DE SCHERPSCHUTTERS VAN ZUID-AFRIKA. (continued 4)
Reading edition
"'t Schot was niet slecht, maar goed evenmin," zegt Dirk Kloppers, terwijl hij kalm een versche patroon in den loop schuift.
"Dek je, Jan!" zegt zijn vader waarschuwend, "dapperheid zonder voorzichtigheid maakt roekeloos. Zie, die jonge Boer ginds — ik heb hem al drie keeren zooeven gewaarschuwd. Hij waagt zich te veel; hij laat zich meesleepen door zijn moed, maar hij zal het met zijn leven moeten bekoopen — daar ligt hij al, de arme jongen!"
De Engelschen geven het intusschen op. Zij staren met schrik en ontzetting op deze dood en verderf spuwende hoogte — zij deinzen terug. En van klip tot klip, van rots tot rots rukken de Boeren sprongsgewijze vooruit, en zij schieten de Engelschen als boschduiven.
Doch nu begint het kanon weer te bulderen, en dekt den terugtocht der vluchtelingen.
De Boeren verloren 14 man aan dooden en 28 gekwetsten. Van de Engelsche zijde lagen 335 man dood of gewond op het slagveld, een vreeselijk cijfer, wanneer men de getalsterkte in aanmerking neemt. In verhouding was dit gevecht voor de Engelschen bloediger dan de bloedigste veldslag in den Fransch-Duitschen oorlog.
Van Engelsche zijde verscheen nu een parlementair met het volgende schrijven:
"Aan den Kommandant-Generaal P. J. Joubert.
Mijnheer, Gij zult mij een dienst bewijzen, wanneer Gij mij verlof wilt geven, dokters te zenden, om naar de gewonden te zien, die in het front van uwe positie zijn blijven liggen, en manschappen, om de dooden te begraven. Ik heb de eer, te zijn, Mijnheer, uw zeer gehoorzame dienaar
G. POMEROY COLLEY."
Het antwoord luidde als volgt:
"Excellentie, Om der menschelijkheid wil — moet ik ingaan op uw verzoek, en zoodra de slag is afgeloopen, zal ik u de dooden afgeven.
P. J. JOUBERT, Kommandant-Generaal."
Om der menschelijkheid wil — ja, dat was het rechte woord.
Als klaprozen tusschen de blauwe korenbloemen, zóó lagen daar de Engelsche infanteristen en de blauwe huzaren dood, gewond en stervend op het platgetrapte slagveld.
Hartverscheurende kreten van pijn en smart werden geslaakt, en de gewonden versmachtten van dorst.
De Boeren stonden nu midden in al dien jammer en ellende. Zij wierpen het geweer over den schouder, en verrichtten het werk van den barmhartigen Samaritaan. En het oog, dat zoo even nog had geschitterd in het gevoel der zegepraal, werd vochtig, en boven de rookende bloedplassen gingen de sterren op van deernis, barmhartigheid en medelijden.
Inmiddels kwamen een driehonderdtal Engelsche soldaten op het slagveld aan. Zij zochten hun gewonde kameraden op, en legden hen voorzichtig op de meegebrachte wagens. Vervolgens begonnen zij met schop en spade groote, wijde graven te delven, en in deze graven werden Engelands kinderen neergelegd, in hun roode en blauwe, met bloed overstroomde uniformen. Zij lagen met de voeten naar elkander toe, en de dooden schenen uit hun groote, wijde graven de levenden aan te staren met hun opgesperde, verglaasde oogen, hun wijd geopende monden en hun verwrongen gelaatstrekken, en zij schenen nog in hun doodsstrijd een wee te hebben uitgeroepen over de politiek, die hen in den dood had gejaagd....
Doch reeds namen de soldaten hun groote schoppen, en dof en zwaar viel de aarde op Engelands kinderen, en bedekte hun verglaasde oogen, hun geopende monden en hun verwrongen gelaatstrekken....
Terwijl zochten de Boeren in kleine groepen het slagveld af, en namen naar het recht van den overwinnaar van de overal verspreid liggende wapens en patronen bezit.
Dat de Boeren overwinnaars waren gebleven, erkenden de Engelschen, doch zij schreven het toe aan een verpletterende overmacht der Boeren. Dat deze overmacht slechts in hun verbeelding bestond, weten we, maar toch blijft de onderstaande brief, door een Engelschen soldaat aan zijn moeder geschreven, karakteristiek.
Hij luidde als volgt:
"Lieve Moeder!
Enkel een regeltje, om u te doen weten, dat ik nog leef, want gij moet gehoord hebben van het gevecht, hetwelk wij hadden met de Boeren. Het was voor ons een zware dag, want wij verloren 335, zij (de Boeren) verloren 1200 man. Ik behoor bij de huzaren; zoodoende zagen wij alles, en hadden het zwaarste van het werk te doen. Gij zult mijn naam in de couranten onder de gewonden vermeld vinden, maar maak u niet ongerust; het is slechts een geringe wond onder het oog.
Zij waren ongeveer 12000 man sterk en wij omtrent 1200. Nu kunt ge begrijpen, welk soort van gevecht het was. Ik denk, dat gij wel van mijn arm regiment gehoord zult hebben. Het verloor zooveel manschappen; het trachtte de hoogte te nemen, maar het mislukte. Maar wij zullen het een volgenden keer overdoen. Ik denk, dat ik een boel werk doe voor mijn shilling, doch het zal niet eeuwig duren, en dan groet ik het leger voor eeuwig.
Ik moet eindigen.
Uw liefhebbende zoon, J. SWAIS."
"Het zal niet eeuwig duren," schreef de arme jongen.
Dat bleek waarheid te zijn, want geen veertien dagen later werd hij op het slagveld van Schuinshoogte begraven.
HOOFDSTUK XX.
We keeren terug naar het slagveld.
De laatste sporen van den kruitdamp zijn door het zomerwindje weggevoerd.
De dooden zijn begraven; de meeste gewonden verzorgd.
Het platgetrapte gras wijst de plekken aan, waar het hardst en het heetst is gevochten.
Vriendelijk schijnt de avondzon, en zij kust de witte, met bloedbespatte kelken der veldbloemen.
In de verte, met den rug tegen een klipsteen, zit de jonge Boer, dien Dirk Kloppers had zien vallen.
Een van bloed doorweekte doek ligt op zijn borst; dáár heeft hij het doodelijk schot gekregen.
De hoed ligt naast hem, aan zijn linkerzijde, in het gras; bovenop het geweer en de bandelier.
Een reeds bejaard man knielt naast hem; aan zijn rechterzijde.
Dat is zijn vader.
Een kleine groep Boeren staat, leunend op hun lange roeren, op eenigen afstand.
De vreugde der zegepraal in hun blik wordt getemperd door het aangrijpend tooneel daar vóór hen.
De vader houdt de hand van zijn jongen, van zijn lieveling, van zijn eenig kind omklemd.
Hij houdt die hand zoo vast, omdat hij weet: Zijn kind gaat weg, naar het verre, vreemde land, en komt nooit — nooit terug.
De jonge man hijgt naar lucht, maar zijn matter wordend oog zoekt de zon, aan de westerkimmen.
Zij werpt haar laatste stralen over de hoogten en de diepten, van het Drakengebergte, en met een lichtglans bedekt zij het stervend gelaat van den jongen krijger.
"Vader," zegt hij met afgebroken klanken, "het wordt donker voor mijn oogen."
Doch als het donker wordt voor onze oogen, als het avond wordt, dan zeggen wij elkander goeden nacht.
De oude man bukt zich over zijn zoon en kust hem.
"Goeden nacht, mijn jongen!" zegt hij in overstroomend zielewee.
"Is het vrede?" vraagt de oude man met nokkende stem; "is het vrede, mijn jongen?"
Met een uiterste, laatste poging tracht de stervende zich iets op te richten.
"Ik hoop," zegt hij, "ik hoop, dat Jezus mijn Zaligmaker is. Vader, bid voor mij, en groet mijn lieve moeder!"
De oude man houdt de hand van zijn zoon in de hand, en biddend bewegen zich zijn lippen.
En met de hand van zijn vader in de zijne, overschrijdt de jongeling den vreeselijken drempel van de vallei des doods....
Daar begint hij te klappertanden — een rilling jaagt door zijn leden — zijn vader vangt hem op, en houdt zijn dood kind in de armen.
De zon is nu ondergegaan achter de steile koppen van het Drakengebergte.
En de avondwind steekt op, en ruischt weemoedig door de toppen van het geboomte.
En de oude man, blijft hij in leven, zal terugkeeren naar zijn woning zonder zijn kind.
En de moeder zal klagen en rouwdragen over haar eenig kind, haar leven lang...
En gij, machtige staatslieden, die de oorzaken zijt geweest van dezen oorlog, gij zult rekenschap afleggen van het vergoten bloed, zoo waarlijk als er leeft een almachtig en rechtvaardig God in den hemel....
De zon is nu lang ondergegaan.
Het is stil geworden op het slagveld, en vredig blinken de sterren aan het diep blauw dak des hemels.
Een jong infanterist, zwaar aan het hoofd gewond, heeft zich van het slagveld voortgesleept, doch is, een verkeerde richting inslaande, het Engelsche kamp misgeloopen.
Hij is verdwaald.
Door bloedverlies uitgeput, zet hij zich eindelijk neer op een klipsteen.
Hij lijdt veel lichamelijke pijn, doch een andere pijn schijnt hem nog harder te kwellen. Smartelijk bewegen zich zijn lippen.
Ook lijdt hij grooten dorst; de tong kleeft aan zijn gehemelte.
Hij steekt de hand uit, om de veldflesch te nemen, maar hij laat de hand weer moedeloos vallen, want hij herinnert zich, dat hij er uren geleden reeds den laatsten druppel heeft uitgenomen.
Reikhalzend ziet hij uit naar hulp.
Daar hoort hij het getrappel van paarden, en hij spitst de ooren. Maar het geluid wordt zwakker en sterft weg in de verte.
Zoo verloopt er een kwartier, doch nu dringt het luid en driftig gesprek van eenige menschen tot hem door.
Om de aandacht te trekken, roept hij zoo hard hij kan, doch niets dan een zacht, heesch geluid komt uit zijn keel.
Doch het driftig gesprek, dat hij hoorde, verstomt, en nu hoort hij niets meer.
De dorst wordt intusschen schier ondragelijk, en een zonderlinge rilling gaat door zijn leden.
Dat is de opkomende wondkoorts, die hem schudt.
Hij kan zich niet meer overeind houden op den klipsteen, en hij legt zich lang uit neer op den rotsachtigen grond.
En de dagen van het verleden trekken aan zijn ziel voorbij.
.... Zie, daar stond de lieve, met klimop begroeide dorpswoning, waar hij zijn kinderjaren had doorgebracht. En dat was de breede sloot achter het huis, en dat het houten brugje over de sloot. En 's Woensdags en 's Zaterdagsnamiddags, als er geen school was, ging hij met zijn kameraadjes op het houten brugje zitten, en zij voerden de eenden, die er zwommen, met stukjes brood. Of zij namen den hengelstok en gingen visschen in het beekje, dat midden door het veld liep, een kwartier van huis af. En wat had zijn moeder, die zwakke, bleeke moeder, een schik, toen de kleine kerel met vreugdestralend gelaat met de eerste voorntjes en baarsjes thuis kwam!
Het waren er vijf; hij weet het nog.
Zoo diep heeft zich die kleine gebeurtenis in zijn geheugen geprent.
Zijn vader was er niet bij; die lag reeds op het kleine kerkhof; bij het eenvoudige, witte dorpskerkje, dat op den heuvel stond. Hij was onderwijzer geweest in het dorp, en aan een bloedspuwing gestorven. En op het kleine kerkhof bij het witte dorpskerkje, daar was hij begraven. En hij en zijn eenige oudere broeder Eduard hadden, geheel in 't zwart gekleed, bij het open graf gestaan, en al de kinderen van de school. En het was een schoone, liefelijke, stille herfstnamiddag geweest, en de kinderen hadden samen een weemoedig, godsdienstig lied gezongen, en de torenklok had nog nooit zoo ernstig en indrukwekkend geluid.
En den volgenden dag had Eduard hem bij de hand genomen, en zij waren samen stil naar het kerkhof geslopen, en de wind had de herfstblaren van de treurwilgen geschud, en de herfstblaren hadden den grafheuvel van hun vader bedekt als een kleed.
Maar hij bleef niet in het dorpje.
Zijn moeder verhuisde naar een groote, drukke stad, opdat haar twee kinderen zouden kunnen leeren, en hij herinnerde zich nog levendig, hoe hij den eersten avond schreiend in slaap was gevallen, omdat hij het zoo benauwd en somber vond op de kleine bovenwoning.
Nu maakte zijn gedachtengang een grooten sprong.
Eduard zou gaan studeeren voor arts, en hij kwam op een koopmanskantoor.
"Houd God voor oogen!" met deze vermaning had zijn moeder haar jongsten zoon laten gaan.
Ach, had hij het gedaan!
Thans, vlak voor de poorten des doods, gaan zijn oogen open.
Thans wordt hij wakker uit den zedelijken roes, waarin hij zeven jaar heeft voortgehold.
Dat doet de dood. De dood maakt hem nuchter. Hij hoort het kloppen van den dood in de wondkoorts, die zijn aderen doet kloppen.
Wat is zijn leven een aaneenschakeling geweest van zonde, jammer en ellende, sinds hij moeders woning verliet.
Hij kwam in de verzoeking, en hij kwam er niet meer uit.
Slechte gezelschappen verwoestten hem, en zedelooze gesprekken voltooiden de zedelijke verwoesting.
Dat kwam niet in ééns, maar allengs, ongemerkt.
Zijn moeder vermoedde het reeds lang, want het oog der liefde ziet scherp, maar door zijn vriendelijkheid wist hij hare bezwaren weg te vleien.
Maar op 't laatst gelukte het niet meer.
En toen het niet meer gelukte, hield ook zijn vriendelijkheid op.
Hij kon hare ernstige vermaningen niet meer dulden; hij werd prikkelbaar en opvliegend.
En ten laatste lachtte hij om den God, Dien zij aanbad en spotte hij met den Heiland, Dien zij beleed. Doch dat kon op den duur niet goed gaan, en het ging ook niet goed.
Hij werd stroef en driftig, slordig en onachtzaam. Hij kreeg hooge woorden met zijn patroon, en ontving zijn ontslag.
Het bracht hem niet tot inkeer; hij verhardde zich. En na eenige maanden een doelloos leven bij zijn meester gesleten te hebben, teekende hij als vrijwilliger bij de koloniale troepen.
"Charles, mijn jongen, ik zal voor u blijven bidden," dat was het laatste woord der diepbedroefde moeder geweest bij het afscheid.
"Ik heb uw gebed niet noodig," dat was zijn laatste woord geweest.
"Ach, mijn moeder!" steunt hij. "Als gij mijn toestand eens kendet!"
Maar zijn moeder is ver weg, in Engeland.
Zij hoort dat steunen niet.
En een stroom van tranen welt uit zijn oogen, en vermengt zich met het bloed uit de diepe hoofdwond, en zijn bloed en zijn tranen drenken den harden, Afrikaanschen grond.
Maar de wondkoorts komt harder op, en zijn tanden klapperen.
Het begint hem te schemeren voor zijn oogen — hij sluit ze.
Hij hoort het kraken en botsen van een zwaren ossenwagen en den klank van menschenstemmen, doch de geluiden schijnen ver, ver weg te komen.
En nu hoort hij niets meer — niets.
Hij heeft het bewustzijn verloren.
"Ik denk, dat hij dood is!" zegt een ruwe stem.
Dat is de stem van een voerman.
"Neen," zegt een andere stem — dat is de stem van Dirk Kloppers — "ik geloof het niet."
Hij knoopt den bebloeden wapenrok van den Engelschman open, en voelt het nauwelijks merkbaar kloppen van het hart.
"Hij is uitgeput door bloedverlies en heeft de wondkoorts Aan het hoofd heeft hij de wond."
Hij denkt eenige oogenblikken na en vervolgt: "Als we hem hier laten liggen, dan komt hij om, en dat wil ik niet op mijn geweten hebben. Misschien kunnen wij met Gods hulp zijn leven nog redden."
"Kom, Jan," zegt hij tot zijn zoon, "wij zullen hem voorzichtig op den wagen leggen."
"Er is geen plaats meer op den wagen," zegt de voerman.
"Er is wèl plaats op den wagen," zegt de oude Voortrekker met nadruk.
"Er is ook plaats," roepen een paar gewonde Boeren van uit den wagen.
"Zie je wel?" zegt Kloppers; "kom, Jan, neem hem mee op!"
Met groote behoedzaamheid wordt nu de bewustelooze opgenomen en in den wagen neergelegd; op een matras, naast de andere gewonde Boeren.
Nu stut de oude Kloppers het hoofd van den zwaargewonde in zijn armen, en laaft hem met een teug Kaapschen wijn.
De bewustelooze slaat de oogen even open, maar sluit ze onmiddelijk weer.
Vervolgens zuivert de trouwe krankenverpleger de hoofdwond met het water uit een kruik, legt er linnen pluksel op en verbindt ze zorgvuldig.
"Zie zoo," zegt hij tot den voerman, "span hier nu maar uit van nacht!"
"Waarom?"
"Omdat het gewonde Roodbaatje het besterft, als ge hem van nacht vervoert!"
"Dat raakt mij niet," zegt de voerman.
"Mij wel," zegt de oude Kloppers.
"Ik rij door, tot ik een betere plek heb gevonden, om uit te spannen," zegt de koppige voerman.
"Gij rijdt niet door," zegt Kloppers met een stem, die geen tegenspraak duldt.
De voerman geeft het werkelijk op en spant de ossen uit.
En nu is het nacht.
En alles gaat ter ruste.
Doch over het slagveld gaat een geheimzinnig ruischen en fluisteren, alsof de dooden beginnen te spreken....
HOOFDSTUK XXI.
Dat de teruggeslagen generaal Colley versterkingen zou krijgen, wisten de Boeren. Dat die versterkingen reeds in Durban waren ontscheept, en in ijlmarschen in aantocht waren, wisten zij ook. Te meer pleit het voor hun moed en doortastendheid, dat zij het stoute plan ontwierpen, om deze troepen te gemoet te gaan, en op vijandelijk gebied — in Natal — slag te leveren.
De dappere generaal Nikolaas Smit werd met de even moeilijke als eervolle taak belast, en aan het hoofd van slechts 205 ruiters werd de tocht op Zaterdag 5 Februari ondernomen.
Het was een moeielijke en gevaarvolle tocht.
Een aanhoudende regen sloeg de Boeren in 't gezicht, en er woei een sterke, koude wind.
Van behoorlijke wegen was geen sprake. Immers men moest den breeden heirweg, die door het Engelsche kamp werd beheerscht, vermijden.
Slechts langzaam kon men voortrukken op de voetpaden, die de helling van het Drakengebergte afliepen, en aan hun randen gaapten snelvlietende stroomen, dichtbegroeide kloven en steile afgronden. Bovendien waren deze voetpaden nat en glibberig, en op vele plaatsen door den aanhoudenden regen verspoeld.
Des nachts bìvouakkeerde men onder den blooten hemel, op den vochtigen grond, en ruiter en paard hadden het hard te verantwoorden. Er werd veel, zeer veel geleden, maar er werd gemord noch geklaagd. Er heerschte eene voortreffelijke geest.
Voorzichtig trok generaal Smit voort in het vijandelijk gebied, doch toen hij geen troepen ontmoette, liet hij den teugel wenden, en kwam op Dinsdag 8 Februari met 100 man (de anderen hadden wegens ziekte of door het bezwijken hunner paarden terug moeten keeren), bij Schuinshoogte aan, een belangrijk punt, gelegen aan de Ingogo-rivier, tusschen Colley's kamp en New-Castle, een Natalsch stadje.
Hier was een geschikte gelegenheid, om de convooien, die van New-Castle moesten komen, en voor het Engelsche kamp bestemd waren, op te vangen, maar Colley begreep dit ook, en door zijn spionnen goed op de hoogte gehouden van de bewegingen, die generaal Smit uitvoerde, haastte hij zich, om Schuinshoogte te laten bezetten door een legerafdeeling van 600 man met 4 kanonnen.
Generaal Smit kwam met zijn Boeren te laat, en Colley zeide met groot zelfvertrouwen: "Laat die afgetobde Boeren nu maar komen, als ze durven!"
Schuinshoogte is een platte, aan de zijden afhellende heuvel, beslaat een omtrek van ongeveer 600 schreden, en lag aan de oostzijde van het wagenpad (of heirweg) van New-Castle naar het Engelsche kamp. De hoogte is bezet met door de natuur gevormde ijzerklippen, die er uitzien als kleine, opgeworpen steenen wallen.
De Boeren hadden zich tegenover de Engelsche overmacht met eere kunnen terugtrekken, maar toen generaal Smit zijn oogen langzaam langs de gelederen van zijn mannen liet gaan en hen vraagde: "Wat denk jullie er van?" toen riepen zij in spijt van hun vermoeienis met eenparige stem: "Wij zullen vechten, tot wij er bij neervallen!"
En de wakkere aanvoerder riep met verheffing van stem: "Dan zullen wij vechten!"
De Boeren vonden voor hun paarden een geschikte, tegen het vijandelijk vuur beschutte plaats, en om elf uur in den voormiddag ontbrandde het gevecht.
De Engelschen streden, steunend op hun voordeelige positie en hun overmacht, met moed en dapperheid, maar de Boeren steunden op God en hun goed recht.
Tot op honderd pas afstands naderden de Engelschen met hun vier kanonnen de Boeren en een Afrikaansche, in Engelsche diensten staande, vrijwilliger schoot, zelf uitstekend gedekt, drie der dapperste Boeren dood.
Dit was een droevig begin, en de vijandelijke kogels kletterden als hagelsteenen tegen de harde klippen, waarachter de Boeren schuilden.
Doch de Boeren versaagden niet.
"Wij zullen vechten, tot wij er bij neervallen!" dat bleef het parool.
"Waar zit die scherpschutter toch, die drie van onze beste mannen heeft weggeschoten?" vraagde Teunis de leeuwenjager, terwijl hij naar een groep Boeren toekwam, die door een soort klipmuur tegen het zware vuur van den vijand werden beschut.
"Kijk dáár." zeide Lodewijk Jansen, en hij wees met de linkerhand naar voren. "Die kerel is door twee, achter elkander staande klippen gedekt, en wij kunnen er niet bijkomen met onze kogels."
"Ik zal hem omtrekken," zeide de leeuwenjager, "en hem van ter zijde pakken."
"'t Is een gevaarlijk stuk werk," zeiden Lodewijk Jansen en Dirk Kloppers beiden: "ge moet door den kogelregen heen."
"Wie kan 't beter doen dan ik?" zeide de leeuwenjager eenvoudig. "Ik heb vrouw noch kind."
Hij wierp zich plat op den buik, en sloop als een panter door het struikgewas en het lange gras, maar Lodewijk Jansen zeide: "Ik wou, dat het reeds gebeurd was," en Dirk Kloppers steunde: "Het kan zijn dood zijn!"
Er verliepen tien, twintig, dertig minuten, en Dirk Kloppers zeide: "Ik vrees, dat onze dappere Teunis zijn laatsten gang heeft gedaan," toen diens grijze baard plotseling zichtbaar werd bij den klipsteen, waar men den vrijwilliger nog steeds vermoedde.
"Hier heen, mannen!" riep de leeuwenjager met forsche stem. In weinig sprongen waren de Boeren bij den wakkere.
Aan zijn voeten lag de vrijwilliger, met den doodelijken kogel in het hoofd.
"Hij heeft zijn volk verraden," zeide de leeuwenjager; "hij heeft zijn loon ontvangen voor zijn verraad."
Intusschen rolde het Engelsche vuur onophoudelijk tegen de stellingen der Boeren, en de schildwachten van het Boerenleger aan het Drakengebergte konden van de bergtoppen duidelijk zien, hoe telkens twee kanonnen tegelijk werden afgeschoten.
"Daar vechten ze nu!" riepen ze klagend tot de andere Boerenkrijgers, die zich bij hen voegden, en vol bekommernis en vrees volgden zij den voortgang van den ongelijken strijd.
Om 3 uur in den middag gaf de kommandant-generaal Piet Joubert order, dat alle manschappen snel moesten opzadelen, en hij rukte op tegen het Engelsche kamp.
Maar generaal Colley zeide: "Die Boeren zullen me niet bedotten; zij zullen niet zoo dol zijn om het kamp te bestormen," en hij wachtte de komende dingen kalm af.
Colley had goed gegist; het Engelsche kamp bestormen ware dolzinnigheid geweest. Het lag ook niet in de werkelijke bedoeling van Joubert, maar hij wilde door een schijnbeweging den generaal verlokken, om zijn troepen, die op Schuinshoogte vochten, naar het kamp terug te trekken. Doch Colley's slimheid verijdelde de krijgslist, en Joubert trok zijn volk terug.
En in een spanning, die inderdaad een foltering werd, staarde hij naar het slagveld. Op een harden klipsteen, daar zette hij zich neder, en zoo ver hij het gevecht kon opnemen, werd het vuur der afgematte en afgebeulde Boeren al zwakker.
Hij wist dat de Engelschen een vierdubbele overmacht hadden; hij wist, dat de Boeren slechts schaars van ammunitie waren voorzien. En toch durfde hij die wakkere helden van Schuinhoogte niet bij te springen, uit vrees, zijn eigen positie te veel te ontblooten.
En zoo zat hij op dien harden klipsteen, en zuchtte. En de Boerenaanvoerders stonden zwijgend naast hem, en staarden naar het gevecht, totdat de zon in 't westen onderging.
Maar de strijd scheen zwaarder en bitterder te worden, en de grond begon den opperbevelhebber onder de voeten te branden.
Hij rees op van den klipsteen en zeide: "Ik kan dat niet langer aanzien; wij zullen onze broeders helpen!"
Een sterke wacht bezette den Nek, en met 200 ruiters trok Joubert op, generaal Smit ter hulpe.
Maar de hemel verdonkerde zich; duistere mistwolken legerden zich over den omtrek, en een losbarstende donderstorm geeselde de flanken van het Drakengebergte.
Joubert kon niet verder; midden in den tocht, bij den Spitskop, bleef hij steken.
Het was een vreeselijke nacht. De wind gierde; de regen viel in stroomen. De taaie paarden stonden, met den kop van den wind gekeerd, met neergebogen nek, en de Boeren stonden er naast, den paardenteugel om den arm geslagen, huiverend van de koude.
Maar vreeselijker dan dit alles was de pijnigende gedachte: "Hoe is het te Schuinshoogte afgeloopen?"
Hoe was het te Schuinshoogte afgeloopen?
"De Negenponders," zegt een Engelsch rapport, "schoten op het front der Boeren. Om de nabijheid van den vijand te toonen, is het alleen noodig, te melden, dat, onafhankelijk van de bommen, tot schroot de toevlucht werd genomen, en hoe gevaarlijk die nabijheid der Boeren was, blijkt uit het feit, dat de Boeren onze kanonniers met merkwaardige juistheid wegschoten. Onze kapitein Green viel, terwijl hij orders gaf, en vóór dat er eenige minuten verliepen, waren er 14 van de 25 man bij de kanonnen gedood of gewond. Toen werden orders gegeven, om met de kanonnen terug te gaan, die een eind achter hun vorige positie werden geplaatst. Het vuren werd met groote hevigheid voortgezet. Geen enkele plek op het vlak van de hoogte kon beschouwd worden als voldoende beschut, om veiligheid te verschaffen. De kogels vlogen in elke richting, veroorzakende een groot verlies van paarden en manschappen; zelfs de gekwetsten ondergingen hetzelfde lot. Verscheidene hunner zijn gedood, vóórdat hun eerste wonden konden worden verbonden. De Boeren gedroegen zich met prijzenswaardige dapperheid."
Voet voor voet, van klip tot klip rukten de Boeren langzaam, langzaam voorwaarts. De oprakende ammunitie werd telkens bij de veroverde klippen uit de patroontasschen der gesneuvelde Engelschen aangevuld, en de kanonniers hadden het bij de stukken hard te verantwoorden.
De Engelschen streden met een dapperheid, hun oude wapenroem waardig, maar de Boeren hadden de gelofte gedaan, niet te zullen wijken. Zij schoten met een nauwkeurigheid, die de Engelschen met schrik vervulde, en zij streden met den heldenmoed der oude Spartanen. Tegen den avond waren zij vóóruitgedrongen tot een klipstapel, midden op Schuinshoogte, maar de duisternis kwam en scheidde de strijdenden. Doch de Boeren konden zich bijna niet meer op de been houden; zij waren dood op. Daarbij moesten zij in 't open veld overnachten, in den kouden, zwaren regen, en zij werden gekweld door den honger.
Terwijl zij het allernoodzakelijkste moesten ontberen, brachten zij met hun dooden en gewonden een onbeschrijfelijken nacht door, doch met het onwrikbaar plan, om den kamp ook den volgenden dag voort te zetten. Maar zoover zou het niet komen.
Vriendelijk ging de zon op over Schuinshoogte, en met verwondering zagen de Boeren een witte vlag naderen.
Doch zij begonnen de beteekenis van zoo'n witte vlag allengs te begrijpen. Zij hadden haar op het Gouvernementskantoor te Potchefstroom, te Bronkhorstspruit en te Lang-Nek reeds gezien.
De witte vlag werd vergezeld door drie Engelschen: een dokter, een officier en een huzaar.
De officier wendde zich tot generaal Smit en vraagde hem verlof, om de dooden te mogen begraven en de gewonden weg te voeren.
Nu eerst begrepen de Boeren het ten volle.
De Engelschen hadden den vorigen avond het slagveld geruimd, hadden, door een onweerstaanbare paniek aangegrepen, hun dooden en gewonden onbarmhartig in den steek gelaten, en waren, door de duisternis begunstigd, over de Ingogo-rivier gevlucht.
Een handvol afgematte Boeren had vijf compagnieën infanterie en een afdeeling huzaren uit een goed gedekte stelling verjaagd en op de vlucht gedreven!
Inderdaad, zulke feiten gaven de Engelschen reden tot nadenken!
Nadat generaal Smit toestemming had gegeven, naderden eenige honderden Engelsche soldaten met de noodige wapens, en de gewonden en de stervenden, die hulpeloos waren achtergelaten, werden achter de klippen, in het gras, tusschen de struiken opgezocht, en op de verbandplaats, bij de wagens neergelegd.
De dokter met zijn adsistenten begonnen nu het werk.
Zij stroopten de mouwen op, wieschen de wonden der ongelukkigen, sneden met vlijmscherpe messen de kogels uit het vleesch, en zetten, waar het noodzakelijk was, armen en beenen af.
Alles gebeurde ruw en snel; toch werd het avond, alvorens men gereed was. De verbandplaats leek een slachtplaats, en de Schuinshoogte weergalmde van de luide jammerkreten der ongelukkigen.
De soldaten dolven intusschen diepe, wijde kuilen, en daarin stapelde men, in lagen van 12 lijken telkens, de Engelschen op elkaar, die door het Boerenlood waren geveld. Doch de kuilen waren niet diep genoeg, en men stapelde de lijken tot boven de wanden der graven uit. Toen werden de kuilen armoedig met aarde toegedekt, maar later spoelde die aarde door de menigvuldige regens op verscheidene plaatsen weg, en voeten, hoofden en handen kwamen omhoog als de afgrijselijke gedenkteekenen van Engelsche politiek. En de aasvogels streken neer, en vonden een rijken maaltijd....
Onder de gesneuvelden waren zes der dapperste officieren, terwijl een zevende, die zich bij het gevecht op Schuinshoogte bijzonder had onderscheiden, bij den nachtelijken overtocht over de hooggezwollen Ingogo-rivier zijn graf in de golven vond.
Ook een Hollander, met name Stuart, die als tolk dienst deed in het leger van Colley, werd dood op het slagveld gevonden.
De Engelschen hadden een verlies van 232 man, de Boeren een verlies van 22 man aan dooden en gewonden.
En ofschoon over meer dan één door den kruitdamp zwart geblaakt gelaat een traan van droefheid biggelde bij het lijk van een broeder, van een vader of van een kind, in het hart der Boeren begon al vaster de overtuiging te wortelen, dat de Heere met hen was, en zij dankten Hem met ontroerde harten voor de schitterende overwinning.
Terwijl de Engelschen hun dooden begroeven en hun gewonden wegbrachten, wandelden de overwinnaars het slagveld rond. Welk een aanblik! Patroonhulsen, vleeschblikken, witte helmen, sabels, geweren, losse patronen, het lag alles in de bontste wanorde verspreid, en terwijl het gras overal door de voetstappen en paardehoeven was plat getreden, lagen de doode paarden tusschen de opgedroogde plassen menschenbloed.
Maar de Boeren zochten de ammunitie en de wapens zorgvuldig op, en vulden hun bandelieren met de Engelsche patronen. En de kommandant-generaal Joubert, die met zijn hulptroepen was aangekomen, plaatste zich op een stapel klipsteenen en zeide: "Dierbare Broeders! Als ik het slagveld hier overzie, en het dappere werk, dat gij hebt verricht, dan merk ik toch op, dat gij er heel gelukkig zijt afgekomen, want de Heere heeft u wonderbaarlijk gered. Houd dus moed, mannen, en blijft strijden voor uw heilig recht. God zal ons helpen, zooals Hij tot hiertoe ons geholpen heeft. Maar vergeet volstrekt niet, om den Heere te danken voor Zijne groote weldaden, aan ons bewezen. Verder, mijne waarde landgenooten en broeders, kan ik niet anders dan u danken voor uwe standvastigheid en uwen mannenmoed in den strijd. Ik verzeker u, broeders, dat ik mij over mijn eigen menschelijke zwakheid meer dan eens heb geschaamd tegenover u, als ik u zoo standvastig zie strijden in al die groote moeilijkheden. Broeders, ik vertrouw op u, en van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik zal blijven trachten, uwe rechtvaardige zaak te behartigen zoo goed als in mijn vermogen is!"
Zóó doortintelde hetzelfde gevoel den opperbevelhebber en den geringsten burger: het gevoel voor de vrijheid. En dit gevoel gordde hen aan, om, man voor man, het eigen leven te wagen in den strijd voor vrijheid en recht!
De tweedracht, die de kracht der Boeren zoo dikwijls had verlamd, was verdwenen als een morgennevel, en zij waren nu, onder den donder van het Engelsche geschut, waarlijk geworden een volk van broeders!
Des avonds betrokken de Boeren, die nu tot een legertje van 500 ruiters waren aangegroeid, aan de zuidzijde van Schuinshoogte een lager.
In een wijden kring werden de vijfhonderd zadels naast elkander geplaatst, en in dien kring, aan ieder zadel vastgebonden, diens paard. De Boeren legden zich nu aan den buitenkant van den cirkel, met hun zadel tot hoofdkussen.
Dàt was het lager. Het was even praktisch als eenvoudig, en de paarden stonden zoo veilig als op stal.
Den volgenden dag keerde Joubert met honderd man terug naar het oude lager bij den Lang-Nek, doch de wakkere Nicolaas Smit trok met zijn Boeren dieper Natal in, om de passen van het Biggarsgebergte te bezetten. Met buitengewone hartelijkheid werden de Boeren door de Hollandsche Afrikaanders, die in Natal wonen, ontvangen, en men drong twintig uren gaans het Engelsche gebied in. Doch generaal Wood, die met groote versterkingen in aantocht was, trok om het Boerenkommando heen, en generaal Smit kreeg geen kans, om den vijand aan te tasten.
Toen liet hij zwenken, onderschepte een convooi van 22 ossenwagens, beladen met proviand en bestemd voor het kamp van generaal Colley, en verraste een groote kudde van 300 slachtbeesten en 109 paarden en muildieren, aan het Engelsche leger toebehoorend.
Met dezen buit werd de terugtocht aangenomen, en wat niet meegenomen kon worden, verbrand of vernield.
HOOFDSTUK XXII.
Wij moeten naar Pretoria, de zetelplaats van het Engelsche gouvernement. Hier lag generaal Lanyon, die de stad in zijn macht had, en buiten de stad lagen Boeren, onder het bevel van generaal Schoeman.
Dat de Boeren Pretoria niet machtig konden worden, spreekt van zelf, en dat zij generaal Lanyon hebben in toom gehouden, was reeds een groote, verdienstelijke daad.
Lanyon, voerde een groot en hoog woord, zooals de Engelschen dat gewoon zijn, maar de Boeren stoorden zich daar minder aan, en klepperden lustig op hun taaie, sterke paardjes om de vijandelijke stellingen heen. Dat begon de Engelschen al heel gauw te vervelen, en den 28sten December vielen zij met vijftig vrijwilligers een Boerenpatrouile aan.
"Goed," zeiden de Boeren, "zij willen vechten; nu zullen wij vechten."
Zij dekten zich achter een heuvelrand en schoten drie Engelschen dood.
Toen gingen de vrijwilligers op den loop, en vertelden in Pretoria, dat zij door een groote, vijandelijke overmacht, waar zij niet tegen op konden, waren aangevallen.
Nu bestond de geheele Boerenpatrouille uit zeven man, die met vijf veroverde paarden en in de vroolijkste stemming naar hun lager terugreden.
Maar de dappere vrijwilligers lieten het er niet bijzitten.
Zij kregen hulp en rukten nu met honderd man in het veld.
Doch ook dezen keer konden zij niet tegen de Boeren op, en zij keerden met hun dooden en gewonden in de stad terug.
Lanyon keek hen verwonderd aan, maar de dappere vrijwilligers zeiden: "Generaal, hier is alle heldenmoed te vergeefsch, want de overmacht is verpletterend."
Nu bestond de macht der Boeren, de aanvoerder mee geteld, uit — vijftien man.
In 't Oosten van Pretoria stond Hans Botha op wacht. Deze wacht bestond uit 36 man en 5 ossenwagens, en den 6den Januari werd dit troepje aangevallen door 550 Engelsche soldaten en 2 kanonnen. Tegenover deze vreeselijke overmacht kon Botha slechts 18 man stellen, want de andere 18 man moesten bij de wagens blijven. Toch week onze held geen stap, maar nam den strijd manmoedig op. Hij vocht tot hij niet meer kon, en met vier kogels in het lichaam, drenkte hij met zijn heldenbloed den Afrikaanschen grond.
Zwaar gewond viel hij met zijn dapperen in de handen van den vijand, maar tegen aller verwachting herstelde hij, en werd later uitgewisseld en in vrijheid gesteld.
H. Pretorius, die zich ten zuidwesten der stad met zijn manschappen in lager bevond, werd in den avond van den 15den Januari gewaarschuwd, dat er den volgenden morgen een uitval kon worden verwacht.
"Goed," zeide de aanvoerder, "wij zullen de Roodbaatjes ontvangen," en 's morgens drie uur liet hij opzadelen, en trok met zijn ruiters den vijand tegemoet. Toen de zon opging, hoorde men den donder van het kanon, en de Boerenpatrouilles, die snel van de heuvelen neerdaalden, riepen: "Daar komen drie troepen beesten uit de stad hard aanhollen." Maar Pretorius schudde het hoofd, want hij begreep, dat het geen beesten waren.
Een poosje later kwamen andere patrouilles en rapporteerden: "Het zijn paarden en wagens."
"Dat begint er beter op te gelijken," zeide Pretorius.
Intusschen was de vijand snel genaderd, en op veertig minuten afstands van het Boerenkommando stelde hij zijn slagorde op; de Hottentotten op den rechtervleugel, de vrijwilligers op den linkervleugel, en de soldaten met de veldstukken in het centrum.
Om acht uur 's morgens gaven de Boeren het eerste schot, en de Hottentotten begonnen storm te loopen tegen de heuvelen, waarin zich de Boeren hadden vastgezet. Onmiddelijk begonnen de kanonnen met bommen te werpen, en met verbittering trokken de Engelschen voorwaarts. Het gevecht nam dadelijk een ernstige wending, want geen tien minuten na het eerste schot werd de wakkere Pretorius door twee kogels tegelijk in den schouder getroffen. Met bekommernis in het hart staarden de vechtende Boeren hun aanvoerder aan, maar hij vermande zich, en om hun moed te sterken, riep hij met luider stem, terwijl zijn bloed den bandelier rood kleurde: "Komt jongens, 't is maar een veeg van het vel, en als het God behaagt, zal dit bloed gewroken worden. Ik zal hier op het gevechtsterrein blijven, en zal u trouw blijven tot den dood." Toen schepte het kleine hoopke Boeren moed, en zij streden als leeuwen.
Maar de Hottentotten drongen al meer op, en als klipbokken over de rotsen springend, naderden zij de Boeren tot op 60 pas.
De Engelsche bevelhebber achtte thans het oogenblik gekomen, om het Boerenkamp te nemen, en van twee zijden liet hij het bestormen.
Nu begon de nood inderdaad hoog te klimmen. Wel wisten de Boeren den vijand door een woedend vuur op een afstand van 400 pas te houden, doch hoe lang zou dat nog kunnen duren?
De ammunitie raakte op en al heftiger drongen de Engelsche soldaten op.
Uitgeput van bloedverlies, zette Pretorius zich neder op een klipsteen.
Met strakken blik staarde hij op het gevecht, en de harten van zijn wakkere krijgers begonnen te versagen.
Doch plotseling werd het licht in zijn matte oogen. Zij begonnen te schitteren in nieuwe hoop.
In de verte werden kleine rookwolkjes zichtbaar, die snel naderden. De breede randen van boerenhoeden werden zichtbaar over de heuvelen.
Het waren manschappen, door generaal Schoeman, die den benarden toestand onzer Boeren had begrepen, gezonden.
Onmiddelijk gaf nu de gewonde kommandant order, om te stormen, en met een luid hoera werd het bevel ontvangen.
Nu konden de Hottentotten het niet langer houden, en de Engelschen en de vrijwilligers evenmin. De vrijwilligers liepen het hardst, en de vijand werd tot op 50 minuten afstands van de stad vervolgd, toen de artillerie van het fort het gevecht opnam, en de Boeren in hun loop stuitte.
Met blijde harten keerden de dappere mannen naar hun kamp terug, den God der heirscharen luide dankende voor de zegepraal.
HOOFDSTUK XXIII.
Wij zijn op den terugtocht van het kommando onder generaal Smit.
Het is nacht.
Helder schijnt de maansikkel aan den onbewolkten hemel. De Boeren liggen in groepen, de paardezadels tot hoofdkussens, te slapen aan de windvrije zijde van een met struikgewas begroeide heuvelketen.
Op bepaalde afstanden zijn de schildwachten uitgezet.
Uit het struikgewas, op den heuvel, treedt thans een man te voorschijn.
Behoedzaam klimt hij den heuvel af.
Daar stoot zijn voet tegen een kleinen klipsteen, die naar beneden rolt.
Onbewegelijk blijft hij staan, zich vasthoudend aan de graszoden en zich in de schaduw houdend.
De kleine klipsteen is naar beneden gerold en bleef daar liggen. Het blijft rustig in het kamp.
Nu heeft hij den vlakken grond bereikt.
Hij legt zich op den grond en beweegt zich op handen en voeten voorwaarts.
Thans is hij midden in het slapende kamp.
Hij buigt zich telkens voorover, als een panter, om de gelaatstrekken der slapenden te onderscheiden.
Bij het licht der maan zijn de trekken goed te onderscheiden.
Hij gaat al voort, van groep tot groep. Niet één groep slaat hij over.
Hij sluipt langzaam en voorzichtig voorwaarts; voorzichtig als een sluipmoordenaar.
Inderdaad, er ligt iets angstwekkends in zijn doen.
Daar slaat hij de hand op een voet.
De slaper trekt den voet terug, doet de slaapdronken oogen open en mompelt — "Karel wat moet je?"
Karel is zijn kameraad, die naast hem ligt.
Maar Karel slaapt.
"Hij heeft mij zeker in den droom met zijn groote laarzen gestooten," zegt de slaapdronken man.
Had hij even in het rond gekeken, dan had hij den nachtwandelaar kunnen zien, dicht aan zijn voeten, plat tegen den grond.
Maar dan nog zou hij geen onraad hebben vermoed, want de onbekende was gekleed als een gewone Afrikaansche Boer, en hij zou hem voor een van zijn slapende kameraden hebben gehouden.
Doch hij kijkt niet eens in het rond. De Boeren hebben den gepasseerden dag een langen, vermoeienden tocht gemaakt en hebben behoefte aan slaap. Onze Boer strekt zich lang uit, en is onmiddellijk weer in diepen slaap.
De nachtwandelaar moet lang zoeken vóór hij het doel van zijn tocht heeft bereikt.
Maar thans schijnt hij dat doel bereikt te hebben.
Bij een kleine groep Boeren houdt hij stil.
De eerste van die slapende groep, die is het al.
Het is Dirk Kloppers.
Er liggen nog een drietal personen dicht in zijn nabijheid: zijn zoon Jan, zijn zwager Lodewijk Jansen en de leeuwenjager.
Maar die moeten het niet zijn.
Dirk Kloppers, die moet het zijn.
De onbekende luikt half zijn oogen en staart op den grijzen voortrekker.
De slaper heeft den rechterarm onder het hoofd geschoven; diep en regelmatig gaat zijn ademhaling.
"Hij is taai," mompelt de bespieder — "taai."
Aan de rechterzijde van den ouden Kloppers ligt diens geweer en bandelier.
De onbekende neemt eerst het geweer.
"Een Henri-Martini," zegt hij met het oog van een kenner; "ik ken het wel."
Hij haalt den scherpen patroon uit het slot, en schuift er een losse patroon voor in de plaats. Dan legt hij het weer op de oude plaats.
Ondertusschen beweegt zich het krachtige lichaam van den ouden man.
De onbekende haalt een breeden dolk uit de leederen schede.
Met een ruk werpt de Voortrekker zich op de andere zijde,
Geen tien seconden later wordt weer zijn diepe, regelmatige ademhaling gehoord.
De bespieder steekt den dolk weer in de schede.
"'t Is beter zóó," mompelt hij.
Nu neemt hij den bandelier en onderzoekt hem nauwkeurig.
Hij schuift er de scherpe patronen uit en steekt ze in zijn zak.
Hij heeft er twintig geteld.
Of één en twintig?
Hij twijfelt en telt ze nog eens.
Het waren er toch maar twintig.
Hij vult den bandelier weer met twintig losse patronen.
Nu heeft hij zijn taak volbracht en verwijdert zich langzaam. Maar hij keert nog eens terug en staart nogmaals met half geloken oogen naar den rustig slapenden Voortrekker.
Uit die oogen flikkert een volheid van haat.
En nu gaat hij heen voor goed, houdt zich zooveel mogelijk in de schaduw en beklimt den heuvel.
Nu staat hij in het volle licht der maan.
Gij herkent hem.
Het is Kees Botter.
Het was een droeve, sombere dag, die op den milden zomernacht volgde. De mistwolken trokken laag door de lucht, en er viel een fijne regen.
Het Boerenkommando trok zwijgend voort en hoopte nog van daag te Lang-Nek, in het lager van Joubert, aan te komen.
In de achterhoede bevond zich het gezelschap van Dirk Kloppers. Op een matigen draf avanceerden zij, en de paarden lieten de moede koppen treurig hangen.
"We worden oud," zeide de leeuwenjager tot zijn twee oude wapenbroeders.
"En hoe ouder wij worden, hoe sneller de jaren voorbij schijnen te gaan," meende Jansen.
"En het beste er van is moeite en verdriet," voegde de oude Kloppers er aan toe.
De leeuwenjager staarde naar de verte.
"Dat is lang geleden, dat wij tegen de Matabele-Kaffers hebben gevochten in den Oranje-Vrijstaat," zeide hij.
"'t Was een vreeselijke dag," zeide Jansen, die aan zijn broeder dacht, die toen sneuvelde, maar Kloppers zeide: "God heeft ons toen wonderbaarlijk uitgered!"
Nu begon de leeuwenjager over de Zoeloe-oorlogen te spreken, over den vroegeren oorlog met de Engelschen en den lateren burgeroorlog tusschen de Boeren onderling.
"Ik weet eigenlijk van daag nog niet," zeide Jansen, "waarom wij elkander toen bevochten hebben."
"Gelukkig is er niet veel bloed gestroomd," zeide Kloppers.
"Dat heeft oom Paul gekeerd," meende Jansen, en de beide anderen bevestigden het.
Er volgde eene pauze; Jan reed op zijn moorkop een klein eind voor de anderen heen.
De leeuwenjager begon op nieuw van het verleden.
Hij was heden morgen spraakzaam, buitengewoon spraakzaam, en er lag een weemoedige klank in zijn stem.
Hij scheen er bijzonder vermaak in te scheppen, om de beelden van het verleden, een voor een, nog eens voor zijn geest en voor dien van zijn twee vrienden voorbij te laten gaan.
"Wat is de mensch?" riep hij eindelijk uit. "Hij wordt geboren, worstelt en sterft!"
"Hij begint zijn leven met een kreet," zeide Kloppers, "en hij eindigt het met een snik."
"En wat daartusschen ligt, is een droom," zuchtte de leeuwenjager.
Kloppers keek zijn vriend aan; hij had hem zoo nog nooit hooren spreken.
"Wij gaan naar ons eeuwig huis, Teunis," zeide Kloppers.
De leeuwenjager knikte ernstig.
"En elke dag kan onze laatste zijn," voegde Kloppers er aan toe.
"Van daag is het mijn laatste dag," zeide de leeuwenjager op bedaarden toon, maar zoowel Kloppers als Jansen hielden den teugel van hun paarden in, en keken den spreker aan met verbaasden blik.
"Ge verwondert je over mijn gezegde?" zeide de leeuwenjager; "toch is het zoo."
Lodewijk Jansen schudde den stevigen kop.
"Slechts eens in mijn leven," zeide hij, "heb ik een man ontmoet, die precies sprak als neef Teunis. Hij legde zich te bed en beweerde dat hij niet meer op zou staan. Hij nam afscheid en sloot de oogen. Maar den volgenden morgen — vooruit, zwarte! — den volgenden morgen stond hij in blakende gezondheid op. En dat was al heel verstandig — vooruit dan zwarte! — want hij heeft nog vijf en twintig jaar geleefd."
Kloppers lachte bij dit verhaal, en de leeuwenjager lachte hartelijk mede.
"Bovendien," zeide Jansen, "niemand weet den dag zijns doods."
"Ik bij voorbeeld, kan eerder sterven dan gij," zeide Kloppers; "we weten het niet. Het is, zooals mijn zwager zegt."
"Er kunnen uitzonderingen plaats vinden," meende de leeuwenjager.
"Hoe weet je dan," vorschte Kloppers, "dat jij van daag zult sterven?"
"Het ligt mij zoo bij," antwoordde de aangesprokene; "het is een voorgevoel."
"Gij zijt toch niet ziek?" vraagde Kloppers, en hij keek zijn wapenbroeder aan met bezorgden blik.
"Zie ik er uit als een zieke?" was de wedervraag van den leeuwenjager.
Neen, hij zag er niet ziek uit. Er zat veerkracht in dat verweerd gelaat.
"Het is toch niet waarschijnlijk, dat wij van daag op de Engelsche troepen zullen stooten," meende Jansen.
"Het behoeft ook geen kogel te zijn, die mijn levensdraad afsnijdt," zeide de leeuwenjager.
"Ik had nog zoo gaarne voor 't laatst van daag de zon gezien," ging hij voort, en hij staarde weemoedig omhoog, in de dichte, grijze mistwolken.
Kloppers noch Jansen wisten, wat zij daarop antwoorden zouden.
Zij vonden de houding van den leeuwenjager raadselachtig; zij begrepen hem niet. Deze hartstochtelijke, krachtige, schijnbaar harde man was nu zacht als een kind.
"Ik heb altijd van de zon gehouden," begon de jager op nieuw; "ik had ze zoo gaarne nog eens gezien!"
"Als zon en maan geen schijnsel meer zullen geven," zeide Kloppers, dan zal de zonne der gerechtigheid nog stralen in onverdoofbaren glans."
"Ja," zeide de leeuwenjager ernstig, en zwijgend zette men den tocht voort. Zijn voorgevoel drukte de anderen neer.
De fijne regen hield aan; zacht druppelde het water van de bladeren der boomen naar beneden, en niets dan een aasvogel verbrak de eentonige stilte door zijn schorren schreeuw. De paarden lieten de moede koppen hangen, en het getrappel der hoeven smoorde in den weeken, papperigen grond.
Juist zouden onze ruiters den weg links inslaan, die zich kronkelde tusschen twee bergen, toen een blanke in snellen draf van rechts kwam aanloopen.
Hij droeg de kleeding van een gewonen boer, zwaaide met zijn armen en riep: "Is baas Kloppers daar?"
De Boeren hielden den teugel van hun paarden in, en wachtten hem op. Maar Jan was reeds den weg links ingeslagen en uit het gezicht.
"Wat moet je?" vraagde Kloppers.
"Ik moet u spreken, baas!"
"Waarover?"
De vreemdeling was nu dicht bij gekomen en zeide, de hand aan den stijgbeugel slaande: "Kees Botter ligt op sterven."
"Kees Botter?" riep Kloppers met verwondering en bevreemding.
"Ja, baas," zeide de vreemdeling; "hij heeft te Schuinshoogte een schot door de longen gekregen en zal 't niet lang meer maken."
Het opkomend wantrouwen bij Kloppers werd door deze opmerking gestild; immers hij had den verrader zelf herkend onder de vijanden op Schuinshoogte.
"En wat zal dat?" vraagde hij.
"Hij heeft mij de boodschap opgedragen," antwoordde de vreemdeling, "u te verzoeken, hem thans, vóór zijn dood, tusschen vier oogen te spreken."
"Waarvoor?" vraagde Kloppers, terwijl het wantrouwen op nieuw bij hem boven kwam.
"Hij wil u om vergiffenis smeeken van wege zijn verraad," zeide de vreemdeling, maar Jansen riep met harde stem: "Laat hij God om vergeving vragen!"
"En dan wil hij," ging de vreemdeling voort, "om zijn verraad zooveel mogelijk goed te maken, aan baas Kloppers belangrijke mededeelingen doen omtrent de Engelsche posities."
"Waar is hij?" vraagde Kloppers.
De vreemdeling wees met de hand in de richting, van waar hij gekomen was.
"Ginds," zeide hij, "achter dat kreupelbosch ligt hij in een hut. Wij hebben hem daar heen gedragen na het ongeval te Schuinshoogte."
Dit klonk alles waarschijnlijk; immers Schuinshoogte was nu niet ver meer af.
"Maar waarom liet de Engelsche spion zich niet door den Engelschen dokter verbinden?" vorschte de wantrouwende Jansen.
"Omdat de Engelsche uniformen hem herinnerden aan zijn verraad, en hij kon dat niet uitstaan bij zijn naderend einde."
"En hoe ben jij in zijn dienst gekomen?" vraagde Kloppers.
"Dat is al heel natuurlijk," antwoordde de vreemdeling. "Hij had geld in overvloed en betaalt mij ruim."
"Hoever is het hier van daan, waar je baas ligt?" vraagde Kloppers.
"Een half uur," antwoordde de aangesprokene.
De grijze Voortrekker dacht nog een oogenblik na; toen zeide hij: "Ik ga mee."
"Daar ben ik blijde om," zeide de vreemdeling verheugd, "want het zal gauw met Kees Botter zijn afgeloopen."
"We zullen hier wachten," zeide de leeuwenjager.
"Of ge kunt doorrijden," zeide de vreemdeling, "en hier een paar mijlen van daan aan de spruit baas Kloppers opwachten. Ik zal hem daar brengen; hij snijdt dezen hoek dan af."
Hij beschreef met de hand de richting, en zijn voorstel werd aangenomen.
De leeuwenjager en Jansen sloegen links, en Kloppers met zijn gids wendden rechts.
Zij hebben spoedig het kreupelbosch bereikt.
"Moeten we daar door?" vraagt Kloppers.
"Ja," zegt de gids; "het pad wijst ons den weg."
De natte takken slaan beiden in het gezicht, maar de regen heeft opgehouden. De mistwolken trekken op.
"Ik verwacht van daag nog mooi weer," zegt de gids.
"Ik ook," zegt Kloppers.
Hij haalt den tabaksbuil uit den zak en stopt zijn pijp.
Zwijgend gaan zij verder.
Oogenschijnlijk is ieder in zijn eigen gedachten verdiept. Baas Kloppers denkt aan den stervenden verrader.
Daar treden, vijftig pas vóór hen, een viertal Kaffers uit het kreupelhout en nemen het pad in.
Zij blijven er staan.
Kloppers ziet het, maar hij neemt er verder geen notitie van.
Nu is hij met den gids de groep genaderd.
"Op zij, Kaffers!" roept hij, maar zij gaan niet op zij.
Zij versperren het pad.
"Op zij!" roept hij nog eens, "of ik rijd jullie onder den voet."
"Rij op!" zegt de grootste van de Kaffers op brutalen toon, "rij op!"
Nu begrijpt Kloppers, dat het meenens wordt.
Hij rukt het geweer van den schouder en legt aan.
"Op zij," roept hij, "of ik schiet."
"Schiet op!" zegt de brutale Kaffer.
Nog nooit heeft de oude Voortrekker zoo'n weerbarstigheid ontmoet.
Hij kijkt naar zijn gids, want een schrikkelijk vermoeden rijst op in zijn geest — de gids staat achter hem, met nog een viertal Kaffers.
"Verraad!" roept hij, terwijl hij verbleekt.
Hij geeft vuur — voor den eersten keer mist hij zijn doel.
Hij neemt een nieuwe patroon uit den bandelier. — "Verraad!" roept hij nog eens.
Met een vreeselijken ruk werpt hij zijn klepper om, maar acht, twintig handen strekken zich naar hem uit, sleuren hem van het paard en binden hem.
Hier is geen weerstand mogelijk; de overrompeling is volkomen.
"Dat is jou werk, Kees Botter," knarst de Voortrekker tusschen zijn tanden.
"Goed geraden," zegt Kees Botter, die thans te voorschijn komt.
"Bind hem de handen op den rug," kommandeert hij — "stevig!"
Onderwijl echter is het onbeheerde, schichtig geworden paard op den hol gegaan en rent het pad terug.
"We zullen het doodschieten," zegt de voorzichtige Botter, "anders kan 't ons verraden."
Hij jaagt het weghollend dier twee kogels in het lichaam, en het stort stervend neer, midden in het pad.
Nu wordt de geboeide verder het kreupelbosch door gebracht, tot men een open terrein bereikt, een platten heuvel met een soort hut of houten schuur er boven op.
Deze hut heeft van voren en van achteren een deur, en op zij van weerskanten een klein venster.
Van voren is de hut gemakkelijk te bereiken, doch aan den achterkant gaapt een diepe kloof.
Men gaat de voordeur in, en Botter schuift er de twee grendels voor.
De geheele ruimte der hut bestaat uit slechts één vertrek, met een duffe, benauwde lucht.
Er brandt een vuurtje aan den haard, en er staan een paar vermolmde stoelen in den omtrek.
Het ziet er hier verschrikkelijk verwaarloosd uit.
De grijze Voortrekker zet zich op een stoel.
"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter, terwijl hij zich de handen wrijft.
De oude Kloppers is in een vreeselijken toestand, en hij staart zwijgend door het kleine venstertje naar buiten.
Maar al zou hij zich door een knieval uit dezen vreeselijken toestand hebben kunnen redden, dan zou hij dit toch niet hebben gedaan, want in dit karakter zit de onwrikbaarheid van Cromwell's rondkoppen.
En al had hij het gedaan, dan zou het hem toch niet hebben geholpen.
"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter nog eens.
"Je begint aan te leeren," antwoordt Kloppers; "je baas zal bepaald plezier van je krijgen."
"Mijn baas — ik heb geen baas," zegt Botter met een hoonlach.
"Ja toch, gij hebt wel een baas," zegt Kloppers; "de duivel is je baas. Kijk maar even om, verrader; hij staat juist achter je en grinnikt van plezier."
"De vent is gek geworden," schaterlacht Botter; "stapelgek van angst."
De Kaffers, die staande of gehurkt zich in de hut bevinden, lachen mede, en het gelach klinkt akelig door de holle ruimte.
De blanke gids en de reusachtige Kaffer begeven zich intusschen door de ongegrendelde achterdeur naar buiten.
De regen heeft nu opgehouden. Zij zetten zich bij de achterdeur neder, en hun beenen hangen over den rand der diepe kloof.
Kees Botter wandelt op en neer, en hij kijkt zijn slachtoffer aan met een volheid van haat. Even als gepasseerden nacht. Doch toen had hij de oogen half geloken, en nu zijn ze wijd, wijd open.
"Nu ben je in mijn hand, begrijp je dat?" zegt hij.
Hij heeft zoo ongeveer het gevoel van den tijger, die speelt met zijn prooi.
Maar zelfs in dit vreeselijk oogenblik laat de ijzeren Voortrekker nog niet met zich spelen.
"Ik ben in Gods hand," zegt hij met waardigheid, "en zonder Zijn wil zal mij geen haar worden gekrenkt."
"En waar was jou God gisteren nacht," roept de verrader, "toen ik jou scherpe patronen nam, en er de losse voor in de plaats deed? En waar was jou God, toen we je overrompelden? En waar is thans, op dit oogenblik jou God?" roept hij met een vreeselijken vloek.
Zijn stem is schor van hartstocht, en wat er uit die oogen flikkert, het is de geest van den Satan.
"Ge bent krankzinnig, ongelukkige," roept de Voortrekker, en hij rilt van afgrijzen.
"Weet ge 't nog, dat ge mij met dien doorntak hebt gegeeseld? Kunt ge 't niet zien, beul?" vraagt Botter.
De verrader buigt zich voorover tot dicht voor het gelaat van zijn slachtoffer.
De lidteekenen van die slagen loopen kruiselings over zijn gelaat als twee bloedige voren.
En die bloedige voren schijnen op dit oogenblik te vlammen....
Botter wendt zich tot de Kaffers.
"Bindt hem vast aan den stoel," beveelt hij.
Het is gauw gedaan.
"Maakt zijn rechterhand los!"
Ook dit is spoedig gebeurd.
"Zie," sist hij tusschen zijn tanden door, "je hebt mij met je rechterhand gebrandmerkt — je zult die rechterhand verliezen."
Hij neemt een zwaar houten blok en plaatst het bij den ongelukkige
"Bindt zijn rechterhand op het blok vast," kommandeert hij. "En waar is de bijl? O, ik zie hem al. Ik zal zelf het genoegen hebben, er de hand af te kappen."
Zelfs de Kaffers ijzen van zulk een berekenende wreedheid.
"Zijt ge bang, lafaards?" roept hij woedend.
Nu naderen ze Kloppers, en binden zijn hand vast op het blok.
De bijl wordt er naast gelegd.
"Waar is de ijzeren stang?" vraagt de verrader.
Een Kaffer haalt hem; uit een hoek van het vertrek.
"Stookt het vuur wat op," beveelt hij.
Er worden eenige dorre blaren en takken op geworpen; het vuur begint lustig te branden.
De verrader schuift de ijzeren stang tusschen de gloeiende kolen.
Nu begrijpt Kloppers de bedoeling; hij staart met ontzetting in het vuur, naar de stang, die allengs rood gloeiend wordt.
"Dacht ik het niet?" zegt de verrader; "ik zal je nog wel murw krijgen. Met den gloeienden bout zal ik je teekenen — ik heb je immers beloofd bij ons laatste onderhoud, dat je nog aan mij denken zult? Jij teekent met dorens; ik met gloeiend ijzer; dat is het onderscheid."
En de Kaffers werpen steeds nieuwen voorraad op het vuur, en de ijzeren stang begint te gloeien... te gloeien.....
De leeuwenjager en Jansen hadden den jongen Jan Kloppers spoedig ingehaald.
Zij verhaalden hem de reden, waarom de oude Kloppers niet meer bij hen was.
"Zou 't geen nieuw verraad zijn van Kees Botter?" vraagde hij ongerust.
"Dat de vreemdeling den naam van Kees Botter noemde, die onwillekeurig wantrouwen wekt, pleit voor de eerlijkheid van de zaak," meende Jansen.
Jan moest dit erkennen.
Men gaf nu de paarden de sporen, om dichter bij het kommando te komen, dat een aanmerkelijken voorsprong had.
De leeuwenjager was eenige passen achter gebleven, en oogenschijnlijk verdiept in zijn eigen, weemoedige gedachten.
Maar plotseling hielden alle drie de teugels van hun paarden in. Zij hadden den zwakken knal van een schot gehoord.
"Dat begrijp ik niet," zeide de leeuwenjager.
Hij wendde het paard naar de richting, van waar zij gekomen waren, en luisterde met voorover gebogen lichaam.
"Vader is misschien in den val geloopen," zeide Jan; "ik houd het hier niet langer."
Hij wierp den Moorkop om.
Samen reden zij in zekere spanning terug.
"Het geluid kwam uit de richting, die mijn zwager had ingeslagen," zeide Jansen.
De leeuwenjager zeide geen woord.
"Voorwaarts," zeide hij, en hij drukte de sporen diep in de zijden van zijn vluggen vos.
De weemoedige gemoedsstemming van zoo even was nu als door een tooverslag verdwenen.
Het was de leeuwenjager weer in al zijn kracht.
Daar hoorden ze, duidelijker nog dan zooeven, twee schoten dicht achter elkander.
"Nu begrijp ik het nog minder," zeide de leeuwenjager — "voorwaarts!"
Aan den tweesprong gekomen, sloegen zij het pad rechts in.
De hoeven van Dirk Kloppers' paard waren diep ingedrukt in den weeken grond; ook de voetstappen van den gids waren duidelijk zichtbaar.
Men sloeg het kreupelbosch in, en achter elkander reed men voort.
Jan reed voor, omdat de Moorkop het vlugste was.
Plotseling slaakte hij een angstkreet.
"Daar ligt vader's klepper," riep hij in groote opgewondenheid, "dat is verraad."
"Wij zullen 't onderzoeken," zeide de leeuwenjager, terwijl hij uit het zaâl sprong.
De twee anderen volgden zijn voorbeeld.
Het paard leefde nog, en had zich half over het pad in het kreupelbosch gesleept.
Jan klopte het op den hals, en het trouwe dier liet een zwak gehinnik hooren.
Jansen had intusschen de wonden ontdekt, die de twee kogels hadden veroorzaakt.
"Wil ik het maar het genadeschot geven?" vraagde Jan, die medelijden had met het stervende dier.
"Neen," zeide de leeuwenjager, die op alles bedacht was, "dat schot zou ons kunnen verraden — voorwaarts!"
De ruiters sprongen weer te paard, en spoorden hun dieren tot de uiterste krachtsinspanning aan.
"Halt!" riep de leeuwenjager.
"Hier houden de indrukken van de paardehoeven op, en beginnen een aantal voetstappen."
"Wat ligt daar toch op den grond?" vraagde hij, terwijl hij het pad met zijn scherpen blik monsterde.
Jan sprong van zijn paard en nam een knoop op van den grond.
"Dat is een knoop van vader's jas," riep hij met schrik.
"Die hem in de worsteling is afgerukt," vulde Jansen aan.
"Hier, op deze plek heeft hij onraad bespeurd," zeide de leeuwenjager met nadruk! "daar is geen twijfel aan. Hier heeft hij het paard omgerukt; ge kunt het duidelijk zien aan de richting der hoeven."
"Dat eerste schot is van Neef Dirk geweest," voegde hij er bij met verwonderlijke helderheid van geest, "en de twee andere schoten zijn door zijn overrompelaars op het paard afgegeven. Toen was onze vriend echter reeds lang van het paard gerukt. Maar éen ding begrijp ik niet, namelijk dat Kloppers maar ééns heeft geschoten. Hij moet iets vreeselijks hebben ontdekt, dat zijn kracht heeft verlamd. Maar wij zullen 't onderzoeken, en hem redden, als het niet te laat is."
De ruiters volgden nu het spoor der vele voetstappen, en de groote, zware stap van den ongelukkige, dieper ingedrukt dan de andere, was duidelijk te onderscheiden.
Bijna aan de grens van het kreupelhout gekomen, beval de leeuwenjager, de paarden in het struikgewas vast te binden.
Behoedzaam slopen de Boeren nu door het kreupelhout, tot zij een blik op het open terrein konden werpen.
Zij zagen de houten woning onmiddelijk, links van hen, op een betrekkelijk korten afstand.
Zij konden zien, hoe het platgetrapte gras als een soort voetpad liep tot de voordeur.
"Daar kan hij zijn," zeide Teunis Smit.
Door het struikgewas gedekt, slopen de Boeren nu met koortsachtigen ijver voorwaarts, tot zij recht vóór het linker venster der hut waren.
Ze waren er nu geen twintig pas van verwijderd.
Peinzend streek de leeuwenjager zich over het voorhoofd.
Dat was zoo zijn manier, als hij voor een moeilijke zaak stond, waar hij niet door kon kijken.
"Wij gissen een misdaad, en wij gissen de misdadigers," zeide hij, "maar 't is nog gissen. Wij moeten nu zekerheid hebben."
"Laten wij er in eens op losstormen," zeide Jan, die door het pijnlijkste ongeduld werd gefolterd.
Jansen onderzocht het slot van zijn geweer, maar de leeuwenjager schudde het hoofd.
"Houd dit venster in de gaten," zeide hij tot Jan. "Wij zullen den achterkant der hut opnemen."
Met Jansen ging hij nog een twintigtal passen verder; nu waren ze wijd genoeg.
Het bleek nu, dat van af het linker venster wel de voor- doch niet de achterdeur kon worden bereikt. Het achterste gedeelte der hut was namelijk vlak op den rand eener diepe kloof gebouwd, en slechts aan den achterkant, bij de achterdeur, was eenige ruimte gebleven; een smal terras tusschen de hut en den rand der kloof.
Deze kloof werd van een aangrenzende kloof gescheiden door een steilen, smallen, gekloofden rotswand, en deze rotswand liep van het kreupelbosch, waar onze Boeren zich bevonden, in gebogen lijn tot den achterkant der hut.
Nu keerden de leeuwenjager en Jansen terug tot Jan Kloppers, die in heftige opwinding riep: "Ik heb daar juist voor het venster Kees Botter gezien."
"Weet ge 't zeker?" vraagde Jansen met gespannen trekken.
"Ik weet het zeker," zeide Jan; "hij had een stang in de hand."
Doch nu was niets meer te zien dan een lichte, rossige gloed, alsof er een groot vuur brandde.
"Dan is de stervende Botter gauw opgeknapt," zeide de leeuwenjager met een schamperen lach, maar hij liet er onmiddellijk opvolgen: "Nu hebben wij zekerheid van het verraad, en al weten wij nog niet, waarin dat verraad bestaat, wij willen onzen slag slaan!"
"Als het maar niet te laat is," steunde Jansen.
Maar Jan zeide geen woord. Hij hing aan de lippen van den ouden Voortrekker.
"Luistert nu goed," zeide de leeuwenjager, "één van u gaat op het venster los, de andere op de voordeur. Ik neem de achterdeur. Als ge den schreeuw van den Makauwvogel hoort, dan eerst, en niet eerder, stormt ge op de hut los. Maar dan ook zoo snel mogelijk — snel als de wind! Wij willen de schurken overrompelen, en de overrompeling moet volkomen zijn!"
Zijn gedaante scheen grooter te worden onder het spreken; zijn spieren werden strakker. De groote jager was op het spoor van het wild, en het oude vuur sprong uit die staalgrijze oogen.
"Oom, laat mij de rotswand nemen," riep Jan, maar de jager had zijn groote ruiterlaarzen reeds uitgetrokken, en met het geweer over den schouder, spoedde hij naar het klippenpad.
Hij zette er zijn voeten op en schreed er over heen. Wel gaapte aan zijn voet de honderd voet diepe, met harde klipsteenen bezaaide afgrond; wel brokkelde nu en dan een stuk steen onder zijn voeten weg; wel waren er gapingen in den rotswand van drie, vijf voet, maar wat beteekenden die gapingen, die afbrokkelende steenen, die honderd voet diepe afgrond.... voor hem, den grooten Afrikaanschen jager? Was hij niet in de gebergten van 't noorden langs de afgronden heen gegaan, waar in een diepte van twee duizend voet de bergstroom naar beneden dondert? Had hij niet dagenlang gezworven op de koppen der hoogste bergen, op hun ijsvlakten, die nimmer smelten? En had hij den arend niet opgezocht in zijn trotsch nest, op de vooruitstekende rots, hoog boven de wolken, waar eeuwige stilte heerscht?
Hij stapte sneller door; zoo vast, zoo zeker, alsof hij den gewonden buffel naging over de vlakte. Er was geen spoor van vrees, van angst; geen spoor van duizeling. Daar gaapte een kloof van vijf voet breedte vóór zijn voet — hij sprong er over heen met de vaardigheid van den klipbok. En nu was het klippenpad bijna afgeloopen — daar ging de achterdeur open, en trad de vreemdeling van heden morgen, de gids, naar buiten.
Beiden herkenden elkander onmiddellijk, en zwijgend greep de gids een langen, zwaren staak, om er den leeuwenjager mee in de diepte te stooten. Deze greep den staak — de gids liet plotseling los — de leeuwenjager waggelde op het smal en gevaarlijk pad. Doch snel had hij zijn evenwicht terug, en terwijl de staak naar de diepte rolde, was hij in drie sprongen op het terras, achter de hut.
De gids was van plan geweest, om den leeuwenjager den toegang tot de hut te betwisten, doch toen hij in die van toorn fonkelende oogen staarde, ontzonk hem de moed, en hij keerde zich om, naar de achterdeur. Maar de leeuwenjager, die nooit had misgegrepen, greep ook dezen keer niet mis, en met de woorden: "Verrader, sterf!" slingerde hij hem in den honderd voet diepen afgrond....
Lodewijk Jansen en de jonge Jan hoorden de stem van den leeuwenjager, maar het drama, dat op het terras achter de hut was afgespeeld, hadden zij niet kunnen zien, en onmiddellijk daarop vernamen zij den schorren schreeuw van den Makauwvogel. En terwijl de leeuwenjager de achterdeur binnendrong, zag de zwarte reus, die in de nabijheid van Kees Botter hurkte, het breede gelaat van een Transvaalschen Boer vóór het raam verschijnen. "Wil ik?" vraagde hij, terwijl hij een werpspeer greep, doch vóór zijn baas ja kon zeggen, had reeds de kogel van Lodewijk Jansen gesproken, en zakte de reus met doorschoten borst vlak vóór het raam in één.
Intusschen vloog de voordeur uit haar grendels, en rukte Jansen het raam uit de vermolmde kozijnen.
Dit was alles veel sneller gebeurd, dan ik het hier kan zeggen, doch in het hart van Kees Botter brandde, zelfs in dit hachelijk oogenblik, de wraak met volle kracht. En terwijl zijn Kaffers waren weggestoven als kaf voor den wind, richtte hij zijn tweelooper op zijn gevangene, den ouden Kloppers.
"Past op!" riep de grijze Voortrekker, maar zijn trouwste vriend, de leeuwenjager, waakte. Hij drukte het geweer van den verrader met zijn sterke hand uit de doodelijke richting — de kogel vloog in het dak — daar voelde hij een dolkstoot, diep in de borst. En vóór dat Jansen in den rookenden kruitdamp gelegenheid had, om het roer op den moordenaar aan te leggen, en vóór dat Jan, die juist bezig was, het touw door te snijden, waarmede zijn vader was geboeid, gelegenheid had, hem te grijpen, was de verrader reeds door de voordeur ontsnapt.
"Gered!" zeide de leeuwenjager met zwakker wordende stem.
"Gered!" antwoordde Dirk Kloppers.
"Maar tot welken prijs!" voegde hij er aan toe met smartelijk bewogen lippen.
Hij leidde den zwaar gewonde naar een stoel.
"Wil ik de wond onderzoeken?" vraagde Jansen.
De oude Kloppers schudde het hoofd.
Hij onderzocht de wond; het bloed gulste er uit.
Het was een vreeselijke, doodelijke wond.
Hij legde er een verband om.
Dan staarde hij den leeuwenjager in het bleeker wordend gelaat.
"Gered!" zeide hij nog eens, "gered! Doch tot welken prijs!"
En de ijzerharde Voortrekker ging naar buiten en snikte als een kind.
Doch kalmer keerde hij terug.
Zwijgend zaten nu de drie Boeren naast den stervenden leeuwenjager.
"Mijn voorgevoel is uitgekomen," fluisterde hij; "geen macht der wereld had mij kunnen redden!"
"Doch voor mij gaat gij in den dood!" klaagde de oude Kloppers.
"Dat is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood gaat," fluisterde mild en vriendelijk de leeuwenjager.
"En dat is de hoogste liefde, dat Christus voor zijn vijanden in den dood ging," zeide Kloppers.
"Amen!" fluisterde de leeuwenjager.
Meer zeide hij niet.
De oude Kloppers had nog gaarne iets meer gehoord, maar de leeuwenjager zweeg.
Het werd nu licht in de hut. Dat deed de zon, die door de wolken brak.
Plotseling dacht Dirk Kloppers aan den laatsten wensch van zijn stervenden vriend, dien hij eenige uren geleden had geuit.
Op zijn wenk werd de gewonde voorzichtig met zijn stoel opgenomen, en uit de benauwde lucht der hut naar buiten gedragen, op het terras bij de achterdeur.
"De zon!" riep de leeuwenjager met matte stem, "de zon!"
Er scheen een glimlach op zijn gelaat te komen; zijn stervend oog ging over het landschap, dat zich thans, in den glans der namiddagzon, in wonderbare heerlijkheid voor zijn blik ontplooide.
"Hoe schoon," fluisterde hij, "hoe schoon!"
"Zoo heeft de Heere uw laatsten aardschen wensch vervuld," zeide Dirk Kloppers, "maar Hij kan nog meer geven."
Hij was diep bewogen, de oude Kloppers!
Ach hij had den stervende lief! Hij had hem lief, zooals David Jonathan lief had, en het was de teederheid der liefde, die hem zoo deed spreken.
En de leeuwenjager verstond het woord van zijn ouden vriend, en hij knikte, en hij zeide met nauwelijks hoorbare stem: "Hij kan en zal en wil in nood, zelfs bij het naadren van den dood, volkomen uitkomst geven!"
Toen drukte hij zijn vrienden de handen ten afscheid, doch de hand van Dirk Kloppers hield hij langer vast dan de andere.
En toen vouwde hij de verstijvende handen en sloot de oogen, en biddend bewogen zich zijn lippen. "O Zonne der gerechtigheid!" dat was het laatste woord, dat de omstanders konden verstaan.
En Dirk Kloppers knielde neder op het smalle terras, naast zijn boezemvriend, en bad stil tot zijn God, dat Hij den stervende mocht opnemen in Zijn eeuwig koninkrijk.
En toen hij zijn oogen weer opsloeg, toen had de groote leeuwenjager reeds den geheimzinnigen drempel overschreden van de vallei des doods.
Hij lag met het hoofd achterover, vredig als een kind, dat in slaap is gegaan.
En de wolken hadden zich verdeeld en legerden zich als bergen aan den horizon, en de namiddagzon straalde van den diepblauwen hemel, en het zomerwindje bewoog het loover van het geboomte, en de regendruppels vielen van de bladeren als schitterende parels, en de zangvogels zongen hun liederen....
En Dirk Kloppers en zijn zoon en Lodewijk Jansen stonden bij het lijk van den grooten leeuwenjager en waren diep bedroefd....
't Is twee dagen later; vroeg in den morgen.
Een aantal Boeren staan bij een open graf, gedolven in de schaduw van een bloeienden doornstruik; in een dal van het Drakengebergte.
Niet in Natal, op Engelschen bodem, maar op Transvaalschen grond, waar de oude Boerenvlag wappert, daar zou de leeuwenjager worden begraven.
Zóó heeft Dirk Kloppers het besteld, en zóó geschiedt het thans.
Een ruwe, ongeverfde, houten kist is de laatste woning van den grooten jager. Daar ligt hij, het hoofd iets hooger dan het overige lichaam, met het geweer in den arm, den bandelier om de borst, in volle jagersuitrusting.
En nu wordt de kist voor goed gesloten.
En langzaam en plechtig wordt de houten woning in de koele aarde neergelaten.
En terwijl de frissche morgenwind door zijn grijze lokken gaat, spreekt de oude Dirk Kloppers met zijn heldere, krachtvolle stem: "Mijne vrienden! Wij bewijzen thans aan een man de laatste eer, dien ik lief heb gehad mijn leven lang. Een man koel van blik en kort van taal, maar met een hart vol gulden trouw! Hierin is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood gaat, en Teunis Smit is voor mij in den dood gegaan. Hij is getrouw bevonden tot in den dood, en wij zullen hem blijven eeren als één der helden van ons volk.
Een ernstig en lichtend voorbeeld heeft hij ons nagelaten van trouwe vriendschap, een spoorslag, om ons leven gering te achten, om dat van onzen broeder te redden.
Mijne vrienden! Teunis Smit is heengegaan, en het is, alsof een stuk van mijn eigen leven daar ligt, op den bodem van het donkere graf. Doch daarom willen wij niet versagen, maar integendeel het hoofd moedig opwaarts heffen, want Christus heeft gezegd: 'Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij gestorven.' Onze harten zouden bezwijken, als wij niets zagen dan dood en ontbinding, maar God lof! over de donkere graven schemert het morgenrood der eeuwigheid, en Christenen zien elkander nooit voor den laatsten keer!
En zoo nemen wij van u afscheid, Teunis Smit! Gij zijt gevallen, zooals een man valt door de hand der kinderen Belials, maar uw bloed zal gewroken worden!
Rust zacht in dezen grond! Voor den Tranvaalschen grond hebt gij gestreden — in Transvaalschen grond zult gij rusten! Voor de staatkundige vrijheid van ons volk hebt gij uw leven in de bres gesteld — moge thans, door Gods ontferming en genade! de hoogste vrijheid uw deel zijn, de Vrijheid der kinderen Gods, die van de banden der zonde voor eeuwig zijn verlost!
En in die hope roepen wij u, onzen vriend en broeder, voor 't laatst: Tot weerziens toe! Tot weerziens in een beter en zaliger land!"
En nu nemen de Boeren hun geweren, en geven een eeresalvo boven het open graf van den grooten leeuwenjager. En de moedige knal hunner geweren breekt zich in een honderdvoudig echo tegen de wanden van het Drakengebergte, en hun paarden rukken driftig aan den teugel, en bijten op de stalen gebitstang. En de Boeren zetten hun geweren neer, en vullen het graf met aarde, en dekken het met harde klipsteenen. En zij zingen nog het roerend schoone psalmvers: "Gelijk het gras in ons kortstondig leven," en dan gaan zij heen.
En de leeuwenjager blijft alleen achter, onder den bloeienden doornstruik.
En het Tamboeki-gras zal boven zijn graf, tusschen de klippen, uitschieten.
En het zal elken winter verdorren, doch uit den ouden wortel zal elke lente weer een nieuwe grasscheut te voorschijn komen.
En de doornstruik zal bloeien, en zijn vrucht zetten, vele jaren lang. En eindelijk zal hij sterven van ouderdom, als geen veldbrand hem vroeger heeft verteerd.
En nieuwe uitspruitsels zullen zijn plaats innemen.
En zoo zal dat voortgaan, om het graf van den grooten leeuwenjager, in onophoudelijke, altoosdurende wisseling.
Maar eens zal die wisseling plotseling staken....
God houdt met Zijn sterke hand de oude wereldklok stil....
Dat is de dag des Heeren.... En het graf, dat altijd nam, zal nu zijn buit terug moeten geven.
En Teunis Smit zal opstaan uit zijn graf, en wij, en alle menschen, om geoordeeld te worden.
HOOFDSTUK XXIV.
De dappere Boeren begonnen de aandacht te trekken.
In den Oranje-Vrijstaat heerschte groote opgewondenheid, en de Hollandsche Afrikaanders in de Kaapkolonie juichten bij elke nederlaag, die de Engelsche troepen leden. In het Vlaamsche deel van België werden geestdriftige volksbetoogingen gehouden, en over het oude Holland werd een geest vaardig, die herinnerde aan de schoonste dagen uit ons verleden. En terwijl in Amerika met klimmende bewondering de heldenstrijd van het kleine, Transvaalsche volk werd gadegeslagen, riepen edele mannen in Engeland met al luider stem om staking van den roemloozen oorlog.
In deze omstandigheden waagde Paul Kruger een poging, om tot een eervollen vrede te geraken, door uit het kamp van Lang-Nek, den 12den Februari 1881, het volgende schrijven te richten aan generaal Colley:
"Excellentie, ik heb bevonden, dat wij tegen onzen zin gedwongen zijn in een bloedigen strijd, en dat onze ingenomen posities van dien aard zijn, dat wij niet kunnen ophouden, den eenmaal ingeslagen weg van zelfverdediging te vervolgen, voor zoover onze God ons daartoe de krachten schenkt.
Wij weten het, dat al onze bedoelingen, brieven of wat ook, nog steeds het ware doel hebben gemist, omdat zij verkeerd werden voorgesteld en begrepen door de Regeering en het volk van Engeland. Het is om die reden, dat wij zelfs vreezen, U deze regelen te doen toekomen. Maar Excellentie, ik zou mij niet voor mijn God verantwoord achten, wanneer ik nog niet eenmaal aan u onze meening had bekend gemaakt, wetende, dat het in Uwer Excellentie's macht is, om ons in staat te stellen, van de door ons ingenomen positie terug te komen.
Wij wenschen geen strijd te zoeken met het Engelsche gouvernement, maar kunnen niet anders dan onzen laatsten droppel bloed geven voor ons goed recht, waarvoor elke Engelschman ook het zijne geven zou. Wij weten, dat het edele Engelsche volk, wanneer eenmaal de waarheid en het recht tot hetzelve kan doordringen, aan onze zijde zal staan. Wij zijn zoo sterk in deze overtuiging, dat wij niet zouden schromen het onderzoek eener Koninklijke commissie, die, wij weten het, ons in ons goed recht zal herstellen. En daarom zijn wij bereid, om, wanneer U wilt bevelen, dat Harer Majesteits troepen dadelijk terugtrekken uit ons land, wij aan hen zullen toestaan, met volle eer uit het land te gaan, en wij onze nu ingenomen positie zullen verlaten.
Wordt echter de annexatie volgehouden, en het bloedvergieten door u voortgezet, dan zullen wij ons onder onzen God aan ons lot onderwerpen, en tot den laatsten man strijden tegen het ons aangedane onrecht en geweld, en werpen dan de verantwoordelijkheid van alle ellende, welke het land overkomt, geheel op uwe schouders."
Hierop antwoordde generaal Colley den 21sten Februari als volgt:
"Mijnheer, ik heb de eer, de ontvangst te erkennen van uwen brief van den 12den dezer. In antwoord moet ik u berichten, dat Harer Majesteits Gouvernement bereid is, wanneer de thans tegen Harer Majesteits gezag gewapende Boeren met gewapend verzet ophouden, eene commissie met uitgestrekte volmacht aan te stellen, welke het schema moge ontwikkelen, waarop in Lord Kimberley's telegram van den 8sten dezer gezinspeeld wordt, en aan u is medegedeeld door zijn HoogEd. President Brand. Ik moet er bij voegen, dat wanneer dit voorstel binnen acht en veertig uren aangenomen wordt, van af de ontvangst van dezen brief, ik volmacht heb tot staking der vijandelijkheden van onze zijde."
Het telegram van lord Kimberley, waarop in dezen brief wordt gedoeld, bevatte deze zinsnede, "dat Harer Majesteits Gouvernement bereid was, allen mogelijken waarborg te geven met betrekking tot de behandeling der Boeren na hunne onderwerping, en dat zij in geen geval als rebellen zouden worden behandeld, mits zij eerst hun gewapend verzet staakten."
Het schrijven van generaal Colley, dat door een parlementair werd overgebracht naar het Boerenkamp aan den Lang-Nek, werd intusschen doorgezonden naar Heidelberg, den zetel der Boerenregeering, en door Paul Kruger als volgt beantwoord:
"Excellentie, Uw brief van 21 Februari 1881 bereikte mij heden, den 28sten Februari, toen ik van een inspectie naar Heidelberg terugkeerde.
In overleg met de regeeringsleden hier heb ik het genoegen, in mijnen en hunnen naam u mede te deelen, dat wij zeer erkentelijk zijn voor Uwer Excellentie's verklaring in naam van de regeering van Hare Majesteit, dat zij onder zekere voorwaarden genegen is, de vijandelijkheden te staken; dat het ons schijnt, dat nu voor het eerst sedert den ongelukkigen dag der annexatie een kans is ontstaan, om tot een vreedzame schikking te geraken; dat ons hart bloedt over de noodzakelijkheid, om verder bloed te vergieten, zoowel het bloed onzer burgers als dat van uwe dappere soldaten; dat naar onze meening een samenkomst van gecommitteerden van weerszijden misschien spoedig tot een bevredigend resultaat zal leiden, weshalve wij de eer hebben, u voor te stellen, dat door u en ons gecommitteerden zullen worden aangewezen, met behoorlijke en voldoende volmacht, om de hoofdbeginselen van een eervollen vrede vast te stellen en te ratificeeren."
Zoo scheen de zoete hoop, dat de oorlog zonder verder bloedvergieten zou worden beëindigd, in vervulling te gaan. En om de vredesonderhandelingen dan ook niet te belemmeren, gaf Joubert aan den onvermoeider generaal Nicolaas Smit, die opnieuw met zijn wakkere Boeren Natal was binnengetrokken, order, naar het Drakengebergte terug te trekken.
Maar in het binnenste van generaal Colley kookte en giste het. De versterkingstroepen onder generaal Wood waren in aantocht, en dan zou hij het opperbevel aan dezen moeten overgeven. Hij zou geen gelegenheid meer hebben, om de geleden nederlagen goed te maken; hij was een geslagen generaal. Met al zijn kanonnen was hij niet in staat geweest, om de passen van het Drakengebergte te forceeren; die gedachte werd hem onverdragelijk.
Wel bestond er feitelijk wapenstilstand, maar de zucht, om aan den oorlog met éénen slag een einde te maken, was hem te machtig. Hij wilde de Boeren doen gevoelen: Ik ben u de baas — en in het schenden van den wapenstilstand was hij hun inderdaad de baas.
Het was de 20ste Februari; 's avonds tien uur.
De maan was opgegaan en stond in het eerste kwartier. Vriendelijk blonken de sterren. Het was een milde zomernacht.
Het kamp van generaal Colley bestond uit een vierkante redoute met aarden wallen van zes voet hoogte. Om die wallen was een gracht gegraven.
Er heerschte een zekere spanning in het kamp. De generaal liep met groote stappen, door zijn stafofficieren omringd, tusschen de tenten door.
Hij besprak met hen de bezetting van den Amajuba.
"Als we eerst den Amajuba hebben, dan haalt er ons de duivel niet meer af," zeide een der hoofdofficieren.
"En de Boeren nog minder," lachte een pas aangekomen huzaren-officier.
"En de oorlog is met éénen slag geëindigd," meende de generaal.
Hij nam het horloge en keek naar den tijd.
"Mijne Heeren!" ging hij voort op levendigen toon, "het is tijd; vóór de zon in 't oosten opgaat, moet de trotsche Amajuba de onze zijn — voorwaarts!"
Hij verwisselde de groote rijlaarzen met lichte bergschoenen en slobkousen, en stak een revolver in den gordel. Over den wapenrok wierp hij den mantel, want het was koel in de frissche nachtlucht, en hij nam een stevigen bergstok, die hem dienstig kon zijn bij het klimmen.
Stil, zwijgend maakten de troepen zich gereed. De paarden werden gezadeld; patronen en levensmiddelen rondgedeeld. Ieder infanterist ontving behalve de gevulde patroontasch nog tachtig patronen, en ieder man ontving voor drie dagen levensmiddelen en rum.
Nu ging de generaal langs de gelederen, monsterde ze met zijn scherpen blik en deelde de troepen in. Slechts een reserve bleef achter ter bewaking van het kamp.
En toen alles gereed was, zeide hij op gedempten toon: "Voorwaarts!"
Zoo zette de expeditie zich in beweging.
De diepste stilte werd in acht genomen. Het spreken was den soldaten verboden; fluisterend werden de kommando's gegeven.
In een grooten, halven cirkel omringden de schildwachten der Boeren in het noorden het kamp der Engelschen, maar hun uittocht geschiedde naar het zuiden en in de volmaaktste orde.
De schildwachten der Boeren merkten niets.
Intusschen werd het gevaar van ontdekking al geringer, en sneller trok de kolonne op haar doel af.
Generaal Colley liep voor aan de spits; met een gids naast zich. Zijn rijpaard werd door een gewoon militair aan den teugel geleid.
Dan volgden de Hooglanders, de Bergschotten, in hunne schilderachtige uniformen; het hoofd gedekt met den witten helm, het witte ledergoed over de roode uniform, gekleed in den geruiten schotschen wapenrok en de witte slobkousen, en de bonte beenbekleedsels onder de stevige, naakte knieën.
Op de Hooglanders volgden de met buksen gewapende marine-soldaten in hun blauwe pijjekkers met een paar stukken veldgeschut, terwijl de achterhoede werd gevormd door een afdeeling huzaren, wier kromme sabels en attila's met zilveren snoeren duidelijk uit kwamen in het heldere maanlicht.
Maar als jagershonden zwermden de dragonders om de voorttrekkende kolonne heen, en met den vinger aan den trekker van den karabijn, onderzochten zij op hun vlugge paarden de golvende vlakten in den omtrek.
Doch er was geen onraad, en zwijgend werd de marsch voortgezet. Geen geluid werd vernomen dan het gedreun der voetstappen, de hoefslag van het paard, het rammelen der sabelscheden tegen de beugels, het kraken en schuiven der ransels en de slaperige kreet van een vogel, die in zijn nachtrust werd gestoord.
Eindelijk was het doel van den tocht bereikt; daar lag de Amajuba, twee duizend voet hoog. De platte kruin teekende zich duidelijk af tegen den nachtelijken hemel in het schijnsel der maan, die rechts aan den hemel, boven het rustende Boerenlager, stond.
De berg liep steil op, oogenschijnlijk nòg steiler aan den Engelschen kant dan aan dien der Boeren.
De troepen marcheerden tot op het punt, waar de eigenlijke kegel van den berg begon, en de steilte der helling den verderen marsch der kavallerie verhinderde.
Twee compagniën infanterie, alsmede de huzaren en dragonders, te zamen 300 man, werden hier als reserve achtergelaten, en 400 man met twintig officieren, allen flinke, stevige, dappere kerels, een echte keurbende, zouden nu den berg beklimmen.
Generaal Colley wierp den mantel af, legde den bergstok neer, en een rotsblok boven hem grijpend, riep hij met moedige stem: "Voorwaarts, mannen!"
Het was een hard stuk werk; het verband was onmiddellijk verbroken,
Nu eens verdwijnend in de diepe, donkere kloven, dan weer optornend tegen de bijna loodrechte rotswanden, kwam men langzaam voorwaarts.
De Schotten, aan het klimmen in hun hooglanden gewoon, hadden hier al hun behendigheid noodig, en waar het niet anders ging, klauterde men over de schouders der makkers als ratten omhoog.
Moeilijker nog was de taak der marinesoldaten, die het Gatling-kanon naar boven moesten sjoppen. Zij spanden zich vóór den vuurmond, en hun forsche gestalten bogen zich onder de haast bovenmenschelijke inspanningen als taaie zweepstokken.
Zij grepen met hun sterke vuisten in de spaken, en lichtten het kanon van het affuit. Tappelings liep hun het zweet van het gelaat, doch aan alles is een grens, ook aan de menschelijke spierkracht. Het was onmogelijk, om het geschut naar boven te krijgen, en de generaal gaf bevel, de vruchtelooze pogingen te staken.
Zonder kanon volgden de marine-soldaten de infanterie.
Middernacht was nu al lang voorbij.
Het werd morgen.
Het licht van maan en sterren verbleekte, en langs den Oostelijken horizon begon de gouden ochtendschemering aan te breken.
Met gespannen gelaatstrekken volgden de achtergebleven Engelschen met hun oogen de klauterende kameraden.
De voorsten geleken op een hoop kruipende mieren, en hadden bijna den rand van den bergtop bereikt.
"Zij zullen er spoedig zijn," meende een dragonder met een paar groote, roode knevels.
"Dat denk ik ook," zeide een huzaar met een leuk en vroolijk gezicht.
"Nu zal de oorlog snel afgeloopen zijn," hernam de dragonder.
"Zoo?" zeide de vroolijke huzaar; "dat is jammer; ik had de Boeren nog zoo graag eens een beetje schrik op het lijf gejaagd."
"Ge zijt hier pas, kameraad?" vraagde de dragonder.
"Geen twaalf uur geleden zijn wij in het kamp aangekomen. Zoo kersversch uit Afghanistan, waar wij de spitse kegelhoeden der gele Afghanen met onze sabels hebben terecht gezet, hè Jim?"
"Of we," zeide de aangesprokene lachend; "wat konden die Afghanen loopen! De Boeren kunnen misschien hard loopen, maar harder dan die Afghanen met hun woestijnvoeten kunnen zij het toch niet."
Nu mengde zich een jong korporaal der infanterie met een schrander en ernstig gelaat in het gesprek.
"De Boeren loopen niet hard," zeide hij.
"Omdat wij hen daartoe misschien niet hebben uitgenoodigd," meende de vroolijke huzaar.
"Wij hebben hen meer dan eens uitgenoodigd," zeide de infanterist.
"Ze hebben ons in Natal verteld," zeide de huzaar, "dat de Boeren zoo goed kunnen schieten?"
"Dat kunnen ze in de perfectie," antwoordde de korporaal.
"Ik heb de gevechten bij den Lang-Nek en te Schuinshoogte bijgewoond, en we hebben er leelijk van langs gehad."
"Van daag halen wij de schade in," meende de dragonder.
"Dat zit nog," zeide de infanterist, terwijl hij nadenkend naar de hoogte tuurde.
"Denk je dan, dat de onzen er niet komen zullen, boven op den bergtop?" vraagde de huzaar.
"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de korporaal, "maar het is de vraag, of wij den bergtop houden zullen."
Maar deze opmerking wekte niets dan verwondering en gelach.
Zelfs Jim, die dood bedaard een stuk pruimtabak tusschen zijn zwarte kiezen knauwde, spuwde van verbazing uit, en zeide met een schamperen lach: "Heb je nou ooit zoo'n onzin gehoord!"
Doch onze infanterist was niet zoo spoedig uit het veld geslagen.
"Ik zeg je," zeide hij, en hij keek met zijn schrandere oogen naar den bergtop, "die positie daar is te hoog, om goed verdedigd te kunnen worden, en onze reserve hier is te ver af, om een ongeluk te kunnen voorkomen."
"Dat is iets nieuws," zeide de dragonder, die tegenover de pas aangekomen huzaren toch wilde toonen, dat hij er ook iets meer van wist dan een gewoon mensch.
"Als hij voor de onzen te hoog is," ging hij voort, "dan is hij voor de Boeren toch zeker te hoog."
"Neen," zeide de infanterist, en hij schudde het hoofd, "de berg is voor de Boeren niet te hoog. Zij zullen, gedekt door rotsblokken en struiken, den bergtop bestormen, en onze krijgsmacht weg schieten als den vogel van zijn nest."
"Dat wordt bepaald vermakelijk," riep de dragonder, terwijl hij zelfbewust aan zijn roode knevels draaide. "Ge denkt, kameraad, dat de onzen zich als op een presenteerblaadje door de Boeren zullen laten doodschieten, maar zulke lammeren zijn onze Hooglanders niet. Trouwens de Boeren zullen niet eens een aanval op den Amajuba durven ondernemen. Zij kunnen goed schieten, dat is waar, en zij zijn flink in de verdediging, maar om een aanval te wagen — daar hebben zij een broertje aan dood."
"En waarom zullen zij niet aanvallen?" vraagde de infanterist.
"Omdat," zeide de dragonder, "ze niet één keer ons kamp hebben aangevallen, dat toch gemakkelijker te nemen was dan de Amajuba. Bovendien, 't is heel verstandig van de Boeren, dat zij den storm niet wagen. Immers onze troepen zullen den Amajubatop binnen een paar uur in een vesting met stevige klipwallen hebben herschapen, en de Boeren zouden de lammeren worden, die zich weerloos konden laten doodschieten."
"Ik moet ook zeggen," zeide de huzaar, "dat de gedachten van onzen dragonder mij juister toeschijnen dan die van u, korporaal."
"Nu de toekomst zal het uitwijzen," antwoordde deze bedaard.
"Dat is goed gezegd," hernam de dragonder, "en de toekomst zal het uitwijzen, dat generaal Colley met zijn stafofficieren geen kinderen zijn! Komt, jongens, wij zullen eens drinken op den goeden uitslag," en onze vier militairen namen ieder voor de kou een slok rum uit de veldflesch.
Vastberaden zetten de Engelschen de beklimming voort; rusteloos werken zij opwaarts. De vlugge Schotsche Hooglanders zijn de anderen wijd voor, en klauteren als klipgeiten de hoogte op. De hellingen zijn bedekt met kruipende, loopende, springende, zich omhoog hijschende menschen, doch met een luid hoera hebben de Schotten thans, over den bergrand heen, den platten kruin bereikt. Zij reiken hun kameraden, die nog beneden zijn, de hand, nemen hun geweren en ransels over, en trekken hen onder een vroolijk gelach naar boven.
Zóó is het doel van den tocht bereikt, en generaal Colley heeft met zijn troepen den Amajuba, den trotschen berg, die als een reus tusschen de andere bergtoppen uitsteekt, bezet.
Juist gaat de zon in het Oosten op, en liefelijker Zondagmorgen is nog nooit op de bergen en dalen van het Drakengebergte neergedaald.
Tien duizenden bloemen langs de hellingen van den berg beuren hunne met dauw gedrenkte kelken opwaarts, en schitteren als diamanten tusschen het groen. Groote scharen duiven drijven op blanke wieken door het onmetelijk luchtruim; prachtige vlinders klapwieken met hun rijk gekleurde vleugels, en de nijvere bij vliegt van bloem tot bloem, was en honig verzamelend.
Tusschen de boschjes in golven de maïsvelden in de morgenkoelte, en ver, ver weg blinken stroomen en schemeren wouden, en boven die wouden legeren zich de morgenwolken in wonderbaren vrede....
Generaal Colley laat onmiddellijk de overal rond liggende klipsteenen tot wallen opstapelen, waarachter zijn soldaten veilig zullen zijn, mòchten de Boeren een aanval wagen.
Hij zorgt er voor, dat in die wallen behoorlijke schietgaten worden gelaten, en eerst nadat dit alles is verricht, geeft hij als een voorzichtig veldheer aan de zijnen verlof, een stevig ontbijt te gebruiken.
Doch hij gunt zich zelf geen tijd voor het ontbijt, want het machtig gevoel der zegepraal doortintelt zijn borst.
Daar, dáár beneden, letterlijk aan zijn voeten ligt het kamp der Boeren — het pleit is gewonnen! Hersteld is zijn eer!
Over vier dagen zal generaal Wood komen.
Hij zal tot hem zeggen: "Generaal Wood, wat komt ge doen? Er is geen Boer meer in de passen van het Drakengebergte."
Dat hij zijn eer heeft bezoedeld door vóór den afloop van den wapenstilstand onzijdig gebied te bezetten, hij denkt er niet aan. Dat hij trouwbreuk heeft bedreven, 't komt niet in hem op.
Neen, hij geniet de zegepraal. Een glimlach van voldoening ligt op zijn gebruind gelaat. En terwijl zijn oog zich verlustigt in het gezicht van het Boerenkamp, daar diep beneden, ademt hij met volle teugen de hooge berglucht in.
Daar vallen twee, drie schoten.
Het zijn schoten, door zijn volk op een paar schildwachten der Boeren afgegeven.
Het is geschied tègen het bevel van den generaal. Er komt een rimpel op zijn voorhoofd. Er behoeft immers niet geschoten te worden; de bloote aanblik van den door Engelsche troepen bezetten Amajuba zal de Boeren doen inzien, dat zij verloren zijn.
Maar zijn voorhoofd effent zich weer, en met groote belangstelling neemt hij waar, hoe het in het lager der Boeren levendig wordt. Het is, alsof de voet van een mensch tegen een groot mierennest heeft aangestooten: zoo woelt en gonst het door elkander.
Eén oogenblik schijnt er een zekere spanning in zijn gelaat te komen, maar zijn oog wordt weer helder.
Hij ziet, hoe de Boeren in grooten haast hun ossenwagens inspannen.
"Goed zoo," mompelt hij, "goed zoo! Zij gaan naar huis — de passen van het Drakengebergte zijn de mijne!"
Hij wendt zich naar het oosten, en werpt een blik naar de zon. Zij bestraalt een zelfbewust en vroolijk menschengelaat.
Doch lang voor de zon op dezen dag haar vlammende gloriebaan heeft afgeloopen, zal de levenszon van generaal Colley zijn ondergegaan.
Bij een sober lamplicht zit Piet Joubert, de Kommandant-Generaal, in zijn tent een rapport te schrijven.
Het begint nu licht te worden, en hij blaast de lamp uit.
Hij heeft den ganschen nacht gewerkt, en de oogen doen hem zeer. Hij is blij, dat het rapport af is; hij heeft behoefte aan rust.
Daar komt een ruiter aangereden, alsof de dood hem op de hielen zit. Hij houdt het dampende paard vóór de tent van den opperbevelhebber stil. Onwillig kijkt deze op, maar de ruiter rapporteert: "De Engelschen hebben van nacht den Amajuba bezet, en op onzen schildwacht, die aan den noordelijken voet van den berg was uitgezet, geschoten."
Verbaasd springt Joubert van zijn veldstoel op. Hij snelt de tent uit, werpt een blik naar den Amajuba, alarmeert het lager en roept tot de eerste afdeeling Boeren, die hij ontmoet: "De Engelschman is op den Amajuba, en jullie moet er hem afhalen."
Daar de andere stellingen niet verzwakt mogen worden, zijn er niet meer dan hoogstens 150 man beschikbaar, die onder aanvoering van den wakkeren generaal Nikolaas Smit en onder de leiding der veldkornetten Stephanus Roos, Joachim Ferreira en D. J. K. Malan te ongeveer negen uur 's morgens de bestorming ondernemen.
Onder het vuur van den vijand bereiken de dapperen een diepe kloof, waar zij, onder de beschutting van een overhangenden bergrand, hun paarden achterlaten.
En nu begint de eigentlijke, gedenkwaardige bestorming, die in een zegepraal of in den dood moet eindigen.
"Zouden zij 't werkelijk aandurven?" vraagt een lange officier der Schotsche Hooglanders aan zijn sergeant.
"Ze zijn gek, als ze 't doen," zegt de sergeant; "ze loopen in den muil van het verderf."
"Gek zijn ze niet," zegt de lange officier; "kijk maar — ze weten meesterlijk partij te trekken van de boschjes en de vooruitspringende rotsen."