IN DE KLEM. (continued 2)
Reading edition
Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.
“Neen,” antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd hadden opgetild, om rond te kijken. “Zij zijn niet dood; zij zijn niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen.”
“Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn voeten!” riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet eens in hen opkwam.
“Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen,” zei de hoofdman op zeer strengen toon. “Maar de groote Manitou heeft u nu in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle bleekgezichten in het gebergte het hooren.”
De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak tamelijk goed Engelsch.
“Moorden?” vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te ontkennen. “Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?”
“Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt.”
Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: “Natuurlijk moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest.”
“Lieg niet!”
“Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie wij door u aangezien worden.”
“Vlei u niet met die ijdele hoop!” voegde Old Shatterhand hem toe. “Als gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen dezelfde als toen.”
Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.
“Maar sir!” riep Knox. “Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: ons leven is er mee gemoeid!”
“Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de bres te stellen.”
“Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, dan weet ik ook wat mij te doen staat. Gij wilt ons niet redden, dan sleepen wij u mee in het verderf.” En zich nu van Old Shatterhand afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. “Waarom behandelt gij de vier met verschooning?” vroeg hij. “Zij hebben immers evengoed paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!”
Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: “Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, nani wietsj!”
Die twee Utah-woorden beduiden: “mijn mes, mijn mes!” Hij riep dat toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.
“Om Godswil neen!” gilde de bedreigde. “Mij levend scalpeeren, neen, neen!”
Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer—drie vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.
“Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan onschuldigen daarvan beticht!” riep de Groote Wolf, terwijl hij den scalp in zijn gordel stak.
Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid te geven.
De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden met riemen geboeid.
Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat hij bereikt had.
“Dat ziet er niet best uit,” merkte Jemmy aan. “Hebt gij ons niet geheel en al vrij kunnen krijgen?”
“Neen, dat was een onmogelijkheid.”
“Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht hadt laten komen.”
“Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost hebben.”
“Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, ons te na te komen.”
“Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten.”
“Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn.”
“En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, beroofd zijn geweest.”
“De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad—twee schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest.”
“En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren.”
“Dat is zeer juist gezien,” merkte Hobble-Frank aan. “Ik begrijp ook niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, dat Davy er ook zoo over denkt.”
“Dat spreekt vanzelf,” antwoordde deze. “Een gevecht zou onvermijdelijk tot onzen ondergang geleid hebben.”
“Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?” vroeg Jemmy. “Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten ons ook als vijanden behandelen zal.”
“Dat zou ik hun maar niet raden,” dreigde Frank. “Bij die geschiedenis heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met hand en tand tegen verzetten.”
“Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor zoete koek.”
“Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig...”
“Astronomischen wilt gij zeggen,” verbeterde Jemmy.
“Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen,” zei de kleine driftig. “Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria.”
Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: “Frank heeft mij goed begrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met het tegenwoordige oogenblik.”
“En dan is allereerst de vraag,” merkte Davy op, “of wij den Roodhuid kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?”
“Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De Roodhuiden maken aanstalten om op te breken.”
Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.
Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder de boomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.