← Table of contents
De Scherpschutters van Zuid-Afrika

DE SCHERPSCHUTTERS VAN ZUID-AFRIKA. (continued 2)

Reading edition

Oogenblikkelijk verstomde het geweervuur. Zoo'n klem had Paul Kruger op zijn manschappen.

Maar de tegenpartij was door deze daad van edelmoedigheid diep getroffen, en de noodlottige burgeroorlog werd gestuit.

Reeds drie dagen later kwam de volledige verzoening tot stand.

De Boeren kunnen u nog meer vertellen.

Ruim anderhalf jaar geleden zou Sir Bartle Frère met het volkscomité, waarvan Paul Kruger voorzitter is, een samenkomst hebben te Kleinfontein.

Het volk was tot deze vergadering niet uitgenoodigd, maar het verscheen toch, in een getal van ruim 4000 goed gewapende Boeren.

Deze gedachte bezielde hen: "Nu moeten we vechten; nu is het tijd. Sir Bartle Frère moet onze onafhankelijkheid beteekenen, en het naar Engeland seinen. Anders nemen wij hem gevangen, hijschen de Vierkleur en verklaren aan Engeland den oorlog."

Nog op denzelfden dag, 's namiddags, werd de groote tent opgeslagen, en het comité nam zitting. Buiten de tent verdrong zich het volk; het kon alles hooren.

Kruger opende de vergadering.

Hij vraagde het gevoelen der comitéleden.

Maar Paul Kruger zette zich schrap en schudde den schranderen kop.

"Nog blijf ik bij lijdelijk verzet," zeide hij. "Wij kunnen niet met de barbaarsche Zoeloe-Kaffers optrekken tegen de Engelschen, want het is onzer onwaardig, en het bloed van onze broeders, door de Zoeloe's vergoten, is nog niet gewroken." Maar het hielp niet.

"Nu is het tijd om te vechten," antwoordde de groote meerderheid.

"Wij zullen de sympathie verliezen der beschaafde wereld," riep Kruger.

"En onze vrijheid terug krijgen," antwoordde zijn tegenstanders.

"Engeland heeft een groote troepenmacht onder weg, om de Zoeloe's ten onder te brengen," zeide Kruger, "en zijn ze met de Zoeloe's klaar, dan zullen ze onze kleine macht verpletteren."

Maar met al zijn welsprekendheid vorderde hij geen duim. Met de taaiheid van een Fries hielden ze vast aan hun idee: "Vechten, dadelijk vechten!"

Kruger verdaagde de vergadering tot den volgenden morgen.

Het was nu avond geworden; een donkere avond. Een fijne motregen viel neer. Niemand was meer buiten; ze waren allen in hun tenten.

Peinzend wandelde een man, in zijn regenjas gedoken, tusschen de tenten door.

Nu en dan stond hij stil, en luisterde naar de gesprekken, die binnen de tenten werden gehouden.

Er werden harde woorden gesproken.

"Als Kruger ons wil verhinderen, om op de Engelschen te schieten," zeiden sommigen, "dan zetten wij hem af, en kiezen Joubert tot onzen voorman."

"Kruger zal nooit toestaan, dat wij tegen de Engelschen gaan vechten," zeiden anderen; "daarom moet hij worden afgezet."

"Och, weet ge dan niet," zeiden derden, "waarom hij niet tegen de Engelschen wil vechten? Toen hij den eersten keer met Jorissen naar Engeland is geweest, om onze onafhankelijkheid terug te vragen, toen hebben zij geld aangenomen van den Engelschen minister. Hij is door den Engelschman — omgekocht. Hij is een — verrader."

Zoodanig waren de gesprekken.

En de peinzende man dook dieper in zijn regenjas en keerde terug naar zijn tent.

Het was Paul Kruger.

Geen slaap ging dezen nacht over zijn oogen, maar hij kwam tot een vast besluit.

Den volgenden morgen begaf hij zich naar de groote tent, en riep het volkscomité bijéén.

Hij opende de vergadering met deze woorden: "Mannen Broeders! Gisteren heb ik u mijne inzichten medegedeeld, en gij verschilt van mij. Nu heb ik mijn besluit genomen. Op een pad, waarop ik geen licht zie, kan ik niet vóór loopen. Ik wil nog bij lijdelijk verzet volharden, en gijlieden wilt nu dadelijk uw land terug hebben of tegen de Engelschen vechten. Nu, gaat dan voort op het pad, waarop gij licht ziet. En kiest voor mij mijnheer Joubert of een anderen voorman. En waar gijlieden heen gaat, daar zal ik ook heengaan, en waar gijlieden valt, daar zal ik ook vallen. 'Maar vóór loopen kan ik niet op een pad, waarop ik geen licht zie."

Zóó sprak Paul Kruger.

Er volgde een doodsche stilte.

Niemand sprak een woord.

Maar te diep wortelde Paul Kruger in het hart van zijn volk, dan dat het hem kon loslaten.

"Neen, oude President," riepen ze eindelijk, en schudden zijn hand, "neen, zóó is het niet bedoeld. Loop maar weer vóór op het pad, waarop gij licht ziet, en wij zullen u volgen."

En Paul Kruger liep weer vóór, en bewaarde zijn volk voor een stap, die heillooze gevolgen zou hebben gehad.

En nu — kunt ge lezen, wat er geschreven staat op het menschelijk aangezicht? Kunt gij uit de trekken en plooien van het gelaat de gedachten ontcijferen, die woelen en worstelen in het hart van den mensch?

Bezie toch eens het gelaat van dien man daar vóór u; op die verhevenheid; sprekende tot het volk.

Maar bezie het met aandacht; bestudeer het, want anders ziet ge niets.

Ontembare geestkracht, grenzenlooze onverschrokkenheid, bewonderenswaardige zelf beheersching, onwrikbare volharding en zeldzame scherpzinnigheid, het spreekt uit dit stevig, breed, schijnbaar hard gelaat.

Onbuigzaam, dat is hij, waar het de vrijheid geldt van zijn volk; onbuigzaam als Cromwell, de koning der rondkoppen. Doch daarbij scherpzinnig en schrander als wijlen de oude kluizenaar te Friedrichsruhe.

Neen, ze lijmen hem niet, dezen zoon der wildernis!

Hij kent de grepen en knepen der staatsmanskunst, en met vossensluwheid weet hij het looze, verraderlijke net te ontkomen.

Tegenover de meest geslepen staatslui van Europa heeft hij gezeten, de eenvoudige man, die slechts met moeite kan schrijven, en hij keek hen in de kaarten. Doch zijn effen gelaat verraadde het niet; slechts een fijn, schier onmerkbaar lachje speelde dan om zijn lippen.

Doch thans is dat fijn, ironisch lachje niet zichtbaar, en een wolke van ontroering gaat over zijn gelaat.

Hij behoort tot die schaar van helden, die God op Zijn tijd verwekt, wanneer Hij een vertrapt volk door den nacht van het lijden wil heenleiden tot het morgenrood der vrijheid en der zegepraal.

Doch die helden voelen de volle zwaarte der verantwoordelijkheid, die op hun schouders wordt gelegd, en Paul Kruger voelt ze ook.

Van daar die wolke van ontroering over zijn mannelijk gelaat.

Hij zal dat kleine, zwakke, aemechtige Boerenvolk uitleiden uit de kluisters der Engelsche gevangenschap, en het brengen als een andere Mozes in het Kanäan der vrijheid. En dit moedige hart, dat nooit heeft gebeefd, deinst terug bij het gezicht der rookende bloedplassen, waar de tocht doorheen zal gaan.

Doch hij sterkt zich in zijn God.

Daar ligt het geheim van zijn kracht.

Scheur dat Godsvertrouwen uit zijn ziel, en ge snijdt de lokken af van dezen Afrikaanschen Simson.

Diep buigt hij voor zijn God in het stof, en daarom zal hij den vrijen nek voor Engeland niet buigen — nooit en nimmer!

De kommandant-generaal Piet Joubert, die straks de Boeren zal aanvoeren in den heldenstrijd voor vrijheid en recht, heeft gezegd: "Engeland is machtig, maar God is almachtig" — Paul Kruger zegt er Amen op.

En hoor nu het sobere, maar van mannelijke kracht doortintelde woord, waarmede hij te Paardekraal den buitengewonen Volksraad op Maandag 13 December 1880 opent, en — den oorlog inluidt:

"Edel Achtbare Voorzitter en Leden van den Volksraad!

Ik sta hier voor uw aangezicht, geroepen door het Volk. In die stem van het Volk heb ik gehoord de stem van God, den Koning der Volken, en ik gehoorzaam. Ik heb niet gedacht aan mijn eigen bekwaamheid, maar ik doe, wat mijn hand vindt om te doen...

Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!

Het is niet noodig, een lange toespraak te houden. Uwe werkzaamheden zijn noodig, om de regeering spoedig in staat te stellen, het land volgens de Grondwet te besturen, en daartoe uit te voeren den wensch van het Volk, zooals die in de besluiten van 15 December 1879 zijn uitgesproken.

Ik heb in zoover gedaan, wat de wet van mij verwacht, maar nu is het oogenblik gekomen voor den Edel Achtbaren Volksraad, om verdere voorziening te maken voor het Bestuur des lands. Ik heb de eer u voor te stellen, dit Bestuur voorloopig op te dragen aan een Driemanschap.

Ik wil u herinneren, dat de zaak van het land, hoewel zeer ernstig, toch volkomen wettig is. Het Volk heeft nooit den weg der wet verlaten, heeft na de annexatie geprotesteerd, zich lijdelijk verzet, en zou misschien nog andere vreedzame middelen hebben verkozen, ware het niet, dat de Engelsche autoriteit in Pretoria dit onmogelijk had gemaakt. Het recht der volken is aan onze zijde, en hoe zwak wij zijn, onze God is een rechtvaardig God! Mijne Heeren! De Heere zegene uwe werkzaamheden en bescherme ons Vaderland!"

Zóó sprak Paul Kruger.

Klonk het slot niet als een gebed?

Het antwoord van den Volksraad bij monde van zijnen voorzitter Bodensteijn was van deze aanspraak de heldere, vastberaden weerklank.

Het luidde als volgt:

"Hoog Edele Heer en Heeren!

Wij hebben de aanspraak van Z. H. Ed. den Vice President met een warm gevoel van dankbaarheid vernomen omdat Z. H. Ed. den moed heeft gehad, in dit moeilijk oogenblik, in naam van het Volk, de wet in handen te nemen. Nooit zal het Volk der Zuid-Afrikaansche Republiek vergeten, dat Gij — toen de nood op het hoogst was gestegen — onder het gevaar eener vijandelijke macht, hebt gezegd: "Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!"

Evenmin zal het volk het werk van het Comité vergeten, dat gedurende de laatste vier jaren onzer onderdrukking werkzaam en waakzaam was voor de belangen van ons Volk. En wij zijn hier met u — en met ons Volk — bereid, om ons leven — tot den laatsten man — te offeren voor de onafhankelijkheid van ons dierbaar Vaderland..."

Zoo sprak de Voorzitter.

De schildleeuw van het kleine, maar dappere Boerenvolk had zijn ijzeren kluisters gebroken.

HOOFDSTUK IX.

Op zijn vluggen moorkop gezeten, jaagt een eenzaam ruiter over de onafzienbare, golvende grasvelden der Transvaal. Gisteren 15 December, is hij met zijn kameraden van Paardekraal vertrokken, en van nacht heeft hij met hen bij een kennis gelogeerd. Maar het ongeduld pakte hem, en toen de anderen nog sliepen, heeft hij, Jan Kloppers, zijn klepper gezadeld.

Hij liet een boodschap achter, dat hij niet langer kon wachten, en vóór het schemeren van den dageraad zette hij den tocht alleen voort.

De morgenwind streelt zijn wangen, en vrolijk hinnikt de moorkop. De ruiter heeft hem den teugel los over den nek geworpen, en regeert hem door een druk van zijn knieën.

Over zijn schouder hangt de keurige tweelooper, en over de borst de bandelier met de scherpe patronen.

Hij lacht van plezier, doch de snelle Moorkop rept zich, en suizend gaat het over de golvende vlakte.

"Herman Hoogerhuis gaat ook mee — natuurlijk. Een flinke kerel, die Herman, maar 't schieten moet hij nog leeren. Enfin, dat leert men van zelf, als men op de Roodbaatjes mikt... 't Is anders toch maar een naar ding, zoo op je evenmensch te schieten — 't is verschrikkelijk! Maar wat is er aan te doen? Doodschieten doe ik ze toch...

En Kees Botter gaat ook mee — natuurlijk. Hij heeft het al gezegd. Nu, hij zou ook geen goeie Afrikaander zijn, als hij niet meeging. 't Spijt me, dat ik verleden week zoo 'n standje met hem heb gehad, maar dat moet vergeten zijn. Hij is sedert dien tijd meer dan vriendelijk — het is een beste kerel...

Maar jij, kleine Arie, jij kunt niet mee, hoor! Daar is geen kwestie van. Gij zijt nog geen dertien jaar — kinderen kunnen we bij 't vechten niet gebruiken. 't Is werkelijk geen kinderspel — 't zal bloed kosten...

Ja, 't is toch een ernstig ding, zoo'n oorlog! Daar komt zoo 'n bom voor je voeten neerploffen en slaat je in gruizelementen...

Dan ben je zoo maar in de groote, vreeselijke eeuwigheid, Jan...

Vader is niet bang om te sterven, maar ik wel, dat is waar. Doch voor de Engelschen ben ik niet bang; dat is ook waar. Wij strijden voor een rechtvaardige zaak, en we winnen 't zeker. Onze dappere Paul Kruger zeide: "Slechts over onze lijken krijgen zij onze vlag," maar zoo'n vaart zal 't niet loopen. We gaan achter de klippen liggen, en zullen ze schieten als boschduiven...

't Is echter miserabel, dat we geen kanonnen hebben, maar daar is nu heelemaal niks aan te doen.

Nu we geen kanonnen hebben, zullen we 't zonder kanonnen doen, hé Moorkop?", zeide hij, en hij sloeg den klepper op den blinkenden hals.

Hij zette zich vaster in het zadel, en greep den lossen teugel. Hij scheen den blanken loop der Engelsche kanonnen reeds te zien, wijd in de verte.

"Vooruit, Moorkop," riep hij, "vooruit, wij zullen ze schieten als boschduiven, hoera!"

Dirk Kloppers zat met eenige vrienden juist aan de koffietafel, toen Jan, van het hoofd tot de voeten met een zware laag stof bedekt, naar binnen stoof.

De Boeren sprongen bij zijn verschijning overeind, en met strakke gezichten staarden zij op den pas gekomene.

"Welke tijding brengt ge?" vraagde Dirk Kloppers, "oorlog of onderwerping?"

"Oorlog en vrijheid!" zeide de jonge man met gloeiende wangen. "De Republiek is door het volk in haar rechten hersteld, en van het gouvernementskantoor te Heidelberg wappert van daag onze vierkleur."

"God zij geloofd," riepen de Boeren, maar de grijze Voortrekker zeide: "Was er eensgezindheid onder ons volk?"

"Die vijfduizend Boeren te Paardekraal voelden zich als één volk van broeders. Nooit, nooit heeft er grootere eendracht geheerscht."

Toen riep ook de grijze Voortrekker, maar krachtiger nog dan de anderen: "God zij geloofd — Hij heeft onze gebeden verhoord!"

"Laat er nu komen wat er wil — wij zijn sterk door onze eendracht," liet hij er op volgen.

Er heerschte een oogenblik zwijgen. Ieder was met zijn eigen gedachten vervuld.

Jan ontdeed zich van geweer en bandelier, trok het wambuis uit en zette zich aan tafel.

Zijn zorgende moeder kwam reeds aandragen met brood en vleesch en schonk hem een dampende kop koffie in.

Peinzend staarde de vader door de kleine ruiten naar buiten; naar de schemerende heuvelen in de verte.

"En vandaag wordt onze vlag geheschen te Heidelberg," zeide hij meer tot zichzelven dan tot de anderen, "van daag, den 16den December. Dat is de Dingaansdag; de dag, waarop ik 42 jaar geleden bij de Bloedrivier medestreed tegen het Kaffergeweld. 't Is dezelfde datum; 't is een beschikking des Heeren. Toen, den 16den December 1838, werd ons volksbestaan gered tegenover de Zoeloe's, en heden, den 16den December 1880, wordt ze gehandhaafd tegenover Engeland."

Hij liep op en neer, met snellen, veerkrachtigen tred; hij scheen vijf en twintig jaren jonger. Zijn blauwe oogen begonnen te schitteren, en bleven hangen aan den blanken loop van zijn Henri-Martini-geweer, daar tegen den muur.

Zijn vrouw raadde zijn gedachten.

"Wanneer trek je in den oorlog?" zeide zij.

"Overmorgen," antwoordde hij; "is je dat te vroeg, Anneke?"

"Neen," zeide zij bedaard; "ik dacht het wel."

"Maar het kan een bloedige oorlog worden," zeide hij nadenkelijk.

"Dat weet ik," antwoordde zij.

"En als wij Boeren sneuvelen in den strijd, Anneke?"

"Dan," — zeide zij, "dan — zeg Dirk, hoe heette de Haarlemsche ook nog, die de vrouwen aanvoerde in den strijd tegen de Spanjoolen?"

"Kenau Simon Hasselaar," antwoordde hij.

"Goed," zeide zij, "dan volgen wij vrouwen het voetspoor van Kenau Simon Hasselaar. Sterven moeten wij toch — dan is het beter in den strijd voor vrijheid en recht op het ruime veld, onder het moordende lood van den vijand, dan als slaven in onze bedstee."

Zij zeide dit op kalmen, bedaarden toon, maar het oog van den grijzen voortrekker rustte met welgevallen op zijn vrouw.

"Zoolang onze vrouwen door zulke gedachten zijn bezield," zeide hij, "is onze republiek onoverwinnelijk."

"En jullie trekt natuurlijk ook met het kommando op?" ging hij voort, zich tot de andere aanwezigen wendend.

"Ja," riepen ze, "hoe eerder hoe liever."

Slechts één man stemde met dat geroep niet in, en schudde treurig het hoofd.

"Ik kan niet meegaan," zeide hij, en hij hief zijn beide tot stompen geschroeide handen omhoog.

"Ik weet het," antwoordde Kloppers. "Sinds ge door die noodlottige buskruitontploffing zijt getroffen, kunt ge geen wapens meer hanteeren. Maar uw zonen kunnen uw plaats innemen, Neef Piet."

"Dat zullen ze!" antwoordde de verminkte. "Alle zeven! En zij zullen hun man staan; daar sta ik borg voor!"

"Dat weten we," riepen de Boeren.

Eenige uren later kwamen de leeuwenjager, Herman Hoogerhuis en Kees Botter aan.

"Nu zullen we de Roodbaatjes raken, Oom," zeide Kees Botter.

"Ja, jongen, met Gods hulp hopen we dat te doen," antwoordde de aangesprokene.

"En ik ga ook mee, Kloppers," riep Herman Hoogerhuis op moedigen toon.

"Kom," zeide de Voortrekker vroolijk, terwijl hij den Hollander hartelijk de hand schudde, "dat doet me goed. Dat is het oud-Hollandsche bloed, dat zich niet kan verloochenen. Wij zijn loten uit één stam, Herman."

"En het gaat tegen den ouden, gemeenschappelijken vijand," antwoordde de Hollander.

Nu trad de jonge Arie in den kring.

Hij kwam zoo pas van het veld, van de kudde, en zijn zuster, de blinde Lena, had hem het groote nieuws reeds medegedeeld.

Maar het nieuws had hem opgewonden, en zich tot den ouden Kloppers wendend, zeide hij met smeekende stem: "Mag ik ook mee, Grootvader?"

"Waarheen, jongen?" vraagde deze.

"Wel in den oorlog, Grootvader."

"Neen, mijn jongen," zeide Kloppers, en hij schudde zijn grijze lokken, "gij blijft bij je grootmoeder en zuster."

"Waarom, Grootvader?"

"Omdat ge nog een kind zijt," hernam Kloppers op ernstiger toon.

"Ik ben geen kind meer," zeide de jongen met een gekwetst gevoel van eigenwaarde.

"Ja wel Arie, gij zijt nog een kind," hernam de oude Kloppers op beslisten maar vriendelijken toon.

"Ik ben ruim dertien jaar; dat vergeet ge, Grootvader."

De Jonge Arie zeide dit vol ijver, in groote opwinding, maar zijn grootvader was niet van zijn stuk te brengen.

"Later," zeide hij, "later! Dan moogt ge mee!"

En hij lachte, terwijl hij dit zeide.

Maar zijn kleinzoon lachte niet.

"Neen, niet later," zeide de jongen hartstochtelijk, "niet later! Laat me nu meegaan!"

En hoe onvermurwbaarder het hart van den ouden Kloppers scheen, te dringender werd de jongen in zijn vragen.

Hij bad, hij smeekte — hij wierp zich aan de voeten van den grijzen Voortrekker.

"Sta op," zeide de Voortrekker, zelf geschokt.

"Neen," zeide hij, "ik sta niet op, tenzij ik mee mag in den oorlog."

Al de hartstochtelijkheid, die diep verscholen ligt in het hart van den Afrikaanschen Boer, kwam bij dit Transvaalsche kind tot een plotselinge, heftige uitbarsting.

"Sta op," zeide de Voortrekker nog eens, "dat kan ik niet aanzien. Ge zegt, dat ge geen kind meer zijt? Wel aan, ik zal je op de proef stellen.

Het paard, waarmee ge in den oorlog zult trekken, en het geweer, waarmee ge in den oorlog zult schieten, moet ge eerst op den Engelschman veroveren — dan moogt ge mee in den oorlog."

"Goed," zeide de jongen, overeind rijzend en de heete tranen uit de oogen wisschend, "die voorwaarde is niet al te zwaar."

HOOFDSTUK X.

"Oom Jan, waar is Kees gebleven, Kees Botter?" vraagde de blinde Lena.

"Kees?" zeide Jan Kloppers, "Kees? Waarom vraag je dat?"

"Ik hoor zijn stem niet, Oom Jan."

"Wel, hij is zoo even de deur uitgegaan."

"In welke richting?" vraagde Lena.

"In welke richting? Jij wordt een nieuwsgierig nest, Leentje," schertste Jan; "daar heb jij niks mee te maken."

Maar zij tastte naar zijn handen en greep ze.

"Toe, zeg het mij," zeide ze dringend.

"Ik weet het niet," antwoordde hij, "maar maak je maar niet ongerust; Kees zal niet zoo gauw verongelukken."

"'t Is te hopen," zeide ze op een eigen toon, maar nog dringender dan zooeven smeekte zij: "Ga even kijken!"

"Is de zaak van zoo'n gewicht?" vraagde hij verwonderd.

"Dat weet ik niet," zeide ze, "maar laat Kees in geen geval iets merken."

Jan ging nu naar buiten, en terugkomend zeide hij: "Kees wandelt naar het bosch, doch wat hij in dat bosch heeft te maken, dat begrijp ik niet."

"En ik evenmin," antwoordde het blinde kind.

Doch meer zeide ze niet.

Kees Botter was intusschen nog al gauw terug.

"Wat had je daar toch in dat bosch te maken?" vraagde Jan. "Wie?" zeide Kees.

"Wel jij!" zeide Jan.

"O, ik heb daar op wild geloerd," zeide Kees.

"En ge gingt zonder geweer?" zeide Jan.

"Wie zegt dat?" vraagde Kees.

"Wel ik —," zeide Jan; "ik heb je nagekeken."

"O ja, 't is waar ook," antwoordde Kees; "ik had in de haast het geweer vergeten."

"Zóó!" zeide Jan, maar Lena, die dit gesprek woord voor woord had gehoord, dacht er het hare van.

"Twee maal," zeide ze tot zichzelve, "heeft hij van daag de bij ons op bezoek zijnde buren er aan herinnerd, dat het reeds laat was; drie maal heeft hij aan Grootvader gevraagd, wanneer en hoe laat hij naar het oorlogsterrein denkt te vertrekken, en vier maal heeft hij naar den koers gevraagd, dien Grootvader denkt in te slaan.

En wat heeft hij in 't bosch te maken? Het ligt in de richting van het Engelsche kamp — misschien heeft hij op een afgesproken plaats een brief neergelegd — ik denk er het mijne van."

In drukke beslommeringen was de dag ten einde gespoed. Het was reeds laat, toen men zich ter ruste zou begeven, doch Kees Botter zou nog even een luchtje gaan scheppen. Hij vond het zoo benauwd in huis.

Toen hij buiten de deur was, naderde Lena in heftige gemoedsbeweging Jan Kloppers, haren Oom.

"Ik ga nog even naar het bosch," fluisterde ze. "Blijf ik te lang weg, dan kunt ge mij in die richting zoeken."

Maar de jonge Boer keek haar aan met verbaasden blik; al te raadselachtig klonken haar woorden.

"Ik begrijp je niet," zeide hij, en hij staarde haar in haar lief gelaat, dat thans wit was als de kelk van een lelie.

"En ik kan het je thans niet uitleggen," zeide ze.

"En ik wil het weten," zeide hij.

Besluiteloos stond zij vóór hem.

"Laat me door," zeide ze, dringender dan zooeven. "Er hangt zooveel, er hangt misschien alles van af."

Hare stem beefde van innerlijken angst, doch met klimmende verbazing nam Jan Kloppers haar op. "Hoe meer er van afhangt, hoe minder ik zin heb, je alleen te laten gaan. Als jou een ongeluk overkwam, zou ik het mij nooit vergeven, dat ik je in den nacht alleen, onvergezeld had laten gaan."

Radeloos wrong het blinde meisje haar handen.

"Zeg het mij," drong hij, "waarom je gaat. Ik zal het niet vertellen."

Er was geen andere uitweg; zij moest.

"Nu dan," zeide ze, "ik zal je mijn geheimen toevertrouwen," en in korte, haastige, afgebroken woorden, met horten en stooten, deelde zij haar gedachten en vermoedens mee.

Maar reeds voor zij was uitgesproken, helderde het gelaat van den jongen Boer op.

Hij schaterlachte.

"Als 't anders niet is," zeide hij, "dan zal 't wel losloopen. Kees Botter een verrader — hoe kom je er aan! Maar ga maar — nu ben ik gerust. Ten minste als je het pad kunt vinden."

"Ik heb het al zoo dikwijls geloopen," zeide ze.

"Ja," zeide hij, "dat is waar."

"En als ik te lang weg blijf, zal je me dan gaan zoeken?"

"Natuurlijk zal ik dat doen," zeide Jan Kloppers.

"Maar 't zal niet noodig zijn," liet hij er op volgen.

Het was volle maan; Lena wist het. En om zich niet te verraden, kroop zij meer dan zij ging het voetpad uit.

Nu en dan tastte zij naar het gras, aan weerszijden van het pad, om op het rechte spoor te blijven.

Nu ving haar scherp gehoor het geluid op van een zich verwijderenden voetstap.

Dat moest Kees Botter zijn.

Hij was het ook.

Lena strekte zich uit op het voetpad, om niet ontdekt te worden. Zoo kroop zij voorwaarts.

Drie keeren hield het geluid van den voetstap op. Telken keer bleef Botter behoedzaam, luisterend staan, maar geen onraad bespeurend, ging hij dan weer door.

Eindelijk was het bosch bereikt.

Lena hoorde het aan het ruischen van het loover, en zij voelde het aan de verdorde bladeren op den grond.

Daar knakte het in hare onmiddellijke nabijheid tusschen het struikgewas.

Argwanend keerde Botter zich om, en hij begaf zich in de richting der blinde. Zij kon het duidelijk hooren aan het naderen van zijn stap.

Zij drukte zich tegen de struiken aan, maar zij legde de hand op de borst, uit vreeze, dat het bonzen van haar hart haar zou verraden.

Rakelings ging de jonge Afrikaander langs haar heen.

Maar hij zag haar niet, want het licht der maan werd juist onderschept door een donkere nachtwolk, en de duisternis werd nog verzwaard door het gebladerte, dat zich welfde boven het voetpad.

"Een springbok is hier voorbij gekomen," zeide hij gerustgesteld.

Dat was inderdaad het geval; een springbok had zich door het struikgewas een uitweg gebaand.

Met versnelde passen spoedde Botter zich nu voorwaarts, en spoedig had hij het open terrein bereikt.

Met het grootste ongeduld zaten de twee ons wel bekende Engelsche militairen hem op te wachten.

"'t Is ellendig, dat jij altijd zoolang op je laat wachten," zeide de officier op gemelijken toon "men zou hier van verveling dood gaan."

Maar Kees Botter scheen deze opmerking niet eens te hooren.

"Ik heb zeer belangrijke berichten, Majoor!" zeide hij op vroolijken toon.

"Dat de Boeren van daag hun vaatdoek te Heidelberg zullen hijschen?" antwoordde de officier; "dat wist ik van morgen reeds..."

"Ik moet zeggen, dat u vlug van nieuws wordt bediend Majoor!"

"Vlugger dan door jou — dat is zeker."

"U behoeft niet dadelijk grof te worden," zeide de prikkelbare Afrikaander. "Kent u ook het veldtochtsplan der Boeren?"

De officier schudde het hoofd.

"Dan zal ik het u vertellen," zeide Botter.

"Ik ben van daag van de groote volksvergadering te Paardekraal terug gekomen met den zoon van mijn ouden baas, en ik weet het precies. De hoofdmacht der Boeren zal de passen van het Drakengebergte bezetten, om aan generaal Colley, die uit Natal komt oprukken, den doortocht te beletten."

"Zij zullen 't niet lang volhouden," zeide de officier.

"En de rest van de Boeren zal de Engelsche garnizoenen in de Transvaal gaan besluiten."

"Dus ons kamp ook?" vraagde de officier.

"Natuurlijk — wat anders, Majoor?"

"Sapperloot, dat wordt mooi," riep de officier, en hij sloeg zich op de knie; "dat wordt mooi, sergeant. Met zevenklappers jaag ik de Boeren de breede veertien op — wat zullen ze hollen!"

"U stelt het zich al te gemakkelijk voor," zeide de Afrikaander; "de Boeren loopen niet zoo hard als u denkt."

"Goed, wij zullen zien," zeide de officier; "en verder?"

"Ik trek met het Boeren-kommando mee naar de passen van het Drakengebergte, als u 't goed keurt."

"Ik keur het goed," zeide de officier, "want daar zal de beslissing moeten vallen."

"Die natuurlijk niet twijfelachtig is," liet hij er op volgen.

"En ik houd," zeide Botter, "de Engelsche autoriteit op de hoogte van de bewegingen en de plannen der Boeren — maar hoor ik daar niet een verdacht geritsel?"

"'t Was maar een vluchtende haas," zeide de oude sergeant.

"Ik vind uw voorstel uitstekend," zeide de officier op tevreden toon.

"En heeft u lust, dan kan u overmorgen vroeg nog zoo ongeveer een dertig- of veertigtal Boeren inrekenen Majoor!"

"Werkelijk, Botter?"

"Werkelijk, Majoor. Zij komen mijn ouden baas afhalen, en trekken met hem naar het oorlogsterrein."

"Kom, dat wordt prachtig," riep de Majoor. "Dat geeft nog wat variatie in dit vervelende nest, dat Transvaal heet. Want ik ben liever aan den Nijl of aan den Indus, en gij sergeant?"

"Ik ook," antwoordde de sergeant, en hij draaide aan zijn grijze snor.

Dit was trouwens zoo wat de eenige bezigheid, die hij bij deze samenkomsten uitvoerde.

"En hoe moeten we 't aanleggen, Botter, om die dertig of veertig dappere Boeren te knippen?"

"Dat zal ik u zeggen, Majoor," antwoordde Botter. Hij beschreef zeer nauwkeurig den weg, dien de Boeren zouden nemen, "en," voegde hij er aan toe, "u legt zich met een paar honderd man in hinderlaag, en de overrompeling is volkomen."

Maar de officier riep met de grootste minachting: "Met twee honderd man — ben je nu stapelgek, vent? Honderd man zijn meer dan genoeg."

"Ik zeg u, Majoor, neem er twee honderd," zeide Botter op bedaarden toon.

"Dat zeg ik ook," zeide de sergeant, die heimelijk vreesde, van de partij te moeten zijn; "dat zeg ik ook; de ruimte schaadt niet."

"Ik zal er honderdvijftig nemen," antwoordde de officier; "maar ook geen één meer."

"De Boeren zijn tegenwoordig met een wilden, oproerigen geest bezield," meende Botter.

"Ik zal er hem uitranselen," zeide de officier; "hier, met deze karwarts — wil je rooken; Botter?"

"Als 't u blieft, Majoor!"

De officier, die zelf ook opstak, reikte den Afrikaander een sigaar aan.

"U zult wel zoo vriendelijk willen zijn," zeide deze, "er voor te zorgen, dat ik overmorgen bij de overrompeling niet bij ongeluk word doodgeschoten."

"Nou, dat zou erg jammer zijn," lachte de officier — "hier heb je vuur!"

"Dat zou 't ook," zeide Botter — "ten minste voor de Engelsche belangen. Maar wij zullen nu eens over den deze praten," en hij maakte een ondubbelzinnig gebaar met duim en wijsvinger.

"Hoe denkt u daarover, Majoor — maar 't is net, alsof ik daar in de struiken iets verdachts hoorde; ik vertrouw het niet."

"Och kom," zeide de officier.

"Ik zeg u — ik vertrouw het niet," herhaalde de wantrouwige Afrikaander.

Hij nam een stuk papier uit zijn zak, vouwde het op en stak het aan met een lucifer.

Met deze flambouw gewapend, speurde hij den omtrek af, en daar — in de verte —

"Daar ligt een boomstam of een mensch," zeide hij; "dat wil ik weten."

Lena begreep, dat ze was ontdekt. En al had ze thans de helderste oogen van de wereld gehad, die hadden haar niet meer kunnen redden.

Botter's scherpe blik had haar onmiddelijk herkend.

"Sta op," riep hij met harde, ruwe stem, "wat doe je hier?"

Van den eersten schrik bekomen en geen uitweg ziende, stond zij nu vastberaden op.

"Wat doe jij hier?" herhaalde de Afrikaander.

"Daar heb jij niet mee te maken," antwoordde zij op kordaten toon.

"Speel jij den spion?" vraagde hij.

"Speel jij soms den spion?" was haar antwoord.

"Heb jij gehoord, wat we hebben besproken?" vraagde hij.

"En als ik het heb gehoord, wat zou dat dan?" was haar wedervraag.

"Als je 't hebt gehoord — kom mee," zeide hij, en hij sleurde haar met brutaal geweld naar de open plek, waar de beide Engelschen waren.

"Jij hebt het gehoord — je hebt alles gehoord; spreek het eens tegen," riep hij op groven toon. "Maar je zult stipte geheimhouding zweren; je zult. Versta je me? Ik zal je dwingen," zeide hij met een vloek.

Hij haalde een geladen revolver van onder het vest te voorschijn; Lena hoorde het knakken van den haan.

Al het bloed was uit haar gezicht geweken, maar zij klemde de tanden op elkaar en zeide geen woord.

"Zul je den mond opendoen, verklikster?" zeide de Afrikaander, terwijl hij haar zoo gevoelig in den arm kneep, dat zij een zachten kreet van pijn niet kon onderdrukken.

Doch nu kwam de officier tusschenbeide; deze marteling stuitte hem tegen de borst.

"Kom eens hier, meisje," zeide hij, "wie heeft je gestuurd?"

"Niemand heeft mij gestuurd," antwoordde zij.

"En heb je ons gesprek afgeluisterd?" vraagde hij.

"Daar antwoord ik niet op," zeide zij.

"Zoo," zeide hij, blijkbaar geprikkeld en op scherperen toon: "weet je ook, tot wien je spreekt?"

"Neen," zeide ze bedaard, "dat weet ik niet."

"Kijk mij dan eens goed aan," ging hij voort, terwijl hij den mantel terugsloeg, en de blinkende knoopen der roode uniform zichtbaar werden.

"Ik kan u niet zien, mijnheer," zeide het meisje.

"Me dunkt, de maan schijnt toch helder genoeg," hernam de officier.

"Ik ben blind, Mijnheer."

"Zóó," zeide de majoor op langzamen, verbaasden toon, "zóó — dat is iets anders," maar Kees Botter, zich weer in het gesprek mengend, riep op wilden, hartstochtelijken toon: "Zul je zweren? Ik schiet je dood, als je niet zweert. Hier, voel dezen revolver eens!"

Hij greep haar hand en drukte ze met geweld tegen den loop. Die hand was zoo koud als ijs.

Maar de officier zeide onwillig: "Waarom dat gemartel? Wij nemen haar eenvoudig mee naar ons kamp; dan kan ze geen kwaad stichten."

"Neen," riep de Afrikaander; "zij zal zweren."

Zijn voor niets, zelfs voor geen moord terugdeinzende aard kwam boven. Zijn oogen waren als met bloed doorloopen, en ze fonkelden als van een roofdier.

Hij duwde den loop van den revolver hard tegen het voorhoofd van het blinde kind.

"Wil je zweren?" siste hij tusschen de tanden door.

"Wat moet zij zweren?" riep een forsche, vreemde stem.

Verrast keken de mannen op; het was de stem van Jan Kloppers.

Het lang uitblijven der blinde Lena had hem toch ongerust gemaakt. Hij had het geweer over den schouder geworpen, en was met den jongen Arie op pad getrokken.

Thans verschenen beiden op het open terrein.

"Wat moet zij zweren?" vraagde Jan nog eens, en de Engelsche militairen met een wantrouwenden blik opnemend, wendde hij zich tot Lena.

"Ik moet zweren," zeide zij, "dat ik Kees Botter niet zal verraden, die zelf zijn eigen volk verraadt."

"Spreek duidelijker," riep Kloppers, onder den indruk dezer vreeselijke betichting met gedempte stem, "ik begrijp je niet."

"Ik klaag hem, Kees Botter," zeide Lena, "voor God en menschen aan, dat hij een spion is van de Engelsche regeering. Zoo pas heeft hij al de geheimen, die hij van ons volk wist, aan de Engelschen hier verklapt."

"Zóó," zeide Jan Kloppers, "zóó!"

Hij was als verpletterd door deze verschrikkelijke tijding. Maar dat ze waar was, bevestigden de twee roode jassen, daar vóór hem, en plotseling brak zijn toorn los als een vernielende bergstroom.

"Zóó," zeide hij tot Botter, "ben jij zoo diep gezonken? Ben jij een verrader geworden? Het genadebrood heb je gegeten bij mijn vader, en is dat de dank?"

Zijn stem was schor van hartstocht; hij was zich zelve niet.

Met éénen vreeselijken vuistslag sloeg hij den verrader tegen den grond, en rukte hem den geladen revolver uit de hand.

Dit was veel sneller toegegaan, dan ik het hier neer kan schrijven, en Arie het wapen reikend, zeide hij: "Houd dien verrader in toom en jaag hem bij de geringste beweging een kogel door den kop."

"En waarmee kan ik de Engelsche heeren dienen?" ging hij voort, zich tot den officier wendend, die inmiddels de hand op zijn schouder had gelegd.

"Ik wil u even vragen," zeide de officier met gebiedende stem, "of gij op de laatste vergadering te Paardekraal zijt geweest?"

"Ja," antwoordde Kloppers, "als het je plezier kan doen om dat te weten, dan zal ik het je zeggen. Ik ben er geweest."

"Dan hebt ge tegen het uitdrukkelijk bevel onzer geëerbiedigde koningin gehandeld, en moet ik je als rebel arresteeren," zeide de officier op strengen toon.

"Wanneer arresteeren, Mijnheer?"

"Op staanden voet," zeide de officier.

"Op staanden voet?" zeide de jonge Boer.

Er kwam een spotlach op zijn gelaat, en hij schudde zich als een jonge leeuw, die door de vrije wildernis trekt.

"Arie," ging hij voort, op Kees Botter wijzend, "houd dat ondier in de gaten," en zich tot den officier wendend, zeide hij: "Hier, Mijnheer, keten me nu!"

Hij rekte zich uit tot zijn volle lengte, en ging vlak vóór den officier staan.

Hij was zeker een halve voet langer dan de Engelschman.

"Sla me nu de Engelsche boeien om de handen," sprak hij tartend.

"Sergeant," beval de officier, "pak aan!"

De geroepene was niet erg op zijn gemak, maar hij kwam toch naderbij en haalde de handboeien uit den zak.

De jonge Boer kruiste de armen over de borst.

"Moet die ouwe stakkert mij de boeien aanleggen?" spotte hij. "Het manneke is al blij genoeg, dat hij op zijn beenen kan staan."

"Hier!" riep de majoor op bevelenden toon, en meteen greep hij den Boer in de borst. Maar deze sprong achteruit, en rukte het geweer van den schouder.

"Pas op!" riep hij met dreigende gebaren — maar nògmaals kwam er in het tooneel een onverwachte verandering. Alsof hij uit den grond was opgekomen, zoo plotseling verscheen de oude Dirk Kloppers op het open terrein.

Het licht der maan bescheen zijn grijze lokken, en vorschend gingen zijn blauwe oogen over de merkwaardige groep.

"Wat beteekenen die vreemde uniformen hier, Jan?" vraagde hij.

"Dat beteekent," zeide de aangesprokene, op Kees Botter wijzend, die nog steeds door den revolver in Arie's hand werd in bedwang gehouden, "dat die ellendeling daar, dien gij steeds als uw eigen kind hebt behandeld, van de goede zaak een verrader is geworden, en aan de Engelsche militairen hier al de geheimen verklapt, die hij weet."

"En wat hebt ge op die zware beschuldiging te antwoorden?" vraagde de oude Kloppers, zich tot Botter wendend.

Hij vraagde dit op langzamen, onnatuurlijk kalmen toon. Maar onder die kalmte kookte het, en onder die zware wenkbrauwen begon het onheilspellend te flikkeren.

Botter had die vraag verwacht, en nu het loochenen niet kon helpen, werd hij brutaal. En op zijn brutaalsten toon antwoordde hij: "Nu ja, ik heb de geheimen verklapt; in het belang der Boeren zelf. Ze zijn verloren, als ze tegen de Engelschen moeten vechten, en hoe sneller de oorlog afloopt, hoe minder Boerenbloed er zal vergoten worden. Ik ben nu in een scheeve positie, maar later zult ge mij nog komen bedanken!"

"Dat denk ik ook," zeide Jan met een schamperen lach.

Botter was intusschen overeind gerezen, en Arie keek zijn grootvader aan.

"Zal ik —" zeide de jongen, "zal ik?"

Maar de oude Kloppers schudde het hoofd. Hij drukte den loop van den revolver zwijgend naar beneden.

Er volgde een korte pauze, en de Engelsche majoor wachtte met klimmende verbazing de ontknooping.

Nòg bewaarde de oude Kloppers zijn kalmte, maar zijn zoon had er een voorgevoel van, dat er iets verschrikkelijks gebeuren zou.

"Hebt ge nog iets meer te zeggen, Kees Botter?" vraagde de oude Transvaler.

"Neen," zeide de aangesprokene zoo onverschillig mogelijk, "voorloopig niet."

Maar toen hij den grijzen Voortrekker in de oogen keek, toen ging er toch een rilling door zijn leden. Hij verzamelde echter nog eens al zijn moed bij elkaar, en zeide, met een volkomen mislukte poging, om een grap te uiten: "Me dunkt, ik kan me nu wel verwijderen — 't is hier nog al tochtig in de avondlucht."

"En waar wil je heen?" vraagde Kloppers.

"Naar jou huis niet, ouwe," zeide de verrader op zijn brutalen toon van zoo even.

"Grootvader, wees voorzichtig," smeekte het blinde meisje; "hij is tot alles in staat. Zoo even dreigde hij me dood te schieten."

"En waarom wou hij je doodschieten, Lena?"

"Omdat hij bang was, dat ik zijn verraad zou verklappen."

"Zoo," zeide de Voortrekker, "nu weet ik genoeg."

"Maar die Engelsche officier wilde het niet hebben."

"Goed," zeide Kloppers, "daar zal ik nota van nemen."

Nu wendde hij zich weer tot Botter.

"Hier!" riep hij op gedempten toon, "tegen den grond!"

"Blijf van mij af," antwoordde de verrader ruw, maar in 't volgende oogenblik had de Voortrekker hem reeds gegrepen.

"Dat kan ik niet dulden," riep thans de majoor, die tot nog toe lijdelijk toeschouwer was geweest.

Hij wilde de worstelenden scheiden, maar Jan legde op het hoofd van den Engelschman aan en riep: "Raak mijn vader niet aan, of ik schiet je neer."

Doch reeds had de Voortrekker den verrader met zijn reuzenkracht tegen den grond gedrukt.

Besluiteloos stond de majoor er naast, en in zijn nabijheid, met den vinger aan den trekker van het geweer, stond de jonge Jan.

Botter echter tastte naar zijn mes en vond het. Doch den ouden Kloppers was deze beweging niet ontgaan; den arm van zijn tegenpartij grijpend, ontworstelde hij hem het wapen, en wierp het wijd het bosch in.

"Arie," zeide hij, "haal mij een scherpen doorntak."

Arie haalde er één: zoo hard als staal. De grijze Voortrekker vatte hem stevig in zijn sterke vuist.

"Nu ga ik met je afrekenen," zeide hij, terwijl hij den verrader de knie op de borst zette. Zijn stem was kalm, maar zij was vreeselijk in haar kalmte.

"Ik klaag je aan, Kees Botter, dat gij de gastvrijheid hebt geschonden, dat gij een blind meisje met den dood hebt bedreigd, en dat gij uw vaderland hebt verraden. Om uws vaders wil, die een oprechte Afrikaander was, zal ik u niet aan onze wettige regeering overleveren, die u zeker tot den kogel zou veroordeelen, maar teekenen zal ik u, opdat vriend en vijand wete, wie Kees Botter is."

"Dit is voor den schender der gastvrijheid," ging hij voort met bliksemend oog en vreeselijke stem, terwijl de roede met de harde, scherpe doornen door de lucht suisde, "en dit is voor den beul van blinde kinderen, en dit voor den verrader van zijn volk."

Drie keeren, kruiselings, gingen de slagen over het gelaat van den verrader. Hij gilde van pijn, van schaamte en woede; het bloed gulste van zijn gelaat.

"En ga nu uit mijn oogen, ellendeling, en bid God, dat Hij uw zonden moge vergeven," riep de Voortrekker.

Met één ruk had hij hem overeind, en slingerde hem wijd weg, zooals men een giftige adder wijd wegslingert...

"Wij hebben hier niet meer noodig," meende de sergeant op schuchteren toon.

"Dat denk ik ook niet," zeide de oude Voortrekker. "Wist ik, dat de vijandelijkheden reeds waren begonnen, dan zou ik u beiden mede nemen als mijne gevangenen. Maar ik weet het niet; daarom kunt ge gaan."

En hij maakte een waarlijk majestueuze beweging met zijn hand.

"Komt," zeide hij, zich vervolgens tot zijn huisgenooten wendend, "wij gaan naar huis," en zich omkeerend, verdween hij met hen in de duisternis van het bosch.

Met een van woede verwrongen gelaat staarde Botter hen na, en met een vreeselijken vloek brulde hij: "Die Dirk Kloppers, die beul — sterven zal hij door mijne hand!"

Met de Engelschen ging hij naar hun kamp — waar zou hij anders heen?

De majoor en de sergeant hadden echter ieder hun eigen gedachten, en zwijgend sprongen zij op hun paarden, die op eenigen afstand waren vast gebonden.

"Als de andere Boeren van dat slag zijn," zeide de officier nadenkelijk, en hij wees met den vinger achteruit, "dan zijn we nog niet zoo gauw klaar."

"Ze schijnen door den duivel bezeten," antwoordde de sergeant, en hij draaide zenuwachtig aan zijn grijze knevels.

Ook Arie had zijn eigen gedachten. "Wat een mooie gelegenheid was het geweest," dacht hij bij zich zelve, "om een Engelsch paard en een Engelsch wapen machtig te worden, maar die kans is van daag verkeken."

Vol vreeze was het blinde meisje. "Ach Grootvader," zuchtte zij, "die Botter zal zich vreeselijk op u wreken."

Maar hij schudde zijn grijze lokken en antwoordde: "De Heere, die mij heeft bewaard voor den assegaai van den Kaffer, voor den kogel van den Engelschman en voor den klauw van het wild gedierte, is machtig genoeg, mij ook te bewaren voor den zwakken arm van dien knaap."

"Maar gij hebt je gedragen als een heldin," liet hij er op volgen, en hij legde zijn hand liefdevol op haar hoofd.

En met snelleren stap schreed hij, de blinde Lena aan de hand en Jan en Arie achter zich, naar de eenzame hoeve, waar zijn vrouw de komenden met pijnlijk ongeduld verbeidde.

HOOFDSTUK XI.

't Is nog nacht, doch in het oosten begint het te schemeren. En helder blinkt de morgenster boven de eenzame woning van Dirk Kloppers. In het achterhuis, in den stal heerscht groote beweging. Deuren worden dicht en opengeslagen; luid blaffen de groote waakhonden, en slaapdronken Kaffers zijn bezig, bij het sombere schijnsel van een vetkaars, vastgezet in een gebeukte, blekken lantaarn, eenige rijpaarden naar buiten te leiden.

In het voorvertrek, aan de eikenhouten tafel, zit het huisgezin van Dirk Kloppers aan het ontbijt.

In den hoek staan een viertal geweren, en daarnaast, op een bruingeverfde kist, zijn eenige bandelieren neergelegd.

Tegenover Dirk Kloppers zit, met de walmende olielamp tusschen beide, zijn huisvrouw. Naast den huisvader heeft zijn vriend, de leeuwenjager, zwijgend plaats genomen. En in de schaduw zitten Jan, Arie, Lena en Herman Hoogerhuis.

Er wordt weinig gegeten; het brood, met het fijne schapevleesch, smaakt heden morgen niet.

Er wordt evenmin veel gesproken. Ieder is met zijn eigen, ernstige gedachten vervuld, en zelfs de bruine oogen van den Hollander staan droef en weemoedig. Als een berg drukt het naderend afscheid op aller gemoed.

Thans neemt de oude Kloppers den zwaren, met koperen beslag belegden Staten-bijbel en leest met langzame, duidelijke maar bewogen stem:

"Een lied Hammâaloth.

Die op den Heere vertrouwen, zijn als de berg Zion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.

Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzoo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.

Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onrecht.

Heere! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hunne harten.

Maar die zich neigen tot hunne kromme wegen, die zal de Heere weg doen gaan met de werken der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!"

En hoor, nu zingen zij te samen het 3de vers van den 17den Psalm:

"Ik zet mijn treden in uw spoor. Opdat mijn voet niet uit zou glijden; Wil mij voor struikelen bevrijden. En ga mij met uw peillicht voor. Ik roep U aan; 'k blijf op U wachten, Omdat G', o God! mij altoos redt; Ai! luister dan naar mijn gebed, En neig Uw ooren tot mijn klachten!"

En nu knielt de kleine gemeente neer, en de huisvader gaat voor in het gebed. Het is geen lang, maar een krachtig, aangrijpend gebed.

In dit gebed smeekt de grijze Voortrekker, met belijdenis van de schulden en zonden des volks, dat de Almachtige de wapenen der Boeren moge zegenen; dat Hij, nu de weerbare mannen naar het oorlogsveld trekken, zich, als de bergen rondom Jeruzalem, moge legeren rondom de achterblijvende vrouwen en kinderen; dat Hij den strik moge breken, waarin zij gevangen zitten, en dat zij met gejuich mogen wederkeeren uit den strijd!

Hij bidt ook voor de vijanden van zijn volk, en hij smeekt zijn God, dat Hij hen om Christus wil een inzien moge geven in het groote kwaad, dat zij bedrijven, door een klein en aemechtig volk op het hart te trappen, opdat de zware bloedschuld, die zij over hun zielen gaan halen, hen niet vertere, hen noch hunne kinderen!

Lodewijk Jansen, Kloppers' zwager, zou dat niet hebben gedaan: bidden voor den Engelschman.

"Wat," zou hij hebben gezegd, "zal ik bidden voor den Engelschman? Neen, dat doe ik nooit! Roepen Engelands ongerechtigheden niet tot God om wraak? Komt het niet met paarden en wagenen en kanonnen, om een klein volk te knechten? Wordt de man niet uit de armen van zijn vrouw, en de zoon niet uit de armen zijner moeder gescheurd, om neergelegd te worden door het Engelsche lood? En zijn nù reeds geen Engelsche agenten bezig, om de honderdduizenden Kaffers in de Transvaal op te ruien? En zijn die Kaffers, sterk door Engelands geheimen steun, niet van plan, om bij de éérste nederlaag der Boeren hun achtergebleven vrouwen en kinderen aan de assegaai te rijgen?"

En zou hij voor deze menschen bidden, die christenen heeten, maar door heidenen worden beschaamd? Neen, waarlijk niet! Het vuur des hemels zou hij over hunne hoofden willen inroepen en de wraak des Almachtigen!

Doch Kloppers is milder dan Lodewijk Jansen. Hij is even kloek in het veld als laatstgenoemde, en de scherpste doorntak is hem niet te scherp, om er een verrader mee te tuchtigen, maar hij placht te zeggen: "Jezus is voor mij, toen ik zijn vijand was, in den dood gegaan — zou ik dan niet voor mijn vijanden bidden?"

Er is niemand van het gezelschap, die het gebed van den ouden Kloppers hartelijker nabidt dan de blinde Lena. Zij kan voor het volk, dat zij liefheeft, zoo weinig doen, doch met haar blinde oogen grijpt zij het machtigste wapen — het gebed.

Nu worden de laatste toebereidselen voor den tocht gereed gemaakt; de bandelier gevuld met scherpe patronen, het zakje van bokkevel vol geladen met gemalen koffie, en biltong noch tabak vergeten.

De Kaffers brengen de paarden voor; Columbus houdt den Moorkop, die driftig op de stalen stang bijt, bij den teugel.

De walmende olielamp wordt nu uitgeblazen; reeds valt het matte schijnsel der morgenschemering in het vertrek.

Elk oogenblik kunnen nu de andere Boeren komen, in wier gezelschap men mede zal trekken naar het oorlogstooneel. Lena staat op, want zij hoort reeds den snel naderenden hoefslag van vele paarden. Zij gaat ter zijde staan, in een hoek van het woonvertrek.

Zij hoort nu, dat de ruiters van hun paarden springen; zij hoort hun mannelijken stap, hun morgengroet, nu zij de woning binnentreden. Zij hoort het rinkelen der sporen aan hun laarzen, en het dreunen der geweerkolven, nu zij op den steenen vloer worden neergezet. Zij hoort het schuifelen der voeten en het druk, verward geroep en gepraat van dertig, veertig menschen.

"En is dat nu Lena?" hoort zij plotseling een stem in haar nabijheid vragen.

"Ja, kommandant," antwoordt een andere stem, "dat is Lena!"

"Stilte!" roept de eerste stem op gebiedenden toon.

"Stilte!" roepen de Boeren, "onze kommandant wil spreken."

Plotseling verstomt het leven, en aller oogen zijn op het blinde meisje gevestigd. Zij voelt het, al ziet zij 't niet, en het bloed stijgt haar naar de wangen.

De kommandant echter legt de hand op haar schouder en zegt: "Lieve Nicht, ik heb zoo even van uw grootvader vernomen de even schrandere als moedige daad, die gij eergisteravond hebt verricht. Gij hebt de plannen van een verrader verijdeld, en het slagnet ontdekt, waarin wij heden morgen zouden worden gevangen. Wij erkennen daarin de hand van onzen getrouwen God, want wat zelfs aan het schrandere oog van onzen wakkeren Kloppers ontsnapt, laat hij door u, eene blinde, ontdekken. Zoo zijn Gods wegen gemeenlijk, en wij, Boeren op kommando, danken u hartelijk voor de liefde, die hij voor onze verdrukte natie betoont, en de God van Israël, Die ook de God der Boeren is, moge u daarvoor rijkelijk, rijkelijk zegenen!"

Hij drukt haar de hand; al de anderen volgen zijn voorbeeld. Maar Lena staat daar, schuchter en verlegen, het gloeiend gezichtje door het dichte, donkerbruine haar als in een lijst gevat. Doch een heldere glimlach komt op haar lief gelaat, nu haar oor de stem van Leen Blok opvangt.

"Ach nichtje," klaagt Leen Blok, terwijl hij komt aansloffen op zijn lange veldschoenen van ongelooid buffelleer, "daar ben ik nou. In 't holle van den nacht heeft de wilde Kasper Veen mij uit mijn bed getrommeld, en zij zeggen, dat ik maar courage moet hebben, maar ik weet niet, wat courage is," en hij trapt met zijn lange veldschoenen droevig op den grond. "Nu, nichtje, het ga je goed; ik ga mij nu offeren voor ons vaderland, maar ik zat liever bij mijn schapen," en de lange Leen sloft naar buiten, naar zijn poney, een koppig, bijterig dier met kleine, kwaadaardige oogen.

Lena hoort, hoe de drukte weer afneemt; de voetstappen verwijderen zich. Zij hoort door het thans opengeschoven raam het ruischen der oude Boerenvlag, het vaarwel van vele stemmen: "Zoo God wil, tot weerziens!" het kommando van den aanvoerder: "Voorwaarts!" en het kletteren der paardehoeven over den harden grond van het erf.

Tot weerziens — ach, zij hoopt het ook. Doch terwijl hare natuurlijke oogen met een ondoordringbaren sluier zijn gesloten, zijn hare andere oogen wijd open, en zij ziet dappere, moedige krijgers, thans vol kracht en gezondheid, neergestrekt door het Engelsch kanon, een spijs voor den zwervenden aasvogel....

De leeuwenjager is zoo pas, na een hartelijk afscheid genomen te hebben, met de ruiterschaar vertrokken, maar de andere huisgenooten zijn er nog. Dirk Kloppers kon in het gewoel van zooeven geen afscheid nemen. Trouwens, Kloppers heeft vlugge kleppers, en de ruiterschaar zal spoedig zijn ingehaald.

Herman Hoogerhuis staat buiten, bij de paarden; Lena en Arie staan naast hem. Dirk Kloppers en zijn zoon Jan zijn nog in de woning.

Zij hangt hem den bandelier over den schouder.

Zij staart hem aan met hare oude oogen, waarin zich hare ziel en hare groote, trouwe liefde weerspiegelen; zij neemt zijn verweerd gezicht tusschen hare gerimpelde handen en kust het....

Maar in de strenge oogen van den grijzen Voortrekker begint het te schemeren, en over zijn gelaat biggelen twee groote tranen.

"De Heere zij uwe banier," zegt ze; "Hij zij uwe hulp en uw schild bij dag en bij nacht!"

"En zie ik u hier niet meer terug," zegt hij, "dan hoop ik u in dat zalige land te ontmoeten, waar recht en gerechtigheid zullen heerschen, en waar God al de tranen uit de oogen zal wegwisschen."

Nu gaat hij naar buiten.

"En nu zullen wij afscheid nemen, moeder," zegt Jan weemoedig.

Ja, nu zal zij afscheid nemen van haar zoon, van haar jongsten, van haar Benjamin.

"Gelooft gij, dat ik u liefheb, mijn jongen?" vraagt ze.

"Ja," zegt hij, "dat geloof ik."

"En gelooft gij, dat mijne liefde zoo groot is, dat ik mijn bloed, druppel voor druppel, voor u zou willen geven, als het moest?"

"Ja," zegt hij met bewogen stem, "dat geloof ik."

"En kunt gij het nogthans verstaan, dat ik u liever dood aan mijn voeten zie liggen met het volle schot van den Engelschman in de borst, dan dat gij de vlag zoudt kussen, die ik haat?"

"Ja," zegt hij huiverend, "ik versta het."

"Mijn jongen, mijn lieveling!" roept ze uit, "mijn licht en mijn zonneschijn!"

De volheid der moederlijke teederheid en al het schrijnend zielewee van het afscheid breekt zich baan in dezen kreet, en van aandoening overweldigd, knielt de jonge man aan den schoot zijner moeder.

Ach, dat heeft hij zoo dikwijls gedaan, vele jaren geleden, toen hij nog een klein jongske was. Maar in dit plechtig oogenblik wordt hij weer dat kleine jongske, en de hand van zijn moeder gaat streelend, liefkozend over zijn blond haar. Zij kust dat haar.

"Geef mij uw zegen, lieve moeder," fluistert hij, maar zij antwoordt: "Ik kan u geen zegen geven, lieve jongen, maar de God uwer vaderen, de Getrouwe en de Almachtige, Die zegene u!"

En door haar eigen gevoel overstelpt, vat zij hem bij de hand, en leidt hem naar boven, naar het kleine kamertje, waar hij als kind heeft geslapen.

Dáár, in dien hoek, bij dien ouden, vermolmden stoel, dáár heeft ze hem leeren knielen; dáár heeft zij hem zijn eerste avondgebed geleerd.

En daar hebben zij ook nu te zamen gebeden, de oude moeder en haar jongen, haar Benjamin....

Ongeduldig slaan de paarden met de voorpooten tegen den grond. Herman Hoogerhuis roept: "Het wordt tijd."

Jan spoedt naar buiten. De moorkop ziet hem, en hinnikt zijn jongen meester vroolijk tegemoet.

Snel springt hij in het zaâl: een beeld van jeugdige mannelijke kracht. De morgenlucht verkwikt hem, en zijn oogen beginnen weer te stralen.

Men zegt Arie en Lena vaarwel — de ruiters geven hun paarden de sporen.

De oude vrouw staat hen na te turen, met weenende oogen.

Daar kijken Jan en Herman nog eenmaal om.

Zij zwaaien de geweren boven hun hoofden.

"Voor Afrika!" roept de één.

"Voor Oud-Holland!" roept de ander.

"Voor vrijheid en recht!" roepen ze beiden.

Maar de oude Voortrekker blikt niet éénen keer meer om.

Zijn gedachten zijn reeds ver in 't zuiden.... in 't gewoel van het gevecht.... in den donder van den slag...

HOOFDSTUK XII.

In een aan het wagenhuis aangebouwden vleugel, het "kookhuis," staat vrouw Kloppers met opgestroopte mouwen en hoogroode wangen voor den brandenden bakoven.

Daarnaast staat de trog met deeg, dien zij met een paar Kaffermeiden gaat bewerken.

"Ga mij uit den weg," zegt zij ijverig tot Arie, die voortdurend voor haar voeten loopt.

De jongen heeft het slecht naar zijn zin. Sinds eergisteren, Zaterdag, toen zijn grootvader met de anderen vertrok, heeft hij aldoor maar gezeurd.

Hij ziet er geen gat in, om aan de voorwaarde, door zijn grootvader gesteld, te voldoen, en daarom is hij zoo lastig.

Hij zoekt ruzie met zijn zuster, scheldt op de Kafferknechten en loopt zijn grootmoeder in den weg.

"Ga mij toch uit den weg," zegt vrouw Kloppers nog eens met nadruk, een takkebosch in den oven werpend, die van hitte blaakt.

"Zij mogen allen vechten," moppert hij, zonder op de vermaning van zijn grootmoeder te letten, "zelfs de lange Leen Blok met zijn mageren hals, en ik kan thuis blijven en op de kippen passen."

"Wees toch bedaard," herneemt zijn grootmoeder, "gij zijt nu zoo goed als plaatsvervanger van uw grootvader; me dunkt het is een eerepost."

"Nou," zegt hij gemelijk, "zoo'n eerepost kun je van mij cadeau krijgen."

Daar komt Lena aan en wil hem opbeuren, maar hij valt haar op geprikkelden toon in de rede en roept: "Schei maar uit met je praatjes. Help mij maar liever aan een Engelsch paard en aan een Engelsch geweer; dat zou je knapper staan. Ze zeggen allemaal, dat jij zoo verschrikkelijk schrander bent voor je leeftijd — waarom help jij me daàr niet aan?"

Doch vrouw Kloppers noch Lena nemen nu verder notitie van hem. Hij staat nog eenige oogenblikken te druilen, draait zich om op zijn linkerhiel en begeeft zich naar buiten, achter het huis.

Hij plaatst de handen aan zijn mond en roept uit alle macht: "Columbus, ouwe Columbus!"

"Haal van den zolder de twee geweren, die er nog zijn, en breng ammunitie mee. Zadel dan mijn klepper — gij kunt den schimmel nemen. Wij gaan op de jacht."

Binnen een half uur is alles gereed, en na zijn grootmoeder en Lena, die blij zijn, dat hij er uittrekt, gegroet te hebben, werpt hij het oude pangeweer met het zelfbewustzijn van een leeuwenjager over den schouder en springt in het zaâl.

Columbus, eveneens met zoo'n geweer gewapend, rijdt naast hem.

Het is nog vroeg in den voormiddag.

"Waar rijden wij heen, baassie?" vraagt Columbus, nadat zij zeker een uur zwijgend naast elkander hebben voortgereden.

"Dat kan me niet schelen," zegt Arie onverschillig, "al rijden we midden onder de leeuwen."

"O baassie," zegt Columbus, en hij strekt zijn langen arm naar het noorden, "dáár in de verte, hier nog een paar uur rijdens van daan, heb ik verleden week leeuwensporen ontdekt."

Arie is door deze mededeeling blijkbaar verrast, maar hij houdt zich kordaat en wendt den teugel van zijn paard.

Ze trekken nu over het golvende grasveld recht het noorden in, maar na twee uren stevig doorgereden te zijn, hebben zij de leeuwensporen nog niet ontdekt.

Nu wordt echter afgezadeld, en aan den zoom van een bosch, de uitgedroogde bedding van een spruit aan hun voeten, zetten zij zich neder.

Arie strekt zich lang uit op den grond; naast hem hurkt de Kaffer, en hij staart zijn jongen meester aan met zijn groote, zwarte oogen.

Columbus is een Zoeloe-Kaffer, en de diepe naad, die over zijn rechterarm loopt, zou u heel wat kunnen vertellen.

't Is een verschrikkelijke dag geweest, toen een jonge Boer het mes over zijn arm haalde; een verschrikkelijke dag voor de Boeren.

't Is 43 jaar geleden, dat het is gebeurd. Onze Kaffer was toen 17 jaar, en diende bij het regiment der blauwe schilden, dus genoemd naar de kleur hunner schilden.

Hij heeft het vreeselijk bloedbad met eigen oogen aanschouwd, en toen kreeg hij de snede over den arm. Hij weet alles nog haarfijn. Hij weet te vertellen, hoe langs de gelederen der Boeren de kreet: "Verraad!" gilde, hoe zij hun messen trokken en als leeuwen vochten, tot de knodsen der Zoeloe's hun de hersenpan verbrijzelden.

Doch de Boeren wreekten het onschuldig vergoten bloed, en sloegen de dappere regimenten van koning Dingaan uit elkaar. En Columbus, wiens koning verslagen was, werd knecht bij Gert Kloppers en later, na diens dood, knecht bij Dirk Kloppers.

Maar op dit oogenblik denkt Columbus niet aan de vreeselijke dagen van 1838.

Hij zit gehurkt naast zijn meester en kijkt hem aan met zijn trouwe oogen.

"Wat is 't, baassie?" vraagt hij.

"'t Is niks, Columbus," zegt Arie, die zachtjes aan in een beter humeur is gekomen. "Ik denk maar aan jouw naam. Weet jij, naar wien je bent genoemd?"

"Neen, baassie," zegt de Zoeloe-Kaffer, "hoe zal ik dat weten?"

"Jij bent genoemd naar een der grootste mannen, die ooit hebben geleefd, Columbus," zegt Arie met een geleerde plooi in zijn leuk gezicht.

"Heb je ooit de zee gezien, Columbus?"

"Neen, baassie, nooit!"

"Kun jij je voorstellen, dat al het veld hier vóór je water is?"

"Neen, baassie," zegt de Zoeloe eerlijk.

"Waarom niet, Columbus?"

"Omdat het veld is en geen water, baassie."

"Jij bent een uilskuiken," zegt Arie onwillig; "een echt uilskuiken!"

"Hoe moet ik je nou in vredesnaam aan 't verstand brengen, wat een zee is?" vraagt hij ongeduldig.

"Is ze zoo breed als de groote rivier in 't noorden, waar de olifanten drinken, baassie?"

"Ja, zoo groot is ze," zegt Arie; "dat wil zeggen, vijftienduizend maal grooter."

"Zóó," zegt de Kaffer, en hij slaat de lange armen van verbazing boven zijn hoofd te samen, "zóó, baassie!"

"Over zoo'n zee is Columbus, je naamgenoot, heen gevaren."

"Met een ossenwagen, baassie?"

"Neen, domme Kaffer, met geen ossenwagen — met een schip!"

"Dat ken ik niet, baassie!"

"Nu, denk dan maar met een drijvenden ossenwagen!"

"Naar waar moeten ze 's avonds dan uitspannen, baassie?"

Doch bij deze vraag springt Arie op.

"Schepsel, schepsel, wat ben jij dom," zegt hij driftig. "Jouw kop is te groot, en jou hersenpan is te dik. Er kan geen gedachte door, Columbus. Begrijp je dan niet, dat ze nooit uitspannen? Zij zeilen dag en nacht, totdat zij den anderen oever hebben bereikt."

"O baassie, wat ben jij slim," roept de Kaffer in ongekunstelde bewondering.

"Ten minste, als ik zoo dom was als jij, dan zag het er treurig met mij uit," antwoordt de jongen met waardigheid.

"En nu zal ik je vertellen, hoe Columbus Amerika heeft ontdekt."

Bij dit woord helderen de zwarte oogen van den Kaffer op, alsof hij reeds land ontdekt in de verte.

"Baassie bedoelt zeker onzen Amerika?" vraagt hij nog ten overvloede.

"Jij meent den jongen Kafferknecht, dien Grootvader verleden jaar heeft gehuurd?" is de wedervraag van Arie.

Columbus knikt met het groote hoofd, maar hij leest reeds uit de verbaasde oogen van zijn jongen meester, dat hij weer erg onnoozel is geweest.

"Neen, onzen Amerika bedoel ik niet," zegt Arie met nadruk, terwijl hij op den grond stampt, "maar ik bedoel een verschrikkelijk groot land, dat aan den anderen kant van de groote zee ligt."

"Goed, baassie," zegt de Kaffer gedwee, "ik luister."

Nu deelt Arie aan den luisterenden Columbus de moedige daden mede van zijn grooten naamgenoot.

"En hebt ge 't nu goed begrepen, Columbus?" vraagt hij, aan het einde gekomen van zijn verhaal.

"Ja, baassie, heel goed," zegt de Kaffer.

"Vertel het mij dan eens na," zegt baassie.

Columbus stut nu het groote hoofd tusschen zijn beide handen, fronst de wenkbrauwen en begint:

"Columbus ging op een drijvenden ossenwagen zitten met zijn knechten en meiden —"

"Dat gaat heel goed," zegt Arie bemoedigend.

"En ze dreven dag en nacht op de groote zee, waar dieren zijn, zoo groot — zoo groot als baas Kloppers' wagenhuis."

"Heel goed," knikt Arie lachend.

"En zij kwamen eindelijk aan land. En er stonden een groote hoop Kaffers aan den oever, en zij zeiden: 'Ben jij 't, baas Columbus?' En hij zeide: 'Ja, ik ben baas Columbus; is dat hier Amerika?'"

"En zoo hebben de witmenschen Amerika ontdekt." Columbus is voldaan over zich zelve; hij lacht van plezier, omdat hij 't er zoo goed heeft afgebracht, en zijn tanden blinken als sneeuw tusschen het zwarte vel. De jeugdige onderwijzer lacht ook en hij zegt: "O Kaffer, o Kaffer, ik zal je aan je ezelsooren komen," en hij trekt hem aan zijn lange ooren.

Zij hadden reeds eenigen tijd naast elkander gezeten, nu en dan een slok koffie nemend uit de veldflesch, toen de Kaffer plotseling voorzichtig overeind rees en fluisterde: "Baassie, ginds weidt een hert."

"Waar?" vraagde Arie.

De Kaffer wees hem de richting, en Arie ontdekte eveneens het wild.

Beiden namen nu behoedzaam hun snaphanen op, en Arie zeide met zekere plechtigheid: "Columbus, dat hert moet het mijne worden. Loop nu het beest voorzichtig vooruit, en keer het van voren."

Dat was naar Columbus' zin; nu kwam hij in zijn element. Eerst liep hij met de snelheid van een hardlooper in een grooten boog om het hert heen; vervolgens wierp hij zich op den buik, en sloop als een slang vooruit.

Arie kon hem duidelijk naoogen door de beweging van het lange gras, dat zijn spoor aanwees, en nu en dan keek de kroeskop voorzichtig boven het gras uit, om snel weer weg te duiken.

De jongen besloop nu het beest van achteren tot op een afstand van 120 pas en legde aan. Maar het hert scheen onraad te vermoeden, en hief den schoonen kop onrustig omhoog.

Arie hield zich doodstil.

Het dier begon weer te grazen. In de richting, waar de Kaffer moest zijn, bewoog zich geen grashalm meer.

Nu mat Arie nog eens met het oog den afstand, mikte en drukte af.

Als van den donder getroffen stortte het dier neer. Het had genoeg.

Een woesten zegekreet slakend, kwam de Zoeloe nu aanhollen, maar Arie stapte, met het geweer in de hand, kalm en bedaard op het geschoten beest af.

Doch zijn oogen tintelden van voldoening.

"Ouwe Columbus," zeide hij, "gij krijgt een knappen baas; hij schiet zoo maar een hert, dat de haren er afstuiven."

"Ja," zeide Columbus, "gij wordt een knappe baas," maar naar de verte turend, waar een groep boomen stond, riep hij, niet weinig ontsteld: "En daar komt nog een knappe baas aanstappen, baassie!"

Arie volgde de richting van Columbus' uitgestrekten arm en verbleekte. Hij vluchtte achter een boom, en de Zoeloe volgde zijn voorbeeld.

Die knappe baas was een leeuw.

Bedaard stapte de koning der dieren voort, tot hij het geschoten hert had bereikt. Hij besnuffelde het en sloeg er zijn tanden in. En hij scheurde er lappen vleesch af, want hij had honger.

Arie zag, hoe hij zijn muil aflikte; dat versche vleesch beviel hem uitstekend.

Bij den jongen was nu de eerste schrik voorbij, en hij dacht: "Zie, hij doet net, of hij het hert heeft geschoten," en hij wenkte den Zoeloe.

"Kijk, ouwe Columbus," fluisterde hij, "dat ondier vreet mijn hert op, dat ik geschoten heb, en dat is voor een fatsoenlijk mensch onverdragelijk. Besluip jij nou den leeuw van voren, en ik zal hem van achteren besluipen. Zal je niet wegloopen, ouwe Columbus, als de ouwe begint te brullen?"

"Neen," zeide de Zoeloe, "ik zal niet wegloopen, en ik zal den leeuw voor baassie schieten."

"En als gij misschiet, ouwe Columbus?"

"Ik zal eerder mijn baassie aanzien voor een eendvogel, dan dat ik misschiet."

Nu gingen beiden aan het werk, om hun vijand, die zijn middagmaal bedaard naar binnen sloeg, van twee kanten te naderen.

Columbus nam zijn geweer en schoot, zonder te raken.

"Ik dacht het wel," mompelde Arie; "de Kaffers schieten altijd te hoog."

Dreigend schudde de leeuw zijn vorstelijke manen, en rende op zijn aanvaller af. Deze greep in zijn angst een zwaren klipsteen, om er den kop van zijn geluchten tegenstander mee te verbrijzelen, maar hij struikelde over een klip en viel.

De leeuw was nu vlak bij, en besnuffelde hem van de voeten tot het hoofd. En hij begon het achterhoofd van den Kaffer te likken, zooals de kat de muis likt.

Maar Columbus, die gedurende het besnuffelen onbewegelijk als een doode plat tegen den grond had gelegen, kon dit likken niet uitstaan.

"Zeg, leelijk ding," riep hij in zijn verbouwereerdheid, "blijf met jouw viezen bek van mijn kop," en hij greep een hoop mul zand en wierp het den leeuw in de oogen.

Hij had den leeuw letterlijk blind gegooid, en het monster trachtte de oogen met de pooten schoon te wrijven. Ware de toestand niet zoo hachelijk geweest, dan had men er om moeten lachen, doch nu was het waarlijk geen tijd, om te lachen.

Arie stond achter den boom en zag alles. Hij nam het geweer, mikte en schoot. Maar slechts het kruit ontplofte met een zwakken knal; Arie, die het hert had geschoten, had vergeten, op nieuw te laden.

De leeuw, die thans weer uit zijn oogen kon zien, verdacht den Kaffer van den knal, en naderde hem op nieuw. Hij zweepte met zijn staart het droge zand, zoodat het opdwarrelde als een stofwolk, en zijn gebrul rolde als een donderslag over het veld.

Arie beefde er van, en Columbus trok den versleten demi-saison, dien hij eens van een zendeling had gekregen, zoo goed als het ging over zijn ooren, om het geluid niet te hooren.

De leeuw sperde intusschen zijn vreeselijken muil op, om er het hoofd van den Zoeloe-Kaffer mee te omvatten.

Met ingehouden adem, terwijl hij snel laadde, zag Arie het aan.

Elk oogenblik verwachtte hij, dat de leeuw den ongelukkige het hoofd van den romp zou scheuren.

Maar 't gebeurde nog niet.

"O ouwe Columbus," zeide Arie in zich zelve, "misschien, dat jouw groote kop, die zoo hard is als een klipsteen, jouw behoud is."

Werkelijk scheen het zoo; de leeuw ging een paar passen terug. De Kaffer gaf geen geluid, en de leeuw liet een gebrul hooren, dat hem het bloed in de aderen stolde.

Maar Arie legde aan en drukte af. Toen verstomde het gebrul, en met den doodelijken kogel tusschen de bladen, stortte de leeuw dood neer.

De Kaffer was gered.

"O ouwe Columbus," riep de jongen met van vreugde-stralend gelaat, "daar had de leeuw je bijna opgepeuzeld."

"Ja, baassie," zeide Columbus, "dat zou wel gebeurd zijn, als baassie niet zoo'n knappe scherpschutter was. En nu zullen we het beest de huid afstroopen, baassie."

Het was laat in den avond, toen Arie met Columbus thuis kwam.

Zijn grootmoeder stond met een strak gelaat over de onderdeur te kijken, en Lena leunde droevig tegen den muur.

"De Engelsche soldaten zijn van daag gekomen," zeide zij klagend, "en hebben twaalf paarden en zestig koeien en ossen meegenomen."

"Die dieven!" riep Arie verschrikt en vertoornd, en Columbus sloeg van verbazing zijn lange armen in de hoogte.

"Kees Botter was hun gids," vervolgde het blinde meisje; "en ze hebben Geertje, onze beste melkkoe, ook mede genomen."

Maar de oude vrouw klemde de lippen op elkaar, en sloot zwijgend de bovendeur.

HOOFDSTUK XIII.

Reeds vroeg in den volgenden morgen was Arie opgestaan. Hij had slecht en onrustig geslapen. En in zijn woeste droomen had hij geworsteld met de Engelsche roovers, die de paarden en de koeien stalen van zijn grootvader. En Columbus had hem trouw bijgestaan. Maar de overmacht was te groot, en zij hakten Columbus het groote hoofd af. En toen hadden zij hem, Arie, gegrepen, en ofschoon hij als een wanhopige had geschopt en getrapt, had hij er toch aan moeten gelooven, en zij hadden hem achter het huis gesleept, en in den mestput gegooid.

Maar toen was hij wakker geworden en had bemerkt, dat hij uit de houten bedstee was gerold.

Hij kleedde zich aan. Van de grijspillowsche broek waren de pijpen, van het wambuis de mouwen veel te kort. Dat kwam, doordat hij overal uitgroeide. Nu ging hij naar het ruime achterhuis, nam een emmer water en wiesch zich met de onstuimigheid van een waterval.

Het was nu dag, en door de scheuren en de spleten van den muur viel de dageraad in volle lichtbundels naar binnen.

In het woonvertrek was vrouw Kloppers bezig, koffie te zetten. Arie ging naast haar zitten en zeide: "Grootmoeder, ge moet je dat maar niet aantrekken van de paarden en koeien; dat komt terecht."

"Dat is ook waarlijk het ergste niet," zeide vrouw Kloppers, die aan haar man dacht en aan haar zoon.

"Dat komt terecht," zeide de jongen nog eens, terwijl hij zich een kop koffie inschonk, en het harde, bruine brood, dat zijn grootmoeder vóór hem had neergezet, tusschen zijn jonge, sterke tanden nam.

Na het ontbijt ging Arie naar den boomgaard en zette zich neder in de schaduw van een abrikozenboom.

"Zoo," zeide Columbus, die voorbij kwam, met eenige droge huiden op den rug, "zit je daar naar de lucht te kijken, baassie?"

"Neen, ik zit naar den grond te kijken, ouwe Columbus."

"Zoo," zeide de Kaffer, zijn weg vervolgend.

"Hoor eens, Kaffer!" riep Arie.

Columbus keerde onmiddellijk terug, nieuwsgierig, wat zijn jonge baas te zeggen had.

"Zeg, houd je veel van de Engelschen?"

"Dat weet ik niet," zeide de Kaffer.

"Ouwe Columbus, je moet me helpen, hoor!"

"Waarmee, baassie?"

"Ik moet een Engelsch paard en een Engelsch geweer zien machtig te worden — hoe leg ik dat aan?"

"Dat weet ik niet," zeide de Kaffer, met de zwarte handen nadenkend door zijn kroeshaar strijkend, "dat weet ik waarlijk niet."

"Dus je denkt, dat ik geen Engelschman aan durf?" zeide Arie ietwat geprikkeld, terwijl hij opstond en zich uitrekte.

"Baassie," antwoordde de Zoeloe, "hij, die binnen een uur tijds een hert en een leeuw doodschiet, behoeft voor geen Engelschman op zij te gaan."

"Dat meen ik ook," zeide de jongen, niet weinig gestreeld.

"Hoor eens hier, Columbus," ging hij voort op vertrouwelijken toon, "zóó kan 't niet langer. De Engelschen stelen als raven. Daar moet een eind aan komen. Ik ga vechten, wis en zeker. Maar als ik geen Engelsch paard en geen Engelsch geweer machtig word, dan wil Grootvader mij niet zien. Nu vraag ik jou nog eens: Hoe kom ik er aan? Als jij mij raad geeft, dan sta je in mijn gunst zoo vast als een boom."

Arie ging nu weer zitten, en Columbus zette zich naast hem. De zaak kreeg voor hem zelf een ernstige beteekenis. Hij stutte het hoofd met zijn groote handen, net als zijn baassie, en tuurde strak naar den grond.

"Maar jij behoeft me niet na te apen," zeide Arie driftig; "dat helpt niemendal."

"Neen, baassie," zeide Columbus, en zich op zijn breeden rug werpend, keek hij in de lucht.

"Baassie," zeide hij eindelijk, "kan je schrijven?"

"Niet al te best," antwoordde Arie met een zucht.

"Dat is jammer," zeide Columbus ernstig.

"Waarom jammer?"

"Wel, dan kon baassie aan den Engelschen generaal per brief vragen, hoeveel hij voor een paard en een geweer vraagt, en ik zou den brief wel bezorgen. — Maar 't zal wel niet uithalen," liet hij er mismoedig op volgen, toen hij al weer een nieuwe donderbui op het gelaat van zijn jongen meester zag opkomen.

"Neen, dat zal zeker niet uithalen, domkop," zeide Arie toornig.

Nu volgde er een nieuwe pauze, maar plotseling snelde de Kaffer omhoog. Hij zwaaide met armen en beenen, en begon druk, onder levendige gebaren, met zijn meester te praten.

Wat hij zeide, scheen blijkbaar in goede aarde te vallen, want Arie knikte herhaaldelijk zeer vergenoegd, en wreef zich de handen van plezier.

"Wat moet er gebeuren?" vraagde vrouw Kloppers, toen haar kleinzoon kwam binnenstormen.

"Ik zeg niets," antwoordde hij geheimzinnig, maar hij was opgeruimd.

"Ik begrijp je niet," zeide zijn grootmoeder.

"Later zul je 't vernemen," zeide hij.

"Je bent een vreemd kind," zeide zij.

"Ik ben geen kind," zeide hij; "je zult van me hooren."

Het pad loopt tot vlak tegen den heuvel aan, en splitst zich hier in twee wegen, die rechts en links gaan.

Op dezen driesprong houdt Columbus, die zijn jongen baas tot gids dient, den teugel in van zijn paard en stijgt uit het zaâl.

"Hier moeten ze voorbij komen," zegt de Kaffer met gewichtige houding; "hier heb ik ze heen zien komen. En ginds in dat bosch rechts gaan ze pleisteren."

"Goed," zegt Arie, die ook uit het zaâl is gesprongen. "Ga jij nou met de paarden achter de doornstruiken ginds, opdat men jou van het transportpad af niet kan zien. Laat jou geweer ook hier, want ik heb het misschien wel noodig. En ik zal hier de wacht houden!"

"Als je hulp noodig hebt, dan fluit je maar, baassie!" zegt de trouwe Zoeloe; "voor mijn jongen baas waag ik mijn kop."

Arie knikt, en terwijl Columbus zich verwijdert met de van zweet druipende paarden, verbergt de jongen zich in het struikgewas op den heuvel, geduldig wachtend op het paard en het geweer, dat hij moet bezitten, om mee te mogen in den oorlog.

Hij kan van hier uit het transportpad met zijn scherpe oogen tot aan den horizon bestrijken.

Het is nu middag, en loodrecht, brandend en gloeiend vallen de zonnestralen op het versmachtend aardrijk. Twee grijze wolkjes hangen als schaduwen aan den diepblauwen Afrikaanschen hemel, en onbewegelijk, door geen windje bewogen, staan de spichtige, harde grashalmen.

In de nabijheid van het transportpad, bij den driesprong, ligt een doode os. Hij is, bij het trekken van den zwaren wagen, vermoedelijk van honger en dorst bezweken en toen achtergebleven.

Een troep gieren, de doodgravers der Afrikaansche wildernissen, hebben zich op zijn romp gezet, en scheuren het beest met klauw en snavel het vleesch van de harde knoken. Zij betwisten elkander de stukken, en hun schor en brutaal gekrijsch klinkt akelig door de stilte.

Doch overigens ligt het transportpad daar doodsch, eenzaam en verlaten.

Reeds een uur heeft Arie op de loer gelegen en nog niets ontdekt.

Hij verkwikt zich met een teug Kaapschen wijn uit de veldflesch, neemt een stuk biltong en veegt zich het zweet van het gelaat.

"O ouwe Columbus," denkt hij, "als je 't weer eens mis hadt!"

Hij staart naar het transportpad — en dáár — daar ziet hij een stofwolk oprijzen.

"'t Was niks!" zegt hij even later teleurgesteld tot zich zelven.

De plotselinge stofwolk, die omhoog wervelt alsof ze door een windhoos is opgepakt, wordt veroorzaakt door een dicht ineengedrongen kudde slanke blesbokken, die als een groote schaduw dwars over het transportpad door het onmetelijk grasveld rent.

Met bewonderenswaardig geduld houdt Arie keep. Het is nog stiller dan daar straks, want het gekrijsch der gieren is verstomd.

Toen het maal was afgeloopen, hebben zij hun zware vleugels uitgeslagen en zijn weggevlogen, om de schaduw der boomen op te zoeken.

Er verloopt weer een half uur — nog een half uur — "O ouwe Columbus," mompelt Arie, "wee je gebeente, als niet uitkomt, wat je gezegd hebt."

Maar zie daar — ver aan den horizon word een stofwolk zichtbaar. Er is geen twijfel aan — het is een stofwolk.

Als een zucht van verlichting komt het uit Arie's borst, al begint zijn hart sneller te kloppen.

Met strak gelaat en uitgerekten hals staart hij naar de verte, wel een kwartier lang, maar dan schudt hij mismoedig het hoofd en zegt ontstemd: "'t Is een ossenwagen wat heb ik aan een ossenwagen?"

Hotsend, stootend, rammelend nadert de volgeladen wagen, en het geknal der lange zweep, de kommando's van den blanken voerman en het geschreeuw der bijloopende Kaffers verbreekt de stilte der wildernis.

Reeds kan Arie de acht juk bruine ossen onderscheiden, die den sterken wagen langzaam voorttrekken, en met hun stampende pooten dichte stofwolken omhoog werpen.

Nog een kwartier houdt de jongen stand op zijn observatiepost, maar dan is het ook gedaan met zijn geduld. Hij staat op, steekt twee vingers in den mond en fluit lang en driftig.

Met de snelheid van een hert komt de Zoeloe aanrennen; in de verte grazen de gekluisterde paarden.

"Nou," zegt Arie op luiden, toornigen toon, "waar blijven jouw Engelschen nou? Ik lig me daar van ongeduld de lever op te eten in de doornstruiken, uren achtereen, en wat heb ik gezien? Het kreng van een beest, een hoop blesbokken en een hotsenden ossenwagen!"

"Baassie," zegt Columbus gedwee, "ik zal eens kijken!"

"Ja, doe dat eens," zegt Arie spottend.

Columbus gaat boven op den top van den heuvel staan en tuurt naar den horizon.

"Nou, zie je niets?" vraagt de jongen, maar de Zoeloe hoort die vraag niet eens. Hij verroert zich niet. Al zijn aandacht is op de verte gericht.

Er volgt een pauze van zeker tien minuten, tot de Zoeloe plotseling roept: "Ik zie een stofwolkje, baassie, een heel klein stofwolkje."

Arie is onmiddellijk aan zijn zijde.

"Wat denk je van dat stofwolkje, ouwe Columbus?" vraagt de jongen in spanning.

"Wat ik daarvan denk, baassie?" zegt de Kaffer. "Wacht nog een oogenblik, en wij weten 't."

Het kleine stofwolkje wordt intusschen allengs grooter en nadert tamelijk snel.

In klimmende opwinding staart Arie, de hand boven de oogen, vooruit. Nu en dan blinkt en fonkelt het door die naderende stofwolk heen.

"Achter deze doornstruiken!" roept Arie; "gauw!"

Nu zijn zij door het struikgewas gedekt.

"Ziet baassie nu ook," zegt de Zoeloe, "dat ik het niet mis heb gehad? Kunt gij de blauwe uniformen niet onderscheiden van die twee Engelsche huzaren?"

"Ouwe Columbus is nog zoo dom niet," voegt hij er tevreden aan toe.

Maar Arie hoort de laatste woorden niet eens; zijn hart bonst alsof het bersten zou. Hij ziet het gevaar, waaraan hij zich waagt, maar dat hij het nochthans waagt, pleit voor zijn moed.

"Ouwe Columbus," zegt hij, "dus in dat boschje daar rechts gaan ze pleisteren?"

"Ja baassie," zegt de aangesprokene.

"Luister dan goed," vervolgt de jongen. "Ik sluip de huzaren na, en gij volgt mij op eenigen afstand. Ge moet het voorzichtig doen, als de slangen van Zoeloe-land, Columbus."

"Laat dat maar aan mij over," meent Columbus.

"Als ik in de knoei raak, dan zal ik fluiten, en gij komt mij te hulp — kan ik daarop rekenen?"

"Ja," zegt de Zoeloe. Zijn oogen beginnen te schitteren en te stralen, en in dat licht wordt het breed, hoekig, zwart gelaat bijna schoon.

"Voor zijn baassie gaat de ouwe Columbus in den dood."

Arie zelf is getroffen door deze groote, zeldzame trouw. "Ouwe Columbus," zegt hij hartelijk, "ik vertrouw op jou."

De huzaren, die tot nog toe op een draf reden, halen den teugel van hun moede paarden in en laten ze stappen. Zij zijn nu dichtbij; Arie kan hun gesprek verstaan.

De ruiter rechts, de grootste, een stevige kerel, is een wachtmeester; de andere een gewoon huzaar.

"Ik stik van dorst," zegt de wachtmeester verdrietig.

"'t Is hier om te braden," zegt de huzaar.

"'t Is een hondenbaantje, om die rapporten over te brengen door zoo'n kale, gloeiende woestijn," zegt de wachtmeester.

"Ginds hebben we ons bosch; daar kunnen we weer uitblazen," zegt de huzaar op vroolijken toon.

"Ja, die schaduw zal ons opknappen — heb je nog wat in je veldflesch?"

De huzaar houdt de veldflesch omhoog.

"Er zit niet veel meer in, wachtmeester, maar toch nog wel een paar slokken."

"Mooi," zegt de wachtmeester, "een slok brandewijn is goed bij die hitte," en de veldflesch overnemend, doet hij een flinken teug.

De ruiters hebben thans den driesprong achter den rug, en zijn den weg rechts ingeslagen. De dorstige paarden beginnen weer te draven, want zij ruiken het water in de verte.

In het lange Tamboeki-gras ontstaat een golvende beweging. In gebukte houding stormt een jongen de huzaren na. Hij heeft een geweer over den schouder en in zijn rechterhand nog een geweer. In de linkerhand houdt hij den breedgeranden hoed, opdat die hem niet verlaten zal.

Die jongen is Arie.

Het zweet loopt tappelings over zijn gelaat, en hij hijgt naar adem.

Toch houdt hij vol. Ik geloof, dat hij vol zou gehouden hebben, totdat hij er dood bij was neergevallen. Maar tot dit uiterste komt het gelukkig niet. Wel hebben de huzaren een voorsprong, maar dat hindert niet, want zij hebben het bosch reeds bereikt en springen uit het zaâl.

Dicht bij is een groote waterpoel. Zij leiden hun paarden bij den teugel en drenken ze. In lange, gulzige teugen drinken de dieren het drabbige water.

Nu nemen de huzaren een paar lange helsters, en binden hun paarden vast aan een boom, aan den rand van het bosch. De hongerige dieren grazen het gras af, dat zij kunnen bereiken.

Zelf gaan de ruiters eenige schreden verder het bosch in, en zetten zich neder onder een hoogen eik, die een breede, koele schaduw werpt.

Hun karabijnen en patroontasschen leggen zij naast zich.

Op eenigen afstand stroomt een kleine beek. Zij hooren het bruischen van haar water over de steile klippen.

"Dat water zal lekkerder zijn dan het zeepsop uit dien poel," zegt de wachtmeester; "ik ga eens drinken."

De huzaar gaat ook mee. De wachtmeester kijkt nog even om naar de karabijnen.

"Die liggen daar veilig," zegt hij. "Trouwens ik zal ze wel in de gaten houden."

"De aasvogels zullen ze niet stelen," zegt de huzaar; "en de Boeren zullen er wel afblijven."

"Neen, dat vee van Laban zal ons geen kwaad doen," zegt de wachtmeester lachend en hij rekt zijn forsche leden.

Zij hebben spoedig de beek bereikt, en verfrisschen zich aan het koele, heldere water.

Van het groot en vreeselijk gevaar, dat hen bedreigt, hebben zij niet het minste vermoeden. Zij zien het fonkelen van die twee jonge oogen niet — daar achter den doornstruik — dicht bij den hoogen eik, waar de geladen karabijnen en de patroontasschen liggen.

"Geef mij die veldflesch nog eens," zegt de wachtmeester.

[Illustratie: Arie en de Engelsche Huzaren. TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]

05_huzaren.jpg
05_huzaren.jpg

Hij doet er nog een hartigen teug uit; vervolgens bukt hij zich en lengt ze aan met water.

Nu kijkt hij op zijn horloge.

"Al vier uur," roept hij; "nou, we moeten ons haasten!"

Hij wendt zich naar den hoogen eik; de huzaar volgt hem.

Maar Arie is hen voor.

Hij doet een sprong als een jonge panter, die voor den eersten keer zijn prooi bespringt.

"Daar heb je 't al," zegt de wachtmeester met een vloek; "nu wordt het mooi!"

"Terug!" roept Arie, terwijl hij den loop van zijn pangeweer dreigend op de Engelschen richt. Columbus' geweer ligt naast hem.

Maar de wachtmeester is niet zoo licht verschrokken. Hij is in moeilijker posities geweest dan van daag, en hij draagt het ridderlint voor moed en beleid op de borst. Hij heeft tegenover geduchter vijanden gestaan dan tegenover dezen knaap, en toch heeft hij zich nog altoos door een snel en stoutmoedig optreden gered.

De gedachte, om paard en wapen in den steek te laten en te vluchten, komt niet bij hem op.

Hij trekt den sabel en stormt vooruit.

"Terug," waarschuwt de jongen nog eens, "of ik schiet je zoo zeker dood als ik dit geweer in mijn handen heb."

"Omlaag je wapen!" roept de wachtmeester met dreunende stem.

Tot op zeven pas afstands is hij gekomen — daar gaat het schot....

De Engelschman steigert omhoog als een wild geworden paard; dan slaat hij voorover — dood....

"Hij heeft niet anders gewild," mompelt de jongen. Dan grijpt hij het andere geweer.

Daar kraakt het in het struikgewas, en als een hert, dat door de bosschen heenbreekt, zoo komt Columbus aangestormd. In drie sprongen staat de trouwe knecht naast zijn jongen meester, maar de huzaar, die den wachtmeester volgde, heeft er genoeg van. Hij zet het op een loopen, en vlucht dieper het bosch in.

Met bewonderende blikken hangt Columbus aan zijn jongen meester. "O baassie," zegt hij, "gij wordt een knap schutter, en gij zult de roodbaatjes schieten als boschduiven!"

Het was nacht, toen Arie en Columbus met de buitgemaakte paarden en wapenen thuis kwamen.

Arie begaf zich naar zijn grootmoeder, die reeds te bed lag, en zeide met de stem van een overwinnaar: "Grootvader stelde als voorwaarde één Engelsch paard en één Engelsch geweer, maar ik heb twee Engelsche paarden en twee Engelsche geweren veroverd. Nu, Grootmoeder, wel te rusten, morgen trek ik naar het oorlogsveld!"

HOOFDSTUK XIV.

Potchefstroom, dus genaamd naar haar stichter, den voorman Hendrik Potgieter, is schilderachtig gelegen aan de Mooirivier, in het zuiden des lands.

De plaats is met bizondere zorg aangelegd, en heeft elkander rechthoekig snijdende straten, die op een groot plein, het kerkplein, uitloopen. De ongeplaveide straten worden bij regenweer in modderpoelen herschapen, doch de Boeren malen er niet om, en zij stappen er door heen, dat hen het slijk om de ooren spat.

De straten zijn beplant met boomen, die in het warme jaargetijde een verkwikkende schaduw spreiden voor den wandelaar, en langs den kant loopen de open waterleidingen uit de Mooi-rivier.

De huizen zijn laag; slechts één verdieping hoog. Zij zijn wit aangestreken en voorzien van platte daken.

Ten tijde van ons verhaal telt Potchefstroom 2000 inwoners, (waarvan de helft in Europa is geboren,) waaronder vele kooplui, die een drukken handel drijven op het binnenland.

En deze kooplui zijn voorzichtige menschen; daarom zijn zij ook Engelsch gezind.

Natuurlijk, dat is het veiligste. Niet alleen, dat de militaire macht het Gouvernementskantoor, den Boerenwinkel en de Gevangenis in kleine forten heeft herschapen, dicht in de nabijheid der stad is het Engelsche kamp met 400 soldaten en de noodige kanonnen opgeslagen.

Het was in den middag van 15 December, en loodrecht vielen de brandende zonnestralen op het stille Potchefstroom. De burgers zaten nog aan tafel en droomden van geen onheil, toen het plotselinge geroep: "Daar komen de Boeren aan!" het kalme stadje met schrik vervulde.

De Engelschgezinden hoopten nog, dat het een loos alarm mocht zijn, maar dien zoeten waan was gauw verdwenen, toen zij elf gewapende Boeren in vollen galop door de straat zagen rennen. Het was de voorhoede van een kommando van 400 Boeren, dat onder bevel van den dapperen Piet Cronjé in snellen draf op Potchefstroom aanrukte. De proklamatie der regeering zou volgens het besluit van den Volksraad in deze stad worden gedrukt, en Cronjé was met de uitvoering van dit besluit belast.

Hij volvoerde zijn taak met moed en beleid.

Met de ligging van het Engelsche kamp volkomen op de hoogte, naderde hij met zijn kommando de stad van een kant, waar het dicht gebladerte der boomen zijn komst voor het oog van den vijand verborg, en in geregelde orde en in snellen draf werd de groote planken brug gepasseerd, die toegang gaf tot de stad.

Van vrees, angst of weifeling was geen sprake; trouwens kapitein Raaff was er niet met zijn blekken schotel. Maar eenige Engelsche winkeliers, die op de stoepen voor hun winkelramen stonden, haalden hun schouders op, zooals de Engelschen dat kunnen doen en zeiden: "Die arme menschen! Nog van daag wordt hun het levenslicht uitgeblazen!" Zóó zorgelijk zagen zij den toestand voor de Boeren in. Maar den ruiters hinderde dat niet, en zij trokken recht door tot vóór de woning van den gewezen staatspresident H. W. Pretorius, waar Cronjé halt liet houden.

De Boeren sprongen nu uit het zaâl, en er ontwikkelde zich een groote drukte en bedrijvigheid. De één verfrischte zich aan de open waterleiding; de ander haalde uit den knapzak een korst brood en een stuk biltong; een derde zocht naar een emmer, om zijn dorstig paard te drenken.

Hier riep er één om vuur om zijn pijp aan te steken; dáár onderzocht een ander met opmerkzamen blik zijn klepper, die bij den langen rit een wondje had opgedaan aan zijn rechtervoorpoot. Sommigen bleven bij hun paarden staan, het geladen geweer in de hand, om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn, en anderen strekten zich, den paardeteugel vasthoudend, uit in het koele gras. Ernstige stemmen werden gehoord, nu en dan afgewisseld door een vlug en grappig, schertsend woord.

Terwijl begaf Cronjé met een kleine ruiterschaar zich verder de stad in, en hield stil voor Borrius' drukkerij.

Borrius, die een vriend der Boeren was verklaarde zich bereid, de proklamatie te drukken, doch van uit het Gouvernementskantoor ontving hij de volgende dreigende Missive:

"Potchefstroom, 15 December 1880.

Ik waarschuw u, dat gij verantwoordelijk zult gehouden worden voor eenig oproerig of onwettig dokument, door u gedrukt, of dat uit uwe pers verschijnt, en dat, indien gij deze waarschuwing verzuimt of weigert te gehoorzamen, gij met de uiterste gestrengheid der wet zult gestraft worden.

M. Clarke. speciale Commissaris".

Borrius las den brief van den Engelschen majoor en las hem nog eens, en keek den kommandant der Boeren vragend aan.

Maar deze zeide: "Als mijnheer Clarke wat wil, dan moet hij met mij praten; druk jij maar gerust de proklamaties. Ge staat onder mijn bescherming."

Toen was Borrius tevreden.

Het was intusschen avond geworden, en terwijl de Boeren hun kwartieren opzochten bij bevriende burgers, nam Cronjé zijn maatregelen, om niet overrompeld te worden.

Zóó werd het nacht en allengs verstomde het rumoer.

De sterren tintelden aan den diepblauwen hemel, en niets werd meer gehoord dan het ruischen van den nachtwind in het loover der treurwilgen, het fluisteren der Boerenschildwachten en de regelmatige voetstap hunner patrouilles.

Zoo ging de nacht langzaam voorbij, maar morgen — wat zal de dag van morgen baren?

Het was den volgenden morgen half tien. Cronjé zat heel bedaard op de stoep voor de drukkerij, in de schaduw van het geboomte, uit zijn houten pijp te rooken, en in de drukkerij waren de letterzetters druk in de weer, om dat gevaarlijke ding, de proklamatie, klaar te krijgen, toen een jonge ruiter in den sneldsten draf de straat kwam afstormen, en reeds uit de verte riep: "Oom Piet, de Roodbaatjes hebben op ons geschoten!"

"Zoo" zeide Oom Piet, terwijl hij bedaard de asch uit de pijp klopte, "en hoe is dat gebeurd?" Met één kwam echter reeds een tweede Boer aanrennen, in de ééne hand den hoed, in de andere het geweer, en riep in de grootste opwinding: "Oom Piet, de Roodbaatjes hebben onzen kommandant Robberts den arm afgeschoten."

"Zoo!" zeide Cronjé nog eens. Toen stak hij de pijp in den zak, stond op en riep met zijn heldere, luidklinkende stem: "Op mannen! Wij zullen de Engelschen te woord staan!"

Wat was er gebeurd?

Robberts was met een vijftal Boeren door de straten gereden, en had den weg ingeslagen naar het Engelsche kamp. Misschien was hij bij dien tocht naar de meening van Winsloe, den Engelschen bevelhebber, te dicht het kamp genaderd. Ten minste Winsloe zond het zestal Boeren bij hun terugtocht een salvo kogels achterna, waarbij de arm van kommandant Robberts verbrijzeld, een andere Boer gewond en een derde gedood werd.

Cronjé riep nu zijn manschappen bijéén, en liet onmiddelijk opzadelen. Hij splitste zijn legertje in vier afdeelingen, die in verschillende richtingen en met de noodige behoedzaamheid de stad zouden doorkruisen.

Aan deze order werd stipt gehoorzaamd, en in bedaarden stap reed eene afdeeling van honderd man de groote straat af naar het kerkplein.

Doch nauwelijks was men hier aangekomen, of uit het Gouvernementskantoor, dat aan het kerkplein grensde, en de Gevangenis werd een overstelpend vuur gericht op het open plein, terwijl de bommen uit de Engelsche negenponders met ontzettende kracht uitéénsloegen.

Het was een ernstig oogenblik, en het verschrikt gesteiger der wild geworden paarden, de luide kommando's der aanvoerders, het geknetter van het geweervuur, het geschrei en gegil van weerlooze vrouwen en kinderen, en daartusschen de donderslag van een neerploffenden bom — de geluiden vereenigden zich tot een éénig, vreeselijk, onbeschrijfelijk concert.

Het groote kerkplein werd snel ontruimd. Toen lachten de Engelsche helden.

"Kijk," zeiden zij, uitstekend gedekt achter stevige muren en door zandzakken verschanste ramen, "kijk, hoe hard de Boeren toch kunnen loopen! Bij het eerste kanonschot gaan zij op de vlucht — 't is uitgekomen, zooals we 't hebben voorspeld! Maar wie is ook tegen den Engelschman bestand?" En zij grinnikten van plezier, terwijl zij daar veilig stonden achter hun schietgaten.

Doch de Engelschen vergisten zich, wanneer zij meenden, dat de Boeren nu hals over kop weer naar de wildernis waren gevlucht.

Zij waren nog in de stad; ja dicht in de nabijheid. Van achter een deur, een wagen, een boom, een kerkmuur, van het platte dak van een winkelhuis, werd plotseling een breedgerande hoed zichtbaar, om even snel te verdwijnen.

Reeds drong er hier en daar een kogel in een zandzak, maar de kogels begonnen dichter te komen, en het schot werd juister.

Een kogel vloog door één der schietgaten en trof den kleinen infanterist, die er juist achter stond. Er werd een klein nietig wondje zichtbaar aan zijn voorhoofd en hij zakte stervend in elkaar.

"'t Is een verdwaalde kogel geweest," zeide de officier, die er bij stond, en om zijn meening kracht bij te zetten, ging hij recht voor het schietgat staan.

Maar hij stond er niet lang; de volgende kogel legde hem tegen den grond.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings