← Table of contents
De Scherpschutters van Zuid-Afrika

DE SCHERPSCHUTTERS VAN ZUID-AFRIKA. (continued 3)

Reading edition

Neen, die éérste kogel was geen verdwaalde kogel geweest; dat begrepen de Engelschen nu ook. En zij drukten zich tegen den muur, om uit de doodelijke richting der schietgaten te blijven, en de kogels floten er doorheen, dat kalk en steengruis spatten.

De Engelschen lachten niet meer; zij rilden. Zóó'n uitwerking kan een klein stukje blauw lood hebben in den geweerloop van een Boeren-Scherpschutter.

Intusschen was generaal Cronjé met een andere afdeeling Boeren door slooten en tuinen opgerukt in de richting van het kerkhof, om het kamp in bedwang te houden. Twee paarden werden den generaal door Engelsche granaten gedood, maar de wakkere Boeren gaven het niet op, en dekking zoekend achter een boom, een heg, een tuinmuur, een houten schutting, tornde men op tegen den vijand.

Onophoudelijk knalde het geweervuur, en eerst de avond maakte aan den strijd een voorloopig einde. Maar de Boeren legden zich ter ruste met het geweer in den arm, terwijl sterke wachten op de meeste bedreigde punten post vatten.

Reeds vroeg in den volgenden morgen werd het vuur van beide zijden weer opgenomen, en overal ontdekte men de teekenen der verwoesting. De daken werden door de granaten der Engelschen ingeslagen en de muren omgeworpen. Met angstig kloppende harten zaten de inwoners in hunne woningen, ieder oogenblik bevreesd, dat een bom hun woning uit elkander zou slaan. En buiten op de straat lagen de gedoode paarden der Boeren, en hoog in de lucht zwierven, door den reuk aangetrokken, talrijke aasvogels.

Voor het garnizoen van het Gouvernementskantoor begon het er intusschen bedenkelijk uit te zien. De Boeren wonnen voet voor voet terrein, en in den vroegen morgen van den 18den December begonnen hun kogels de tot nog toe veilige achterzijde van het kantoor te bestrijken. Een twintigtal dappere kerels hadden zich namelijk genesteld in de erven achter het kantoor, en Cronjé haastte zich, om hen nog 25 man versterking te zenden, die kruipende door tuinen en boomgaarden heen, onder een hagelslag van vijandelijke kogels het gevechtsterrein gelukkig bereikten.

Hei! Wat de kogels floten! Ze scheurden de spaanders van deuren en ramen, vlogen door de schietgaten heen en kletterden tegen de binnenmuren.

Maar de jonge Jan de Koek zeide: "Dat gaat me nog niet vlug genoeg; zonder kogels zal ik de Roodbaatjes uit hun nest jagen."

Hij nam eenige lange spaansche rieten, maakte ze aan de punt scherp, en wikkelde er wollen lappen om, die met terpentijn waren gedrenkt.

"Kijk," zeide hij triomfantelijk, terwijl hij de lappen aanstak, "dat zijn nu de ware brandassegaaien," en terwijl de Boeren hem met hun geweervuur dekten, sjorde hij in onbegrijpelijke koelbloedigheid, met zijn brandfakkels in de hand, een half vermolmde ladder op.

Reeds had hij de eerste in het rieten dak van het Gouvernementskantoor geworpen, en wilde de tweede nemen, toen een luid en driftig geroep van het kerkplein weerklonk. De Engelschen hadden de witte vlag geheschen.

In groote spanning wachtten de Boeren het verder verloop, toen bij een der ramen de zandzakken werden verwijderd, en in de gemaakte opening het bekende gelaat van den dapperen Raaff zichtbaar werd.

"Wat," riepen de Boeren, "ben jij daar, Raaffje? En waar is je blekken schotel, man?" en zij schaterlachten.

Majoor Clarke, Raaff en 40 mindere Engelsche militairen werden als gevangenen weggevoerd, en een aantal geweren, benevens een groote voorraad ammunitie en mondvoorraad viel de Boeren, die aan alles gebrek begonnen te krijgen, in handen.

Dat was een goede vangst, en ofschoon de Engelsche kanonnen een vreeselijk geweld maakten, de Boeren hadden schik, en zij schoten victorie.

HOOFDSTUK XV.

Er hingen vage geruchten in de lucht, dat er een gevecht had plaats gehad tusschen de Engelsche troepen en een kommando der Boeren.

Deze geruchten namen een bepaalder vorm aan, en er werd gesproken van een grooten slag, waarin de Boeren met bebloede koppen naar huis waren gejaagd.

Ook op het erf van Dirk Kloppers deed dit gerucht zijn intrede. Een kleurling bracht het nieuws mede, en de Kaffers, bij Kloppers in dienst, staken de hoofden bij elkander, en fluisterden elkander het heuchelijke nieuws toe bij het scheren der schapen.

Natuurlijk, het was voor hen een heuchelijk nieuws. Want als de Boeren er onder gingen, dan behoefden zij niet meer te werken, en zouden zij zelf de heeren en de meesters worden.

Het gerucht, want meer was het niet, stichtte weinig goeds. De Kaffers werden nog trager dan gewoonlijk, en uit hun donkere oogen begon duidelijk een geest van onwil en verzet te flikkeren.

Vrouw Kloppers zag het onweer wel broeien, maar zij deed alsof zij niets merkte, en ging kalm haar gang. En tot Arie, die in zijn jeugdigen ijver de zweep had gegrepen met den langen slag van buffelleer, om er de Kaffers mee af te ranselen, had zij gezegd: "Dat heeft nog tijd." En zij had dat op dien eigenaardigen toon gezegd, dien zij bezigde, als zij geen tegenspraak duldde. Arie kende dien toon wel, en zwijgend had hij de zweep weer in den hoek van de keuken gezet. Doch binnen twee dagen kwam reeds de crisis, en vroeg in den morgen kwam de oude Columbus, van wiens trouw vrouw Kloppers zich verzekerd kon houden, in opgewonden toestand naar binnen en zeide: "De knechten willen het vee niet uit de kralen drijven!"

"Zóó," zeide vrouw Kloppers op bedaarden toon; "waar zijn de knechten?"

"Achter 't huis," antwoordde de Zoeloe, maar Arie kon toch niet nalaten te zeggen: "Dat komt er nu van toegeven!"

De oude vrouw stond nu op, en begaf zich, vergezeld van Columbus en Arie, naar het muitende volk.

Er stonden er zeker wel twintig.

Zonder een woord te zeggen, met de handen in de zijde gestut, ging zij vlak voor de Kaffers staan.

"Jaagt het vee uit de kralen," zeide zij eindelijk.

Geen man verroerde zich.

"Jaagt het vee er uit," zeide zij nog eens.

Het bevel had hetzelfde resultaat, en hier en daar hoorde men een grinnikend gelach.

Vrouw Kloppers had het ook gehoord. Langzaam gleden haar grijze oogen van den een op den ander.

Toen verstomde het lachen, maar de jonge, sterke "Amerika," die midden tusschen de anderen stond, keek haar aan met zijn brutale oogen en zeide: "wij jagen jou vee er niet uit — doe 't zelf!"

Hij was de belhamel, de aanvoerder der muiters; dat was duidelijk. En Arie, die de zaak niet meer vertrouwde, verwijderde zich haastig, om zijn geweer te halen.

"Jij Kaffer zult het ook niet meer doen," zeide ze langzaam, op den haar eigen, beslisten toon. "Van mijn erf! En er nooit meer op!" liet zij er op volgen, haar rechterhand gebiedend uitstrekkend.

Zij begon warm te worden; het Afrikaansche vuur begon te gloeien in die grijze oogen. Neen, zij was niet bang, zelfs voor twintig Kaffers niet. Zij greep den muiter in de borst, rukte hem uit den kring der Kaffers en drukte hem tegen den achtermuur van het huis aan.

Juist kwam Arie aanloopen met het geweer.

"Geef op," zeide zij, en het nemend, legde zij op den Kaffer aan.

"Voor den laatsten keer — van mijn erf!" riep zij, en onheilspellend flikkerden haar oogen.

Doch de weerbarstigheid van den Kaffer was nu gebroken. Hij was tegen deze oude vrouw niet opgewassen; hij voelde hare meerderheid. Hij viel voor haar op de knieën, strekte zijn zwarte armen smeekend omhoog en riep: "Vergeef het mij; Amerika zal nooit meer weerspannig zijn; nooit meer. Hij zal werken dag en nacht, zomer en winter, als hij maar op Vredenoord mag blijven."

"Ik zal zien, wat ik doen zal," zeide zij langzaam, maar op milder toon.

Toen sprong de jonge Kaffer met een vreugdekreet omhoog, en hij en de andere Kaffers snelden naar de kralen, en joegen het vee naar buiten, en er was geen sprake meer van weerbarstigheid.

Intusschen keek vrouw Kloppers reikhalzend uit naar een brief van haar man, want al schonk zij aan de opduikende geruchten weinig waarde, op haar gemak was zij toch niet. Het was voor haar echter een troost, dat Arie nog niet was vertrokken. De jongen had wel het vaste voornemen gehad, om reeds acht dagen geleden te gaan, maar de onzekerheid, waar hij zijn grootvader moest zoeken, had hem nog aan huis gebannen. Hij moest nu wel, al was het tegen zijn zin, geduld oefenen, tot er tijding kwam.

Op zekeren namiddag, twee dagen vóór nieuwjaar, kwam echter de zoo vurig verbeide tijding in een lijvigen, zwaren brief, die door een gewonden, naar huis keerenden Boer was medegebracht.

De man had er al vast bij gezegd, dat de Engelschen een geducht pak slaag hadden gehad, en dat oom Dirk en Neef Jan het uitstekend maakten.

Vrouw Kloppers plaatste zich aan het open raam, in den leuningstoel, die haar man placht in te nemen, zette de hoornen bril vóór haar oogen en opende het couvert.

En daar had zij nu den langen, grooten brief vóór zich liggen op tafel! Ja, dat waren zijn letters; zoo haalde hij ze. Een vreemdeling zou zeggen, dat die letters geleken op de boomen van een woud, door een plotselingen storm door en over elkander geworpen, maar zij had die letters lief, omdat hij ze had geschreven en door dat labyrint van haken en halen wist zij den weg te vinden zonder te verdwalen.

Zij las den brief eens en nóg eens en nóg eens.

Lena zat naast haar en leunde tegen haar schoot, en Arie had den mond wijd open, opdat hem geen woord zou ontgaan. Maar voorloopig hoorde hij nog niets, en zag hij slechts, hoe Grootmoeder, wanneer haar gerimpelde vinger op zekere plaats van den brief was aangekomen, een paar tranen wegpinkte.

Maar eindelijk kon de jongen zijn ongeduld niet langer bedwingen en hij zeide: "Grootmoeder, ik weet nu, dat Grootvader en Oom Jan nog leven; vertel mij nu als 't u belieft, of Herman Hoogerhuis en de Moorkop ook nog leven; dan weet ik genoeg." Doch de oude vrouw zeide vriendelijk: "Ik zal jou en Lena den geheelen brief voorlezen. Luistert maar!"

En zij begon:

21 December 1880.

Hartelijk geliefde Vrouw!

Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik en Jan en Teunis en Herman nog frisch en gezond zijn. Wij zijn gisteren voor den eersten keer in het vuur geweest, en wij hebben ruime stof, om den Heere te danken, want Hij heeft ons wonderbaarlijk geholpen. Wij waren met 300 man onder aanvoering van generaal F. Joubert, en de Engelsche troepen telden ruim 250 man. Zij waren op weg van Lijdenberg, om het Engelsche garnizoen in Pretoria te versterken, maar wij wilden dat niet hebben.

Op ordelijke wijze verwittigde onze generaal aan kolonel Anstruther, die de Engelschen aanvoerde, dat hij terug moest gaan met zijn volk, want anders zouden wij genoodzaakt zijn, op zijn volk te schieten. Maar de kolonel antwoordde, dat zijn instructies luidden, om naar Pretoria te gaan, en dat hij 't doen zou ook. Toen zeide onze generaal tot ons: "Menschen, nu zullen we vechten," en wij vonden dat heel goed. En terwijl de Engelsche muziek hun trotsche volksliederen speelde, stormden wij, onze paarden achterlatende, tot op honderd pas afstand. Wij moesten over de open vlakte heen, terwijl de kogels van den vijand ons als vliegen om de ooren bromden. Jan was aan mijn rechterhand, en Teunis de leeuwenjager aan mijn linkerhand. Teunis zeide: "Neef Dirk, dien hooge dáár op dat zwarte paard, dien zal ik er afhalen. 't Is jammer, dat het paard zoo steigert; ik zal er twee kogels aan moeten wagen." Toen schoot hij de beide loopen van zijn geweer op dien hooge af; het was de kolonel. Toen de kruitdamp door den wind even wegwaaide, zagen wij, dat hij van het paard was gevallen. Ik zocht en vond ook een hooge, maar die was te voet en stond met uitgetrokken sabel vóór de troep. Ik zeide: "Neef Teunis, dat is de mijne."

"Dat is een mooi mikpunt," antwoordde de leeuwenjager, "want de man staat heel bedaard; meer dan één kogel heeft hij niet noodig." Dat is ook uitgekomen. Wij hadden nog geen tien minuten gevochten, of daar zagen wij witte zakdoeken zwaaien en helmen omhoog houden, want de vijand kon het niet uithouden. Toen werd mijn hart vervuld met een groote overwinningsvreugde, Anneke; ik denk een zelfde gevoel als dat de Israeliten bezielde, toen zij de slagorden verbrijzelden der Filistijnen. Wij liepen met gejuich en zoo snel als blesbokken op de Engelschen aan, en hielden onze geweren in de hand, maar toen wij bij de Engelsche troepen aankwamen, toen werd mijn hart zeer geroerd, want wij stonden midden tusschen dooden, gewonden en stervenden. Het was een ontzettend gezicht, lieve vrouw, en ik haastte mij, om hier en daar een zwaargewonde met een teug water te verkwikken. Zóó deden de Boeren allemaal; alle haat en wrok was verdwenen. Onze dappere generaal ging zelf naar den Engelschen kolonel, en vraagde hem, wat hij voor hem doen kon. Die arme menschen! En voor zoo'n slechte zaak hun kostbaar bloed te storten! Ik kwam zelf bij een jong en vriendelijk gezicht voorbij, dat mij zoo klagend aankeek, dat het mij door de ziel sneed. Hij had het benauwd, en ik knoopte hem de roode uniform open, en maakte zijn lippen vochtig met een paar druppels Kaapschen wijn uit mijn veldflesch. Maar ik begreep wel, dat de kogel zijn longen had geraakt, en dat de geleerdste professor hier aan het einde was van zijn kunst. Een papieren couvert lag in de nabijheid, en de gewonde hield een portret in de hand. Ik zag, dat het een vrouw van middelbaren leeftijd voorstelde, en uit de gelaatstrekken bespeurde ik, dat het Zijne moeder moest zijn. Ik had groot medelijden met den armen jongen, en ik dacht: Uw Moeder is ver weg; nu zal ik hare plaats zien in te nemen, en ik stutte zijn stervend hoofd, en in mijn armen gaf hij den geest. En dat heet nu een christennatie, Anneke, die zóó hare kinderen in den dood jaagt. Het was een heel ding, lieve vrouw, om zoo maar tegen de Engelsche bajonetten en kogels in te stormen, maar ik had mij gesterkt in mijn God. Het is zoo als de psalmdichter zegt: "Met U loop ik door eene bende, en met mijnen God spring ik over eenen muur." En Hij heeft ons wonderlijk, wonderlijk geholpen. Wij hadden slechts twee dooden, en onze harten zijn vol lof en dank. De Heere vervulde onze harten met moed en dapperheid, en er was niets tegen ons bestand. Jou jongen, jou Benjamin, Anneke, heeft ook dapper gevochten. Hij gedroeg zich als iemand, die grijs is geworden in het oorlogsgewoel. Hij mikte even bedaard als ik en de leeuwenjager. Herman heeft zich ook flink gehouden, maar hij schoot te gauw. Ik zeg: Neef, den haan overtrekken, dat kan een klein kind wel, maar raken, raken, daar komt het op aan. Maar hij houdt stijf en plechtig vol, dat hij ook een roodbaatje heeft doodgeschoten. In elk geval, er zit hart in den jongen; hij is van het echte ras. Na het gevecht zeide Jan tegen mij: "Kijk, vader, die roodbaatjes hebben mij geteekend," en hij liet mij zijn oor zien. Er was waarlijk een stuk van zijn oor afgeschoten. Dus de dood is rakelings langs ons kind heengegaan, lieve vrouw, en gij kunt denken, dat mijn dank tot den Heere groot en innig is. Misschien hebben de gebeden van de moeder de kogel uit de doodelijke richting gestooten. Wij trekken nu voorloopig naar het lager te Heidelberg, en vervolgens waarschijnlijk naar de passen van het Drakengebergte, want daar zal de beslissing moeten vallen. Moge de Heere ons verder genadiglijk bijstaan; dan zullen wij zeker overwinnen. Groet de kleinkinderen en verder alle vrienden en kennissen en schrijf ook eens gauw. Er zal wel gelegenheid zijn met deze of gene, die naar het oorlogsveld gaat, een brief mede te geven. Ik hoop, dat Gij, lieve vrouw, dezen brief in goeden welstand mogt ontvangen, en dat wij elkander eerlang weer mogen ontmoeten. Dan zal ik u veel, veel te vertellen hebben. Deze brief heeft langer geduurd dan het gevecht bij Bronkhorstspruit; ik heb nog nooit zoo'n langen brief geschreven.

Uw liefhebbende Man DIRK KLOPPERS.

P.S. Jan zal er ook nog een paar woorden bijvoegen."

Onder de wonderlijk door elkander heen gehaalde pennestreken van den ouden Kloppers volgde nu in kloek, flink schrift het volgende:

"Geliefde Moeder!

Wij hebben de Roodbaatjes geklopt en wij zullen hen nog eens kloppen. Ik zit hier op een veroverde Engelsche wagenkist deze regelen te schrijven. Herman heeft zich ook kranig gehouden, en hij zegt, dat hij een Engelschman heeft doodgeschoten, doch dat geloof ik niet. Maar hij zal 't wel leeren, wis en zeker! Zeg aan Arie, dat ik den Moorkop voeder met de haver, die wij bij Bronkhorstspruit hebben veroverd op de Engelschen. Hij wou ze eerst niet vreten, misschien uit bescheidenheid, maar nou lust hij ze wel. Lieve Moeder! Ik ben een beetje uitgelaten, maar dat doet de vreugde over de overwinning. Ik hoop niet te vergeten, Wie ons de overwinning schonk. Weest te samen hartelijk gegroet. Ook de groete van Oom Teunis en Herman. Leve de vrijheid! Uw liefhebbende Zoon

JAN KLOPPERS.

P. S. Ik heb op het slagveld de geweren der gevallen soldaten onderzocht, en zag tot mijn verbazing, dat het vizier was gericht op een afstand van 300 tot 500 pas, terwijl de werkelijke afstand slechts 100 pas bedroeg. Nu is het te begrijpen, waarom de Engelschen zoo miserabel schoten. Vader zegt, dat God onze vijanden met blindheid slaat, en dat zal wel de waarheid zijn.

DEZELFDE."

Reeds den 5en December was kolonel Anstruther op bevel van den Engelschen generaal Lanyon met een sterke afdeeling van het 94ste regiment, tellende 248 man en 9 officieren, van Lijdenburg opgebroken, en had den 14en December Middelburg bereikt. Hier ontving de kolonel een waarschuwing, dat de Boeren wel in staat konden zijn, hem den weg naar Pretoria te versperren, maar hij glimlachte en beschouwde het voor een bakerpraatje. Onbekommerd zette hij den tocht naar Pretoria voort, maar toen, aan de overzijde der Olifantsrivier gekomen, een kaffer hem de stellige mededeeling bracht, onder weg een kommando Boeren te hebben ontmoet, nam de kolonel de noodige maatregelen van voorzichtigheid, kortte zijn lang convooi wat in en betrok des nachts een lager.

Zoo was hij Pretoria, het doel van den tocht, tot op 10 uur afstands genaderd, toen een eenzaam ruiter de Engelschen tot op honderd schreden naderde. Het was een parlementair. Hij hield een vlag in de hand, en begeerde den bevelhebber te spreken. Kolonel Anstruther begaf zich nu buiten het front zijner linie en nam de dépèche aan, die de parlementair hem aanreikte. Hij las ze kalm en bedaard tot het einde, maar schudde het hoofd, en zeide tot den parlementair:

"Ik heb orders, om naar Pretoria te gaan, en ik ga naar Pretoria; doe wat gij wilt."

Meteen stak hij de dépèche in zijn borstzak, waar ze later ook is terug gevonden.

Het voornaamste punt in dit schrijven luidde als volgt:

"Heidelberg, 17 December 1880.

Aan den bevelhebbenden Officier van Harer Majesteits troepen, op weg tusschen Lijdenburg en Pretoria.

Mijnheer! Wij hebben de eer u te berichten, dat de Regeering van de Zuid-Afrikaansche Republiek haar zetel heeft gevestigd te Heidelberg, dat een diplomatieke afgezant met dépèches is gezonden aan Z. Exc. Sir Owen Lanyon, dat vóór de terugkomst van Z. Excs. antwoord wij niet weten, of wij in oorlog zijn of niet; dat wij gevolgelijk niet kunnen toelaten eenige beweging van troepen uwerzijds en begeeren, dat gij blijft waar gij zijt.... Wij nemen eenvoudig de onafhankelijkheid van ons land terug, en berichten u derhalve, dat eenige beweging van uwe troepen door ons zal worden opgevat als eene oorlogsverklaring, de verantwoordelijkheid waarvan wij op uwe schouders werpen, wel wetende, wat wij te doen zullen hebben in zelfverdediging.

PIETER J. JOUBERT, Kommandant-Generaal.

Op 300 meter afstands van de Engelsche troepen had Frans Joubert zijn 300 Boeren achter de heuvelen in hinderlaag geplaatst, en gaf, nu de zending van den parlementair zonder vrucht was gebleven, het sein tot den aanval.

Hun paarden de sporen gevend, naderden de Boeren nu tot op 200 meter afstand, sprongen uit het zadel, en de paarden achterlatend, liepen zij storm tot op 100 pas afstand.

In der haast trachtten de soldaten de ossenwagens tot een verschansing saam te trekken, maar de kogels floten door de huiven, kletterden tegen de ijzeren wielbanden en sloegen de soldaten bij de disselboomen dood.

Doch de kolonel was een man met een dapper, moedig hart, en zelfs in dit hachelijke oogenblik verloor hij zijn koelbloedigheid niet, en hij gaf zijn bevelen even kalm en bedaard alsof hij op het excercitieveld stond.

Maar — wat baatte het? Tegen het huiveringwekkend juiste schot der Boeren was moed noch dapperheid bestand. Als rijpe korenaren voor den sikkel van den maaier — zóó vielen de Engelschen. Het was geen slagveld, waar zij stonden, maar een slachtbank. Hun gelederen werden verscheurd, vóór zij in orde waren opgesteld, en met de doodelijke kogel in de borst, stortte de wakkere kolonel van zijn paard.

Zelf wenkte hij zijn soldaten, om het sein van overgave te doen. Dat was geen daad van lafheid, maar van barmhartigheid tegenover zijn ondergeschikten, want in dezen strijd was geen verweer.

Honderd Engelsche soldaten lagen dood bij de wagens, en 28 wagens met ammunitie en krijgsbehoeften, benevens een groot aantal geweren en andere wapenen vielen den overwinnaars in de handen.

De dappere aanvoerder der Boeren, Frans Joubert, zocht intusschen een weg tusschen de dooden en stervenden door, om zijn tegenstander, die hem wenschte te spreken, te ontmoeten.

"Zie," zeide de kolonel met zwakker wordende stem, "ik ben diep getroffen door de edelmoedigheid, waarmede uw volk mijn gewonde en gekwetste soldaten behandelt."

"Zij doen slechts hun christenplicht, kolonel," zeide Frans Joubert bedaard.

"Ja," zeide de kolonel, "zij handelen als christenen."

"Neem dit aan tot een herinnering en als een bewijs van mijn hoogachting," zeide hij na een pauze, en hij liet generaal Joubert een prachtige verzameling wapenen aanbieden.

Eerbiedig en vol weemoed aanvaardde Joubert dit kostbaar geschenk.

Nu reikte de kolonel Joubert de hand tot afscheid. En diep ontroerd drukte deze de hand van zijn vijand.

Zij staarden elkander in de oogen — twee helden!

Zoo scheidden zij.

Maar de tijding der zegepraal van Bronkhorstspruit verspreidde zich door geheel Zuid-Afrika, bemoedigde de vreesachtigen, sterkte de zwakken, verwakkerde de twijfelmoedigen, en klonk als een donderslag in de ooren der vijandelijke, door de Engelschen opgezette Kafferstammen!

HOOFDSTUK XVI.

Dáár tusschen dat geboomte, dáár ligt het dorp.

Dáár moeten we zijn.

Ge ziet den rook langzaam omhoog kronkelen boven de toppen der boomen.

Sla niet dat voetpad links in, want dan komt ge langs het kamp, waar eenige honderden Engelsche soldaten liggen.

We moeten rechts houden.

Wees toch voorzichtig; kijk voor uw voeten. Daar ligt al zoo'n zwart ding.

Ge zoudt het voor een gebogen stok houden, maar 't is geen gebogen stok.

't Is een slang; een vergiftige slang; een echte cobra. Zij ligt zich te koesteren in de zonnestralen en loert op den argeloozen wandelaar.

Er zijn veel vergiftige slangen hier in de Transvaal. Ze geven u een beet, vóór ge 't weet, en die beet is doodelijk, want hij vergiftigt uw bloed.

De slang is gevaarlijker dan de leeuw.

Den leeuw hoort ge aankomen, en hij brult, dat het merg in uw gebeente ontroert, maar hij komt niet als een sluipmoordenaar.

Daarom heb ik liever met een leeuw te doen dan met een slang.

Daar zijn we reeds aan de voorste huizen van het dorp.

Pas op; houd je langs den muur!

Dichter langs den muur, onvoorzichtige! Hoort ge dan de kogels niet fluiten?

Die kogels komen uit het kamp. Het kamp wordt bedreigd door de Boeren, die zich in en bij het dorp hebben vastgezet. En de Engelschen schieten zoo hard als zij kunnen, om zich die Boeren van het lijf te houden.

't Is toch wonderlijk.

Daar hebt ge de onmetelijke wildernis, waar bloem en plant en bosch en stroom slechts vrede ademen.

En midden in die onmetelijke wildernis ligt, als een klein eiland in den grooten Oceaan, een nietig plekje gronds, waarop zich eenige honderden menschen bevinden, die elkander bekampen op leven en dood.

't Is wonderlijk; neen — 't is vreeselijk.

Maar we hebben geen tijd, om bespiegelingen te maken.

Hier moeten we den hoek om, en ginds, even buiten het dorp, in de richting van het kamp, waar dat bruinroode schild uithangt met het gele opschrift: "In den altoos vroolijken Olifant," daar moeten we zijn.

Het huis staat daar eenzaam, als een vooruitgeschoven voorpost, stil en ernstig. Nu zijn we er. Licht maar gauw de klink op van de bovendeur! 't Is veiliger in huis dan buiten.

Het schemert je, zoo van den vollen middag in de duisternis, die slechts getemperd wordt door het helder opvlammende vuur aan den grooten haard in de ruime keuken, die tegen de straat uitkomt, en door de lichtstralen, die door spleten en kleine openingen binnendringen.

Van waar die duisternis toch?

Hebt ge dan van buiten de zandzakken niet gezien, waarmede de vensterramen gebarricadeerd zijn?

Maar er zijn tusschen de zandzakken eenige openingen gelaten, schietgaten, waardoor het daglicht naar binnen dringt. Ook wordt uw oog aan de duisternis meer gewend, en kunt ge in de ruime keuken allengs alles beter onderscheiden.

't Is druk in de keuken. Er zitten en liggen zeker een tiental Boeren rondom den haard, en zij voeren levendige gesprekken. Terwijl drinken zij koffie, en dampen ze zoo geweldig, dat ge den rook wel kunt snijden.

In den hoek staan de geweren.

Telkens als er een blok hout, op den haard geworpen, vuur vat, schitteren de loopen als gepolijst staal.

Kijk nu eens goed rond; ge zult hier kennissen ontmoeten. Die kleurling daar, dat is Columbus. Het wit van zijn oogen steekt spookachtig af bij de zwarte huid. Hij lijkt nog zwarter dan gewoonlijk.

Hij houdt een eind telegraafdraad in de hand, rijgt er een stuk rauw vleesch aan en roostert het boven het knappende vuur.

De Boeren hebben de telegraafpalen omgehakt, om de gemeenschap der Engelschen met de buitenwereld te verbreken. En terwijl zij de palen gebruiken, om er hun vuren mee te onderhouden, gebruiken zij den draad tot allerlei huiselijke bezigheden.

Zóó wordt het aangename aan het nuttige verbonden, maar de Engelschen hadden het zóó niet bedoeld.

De jonge Arie is er ook; hij zit dicht bij Columbus.

Maar hoe komt hij toch hier? Ge zoudt hem bij de Passen van het Drakengebergte hebben gezocht; bij zijn Grootvader.

Nu, hij is er ook geweest; met Columbus. Grootmoeder had Columbus meegegeven uit bezorgdheid.

Druipnat, hongerig en half ziek van de doorgestane vermoeienissen, waren onze reizigers in het kamp der Boeren aan het Drakengebergte aangekomen, maar 't was toch een dag van glorie geweest voor Arie.

Niemand had verbaasder gekeken dan de oude Dirk Kloppers, toen men hem uit de tent kwam roepen, om zijn kleinzoon te ontmoeten.

Langzaam was hij naar zijn kleinzoon toe gegaan, en hij had op gestrengen toon gezegd: "Arie, ben je de conditie vergeten?"

En er was een donderwolk over zijn breed voorhoofd heengetrokken. Maar Arie had triomfantelijk geantwoord: "Neen, Grootvader, ik ben de conditie niet vergeten," en tot den Kaffer zich wendend, die er bij stond, had hij gezegd: "Toe, ouwe Columbus, doe je mond nu eens open, en vertel op, wat je baassie heeft gedaan."

En Columbus had het verteld; op zijn manier; in kinderlijke bewoordingen. En de Boeren hadden er bij gestaan, en hadden opmerkzaam geluisterd, tot het verhaal ten einde was. En toen hadden zij den ouden Kloppers om strijd geluk gewenscht met zoo'n dapperen, kranigen jongen.

"Wel," zeide een boer, "mijn Tijs, dien ik nog thuis heb, is heel wat mans, al zeg ik het zelf; maar zoo'n stuk te bestaan — ik weet niet, of hij dat wel aandurft."

"Die jongen kan nog wel generaal worden," meende een andere omstander, die bedachtzaam zijn pijp stopte.

"Laat ons die wapens toch eens zien," zeide een derde, naar de Engelsche karabijnen wijzend, die als de krachtige bewijzen der heldendaad nog op de natte ruggen onzer ruiters hingen.

"'t Zijn beste geweren," zeide hij, na ze met kennersblik te hebben opgenomen, "en fonkelnieuw. Maar ik heb toch liever mijn oud voorlaadgeweer. Doch dat doet er niet toe. 't Is een stout stuk geweest — 't is bijna niet te gelooven!"

"En toch is het waar," had Columbus met waardigheid verklaard; "O, mijn baassie is zoo'n knap scherpschutter!"

En zóó had het door elkaar gepraat, gewoeld en gegonsd.

Slechts één man mengde zich niet in die gesprekken; dat was de oude Kloppers. Maar de donderwolk was verdwenen van zijn voorhoofd, en in die oogen schitterden trots en vreugde.

"Kom, mijn jongen," had hij eindelijk gezegd, "kom mee in de tent, en vertel me dan, hoe het thuis gaat. En het lekkerste kop koffie en het fijnste stuk biltong van het heele lager is van daag voor jou. Jij bent een wakkere jongen. En Columbus moet ook mee komen."

Inderdaad had Arie de koffie nog nooit zoo lekker en de biltong nog nooit zoo fijn gevonden als hier in de tent van zijn grootvader.

Was de koffie werkelijk zoo lekker en de biltong zoo fijn geweest, of had het woord van zijn grootvader: "Jij bent een wakkere jongen," spijs en drank zoo heerlijk gekruid?

Twee dagen had Arie bij zijn grootvader vertoefd, zonder dat er iets bijzonders op de grenzen had plaats gegrepen.

Toen zeide de oude Kloppers: "Arie, jij en Herman Hoogerhuis gaat met Columbus naar het dorp, dat ik je nader zal aanduiden. Onze burgers zijn daar te weinig in aantal, om het nabijgelegen kamp der Engelschen voldoende in toom te houden, en jullie hebt de eervolle opdracht, om onze burgers daarin te helpen. Ge zult er ook verscheidene leden onzer familie aantreffen."

Zoo zijn ze dan alle drie hier aangekomen: Arie, Columbus en Herman Hoogerhuis.

Ge ziet Herman niet? Pas maar op, anders val je nog over zijn groote laarzen en zijn breede sporen!

Hij ligt vlak voor je voeten, in een kombaars van schapevachten gerold, en niet rustiger heeft hij vijfentwintig jaar geleden in de Hollandsche schommelwieg geslapen, dan hier op den steenharden grond, bij het gegons en gedruisch der stemmen.

Hij heeft nachtdienst gehad, en zoo'n heele nacht buiten in de frissche, fijne berglucht maakt slaperig.

En die lange schaduw, die aan zijn voeten zit, met dat lange sluike haar en die veldschoenen van ongelooid buffelleer is niemand anders dan Leen Blok.

Leen Blok heeft reeds lidteekenen opgedaan uit dezen oorlog. Als hij zijn rechterarm opstroopt, dan kunt ge ze zien. Maar ze zijn niet toe te schrijven aan den houw van een Engelschen sabel, maar aan een venijnigen knauw van zijn poney, die rebelscher is dan ooit.

Tegen den avond slenterde Leen, het roer over den schouder, naar zijn post, waar hij gedurende den nacht de wacht moest betrekken.

Er viel een zachte regen, en de lange Leen keek melancholiek voor zich heen.

Hij dacht aan Mieke zijn vrouw en aan zijn hond en aan zijn schapen en aan den Engelschen wolkoopman, die misschien in dat kamp daar ginds zat opgesloten en aan de smakelijke pap, die hij thuis elken avond volop kreeg.

Hij tastte weer naar zijn mageren hals en slofte zwijgend verder, totdat hij zijn post, een kleinen heuvel, met een paar wilgeboomen beplant, had bereikt.

Vóór hem lag nu het kamp, dat hij niet meer kon zien, want de avond viel snel, maar duidelijk vernam hij de Engelsche hoornsignalen.

In de richting van het kamp, doch dicht bij den heuvel, lag een boschje, en op dit boschje hield Leen reeds eenige oogenblikken zijn doezerige oogen gevestigd, want hij meende er een verdacht geluid te hebben gehoord.

Hij nam het geweer in de hand en legde aan, maar zijn hand beefde, en het liep hem ijskoud over den rug, toen plotseling een vreeselijke gedaante met uitgespreide armen uit het boschje op hem af stoof.

Zijn geweer weg te werpen, was zijn éérste werk, en zijn tweede werk was, om hals over kop de vlucht te nemen. Hij had nog nooit zoo hard geloopen.

"Wat is er gebeurd?" vraagden de verwonderde Boeren, toen hij hijgend binnen kwam stormen.

"Waar is je geweer?" vraagde Barend, de zoon van Lodewijk Jansen.

"Een monsterachtig Engelsch gedrocht, een helsche machine zat mij op de hielen. Lacht niet, menschen, want het was vreeselijk."

"Hoe zag het ding er uit?" vraagde Herman.

"Ik weet het niet; het had de armen uitgespreid, om mij de keel toe te knijpen," zeide Leen, en hij greep krampachtig naar zijn mageren hals.

Met één werd echter aan de voordeur getrapt.

"Daar heb je 't al," riep Leen Blok, bleek van schrik, maar Barend Jansen stapte bedaard naar de voordeur. Hij wierp de bovendeur open, en Teun, de makke struisvogel, die hier thuis behoorde, strekte den lompen kop over de onderdeur nieuwsgierig naar binnen.

"Hier is de helsche machine!" riep Barend.

De jonge Boeren schaterlachten.

"Ik zal 't aan jou vrouw vertellen," plaagde Herman Hoogerhuis.

"Als de Engelschen je te pakken krijgen, dan hangen ze jou op aan je mageren hals," schertste Arie.

"Och wat," zeide Barend Jansen met een ernstig gelaat, "de Engelschen zullen hem voor een slingeraap aanzien, en hem opzenden naar den dierentuin te Londen, wat ik je zeg."

Maar Leen liet ze praten, en toen hij op zijn verhaal was gekomen, stak hij doodbedaard een pijp tabak aan en zeide: "Voor je vaderland dood te gaan, dat is het eiereten niet, maar je leven voor het vaderland te sparen, dat is het ware." En hij blaasde weltevreden dikke rookwolken uit.

Maar deze heerlijkheid duurde niet lang.

De snelle hoefslag van een paard werd vernomen, die vlak voor "den vroolijken Olifant" stopte.

"Leen Blok!" riep hij.

De geroepene stond langzaam op.

"Wat is 't oom?" vraagde hij.

"Je hebt je post lafhartig verlaten, en hier is je geweer. Je deugt niet voor veldwacht; morgen vroeg ga je mee aan de loopgraven werken. Neen, maak geen praatjes. Je post bij den heuvel is reeds door een dapperder man bezet."

En zonder het antwoord van den aangesprokene af te wachten, maakte de veldkornet rechtsomkeert, en diep verslagen stak Leen Blok zijn pijp in den zak.

HOOFDSTUK XVII.

't Is de laatste dagen heel stil geweest in het kamp der Engelschen. Ze hebben hun vuren zoo goed als geheel gestaakt.

't Is immers een nuttelooze kruitverspilling, want de Boeren zijn in hun loopgraven en achter hun muren voortreffelijk gedekt. En bovendien, wanneer de Engelschen schieten, dan moeten zij zich zelve bloot geven, en op het kleine kerkhof, achter in het kamp, ligt reeds menig dapper Engelsch soldaat begraven, wiens jeugdig leven door een onverhoedschen kogel werd afgesneden.

Had men kanonnen, dan was 't iets anders. Dan zou men eenvoudig het dorp platschieten, en de sterkten der Boeren met granaten overstelpen.

Maar men heeft helaas geen kanonnen in het kamp.

Enfin, dat is bij slot van rekening toch nog zoo erg niet. De ijzeren gordel waarin de Boeren het kamp hebben besloten, zal gauw genoeg als spinrag uiteenscheuren.

't Is veertien dagen geleden, dat een spion door de linie der Boeren is heengeslopen, en in het kamp het verblijdend bericht heeft gebracht, dat generaal Colley, een der kundigste hoofdofficieren, met een flinke troepenmacht in snelmarschen naar de Transvaal oprukt. De generaal had gezegd, dat hij het leven der Boeren zooveel mogelijk zou sparen, maar indien zij het waagden, om hem den doortocht door de Passen van het Drakengebergte te versperren, dan zouden zijn zware kanonnen er een onbarmhartige bres door heen schieten.

Ja, generaal Colley zal helpen; er is geen twijfel aan, al vertraagt zijn komst.

Want zijn komst is vertraagd; dat is waar. Hij had volgens de mededeeling van zijn spion reeds hier kunnen zijn, ja eigentlijk al hier moeten zijn. Maar de hooggezwollen rivieren zullen hem en zijn troepen hebben opgehouden.

Wel zeker, waarom niet?

Arie begrijpt het niet. Een schietend kamp kan hij verstaan, maar een zwijgend kamp is hem een raadsel.

Zijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, en op zekeren morgen gaat hij op kondschap uit. Hij sluipt met de noodige voorzichtigheid, het geweer in de hand, het golvende terrein door, maakt een grooten boog en komt tegenover den achterkant van het kamp uit.

Met den buik plat op den grond, heeft hij zich op een tamelijk hoogen heuvel neergevleid.

Hij heeft van uit dezen observatiepost een duidelijk gezicht op het kamp. Trouwens, hij is er niet ver van verwijderd.

Hij ziet de aarden wallen, die het kamp omringen, de zandzakken waarmee ze zijn verzwaard en verhoogd, de eenvoudige tenten der soldaten en de grootere der officieren. Hij ziet het golven van het witte linnen der tenten in den frisschen morgenwind, het blinken van het staal der in rotten geplaatste geweren en den eentonigen stap van den schildwacht.

Maar dat een der officieren hem door den verrekijker heeft bespied, en dat reeds een tiental soldaten, door het struikgewas gedekt, snel en behoedzaam naderen, neen, dat ziet hij niet.

Als hij den blik maar één oogenblik links laat gaan, dan zal hij den dans misschien nog ontspringen, maar hij doet het niet. Hij vergeet de voorzichtigheid; zijn oog is bekoord door het voor hem ongewone, militaire schouwspel, daar vóór hem.

Doch nu merkt hij onraad — hij grijpt naar het geweer.

't Is te laat.

De sergeant heeft er zijn grooten voet op gezet, en zes, tien handen grijpen den jongen.

Hij verweert zich wanhopig. Hij rukt, schopt en trapt, maar de sergeant, een ware reus, zegt heel bedaard: "Houd je maar koest, ventje, anders zal je een muilpeer van mij hebben, die je lang zal heugen."

Dat begrijpt Arie ook en hij geeft het op.

Hij zit in de knip.

"Rechtsomkeert, marsch!" beveelt de sergeant. "Vlug! Anders krijgen we de Boeren nog op ons lijf!"

"Ja, als dat eens waar was," denkt Arie. "Als Barend Jansen het bijvoorbeeld eens wist! Hij zou zich liever dood vechten, dan Arie in de handen der Engelschen te laten!"

Helaas, hij ziet niemand.

Als hij eens begon te roepen — reeds begint hij uit alle macht te roepen.

"Stop hem een prop in den mond!" beveelt de sergeant.

't Is reeds gebeurd: Arie doet geen kik meer.

En de Boeren komen niet opdagen; trouwens, men is aan den achterkant van het kamp.

Binnen een paar minuten zijn de Engelschen met hun gevangene nu binnen het kamp, en de prop wordt den jongen onmiddelijk uit den mond genomen.

De sergeant brengt hem bij den kolonel, die voor zijne tent op en neder wandelt.

"Zóó," zegt de kolonel op monteren toon tot den sergeant, "heb je daar dien jongen, dien ik op den heuvel ontdekte? Ja, ik zie het al, 't is dezelfde," en zich tot den jongen wendend, gaat hij voort: "Ik heb jou den tijd gegund, om ons kamp op je gemak op te nemen, maar de ééne dienst is de andere waard. Vertel mij nu eens, hoeveel Boeren hier in den omtrek liggen?"

"Dat zeg ik niet, kolonel," antwoordt de aangesprokene, die van den eersten schrik is bekomen.

"Zóó — zeg je dat niet? Waarom zeg je dat niet?"

"Omdat ik geen spion ben van de Engelschen."

"Hoe oud ben je? Vijftien jaar?"

"Ik ben er dertien, kolonel."

"Zoo — dertien jaar. Je bent brutaal genoeg voor je leeftijd, maar met dezen stok kan ik er de brutaliteit wel uitranselen."

Er volgde een kleine pauze, en Arie liet den blik onderzoekend over den omtrek gaan.

In één, twee, drie sprongen kon hij boven op de zandzakken en over den muur zijn. Dáár, tien passen achter den kolonel, daar was een heele mooie gelegenheid.

"Ge weet, dat de Engelsche regeering het wettige gezag vertegenwoordigt in dit land," begon de kolonel opnieuw.

"Zóó," zeide Arie, die nieuwen moed schepte om te ontsnappen, op kordaten toon, "ik wist het heusch niet."

"Dan weet je 't nu," zeide de kolonel op forschen toon.

"Dank u," zeide de jongen gelaten.

"En gij zult den eed der getrouwheid afleggen," zeide de kolonel.

"Aan wien?" zeide Arie.

"Aan Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin," zeide de kolonel.

"Daar heb ik geen zin in," zeide Arie.

"Waarom niet?" zeide de kolonel.

"Omdat zij mijn koningin niet is," zeide Arie. "Zij regeert over Engeland, maar niet over de Transvaal."

"Zij regeert wel over de Transvaal, en gij zult zweren," zeide de kolonel toornig.

Hij nam een der in rotten staande geweren en ging voort: "Ken jij dit geweer?"

"Ik denk, dat het een Snidergeweer is," zeide Arie. "Bij Bronkhorstspruit hebben onze Boeren ze bij hoopen veroverd."

De kolonel fronste even de wenkbrauwen en zeide: "Het is een rebellengeweer; men schiet er de rebellen mee dood, jou muitende natie bijvoorbeeld, begrepen?"

"Wij zijn geen rebellen, kolonel," zegt de jongen, terwijl het bloed hem in de wangen schoot.

"Geen rebellen — zóó!" zeide de kolonel, terwijl hij spottend lachte. "'t Is een mooi zoodje, jou natie, dat beloof ik je..."

"De rebellen zitten in een anderen hoek," zeide Arie met groote vrijpostigheid.

"In welken hoek dan?"

"In den Engelschen hoek, kolonel. De Engelschen zijn de rebellen, want zij vechten tegen het wettig gezag."

"Heb ik het niet gezegd," zeide de kolonel, zich tot de officieren wendend, die zich allengs om de groep hadden geschaard, "heb ik het niet gezegd, dat hij vrij brutaal is voor zijn leeftijd? Hij is het echte type van de tegenwoordige Boeren. Ze zijn te zacht behandeld, veel te zacht. Ondank is 's werelds loon; dat wordt hier bewezen."

Een huzaar wandelt met de handen in de broekzakken, een liedje neuriënd, voorbij.

Hij blijft op eenigen afstand van de groep even staan, kijkt naar den jongen en gaat verder.

Hij komt terug en blijft weer staan kijken, nu iets langer. Het gesprek trekt blijkbaar zijn aandacht.

Langzaam verwijdert hij zich, maar keert spoedig terug, voegt zich bij de groep, slaat de hand aan de muts en zegt: "Met uw verlof, kolonel, ik ken dien jongen."

Nu eerst let Arie op den huzaar, maar als op dit oogenblik het kruithuis daar vóór hem in de lucht was gevlogen, had hij niet harder kunnen schrikken. Want die huzaar, die daar met uitgestrekter arm en onverbiddelijken blik naar hem wijst, is voor hem geen onbekende.

Plotseling doet hij een sprong, maar de sergeant strekt zijn been uit, en hij struikelt. Zelfs de poging, om te ontsnappen, is mislukt, en de huzaar roept: "Houd hem in de gaten; hij is een moordenaar!"

Aller oogen vestigen zich met een mengeling van toorn en nieuwsgierigheid op den jongen, wien de laatste druppel bloed uit het gelaat is geweken.

"Hij heeft mijn wachtmeester als een sluipmoordenaar doodgeschoten, kolonel!" roept de huzaar.

"John Doscey bedoel je?" vraagt de kolonel in de grootste verbazing.

"Dezelfde, kolonel," is het antwoord.

Er volgt een korte, maar vreeselijke pauze.

De toeschouwers kijken beurtelings naar den kolonel en den jongen.

"En wat heb je op die vreeselijke beschuldiging te antwoorden?" vraagt de kolonel.

Had Arie nu de waarheid, de volle waarheid gezegd, de zaak ware anders geloopen, maar hij deed het niet. Hij wilde zich redden door een leugen, maar juist die leugen stortte hem in een groot en vreeselijk ongeluk.

"Ik heb geen wachtmeester doodgeschoten," zeide hij.

"Hij heeft het wel gedaan," hield de huzaar vol.

"Spreek de waarheid, jongen," zeide de kolonel op strengen toon.

"Dat doe ik," antwoordde Arie.

"Hoe heeft het zich toegedragen?" vorschte de kolonel.

De huzaar verhaalde, met eenige grove onwaarheden er tusschen, hoe de zaak zich had toegedragen. "En wat heb je daarop te antwoorden?" vraagde de kolonel. "Niemendal," zeide de jongen, die nu wel genoodzaakt was, op den ingeslagen weg te volharden, "niemendal, kolonel. 't Is gelogen van a tot z."

De officier wist nu inderdaad niet, wat hij er van denken moest. "Heb je getuigen?" vraagde de kolonel aan den huzaar.

"Neen," antwoordde de aangesprokene; "op 't laatst kreeg de jongen hulp van een ouden Kaffer, die uit het struikgewas kwam toeschieten. Maar al hadden wij dien Kaffer hier, hij zou den moordenaar toch wel niet verraden."

De geheele beschuldiging schijnt nu op losse schroeven te raken, maar nu treedt de reusachtige sergeant naar voren en zegt: "Ik heb een karabijn bij dien jongen gevonden — zou die karabijn geen getuige kunnen zijn?"

"Wat," roept de huzaar in de grootste opwinding, "heb je een karabijn bij den jongen gevonden?"

"Kolonel," gaat hij op bedaarder toon voort, "de karabijn van den wachtmeester was door hem zelf eenige weken voor zijn dood met de voorletters van zijn naam: J. D. geteekend. Vlak voor aan de kolf; met kleine letters. Als deze karabijn dus met die letters is geteekend, dan is hij van den wachtmeester geweest, en hebben wij geen getuigen meer van noode...."

"Neen," zegt de kolonel langzaam, "dan hebben wij geen getuigen meer van noode."

Hij neemt zelf den karabijn in de hand.

Onder de toeschouwers heerscht groote spanning, maar het wordt den armen jongen zwart voor de oogen.

"Vermoedelijk was de karabijn van den wachtmeester de mooiste van de twee, die ik veroverde," denkt hij bij zichzelven; "en dien heb ik gehouden."

"Ik heb het al," zegt de kolonel; "hier in den hoek."

Hij rukt Arie aan den mouw van zijn wambuis.

"Kijk jongen," zegt hij op gestrengen toon.

Arie kijkt. Hij ziet twee kleine lettertjes J. D. Ze staan daar zoo fijn, zoo nietig, zoo onschuldig, maar ze worden voor zijn verbijsterden blik tot groote, vlammende letters, die zijn doodvonnis onderteekenen.

Nu bezwijkt zijn moed.

"Kolonel," zegt hij, "ik zal de waarheid zeggen; de volle waarheid."

Dat is in der daad zijn voornemen, doch thans is het te laat.

Hij heeft zoo even gelogen — waarom zou hij niet nogmaals een leugen doen?

"Slaat hem op zijn gezicht!" roept de een; "hangt hem op;" roept de ander.

Hij voelt reeds een stomp in de zijde, in den rug, maar dit wekt plotseling het fiere, Afrikaansche bloed, dat zich zelfs voor de poorten des doods niet verloochenen kan, en hij roept met flikkerende oogen: "Lafaards! Ge beeft voor den kogel der Boeren en mishandelt een weerloos mensch!"

"Stilte!" roept de kolonel met luide stem, en zich tot een in de nabijheid staanden korporaal wendende, gaat hij voort: "Korporaal, breng den gevangene naar het cachot. En laat hem niet ontsnappen; gij staat met je leven voor hem in!"

De groep verdeelt zich; de kolonel en een luitenant blijven alleen over.

"Die jongen heeft den strop verdiend," zegt de luitenant.

"Dat heeft hij," zegt de kolonel, "maar hij is nog erg jong; we zullen hem den kogel geven!"

Het cachot, het voorste gedeelte van den houten loods of barak, bestond uit een klein vertrek met twee raampjes aan weerskanten één. Door een houten wand werd het afgescheiden van de overige ruimte, die tot bergplaats diende.

Hier, in dit cachot, werd Arie gebracht.

Als verpletterd zette hij zich neder op de breede, harde bank, die tegen de houten beschutting was aangetimmerd, maar de onrust, de gejaagdheid dreef hem na een wijle weer op.

Allerlei wanhopige plannen doorkruisten zijn brein. Als hij eens probeerde, de deur met een sterken stoot uit haar hengsels te duwen! De korporaal zou zeker toe komen schieten, maar hij zou hem het onderste boven loopen, en snel over den kampwal zien heen te komen!

Hij onderzocht de deur, maar ze zat te stevig; hier bood zich geen kans van ontkoming.

Nu liet hij den blik gaan over het raam rechts. De ruiten kon hij er wel uit slaan, de dunne spijlen eveneens, doch dat zou niet baten, want het geraas zou de wacht in 't geweer roepen alvorens hij er uit was. Het heele raam moest er in eens uit, doch dat was voor hem onmogelijk.

Nu wendde hij zich tot het raam links, doch hier zag hij den korporaal, en hier was dus nog minder kans om te ontsnappen.

Moedeloos ging hij weer zitten, tot zijn oog zich naar boven richtte, naar de lage zoldering. Hij sprong nu op de uit eenige ruwe planken getimmerde tafel, die dicht voor de bank stond, en kon er nu goed bij reiken. Hij probeerde een plank uit haar spijkers te lichten, door met het hoofd en met groote kracht er van onder tegen aan te stooten. Doch de plank gaf niets mee, en tot overmaat van ramp verscheen de lange, reeds grijzende baard van den korporaal in het raampje.

"Maak toch zoo'n leven niet," zeide hij. "Er uit kom je toch niet, zoo zeker als ik Jack Milkens heet."

Dat begreep de arme jongen nu ook.

Nogmaals zette hij zich neder, en de angst begon hem te schudden; de angst voor den dood en de angst voor het gericht aan gene zijde van het graf.

Vrees, schrik, vertwijfeling greep hem aan. Hij kon het op de harde bank niet meer uithouden, en liep als een wanhopige, de handen wringend, op en neer.

Hij zou ter dood worden veroordeeld — er was geen twijfel aan...

Er waren misschien twee, misschien vijf uren verloopen, toen hij uit zijn sombere bepeinzingen werd gewekt door een druk gepraat aan de deur, en hij hoorde den sleutel knarsen in het slot.

"Nu komt mijn doodvonnis," dacht hij bij zich zelven, maar hij vergiste zich. Een gewoon militair plaatste een stuk droog brood, met een kan water er naast, op de tafel en ging weer zwijgend heen.

Maar Arie raakte het brood niet aan — hoe kan hij denken aan eten en drinken bij het gezicht van den dood?

Het was tegen den avond, dat er weer aan de deur werd gedraaid, en een onderofficier met eenige militairen traden binnen.

"Die brengen mijn doodvonnis," dacht de jongen, en dezen keer vergiste hij zich niet.

Met het hoofd in de handen gestut, hoorde hij het vonnis aan, dat de onderofficier voorlas.

Als verzachtende omstandigheid was in dit vonnis zijn jonge leeftijd in aanmerking genomen, en in plaats van tot den strop was hij tot den kogel veroordeeld.

Maar strop of kogel — het kwam op hetzelfde neer.

"Wanneer wordt het vonnis voltrokken?" vraagde de ongelukkige met klanklooze stem.

"Overmorgen vroeg zeven uur," antwoordde de onderofficier; "hebt ge nog een bijzondere wensch?"

De jongen schudde het hoofd.

De onderofficier en de militairen verwijderden zich, en het slot knarstte in zijn veeren.

Het werd avond; het werd nacht. Het gegons en rumoer in het kamp verstomde, en duidelijk werd de regelmatige voetstap van den schildwacht gehoord. Fluisterend streek de nachtwind door een viertal boomen, midden in het kamp, en het licht der maan viel vriendelijk door het kleine raampje in Arie's cel.

Hij strekte zich uit op de harde breede bank, maar kon niet slapen. De liefelijke herinneringen uit het verleden gingen als visioenen aan zijn geest voorbij, en staarden hem aan met groote weemoedige oogen.

Hoe schoon en liefelijk had zich het leven voor hem uitgebreid — waarlijk als een lange, lachende zomerdag — en nu zou een korte knal van een Engelsch geweer er een snel en verschrikkelijk einde aan maken....

Rusteloos wierp hij zich als een door zware koortsen geteisterde van den eenen kant op den andere. Het was een bange, vreeselijke nacht, maar plotseling sprong hij op; zou er niet een plank los te krijgen zijn van het houten beschot? De uitgebluschte vonk der hoop begon opnieuw te gloren, en bij het schijnsel van het maanlicht onderzocht hij de planken één voor één. Maar er was geen verwrikken aan, en zich nederzettend op de bank, legde hij het hoofd op de tafel en snikte als een kind.

En snikkend vielen de oogen dicht. En de vriendelijke engel des slaaps kwam, en weefde over het vreeselijk heden met barmhartige hand een dichten sluier, en voerde den armen jongen op de vleugels van gouden droomen terug naar "Vredenoord", en hij ging weer met zijn grootvader kijken naar het scheren der schapen, en met oom Jan en Columbus ging hij ter jacht, en met de blinde Lena, zijn zuster, wandelde hij weer door den bloementuin....

Door het knallen van een paar geweerschoten werd Arie uit zijn slaap gewekt.

Verwonderd liet hij zijn blikken gaan over het ruwe tafeltje en de houten muren.

Het was reeds diep in den morgen; de stralen der morgenzon vielen schuins door het raampje rechts.

Voor het andere raam bewoog zich de helm van een Engelschen militair, en die helm riep den jongen tot het heden terug.

Maar de slaap had hem toch gesterkt. En hij zette zich neder aan het tafeltje, en at van het harde brood, en dronk van het eenigszins troebele water, en verkwikte zich.

Het geweervuur werd levendiger; daar tusschen hoorde hij het geloei der slachtbeesten, uit de stallingen, die achter in het kamp waren getimmerd.

In zijn gedachten zag hij de Boeren, door een muur, een boom, een klipsteen of een heuvelrand gedekt, mikken op de gehate roode uniformen.

Hoe benijdde hij hun lot!

Hij tikte aan het raam.

"Hoe laat is het?" vraagde hij den schildwacht.

"Negen uur!" antwoordde de schildwacht.

Den korporaal met den langen, grijzenden baard zag Arie niet. Hij zette zich aan de tafel, en nam het bijbeltje, dat de onderofficier er gisteren avond had neergelegd. Maar ofschoon hij tamelijk goed Engelsch kon verstaan en spreken, Engelsch lezen was voor hem zeer moeielijk.

Hij legde het bijbeltje zuchtend neer.

"Schildwacht," riep hij, "kan ik niet een vel wit papier krijgen en pen en inkt?"

"Waarom?" vraagde de aangesprokene op stuurschen toon.

"Om afscheid te nemen van mijn familie."

Arie kreeg een vel papier, maar in plaats van pen en inkt ontving hij een potlood.

Nu ging hij afscheid nemen.

Hij schreef het volgende:

"Geliefde Grootvader en Grootmoeder, Oom Jan en Lena!

Als gij dezen brief ontvangt, lig ik al lang onder de harde klippen begraven. Ik ben gisteren morgen onverwacht door de Engelschen overrompeld en gevangen genomen. Hier in het Engelsche kamp is een huzaar, die mij beschuldigt van sluipmoord. Gijlieden weet, dat ik den wachtmeester in een eerlijk gevecht heb doodgeschoten, maar hij zegt, dat ik het door een sluipmoord heb gedaan. En ik heb in het eerst voor den kolonel gelogen, om mij te redden, en nu is die leugen mijn ongeluk geworden. En nu hebben zij mij ter dood veroordeeld, en morgen vroeg wordt ik doodgeschoten. Maar ik ben onschuldig veroordeeld, Grootvader. Ach, hij zal u groote smart veroorzaken, deze brief, en ik ben ook diep bedroefd. Gisteren avond en van nacht was ik half razend van wanhoop, maar nu ben ik veel kalmer. Maar ik ben diep bedroefd. Doch ik wil niet hebben, dat de roodbaatjes mij morgen vroeg blinddoeken. Ik wil den loop der geweren zien, en dan wil ik roepen: Voor vrijheid en recht! Nu zien wij elkander nooit weer, geliefde Grootouders, en dat is hard. In mijn gedachten zeg ik u nu hartelijk vaarwel, en kus ik u, lieve Lena, en vergeef het uw ongelukkigen broeder, dat hij je zoo dikwijls plaagde. Gij moet mijne portemonnaie houden, Lena, als een herinnering, en geef ook een herinnering aan Daniël, mijn vroegeren speelkameraad, die nu in de Oranje-Vrijstaat is. De oude Columbus en Herman moeten ook een herinnering hebben. Ach, het is toch een vreeselijk ding, weerloos voor den tromp van het geladen geweer te worden gezet. Ik kan u niet zeggen, hoe neergedrukt en bedroefd ik ben. Ik bid veel, dat Jezus mijne zonden moge vergeven en mij genadig moge zijn, en dat ik in den hemel moge komen. Ik zit nu al twee uren aan dezen brief te schrijven. Iederen keer verwarren zich mijn gedachten, en moet ik opnieuw beginnen te denken. Lieve Grootouders! Ik zal dezen brief nu eindigen. De zon is de middaghoogte reeds gepasseerd. Ik heb den schildwacht mijn zakgeld beloofd, als hij er voor zorgt, dat deze brief op zijn bestemming komt. Ik sterf onschuldig en voor de vrijheid van ons volk. Nu wil ik eindigen, en ik wil ook nog een brief aan mijn geliefde ouders schrijven. Ik dank jullie hartelijk voor al de liefde, die ik heb genoten, en nu zeg ik jullie allen goeden nacht! Goeden nacht! Dat wij elkander eens allen in het Vaderhuis boven mogen wederzien, dat hoop ik, en zoo blijf ik uw liefhebbende, ter dood veroordeelde

ARIE."

Een soldaat kwam, en bracht, even als gisteren, brood en water. Doch de jongen keek niet op, en begon den brief aan zijn ouders te schrijven. Maar zijn gedachten verwarden zich al meer, en de letters dansten voor zijn oogen.

Hij legde het potlood neer; het vreeselijke van zijn toestand overstelpte hem.

Ach, het leven is zoet voor een jeugdig hart, en nooit is het zoeter dan aan den rand van het graf!

Vóór de harde bank, daar knielde hij neder; daar riep hij tot God om erbarming.

Dan sprong hij weer op, even als gisteren avond, en de wanhoop pakte hem.

Angst, vertwijfeling, droefheid, verlatenheid, het stormde beurtelings door zijn ziel, doch eindelijk legden zich de hooggaande golven.

De avondzon wierp haar stralen door het linksche venstertje. Hij stond op, en staarde weemoedig in die wegstervende stralen.

Hij zag immers die avondzon voor den laatsten keer.

Vervolgens zette hij zich op de harde bank, stutte het hoofd tusschen de handen en bad stil tot God.

De korporaal kwam en verving den schildwacht bij de gevangenis.

De zon ging onder; de schemering viel.

Het werd donker in Arie's cel.

Een soldaat naderde en bracht een brandend olielampje.

Het was een gunst, die werd toegestaan, omdat het de laatste nacht was van den ter dood veroordeelde.

En Arie zat op de harde bank, het hoofd tusschen de handen gestut, en bad....

HOOFDSTUK XVIII.

"Jim, wat beweegt zich daar tusschen dat struikgewas?" vraagt een der schildwachten van het kamp, bij de aarden wallen geplaatst, aan den ander.

"Ik weet het niet," zegt Jim, "maar we zullen 't gauw weten."

Beide schildwachten leggen het geweer aan, want voorzichtigheid is altijd goed. Sinds het gevecht van Bronkhorstspruit zijn de Boeren zeer brutaal geworden.

Intusschen wordt een persoon zichtbaar, die recht op het kamp komt aanloopen.

Oogenschijnlijk is 't een Engelsche huzaar, want bij het heldere maanlicht zijn de blauwe uniform en de blinkende knoopen duidelijk zichtbaar.

"Werda!" roept de schildwacht door den stillen avond.

"Goed volk!" antwoordt de blauwe uniform.

"Avanceer met het contra-signe," roept de schildwacht.

"Weet ik van contra-signe? Ik ben ordonnans van generaal Colley en heb belangrijke berichten," antwoordt de huzaar.

"Zoo," zegt de schildwacht, "dat verandert."

"Dat geloof ik ook," zegt de huzaar; "breng mij bij den kommandant!"

De kolonel, die tevens de kommandant is, hoort het gesprek en nadert de groep.

De huzaar slaat aan en zegt: "Ordonnans van generaal Colley — gewichtige tijdingen!"

Het oog van den kolonel rust met welgevallen op den slanken, kranigen, vroolijken huzaar.

"Geef het rapport," zegt hij op vriendelijken toon.

"Ik ben het kwijt, kolonel," zegt de huzaar.

"Kwijt?" vraagt de kolonel verbaasd.

"Ja, kolonel; zoo is het. Het rapport zat wel geborgen tusschen de zolen van mijn linker laars, maar eergisteren avond was ik tot op de huid doornat geworden, en vond een onderkomen bij een Engelschgezinden Boer. Ik legde mij bij den haard, stak de voeten bij het vuur, en terwijl ik sliep, verbrandden de zolen van mijn linker laars."

"Kijk maar," zeide hij.

Inderdaad had hij slechts één laars aan.

De kolonel kijkt hem wat scherper aan.

"En weet jij het rapport?"

"Ja, kolonel. Ik ken het van buiten, ha, ha! Maar mag ik niet eerst een brandewijntje hebben, kolonel? Ik heb kou op mijn maag."

"Hoe luidt het rapport, kerel?" vraagt de kolonel op barschen toon.

"Eén brandewijntje maar, één brandewijntje," smeekt de huzaar.

De kolonel wendt zich wrevelig tot een tweeden luitenant, die in de nabijheid staat.

"De vent is dronken!" zegt de luitenant, terwijl hij de schouders ophaalt.

"Zoo dronken als een kanon," zegt de kolonel.

Hij roept een onderofficier.

"Breng den vent weg," beveelt hij, "en sluit hem op, tot hij zijn roes heeft uitgeslapen. Is hij nuchter, dan moet ik hem spreken — marsch!"

"Eén brandewijntje maar — één brandewijntje!" smeekt de huzaar.

Zijn tong begint dubbel te slaan — hij is verschrikkelijk dronken.

Maar de onderofficier pakt hem stevig bij de kraag en brengt hem weg.

"Korporaal, hier ben ik met een smoordronken ordonnans," zegt de onderofficier lachend.

"Zoo!" zegt de korporaal, en hij strijkt met waardigheid zijn langen prijzenden baard, "ik heb veel beleefd, maar een smoordronken ordonnans is mij nog nooit voor gekomen."

"Waar moet ik hem laten?" vraagt de onderofficier.

"Gooi hem in de bergplaats," antwoordt de korporaal, "hier is de sleutel."

Hij haalt een sleutel uit den zak.

De dronken ordonnans heeft intusschen een snellen blik geworpen door het raampje, en heeft bij de brandende olielamp een gebukte gestalte zien zitten, in een wambuis, met het hoofd tusschen de handen.

Met den sleutel gewapend, leidt de onderofficier den huzaar naar de bergplaats. De korporaal gaat mee.

De onderofficier opent de deur.

"Voorwaarts!" kommandeert hij.

Maar de huzaar wil niet voorwaarts.

"In dat geitenhok wilt ge mij stoppen?" roept hij op hoogen toon. "Mij, een ordonnans van generaal Colley? 't Is een beleediging voor de koninklijke uniform, die ik draag."

"Kom vent, vooruit!" zegt de onderofficier, en wil hem naar binnen duwen.

Maar dat gaat niet zoo gemakkelijk; de dronken huzaar verweert zich als een wanhopige, en grijpt zich aan den deurpost vast.

"Korporaal," zegt hij, "jij lijkt mij een verstandiger man dan die domme onderofficier; gooi mij in het cachot, en ik zal met mij laten sollen als een weerloos lam. Maar in de bergplaats wil ik niet."

De korporaal wordt graag geprezen, al is het door een dronken huzaar.

"Ik zal er jou inlaten," zegt hij, "onder voorwaarde, dat jij dadelijk gaat slapen."

"Ik zal geen kik doen," zegt de huzaar.

"Want je moet weten," zegt de korporaal, "dat er nog iemand in zit, die ter dood is veroordeeld; morgen vroeg wordt hij doodgeschoten. En het strijdt met mijn begrippen van humaniteit, om zoo iemand overlast te doen, ofschoon naar mijn bescheiden meening alle Boeren den kogel hebben verdiend."

"Goed gezegd," lalt de dronken huzaar.

"Hier," zegt hij, "jij bent een flink kameraad; daar kan je een brandewijntje voor koopen! Sergeant, hier heb jij ook wat; we willen vrede sluiten!"

Ze krijgen allebei een shilling van den dronken huzaar.

"Geef mij nu maar één brandewijntje — ééntje," smeekt hij.

De korporaal is mensch genoeg, om hem de veldflesch te reiken, en de huzaar doet een flinken slok.

"Nu slaapt hij beter," zegt de verstandige korporaal tot den sergeant, die al heel verwonderd kijkt.

De huzaar trad het cachot binnen.

Het slot knarste in zijn veeren — hij was met den jongen, die daar voor hem zat, alleen.

Arie hield nog steeds het hoofd in de handen gestut.

Nu en dan schokte een zenuwachtige trilling het lichaam.

De huzaar staarde hem eenige oogenblikken zwijgend aan, doch Arie keek niet op.

Maar de dronken huzaar was nooit nuchterder geweest dan op dezen dag.

Hij zette den helm af, legde de hand op den schouder van den ter dood veroordeelde en zeide: "Arie!"

Dit ééne woord was genoeg,

Als door een electrischen schok getroffen, vloog de jongen overeind, en staarde in het open, mannelijk gelaat van Herman Hoogerhuis.

"Herman!" riep hij hartstochtelijk, "gij hier?"

"Dat zie je," zeide Herman op bedaarden toon. "Maar houd je nu kalm, want anders ruikt onze korporaal onraad."

"En hoe ben je hier gekomen, Herman?"

"De Engelschen zijn zoo vriendelijk geweest, mij in dit cachot te brengen."

"En hoe kom je aan dat huzarenpak?"

"Wel, je weet, Barend Jansen heeft onlangs een Engelschen huzaar opgevangen, en ik heb het pak van den huzaar aangetrokken. De zaak is heel eenvoudig."

"Maar ik begrijp het niet; ik begrijp het niet," zeide de jongen. "Waak ik of droom ik?"

En hij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.

"Je behoeft het van daag ook nog niet te begrijpen; daarvoor is later tijd."

"En wat kom je hier doen?" vraagde Arie.

"Kijk, dat is nu een heel verstandige vraag," antwoordde Herman, "en ik zal het je vertellen. Heden morgen kwam er een overlooper uit het garnizoen tot ons, die ons verschrok met de tijding, dat gij waart gevangen genomen en tot den kogel veroordeeld. Toen zeide Barend Jansen: 'Jongens, Arie zit in de klem, en hij moet er uit. En ik zal er hem uithalen in dit pak,' en hij haalde het huzarenpak uit de kist. Maar de anderen wilden het ook doen, en ik zeide: 'Menschen, ge kunt toch niet allen in één pak, en niemand zal het er zoo goed af kunnen brengen dan ik, omdat ik het Engelsch vlug spreek en niet zoo afschuwelijk radbraak als jullie.' Enfin, dat vonden zij ten slotte toch ook, en zoodoende ben ik hier gekomen."

Nu zette de Hollander zich naast Arie neer, en begon hem op fluisterenden toon zijn plan te ontwikkelen.

En de jongen luisterde, met oogen, die schitterden van hoop.

Doch toen Herman een poos had gesproken, begon de gloed in zijn oogen weer te verbleeken.

Hij schudde het hoofd en zeide: "Ik kan er niet op in gaan."

"Waarom niet?" vraagde Herman verbaasd.

"Omdat ik, door te vluchten, jou op het schavot breng."

"Zoo?" zeide Herman; "als ge ooit hebt gedwaald, dan is het nu. Ik zal een poosje moeten brommen, en daar is 't mee uit. Ik geef je de verzekering, dat mij geen haar zal worden gekrenkt."

Hij sprak overtuigend, dringend en overreedde Arie.

De jongen gaf toe, en verbeidde met kloppend hart den uitslag van het goed overlegde plan, waarvan dood en leven afhing.

Het was nu ruim tien uur in den avond.

De huzaar schopte tegen de deur. "Korporaal, doe open!"

De lange, grijzende baard verscheen voor het raampje en riep met waardigheid: "wat moet je?"

"Ik ben twee gouden souvereins verloren in dit akelig gat — help me zoeken, en je zult een flinke fooi hebben!"

"Dronken lui zijn in den regel royal," dacht de menschkundige korporaal, en hij ontsloot de deur. Maar voor de voorzichtigheid sloot hij de deur ook van binnen.

"Flink zoo," zeide de huzaar met dubbelstaande tong, "die rebellen moet je niet te veel vertrouwen!"

"Mijn eer als Engelschman zou op het spel staan," zeide de korporaal, "als die daar ontsnapte," en de gestreepte mouw strekte zich uit naar den ter dood veroordeelde.

Het olielampje werd nu op de vloer geplaatst, en na eenig zoeken kwamen beide souvereins werkelijk te recht.

Met een voldaan gelaat nam de huzaar de twee goudstukken van den korporaal aan, en met de opmerking: "Hier, ouwe ijzervreter, heb je er één voor je moeite," gaf hij er één terug.

"Dank je, mijnheer de ordonnans," zeide de korporaal, "dank je," en hij verliet in de vroolijkste stemming de cel.

Na een poos werd het weer rumoerig in het cachot.

"Ik wil er uit!" brulde de huzaar. "Korporaal, doe open — ik krijg hier de vliegende tering."

Met de meeste voorkomendheid werd aan dit verzoek voldaan.

"Ik ga een luchtje scheppen," zeide de huzaar.

"Ga je gang," zeide de korporaal zoo vriendelijk mogelijk, "maar maak geen gerucht!"

"Komt hij terug, dan is het goed," dacht de korporaal, "en komt hij niet terug, dan kan ik verklaren, dat hij nuchter was," en de waarheidlievende man streek zich den langen, grijzenden baard.

De huzaar drentelde onverschillig naar de schildwachten van het kamp, maakte een praatje en zeide tot hen: "Ik zal eens kijken, of de Boeren slapen."

Hij kroop over den aarden wal en sloop vooruit.

"De vent is nog dronken, Jim," zeide de eene schildwacht, maar de andere antwoordde niet en neuriede een lied.

De huzaar was intusschen nog al gauw terug.

"Kijk," zeide Jim, "zoo dronken is hij toch niet, dat hij zich in den nacht onder de Boeren waagt."

De huzaar begaf zich naar het cachot, en liet zich weer vrijwillig opsluiten, maar geen half uur later beukte hij met zijn ruiterlaars alweer tegen de deur.

Hij was bepaald onrustig, maar de korporaal opende de deur en liet hem door.

De korporaal vond het echter verdacht, dat de huzaar al weer behoefte had aan frissche lucht.

Was de vent wel dronken! En was het misschien niet een Boer, die den jongen kwam redden? Zat er niet een sluwe kneep achter?

Terwijl de ordonnans zich verwijderde, kwamen deze gedachten bij den korporaal op.

"Nou, dat zou mooi worden," zeide hij tot zichzelven, "dat ik, een geboren Engelschman, mij door een dommen Boer zou laten bedotten!"

Hij stak voor de voorzichtigheid een lantaarn aan, en ze omhoog houdend, gluurde hij met zijn kleine oogen door het raampje.

De veroordeelde lag, in zijn wambuis, lang uitgestrekt, op de harde bank, maar het gelaat was niet zichtbaar, want het was naar den houten wand gekeerd.

En de laatste omstandigheid maakte den voorzichtigen korporaal toch een beetje ongerust.

Hij nam den sleutel, opende de deur en lichtte den veroordeelde in het gelaat.

Het was de veroordeelde. Nu was de korporaal gerust.

De huzaar kwam na een poosje weer terug.

"Toe korporaal," zeide hij, "open het cachot, en laat er mij in; ik ga slapen."

"Dat zou tijd worden ook," meende de korporaal, terwijl hij aan zijn wensch voldeed.

Een uur lang bleef het nu rustig, en de korporaal had juist voor den vijf en twintigsten keer zijn gouden souverein uit den linker broekzak in den rechter vice versa overgebracht, toen de huzaar met opgewonden stem schreeuwde: "Korporaal, laat er mij uit! Ik kan hier niet slapen; de muggen bijten me flauw!"

Maar nu werd de korporaal toch ook een beetje wrevelig, en hij zeide: "Ordonnans, dit is nu voor de allerlaatste keer dat ik er jou uitlaat, hoor!"

Met dit te zeggen, liet hij den huzaar er uit.

"En blijf als 't u blieft niet lang weg," riep hij hem nog na.

Maar de huzaar bleef dezen keer langer weg, dan daar straks, en de voorzichtige korporaal maakte zich weer ongerust. Doch toen hij, door het raampje kijkend, den veroordeelde nog in dezelfde houding zag liggen als daar straks, was hij volkomen gerust gesteld.

"En al komt de dronken huzaar in 't geheel niet terug, dat is 't nog niets," zeide de waarheidlievende korporaal, "want dan zal ik op mijn woord van eer verklaren, dat ik hem nuchter heb laten gaan," en hij nam een hartigen teug uit zijn veldflesch en stopte de kleine, korte pijp.

Het begon intusschen dag te worden; in het kamp kwam leven en beweging, en luide klonk het gekraai der hanen van de boerenerven in den omtrek.

De huzaar was niet terug gekomen, en de korporaal trok het zich niet aan.

Met het geladen geweer op den schouder, naderde thans een luitenant met een piquet infanterie de gevangenis.

De korporaal stond op van een soort ton, waarop hij gezeten had, en deed de militaire eerbewijzen.

"De veroordeelde slaapt nog," zeide hij.

"In orde," zeide de luitenant; "open de deur!"

De korporaal nam den sleutel, en het slot ging knarsend open.

"Wat knarst dat slot!" zeide de luitenant.

"Het is verroest," zeide de korporaal; "ik zal het smeren."

Nu trad men de cel binnen.

De jonge Boer lag nog altijd op de harde bank, met het gelaat naar den houten wand.

Hij sliep of scheen te slapen.

"Wek den slaper!" zeide de luitenant.

De korporaal naderde den slaper, legde de hand op den schouder van den veroordeelde en riep met plechtige stem: "In naam der Koningin!"

Hij riep zoo hard, dat de veroordeelde het hooren moest.

Hij hoorde het ook.

Hij stond op, en rekte zich heel gemoedelijk uit.

Het wambuis, dat hij aan had, scheen echter wel een dwangbuis te zijn. Het was veel te nauw; het kraakte.

Maar de korporaal stond als versteend te kijken.

"Sakkerloot!" riep hij.

"Sakkerloot!" riep hij nog eens.

"Sakkerloot!" riep hij ten derden male.

"Wat beteekent dat?" vraagde de luitenant met de grootste bevreemding.

De korporaal gaf geen antwoord. Hij staarde Herman Hoogerhuis aan, die zich in Arie's wambuis had gestoken, alsof hij een spook had gezien.

"Is dit de ter dood veroordeelde?" vraagde de luitenant met klimmend ongeduld. "Spreek dan toch, kerel, en sta daar niet te soezen als een oud wijf!"

De verstandige en vlugge korporaal kon nog geen woorden vinden. Hij plukte aan zijn langen baard, alsof hij hem wou uitrafelen tot spinrag.

"Houd dat wambuis in de gaten," beval de luitenant "en den korporaal ook, want ik denk, dat hij aan tijdelijken waanzin lijdt. Ik ga naar den kolonel om nadere instructies."

Doch nu sloeg de redestroom bij den wijzen korporaal door de sluizen heen.

Hij sloeg zich met de vuisten voor het hoofd en riep, terwijl hij den gestreepten mouw uitstrekte in de richting van Herman Hoogerhuis: "Dat wambuis heeft mij schandelijk bedrogen; schandelijk! Of eigentlijk het huzarenpak heeft mij bedrogen! Of liever het wambuis en het huzarenpak hebben mij bedrogen! Die kerel daar heeft zich in het wambuis van den veroordeelde gestoken, luitenant, en de veroordeelde in zijn huzarenpak. Zoo is de veroordeelde ontsnapt. Op mijn woord van eer, luitenant, zóó is het gebeurd en niet anders."

"Zóó," zeide de luitenant langzaam, "is dat zóó in zijn werk gegaan?" en met strengen blik nam hij Herman Hoogerhuis op, die er bij stond, met de onnoozelheid van een pasgeboren kind op het gezicht.

"Ik ben een ongelukkige, een lompert, een ezel!" huilde de korporaal.

"Dat geloof ik ook," zeide de officier met hartgrondigen nadruk, "een ezel, een echte! Maar schei er nu maar uit met je geleuter; je straf zal je niet ontgaan. Wanneer is de Boerenjongen weggeloopen?"

"Misschien een paar uur geleden," steunde de korporaal.

"Voorwaarts, mannen! Ziet hem nog te krijgen! Misschien is hij door onze schildwachten nog niet heen kunnen sluipen!" kommandeerde de luitenant.

De soldaten stormden weg, om den jongen te vangen, en de korporaal stormde het hardst van allen.

"Loopt maar niet te hard," riep Herman hem na; "die jongen zit natuurlijk al lang bij de Boeren aan de koffie."

"Houd jij je mond, tot je gevraagd wordt," beet de luitenant hem toe — "ben je ook een Boer?"

"Ik ben een Hollander, luitenant."

"Zóó — je zult brommen; dat beloof ik je."

Maar de Hollander scheen zich dat vooruitzicht niet erg aan te trekken.

Hij begon het "Wilhelmus van Nassouwen" te fluiten, en hij deed het werkelijk op verdienstelijke wijze.

Arie was gelukkig ontsnapt.

Het huzarenpak had hem wel wat flodderig om zijn lichaam gehangen, maar hij had de instructies van Herman Hoogerhuis stipt opgevolgd, had de handen in de broekzakken gestoken, en was, ofschoon zijn hart bonsde alsof het bersten zou, zoo onverschillig mogelijk langs de schildwachten heen gedrenteld, en was op het oogenblik, dat een nachtwolk het licht der maan onderschepte, over den wal geklommen. Maar toen, buiten het kamp, had hij geloopen als een mensch, wien de dood op de hielen zit, en eerst het krachtige "Wierda?" van een bekende stem bracht hem tot staan.

Die stem kwam van achter een boschje. Hij liep er recht op aan.

"Goed volk," riep hij, "goed volk!"

"Ben jij 't Arie?" riep de stem van zoo even.

"Natuurlijk, wie anders?"

Met een juichkreet sprong Barend Jansen te voorschijn.

Een twaalftal jonge Boeren sprongen met hem uit den schuilhoek; Columbus was er ook bij.

"Kijk," zeide Barend, "wij hebben hier den geheelen nacht in hinderlaag gelegen voor het geval gij ontsnaptet, en de roodbaatjes jou na zouden zetten. Wij vreesden reeds, dat het slimme plan van Herman was mislukt, maar nu komt alles goed."

"Ja, nu komt alles goed," zeide Arie met bewogen stem, "als Herman het maar niet ontgelden moet."

"Daarvoor is geen zorg," zeide Barend; "vandaag zal onze kommandant nog een schrijven richten aan den Engelschen kolonel, dat Herman geen haar gekrenkt mag worden; anders zullen de Engelsche officieren, die in onze handen zijn, het moeten ontgelden."

De jonge Boeren gaven nu Arie allen de hand en schudden ze hartelijk, en wenschten hem geluk met zijn ontsnapping. En de oude Columbus strekte bewonderend de lange armen omhoog en riep: "Mijn baassie is zoo glad als de slangen van Zoeloe-land, en geen roodbaatje kan hem houden."

Maar Arie schudde het hoofd en zeide: "Neen, ouwe Columbus, dat is niet de knapheid van je baassie. Herman Hoogerhuis heeft mijn leven gered, en God komt al de eere toe."

"Is het niet zoo, kameraden?" vraagde hij.

"Ja," zeiden ze, "zoo is het."

"Nu," zeide hij, "laten wij dan ook een danklied zingen, hier op deze plek, omdat de almachtige God mij van den dood heeft gered."

En de jonge Boeren zongen met hun heldere, frissche stemmen door den stillen nacht:

"Prijs den Heer met blijde galmen; Gij, mijn ziel, hebt rijke stof. 'k Zal zoo lang ik leef mijn psalmen Vroolijk wijden aan Zijn lof; 'k Zal, zoo lang ik 't licht geniet. Hem verhogen in mijn lied!"

Maar Arie kon niet zingen; zijn gevoel overmande hem. En de tranen biggelden over zijn gezicht, en het waren tranen van dankbaarheid.

En God heeft die tranen gezien.

De korporaal in geen geringen angst, had intusschen, het geheele kamp gealarmeerd.

De schildwachten werden ondervraagd, en hadden ook den laatsten keer den huzaar werkelijk gezien. Hij was op zijn gemak doorgedropen, maar niet teruggekomen.

Vermoedelijk had hij zijn vermetelheid met het verlies van zijn vrijheid moeten boeten, en was hij door de Boeren gevangen genomen; dat was hunne meening.

Maar de korporaal wist het wel beter, en nooit had hij meer in angst gezeten dan van morgen.

Plotseling schoot er een zonderlinge, avontuurlijke gedachte door zijn brein.

"Ik ga hem halen," zeide hij en hij klauterde over den wal.

"Wat mankeert dien vent?" riep de schildwacht verwonderd.

"Hij is niet wel bij 't hoofd," zeide de luitenant van het piquet, "laat hem maar."

Maar de korporaal was wel goed bij 't hoofd, en hij rende dwars door het veld op het dorp aan, tot hij bij een loopgraaf der Boeren bijna over een langen vent was gestruikeld, die zich daar lag te koesteren in de morgenzon.

Met de blijken van den grootsten schrik vloog de lange man overeind, en hij scheen ernstige aanstalten te maken om te vluchten.

Maar blijkbaar kwam het roodbaatje met vredelievende bedoelingen, want hij stak de handen omhoog en zeide: "Ik heb twintig jaar voor de Engelsche glorie gevochten; nu mag het een ander doen; ik schei er uit."

Doch Leen Blok verstond bijna geen woord Engelsch, en keek den Engelschman aan, met zijn groote domme oogen.

"Verstaat u geen Engelsch?" vraagde de korporaal ernstig.

Leen Blok haalde de schouders op, en greep naar zijn langen, mageren hals.

"Een gebrek — in de keel?" vraagde de korporaal met warme belangstelling; "spraakvermogen belemmerd?"

"Ik versta geen Engelsch," zeide Leen Blok, "kom, ga mee!"

En hij trok den Engelschman aan zijn mouw, en samen gingen zij naar het dorp, naar den "vroolijken Olifant", waar ons gezelschap jonge Boeren, achter het huis, in de met bloeiende kamperfoelie begroeide veranda, dapper zat koffie te drinken.

Arie had juist voor den derden keer het geheele verloop van zijn ernstig avontuur verteld, toen hij, den blik slaande in den gang, met de grootste verbazing riep: "Lieve schepsels! Daar heb je den korporaal, die bij mijn cel de wacht hield."

Leen en de korporaal traden nu in de veranda.

De korporaal maakte een buiging, sloeg met waardigheid aan en zeide: "Mijne Heeren! Ik wensch u een goeden morgen."

"Goeien morgen!" zeiden de verwonderde Boeren.

"En u, beminnelijke jongeling, reik ik in 't bizonder de hand," ging hij voort, zich tot Arie wendend, die thans weer in Boerenkleeding was, "en had die edele Hollander u niet gered, dan had ik het gedaan."

"Een Engelschman een Boer redden, dat is nog nooit vertoond," lachte Barend Jansen.

"Pardon, Mijnheer, ik ben geen Engelschman," zeide de korporaal met groote waardigheid, en hij streelde met welgevallen zijn langen, grijzenden baard.

"Ik ben geen Engelschman," ging hij voort met klimmenden nadruk; "Ik zou me schamen, als er door mijn aderen één druppel Engelsch bloed stroomde. Wat ik ben, Mijne Heeren? Een Ier, een zoon van het groene eiland. Wat ik ben? Een vurige voorstander van de Boeren, omdat zij, evenals wij Ieren, vol heldenmoed worstelen voor hun vrijheid. Neen, ik ben geen Engelschman, Mijne Heeren, op mijn woord van eer; op mijn woord van gentleman."

En terwijl liet hij zijn blikken gaan over de eenvoudige Boeren, die hem met groote oogen zaten aan te kijken. En met een minzamen glimlach nam hij naast hen plaats, en zeide: "Is het geoorloofd, Mijne Heeren?" en hij vatte een dampend kop koffie en dronk het leeg tot den laatsten drupppel.

Maar Barend Jansen zeide: "Roodbaatje, jij kunt praten als een advokaat, en wij kunnen jou niet bijhouden, Roodbaatje. Maar wij zullen jou opsturen naar Heidelberg, naar Oom Paul, die heeft van die dingen meer verstand."

"Goed," zeide de korporaal, "het zal mij zeer aangenaam zijn, kennis te mogen maken met den hooggeachten President der Zuid-Afrikaansche Republiek. Mijne Heeren, deze veelbewogen morgen is een keerpunt in mijn leven."

Hierin sprak onze korporaal inderdaad de waarheid, want hij werd als krijgsgevangene opgezonden naar Heidelberg, en bleef er tot het einde van den oorlog.

Met Herman Hoogerhuis liep het beter af. Nog geen acht dagen later werd hij uitgewisseld tegen een Engelschen officier, en dat de jonge Boeren hem met gejuich ontvingen, behoef ik wel niet te zeggen.

HOOFDSTUK XIX.

Reusachtige schaduwen strekken zich uit naar boven, naar het blauwe gewelf met zijn tienduizende sterren.

Die reusachtige schaduwen zijn bergen.

Het zijn de bergen van het Drakengebergte.

Op één der bergtoppen, dicht bij een "nek" of bergpas, brandt een eenzaam wachtvuur.

Dicht bij het vuur zitten een zestal Boeren. Het vuur verspreidt een aangename warmte, want het is koud in den nacht op den bergtop.

Vier der hier zittende Boeren kent ge: Dirk Kloppers met zijn zoon Jan, Teunis den leeuwenjager en Lodewijk Jansen.

De flikkerende, grillige vlammen werpen een rossig licht over hun gebruinde en verweerde gelaatstrekken.

In levendige gesprekken snelt de nacht voorbij.

Reeds breekt de morgen aan.

Van goud en purper schittert de halve horizon, en aan den oostelijken hemel legeren zich vlammende wolken als de herauten van het groote Licht van den dag.

Reeds schitteren de toppen der bergen, en de duisternis en het roofdier, het kind der duisternis, vluchten weg in spleten en spelonken.

De Boeren zijn opgestaan van het wachtvuur; de morgenwind speelt om hun slapen.

Lang staren zij naar het zuiden, naar Natal, in de richting van Bosmans- en Blauwkransrivier, waar ruim veertig jaar geleden zooveel moedige Boerenharten, de borst doodelijk getroffen door de assegaai, de hersenpan verbrijzeld door een staalharde knods, ophielden te kloppen.

Dáár, aan de oevers dier rivieren, daar slapen zij hun langen slaap.

En dáár, in het zuidoosten, waar de golven der Bloedrivier schitteren in de morgenzon, dáár hebben de Boeren zich gewroken, en de grimmige, verraderlijke Zoeloe's bij duizenden geveld.

En ginds, ver het zuiden in, daar ligt Pieter-Maritzburg, de hoofdstad van Natal, door de Boeren gesticht, naar hun aanvoerders genoemd, door de Engelschen gestolen!

Pieter-Maritzburg en heel Natal — 't is door de Engelschen gestolen!

Ja, die Engelschen, dáár liggen ze, vóór de passen van het Drakengebergte, vóór de poorten der Transvaal!

Daar liggen ze, met hun voetvolk, hun paardevolk, hun kanonnen! Als de wolf voor de schaapskooi!

Dáár, vóór de poorten der Transvaal, stuwt Engeland zijn krachten op, en het zal die poorte rammeiën, tot ze bezwijken!

De geheele macht van Engeland, dat zijn gebied uitstrekt in de vier winden des hemels, zal zich hier, vóór deze zwakke poorten legeren, en de zwakke macht der Boeren vermalen als in een ijzeren mortier.

Ach, die macht der Boeren, is ze niet zwak?

Liggen in de verschillende Transvaalsche steden en dorpen geen 6000 Engelschen (de vrijwilligers medegerekend) in garnizoen?

Die verschillende garnizoenen worden ingesloten door een macht van 3000 Boeren — is die macht niet veel te klein?

En 1500 Boeren moeten de passen van het Drakengebergte houden — is het een wonder, dat generaal Colley zich van een even snelle als besliste zegepraal zeker waant?

En dat is nog niet alles.

Hoe armoedig zijn de Boeren uitgerust!

Geen kanonnen, om de vijandelijke artillerie te beantwoorden; geen dokters, om de gewonden en de gekwetsten te verbinden; en als ze hoofd voor hoofd, vijftien patronen hebben verschoten, dan is hun ammunitie totaal uitgeput!

Ja, zwak is de macht der Boeren!

En toch zijn ze sterk — sterker dan de Engelschen, want zij strijden voor hun heiligste goederen, en zij hebben het recht aan hun zijde: het recht en hun God....

Gij grijze Voortrekkers bij het eenzaam wachtvuur, ziet gij nu goed het vijandelijke kamp daar in de nabijheid?

Maar zij wendden reeds den blik naar het noorden, naar de Boerenlagers.

Dáár ligt het lager van kommandant Weilbach, en daarachter het lager der Middelburgers, en aan de andere zijde het groote, uit 330 ossenwagens bestaande lager van den kommandant-generaal Piet Joubert, en verder het westen in kronkelt de rook omhoog uit het kamp der Oranje-Vrijstaters.

Met welgevallen rust het oog onzer Boeren op dit lager, want de Oranje-Vrijstaat heeft strikt genomen met de Transvaal niets te maken, maar hier heeft het broederbloed gesproken, en 300 dappere mannen hebben hun vlugste paarden gezadeld en hebben gezegd: "Wij willen met de Transvalers overwinnen of sterven!"

"Mijne broeders," heeft hij gezegd, in zijne eenvoudige, hartelijke taal, "mijne broeders, ik behoef u niet veel uitleg te geven, wie ik ben. Een mijner familieleden sneuvelde in Natal, de andere is bij u. Ik ben gezonden niet door onze regeering, maar door het volk van ons district, en alleen, om van u te komen hooren, wat gij van ons wilt, en wat wij voor u doen kunnen, en verder om u aan te kondigen, wat wij voor u willen doen. Wij hebben acht dagen geleden eenige bijeenkomsten gehouden, en besluiten genomen, om memories, die talrijk geteekend zijn, op te zenden naar onzen Volksraad, die nu een buitengewone zitting houdt. Wij hebben verder op die bijéénkomsten eendrachtelijk en vast besloten, om u te hulp te komen. Gij moet u niet bekommeren, dat mogelijk onze President het niet zal toelaten. Ik geef u mijn woord, of onze regeering wil of niet, wij zullen toch komen. Wij hebben reeds vóór de zitting met de raadsleden geraadpleegd, en ik kan u verzekeren, dat de groote meerderheid er reeds voor was, om u, onze broeders, te komen helpen. Broeders, wij zijn zwak; wij zijn nietsbeduidend tegen dien John Bull, maar wij zullen komen, zooals een Abraham met geloof is gekomen, om zijn zoon te offeren. God zal het voorzien. Hij is de almachtige. Hij zal ons helpen. Verder, broeders, wil ik u raden om te volharden als mannen van geloof en dapperheid. Staat vast op uwe zaak, want die is rechtvaardig! Gij vecht en sterft als mannen voor uw vrijheid. Wij zijn voor de vrijheid van ons en voor de vrijheid van u, want die is u ontstolen.

Broeders, wij zullen uw bloedig spoor volgen, en wij zullen met u strijden en met u sterven.

Gij kunt u wel voorstellen, hoe onze harten branden, wanneer wij in onze huizen de onbarmhartige kanonnen op u hooren losdonderen, en dan daarbij bedenken, waarom op u zoo wordt geschoten; om uw wettig eigendom!

Broeders, uw volk is ons volk, en uw God is onze God! Houdt uw zaak nog veertien dagen vast, en gij zult ons bij honderden hier zien, om u te helpen. Wij zijn reeds bezig, om de kogels te gieten en de geweren uit te wasschen. Ik vermoed, dat het gansche Afrikaansche volk nu zal samen werken, om uwe zaak te steunen, en om een geheel vrij volk te worden. Geloof mij, de Vrijstaat, Natal en de Kaapkolonie staan op voor uwe zaak. Ik meen en geloof, dat deze plaats is die plaats, welke God van eeuwigheid af heeft verordineerd, waar wij onze vrijheid moeten uitvechten.

God zegene u en helpe u met moed en kracht, en Hij beware u voor des vijands wreed geweld!"

Er komt al meer beweging in de Boerenlagers daar beneden....

Duidelijk kunnen onze Boeren het waarnemen van hun hoogen observatiepost.

Er worden vuren aangelegd, en gekloofde telegraafpalen dienen tot brandhout. De telegraafdraden zijn omgebogen tot drievoeters, waarboven de waterketels worden gezet.

Er wordt gepraat, geroepen, geschertst en gelachen. Daar tusschen klinkt het geloei der ossen, het gebulk der slachtbeesten en het moedig gehinnik der paarden. Hier en daar wordt een schallende oorveeg vernomen, een al te tragen Kaffer toegediend, in de verte bewegen zich als nietige stipjes vlugge renboden, om rapporten over te brengen, en om den hoek van een rots komen plotseling, op snelle paarden gezeten, een honderdtal jonge Middelburgers aangestormd.

"Goeden morgen, kameraden," roepen zij in 't lager, en vlug stuiven zij voorbij.

Maar nòg wordt de dreunende hoefslag hunner paarden in de verte gehoord, als de bont door elkander dwarrelende geluiden van het bewegelijk kampleven plotseling worden opgelost en verzwolgen door een ernstigen, mannelijken, machtigen toon.

De krijgers ontblooten hun hoofden, en uit honderden keelen stijgt het loflied omhoog:

" "Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, Met Zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid, Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil; Hij schenkt uit goedheid zonder peil Ons 't eeuwig zalig leven! Hij kan en wil en zal in nood, Zelfs bij het naadren van den dood, Volkomen uitkomst geven!

Daar hebt ge 't. Dáár ligt het geheim van de kracht der Boeren.

Nooit — neen nooit zouden zij de bange worsteling met het machtige Engeland hebben durven aanbinden, indien het Godsvertrouwen niet het sterke schild was, waar achter zij schuilden.

En nooit zullen zij dat schild dringender noodig hebben dan heden, op den gedenkwaardigen 28ste Januari 1881.

"Laat hen komen," zegt de oude Jansen, en hij omvat met zijn sterke hand den blanken loop van zijn geweer.

Snel dalen onze Boeren nu van den bergtop af, en begeven zich naar eene der den Lang-Nek bestrijkende hoogten.

Hier vinden zij reeds een groep Boeren, en allengs groeit de groep aan.

Generaal Colley, een der bekwaamste generaals van het Engelsche leger, een man, die, zonder zich zelven te overschatten, de oogen durft te slaan op de hoogste betrekking in het Engelsche leger, is voornemens, van daag de even snelle als beslissende overwinning te behalen. Alvorens generaal Wood, die met geduchte versterkingen in aantocht is, het Drakengebergte is genaderd, wil hij schoon schip gemaakt en de muitende Boeren verpletterd hebben.

Hij verdeelt zijn leger, dat op een uur afstands van den Lang-Nek is gekampeerd, in vier afdeelingen, en trekt onder het roffelen der trom en het schallen der trompet moedig voorwaarts.

De linkervleugel bestaat grootendeels uit roodbaatjes (infanterie) met negen kanonnen, en nadert tot op een afstand van twintig minuten. Hier houdt hij halt en nestelt zich in de landerijen in de nabijheid van een boerenwoning.

De kanonnen worden met kalmte en nauwkeurigheid gericht.

"Daar zijn hun goden," zegt Dirk Kloppers.

"Nu krijgen we de bommen," zegt Lodewijk Jansen, maar Teunis de leeuwenjager zegt geen woord.

Nu breekt het geweld der kanonnen los. Het schijnt, dat Colley de Boeren onder zijn bommen en vuurpijlen wil begraven.

"Oom," roept een jonge Boer, op die 24 pond zware, vier voet lange vuurpijlen wijzend, "wat zijn de Engelschen toch een onbarmhartige natie! Zij schieten ons met jukken!"

De rechtervleugel, uit blauwbaatjes (huzaren) bestaande, maakt nu een charge met het blanke wapen tegen de stelling, waar kommandant Engelbregt met zijn mannen staat.

Het kanon barst recht boven hen los.

Een der Engelsche officieren jaagt, met de sabel in de vuist, midden tusschen de Boeren door, maar met een kogel door het hoofd zinkt de dappere van zijn paard. Moedig en onverschrokken vallen de huzaren aan, maar het doodelijk schot der Boeren jaagt hen in hun oude stelling terug.

Doch 500 man infanterie van den linkervleugel rukken thans, onder de bescherming van het kanon en in vereeniging met 200 huzaren, tot den aanval op. In snellen loop gaat het op de hoogte aan, waar wij Dirk Kloppers en zijn vrienden hebben achtergelaten.

Met schrik zien de Boeren, in andere stellingen geposteerd, hoe zwak de bedreigde hoogte is, en allengs komt er eenige hulp, tot er 80 man op de hoogte zijn.

Meer hulp kan men niet zenden, want dan worden de andere posities te zeer ontbloot.

"Wat denkt gij er van?" vraagt Lodewijk Jansen.

"Wij houden deze hoogte, of wij sterven hier," zegt Dirk Kloppers bedaard.

"Dat is ook mijne meening," herneemt Jansen.

"In elk geval zullen de Engelschen heden avond niet meer zeggen, dat wij lafaards zijn," zegt de leeuwenjager met een harden klank in zijn stem.

Uitstekend gedekt door een scherpen heuvelrug, en terwijl de kanonnen al door vuren, zijn de Engelschen intusschen genaderd tot op een afstand van slechts zeven pas.

Nu zwijgt het kanon.

En nu eerst kunnen de Boeren, die reikhalzend op dit oogenblik hebben gewacht, van hun vuurwapens gebruik maken.

"Een vaste hand en een koelbloedig hart!" vermaant de oude Kloppers de jongeren, "en op God vertrouwd! Let er op, hoe wij ouden het doen! Achter dien klipsteen, Jan! Willem, hierheen — plat op den buik!! Schiet op het hoofd van je vijand — slechts kopschoten — kopschoten zijn meest doodelijk!"

Nu wendt hij zich tot den leeuwenjager.

"Dien officier daar, op dien zwarten hengst, neem jij dien, Teunis?"

"'t Is reeds de mijne," zegt Lodewijk Jansen kortaf, terwijl een korte vuurstraal glipt uit den loop van zijn geweer.

De officier stort van het paard, maar blijft in de stijgbeugels hangen; en de wild geworden hengst jaagt, zijn stervenden meester over de harde klipsteenen mede sleurend, over het slagveld.

"Ik neem dien ritmeester van de blauwbaatjes," zegt Dirk Kloppers.

Hij bukt zich; hij mikt.

Er komt een dreigende flikkering in die blauwe oogen — ritmeester, uw leven hangt aan een zijden draad!

Daar steigert het door den kruitdamp en de geweerschoten schichtig geworden paard van een huzaar, en hij komt recht vóór zijn ritmeester.

"Ruimte!" roept Dirk Kloppers, en hij schiet den huzaar van zijn paard.

Nu is de baan weer vrij — nogmaals schuift zich in het wilde oorlogsgewoel een blauwe uniform tusschen den doodelijken geweerloop van Dirk Kloppers en den ritmeester.

"Ruimte!" roept de grijze Voortrekker nog eens, en schiet ook den tweeden huzaar neer.

"Ritmeester!" roept een in den krijgsdienst grijs geworden wachtmeester; "ga achter het front, want de Boeren hebben u tot hun mikpunt."

"Achter het front —?" riep de ritmeester; "achter het front —?"

Hij rukt het ridderkruis van zijn borst, en werpt het naar voren, in de vreeselijke stelling der Boeren.

"Haalt het, mijne dapperen!" roept hij met luide stem, en de sabel vaster in de vuist nemend, drukt hij zijn zweetvos de sporen in de zijde.

Daar schiet Dirk Kloppers nog eens — de trouwe wachtmeester vangt zijn geliefden meester op.

"Ik had het wel gedacht," zegt hij klagend, "ik had het wel gedacht!"

Hij draagt den ritmeester in zijn armen naar de verbandplaats, en brengt er een — lijk.

De Boeren vechten door. Daar dringt een vermetele huzaar — hij draagt een geteekend hoefijzer op den arm en is vermoedelijk een smid — tot in de linie der Boeren en houwt twee Boeren achter de klippen neer. Nu stormt hij op Dirk Kloppers los, wiens geweer ongeladen is, doch Jan ziet het groote gevaar, waarin zijn vader verkeert, en schiet den vijand door het hart.

Maar een ander tooneel trekt onmiddellijk de aandacht van Jan, en hij roept: "Vader, ginds, bij dien grooten klipsteen, daar heb ik het gezicht van Kees Botter gezien."

Hij strekt den arm uit, om de plaats te wijzen, maar laat er onmiddelijk in groote opwinding op volgen: "Daar heb je hem weer."

Een kogel fluit rakelings langs het hoofd van den ouden Kloppers, en Kees Botter verdwijnt weer achter zijn schans.

"Ik geloof, dat de vent op mij heeft geschoten," zegt de oude Voortrekker.

Bedaard zet hij den grooten, breedgeranden hoed af, en bekijkt hem met aandacht.

"Daar heb je 't al, Vader," zegt Jan, op twee kleine openingen wijzend in den bodem van den hoed.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings