
Maar de jonge arts wendt zich tot den huisheer.
"Mijnheer Kloppers," zegt hij schijnbaar kalm en met waardigheid, "onder deze omstandigheden zie ik van de operatie af. Ik moet ten volle worden vertrouwd, ook als de operatie geen resultaat heeft."
Hij legt het lancet, dat hij had opgenomen, bedaard neder op de kleine tafel, doch de oude Kloppers zegt met zijne klankvolle stem: "Gij hebt mijn vertrouwen, en gij houdt mijn vertrouwen."
"En wat denkt gij er van?" wendt zich de arts tot Lena. "Bedenk het, ik behoor tot de vijanden van uw volk."
"Neen," zegt zij, en zij schudt haar zwarte lokken met bekoorlijke aanvalligheid, "gij behoort niet tot de vijanden van ons volk."
"Zal ik dan beginnen?"
Zij knikt.
Hij neemt het vlijmscherpe lancet van de tafel en brengt het aan haar linker oog.
Zijn moeder kijkt hem aan en ziet zijn bleek gelaat.
"O Heere," zucht ze, "bestuur zijn oog en zijn hand!" Maar zijn hand beeft niet, en er is geen zweem van gejaagdheid of aarzeling bij hem te ontdekken.
Nu buigt hij zich voorover — vlak voor het gelaat van het meisje — en nu doet hij de haarfijne snede door het verduisterde hoornvlies van het linker ooglid.
Snel bedekt hij het geopereerde oog, en het lancet gaat nu door het hoornvlies van het rechter oog.
En nu neemt hij het bedeksel weg.
Er heerscht een onbeschrijfelijke spanning onder de aanwezigen.
"Lena," roept hij, dicht voor haar staande, "wat ziet ge?"
Er komt geen woord over haar lippen.
"De operatie is mislukt," steunt de weduwe, en den jongen dokter is de laatste bloeddrup uit het gezicht geweken.
Maar met groote geestkracht beheerscht hij zichzelve, en vraagt nog eens: "Lena, wat ziet ge?"
Nu heeft het meisje haar spraakvermogen teruggekregen.
"Wat ik zie!" juicht ze, "ik zie mijn redder! Ik zie het zwart in zijn oogen!"
Zij grijpt zijn handen en kust ze vol innige dankbaarheid. En zij loopt en huppelt naar haar grootvader, en vleit het hoofd op den schoot van haar grootmoeder neer.
En zij geeft al de huisgenooten de hand als oude kennissen, die zij in langen, langen tijd niet heeft gezien. En dan springt zij weer op, als een vlugge antilope en plaatst zich voor het raam en staart naar buiten, en verlustigt zich in het gezicht van het golvende maïsveld, van de geurende bloem, van het ruischende loover en van het dartelend lam in de weide.
En in het overstroomend gevoel harer blijdschap vouwt zij de handen, en zij roept met den eerbied, waarmede een gebed wordt uitgesproken: "Ik zie de heerlijkheid des Heeren!"
Wie kan bij zulk een blijdschap onbewogen blijven?
De oude Lodewijk Jansen is overwonnen, en er biggelen twee groote tranen in zijn grooten, ruigen baard.
Hij staat op en legt zijn zware hand op den smallen schouder van den Engelschman.
"Dokter," zegt hij, "ik heb u grof beleedigd; vergeeft het mij!"
"Het is u reeds vergeven," antwoordt de aangesprokene op blijden toon.
Dokter Marling is later groot en beroemd geworden in zijn vaderland, en vele gelukkige operaties heeft hij bewerkstelligd, doch deze operatie is diep in zijn hart gegrift gebleven.
"Gij zijt een Roodbaatje, doch gij kunt het niet helpen, en gij verdiendet een Afrikaander te zijn," zegt Jansen met groote rondborstigheid.
"'t Zal wel goed komen," meende de dokter in de vroolijkste stemming.
Het was een gelukkige dag op "Vredesoord".
Charles is volkomen hersteld, en het oogenblik van het scheiden is nu aangebroken.
Er is een sterke band gelegd tusschen het huisgezin van Dirk Kloppers en de familie Marling, en daarom valt het scheiden niet gemakkelijk.
Zij hebben elkander lief gekregen, en daarom doet het scheiden zeer.
De jachtwagen komt nu voor.
Jan heeft er den moorkop en den vos voor laten spannen, en hij zelf zal, met Arie en Herman Hoogerhuis, onze gasten naar het naastbij gelegen dorp brengen. Van daar is met de postwagen gelegenheid, om de spoor te bereiken.
Alles staat gepakt en gezakt.
De oude Columbus neemt de zware koffers op zijn breeden rug en legt ze in den wagen.
De vurige paarden rukken ongeduldig aan de leeren strengen.
En nu nemen de gasten afscheid; een hartelijk, roerend afscheid, zooals menschen van elkander afscheid nemen, die elkander misschien nooit — nooit wederzien aan deze zijde van het graf.
En de dokter zegt bij het afscheid nemen; "Oom Dirk, wij gaan nu naar Engeland, en wij zullen vertellen, wat wij hebben gezien en ondervonden. Ik heb het vrijheidlievende volk der Boeren lief gekregen, en ik zou niet weten, waarom het Hollandsche ras zich niet vrij naast het Engelsche in Afrika zou mogen ontwikkelen. Me dunkt, Afrika is groot genoeg!
Ik hoop de belangen der Boeren te bepleiten, waar ik kan, en waar gij hebt gestreden met het geweer, daar zal ik voor de Transvaalsche Boeren strijden met het woord. Er zit in het Engelsche volk nog een kern, die van geen onderdrukking weten wil, en ik zal den sluimerenden vonk voor vrijheid en recht aanblazen tot een vlam, die het geheele volk zal aansteken!"
"Moge het u gelukken!" zegt de grijze Voortrekker met ernstige stem.
En nu stappen de gasten in het rijtuig.
Nog een laatste handdruk — de moedige paarden werpen zich in het tuig — de jachtwagen rolt over het erf.
Allen zijn bedroefd, doch Charles is bedroefder dan de anderen. Hij werpt een laatsten, weemoedigen blik achterwaarts op "Vredenoord", op al die plekjes, die hem zoo lief zijn geworden, en daar, tegen den ruwen stam van den lindeboom — daar staat Lena, en zij zwaait hem met haar zakdoek een laatst vaarwel toe — zijn oogen verduisteren zich — ach, scheiden doet zeer!
En nu is het avond geworden.
De oude Kloppers en zijn vrouw zitten op de bank, onder den lindeboom.
De maan werpt haar vriendelijk licht over "Vredenoord", en helder beginnen de sterren te tintelen aan den wolkeloozen hemel.
't Is stil; nauwelijks beweegt zich een blad.
Slechts het geloei der ossen wordt gehoord uit de kralen, het rinkelen der metalen bellen, die Kloppers' melkkoeien om den nek dragen, het zachte gekir van een paar duiven op den nok van het dak, en het weemoedig gezang van een Kaffer, op den drempel van zijn hut.
"En wat denkt gij," vraagt moeder Kloppers, "zal onze jonge dokter succes hebben met zijn streven, om voor onze onafhankelijkheid te pleiten?"
"Zijn streven is edel en groot," antwoordt de oude man, "maar ik vrees, dat hij er zich te veel van voorspiegelt. Laat hij voor ons pleiten! Hoe meer hoe beter. Doch wij moeten er geen overdreven verwachting op bouwen, want de publieke opinie van Engeland is vastgeroest in de gedachte, dat wij Boeren de Kaffers onderdrukken en de vrijheid niet waard zijn! En de Engelsche regeering hunkert steeds naar machtsuitbreiding."
Peinzend staart hij voor zich uit.
"Wij hebben niets," zegt hij na een pauze, "waarop wij kunnen bouwen dan op God en ons goed recht!"
"En is dat niet genoeg?" vraagt zijn vrouw.
"'t Is meer dan genoeg," antwoordt hij, en hij staart weer peinzend vóór zich uit.
"Zie, Anna," zegt hij, "veertig jaren geleden waren eenige honderden Engelsche soldaten voldoende, om ons uit Natal te jagen; in den laatsten vrijheidsoorlog schoten tien duizend Engelschen te kort, om ons onder het juk te brengen, en over twintig jaar komt Engeland met vijftig duizend man niet klaar!"
Nu zwijgt hij, en hij blikt naar de verte, waar de witte dampen uit kloven en valleien langzaam omhoog stijgen.
Het geloei der ossen is verstomd, en het rinkelen der metalen bellen heeft nu opgehouden. De duiven hebben hun nest opgezocht, en het weemoedig gezang van den Kaffer wordt niet meer gehoord.
"Ik zie een schoone en heerlijke toekomst weggelegd voor ons vaderland," zegt de grijsaard, "en het zal zich ontwikkelen tot een groot en machtig volk, als het wandelt in de ordonnantiën des Heeren, recht en gerechtigheid betracht en zijn roeping vervult: christendom en beschaving te brengen onder de blinde heidenen!"
Hij is opgestaan; zijn oogen schitteren van edele geestdrift.
Als een profeet der oudheid, zoo staat hij daar, de godvreezende, onversaagde Voortrekker. Zijn grijze lokken blinken als zilver in het licht der maan.
"Kom, Anna," zegt hij, "'t is reeds laat; wij gaan naar binnen."
Beiden gaan naar binnen....
De deur sluit zich achter hen....
En het koele nachtwindje fluistert zijn weemoedige melodiën in de kroon van den ouden lindeboom....
En in diepe rust ligt Vredenoord....
Transcriber's Notes:
Dit boek bevat een aantal zetfouten.
De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:
[het trouwe dier lekt zijn handen]
→ [het trouwe dier likt zijn handen]
[Hij vat de veldvlesch]
→ [Hij vat de veldflesch]
[voor niets terugdeizende]
→ [voor niets terugdeinzende]
[verborg hij in de plooiën]
→ [verborg hij in de plooien]
[één onder hen, Kolumbus,]
→ [één onder hen, Columbus,]
[den ijzeren voetzoel]
→ [den ijzeren voetzool]
[wij zullen de Rookrokken]
→ [wij zullen de Roodrokken]
[eindelijk, vrienlijker dan]
→ [eindelijk, vriendelijker dan]
[oorlogzuchtig," antwoorde Botter.]
→ [oorlogzuchtig," antwoordde Botter.]
[antwoordde de dappere sergant.]
→ [antwoordde de dappere sergeant.]
[een inkpot en een]
→ [een inktpot en een]
[Slechts êénmaal dreigde]
→ [Slechts éénmaal dreigde]
['s Was erg]
→ ['t Was erg]
[met nauwlijks onderdrukte]
→ [met nauwelijks onderdrukte]
[Sinds gnneraal Wolseley]
→ [Sinds generaal Wolseley]
[zijn niet gewild,]
→ [zijn niet gewend,]
[vermogende Osborn aan]
→ [vermogende Osborne aan]
["Kem," zeide de Voortrekker]
→ ["Kom," zeide de Voortrekker]
[op den moordheuvel gesleert,]
→ [op den moordheuvel gesleept,]
["Ouwe Colombus, je]
→ ["Ouwe Columbus, je]
[en stijgt uit het zaal.]
→ [en stijgt uit het zaâl.]
deze fout komt nog 2x voor (zie hieronder. De correcte vorm, "zaâl", is dialect voor "zadel".
[ook uit het zaal]
→ [ook uit het zaâl]
[moeilijker positie's geweest]
→ [moeilijker posities geweest]
[vielen de de brandende]
→ [vielen de brandende]
[vas het geweervuur]
→ [van het geweervuur]
[den 18. December]
→ [den 18den December]
[zoo kagend aankeek]
→ [zoo klagend aankeek]
[op uwe schouders, werpen,]
→ [op uwe schouders werpen,]
[maar zijn and beefde]
→ [maar zijn hand beefde]
[en Colombus ging]
→ [en Columbus ging]
[brief te schrijvon.]
→ [brief te schrijven.]
[nam den steutel,]
→ [nam den sleutel,]
[was gelukkig ontstapt.]
→ [was gelukkig ontsnapt.]
[ik leef mijn psalnen]
→ [ik leef mijn psalmen]
[getroffen doer de assegaai]
→ [getroffen door de assegaai]
[den yijand door het]
→ [den vijand door het]
[En hij eu zijn]
→ [En hij en zijn]
[En ten laaatste lachtte]
→ [En ten laatste lachtte]
[behoedzaamhaid wordt]
→ [behoedzaamheid wordt]
[doch toe hij in]
→ [doch toen hij in]
[zelfs uitstekend gedekt,]
→ [zelf uitstekend gedekt,]
[er bij neervallen"!]
→ [er bij neervallen!"]
[voorzichtig als een sluipmoord naar.]
→ [voorzichtig als een sluipmoordenaar.]
[En hou ouder]
→ [En hoe ouder]
[hij uit het zaal sprong.]
→ [hij uit het zaâl sprong.]
[nog niet eemaal aan]
→ [nog niet eenmaal aan]
[en langs deu Oostelijken]
→ [en langs den Oostelijken]
[Met zijn schoten,]
→ [Het zijn schoten,]
[ze zijn hart]
→ [ze zijn hard]
[waarlijk sanatische boosheid]
→ [waarlijk satanische boosheid]
[om Gode de eere]
→ [om God de eere]
[met den koorstgloed in de oogen]
→ [met den koortsgloed in de oogen]
[een flluisterende vraag]
→ [een fluisterende vraag]
[deed de teederste snaren trilden]
→ [deed de teederste snaren trillen]
[want dich in haar]
→ [want dicht in haar]
[den ouden Colombus!]
→ [den ouden Columbus!]
[en zijn band!"]
→ [en zijn hand!"]
[eu legt zijn]
→ [en legt zijn]
[rondbortigheid.]
→ [rondborstigheid.]
In de papieren versie ontbreekt zowel een inhoudsopgave als een lijst met illustraties. Voor het gemak van de lezer zijn deze, in de HTML-versie, toegevoegd aan het begin.
Voetnoten zijn (indien nodig) hernummerd en naar het eind van het betreffende hoofdstuk verplaatst.
Er zijn een aantal interpunctie fouten gecorrigeerd maar die worden hier niet verder genoemd.
In de HTML-versie is de originele paginanummering zichtbaar. Er is daarbij gebruik gemaakt van bepaalde html-styles waardoor pagina nummers wel zichtbaar zijn, maar niet hinderen bij het zoeken op hele woorden, ook als ze (ogenschijnlijk) opgebroken zijn door een paginanummer.