AAN DEN EAGLE-TAIL.1
Reading edition
AAN DEN EAGLE-TAIL.1
De baanwerkers te Sheridan waren meerendeels Duitschers en Ieren. Zij wisten van al het hiervoren verhaalde nog niets hoegenaamd, daar het zich wel liet vermoeden, dat de kornel twee of meer verspieders zou uitzenden, om hen gade te slaan, en die dan allicht uit de gebaren van het werkvolk konden opmaken en raden, dat men gewaarschuwd was. Toen echter het uur van uitscheiden dien avond op de komst was, deelde de ingenieur aan zijn Overseeer of the workmen (= opzichter over het werkvolk) het noodige mee, en droeg hem de taak op, om zonder veel opzien te verwekken de werklieden er bekend mee te maken en hun op het hart te drukken, dat zij zich vooral moesten houden alsof zij van niets wisten, dat de spionnen, die misschien zouden komen, geen argwaan konden krijgen.
De opzichter was iemand uit New-Hampshire en had een zeer bewogen leven achter den rug. Aanvankelijk voor het bouwkundige vak bestemd, was hij daarin dan ook geen geruimen tijd werkzaam geweest, doch had het niet tot zelfstandigheid daarin kunnen brengen, waardoor hij naar een ander middel van bestaan had omgezien, waarin voor een Yankee geen schande steekt. De fortuin was hem echter ook toen niet gunstig geweest, waarom hij aan het Oosten vaarwel had gezegd en den Mississippi overgestoken was, ten einde daar zijn geluk te beproeven, doch alweer met hetzelfde ongunstige gevolg. Nu eindelijk had hij hier te Sheridan zijn tegenwoordige betrekking gevonden, waarin hij van zijn vroeger opgedane kundigheden partij kon trekken; maar ook hier voelde hij zich niet tevreden. Voor ieder, die eens de lucht der prairie en van het oerwoud ingeademd heeft, zal het moeilijk, zoo niet onmogelijk wezen, weer aan een geregelde levenswijs te wennen.
Deze man, die Watson heette, was uitermate in zijn schik, toen hij hoorde wat er gebeuren zou.
“De hemel zij gedankt, dat er eindelijk eens een kleine afwisseling zal komen in dat alledaagsche zelfde koekoek-éénzang!” zei hij. “Mijn oude geweer heeft al zoolang in een hoek gestaan en er zoo reikhalzend naar verlangd om weer eens een verstandig woord te mogen spreken. Ik denk, dat het vandaag wel gelegenheid daartoe vinden zal. Maar heb ik u goed verstaan? De naam, dien gij mij genoemd hebt, komt mij niet onbekend voor, sir! De roodharige kornel? En noemde u hem niet Brinkley? Ik heb eens een Brinkley ontmoet, die valsch haar droeg, dat rood was; maar zijn natuurlijk haar was donker van kleur. Die ontmoeting heeft mij bijna mijn leven gekost.”
“Waar en wanneer is dat geweest?” vroeg Old Firehand.
“Dat is twee jaar geleden; het was hooger op, aan den Grand River. Ik was met een kameraad, een Duitscher, die Engel heette, boven aan het Zilvermeer geweest; wij wilden naar Pueblo, en dan over den Arkansas-weg naar het Oosten, om daar de noodige werktuigen en gereedschappen te halen voor een onderneming, die ons millioenen had kunnen inbrengen.”
Old Firehand luisterde met alle aandacht.
“Heette die man Engel?” vroeg hij. “Een onderneming, die u millioenen had kunnen inbrengen? Mag ik ook iets naders daarvan weten?”
“O ja, waarom niet? Wij beiden hadden elkaar wel de stiptste geheimhouding beloofd; maar de millioenen zijn op niets uitgedraaid, doordien het plan nooit tot uitvoering gekomen is. En daarom, dunkt mij, ben ik niet langer tot geheimhouding verplicht. Het betrof, namelijk, het ophalen van een verbazenden schat, die in het water van het Zilvermeer verzonken ligt.”
De ingenieur liet een kort, ongeloovig lachje hooren. Daarom vervolgde de opzichter; “Het moge ongelooflijk klinken, sir! maar niettemin is het waar. Gij, Mr. Firehand! zijt een der beroemdste Westmannen, en zult heel wat beleefd en ondervonden hebben, dat, indien u het vertellen wilde, niemand zou willen gelooven. Misschien zult gij althans niet lachen om hetgeen ik vertel.”
“Dat kan niet in mij opkomen,” antwoordde de jager op een ernstigen toon. “Ik ben gaarne bereid u wel degelijk te gelooven; daartoe heb ik mijn goede redenen. Ik heb zelfs voor de vaste waarheid gehoord, dat er op den bodem van het meer een schat bedolven ligt.”
“Is het tòch waar! Nu, dan zal ik ten minste niet door u voor iemand gehouden worden, die zich alles laat wijsmaken, of die anderen sprookjes zoekt te vertellen. Ik zou er, dunkt mij, een eed op durven doen, dat die schat er werkelijk ligt. De man, die het mij verteld heeft, kan niet gelogen hebben.”
“Wie was dat dan?”
“Een oude Indiaan. Ik heb nog nooit een tweede gezien zoo stok-, stok-oud. Het was letterlijk een levend geraamte, zoo was hij uitgeteerd, en vertelde ons zelf dat hij ver, ver over de honderd zomers doorleefd had. Hij noemde zich Hawi-kolakatho, maar deelde ons eens in vertrouwen mee, dat zijn naam eigenlijk Itatsjitatli was. Wat die Indiaansche namen beteekenen weet ik niet.”
“Maar ik weet het wel,” zei Old Firehand. “De eerste naam behoort tot de Tonkawa-taal, de tweede tot de taal der Azteken, en de beteekenis van beide namen is dezelfde, namelijk: de groote vader. Vertel verder, Mr. Watson! Ik ben uiterst verlangend om van u te hooren, hoe gij met dien Indiaan in kennis gekomen zijt.”
“Wel, dat is eigenlijk niets bijzonders of avontuurlijks. Ik had mij in den tijd verrekend, en was te lang in de bergen gebleven, zoodat ik door de eerste sneeuw overvallen werd. Ik moest dus boven blijven en hier of daar een plaats trachten te vinden, waar ik, zonder van den honger om te komen, zou kunnen overwinteren. Ik, moederziel alleen, rondom ingesneeuwd, dat was me een toestand! Gelukkig kwam ik nog tot aan het Zilvermeer, en ontwaarde daar een steenen hut, uit welke rook opsteeg; toen was ik gered. De bewoner van die hut was de bedoelde oude Indiaan. Hij had een kleinzoon en een achterkleinzoon, genaamd de Groote Beer en de Jonge Beer, die....”
“O, Nientropan-hawi en Nientropan-homosj?” viel Old Firehand hem in de rede.
“Juist, dat waren hun namen in het Indiaansch. Kent gij die twee, Sir?”
“Ja. Maar vertel verder, vertel verder!”
“De twee Beren waren naar de Wazatej-bergen gegaan, en moesten dus daar het voorjaar afwachten. Door het vroege invallen van den winter was het een volslagen onmogelijkheid voor hen, door de massa’s sneeuw heen te komen, en van daar naar het Zilvermeer. Zij verkeerden natuurlijk in de grootste ongerustheid over den ouden man; want zij wisten niet beter of hij was daar moederziel alleen, zoodat hij onvermijdelijk zou moeten omkomen. Gelukkig vond ik, toen ik bij hem kwam, reeds een ander daar, die ook de wijk in zijn hut genomen had, namelijk den straks reeds genoemden Duitscher, die Engel heette. Doch ik zal het maar een beetje kort maken: wij besloten dat wij met ons drieën den ganschen winter maar bij elkander zouden blijven. Voor hongerlijden behoefden wij niet bang te zijn: er was wild in overvloed. Maar de koude had den ouden man zóó aangepakt, dat nauwelijks de eerste zachtere dagen gekomen waren, of wij moesten hem begraven. Hij had ons lief gekregen, om ons zijn dankbaarheid te toonen, deelde hij ons het geheim mede van den schat in het Zilvermeer. Hij was in het bezit van een zeer oud leder, waarop een nauwkeurige afbeelding de plaatsen aanwees, waar de schat bedolven lag, en hij vergunde ons een kopie daarvan te maken. Toevallig had Engel papier bij zich, want anders hadden wij er met geen mogelijkheid een kopie van kunnen maken, en het stuk leder wilde de oude man ons niet geven: dat bewaarde hij voor de twee Beren. Op den dag waarop hij stierf, heeft hij het kort voor zijn dood begraven; maar waar, dat weten wij niet; en uit eerbied voor zijn nagedachtenis hebben wij er ook niet naar willen zoeken. Toen hij onder zijn grafheuvel lag, zijn wij van daar vertrokken. Engel had de kopie-teekening in zijn jachtbuis genaaid.”
“Dus hebt gij niet op de terugkomst van de twee Beren gewacht?” vroeg Old Firehand.
“Neen.”
“Dat is zeer verkeerd van u geweest.”
“Dat zal ik niet tegenspreken; maar wij hadden maandenlang in de sneeuw gezeten, en waren verlangend om weer menschen te zien. Nu, wij kwamen dan ook al spoedig onder menschen; maar welke? Wij werden door een troep Utah-Indianen overvallen en letterlijk van alles beroofd. Zij zouden ons ook stellig vermoord hebben; maar zij kenden den ouden Indiaan, die hoog bij hen in eere stond; en toen zij hoorden, dat wij ons het lot van den ouden man aangetrokken en hem na zijn dood begraven hadden, schonken zij ons het leven, gaven ons althans onze kleeren terug, en lieten ons verder ongemoeid onzen weg gaan. Maar onze wapens behielden zij, waarmee zij ons eigenlijk een grooten ondienst deden, daar wij zonder wapenen aan allerlei gevaren blootstonden, tot zelfs aan het gevaar van honger om te komen, uit gebrek aan voedsel. Gelukkigerwijze, of beter gezegd ongelukkigerwijze, troffen wij den derden dag een jager aan van wien wij wat vleesch kregen. Toen hij hoorde dat wij naar Pueblo wilden, gaf hij voor dat hij ook daar naar toe ging; en hij vergunde ons, ons bij hem aan te sluiten.”
“Was dat de roodharige Brinkley?”
“Ja. Hij noemde zich wel anders; maar ik ben later te weten gekomen, dat hij zóó heette. Hij hoorde ons uit, en wij vertelden hem alles; alleen de bijzonderheden van den schat en van de kopie-teekening, die Engel bij zich had, verzwegen wij hem; want zijn uiterlijk boezemde ons eigenlijk niet veel vertrouwen in. Het is misschien gek van mij, maar ik heb altijd een soort van afkeer gehad van menschen met rood haar, ofschoon mijn gezond verstand mij zegt, dat zich onder die lieden waarschijnlijk niet meer schurken bevinden dan onder anderen, wier hoofd met haar van een andere kleur begroeid is. Overigens heeft onze geheimhouding ons niet veel gebaat. Daar hij alleen wapentuig had, ging hij dikwijls uit om te jagen, en dan zaten wij, Engel en ik, alleen, en spraken wij bijna over niets anders dan over den schat. Op zekeren dag is hij tersluiks teruggekomen, en heeft ons gesprek afgeluisterd. Toen hij den volgenden morgen weer uitging om vleesch te maken, zei hij tegen mij, dat ik met hem mee moest gaan, want dat vier oogen meer zagen dan twee. Na verloop van een uur toen wij ons ver genoeg van Engel verwijderd hadden, zei hij mij, dat hij alles afgeluisterd had, en dat hij ons de kopie-teekening zou afnemen, om ons te straffen voor ons wantrouwen. Meteen trok hij zijn mes, en viel op mij aan. Ik verweerde mij als een wanhopige, maar dat was tevergeefs; hij stiet mij het mes in de borst!”
“Schandelijk!” riep Old Firehand. “Zijn plan was, om vervolgens ook Engel te vermoorden, en zoodoende alleen in het bezit van het geheim te komen.”
“Juist. Gelukkig had hij mij niet in mijn hart getroffen, maar zich toch verbeeld, dat ik dood was. Toen ik weer tot bezinning kwam, lag ik naast een grooten plas bloed op de knieën van een Indiaan, die mij gevonden had. Dat was Winnetou, de hoofdman der Apachen.”
“Wat een geluk! Toen was u in goede handen. Die man schijnt overal te zijn!”
“In goede handen was ik, dat is waar. De Roodhuid had mij reeds verbonden. Hij gaf mij water; en ik moest hem, zoo goed als mijn zwakte toeliet, vertellen wat er gebeurd was. Daarop liet hij mij alleen liggen, en ging het voetspoor van Brinkley na. Toen hij ruim twee uur later terugkwam, vertelde hij mij hoe hij gevaren was. De moordenaar was regelrecht teruggegaan, om ook Engel van kant te maken. Deze had echter, doordien Brinkley mij medegenomen had, achterdocht gekregen, en was ons achternagegaan. Wat er nu gebeurd was, dat zeiden de sporen duidelijk. Hij had het beoogde moordbedrijf van verre gezien; maar hij was te ver van mij af, en de moordenaar was zóó snel te werk gegaan, dat hij den tijd niet gehad had, om mij te hulp te snellen. Hij begreep zeer goed, dat hij nu zelf in gevaar was; en geheel ongewapend zijnde, vond hij het raadzaam, om zonder een oogenblik te verliezen te vluchten. Toen Brinkley mij vervolgens voor dood liet liggen en terugkeerde, vond hij het spoor van den gevluchte, en ging dien achterna. Maar Engel is hem toen toch ontkomen, zooals ik later gehoord heb.”
“Ja, hij is het ontkomen,” knikte Old Firehand.
“Hoe?” vroeg de opzichter. “Weet gij dat, sir?”
“Ja; maar daarover later. Vertel eerst maar verder.”
“Winnetou was op een rit naar het noorden. Hij had geen tijd, om zich weken lang met mij bezig te houden, en hij bracht mij in een legerplaats der Timbabatsj-Indianen, met wie hij op een vriendelijken voet stond. Die hebben mij verpleegd tot ik geheel hersteld was, en toen brachten zij mij naar de dichtstbij gelegen nederzetting, waar ik op de menschlievendste wijs ontvangen werd, en alle mogelijke hulp vond. Ik heb daar een halfjaar lang allen bedenkelijken arbeid verricht, ten einde zooveel te verdienen, dat ik in staat was om naar het oosten te komen.”
“Waar wilde u dan naar toe?”
“Naar Engel. Ik ging uit van de vooronderstelling, dat hij ontkomen was. Ik wist, dat hij in Russelville, Kentucky, een broeder had, dien wij van plan geweest waren op te zoeken, om daar de noodige toebereidselen te maken voor onzen tocht naar het Zilvermeer. Toen ik daar aankwam hoorde ik, dat die broeder naar den Arkansas vertrokken was, maar geen mensch wist mij te zeggen naar welke plaats. Bij zijn buurman had hij een brief achtergelaten voor zijn broer, als die naar hem mocht komen vragen. En die was dan ook werkelijk gekomen, en had den brief in ontvangst genomen, waarin natuurlijk wel de nieuwe woonplaats opgegeven was. Daarop was Engel vertrokken; en de buurman was sedert dien tijd gestorven. Ik ging dus naar Arkansas; en ik heb den ganschen staat doorzocht, maar tevergeefs. Doch in Russelville had Engel het avontuur verteld en mijn moordenaar Brinkley genoemd. Hoe en waardoor hij dien naam te weten gekomen was, is mij onbekend. Nu weet gij alles, messieurs! wat ik u te vertellen had. Als het met dien naam Brinkley is zooals ik vermoed, dan zal het een genot voor mij wezen, als ik dien schobbejak in mijn handen krijg. Ik geloof, dat ik met pleizier de rekening met hem vereffenen zal.”
“Er zijn er meer, die datzelfde plan hebben,” merkte Old Firehand aan. “Maar een ding is mij nog niet duidelijk. Gij hebt daarstraks gezegd, dat het roode haar van dien Brinkley valsch haar was. Hoe kunt gij dat weten?”
“Dat is zeer eenvoudig. Toen hij mij aanviel en ik mij verweerde, greep ik hem bij zijn kop. Ik zou hem stellig op den grond getrokken hebben en overwinnaar gebleven zijn, als de scalp op zijn kop vastgezeten had; maar ik hield het losse pruikje in mijn hand. Van dat vluchtige oogenblik mijner verbazing maakte hij gebruik, om mij het mes in de borst te stooten. Zijn eigen haar, zooals ik nog zien kon, was donker.”
“Well! Er valt niet aan te twijfelen; gij hebt te doen gehad met den roodharigen kornel. Het gansche leven en streven van dien kerel schijnt een aaneenschakeling te zijn van misdaden en moorden. Wij willen hopen, dat het ons van nacht gelukt, daaraan voorgoed een einde te maken.”
“Dat hoop ik van ganscher harte met u. Maar gij hebt mij nog niet gezegd hoe wij ons bij den ophanden zijnden aanval verweren moeten.”
“Dat behoeft gij nu nog niet te weten. Gij zult het vernemen zoodra het tijd is. Voorloopig hebben de werklieden zich rustig te houden; zij kunnen er zich op voorbereiden, dat zij van nacht niet veel zullen slapen. Ook moeten zij vooral hun wapenen in orde brengen. Nog vóór middernacht moeten zij plaats nemen in een trein, die hen naar de plaats der ontknooping zal brengen.”
“Well, sir! dan begrijp ik, dat ik verder niets meer behoef te vragen. Uw bevelen zullen stipt ten uitvoer gebracht worden.”
Toen de opzichter zich verwijderd had, vroeg Old Firehand aan den ingenieur, of hij niet een paar werklieden had, die, wat lichaamsbouw en voorkomen betrof, eenigszins geleken op de twee gevangen tramps, en die moed genoeg zouden hebben om op de locomotief de plaats van de twee tramps in te nemen. Charoy dacht een oogenblik na, en zond toen zijn neger uit, om de twee personen te halen, die hij voor die taak het geschiktst achtte.
Toen zij kwamen, zag Old Firehand terstond, dat de keus van den ingenieur vrij gelukkig uitviel. Wat grootte en vorm der gestalten betrof geleken zij vrij wel op de twee gevangenen; en wat het gelaat betrof, liet het zich voorzien dat in de nachtelijke duisternis niemand het onderscheid zou opmerken. Het eenige dat nog een bezwaar kon opleveren, was: dat het stemgeluid niet al te veel moest verschillen. Daarom nam Old Firehand de twee werklieden mee naar de kamer van Hartley, en nam voor de leus de twee tramps nog even in het verhoor. De twee werklieden werden daardoor in staat gesteld om de stemmen der gevangenen te hooren en die zoogoed mogelijk na te bootsen.
Toen dit alles afgeloopen was, besloot de jager nu eens op verkenning uit te gaan, om zich te vergewissen of de roodharige kornel wellicht verspieders uitgezonden had. Hij verliet het huis, en zocht op de manier der Westmannen den ganschen omtrek af. Dit geschiedde natuurlijk naar dien kant, van waar dergelijke lieden komen moesten, dus in de richting naar dien kant van Eagle-tail.
Als een ervaren jager iemand besluipen wil, zonder te weten waar die zich bevindt, gaat hij niet aan het zoeken in het honderd, maar hij overlegt bij zich zelf, waar die persoon, de gegeven omstandigheden goed overwogen, hoogst waarschijnlijk zijn oponthoud gekozen zal hebben. Zoo deed ook Old Firehand. Indien er verspieders gekomen waren, bevonden zij zich in allen gevalle op een plaats, van waar de nederzetting der werklieden bij nacht met het minste gevaar en toch voldoende kon worden gadegeslagen. En zulk een plaats was er op slechts geringen afstand van het huis van den ingenieur. Men had het terrein moeten afgraven, en dientengevolge verhief zich vlak naast het spoor een vrij steil opgaand talud, op welks hoogste punt eenige boomen stonden. Van daar naar beneden had men het beste overzicht terwijl men er gedekt was door de boomen. Zoo ergens, dan moesten de spionnen daar gezocht worden.
Old Firehand wist ongezien aan den anderen kant tot aan den voet van die kleine hoogte te komen, en kroop toen behoedzaam naar boven. Zoodra hij daar aankwam, zag hij, dat zijn veronderstelling juist was. Onder de boomen zaten twee mannen, die zoo zacht met elkander spraken, dat zij beneden noch gehoord noch gezien konden worden. De stoutmoedige, onverschrokken jager naderde hen tot op korten afstand. Hij had hen met beide handen kunnen grijpen. Dat hij zich zoo dicht in hun nabijheid durfde wagen, was te danken aan zijn grijze linnen kostuum, dat in de duisternis niet te onderscheiden was van de kleur van den grond. Het was hem echter niet te doen om hen onschadelijk te maken, maar integendeel om te hooren wat zij zeiden. Ongelukkigerwijze was er in hun gesprek juist een pauze ingetreden; en het duurde een goede poos, eer een der twee zei: “Hebt gij bijgeval iets gehoord van hetgeen er gebeuren moet als wij hier klaar zijn?”
“Neen, niets met zekerheid,” was het antwoord.
“Er gaan allerlei praatjes; maar het ware, geloof ik, weet niemand, of althans slechts zeer weinigen.”
“De kornel is over het geheel niet erg spraakzaam, en vertrouwt om zoo te zeggen niemand. Als er zijn, die zijn eigenlijk plan kennen, zijn het stellig slechts de weinigen, die reeds vóór ons bij hem geweest zijn.”
“Bedoelt gij Woodward, die met hem aan de rafters ontsnapt is? Nu, die schijnt met u nog al op een vertrouwelijken voet. Heeft die u niets gezegd?”
“Onbestemde aanduidingen, anders niet.”
“Maar uit aanduidingen kan men toch gevolgtrekkingen afleiden.”
“Zeer zeker. Zoo maak ik, bij voorbeeld, uit zijn woorden op, dat de kornel geen plan heeft, om onzen geheelen troep bijeen te houden. Zulk een talrijke menigte is hem voor zijn verdere plannen hinderlijk. Waar veel varkens zijn is de spoeling dun, zegt het spreekwoord. Ik denk dat hij er de besten zal uitpikken, en dat hij met die keurbende eensklaps verdwijnen zal.”
“Verduiveld! Zouden al die anderen om den tuin geleid worden?”
“Hoe zoo om den tuin geleid?”
“Wel, als de kornel met de weinigen, die hij bij zich behouden wil, morgen verdwijnt?”
“Dat zou volstrekt geen kwaad kunnen. Ik zou er zelfs blij om zijn.”
“Zoo! En ik hoop maar, dat hij zoo iets niet doen zal.”
“Heb ik ooit zulk een ezelskop gehoord! Ik dacht niet, dat je zoo onnoozel was.”
“Hoe zoo dat?”
“Het spreekt immers vanzelf, dat wij, gij en ik, niet onder de velen zullen behooren, die om den tuin geleid worden, en die op hun duim zullen kunnen fluiten.”
“Hebt gij daar eenig bewijs van? Zoo niet, dan zal ik mijn oogen goed openhouden, en desnoods alarm maken.”
“Het beste bewijs voor hetgeen ik zeg is, dat hij u met mij naar hier heeft gezonden.”
“Wat beduidt dat?”
“Zulk een opdracht wordt slechts aan bruikbare mannen gegeven, op wie men zich verlaten kan. Door ons te kiezen om hier een oog in het zeil te houden heeft hij ons het allerbeste bewijs van zijn vertrouwen gegeven. Wat volgt daaruit? Als hij werkelijk plan heeft een der onzen van zich af te schudden, dan zullen wij niet daartoe behooren, maar in elk geval tot hen, die hij meeneemt.”
“Hum! Die redeneering is zoo kwaad nog niet en stelt mij eenigszins gerust. Maar als gij denkt, dat ik mee onder de uitverkorenen behooren zal, waarom laat gij mij dan in het onzekere, en zegt gij mij niet, wat gij door Woodward van zijn plannen weet?”
“Omdat ik er zelf het rechte ook nog niet van weet. Zooveel heb ik er echter van begrepen, dat er een tocht ondernomen zal worden naar hoogerop, het gebergte in.”
“He! Het gebergte in?”
“Hum! Ik weet niet of het wel raadzaam is daarover te spreken, maar aan u wil ik het toch vertellen. Daar, veel hoogerop, heeft in overoude tijden een zeker volk gewoond—de naam is er mij van ontschoten. Dat volk is of naar het zuiden getrokken of ze hebben het uitgeroeid, nadat het van te voren verbazende schatten in het meer heeft laten zinken.”
“Gekheid! Wie schatten bezit, neemt die mee als hij naar elders verhuist.”
“Maar ik zeg u immers, dat het best mogelijk is, dat ze dat volk uitgeroeid hebben.”
“Waar bestaan die schatten in? In geld?”
“Dat weet ik niet. Ik ben geen geleerde, en kan dus niet zeggen, of vroegere volken reeds geld gemunt of banknoten gedrukt hebben. Zulke banknoten, trouwens, zouden thans natuurlijk hoegenaamd geen waarde meer hebben. Woodward heeft mij gezegd, dat het een heidensch volk geweest is, dat verbazende tempels bezat, met afgodsbeelden van gedegen goud en van massief zilver en ontelbare dito dito gewijde vaten. En al die rijkdom ligt bedolven in het Zilvermeer, dat daarnaar zijn naam draagt.”
“Moeten wij dat meer dan leegdrinken, om al die kostbaarheden op den bodem te vinden?”
“Praat toch niet zulken onzin! De kornel zal wel weten hoe hij daarmee aan moet. Hij moet in het bezit zijn van een teekening, waarop de plaatsen, waar die schatten liggen, nauwkeurig zijn aangeduid.”
“Zoo? En waar ligt dat Zilvermeer?”
“Dat weet ik niet. Daar zal hij niet mee voor den dag komen, denk ik, voordat hij bepaald heeft wie hij meenemen wil. Het spreekt vanzelf, dat hij zijn geheim en zijn plannen nu niet lang van te voren gaat uitbazuinen.”
“Neen, dat spreekt. Maar het ding zal nog al gevaarlijk zijn, vrees ik.”
“Hoe zoo dat?”
“Wel, door de Indianen.”
“Pshaw! Er wonen daar maar twee Roodhuiden, de kleinzoon en de achterkleinzoon van dien Indiaan, van wien de teekening afkomstig is. En die twee zijn met twee looden knikkers van de baan geknikkerd.”
“Als dat zoo is, dan verandert de zaak natuurlijk. Ik ben nog nooit heel hoog het gebergte in geweest, en moet mij dus op hen verlaten, die er verstand van hebben. Maar in de allereerste plaats, dunkt mij, hebben wij nu te denken over de onderneming, die op dit oogenblik voor de deur staat. Zou die gelukken, denkt gij?”
“O, daar is geen twijfel aan! Zie maar eens hoe rustig alles daarbeneden is. Geen mensch daar zal op de gedachte komen, dat wij, gij en ik, hier zitten en wat er eigenlijk broeit. En twee van onze oolijkste en geslepenste snuiters zijn reeds hier, om het noodige voorwerk te verrichten. Er valt dus aan geen mislukken te denken.”
“Well! Als dat werkvolk nu maar zoo wijs is, zich niet met de zaak te bemoeien; zij zouden ons anders dwingen, van onze geweren gebruik te maken.”
“Daar is volstrekt geen nood voor, want zij weten niets hoegenaamd van hetgeen er op til is. De trein komt hier aan, houdt vijf minuten stil, en rijdt dan weer door. Een uur gaans van hier brandt ons vuur. Daar zetten onze twee kameraden, die op de locomotief staan, den machinist de revolver op de borst en dwingen hem om te stoppen. Wij omsingelen den trein; de kornel stapt er in, en neemt....”
“Wacht even!” viel de andere hem in de rede. “Wie stapt den trein in? De kornel alleen misschien, of althans met slechts weinigen, en stoomt dan op zijn gemak vooruit, en laat een poos later weer stoppen. Dan stapt hij den trein uit, neemt het halve millioen mee, en verdwijnt. Al de anderen zitten hier op hun neus te kijken en hebben niets. Neen, neen! zoo gaat dat niet aan.”
“Wat verbeeldt gij u dan?” hernam de andere gemelijk. “Ik heb u immers gezegd, als de kornel werkelijk dat in zijn schild voerde, dat wij, gij en ik, dan onder diegenen zouden behooren, die mee mochten in den trein.”
“Als gij dat zoo voor zeker houdt, wil ik het gelooven, en zal ik het afwachten; maar ik heb ook gehoord wat anderen zeggen. Men vertrouwt den kornel niet; en ik ben overtuigd, als de trein stilhoudt, dat dan eensklaps allen elkander zullen verdringen om er in te komen.”
“Nu, mij is het wèl! Ik zou geen kameraad willen benadeelen om mij zelf te verrijken, en ik zal den kornel waarschuwen, dat hij dat niet moet probeeren. Als er in dat Zilvermeer zulke verbazende schatten voor ons te halen zijn, is het onnoodig onze kameraden hier oneerlijk te behandelen. Wat wij hier op den kop tikken, moeten wij deelen; en als ieder zijn part heeft, kan de kornel uitzoeken, wie hij wil meenemen naar het gebergte. En daarmee afgepraat! Ik zou nu wel graag weten wat die locomotief moet, die daarbeneden staat, het vuur brandt onder den ketel; dus staat die klaar om af te rijden. Maar waar naar toe?”
“Het is misschien de probeer-machine, die veiligheidshalve vóór den geldtrein uitgezonden zal worden.”
“Neen. Die zou niet zoo lang van te voren klaar staan. De trein komt immers pas om drie uur van nacht. Het is met die machine niet kausjer; ik zou wel eens willen weten wat ze daarmee voor hebben.”
De kerel uitte daar een argwaan, die niet in den wind geslagen mocht worden. Old Firehand begreep, dat de machine daar niet moest blijven staan. Het was een gewone kleine locomotief voor bouwmateriaal, met wagens er aan vastgehaakt, waarin doorgaans de baan-aarde vervoerd werd. In die wagens moesten de werklieden overgebracht worden. Daarmee kon nu niet gewacht worden tot omstreeks middernacht; maar, om den argwaan van den tramp te verschalken, diende dit hoe eer hoe beter te gebeuren. Old Firehand kroop dus achteruit, en sloop naar het huis van den ingenieur, aan wien hij meedeelde wat hij gehoord had.
“Well!” zei deze, “dan dienen wij hen dadelijk weg te sturen. Maar de spionnen zullen hen in de wagens zien klimmen.”
“Neen. Wij zullen aan de werklieden bevel geven weg te sluipen, en even voorbij de bocht, die de weg maakt—dat is ongeveer een kwartier gaans—moeten zij aan den kant van den weg blijven wachten tot de ledige trein komt, die hen zal opnemen. Daar het geluid van de stoomfluit zoo ver niet doordringt, en de baan een kromming maakt, zullen de spionnen niet kunnen hooren en ook niet kunnen zien, dat de trein daar stilhoudt.”
“En hoeveel man houd ik hier?”
“Twintig zijn voldoende, om uw huis te beschermen en de twee gevangenen te bewaken. Uw maatregelen kunnen in een half uur genomen zijn; dan vertrekt de bouw-trein. Ik sluip weer naar de spionnen om te hooren wat zij zeggen.”
Al spoedig lag hij weer achter de twee tramps, die nu niet met elkander spraken. Hij kon evengoed als zij het terrein overzien, en gaf zich alle moeite om eenige beweging onder de bewoners te ontdekken, doch tevergeefs. De werklieden verwijderden zich zoo in het geheim en voorzichtig, dat de spionnen er hoegenaamd niets van bespeurden. Overigens waren de lichten, die in de woonverblijven en hutten brandden, ten eenenmale ontoereikend om de daarbuiten liggende ruimten zoo te verlichten, dat men de gestalten van menschen duidelijk zou hebben kunnen onderscheiden.
Daar zag men een lantaarn, die een hel schijnsel wierp, uit het huis van den ingenieur op de rails aankomen. De drager van die lantaarn riep, zoo luid dat het ver in het rond duidelijk verstaan kon worden: “De leege bouw-trein naar Wallace af! Men heeft de wagens dáár noodig.”
Het was de ingenieur, die deze woorden riep. Hij was, zonder een wenk van Firehand ontvangen te hebben, zelf zoo scherpzinnig geweest na te denken, op welke wijze hij het best de achterdocht van den spion kon ontgaan. Hij had daarom een afspraak gemaakt met den machinist, en deze antwoordde even luid: “Well, sir! Blij dat ik eindelijk weg kan, en niet langer mijn kolen voor niet behoef te verbranden. Hebt u in Wallace nog iets te doen?”
“Neen dank je! De ingenieur zal denkelijk zijn kaartje zitten te spelen, als gij daar aankomt. Zeg hem goedennacht van mij. En nu: Good road (= goede reis)!”
“Good night, sir!”
Eenige keeren schril gefluit van de stoomfluit, en de trein zette zich in beweging. Toen het geraas er van niet meer te hooren was, zei de eene spion tegen den anderen:
“Weet gij nu, waaraan gij u met die locomotief te houden hebt?”
“Ja, nu ben ik gerust. Die brengt leege wagens naar Wallace, die men daar noodig heeft. Mijn achterdocht is ongegrond geweest. Trouwens, alle argwaan is hier onzin. Het plan is zóó goed aangelegd, dat het bepaald gelukken moet. Wij konden eigenlijk nu al wel opkrassen.”
“Neen. De kornel heeft order gegeven, dat wij hier moeten blijven tot van nacht twaalf uur, en daaraan hebben wij te gehoorzamen.”
“Nu, óók goed! Maar als ik hier tot twaalf uur moet zitten te koekeloeren, begrijp ik niet waarom ik al dien tijd mijn oogen open zou moeten houden. Ik ga lekker een dutje doen.”
“Ik ook; dat is het verstandigst. Later zal er niet veel tijd, en misschien ook niet veel trek zijn om rust te nemen.”
Old Firehand maakte schielijk dat hij wegkwam; want de twee spionnen stonden op om een plaatsje te zoeken, waar zij hun uiltje zouden kunnen knappen. Hij zocht den ingenieur op, om hem een pluimpje te geven over de manier, waarop hij den bouwtrein had laten vertrekken, en beiden begaven zich in huis, waar zij onder een glas wijn en het rooken van een sigaar het uur verbeidden, waarop zij moesten opbreken. Er waren nu nog twintig baanwerkers hier gebleven, en dat was overvoldoende, want vijandelijkheden had men hier niet te wachten.
De overige werklieden waren, overeenkomstig de hun gegeven bevelen, weggeslopen. Buiten Sheridan wachtten zij op elkander, en begaven zich toen gezamenlijk naar het hun aangeduide punt. Daar bleven zij wachten tot die trein kwam, die hen opnam, en die hen naar den Eagle-tail bracht, waar hij halt hield. Dat de tramps zouden kunnen bespieden wat er nu zou gebeuren, was onmogelijk; want zij waren van daar reeds opgebroken. En de rivier noodzaakte hen bij hun rit op zulk een afstand van de spoorlijn te blijven, dat zij niets gewaar konden worden van hetgeen daarop voorviel.
Old Firehand had met zijn geoefenden scherpen blik een bijzonder geschikt terrein uitgekozen. De spoorweg moest over een rivier, die daar tusschen hooge oevers aan weerszijden doorliep. Daartoe was er een hulpbrug gelegd, voorzien van de noodige spoorstaven, die aan de overzijde terstond aansloten aan de lijn door een tunnel van omstreeks zeventig meters lengte. Eenige schreden vóór die brug stopte die trein, die niet, zooals de twee spionnen gedacht hadden, louter uit de ledige wagens bestond: de twee achterste wagens waren volgeladen met droog hout en met kolen. Nauwelijks was de trein tot staan gekomen, of uit de rondom heerschende duisternis van den nacht kwam een klein, dik kereltje, die er uitzag als een vrouw, op de locomotief aan, en vroeg met een schel fluitstemmetje aan den bestuurder: “Wat komt gij nu reeds hier doen, sir? Brengt gij misschien de werklieden nu al?”
“Ja,” antwoordde de gevraagde, terwijl hij de zonderlinge gestalte, die juist in het schijnsel van het vuur stond, verwonderd opnam van het hoofd tot de voeten: “Maar wie zijt gij?”
“Ik?” lachte het dikke ventje. “Ik ben Tante Droll.”
“Een tante! Sapper de malle mosterdpot! Wij hebben hier wat anders te doen, dan praatjes te maken met vrouwen en oude tantes!”
“Nu mijn goede man! maak u maar zoo dik niet: dat is niet goed voor uw zenuwen. Tante ben ik maar voor bijzaak; dat zullen ze u later wel vertellen. Op wiens last komt gij nu reeds hier?”
“Op last van Old Firehand, die twee door de tramps afgezonden spionnen beluisterd heeft. Die zouden argwaan gekregen hebben als wij pas later afgereden waren, zooals eerst het plan was. Behoort gij tot de lieden van dien beroemden master?”
“Ja, maar ga maar niet drossen van angst; het zijn altemaal oomes: de eenige tante, die er bij is, ben ik.”
“O neen, miss of mistress! Bang voor u ben ik volstrekt niet. Maar waar zijn de tramps nu?”
“Die zijn weg; ruim drie kwartier geleden zijn zij opgebroken.”
“Dus dan kunnen wij nu het hout en de kolen lossen?”
“Ja. Laat uw mannen weer instappen; en ik, ik kom bij u op de locomotief staan, om u de noodige wenken te geven.”
“Gij? Wenken geven aan mij? Gij zijt toch niet benoemd tot commandant van dit legerkorps?”
“Ja, dat ben ik juist, als gij het niet kwalijk neemt. Ziezoo! hier ben ik. Nu laat gij uw ijzeren paard langzaam over de brug loopen, en dan zoo stoppen, dat de kolenwagens aan den ingang van den tunnel te staan komen.”
Toen Droll “Ziezoo, hier ben ik” zei, was hij meteen in een oogwenk op de locomotief geklommen. De werklieden, die toen de trein stopte uitgestapt waren moesten nu weer instappen. De machinist keek het dikke kereltje nog eens aan met een blik, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte om aan de voorschriften van die twijfelachtige tante te gehoorzamen.
“Nu, hoe zit het er mee?” vroeg Droll gebiedend.
“Zijt gij dan werkelijk de man wiens bevelen ik te volbrengen heb?”
“Ja. En als gij dat niet oogenblikkelijk doet, zal ik het u leeren. Ik heb geen trek, om tot op den jongsten dag hier op de brug te blijven plakken.”
Hij trok zijn bowie-mes, en richtte het op de maagstreek van den machinist.
“Verduiveld, gij schijnt een lastige kitteloorige tante te zijn,” riep deze uit. “Maar juist nu gij uw mes trekt moet ik u niet voor een bondgenoot, maar voor een tramp houden. Kunt gij mij bewijzen wie gij zijt?”
“Praat toch geen verderen onzin,” antwoordde de dikzak, nu op een zeer ernstigen toon, terwijl hij het mes weer in zijn gordel schoof. “Wij bevinden ons aan de overzijde, achter den tunnel. Dat ik de brug over en u tegemoet gekomen ben moet u toch bewezen hebben, dat uw komst mij bekend was, en dat ik dus niet tot de tramps kan behooren.”
“Ja, nu geloof ik u. Wij zullen voortrijden.”
De trein ging de brug over en reed zóó ver den tunnel in, dat de twee achterste wagens daarbuiten bleven staan. Nu sprongen de werklieden weer er uit, en losten den inhoud van een der stortwagens. Daarop reed de trein verder, den tunnel door, zoodat de nog volgeladen wagen vóór den uitgang van den tunnel leeggestort kon worden. Die stortwagens zijn zoo ingericht, dat, terwijl het onderstel met de wielen op den grond blijft staan, de daarop rustende bak neerduikelt, den inhoud leegstort, en dan weer in zijn vorigen stand teruggebracht kan worden. De werklieden stapten uit, om voor en achter den tunnel de kolen en het hout zoo op te stapelen, dat alles gemakkelijk aan het branden gemaakt kon worden, en dat de spoorstaven niet beschadigd konden worden door het vuur. De machinist stoomde nog een eind weegs verder, stopte toen, en reed vervolgens terug.
Zijn wantrouwen was nu geheel verdwenen. Wat hij zag, verschafte hem de zekerheid, dat hij zich in het goede gezelschap bevond. De tunnel was door een hooge rots geboord, waarachter een vuur brandde, dat beneden in het rivierdal, waar de tramps gebivakkeerd hadden, niet gezien kon worden. Rondom dit vuur hadden de rafters zich geschaard en al de anderen, die met Old Firehand naar Eagle-tail waren gekomen. Rechts en links van de vlam waren twee boomstammen ingeheid, die van boven uitliepen in de gedaante van tweetandige vorken, waarin een lange, stevige ijzeren stang, met kolossale stukken buffelvleesch er aan, bij wijze van braadspit rondgedraaid werd. Toen de trein door den tunnel kwam, waren alle mannen opgestaan, om de aankomende werklieden te begroeten.
“Nu, gelooft gij nu, dat ik geen tramp ben?” vroeg Droll aan den machinist, toen die van de locomotief afkwam en insgelijks op het vuur aantrad.
“Yes, sir!” knikte deze. “Gij zijt een eerlijk man!”
“En een goed mensch ook! Dat zal ik u dadelijk bewijzen, want ik noodig u allen ten eten. Wij hebben een vette buffelkoe geschoten, en gij zult eens proeven hoe goed die smaakt, gebraden à la prairie. Wij hebben er met ons allen overvloedig aan, en ik hoop, dat uw mannen spoedig klaar zullen zijn met hun werk, om gezamenlijk met ons te kunnen aanzitten.”
Het duurde dan ook niet lang meer, of men begon zich te goed te doen aan het malsche vleesch. Voor de meesten echter was er geen plaats bij het vuur. Er hadden zich verscheiden groepjes gevormd, welke bediend werden door de rafters, die zich de gastheeren voelden. Behalve de buffelkoe was er nog een goede hoeveelheid klein wild, zoodat er, in weerwil van het groot aantal der baanwerkers, toch nog eten genoeg was.
Vroeger, voordat de trein gerangeerd werd en de ingenieur aan den opzichter het bevel kwam brengen om op te breken, had hij hem nog gezegd: “Old Firehand heeft mij opgedragen u mee te deelen, als gij iets naders wenscht te vernemen aangaande dien master Engel, uw vroegeren kameraad, wend u dan tot zekeren Mr. Pampel, een Duitscher, dien gij onder de rafters zult vinden.”
“Kent die hem? Weet die iets van hem?”
“Hoogstwaarschijnlijk wel, want anders zou Old Firehand u niet aan hem geadresseerd hebben.”
Watson herinnerde zich dat, en spitste nu zijn ooren, of hij ook aan de Duitschachtige uitspraak van een der rafters kon hooren, of die wellicht Mr. Pampel zijn kon. Het duurde niet lang of hij had hen hooren spreken; maar hij had er niet één gehoord, die niet het echte Yankee-Engelsch sprak. De opzichter besloot dus, regelrecht naar zijn man te vragen. Hij was een der weinigen, die bij het vuur plaats gevonden hadden. Naast hem zat Tante Droll en Humply-Bill. Hij wendde zich tot den laatstgenoemde: “Sir! houd mij een vraag ten goede: Weet gij ook, of zich een Duitscher onder ulieden bevindt.”
“O ja,” antwoordde Bill. “Zelfs verscheidenen.”
“Is het tóch waar? Wie dan, bij voorbeeld?”
“Wel in de allereerste plaats is Old Firehand zelf een Duitscher. En dan kan ik onze dikke Tante noemen, die naast u zit; en vlak over ons zit óók nog een Duitscher, Zwarte Tom. Misschien is ook de kleine Fred, dien gij daar naast hem ziet zitten, onder de Duitschers mee te rekenen.”
“Hum! Wien ik zoek, is onder de aangeduiden niet.”
“Zoo! Wien zoekt gij dan?”
“Een zekeren Mr. Pampel.”
“Pam—pam—pam—pampel?” riep Bill, terwijl hij uitbarstte in een schaterend gelach. “Heavens! Wat een naam is dat? Wie kan zulk een naam over zijn lippen krijgen. Pam—pam—pam—hoe was het ook al weer? Ik dien het woord nog eens te hooren, eer ik het nazeggen kan.”
“Mr. Pampel,” herhaalde de opzichter; en nu begonnen allen luidkeels met Humply-Bill mee te lachen.
Het woord deed de ronde van de eene groep naar de andere, en lokte overal een uitbundig gelach uit, zoodat er weldra op de gansche verzamelplaats niet één ernstig gezicht meer te zien was. Niet een? O, ja wel! Droll’s gelaat was onbeweeglijk gebleven. Hij had een groot stuk lendevleesch van den buffel genomen, sneed groote stukken daarvan af en stak die in zijn mond en kauwde met zooveel ijver en onverdeelde aandacht, alsof hij noch den naam, noch het schaterende lachen hoorde. Toen dit laatste eindelijk tot bedaren kwam, liet de stem van Bill zich weer hooren: “Neen, sir! Gij zijt bepaald verkeerd ingelicht; er is niemand onder ons, die Pampel heet.”
“En Old Firehand heeft het mij laten zeggen,” antwoordde Watson.
“Dan hebt gij stellig den naam niet goed verstaan of niet goed onthouden. Ik ben overtuigd, dat ieder onzer zich liever een kogel door den kop zou jagen, dan zich door zulk een naam belachelijk te maken. Zijt gij dat niet met mij eens, oude Tante?”
Droll hield even op met kauwen, en antwoordde: “Een kogel? Dat zou niet in mij op kunnen komen.”
“Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, omdat gij geen Pampel maar Droll heet. Maar als dit zoo was, ben ik overtuigd, dat gij niet onder de menschen zoudt gaan.”
“Maar ik ben immers onder de menschen gegaan?”
Hij zei dit met zulk een bijzonderen nadruk, dat Bill hem van ter zijde eens aankeek, en toen vroeg: “Dus gij, gij lacht niet om dien naam?”
“Neen. Ik doe dat niet, om den kameraad, die zich in ons midden bevindt, en die werkelijk dien naam draagt, niet te beleedigen.”
“Wat? Wat zegt gij? Bevindt die Pampel zich werkelijk onder ons?”
“Zeer zeker.”
“Verduiveld! Wie is het dan?”
“Ik ben het zelf.”
Nu sprong Bill overeind, en riep: “Gij, gij zelf zijt die Pam—pam—pam!”
Hij kon van den lach niet verder; en de anderen bezaten zoo weinig zelfbeheersching, dat het gelach opnieuw algemeen was. Niet weinig werd de vroolijkheid verhoogd, doordien Droll volkomen ernstig bleef en zoo uitsluitend verdiept in het smakelijk verorberen van het buffelvleesch, dat hij door bleef kauwen, alsof het gelach en de oorzaak daarvan hem volstrekt niet aangingen. Maar toen hij zijn laatste stukje vleesch opgepeuzeld had, stond hij op, keek flink om zich heen, en riep zoo, dat iedereen hem verstaan kon: “Messieurs! nu moet de pret uit wezen. Geen mensch kan helpen welken naam hij draagt; en wie den mijne belachelijk vindt, mag mij dat nu zeggen in ernst, en dan zijn mes nemen, om eventjes met mij op zij te gaan in den donker. Dan zullen wij zien wie van ons beiden dan nog lacht!”
Er volgde een diepe stilte.
“Maar, Droll!” zei Humply-Bill vriendelijk, “wie kon denken, dat gij zoo heet! De naam is inderdaad een beetje potsierlijk. Maar wij hebben u niet willen beleedigen, en gij moet mij vergeven wat ik gezegd heb—dat verzoek ik u dringend—ik heb er spijt van. Kom, kom maar weer bij mij zitten.”
“Well, dat zal ik doen. Haatdragend ben ik volstrekt niet; want ik weet zelf dat het woord een beetje pampelig klinkt. Maar nu gij weet, dat het mijn naam is, hoop ik, dat gij mij verder ongemoeid zult laten.”
“Natuurlijk! Dat spreekt vanzelf. Maar waarom hebt gij ons dat tot nu toe verzwegen? Gij zijt over het geheel iemand, die over zijn vroeger leven niet graag spreekt.”
“Niet graag spreekt? Wie zegt dat? Ik denk zeer graag terug aan den tijd uit mijn vroegere jeugd; maar ik heb nog nooit gelegenheid gehad om er over te spreken.”
“Dan moet gij dat nu in zien te halen. Van ons allen weet gij wat wij zijn en wat wij geweest zijn. Wij hebben gedurende den rit allen vertrouwelijk met elkander omgegaan, en de een kent dus den andere op een prik; maar van en over u alleen weten wij niets, zoogoed als niets.”
“Omdat het ook niets te beduiden heeft, wat ik te vertellen zou hebben. Trouwens, mijn geboorteplaats is reeds bekend.”
“Ja, Langenleuba in het Altenburgsche. Wat was uw vader daar? Mogen wij dat weten?”
“O ja, waarom niet!” antwoordde Droll met een glimlachje. “Die was meer, veel meer, dan de vader van menig ander geweest is. Wij hebben tot morgenochtend drie uur op de tramps te wachten; er is dus nog tijd in overvloed, om u met al zijn ambten en waardigheden bekend te maken. Hij was klokkenluier, kelderknecht, koster en doodgraver, doopmaals-, bruilofts- en begrafenis-nooder, zeisenslijper, koddebeier en sergeant-majoor bij de burgerwacht. Daar hebt gij alles.”
Men keek hem uitvorschend aan, om te ontdekken of hetgeen hij zei scherts was of ernst.
“Gij kunt mij gerust gelooven!” verzekerde hij. “Dat alles is hij werkelijk en warendig geweest; en wie de toestanden in mijn geboorte-land kent, weet nu meteen, dat mijn vader een doodarme drommel was en toch in weerwil daarvan, geacht en geëerd werd door zijn medeburgers. Wij waren met ons twaalven, en hebben er allesbehalve vet van gesopt, om eerlijk door de wereld te komen en aan ieder het zijne te geven. Later zal ik wel eens vertellen.....”
“Een oogenblik!” viel de opzichter hem in de rede. “Gij voldoet aan den wensch van de anderen, sir! maar ik ben degene, die naar u gevraagd heeft. Old Firehand heeft mij uw naam opgegeven....”
“Ja, hij was de eenige, die wist, dat ik zoo heet.”
“.....omdat ik van u te weten zou kunnen komen,” vervolgde Watson, “wat er geworden is van uw landsman Engel.”
“Engel? Welken Engel bedoelt gij?”
“Den jager en vallen-opzetter, die hoog in het gebergte geweest is, aan het Zilvermeer.”
“O, die? Meent gij dien?” vroeg Droll met zichtbare bevreemding. “Hebt gij hem gekend?”
“Ja, en zeer goed ook. Leeft hij nog?”
“Neen, hij is dood.”
“Weet gij dat stellig?”
“Ja, zeer stellig. Waar hebt gij hem leeren kennen?”
“Juist daarboven aan het Zilvermeer. Daar hebben wij een geheelen winter moeten doorbrengen, want wij zaten er ingesloten door de sneeuw.....”
“Is uw naam dan Watson?” viel Droll hem in de rede.
“Ja, sir! zoo heet ik.”
“Watson, Watson! Hoe toevallig! Of neen er bestaat geen toeval! Het is een bestiering van het Opperwezen! Ik heb u nog nooit van mijn leven gezien, master! en toch ken ik u reeds evengoed als ik mijn eigen zak ken.”
“Heeft iemand dan over mij tegen u gesproken? Wie is dat geweest?”
“De broeder van uw kameraad Engel. Ziehier! Die jongeling heet Fred Engel; hij is de neef van uw lotgenoot aan het Zilvermeer, en is met mij op reis getogen, om den moordenaar van zijn vader te zoeken.”
“Is zijn vader dan vermoord?” vroeg Watson, terwijl hij den jongeling zijn hand toestak en hem vriendelijk toeknikte.
“Ja, en dat eenvoudig om een teekening, die....”
“Alweer een teekening!” viel de opzichter hem in de rede. “Kent gij den moordenaar? Dat is stellig de roodharige kornel!”
“Ja, die is het, sir! Maar...... die had ook u vermoord, heette het.”
“Slechts gewond, sir! slechts gewond. De steek had gelukkig mijn hart niet geraakt. Maar ik zou stellig door het zware bloedverlies gestorven zijn, als er niet een ruiter gekomen was, een Indiaan, die mij verbond en mij toen naar andere Roodhuiden bracht, bij wie ik blijven mocht totdat ik hersteld was. De ruiter, mijn redder, is de beroemdste man onder de Indianen en heet.....”
Eensklaps zweeg hij; midden in zijn volzin brak hij af, richtte zich langzaam op, en staarde naar de rots als iemand, die een bovennatuurlijk visioen heeft. Van de rots kwam met langzame schreden Winnetou af, die op verkenning was geweest.
“Daar komt hij aan, daar komt hij aan, Winnetou, de hoofdman der Apachen!” riep de opzichter uit: “Hij is daar, hij is hier! Wat een geluk! Winnetou! Winnetou!”
Hij snelde op den hoofdman aan, greep zijn handen, en drukte die aan zijn hart. De Apache keek hem goed in zijn gezicht, en terwijl diens eigen gelaat in een zachte plooi kwam door een vriendelijk glimlachje, antwoordde hij: “Mijn blanke broeder Watson! Ik ben bij de krijgslieden der Timbabatsj geweest, en heb van hen vernomen, dat gij geheel hersteld en naar den Mississippi gegaan waart. De goede Manitou moet u zeer liefgehad hebben, dat hij uw wond heeft laten heelen, want die was veel erger, dan ik u heb durven zeggen, om u niet ongerust te maken. Ga zitten, en vertel mij eens hoe het u verder gegaan is tot op den dag van heden.”
Er was er niet één, die dacht, dat het nu noodiger was aan de tramps te denken, dan naar het verhaal te luisteren van de wederwaardigheden en lotgevallen van den opzichter. Wat Winnetou deed, was stellig goedgedaan; als hij de aandacht van de eigenlijke hoofdzaak—de aanwezigheid van zulk een talrijken troep vijanden—afleidde, en die vestigde op één persoon—den opzichter—dan moest hij daarmee zijn goede oogmerk hebben en moest hij, die op verkenning was uit geweest, volkomen overtuigd zijn, dat men volkomen veilig was, en dat men gerust over iets anders kon spreken dan over de tramps.
Natuurlijk waren allen nieuwsgierig naar het verhaal van een man, wien Winnetou het leven gered had; en men had wel een speld op den grond kunnen hooren vallen, toen Watson nu al zijn wedervaren vertelde juist zooals hij het aan Old Firehand en den ingenieur verteld had. Toen hij alles verhaald had, wachtte hij geen minuut met de vraag: “En gij, master Droll, weet gij mij nu te zeggen wat er van mijn kameraad geworden is?”
“Ja, dat weet ik u te zeggen,” antwoordde de dikke. “Er is een lijk van hem geworden.”
“Dus heeft de kornel hem vermoord?”
“Neen, maar wel gekwetst, juist als u; en aan die wond is de arme drommel gestorven.”
“Vertel, vertel, sir!”
“Dat is gauw verteld, daar heb ik niet veel woorden toe noodig. Toen de kornel u meegenomen had om te gaan jagen, begon Engel na te denken, dat gij, die geen wapenen bij u had, den Roodbaard ook bitter weinig van dienst zou kunnen zijn. Daar moest hij dus een ander oogmerk mee gehad hebben. Gij beiden had den kornel al niet erg vertrouwd; en nu begon Engel, die veel van u had leeren houden, bang te worden, dat u een ongeluk boven het hoofd kon hangen. Die angst liet hem al spoedig rust noch duur, en eindelijk besloot hij, uw spoor, dat duidelijk genoeg te herkennen was, te volgen. De ongerustheid verdubbelde zijn schreden, en eer er ongeveer een uur verstreken was had hij u in zooverre ingehaald, dat hij u zien kon. Juist toen hij den hoek van een boschje omsloeg, kreeg hij u in het oog; maar wat hij zag, deed hem terstond weer achteruitdeinzen. Terwijl hij het bloed in zijn aderen voelde stollen, gluurde hij door de takken van het geboomte heen. De Roodbaard stiet u neer met zijn mes, en knielde toen, om zich te vergewissen dat de wond doodelijk was. Toen stond hij weer op, en bleef een oogenblik stilstaan, als iemand die in beraad staat wat hij doen wil. Wat moest Engel nu doen? Den goed gewapenden moordenaar te lijf gaan om uw dood te wreken, die volstrekt geen wapentuig bij zich had? Dat zou waanzinnig geweest zijn. Of moest hij wachten, totdat de kornel zich verwijderd zou hebben, en zich dan naar u toe spoeden, om te zien of er nog leven in u was? Ook dat niet! U was toch bepaald dood, want anders zou de schobberd u nog wel een por hebben gegeven; en dan was de Roodbaard stellig op Engel’s spoor gekomen, en zou hem vervolgd hebben, om ook hem naar de andere wereld te zenden. Neen, had de schurk u vermoord dan lag nu bepaald Engel aan de beurt, zoodat deze begreep, dat het eenige, dat hem nu te doen stond, was: zich zoo gauw mogelijk te redden door de vlucht; hij maakte dus rechtsomkeert, en vlood, eerst terug op het spoor waarlangs hij gekomen was; en vervolgens, zoodra het terrein gunstig was, sloeg hij zijwaarts een oostelijke richting in. Maar al te spoedig echter zou hij tot de ontdekking komen, dat de moordenaar zich niet lang in den omtrek van zijn schanddaad had opgehouden, maar teruggekeerd was, en het spoor van den vluchteling gevonden had. Engel had een hoogte beklommen, en zag, toen hij even omkeek, dat de Roodbaard hem dicht op de hielen zat. Wel bevond die zich nog in het dal beneden, doch hoogstens slechts op een afstand van tien minuten gaans. Aan de andere zijde der hoogte strekte zich de open prairie uit. Engel spoedde zich de hoogte af, en liep toen al rechtuit, zoo hard hij maar kon. Eerst na verloop van een kwartier waagde hij het even stil te blijven staan en om te zien. Hij zag den vervolger veel dichter achter zich dan daarstraks, en zette het opnieuw op een loopen. Die parforce-jacht duurde nog wel een uur, totdat Engel eindelijk boschgroei vóór zich zag. Nu dacht hij, dat hij gered was. Maar de heesters stonden tamelijk ver uit elkander, en daartusschen lag welig gras, waarin het spoor van de voeten duidelijk bleef staan. De vluchteling was eigenlijk een uitmuntend hardlooper; maar de ontberingen in den afgeloopen strengen winter hadden de krachten zeer doen afnemen; de vervolger kwam hem hoe langer hoe dichter op de hielen. Toen hij weder omkeek, zag hij hem op hoogstens honderd passen afstands achter zich. Dit spoorde hem aan tot het inspannen van zijn laatste krachten. Hij zag water vóór zich. Dat was de Orfork van den Grand River. Daar snelde hij op aan; doch eer hij den oever bereikt had, knalde er een schot. Hij voelde een stoot als van een stevige vuist in zijn rechterzijde, snelde verder, en sprong in het water, om naar den anderen oever over te zwemmen. Links van zich zag hij echter de uitwatering van een beek, die zich in de rivier ontlastte. Op die beek zwom hij aan, en zwom die een eind weegs in, tot hij een kreupelbosch gewaarwerd, welks dichte takken, die door daaraan hangend gebleven spoelgras nog ondoordringbaarder voor het oog waren geworden, van den oever af in het water neerhingen. Hij glipte daartusschen, en bleef er staan, want zijn voeten voelden daar grond. Gij kunt denken, dat hij van opgewondenheid beefde als een riet!”
“En van overspanning en angst!” voegde Watson er bij. “Neem mij niet kwalijk. Vertel verder asjeblieft.”
“De kornel had nu insgelijks den oever bereikt. Daar hij Engel niet zag en de rivier niet zeer breed was, dacht hij, dat zijn slachtoffer naar de overzij was gezwommen, en ook hij ging te water. Maar daar hij zijn vuurwapenen en zijn schietbenoodigdheden droog moest houden, ging dat zeer voorzichtig, en duurde het vrij lang eer hij, op zijn rug zwemmende en die voorwerpen boven water houdende, den oever bereikte en in het kreupelhout verdween.”
“Hij is bepaald teruggekeerd,” zei Humply-Bill. “Toen hij aan de overzijde geen spoor vond, moest hij vooronderstellen, dat de vluchteling nog aan deze zijde van de rivier was.”
“Juist,” knikte Droll. “Hij zocht eerst aan de overzij van de rivier een goed eind weegs af, en toen keerde hij terug, om ook aan deze zijde te zoeken; en dat bracht hem in de war. Tweemaal ging hij de schuilplaats voorbij: maar den verscholene zag hij niet. Deze bleef nog lang luisteren, maar van den moordenaar zag of hoorde hij niets meer. Toch bleef hij in het water staan, totdat het donker was geworden; toen zwom hij over en liep den ganschen nacht door, regelrecht westwaarts, om zoo ver mogelijk uit de voeten te komen.”
“Was hij niet gekwetst?”
“Ja, hij was door een schampschot getroffen aan zijn bovenlijf, onder den arm. In zijn staat van opgewondenheid, en bij de kilheid van het water, had hij zijn kwetsuur niet zoo gevoeld, of er althans minder acht op geslagen: maar op zijn marsch begon de wond te steken. Hij stopte die dicht, zoogoed als hij kon, totdat hij des morgens verkoelende bladeren vond, die hij er oplegde en van tijd tot tijd ververschte. Hij was dood-af van vermoeidheid, en had een razenden honger, dien hij zocht te stillen met wortels, die hij niet kende maar die hij toch at. Zoo sleepte hij zich voort, totdat hij tegen den avond een eenzaam kamp bereikte, waar men hem gastvrij ontving. Hij was zoo afgetobd, dat hij hun niet vertellen kon, wat hem wedervaren was; hij verloor zijn bewustzijn. Toen hij uit zijn bewusteloozen toestand ontwaakte, lag hij in een oud bed, en wist niet hoe hij daarin gekomen was. Toen vernam hij, dat hij bijna veertien dagen lang in ijlende koortsen had gelegen, en dat hij van niets anders geijld had dan van moord, bloed, vlucht en water. Nu eerst vertelde hij zijn wedervaren, en vernam hij, dat de cow-boy een roodharigen man ontmoet had, die hem had gevraagd of er een vreemde in het kamp aangekomen was. De boy had dien man vroeger eens in Colorado Springs gezien, en wist, dat hij Brinkley heette; hij hield hem voor iemand, die niet te vertrouwen was, en had daarom zijn vraag ontkennend beantwoord. Zoo was Engel den naam van den moordenaar te weten gekomen, want hij vooronderstelde wel, dat die aan hem vroeger een valschen naam opgegeven had. De wond begon te heelen, en toen werd hij op een keer meegenomen naar Las Animas.”
“Dus niet naar Pueblo,” zei de opzichter; “anders zou ik, toen ik later daar kwam, zijn spoor misschien wel gevonden hebben. Wat deed hij vervolgens?”
“Hij verbond zich als voerman bij een handels-karavaan, die volgens oud gebruik over den Arkansas-weg naar Kansas City ging. Toen hij daar zijn loon ontving, had hij de middelen om zijn broeder op te zoeken. In Russelville aangekomen, hoorde hij, dat zijn broeder van daar vertrokken was; maar van zijn naasten buurman ontving hij een voor hem achtergelaten brief, waarin stond, dat hij hem in Benton, Arkansas, zou vinden.”
“O, daar! En Benton is juist een der weinige plaatsen waar ik niet geweest ben,” zei Watson. “Maar hoe stond het met de teekening, die hij bij zich droeg?”
“Die was in het water van den Orfork erg beschadigd, en Engel moest die kopieeren. Natuurlijk vertelde hij alles aan zijn broer, en die was volkomen bereid, om den tocht met hem te ondernemen. Ongelukkigerwijze bleek al spoedig, dat alles wat hij had uitgestaan, niet, zooals men gehoopt had, zonder nadeelige gevolgen zou blijven. Engel begon te hoesten, en werd van dag tot dag in het oog loopend magerder. De dokter verklaarde, dat hij de vliegende tering had; en acht weken na de aankomst bij zijn broer was hij een lijk. Het lange staan in het koude voorjaars-water had hem ten doode gedoemd.”
“Dus heeft de kornel dan toch Engel’s dood op zijn geweten!”
“Als hij anders maar niets op zijn geweten had! Er zijn er verscheiden hier onder ons, die met dien veelvuldigen moordenaar een rekening te vereffenen hebben. Maar luister, wat er verder gebeurd is! Engel, namelijk de broer, was een welgesteld man, die zijn akker bebouwde en bovendien een winstgevenden handel dreef. Hij had twee kinderen, een jongen en een meisje. Het huisgezin bestond uit de ouders, die twee kinderen en een knecht voor alles, die, wanneer het noodig was, ook het werk van een meid deed. Op zekeren dag nu is een vreemdeling bij Engel gekomen, die zich uitgaf voor reeder van kanaalbooten; hij vertelde dat hij als goudzoeker fortuin gemaakt had. Bij die gelegenheid is ter sprake gekomen, dat hij destijds een jager gekend had, die Engel heette, en dat die óók een Duitscher was. Daarmee werd natuurlijk de broer bedoeld; en toen is er zóóveel te vertellen geweest, dat daarmee de gansche namiddag en de avond verliep, zonder dat de vreemdeling aan heengaan dacht. Hij werd natuurlijk uitgenoodigd om den nacht over te blijven, hetgeen hij na eenige plichtplegingen aannam. Op het laatst heeft Engel ook den dood van zijn broer en de oorzaak daarvan verteld, en de teekening uit het kleine hoekkastje gehaald en die aan den vreemdeling laten zien. En eindelijk is men naar bed gegaan. De ouders en de kinderen hadden hun slaapplaatsen boven in een kamer, aan de rechter-achterzijde van het huis, de knecht in een kamertje ook daar, maar aan de linkerzijde. Aan den gast had men de mooie voorkamer gegeven. Beneden was alles gesloten, en Engel had de sleutels, zooals hij iederen avond deed, mee naar boven genomen. Nu was kort te voren het zoontje, Fred, jarig geweest, en die had voor zijn verjaardag een tweejarig veulen ten geschenke gekregen. De jongen had nog niet lang te bed gelegen, of hij herinnerde zich, dat hij door al het praten en door de vele lotgevallen, die hij had hooren vertellen, dien avond vergeten had zijn paard te voeren. Hij stond dus weer op, en verliet, zeer zacht om niemand wakker te maken, de slaapkamer. Beneden schoof hij den grendel van de achterdeur en ging het erf over naar den stal. Licht mee te nemen had hij niet noodig geoordeeld; trouwens, de lantaarn stond in de keuken, en die was gesloten. Hij moest dus in den donker voederen, zoodat dit iets langer duurde dan gewoonlijk. Hij was er nog niet klaar mee, toen hij zich verbeeldde een noodkreet te hooren. Hij vloog den stal uit, het erf op, en zag licht in de slaapkamer. Dat licht verdween, en kwam dadelijk weer te voorschijn in het kamertje van den knecht. Daar deed zich een verschrikkelijk leven hooren; de knecht schreeuwde om hulp, en er kraakten meubelen. Fred vloog naar den muur, en klauterde tegen het spalier van den druivenwingerd op naar het raam. Toen hij daar naar binnen keek, zag hij den knecht op den vloer liggen: de vreemdeling zat op de knieën boven op hem, hield hem met de linkerhand bij de keel vast, en in de rechterhand hield hij een revolver, die hij tegen het hoofd van den knecht aanhield. Er knalden twee schoten, Fred had willen schreeuwen, maar hij had geen geluid kunnen geven. Van ontzetting liet hij het latwerk uit zijn handen glippen, en juist toen de schoten knalden, stortte hij van boven neer op de steenen van het daar geplaveide erf. Hij was met zijn hoofd naar beneden gevallen, en had zijn bewustzijn verloren. Toen hij weer tot bezinning kwam, vroeg hij zichzelf af wat hij doen zou. De moordenaar was stellig nog in huis, zoodat hij niet naar binnen durfde. Maar hulp moest er komen. Hij sprong dus over de omheining, en schreeuwde zoo hard als hij kon, ten einde de moordenaar vrees aan te jagen en van zijn ouders af te houden, en snelde naar de woning van den dichtstbijwonenden nabuur, wiens huis, evenals dat van Engel, een eind weegs buiten Benton stond. De lieden daar hoorden het geroep om hulp, en kwamen al spoedig naar buiten. Toen zij hoorden wat er gebeurd was, wapenden zij zich in allerijl en volgden den terugsnellenden jongeling op den voet. Eer zij echter het huis bereikten, zagen zij, dat het bovengedeelte in brand stond. De vreemdeling had brand gesticht en zich zoo ver mogelijk uit de voeten gemaakt. De vlammen hadden zoo snel om zich heen gegrepen, dat er geen mogelijkheid meer bestond om naar boven te komen; wat op de gelijkvloers-verdieping stond en lag, werd grootendeels gered. Het hoekkastje stond opengebroken, en was ledig. De lijken, die niet meer te bereiken waren, moest men laten verbranden.”
“Afschuwelijk! IJzingwekkend!” klonk het uit aller mond, toen Droll een oogenblik zweeg. Fred Engel zat bij het vuur, hield met beide handen zijn gelaat bedekt, en weende.
“Ja, wel afschuwelijk, wel ijzingwekkend!” zei Droll. “Het verwekte dan ook groot opzien en groote ontsteltenis. Er werden nasporingen gedaan in alle richtingen, maar vruchteloos. De twee broeders Engel hadden in St. Louis een zuster, de vrouw van een rijken rivier-reeder. Die loofde tien duizend dollars als premie uit, voor het inhechtenisnemen van den brandstichter-moordenaar; doch ook dat baatte niet. Toen kwam zij op de gedachte, zich tot het particuliere detective-bureau van Harris & Blother te wenden, en dat heeft beter gevolg gehad.”
“Beter gevolg?” vroeg Watson. “De moordenaar is immers nog op vrije voeten! Ik veronderstel natuurlijk dat het de kornel is.”
“Ja, op vrije voeten is hij nog,” antwoordde Droll; “maar hij is nu toch reeds zoogoed als in de knip. Ik ben naar Benton geweest, om daar mijn oogen een beetje beter open te doen dan anderen gedaan hebben, en....”
“Gij? Waarom gij?”
“Om die vijf duizend dollars te verdienen.”
“Het waren er immers tien duizend?”
“Ja, maar het honorarium wordt gedeeld,” zei Droll. “De eene helft krijgen Harris & Blother, de andere helft krijgt de detective.”
“He, sir! zijt gij dan een detective?”
“Hum! Ik geloof, dat ik hier enkel te doen heb met eerlijke menschen, waaronder er niet één is, op wien ik later jacht zal behoeven te maken; en daarom wil ik u nu zeggen, wat ik tot dusverre verzwegen heb: Ik ben particulier politie-agent, en wel voor sommige districten van het verre Westen. Ik heb reeds menigen booswicht, die zich volkomen veilig waande, overgeleverd aan het galghout, en hoop dat nog lang te kunnen blijven doen. Ziezoo! nu weet gij het, en nu weet gij meteen waarom ik niet graag over mij zelf spreek. De oude Tante Droll, over wien reeds honderden bij honderden gelachen hebben, is, als men hem kent, volstrekt zoo belachelijk niet. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet te pas; ik heb nu over den moord te spreken.”
Had men vroeger om den naam van Tante Droll gelachen, nu zag men hem met geheel andere oogen aan. Zijn bekentenis, dat hij detective was gaf opheldering van al het vreemde en wonderlijke in zijn persoonlijkheid. Hij verschool zijn ware ik achter zijn potsierlijk uiterlijk, om zijn handen des te zekerder te kunnen uitsteken naar dengene, dien hij wilde vatten.
“Ik wendde mij dus,” vervolgde hij, “in de allereerste plaats tot Fred, en hoorde hem uit. Zoodoende vernam ik al wat er dien avond verteld en gesproken was. Het hoekkastje was door den moordenaar geopend. Hij had het niet open durven breken, omdat dit waarschijnlijk de bewoners des huizes wakker gemaakt zou hebben; hij had hen eenvoudig vermoord, om in het bezit van die teekening te komen. Hij wilde die natuurlijk gebruiken, en was dus voornemens, om naar het Zilvermeer te gaan. Ik moest hem achterna, en nam Fred, die hem gezien had, en die hem dus herkennen zou met mij mee. Reeds op de stoomboot, toen ik de tramps zag, was ik nagenoeg zeker van mijn zaak; die zekerheid is van dag tot dag grooter geworden, en vandaag, hoop ik, zal de dader wel in mijn handen vallen.”
“In uwe handen?” vroeg de oude Blenter. “Wat denkt gij dan met hem te doen?”
“Wat ik op dit oogenblik voor het beste zal houden.”
“Gij zult hem toch niet naar Benton brengen?”
“Misschien wèl!”
“Zet dat maar gerust uit uw hoofd! Er zijn er, die vrij wat meer recht op hem hebben dan gij. Denk maar eens aan de rekening, die ik met hem te vereffenen heb.”
“En ik!” riep de opzichter.
“En wij andere rafters ook!” klonk het van verscheiden zijden.
“Maakt u maar niet warm; want wij hebben hem nog niet!” antwoordde Droll.
“Wij hebben hem!” beweerde Blenter. “Hij zal bepaald wel de allereerste zijn, die in den trein klimt.”
“Dat is wel mogelijk; maar ik heb nog geen buffelvleesch te eten, of ik moet eerst den buffel geschoten hebben. Overigens is het mij volkomen onverschillig wie hem krijgt. Ik behoef hem volstrekt niet mee te sleepen. Als ik maar bewijzen kan, dat hij dood is, en dat ik daartoe het mijne heb bijgedragen, ben ik zoo zeker van de premie als mijn nachtjapon. Voor het oogenblik heb ik genoeg gesproken, en ga een poosje slapen. Wekt mij zoodra het tijd is.”
Hij stond op, om een afgelegen donker plekje te zoeken. De anderen echter dachten aan geen slaap. Wat zij gehoord hadden, hield hen nog lang bezig; en toen werd de ophanden zijnde ontmoeting met de tramps een thema, dat niet uitvoerig genoeg besproken kon worden.
Winnetou nam geen deel aan dat gesprek. Hij had plaats genomen leunende tegen de rots, en zat met zijn oogen dicht; maar slapen deed hij volstrekt niet, want nu en dan gingen zijn oogleden open, en dan schoot er een scherpe, uitvorschende blik uit, aan een weerlichtstraal gelijk.
Het was omstreeks middernacht, toen de twintig werklieden bij den ingenieur kwamen, om post te vatten bij zijn huis. Old Firehand ging Hartley opzoeken. Deze lag te bed, en sliep; maar naast hem zat Charoy’s neger, met een revolver in zijn hand. Hij had in plaats van den gekwetste, die behoefte aan slaap had, de bewaking van de twee tramps op zich genomen, en Old Firehand zag, dat hij in dat opzicht volkomen gerust kon zijn. Hij ging dus terug naar den ingenieur, en zei tegen dezen, dat hij nu den trein te gemoet zou gaan.
“Dus is nu het gevaarlijke uur gekomen!” zei Charoy. “Zijt gij toch óók niet een beetje bevreesd, sir?”

De stoomfluit gilde, de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan.
Blz. 219.
“Bevreesd?” antwoordde de jager verwonderd. “Zou ik dan dit zaakje uit eigen beweging op mij genomen hebben, als ik bevreesd was?”
“Of althans ongerust?”
“Ik heb maar één ongerustheid, dat de kornel mij misschien ontsnappen zal.”
“Maar het is mogelijk, ja meer dan waarschijnlijk, dat ze op u schieten zullen.”
“Nog veel waarschijnlijker is het, dat ze mij niet raken zullen. Maak u om mijnentwil volstrekt niet ongerust, en houdt hier zoolang ik afwezig ben, den boel maar goed in orde. Het is best mogelijk, dat de kornel eenige kerels vooruitzendt, die moeten oppassen, dat alles hier loopt zooals hij wenscht. Doet hij dat, dan zal hij met hen wel een sein afgesproken hebben om hen te waarschuwen. Houd u dan volkomen zoo, alsof er niets buitengewoons aan de hand is.”
Nu riep hij de twee werklieden, die in plaats van de tramps post moesten vatten op de locomotief, en ging met hen de baan op, zonder dat de spionnen, indien die er waren, er iets van gewaar konden worden. De ingenieur had gezorgd, dat die twee mannen bijna juist gekleed waren als de beide tramps.
Het was stikdonker; maar de werklieden kenden den weg, en namen den jager tusschen hen in. Terwijl zij dus in de richting naar Carlyle voortgingen, prentte hij hun nog eens goed in, hoe zij zich bij al wat er gebeuren mocht, te gedragen hadden. Zij bereikten de plek, die telegraphisch bepaald was, en gingen daar in het gras zitten, om de komst van den trein af te wachten. Het was nog even voor drieën toen die aankwam en vlak bij hen stilhield. Hij bestond uit de locomotief met tender en zes groote personen-wagens. Old Firehand stapte in, en doorliep de rijtuigen. Zij waren ledig. In den voorsten wagen stond een met steenen gevulde, gesloten kist. Een conducteur was er niet bij; er waren slechts twee personen op den trein, de machinist en de stoker. Toen Old Firehand de wagens in oogenschouw genomen had, ging hij naar die twee, en gaf hun de noodige orders. Doch eer hij nog uitgesproken had, viel de stoker hem in de rede, en zei: “Een oogenblikje, sir! ik geloof niet, dat het noodig is uw verdere bevelen te geven. Ik heb geen trek om daaraan te voldoen.”
“Zoo? waarom dat?”
“Ik ben stoker en heb voor het vuur onder den ketel te zorgen; daarvoor word ik betaald; maar ik ben niet aangesteld om mij te laten doodschieten.”
“Wie spreekt dan van doodschieten?”
“Gij natuurlijk niet, maar ik zooveel te beter.”
“Er is geen mensch, die aan schieten zal denken.”
“Goed! dan zullen zij steken of slaan; dat komt precies op hetzelfde neer. Of ik doodgeschoten, gestoken of geslagen of gewurgd word, dat is alles zoo wat eenerlei. Op geen van al die manieren wensch ik mijn post te verlaten.”
“Maar hebben uw superieuren u dan niet bevolen, te doen wat wij u hier zullen voorschrijven?”
“Neen; dat kunnen zij niet. Ik heb een vrouw en een huishouden met kinderen en doe mijn plicht. Met de tramps te gaan vechten, dat behoort volstrekt niet tot mijn bezigheden. Men heeft mij gezegd, dat ik tot hier moest meerijden, en dat ik hier zou vernemen wat er van mij verlangd wordt. Of ik genegen ben om dat te doen, dat hangt geheel af van mijzelf, en nu heb ik er toevallig hoegenaamd geen trek in.”
“Is dat bepaald uw besluit?”
“Ja.”
“En gij, sir?” vroeg Old Firehand aan den machinist, die het geheele gesprek aangehoord had zonder iets te zeggen.
“Ik verlaat de locomotief niet,” antwoordde de brave, onvervaarde man.
“Maar ik voel mij verplicht u opmerkzaam te maken, dat u door een of ander onvoorzien voorval toch wel een ongeluk overkomen kan.”
“En u niet, sir?”
“O ja, dat spreekt vanzelf.”
“Welnu wat gij durft wagen, zonder er verplicht toe te zijn, moet ook ik durven wagen, omdat het een staaltje van mijn plicht is.”
“Bravo! gij zijt een flinke vent. De stoker kan op zijn gemak naar Sheridan gaan, en daar onze terugkomst afwachten; ik zal zijn plaats wel innemen.”
“Well, dan ga ik maar heen, en wensch u een goeden afloop,” prevelde de stoker, terwijl hij zich verwijderde.
Old Firehand klom met de twee werklieden op de locomotief, en gaf nogmaals nauwkeurig zijn orders aan den machinist; daarop maakte hij zijn gezicht zwart met roet. Nu zag hij er in zijn linnen pak precies als een stoker uit. De trein zette zich in beweging.
De wagens waren naar Amerikaansch model gemaakt. Men moest er van achteren in den achtersten wagen inklimmen, om in de voorste wagens te komen; ze waren natuurlijk verlicht. De locomotief was een zoogenaamde tender-machine, en omringd met hooge, stevige wanden van dik blik, ter beschutting tegen weer en wind. Dat was in dit geval zeer gelukkig, want die wanden verborgen de op de locomotief staande personen bijna geheel en al en bezaten genoeg weerstandsvermogen om pistool- en geweerkogels er op te doen afstuiten.
De trein bereikte al spoedig Sheridan, en hield daar stil. Er was niemand anders op het perron dan de ingenieur; hij wisselde met den machinist de gebruikelijke vragen en antwoorden, en liet toen den trein verder gaan.
Intusschen waren de twee spionnen, die Old Firehand op de hoogte van het talud beluisterd had, ter plaatse aangekomen, waar de kornel zich met de tramps bevond. Zij berichtten hem, dat in Sheridan geen sterveling eenig vermoeden had van hetgeen er gebeuren zou, hetgeen groote vreugde veroorzaakte. Toen echter namen zij den kornel ter zijde, en deelden hem de vrees mee, die zij reeds tegen elkander uitgesproken hadden. Hij hoorde hen bedaard aan, en zei toen: “Wat gij mij zegt, weet ik al. Het komt niet in mij op, al die kerels, die meerendeels geen knip voor den neus waard zijn, bij mij te houden, en evenmin kan het in mij opkomen, aan hen, die ik niet noodig heb, een enkelen dollar van dat halve millioen af te staan—zij krijgen niets!”
“Dan zullen zij nemen wat zij hebben willen.”
“Dat moet gij afwachten. Ik heb mijn plan.”
“Maar zij zullen elkander bijna dooddringen, om maar het eerst in den trein te komen.”
“Dat begrijp ik! Ik ben er zeker van, dat zij den trein zullen bestormen; maar ik blijf buiten staan, en wacht, totdat de kas uit den wagen gehaald wordt. Als de trein dan weg is, zullen wij wel zien wat er gebeurt.”
“Hoe staat het dan met ons beiden?”
“Gijlieden blijft bij mij. Doordien ik u naar Sheridan gezonden heb, heb ik bewezen, dat ik u mijn vertrouwen schenk. Gaat nu naar Woodward. Die kent mijn plan, en zal u de namen noemen van hen, die ik van plan ben bij mij te houden.”
Zij voldeden aan dat verlangen, en legerden zich bij den genoemde, die zoowat den rang van luitenant onder den kornel bekleedde. Alles lag nog in duisternis gehuld; toen het uur begon te naderen, werd er op zij van de baan een vuur aangemaakt. De tramps vermoedden niet, dat dit uur zoo laat in den nacht gekozen was tot hun verderf. Om drie uur was het nog donker; maar toen de trein Eagle-tail bereikte, brak de morgenstond aan, zoodat men goed kon mikken.
Omstreeks kwartier over drieën hoorden de wachtenden veraf het rollen van den trein, en kort daarop zagen zij de felle lichten van de machine. Old Firehand hield het vuurgat gesloten, zoodat hij en de drie andere personen niet duidelijk gezien zouden kunnen worden. Nauwelijks honderd passen van het vuur af, gaf de machinist, als gehoorzaamde hij aan een plotselingen dwang tegenstoom. De stoomfluit gilde, de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan.
Tot nu toe hadden de tramps in ongerustheid verkeerd, of het den nagemaakten klerk en zijn kameraad gelukken zou den machinist en den stoker vrees aan te jagen; toen zij nu den trein zagen stoppen, begonnen zij te jubelen van blijdschap, en verdrongen elkander naar den achtersten wagen. Ieder wilde de eerste zijn. Maar de kornel wist wel wat het noodigste was. Hij ging naar de locomotief, keek om den hoek van den eenen beschuttenden wand even naar boven, en vroeg: “Alles richtig, boys?”
“Well!” antwoordde de eene werkman, die den machinist de revolver op de borst hield. “Zij hebben eieren voor hun geld moeten kiezen. Zie maar, kornel! Als zij zich durven verroeren, geven wij vuur.”
Old Firehand stond als sidderende van angst tegen den waterbak gedrukt, en voor hem stond de andere werkman met zijn revolver. De kornel werd volkomen verschalkt. “Mooi zoo!” zei hij. “Gij hebt uw taak goed gedaan: gij zult er extra voor beloond worden. Blijft nog boven, tot wij klaar zijn; en dan, als ik het sein geef, kunt gij van de locomotief afkomen; dan behoeven deze brave menschen niet van angst te sterven, en kunnen zij doorrijden.”
Hij verwijderde zich in den donker weer van de locomotief. Hij had niet anders gedacht, dan zijn beide tramps te zien, te meer daar de werkman, die hem geantwoord had, zeer goed de stem van den zoogenaamden klerk had nagebootst. Toen hij weg was, boog Old Firehand voorover, om de plaats waar men stond te overzien. Hij zag geen mensch staan; maar in de wagens heerschte een verschrikkelijk rumoer. Hij hoorde, dat zij aan het vechten waren, om de groote geldkist machtig te worden.
“Vooruit! Vooruit!” gebood de jager aan den machinist. “En niet langzaam, maar zoo hard als we maar kunnen, want anders komen ze de wagens, weer uit.”
De trein zette zich weer in beweging, zonder dat de machinist de stoompijp deed fluiten.
“Halt, halt!” schreeuwde een stem. “Schiet de honden neer! Schiet! Schiet!”
Men kon de woorden verstaan, maar den klank der stem kon men niet herkennen. Daardoor wist Old Firehand niet, dat het de kornel was, die dat riep.
De in de wagens zijnde tramps schrikten, toen de trein hoe langer hoe harder begon te rijden. Zij wilden er uitspringen, maar dat was bij de snelheid, die de machinist aan de vaart gaf, niet te doen. Old Firehand moest het vuur opporren. De vlammen wierpen hun schijnsel op hem en op zijn bijstanders. De voordeur van den voorsten wagen werd geforceerd, en Woodward kwam daar te voorschijn. Hij zag de locomotief vóór zich, en het helder beschenen gelaat van den jager, bij wien de twee nagemaakte tramps zeer vertrouwelijk stonden te kijken.
“Old Firehand!” bulderde hij zoo hard, dat het boven het geraas der ijzeren wielen en het gepoef der locomotief uitklonk. “Die hond is het! Rijd naar de hel.”
Meteen greep hij het pistool uit zijn gordel en schoot. Maar Firehand wierp zich met de snelheid eener gedachte op den grond, en bleef ongedeerd. Doch in het volgende oogenblik glinsterde ook zijn revolver en Woodward, in zijn hart getroffen, stortte achterover in den wagen terug. Anderen verschenen aan de opengebroken deur, maar werden insgelijks terstond door zijn kogels getroffen. Ook de twee werklieden richtten hun revolvers op de deur, en schoten, totdat het gelukt was de beschuttende wand in zijn dwarsvouw te brengen tusschen den wagen en de locomotief. Nu mochten de tramps schieten zoo hard als zij wilden.
Intusschen was de trein verder gereden. De machinist hield goed de lichten op de baan in het oog. Er verliep een half uur, en in het oosten begon het licht te worden. Toen liet hij de stoompijp fluiten, niet in korte tempo’s maar in een lang gerekt gehuil, waaraan geen einde scheen te komen. Hij naderde de brug, en wilde de daar wachtende mannen van de nadering van den trein verwittigen.
Die mannen stonden sedert lang op hun post. Even vóór middernacht waren de dragonders uit Fort Wallace aangekomen; die hadden zich nu aan weerszijden van de rivier onder de brug geposteerd, om iederen tramp, die het wellicht daarboven mocht weten te ontkomen, beneden te vatten. Daar, waar de brug begon, stond Winnetou met de rafters en jagers. Aan de andere zijde van de brug, aan weerskanten van den ingang van den tunnel, stonden drie vierden van de gewapende baanwerkers, en aan den uitgang van den tunnel wachtte het overige vierde gedeelte. Bij dezen bevond zich de opzichter, die de niet zonder gevaar zijnde taak op zich genomen had, om binnen in den tunnel de locomotief van den trein te gaan afhaken. Toen hij het gehuil van de stoompijp hoorde, gebood hij aan zijn mannen: “Het vuur aanmaken!”
Terwijl aan dat bevel terstond gevolg werd gegeven, doordien men den hoop hout en kolen, die voor den mond van den tunnel lag in brand stak, sloop hij behoedzaam den tunnel in, om, zich tegen den muur houdende, den trein af te wachten.
Deze was met verminderde vaart de brug over gekomen, en naderde den tunnel. Old Firehand zag de daar geposteerde manschap, en riep hun toe: “Achter ons het vuur aanmaken!”
Een oogenblik later hield de trein stil. De locomotief stond juist waar de opzichter die verwacht had.
“Slechts een oogenblik!”
Bij deze woorden kroop hij tusschen de machine en den eersten wagen, haakte die beide van elkander af, en snelde toen den tunnel uit. De locomotief volgde oogenblikkelijk; de wagens bleven staan; en de voor en achter brandende vuren werden door de werklieden midden op de baan geschoven, nadat men de spoorstaven haastig met steenen bedekt had, om die te beveiligen voor de vuurhitte.
Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig is geweest om het hier te vertellen, en wat meer zegt veel te gauw, dan dat de tramps zoo spoedig hadden kunnen beseffen in welk een toestand zij zich bevonden. Zij waren al niet op hun gemak geweest toen de trein zoo ijselijk hard reed. Zij hadden nu gehoord, dat Old Firehand op de locomotief stond, en wisten dus, dat hun plan verijdeld was; maar zij hielden zich verzekerd, dat zij daar, waar de trein stil zou houden al ware dat op een druk station, hun vrijheid terug zouden krijgen. Zij waren goed gewapend en zóó talrijk, dat wel niemand het hart zou hebben hen gevangen te willen houden. Nu stond de trein stil, en daarop hadden zij gewacht. Maar toen zij uit de zijraampjes keken, grijnsde hen een onderaardsche duisternis aan. Zij verdrongen elkander om aan het portier van den achtersten wagen te komen en uit den trein te stappen, doch kregen een gewaarwording alsof zij door een nauwen, donkeren koker in een ontzaglijk groot vlammend, knetterend vuur staarden. En zij, die zich in den voorsten wagen bevonden, zagen, dat de locomotief verdwenen, en daarvoor een knapperend en krakend kolenvuur in de plaats getreden was. Een hunner kwam op de juiste gedachte.
“Een tunnel, een tunnel!” riep hij verschrikt; en “een tunnel, een tunnel! wij zitten in een tunnel!” riepen al de anderen hem na. “Er uit! Wij moeten er uit!”
Er volgde een ontzettend geschuif en gedrang, zoodat zij die aan de portieren waren, niet konden uitstappen, maar er letterlijk uitgeworpen werden. De tweede viel neer op den eerste, de derde tuimelde neer op den tweede, en zoo vervolgens. Het was een warboel van menschen-gedaanten, van armen en beenen, van geschreeuw en verwenschingen en vloeken, en dat ging niet zonder dat menigeen gekwetst werd. Er waren er zelfs, die naar hun wapens grepen, om zich te verweren tegen hen, die zich aan hen vastklemden of die op hen lagen.
En aan de duisternis, die door de voor en achter aan den tunnel brandende vuren en door de wagon-lampen niet eens draaglijk verlicht werd, paarde nu de dikke, zware kolendamp, die door den ochtendwind in den tunnel gedreven werd.
“Voor den..... (er volgde een vloek)! Ze willen ons doen stikken!” riep een krijschende stem. “Er uit! Er uit!”
Tien, twintig, vijftig, honderd kelen schreeuwden het hem na, en in waren doodsangst drong, dreef, duwde en worstelde alles op de beide uitgangen van den tunnel aan. Maar daar knetterden en kraakten de beide vuren welker felle vlammen den ganschen uitgang versperden. Wie er uit wilde moest door het vuur springen en was vooruit verzekerd, dat zijn kleeren in brand zouden geraken. Dat beseften de voorsten: zij keerden zich om, en wilden terug; maar de gansche menschenzwerm achter hen bleef opdringen en wilde niet wijken. En daardoor ontstond er in de nabijheid van de beide vuren een verwoede worsteling tusschen lieden, die zoo kort te voren nog kameraadschappelijk eensgezind waren geweest in het nastreven van helsche plannen. Het tunnel-verwulfsel kaatste het gebrul en getier vertienvoudigd terug, zoodat het daarbuiten klonk alsof alle duivelen uit de hel waren losgebroken, om daarbinnen feest te vieren.
Old Firehand was om de rots heen naar het voorste vuur geloopen.
“Wij behoeven niets te doen,” riep een der baanwerkers hem toe. “De beesten verscheuren elkander. Hoor maar, sir! Uitmuntender plan, dan het uwe is, had nooit uitgedacht kunnen worden.”
“Ja, zij hebben het erg te kwaad met elkander,” antwoordde hij. “Maar het zijn menschen, en vermoorden mogen wij hen niet. Maak den ingang een beetje vrij van het vuur!”
“Wilt gij er dan in?”
“Ja.”
“Om Godswil, doe dat niet! Zij zullen u aanvliegen en u wurgen!”
“Geen nood! Zij zullen blij zijn, als ik hun de kans bied om zich te redden.”
Hij hielp zelf mee het vuur ter zijde te schuiven, zoodat er tusschen de vlammen en den tunnelmuur een opening kwam, groot genoeg voor één man om er doorheen te springen. Hij deed den sprong, en nu bevond hij zich in den tunnel, hij alleen, tegenover al die dollen en razenden. Wel nooit in zijn leven was zijn onverschrokkenheid zóó duidelijk als thans; maar stellig ook nooit in zijn leven was zijn zelfvertrouwen grooter geweest dan op dit oogenblik. Dikwijls had hij bij ondervinding gehad hoe somwijlen de moed van een enkel man in staat is, om duizenden te verbazen en als het ware te verlammen.
“Hallo, silence!” weerklonk zijn forsche stem boven het geschreeuw van honderd kelen uit, en allen zwegen stil. “Hoort wat ik u zeg!”
“Old Firehand!” riepen er eenigen, verbaasd over zijn weergalooze onvervaardheid.
“Ja, dat ben ik!” antwoordde hij. “En gij hebt het ondervonden, waar ik ben, komt geen weerstand-bieden te pas. Als gij niet stikken wilt, legt dan hier uw wapenen neer en komt dan den tunnel uit, maar één voor één. Ik zal buiten bij het vuur staan, en commandeeren. Wie naar buiten springt zonder mijn commando af te wachten, wordt oogenblikkelijk neergeschoten. En wie iets van zijn wapentuig bij zich houdt, krijgt ook terstond den kogel. Wij zijn talrijk genoeg, baanwerkers, jagers, rafters en soldaten, meer dan genoeg, om mijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Overlegt het met elkander! En als gij een pet of een hoed naar buiten werpt, zal dat voor ons het teeken zijn, dat gij u overgeeft. Doet gij dat niet, dan zijn honderd geweren op de vuren gericht om niemand door te laten.”
Het had hem, door den rook, moeite gekost de laatste woorden goed verstaanbaar uit te brengen, en meteen sprong hij snel weer den tunnel uit, om niet wellicht het mikpunt te worden van een of ander schot. Die voorzichtigheid was verstandig, maar eigenlijk noodeloos. De indruk, dien zijn verschijning op de tramps gemaakt had, was van dien aard, dat niemand hunner het gewaagd zou hebben zijn geweer op hem aan te leggen.
Nu gaf hij aan zijn baanwerkers bevel hun geweren op de opening van den tunnel aan te leggen, ten einde de tramps, als die een poging mochten doen om zich door de massa heen te slaan, te ontvangen met peloton-vuur. Men kon hooren dat zij met elkander beraadslaagden. Verscheiden stemmen spraken luid, alle tegelijk. De omstandigheden lieten hun niet toe, hun beraadslaging lang te rekken, want de rook, die in den tunnel drong, belemmerde hun ademhaling meer en meer. Tegenover een man als Old Firehand hadden zij den moed geheel verloren; zij wisten, dat hij er de man naar was om te doen wat hij zei: de dood door stiklucht werd hoe langer hoe dreigender, en zij zagen geen anderen uitweg tot redding, dan zich over te geven. Er kwam een hoed uit den tunnel vliegen over het vuur heen, en terstond daarop werden de tramps door de roepstem van Old Firehand verwittigd, dat de eerste hunner uit den tunnel mocht komen. Hij sprong er uit, en moest dadelijk de brug over, waar hij door rafters en jagers in ontvangst werd genomen. Men had zich ingevolge het zoo goed geslaagde plan, dat eigenlijk afkomstig was uit het brein van Winnetou voorzien van touwen, koorden en riemen, en zoodra de eerste tramp over de brug was, werd hij gekneveld. Zoo ging het al zijn kameraden, die na hem kwamen. Zij werden in zulke tusschenpoozen uit den tunnel gelaten, dat men telkens den tijd had om den vorige te knevelen. Maar alles ging toch zoo snel in zijn werk, dat er nog niet ten volle een kwartier verloopen was of al de tramps bevonden zich in handen van de overwinnaars. Maar nu bleek het tot teleurstelling en verdriet der laatsten, dat zij den roodharigen kornel nog niet hadden. Toen men aan de gevangenen naar hem vroeg, vernam men van hen, dat de kornel met een twintigtal anderen in het geheel niet in den trein geweest was. Zekerheidshalve doorzocht men goed den ganschen tunnel en al de wagons; maar men vond hem niet, zoodat men veronderstellen moest, dat de gevangenen de waarheid gezegd hadden.
Zou dan juist die kerel, op wien het voornamelijk gemunt was geweest, den dans ontspringen? Neen! De gevangenen werden aan de bewaking van de soldaten en van de baanwerkers toevertrouwd, en Old Firehand en Winnetou reden met de jagers en de rafters terug, om het spoor van den vermiste te ontdekken, ter plaatse waar de trein halt had gehouden. Daar aangekomen, zond Old Firehand vier rafters verder naar Sheridan, om zijn paard en zijn jachtkostuum, en de twee nog geboeid daar liggende tramps naar den tunnel te laten brengen. Hij wilde niet zelf naar Sheridan terugkeeren, maar met zijn gezelschap dadelijk mee vertrekken naar Fort Wallace, waarheen de tramps gebracht werden, omdat zij daar onder militaire bewaking beter geborgen waren dan ergens elders. De vier boodschappers kregen natuurlijk ook in last, om aan den ingenieur mede te deelen in hoeverre de uitvoering van het plan gelukt was.
Men vond de plaats, waar de tramps gebivakkeerd hadden om den trein af te wachten. Niet ver van daar waren de paarden vastgebonden geweest. Na lang zoeken en nauwlettend beoordeelen van de vele voet- en hoef-indrukken bleek het, dat werkelijk een twintigtal tramps ontkomen waren. Die hadden even zooveel paarden medegenomen, en natuurlijk de beste viervoeters; de overige hadden zij naar alle richtingen uiteengejaagd.
“Die kornel is met sluw overleg te werk gegaan,” zei Old Firehand. “Had hij al de paarden meegenomen, dat zou een groote last geweest zijn voor zulk een kleine bende, en het door zooveel paarden achtergelaten spoor zou voor een kind te herkennen geweest zijn. Door de achtergebleven paarden links en rechts uit elkander te jagen, heeft hij ons het zoeken naar zijn spoor zeer moeilijk gemaakt, en daardoor heeft hij zelf veel tijd gewonnen. En daar hij in elk geval niet de slechtste dieren gehouden zal hebben, komt hij ons zoo snel vooruit, dat wij moeite zullen hebben om den verloren afstand in te halen.”
“Mijn blanke broeder vergist zich misschien,” antwoordde Winnetou. “Dat bleekgezicht heeft stellig deze streek niet verlaten zonder zich eerst te vergewissen hoe het met zijn kornuiten afgeloopen is. Als wij nu zijn spoor volgen, zal dat ons bepaald naar den Eagle-tail brengen.”
“Ik ben overtuigd, dat het vermoeden van mijn rooden broeder juist is. De kornel is van hier weggereden, om ons te beluisteren. Hij zal nu weten, waaraan hij zich te houden heeft, en nu zal hij zich in allerijl uit de voeten gemaakt hebben. Maar wij zijn hier gekomen om naar hem te zoeken, en daardoor hebben wij den kostbaarsten tijd te loor laten gaan.”
“Als wij snel terugkeeren, zullen wij hem misschien nog wel kunnen inhalen.”
“Neen. Mijn broeder moet bedenken, dat wij hem niet terstond kunnen volgen. Wij moeten eerst mee naar Fort Wallace, om daar onze verklaringen af te leggen. Daar is vandaag deze geheele dag mee gemoeid, zoodat wij pas morgen die twintig tramps achterna zullen kunnen gaan.”
“Dan zullen zij ons een geheelen dag vooruit zijn!”
“Ja; maar wij weten waar zij naar toe willen, en wij verliezen er dus volstrekt geen tijd mee, als wij hun spoor volgen. Wij gaan regelrecht naar het Zilvermeer.”
“Denkt mijn broeder dan, dat zij nu nog daar naar toe willen?”
“O ja, stellig.”
“Nu, nadat zij hier zulk een nederlaag geleden hebben?”
“Ja, in weerwil daarvan.”
“Maar nu hun plan hier zoo totaal mislukt is, zullen zij nu hun voornemen maar niet liever opgeven?”
“O neen! Zij willen geld hebben, om daarmee hier of daar inkoopen te doen. Doch die inkoopen zijn niet zoo bepaald noodig. Leven kunnen zij van het wild dat zij schieten. Wapenen hebben zij, kruit en lood ook. En mochten zij aan het laatste behoefte krijgen, dan hebben zij onderweg wel gelegenheid, om het zich op een eerlijke of oneerlijke manier te verschaffen. Ik ben overtuigd, dat zij naar het Zilvermeer zullen gaan.”
“Dan willen wij hun spoor volgen, om ten minste te weten te komen, waar zij hier vandaan naar toe gereden zijn.”
Twintig ruiters laten hoef-indruksels genoeg achter zich; en hier waren genoeg geoefende oogen, aan wie zelfs een veel minder zichtbaar spoor niet had kunnen ontgaan. Het spoor van de tramps liep naar de rivier, en vervolgens altijd langs den rivier-oever naar hoogerop; het was zoo duidelijk zichtbaar, dat men had kunnen galoppeeren zonder het uit het oog te kunnen verliezen.
Aan den Eagle-tail, niet ver van de brug af, hadden de tramps halt gehouden. Een hunner, waarschijnlijk de kornel, was toen, beschut door het daar staande struikgewas, opgeslopen naar de spoorbaan, waar hij stellig getuige geweest was van de gevangenneming van de gansche bende. Na zijn terugkeer hadden zij zich uit de voeten gemaakt.