AAN HET ZILVERMEER.
Reading edition
Het was een indrukwekkend tooneel, dat zich aan de oogen der blanken vertoonde, toen zij eenige dagen later het doel van hun moeitevollen rit naderden. Zij reden in een langzaam klimmenden canon, aan welks beide zijden machtig hooge rotsmassa’s zich verhieven, en zulks in een kleurenglans, die bijna de oogen verblindde. Kolossale zandsteen-pyramiden, de eene naast de andere staande, of tooneelschermachtig voor en achter elkander schuivende, schenen in verschillend gekleurde lagen of verdiepingen tot aan den hemel te reiken. Nu eens vormden die pyramiden rechtlijnige, loodrechte wanden; dan weer waren zij met haar vele pijlers en vooruitspringende hoeken en spitsen en kanten bij gemetselde kasteelen of phantastische citadellen te vergelijken. De zon stond hoog, schuin boven die grootsche formatiën, en deed die schitteren met een in waarheid onbeschrijfelijke kleurenpracht. Sommige rotsen vertoonden een helder lichtblauwen weerschijn, andere zulk een donkeren, goudachtig rooden glans. En daartusschen lagen gele, olijfgroene en als vurig koper fonkelende rotsschichten, terwijl in de sponningen of groeven tusschen die verschillende rotslagen een donkerblauwe schaduw rustte. Maar aan al die schier verblindende pracht ontbrak leven en beweging. Er was geen droppel water tusschen die rotsen: geen grashalmpje vond voedsel op dien diep liggenden grond, en langs die onbeweeglijk strakke muren vertoonde zich geen enkel groen twijgje, geen enkel blaadje, waarvan het groen zoo weldadig het oog had kunnen streelen.
Maar dat er indertijd hier wel degelijk water geweest was, en in geduchte hoeveelheid zelfs, dat bewezen de sporen, die aan weerskanten langs de rotswanden zichtbaar waren. Destijds was de thans droogliggende canon het stroombed geweest van een snelstroomend water, dat zijn teugellooze golven diep en breed in den Colorado ontlastte. Dan was het ravijn wekenlang voor elken menschenvoet ontoegankelijk, en de stoutmoedigste westman of Indiaan zou zich niet licht in een wrakke, gebrekkige kano gewaagd hebben op dien bruisenden stroom.
De bodem van den canon bestond dan ook uit een laag rondgeschuurde steenen, waarvan de tusschenruimten gevuld waren met zand. Dat gaf een zeer moeilijken weg; want bij eiken voetstap weken de ronde steenen onder de hoeven der paarden en vermoeiden de dieren zoo, dat men van tijd tot tijd halt moest houden om hen te laten rusten.
Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou reden voorop. De eerste wijdde aan alles rondom hem een in het oog loopende opmerkzaamheid. Men kon het aan hem zien, dat hij naar een plaats zocht, die voor hem stellig van gewicht was. Daar, waar twee geweldige rotspijlers ver in de hoogte tegen elkander leunden en beneden een tusschenruimte lieten, die hoogstens tien voet breed was en naar binnen nog smaller scheen te worden, daar hield hij zijn paard staande, bekeek die plaats met een nauwlettend oog, en zeide: “Hier moet het wezen, waar ik er destijds uitgekomen ben, nadat ik die ader gevonden had. Ik geloof niet, dat ik mij vergis.”
“En wilt gij daar ingaan?” vroeg Old Shatterhand.
“Ja. En gij moet met mij mee!”
“Loopt die spleet dan verder door? Ik verbeeld mij, dat die spoedig ten einde loopt.”
“Dat zullen wij zien. Het is ook mogelijk, dat ik mij vergis.”
Hij wilde van zijn paard afstijgen, om eerst een onderzoek in te stellen; maar de Apache liet zijn viervoeter naar de rotsengte zwenken, en zei op zijn bedaarden toon, maar zich van zijn zaak zeker voelende: “Mijn broeders kunnen mij volgen, want hier begint een weg, die ons een grooten omweg besparen zal. Ook is hij voor de paarden veel gemakkelijker dan den hobbeligen weg van den canon.”
“Kent gij dan deze engte?” vroeg Old Firehand verwonderd.
“Winnetou kent alle bergen, dalen, ravijnen en spelonken nauwkeurig; gij weet, dat hij zich nooit vergist.”
“Dat is waar. Maar dat gij juist deze plaats kent, en er van beweert dat hier het begin is van een weg, dat is opmerkelijk. Kent gij dan ook de streek, waar die weg naar toe loopt?’
“Ja. Deze engte wordt eerst nog enger; dan wordt zij beduidend breeder, niet tot een smal ravijn, maar tot een gladde rotsvlakte, die als een reusachtig tafelblad langzamerhand stijgt.”
“Zoo is het, zoo is het! Dan ben ik hier op de rechte plaats. Die tafel loopt verscheiden honderd voet in de hoogte. En wat komt er dan? Weet gij dat?”
“De bovenkant van die tafel valt dan aan de andere zijde steil in de diepte, in een grooten, ronden ketel, uit welken een smalle, erg kronkelende rotsengte opwaarts gaat naar het wijde, schoone dal van het Zilvermeer.”
“Ook dat is juist. Zijt gij in dien ketel geweest?”
“Ja.”
“Hebt gij daar misschien iets opmerkelijks gevonden?”
“Neen. Er is niets, hoegenaamd niets daar te vinden, geen water, geen gras, geen dier. Er beweegt zich geen tor, geen mier over dien eeuwig dorren steengrond.”
“Dan zal ik u bewijzen, dat men er toch iets vindt, iets, dat nog veel zeldzamer, en in handelswaarde veel kostbaarder is dan water en gras.”
“Bedoelt gij de zilverader, die gij ontdekt hebt?”
“Ja. Men vindt daar niet alleen zilver, maar goud ook. Juist om dien rotsketel heb ik dezen verren rit ondernomen. Voorwaarts nu! Wij zullen hier zijwaarts zwenken.”
Zij reden de engte in, achter elkander, een voor een, want voor twee naast elkander was er geen plaats. Weldra echter begonnen de rotswanden verder en telkens verder van elkander af te wijken; de gigantische pijlers openden zich, en nu lag, met den ondersten hoek tegen de rotsengte stootend, vóór de ruiters een machtige, gladde driehoek, die zich langzaam en dakvormig tusschen rechts en links terugwijkende rotswanden inschoof, en boven tegen den helderen hemel een scherpe, regelrechte grondlijn vormde.
Daar ging nu de rit naar de hoogte. Het was alsof de paarden een ontzaglijk hoog dak te beklimmen hadden, maar toch was de stijging niet zoodanig, dat die al te groote moeilijkheden aanbood. Het duurde wel een uur eer de stoet boven aankwam, en nu strekte zich vóór de ruiters een mijlen-verre rotsvlakte naar het Westen uit, in welker voorgrond de diepe ketel lag, waarover Old Firehand en Winnetou gesproken hadden. Uit dien ketel zag men van boven af een donkere streep linksaf naar het zuiden gaan. Dat was de bedoelde rotsengte, door welke men uit den ketel naar het Zilvermeer kwam.
Nu ging het bergaf naar de diepte omlaag. De helling was nu zoo steil, dat men genoodzaakt was af te stijgen. Er waren zelfs plaatsen, waar de overtocht bijna gevaarlijk werd. Men had de gevangenen natuurlijk van de paarden gebonden en hun beenen van de boeien ontdaan, om hun de afdaling mogelijk te maken. De jonge Navajo bleef vlak achter hen, en verloor hen geen seconde uit het oog. Beneden aangekomen, moesten zij weer te paard stijgen, om er op vastgebonden te worden.
Nu wilde Old Firehand zijn vondst aan zijn metgezellen laten zien; maar de Utahs mochten niets daarvan weten. Daarom werden zij in de rotsengte gebracht, en eenige rafters bleven met den Navajo bij hen, om hen te bewaken. De anderen waren in het geheel niet weer te paard gestegen. De mededeeling, dat men de zoolang gewenschte plaats van de vondst eindelijk bereikt had, bracht allen in de grootste spanning.
De ketel had een middellijn van minstens een Engelsche mijl. De grond bestond uit diep zand, vermengd met afgebrokkelde steenen, voor ’t meerendeel ter grootte van een mansvuist. Twee mannen waren hier van groote beteekenis, namelijk Old Firehand, die de ader aan te wijzen had, en Butler, de ingenieur, die de vondst, en de mogelijkheid om er partij van te trekken, technisch moest onderzoeken en goedkeuren. De laatste liet zijn oog onderzoekend in het rond gaan, en zei toen: “Het is mogelijk, dat wij hier een rijke bonanza zullen vinden. Is hier werkelijk edel metaal, dan doet alles vermoeden, dat het in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Deze ontzaglijke verdieping is in den loop der eeuwen uitgewasschen. Het water stroomde door de rotsengte van het zuiden af naar hier, en vormde, daar het niet verder kon, een draaikolk, die den rotssteen afbrokkelde, en tot gruis en zand fijn wreef. De grond, waarop wij staan, is van lieverlede door den neerslag van het hemelwater gevormd, en moet de uitgewasschen metalen bevatten, die door hun zwaarte het diepst zijn gezonken en dus onder het zand liggen. Als wij eenige meters diep graven, zullen wij de proef op de som hebben, of onze reis winst belooft of tevergeefs is geweest.”
“Wij behoeven niet te graven,” antwoordde Old Firehand. “Het is immers voldoende als wij het bewijs maar hebben, dat in de oevers van dit indertijd bestaan hebbende watergat het metaal, dat wij zoeken aanwezig is.”
“Natuurlijk. Is er in deze rotswanden goud of zilver aanwezig, dan is zeer stellig ook de bodem van dezen dalketel met die metalen bezwangerd.”
“Kom dan maar eens mee. Dan zal ik u het bewijs leveren.”
Hij stapte regelrecht op een plaats aan, die hij scheen te kennen. De anderen volgden hem in de grootste spanning.
“Neef! mijn hart springt op van blijde verwachting,” zei Hobble-Frank tegen Tante Droll. “Als wij hier zilver vinden, of zelfs goud, stop ik mijn zakken vol, en steek vervolgens den grooten waterplas over naar mijn onvergetelijke Saksen. Daar laat ik aan de liefelijke boorden van de Elbe een villa voor mij bouwen, en zit dan van den ochtend tot den avond met mijn hoofd buiten het raam, om aan de menschen te laten zien wat een man in bonis ik geworden ben.”
“En ik,” antwoordde Droll, “koop mij een boerenplaats, met twintig paarden en tachtig koeien, en maak verder niets anders dan wrongelkaas en geitenkaas. Daar komt het namelijk het meest op aan in het Altenburgsche.”
“En als wij niemendal vinden?”
“Ja, als er niets gevonden wordt, dan kunnen wij ook niets uitvoeren. Maar ik denk wel, dat wij geluk zullen hebben, want het spreekt, dunkt mij, vanzelf dat er in de nabijheid van het Zilvermeer ook zilver te vinden moet zijn.”
Zijn vertrouwen zou niet beschaamd worden. Old Firehand was aan den rotswand gekomen op een plaats, die onderspoeld en verbrokkeld scheen. Hij haalde een lossen steen daaruit, nog een, en nog verscheiden steenen meer. Zoo ontstond er een gaping, die met die steenen gesloten was geworden. Die gaping was door natuurlijke oorzaken ontstaan, zooals duidelijk te zien was, maar op kunstmatige wijze grooter gemaakt. Old Firehand stak zijn arm daarin, en zei: “Van hetgeen ik indertijd hier heb gevonden, heb ik toen een proef meegenomen, en die heb ik laten onderzoeken. Ik wil nu eens zien hoe Butler er over denkt.”
Toen hij zijn arm terugtrok had hij een wit, bruinachtig aangeloopen en draadvormig kluwen in zijn hand, en dit liet hij den ingenieur zien. Nauwelijks had deze het goed bekeken, of hij riep uit: “Lieve hemel! dat is zuiver gedegen zilver! En heeft dat oorspronkelijk hier in deze rotsspleet gezeten?”
“Ja, de gansche engte was daarmee gevuld. Die engte schijnt zich zeer diep in de rots uit te strekken, en zeer rijk aan metaal te zijn.”
“Dan durf ik er voor instaan, dat wij hier voor onze moeite tiendubbel beloond zullen worden; want er zijn stellig nog meer zulke rotskloven, die gedegen metaal bevatten.”
“En ook vaste gangen met erts, zooals ik u straks zal laten zien,” glimlachte Old Firehand.
Hij haalde een tweede, nog veel grooter voorwerp uit de kloof te voorschijn, en gaf dat aan den ingenieur. Het was een stuk erts, ruim twee mansvuisten groot. Butler bekeek het opmerkzaam, en zei toen: “Op een scheikundig onderzoek is natuurlijk met veel meer zekerheid af te gaan; maar als ik mij niet schromelijk vergis, hebben wij hier te doen met chloorzilver, dus zilverhoorn-erts, kerargyriet.”
“Dat klopt goed. De chemische analyse heeft chloorzilver opgeleverd.”
“Met hoeveel percent?”
“Vijf en zeventig percent zuiver zilver.”
“Welk een vondst! Trouwens, in Utah vindt men voornamelijk zilverhoorn-erts. Waar is eigenlijk de ader?”
“Verder daarachter aan de andere zijde van het dal. Ik heb die ader met puin bedekt, en ik zal u die wijzen. En nu, wat is dit?”
Hij bracht uit dezelfde rotsspleet verscheiden korrels te voorschijn, alle ter grootte van een hazelnoot.
“Nuggets, goud!” riep de ingenieur. “Ook van hier?”
“Ja. Wij hadden ons destijds hier verscholen, en konden niet weg, daar de Roodhuiden op ons loerden. Wij hadden gebrek aan water, en daarom begon ik het zand op te graven, om te zien of de grond ook vocht inhield. Water was er niet te vinden, maar zulke nuggets vond ik in menigte.”
“Dan zijn er ook goudaders hier, juist zooals ik voorspeld heb. Old Firehand! hier liggen millioenen, en de ontdekker is een rijk, schatrijk man!”
“Enkel de ontdekker? Gij zult er allen uw deel van hebben. Ik ben de ontdekker, Butler is de ingenieur, en de anderen helpen graven. De voorwaarden, waarop wij te zamen zullen werken, en het aandeel, dat ieder voor zich zal bekomen, zullen wij later vaststellen.”
Deze woorden lokten een algemeen gejubel uit, een gejuich, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Old Firehand wees nu de zilverertsader aan, die zeer aanzienlijk scheen te zijn; en men mocht veronderstellen, dat dit niet de eenige hier was. De meesten der aanwezigen toonden lust te hebben, om dadelijk nasporingen in het werk te stellen; maar Old Shatterhand stuitte die geestdrift, door te waarschuwen: “Niet te voortvarend, messieurs! Wij hebben allereerst nog aan iets anders te denken. Wij zijn hier in het hooggebergte immers niet alleen!”
“Maar wij zijn de Roodhuiden toch voor geweest,” merkte de lord aan, die voor zijn persoon volstrekt geen aanspraak maakte op een deel van de metaalvondst, maar die zich toch evenzeer als de anderen daarover verheugde.
“Voor geweest, ja; maar veel beteekent het niet. De Navajo, die zich bij ons bevindt, kent de linie van terugtocht der zijnen zeer nauwkeurig. Hij heeft berekend, dat zij stellig binnen ettelijke uren na ons aan het Meer zullen aankomen, en achter hen volgen stellig onverwijld de Utahs. Wij hebben dus geen tijd te verliezen, om ons daarop voor te bereiden.”
“Dat is waar,” gaf Old Firehand hem toe. “Maar ik zou toch wel willen weten of de ontginning hier op groote moeilijkheden zal stuiten; en dat zal master Butler ons wel in eenige minuten kunnen zeggen. Dus Butler! wat is uw gevoelen daarover?”
Master Butler liet zijn oogen nauwlettend over den ganschen omtrek gaan, en zei toen: “Water hebben wij noodig; het allereerste, dat wij noodig hebben, is water. Waar is dat het dichtstbij te vinden?”
“In het Zilvermeer zelf.”
“Hoe ver is dat nog van hier?”
“In twee uur zijn wij daar.”
“Ligt het Meer hooger, dan de plaats waar wij nu zijn?”
“Ja, aanmerkelijk veel hooger.”
“Dus, het noodige verval zouden wij hebben. Maar nu is de vraag: bestaat er mogelijkheid om het water hierheen te leiden?”
“De rotsengte, die den eenigen toegang tot dezen ketel is, loopt immers naar boven, en loopt uit in de nabijheid van het Meer.”
“Dat is van veel gewicht; want dan mag men aannemen, dat de afleiding van het water op geen onoverkomelijke moeilijkheden zal stuiten. Maar wij dienen buizen te hebben; al is dat niet dadelijk van ijzer, dan ten minste van hout. Is dàt hier te vinden?”
“In overvloed. Het Zilvermeer is geheel omringd door bosch.”
“Dat is heerlijk! Misschien behoeven wij niet eens den ganschen afstand met buizen te beleggen. Wij kunnen denkelijk een eind weegs van hier wel een bekken maken. Uit het Meer zal het water dan open in dat bekken vloeien. Maar van daar af zijn geleidbuizen onmisbaar, om de noodige drukking te krijgen.”
“O, voor de spuiten?”
“Ja. Wij zullen natuurlijk wel zoo wijs zijn, de rotsen niet met houweel en schoffel te bewerken. Ze worden eenvoudig met water besproeid; en alleen wanneer het bespuiten niet baat, zullen wij buskruit gebruiken. Ook de metaalhoudende grond hier wordt met water behandeld.”
“Maar dan dienen wij toch een voldoende afwatering te hebben, want anders loopt de ketel vol, en dan kunnen wij niet werken.”
“Ja, een afwatering! Die is onmisbaar en die is hier niet. Die moeten wij dus maken. Ik denk, dat aanvankelijk een pomp- of paternosterwerk wel voldoende zal zijn, om het water op te voeren naar de hoogte, over welke wij gekomen zijn. En van daar loopt het dan vanzelf weg en door de engte in den canon. Terwijl wij nu naar boven gaan, naar het Meer, zal ik alles goed opnemen om te zien of en op welke manier wij de zaak kunnen aanpakken. Wij zullen natuurlijk machines noodig hebben, en die hebben wij niet; maar dat is volstrekt geen bezwaar. In een maand tijds kunnen wij al het noodige hier hebben. Doch er zijn twee dingen, die mij met bezorgdheid vervullen.”
“En dat is?”
“In de eerste plaats de aanwezigheid der Indianen. Moeten wij ons van lieverlede een voor een door hen laten afmaken?”
“Maak u daarover volstrekt niet ongerust. Old Shatterhand, Winnetou en ik, wij zijn met de stammen, wie het aangaat, zoo goed bevriend, dat wij met hen de zaak wel inderminne eens zullen worden.”
“Goed. Maar de grond? Aan wie behoort die toe?”
“Aan de Timbabatsjen. De invloed van Winnetou zal hen wel doen besluiten, om den grond aan ons te verkoopen.”
“En zal de hooge regeering dien koop erkennen?”
“Ik zou wel eens willen zien wie mij dan mijn rechten zou durven betwisten. Op dat punt ben ik volkomen gerust.”
“Dan heb ik er vrede mee. De hoofdzaak is de mogelijkheid om het water uit het Meer naar hier te brengen; en daaromtrent zal ik mij op den rit, dien wij nu gaan doen, de noodige zekerheid verschaffen. Laat ons gaan!”
De kleine opening, die Old Firehand gemaakt had, werd weer gedicht, en ook de ertsader weer met puin en steen bedekt. Hierop steeg het gezelschap te paard, om den rit te vervolgen.
De gevangen Roodhuiden hadden met hun bewakers in een soort van ravijn gewacht, zijnde een engte met veel bochten en krommingen, minstens tien en hoogstens twintig voet breed, welke eertijds door het water was uitgegraven, en thans den weg naar boven vormde. Ook hier heerschte een volslagen ontstentenis van plantengroei. De vroegere waterloop was geheel verdroogd, en bracht slechts in het voorjaar wellicht een weinig vochtigheid aan, doch niet voldoende om plantenleven te voorschijn te brengen.
De twee uur waren nagenoeg verstreken, toen het vroegere stroombed plotseling breeder werd en den vorm aannam van een rondom door de rotsen omringd vlak, waarin zich een stilstaand water bevond. Hier zag men weer gras, voor het eerst na een langen rit. De paarden hadden door de hitte, het gebrek aan water en den slechten weg, zeer geleden. Zij gehoorzaamden niet meer aan de teugels; eerst wilden zij eten. Daarom stegen de ruiters af. Zij gingen aan groepjes zitten, en spraken over de schatten, die zij eerlang hoopten te bezitten. Vijandige Indianen waren hier niet te vreezen, men wilde slechts eenige oogenblikken rusten, en dacht er daarom niet aan, wachtposten uit te zetten.
De ingenieur had den afgelegden weg nauwkeurig opgenomen; nu deed hij verslag van zijn bevinding: “Tot dusver ben ik zeer tevreden,” zei hij; “het ravijn geeft niet alleen plaats voor de waterleiding, maar ook voor het transport van alle dingen, die wij noodig hebben. Gaat het verder evengoed, dan moet ik zeggen, dat de natuur ons bijzonder in de hand werkt.”
“Hoort gij dat?” zei Hobble-Frank, terwijl hij den Altenburger een por in de ribben gaf. “Mijn villa komt stellig nog terecht.”
“En mijn boerderij ook! Nu, verheug u, Altenburger, mijn vaderstad! de beroemdste van uw zonen komt aangereden met een geldzak, twintig ellen lang! Neef! kom hier ik moet u eens aan mijn hart drukken!”
“Nu nog niet!” zei Frank afwerend. “Nog liggen de schatten verborgen in den schoot der tijden van den confernalen toekomstvorm; en wij moeten als voorzichtige menschen er op bedacht zijn, dat mijn villa en uw boerderij nog altijd in een substantieel Niet verscholen liggen. Maar als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, zoo ver zijn we nog niet. Ik ben....”
Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: “Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!”
Het meisje had hier, voor het eerst sedert twee dagen, niet alleen weer gras gezien, maar ook eenige bloemen, en was die dadelijk begonnen te plukken om ze aan haar vader te brengen. De vochtigheid van het naburige meer was rondom op den grond van invloed; vandaar dat hier reeds plantengroei merkbaar werd; en hoe hooger men kwam, des te krachtiger vertoonde die zich, en tooide zelfs het ravijn, dat naar het meer leidde. Ellen was argeloos dezen weg ingeslagen. Al plukkende ging zij verder en verder, tot zij aan een bocht kwam. Hier bedacht zij, dat zij zich niet te ver mocht verwijderen. Juist toen zij wilde omkeeren, zag zij drie mannen den hoek omkomen—drie gewapende Indianen. Zij schrikte geweldig en wilde om hulp roepen, doch kon geen geluid geven. De Indiaan heeft door zijn opvoeding veel tegenwoordigheid van geest; in alle omstandigheden handelt hij vlug en doortastend. Nauwelijks zagen de drie mannen het meisje, of twee hunner vlogen op haar aan, en grepen haar. De een hield haar mond dicht met zijn hand; de andere dreigde haar met zijn mes, en zei in gebroken Engelsch: “Stil anders dood!”
De derde sloop vooruit, om te ontdekken bij wie het blanke meisje behoorde; want het sprak vanzelf, dat zij niet alleen was. Na verloop van een paar minuten keerde hij terug, en fluisterde zijn metgezellen eenige woorden in het oor, die Ellen niet verstond; daarop werd zij meegetrokken, zonder dat zij het durfde wagen, geluid te geven.
Reeds spoedig was men aan het einde van het ravijn; het liep uit op een niet zeer hooge berghelling, waarvan de benedenzoom met kreupelhout bedekt was, dat hoogerop in bosch overging. Ellen werd door het kreupelbosch heen meegetrokken naar de boomen, waar Indianen in menigte zaten. Naast hen lagen hun wapenen, die zij dadelijk opnamen en tegelijk opsprongen, zoodra zij hun kameraden met het meisje zagen aankomen.
Ellen verstond geen woord van hetgeen er gesproken werd, maar zij zag de dreigende blikken van allen op zich gericht en begreep, dat zij in groot gevaar verkeerde. Daar herinnerde zij zich eensklaps het “Totem”, dat de Jonge Beer haar op het stoomschip gegeven had, en dat hij er toen bij gezegd had, dat dit schrift haar beveiligen zou tegen iedere vijandelijkheid. “Zijn schaduw is mijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder”, dat was de beteekenis er van. Zij trok het koord te voorschijn, waaraan het totem hing, maakte het los, en gaf het aan een der Indianen, dien zij om zijn grimmig uiterlijk voor het gevaarlijkst hield.
“Nientropan-homosj,” zei zij daarbij, daar zij dikwijls gehoord had, dat de “Jonge Beer” in zijn eigen taal zoo heette.
De Roodhuid maakte het leder open, bekeek de figuren, uitte een kreet van verbazing, en gaf het totem aan zijn nevenman. Het ging van hand tot hand. De gezichten van allen werden vriendelijker, en degene, die reeds vroeger met Ellen gesproken had, vroeg haar:
“Wie—geven—u?”
“Nientropan-homosj,” antwoordde zij.
“Jong opperhoofd?”
“Ja,” knikte zij.
“Waar?”
“Op het schip.”
“Groote vuurkano?”
“Ja.”
“Op den Arkansas?”
“Ja.”
“Komt uit. Nientropan-homosj op Arkansas geweest. Wie—mannen—daar?” Hij wees achterwaarts naar het ravijn.
“Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand.”
“Oef!” riep hij uit, en “Oef!” riepen ook de anderen. Hij wilde nog verder vragen; doch daar ritselde het in het gebladerte, en de blanken, met de drie zooeven genoemden aan het hoofd, kwamen te voorschijn, om de Roodhuiden te omsingelen. Winnetou had hun spoor ontdekt, en men was hen onmiddellijk gevolgd. Zij deden geen pogingen om zich te weer te stellen, want zij wisten, dat men hun geen letsel zou doen. De bespieder had op zijn verkenningstocht Winnetou niet opgemerkt; vroeger had hij hem eens gezien, en nu herkende hij hem dadelijk.
“De groote hoofdman der Apachen!” riep hij uit. “Dit blanke meisje bezit het totem van den Jongen Beer, en is dus onze vriendin. Wij hebben haar meegenomen, omdat wij niet wisten, of de mannen, bij wie zij behoorde, onze vrienden of vijanden waren.”
De Roodhuiden hadden hun gezicht blauw en geel geverfd. Dit ziende, vroeg Winnetou hun: “Zijt gijlieden krijgslieden van de Timbabatsjen?”
“Ja.”
“Wie is uw aanvoerder?”
“Tsjia-nietfas.” (“Het lange oor.”) Waarschijnlijk was deze man door zijn scherp gehoor beroemd.
“Waar is hij?” vroeg Winnetou verder.
“Aan het meer.”
“Met uw hoevelen zijt gijlieden hier?”
“Honderd man.”
“Zijn er nog andere stammen ook hier?”
“Neen. Doch er komen nog tweehonderd krijgslieden van de Navajos, om tegen de Utahs te strijden. Met hen willen wij noordwaarts trekken, om de scalps der Utahs te halen.”
“Past maar op, dat zij niet de uwen nemen. Hebt gijlieden wachtposten uitgezet?”
“Waartoe? Hier zijn geen vijanden te vreezen.”
“Er zijn er meer in aantocht, dan u lief zal zijn. Is de Groote Beer aan het meer?”
“Ja, en de Jonge Beer ook.”
“Brengt ons bij hen!”
Juist kwamen eenige rafters met de paarden en de gevangenen uit het ravijn; de andere blanken waren Ellen natuurlijk te voet gevolgd. Men klom naar boven, en de Timbabatsjen gingen als gidsen voorop. Niemand was natuurlijk blijder over den afloop van dit avontuur dan de ingenieur, die in den grootsten angst was geweest over zijn dochter.
Het ging recht tegen den berg op, en vervolgens boven op de helling een eind onder de boomen door. Aan de andere zijde daalde de grond weer, en al spoedig zag men het water.
“Het Zilvermeer,” zei Old Shatterhand, zich tot zijn metgezellen wendende. “Eindelijk zijn wij dus aan het doel van onzen tocht.”
“Maar rust zullen wij hier niet vinden,” zei Old Firehand. “Wij zullen waarschijnlijk nog veel kruit te ruiken krijgen.”
Nog eenige oogenblikken, en toen kon men den ganschen omtrek overzien; het mocht inderdaad een prachtvol natuurtafereel genoemd worden.
Rotsbastions, zoo hoog als torens, met allerlei kleurschakeeringen gelijk die in den canon, omsloten een dal, dat ongeveer twee uur gaans lang en half zoo breed kon zijn. Achter die bastions verhieven zich telkens weer nieuwe bergreuzen, de een altoos het hoofd uitstekende boven den ander. Maar deze bergen en rotsen waren niet kaal. In de talrijke kloven daartusschen groeiden boomen en struikgewas; hoe lager men kwam, des te dichter werd de boschgroei, die zich uitstrekte in het rond tot dicht bij het meer, en tot daar slechts een smalle grasstrook vrij liet.
Midden in het meer lag een groen eilandje met een vreemdsoortig gebouwtje, van in de lucht gedroogde tichelsteenen opgetrokken. Het scheen uit den tijd te dagteekenen, toen de oorspronkelijke bewoners nog niet door de tegenwoordige Indianen waren verdrongen. Op de grasstrook stonden verscheiden hutten, in welker nabijheid eenige kano’s aan den oever vastgemeerd lagen. Het eilandje was cirkelrond, en kon omstreeks honderd voetstappen in doorsnede groot zijn. Het oude gebouwtje was geheel met bloeiende slingerplanten bedekt; het overige gedeelte van het eilandje was als tuin aangelegd en met bloemen en heesters beplant.
Het bosch deed de toppen der boomen weerspiegelen in het water, en de bergpieken wierpen hun schaduwen over het meer. Toch was dit noch groen, noch blauw of zelfs donker van kleur. Het glinsterde veeleer als zilvergrijs. Geen windje bracht het water in beweging. Was zoo iets mogelijk geweest, dan zou men hebben kunnen denken een met kwikzilver gevuld bekken voor zich te zien.
In en bij de hutten lagen Indianen, de bewuste honderd Timbabatsjen. Zij werden eenigszins onrustig, toen zij de blanken zagen aankomen; doch dat zij hun kameraden aan het hoofd van den stoet zagen, stelde hen spoedig gerust.
De blanken hadden de hutten nog niet geheel bereikt, of op het eilandje traden twee mannelijke gestalten uit de hut te voorschijn. De Apache bracht zijn hand aan den mond, en riep: “Nientropan-homosj! Winnetou is aangekomen!”
Men hoorde terugroepen; daarop zag men de beide mannen in een kano stappen, om naar den oever te roeien. Het waren de beide Beren, vader en zoon. Hun verwondering, toen zij de bekende gezichten zagen, was stellig groot; doch zij lieten hoegenaamd niets daarvan blijken. Toen de Groote Beer aan land was gestapt, gaf hij Winnetou de hand, en zei: “Het groote opperhoofd der Apachen is overal, en waar hij komt, verblijdt hij de harten. Ik groet ook Old Shatterhand, dien ik ken, en Old Firehand, die met mij op het schip is geweest.”
Toen hij Tante Droll zag, gleed er een glimlach over zijn gelaat; de eerste ontmoeting met dit potsierlijke kereltje schoot hem te binnen, en hij zei terwijl hij hem de hand reikte: “Mijn blanke broeder is een dapper man; hij heeft den panter gedood, en ik heet hem welkom!”
Zoo ging hij van man tot man, om ieder de hand te drukken. Zijn zoon was te jong; hij mocht zich niet met de beroemde krijgslieden en jagers op één lijn stellen, doch met Ellen mocht hij wel spreken. Toen hij de kano had vastgemaakt, naderde hij het meisje, dat uit den draagstoel was gestapt. Hij had zeker op zijn reis opgemerkt, op welke manier dames en heeren elkander begroeten, en wilde waarschijnlijk laten zien, dat hij dat nog onthouden had. Daarom nam hij zijn hoed van het hoofd, wuifde er een weinig mee, en zei toen in gebroken Engelsch: “De Jonge Beer heeft het niet voor mogelijk gehouden, dat hij ooit de blanke Miss zou weerzien. Wat is het doel van haar reis?”
“Wij willen niet verder, dan naar het Zilvermeer,” antwoordde zij.
Hij kreeg een kleur van blijdschap, hoewel hij zijn verwondering niet geheel kon verbergen.
“Zal de Miss dan eenigen tijd hier vertoeven?” vroeg hij.
“Ja, nog al lang zelfs!” antwoordde zij.
“Dan vraag ik om vergunning, veel bij haar te mogen zijn. Zij moet alle boomen, planten en bloemen leeren kennen. Wij zullen op het meer gaan visschen en in het bosch gaan jagen; maar ik moet altijd in haar nabijheid zijn, want er zijn wilde dieren en vijandige menschen. Zal zij mij dat vergunnen?”
“Zeer graag. Ik zal mij bij u veel veiliger voelen, dan wanneer ik alleen ben, en verheug er mij zeer over, dat gij hier zijt.”
Zij reikte hem de hand, en hij, waarlijk, bracht die aan zijn lippen, en maakte daarbij een buiging als een echt gentleman.
De paarden van de nieuwaangekomenen werden door de Timbabatsjen in het bosch gebracht, waarin zich ook de hunne bevonden. Hun hoofdman was tot nu toe hooghartig in zijn hut blijven zitten, en kwam nu langzaam te voorschijn, vrij gemelijk, dat men zoo weinig notitie van hem nam. Het was een somber uitziend man met zeer lange beenen en armen, hetgeen hem iets orang-oetang-achtigs gaf. Hij was niet minder verwonderd geweest dan de overigen over de onverwachte komst van zooveel blanken; doch hij was het aan zijn waardigheid verplicht, hiervan niets te laten merken en hun tegenwoordigheid te beschouwen als iets dat vanzelf sprak. Daarom bleef hij op een afstand staan en keek over hen heen naar de bergen, alsof hij niets met hen te maken had. Doch hij had buiten den waard gerekend; want Tante Droll kwam naar hem toe, en zei: “Waarom komt het Lange Oor niet naderbij? Wil hij de beroemde krijgslieden der bleekgezichten niet begroeten?”
De hoofdman mompelde iets onverstaanbaars in zijn eigen taal; maar Droll antwoordde: “Het Lange Oor spreke Engelsch. Uw taal heb ik niet geleerd.”
De Roodhuid mompelde weer iets koeterwaalsch, en daarop vervolgde Droll: “Het Lange Oor luistere naar wat de bleekgezichten weten, dan zult gij spoedig erkennen, dat als wij niet gekomen waren, gij allen hoogstwaarschijnlijk uw scalps verloren zoudt hebben.”
“Onze scalps? Wie zou ons die ontnemen?”
“De Utahs.”
“O, die komen niet; die zijn door de Navajos verslagen, en dezen zullen wij spoedig volgen, om ook veel scalps van de Utahs te halen.”
“Dan vergist gij u!”
“Maar wij zien toch hoofdmannen en krijgslieden van de Utahs hier als uw gevangenen. Dus moeten die toch overwonnen zijn!”
“Die hebben wij gevangengenomen op ons eigen handje. De Navajos hebben een volkomen nederlaag geleden en zijn op de vlucht geslagen; de Utahs rijden hen achterna, en zullen wellicht reeds heden aan het Zilvermeer zijn.”
“Oef!” zei het Lange Oor, terwijl hij van verbazing met open mond bleef staan.
Ook zijn onderhoorigen uitten kreten van verbazing.
“Is het mogelijk?” vroeg de Groote Beer. “Spreekt deze blanke tante de waarheid?”
“Ja,” antwoordde Winnetou, die het woord nam, omdat hij de omstreek van het Zilvermeer het best kende. “Wij zullen u alles uitvoerig vertellen, doch niet voordat wij zeker zijn, dat wij niet door den vijand overvallen kunnen worden. Zij kunnen ieder oogenblik hier zijn. Laat vijftig krijgslieden der Timbabatsjen onmiddellijk naar den canon afdalen; Humply-Bill en Gunstick-Uncle zullen hen vergezellen.”
“Ik ook mee!” verzocht Hobble-Frank.
“Ik ook asjeblieft!” zei Droll.
“Goed,” antwoordde Winnetou. “Gijlieden rijdt ook mee. Gij gaat naar beneden, tot daar, waar de canon smal begint te worden, en legt u daar achter de rotsen in hinderlaag. Er zijn daar genoeg uitspringende rotsen, waarachter gij u kunt verbergen. De Utahs zullen de Navajos dicht op de hielen zitten, om gelijktijdig met hen het Zilvermeer te bereiken. Gij moet de vrienden te hulp komen; en zoodra gij de vijanden ziet naderen, aan ons een boodschapper zenden, opdat wij ook te hulp komen. Laat uw paarden eerst terdege drinken; drink zelf ook, want daarbeneden is geen water, en de Groote Beer zal u wel eten medegeven.”
Vleesch was er genoeg voorhanden. Het hing te drogen aan riemen, die tusschen de boomen waren gespannen. Drinkwater was er ook in overvloed. Van de bergen stroomden verscheiden beken, die zich in het meer ontlastten. Om een dezer beken hadden de paarden zich verzameld, om hun dorst te lesschen.
Spoedig waren de vijftig mannen en de vier blanken gereed om te vertrekken. De Jonge Beer vroeg aan zijn vader vergunning om mee te mogen rijden, welk verzoek onmiddellijk werd ingewilligd. Hij kende het meer en den canon beter dan de Timbabatsjen. Zijn tegenwoordigheid kon hun van veel nut zijn.
Het dal van het Zilvermeer liep van het noorden naar het zuiden; het was aan de oost- en westzijde volkomen ongenaakbaar, en kon in het noorden niet anders bereikt worden, dan door den canon en de rotskloof, terwijl het meer in het zuiden zijn water ontlastte in een ravijn, dat in die richting den uitgang van het dal vormde.
Van de zuidzijde was geen vijand te verwachten; van dien kant moesten veeleer de bevriende Navajos komen. Daar behoefde men dus geen voorzorgsmaatregelen te nemen. Die waren slechts aan de noordzijde noodig.
Wie den omtrek van het Zilvermeer aan die zijde nauwkeurig onderzocht, moest tot het resultaat komen, dat het meer vroeger zijn afwatering niet naar het zuiden, maar naar het noorden gehad had. In ieder geval ontlastte het destijds zijn overtollige water in den canon. Nu lag er echter tusschen het meer en den canon een tamelijk breede, op een dijk gelijkende verhevenheid, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf was die soort van dijk niet ontstaan; het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij er kunstmatig was opgeworpen. Doch de handen, die dit werk voltooid hadden, waren reeds lang tot stof vergaan, want op den dijk stonden boomen, die minstens honderdvijftig jaar oud moesten zijn. Met welk doel had men dien dijk dan opgeworpen? Was er nu nog iemand in staat om deze vraag te beantwoorden?
Het detachement, dat door Winnetou was afgezonden, reed den dijk over, waarachter de canon begon. Die was hier ternauwernood tien el breed. Aanvankelijk vlak, begon de bodem allengs te dalen. Hoe lager die daalde, des te breeder werd hij. Plantengroei scheen aan deze zijde slechts in de nabijheid van het meer te bestaan. Zoodra men den dijk over was hield alle boomgroei en struikgewas op, en weldra was er zelfs geen grashalm meer te bekennen.
Eer de troep tien minuten ver gereden had, bereikten de rotswanden van den canon reeds een hoogte van meer dan honderd voet; nog een kwartier, en zij schenen zich tot in de wolken te verheffen. Hier waren ook reeds de rondgeschuurde steenen, die het rijden zoo bezwaarlijk maakten. Na het derde kwartier werd de canon eensklaps breeder, dubbel zoo breed als die tot dusver geweest was. Zijn wanden waren niet alleen in de hoogte, doch ook naar beneden op verscheiden plaatsen vaneengereten. Het had er veel van alsof de rotsen op zuilen rustten, welke gangen vormden, waarin men zich verschuilen kon.
“Hier moeten wij stilhouden,” zei de Jonge Beer, die met de blanken voorop reed. “Hier zijn genoeg gaten en holen, waarin wij ons kunnen verbergen.”
“En de paarden brengen wij een eind terug,” zei Droll, “anders zouden ze van hier, waar het tot vechten kan komen, licht gezien worden.”
Deze maatregel was verstandig, en werd daarom opgevolgd. De vijf en vijftig mannen verborgen zich aan beide zijden in de spleten. De blanken hielden den Jongen Beer bij zich, omdat deze hun alle wellicht noodige inlichtingen kon geven. Hij vroeg zoo ernstig en verstandig als een volwassen krijgsman naar de gebeurtenissen van de laatste dagen, en kon het maar niet gelooven, dat de Navajos afgeslagen waren. Doch des te grooter was de erkentelijkheid, die hij voor de blanken aan den dag legde.
“Mijn blanke broeders hebben gehandeld als moedige en toch bedachtzame mannen,” zei hij: “doch de Navajos zijn doof en blind geweest. Zij moesten overwinnen, want zij werden door de Utahs nog niet verwacht. Als zij stil in het dal waren geslopen en de Utahs hadden overvallen, waren die volkomen vernietigd. Maar zij hebben ontijdig geschreeuwd en geschoten, en hebben daarvoor met hun scalps moeten boeten. Nu zijn de Utahs hen de baas, en indien het gevecht zich voortplant tot in de nabijheid van het meer, dan....”
“Dan zullen wij een woordje meespreken,” viel Droll hem in de rede.
“Ja, dat zullen we,” zei Frank. “Het zou mij plezier doen als ik het geweer, dat de lord mij gegeven heeft, voor het eerst tegen die kerels kon probeeren. Hoe is het met den canon, heeft die hier ook toegangen?”
“Neen. Er is er slechts een; namelijk de kloof, waardoor gij in het keteldal zijt gekomen, maar die toegang kennen de Utahs niet.”
“En de Navajos?”
“Slechts enkelen van hen, en die zullen er niet aan denken, van dien weg gebruik te maken, want de weg is....”
Hier zweeg hij eensklaps, om te luisteren. Zijn geoefend oor had een geritsel waargenomen. Ook de anderen hoorden het. Het klonk als het struikelen van een vermoeid paard over de verbrokkelde steenen. Een oogenblik later verscheen een enkel ruiter, een Navajo, wiens paard bijna niet meer kon loopen. De man scheen gekwetst te zijn, want hij was met bloed bevlekt, doch desniettegenstaande zette hij zijn paard met handen en voeten tot steeds verhoogde krachtsinspanning aan.
De Jonge Beer verliet zijn schuilhoek, en trad naar buiten. Zoodra de Navajo hem gewaarwerd, liet hij zijn paard stilstaan en riep verheugd: “Oef! mijn jonge broeder! Zijn de verwachte krijgslieden der Navajos reeds aangekomen?”
“Nog niet.”
“Dan zijn wij verloren!”
“Hoe kan een krijgsman der Navajos zich verloren wanen!”
“De Groote Geest heeft ons den rug toegekeerd en zich naar de honden der Utahs gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen, om hen te verdelgen; doch onze hoofdmannen hadden hun verstand verloren, en wij werden verslagen. Wij vluchtten, en de Utahs vervolgden ons; zij waren sterker dan wij; maar toch zouden wij stand hebben kunnen houden; doch van morgen heeft zich een nieuwe groote troep bij hen aangesloten. Zij zijn nu viermaal zoo sterk als wij, en zitten ons dicht op de hielen.”
“Oef! dus zijt gijlieden reeds vernietigd?”
“Bijna. Tien geweerschoten van hier af naar beneden woedt het gevecht. Ik ben afgezonden om van het Meer af hulp te halen; want wij dachten, dat de verwachte krijgslieden reeds aangekomen zouden zijn. Nu zijn onze mannen verloren!”
“Nog niet. Stijg van uw paard af, en rust hier wat uit! Er zal wel hulp komen.”
Wat keek de man verbaasd, toen hij vijftig Timbabatsjen en vier blanken te voorschijn zag komen. De laatsten hadden het relaas van den Navajo niet verstaan, daar zij zijn taal niet machtig waren; daarom lieten zij het zich door den Jongen Beer vertolken. Toen zij hoorden hoe de zaken stonden, zei Droll: “Als het zoo gesteld is, moeten de Navajos onmiddellijk achteruittrekken. Er moet dadelijk een renbode naar hen toe, om hun te zeggen, dat wij hen hier zullen opnemen. En een tweede moet naar het Meer, om onze kameraden en de overige Timbabatsjen te halen.”
“Hoe komt het in u op!” viel Hobble-Frank hem weersprekend in de rede. “Volgens dit plan, zijn de Navajos verloren!”
“Hoe zoo?” vroeg Droll verwonderd. “Denkt gij, dat ik geen Westman ben?”
“De beste Westman kan wel eens iets verkeerd inzien. De Navajos hebben zulk een overmacht tegen zich, dat zij verloren zijn, zoodra zij willen vluchten, want in dat geval rijden de Utahs hen eenvoudig onder den voet. Zij moeten blijven, waar zij zijn; zij moeten standhouden, tot het gevecht tot staan komt, en daarvoor zullen wij zorgen.”
“Bravo, Frank! gij hebt gelijk,” riep Humply-Bill.
En de Gunstick-Uncle voegde er bij: “Ja, ja, zij moeten vechtend blijven—tot wij al de Utahs daar verdrijven!”
“Goed gesproken!” knikte de Hobble, gestreeld door de instemming die zijn plan vond. “Er moet gauw een krijgsman van de Timbabatsjen naar het Meer rijden, om hulp te halen; drie blijven er hier bij de paarden, om te zorgen dat die geen verkeerde kunsten beginnen, en wij overigen loopen wat wij loopen kunnen om de Navajos te helpen. Vooruit maar!”
Dit voorstel werd dadelijk ten uitvoer gebracht. De vier blanken, met den flinken Jongen Beer aan het hoofd, en de Timbabatsjen liepen zoo hard als de slechte weg maar veroorloofde. Zij waren nog niet lang onderweg, of zij hoorden een schot, en daarop nog een tweede. Aangezien vriend en vijand uitsluitend met pijl en boog gewapend waren, konden dat geen geweerschoten zijn. Maar spoedig hoorden zij ook het geschreeuw der vechtenden en kregen zij die in het oog.
Ja, het stond hachelijk met de Navajos. Hun paarden waren meerendeels doodgeschoten; zij konden zich slechts achter hun gedoode viervoeters verdekt opstellen, want de wanden van den canon waren hier glad en zonder hoeken, zoodat die geen schuilplaats aanboden. Zij schenen gebrek te krijgen aan pijlen, want zij schoten er niet op los, doch enkel dan, wanneer zij zeker van hun schot waren. Eenigen van de koelbloedigsten raapten snel de pijlen der Utahs op, om die te gebruiken. De vijand was zoo talrijk, dat zij in verscheiden rijen achter elkander stonden en de geheele breedte van den canon innamen. Zij vochten te voet, en hadden hun paarden achtergelaten, opdat die niet neergeschoten zouden worden. Dit was een geluk voor de Navajos. Indien de Utahs te paard op hen losgestormd waren, zou er niet één hunner in leven gebleven zijn.
Nu hield het oorlogsgehuil een oogenblik op. Men zag dat er hulp opdaagde. De vier blanken bleven zonder bedekking midden in den canon staan; zoodra zij begrepen, dat de Utahs onder het bereik van hun kogels waren, legden zij hun geweren aan, mikten, en gaven vuur. Het gehuil der Utahs bewees, dat de kogels geraakt hadden. Nog vier schoten. En gehuil opnieuw. De Timbabatsjen doken neer, en kropen over den grond voorwaarts, om ook te kunnen schieten.
Humply-Bill was van meening, dat de vier blanken niet gelijktijdig meer moesten schieten, omdat er anders gedurende het laden een te groote pauze ontstond. Hij stelde daarom voor, dat er twee zouden laden, terwijl de twee anderen schoten, en allen vonden dit goed.
Het werd reeds spoedig merkbaar wat vier geoefende schutters met goede geweren vermogen. Ieder schot trof zijn man. De weinige Utahs, die geweren hadden, mikten nu niet meer op de Navajos, maar op de blanken. Daardoor kwamen de eersten eenigszins op hun verhaal.
Naast de jagers lag de “Jonge Beer”, en gebruikte zijn geweer, dat het een lust was om te zien. Elk schot was raak. De Utahs weken terug. Slechts zij, die een geweer hadden, bleven staan; doch hun kogels droegen niet ver genoeg, en dichterbij durfden zij niet komen. Nu riep Hobble-Frank den Jongen Beer toe: “Wij met ons vijven blijven staan. De Navajos kunnen zich achter ons terugtrekken. Zeg hun dat!”
De zoon van den hoofdman deed wat hem verzocht werd, en dadelijk sprongen de Roodhuiden op, en snelden achteruit, om zich achter de blanken in veiligheid te stellen. Het was een treurig gezicht. Eerst nu kon men goed zien, hoe erg de Navajos geleden hadden. Er waren er hoogstens nog zestig van over, en slechts de helft van die weinigen had nog paarden. Gelukkig konden zij zich ongemoeid terugtrekken, daar de Timbabatsjen bleven liggen en de Utahs in bedwang hielden. Het was eigenlijk een schande voor de laatsten, dat zij niet een algemeenen snellen aanval waagden; doch dan zouden er verscheiden hunner gevallen zijn, en dit vermijdt de Indiaan steeds. Hij doet het liefst alleen dan een aanval, wanneer hij voor zich zelf niets te vreezen heeft.
Daardoor konden de Navajos achteruittrekken en ook de blanken met den Jongen Beer een eind weegs retireeren, zonder dat zij hierin verhinderd werden. De Utahs volgden hen eenvoudig op een afstand. Zij bewaarden hun pijlen, en zetten slechts met hun weinige geweren het gevecht voort. Op deze wijze trokken de Navajos en de blanken telkens verder achteruit, aanhoudend door de Utahs vervolgd, totdat de blanken en hun bondgenooten dicht bij de plaats kwamen, waar zij zich vroeger verborgen hadden gehouden. Hier gaven de blanken den raad om zich snel in de holen en gaten te verschuilen; de Jonge Beer vertolkte dat...... en in een oogwenk waren de tot dusver zoo hevig bestookte Roodhuiden verdwenen. Zij waren in veiligheid; want hier waren zij tegen alle geweervuur volkomen beschut, terwijl de Utahs hoegenaamd geen schuilplaats hadden. Zoodra de nu verwachte hulp kwam, kon men het verder verloop van den strijd gerust afwachten.
En de hulptroepen waren reeds in aantocht. Winnetou had den Grooten Beer met korte woorden verteld, wat er was voorgevallen. De laatste trok een zeer bedenkelijk gezicht, en zei: “Ik heb de Navajos nog gewaarschuwd. Ik gaf hun den raad om te wachten, tot al hun krijgslieden bijeen zouden zijn. Maar zij dachten, dat de Utahs zich óók nog niet vereenigd hadden, en wilden daarom de verschillende afdeelingen een voor een vernietigen. Nu hebben zij zelf het lot ondergaan, dat zij aan anderen dachten te bereiden.”
“Volstrekt niet!” zei Old Shatterhand. “Zij zijn immers nog niet vernietigd?”
“Denkt gij dat? Ik denk er anders over. Ik ken de verzamelplaats der Utahs. Indien de Navajos uit het Hertendal achterwaarts vluchten, moeten zij verscheiden van die plaatsen voorbij, en kunnen zij gemakkelijk aan alle kanten ingesloten worden. En al gelukt het hun, in de bergen te ontkomen, zal het aantal der Utahs van plaats tot plaats grooter worden; en het is best mogelijk, dat wij een duizendtal van hun krijgslieden hier aan het Zilvermeer te zien zullen krijgen. Of de Navajos dat onder zulke omstandigheden wel zullen bereiken, is erg te betwijfelen.”
“Hoe staat het dan met u? Zullen de Utahs u als vijand behandelen?’
“Ja.”
“Dan verkeert gij in het grootste gevaar.”
“O neen!”
“Omdat gij eenige Timbabatsjen hier hebt en ook nog eenige Navajos verwacht?”
“Neen; ik reken noch op den een, noch op den ander; ik verlaat mij louter en alleen op mij zelf.”
“Dan begrijp ik u niet.”
“Ik ben voor geen duizend Utahs bang.”
“Daar heb ik geen hoogte van.”
“Ik behoef mijn hand slechts op te heffen, dan zijn zij allen verloren. In één oogenblik dood ik hen allen.”
“Hum! Allen?”
“Gelooft gij dat niet? Och, zoo iets kunt gijlieden ook niet begrijpen. Gij bleekgezichten, zijt zeer vernuftige mannen, doch op zulk een gedachte zou niet een der uwen komen.”
Hij zei dit op een toon van trots. Old Shatterhands blik vloog even rond over het meer en over de bergen rondom, en toen antwoordde hij, terwijl er een glimlachje om zijn lippen speelde: “Maar gij, gij zelf, zijt ook niet op die gedachte gekomen.”
“Niet? Wie zegt u dat?”
“Dat zeg ik. Wij blanken kunnen op zulke gedachten niet komen, omdat wij Christenen zijn, en van zulk een menschenslachting een afschuw hebben; maar toch zijn wij wijs genoeg om in uw ziel te kunnen lezen.”
“Wilt gij daarmee zeggen, dat gij weet waarom ik voor geen duizend vijanden bang ben?”
“Ja, juist.”
“Zeg het dan!”
“Moet ik daardoor uw geheim verraden?”
“Dat kunt gij onmogelijk verraden; want gij kent het niet. Er leven er nog maar twee, die het kennen: mijn zoon en ik.”
“En ik!”
“Onmogelijk! Of bewijs het mij!”
“Goed! Gij doodt duizend Utahs zoogoed als in een oogenblik?”
“Ja.”
“Wanneer zij zich in den canon bevinden?”
“Ja.”
“Dat kan noch door messen, noch door geweren, noch door eenig ander wapentuig geschieden.”
“Neen. En juist dat, waardoor en hoe het wel geschiedt, kunt gij niet weten.”
“O, dat weet ik zeker! Het kan geschieden door een natuurkracht. Door luchtdrukking, dus door een storm? Neen. Door vuur? Ook niet. Dus door water?”
“Uw gedachten zijn goed en verstandig; maar verder komt gij niet!”
“Dat zullen wij zien! Waar vindt gij genoeg water, om zooveel menschen tegelijk te dooden? In het meer. Zullen die menschen naar het meer gaan? Neen. Dus moet het meer naar de menschen toe komen; het moet zijn wateren plotseling in den canon uitstorten. Hoe is het mogelijk? Er ligt toch een hooge, sterke dam tusschen! Welnu, die dam heeft in overoude tijden niet bestaan; men heeft hem gemaakt en hem zoodanig ingericht, dat hij plotseling opengezet kan worden, waardoor het droge ravijn oogenblikkelijk in een snelstroomende rivier verandert. Heb ik het geraden?”
In weerwil van de bedaardheid, die een Indiaan, en vooral een hoofdman, onder alle omstandigheden moet weten te bewaren, sprong de Groote Beer op, en riep: “Heer zijt gij alwetend?”
“Neen, maar ik denk na.”
“Gij hebt het geraden; inderdaad, gij hebt het geraden! Maar hoe ben ik aan het geheim gekomen?”
“Door erfenis.”
“En hoe wordt de dam geopend?”
“Als gij mij vergunt, dat ik dit ga onderzoeken, zal ik die vraag zeer spoedig beantwoorden.”
“Neen, dat mag ik u niet vergunnen. Maar kunt gij ook raden, waarom die dam daar opgeworpen is?”
“Ja.”
“Nu?”
“Om twee redenen. Ten eerste, ter verdediging. De veroveraars der zuidelijke streken kwamen allen uit het Noorden. Dit groote ravijn was voor hen een geliefkoosde weg. Daarom heeft men den dam opgeworpen, om hun den weg te versperren en het water plotseling te kunnen loslaten.”
“En wat is de andere reden?”
“De schat.”
“De schat?” vroeg de hoofdman, terwijl hij een stap achteruit deed. “Wat weet gij van een schat?”
“Niets; maar ik raad veel. Ik zie het meer, zijn oevers, den geheelen omtrek, en ik denk na. Toen er nog geen dam was, was er ook geen meer, maar een diep dal, door hetwelk de beken, die nu nog bestaan, zich in den canon ontlastten, welken uitweg zij zich zelf gebaand hadden. Er woonde hier een rijk volk; dat heeft langen tijd gestreden tegen de steeds voorwaarts dringende veroveraars; het zag eindelijk in, dat het ’t onderspit zou moeten delven en vluchten, misschien slechts voor een korten tijd. Het begroef toen zijn schatten en al het geheiligde vaatwerk hier in het dal, en trok den dam hooger op, om een groot meer te doen ontstaan, welks wateren de onoverwinnelijke, stomme bewakers van dien schat zouden zijn.”
“Zwijg, zwijg, anders brengt gij alles aan het daglicht, alles!” riep de Groote Beer verschrikt uit. “Laten wij niet verder over den schat, maar alleen over den dam spreken. Ja, ik kan hem openen; ik kan duizend en nog meer Utahs doen verdrinken, wanneer zij zich in den canon bevinden. Wil ik dat doen, als zij komen?”
“Om Godswil, neen! Er zijn nog andere middelen om hen in bedwang te houden!”
“Welke dan? Wapenen?”
“Ja, en bovendien de gijzelaars, die ginds in het gras liggen. Dat zijn de beroemdste hoofdmannen der Utahs. Om hun hoofdmannen te redden, zullen zij al onze eischen inwilligen. Daarom hebben wij hen gevangengenomen en meegebracht.”
“Dan moeten wij die gevangenen in verzekerde bewaring brengen.”
“Weet gij daartoe een geschikte plaats?”
“Ja; zij kunnen eerst eten en drinken; dan zullen wij hen daarheen brengen.”
De handen der gevangenen werden losgemaakt; men gaf hun vleesch en water, en bond hen daarna weer. Nu werden zij met behulp van eenige Timbabatsjen in de kano’s gebracht, die aan den oever van het meer lagen. Old Firehand, Shatterhand en Winnetou gingen ook naar het eilandje. Zij waren nieuwsgierig om het inwendige van dat gebouwtje te zien. Dit bestond boven den grond slechts uit één verdieping gelijkvloers, welke door een muur in twee vertrekken was afgedeeld. In het eene gedeelte bevond zich de stookhaard; het andere was het woonvertrek. Dit zag er zeer naakt en kaal uit. Meubelen waren er niet in; enkel een hangmat en een allerarmzaligste slaapstede, dat was alles.
“Moeten de gevangenen hier blijven?” vroeg Old Shatterhand.
“Neen, want hier zouden zij nog kunnen ontsnappen. Er is nog een veel betere plaats.”
Hij schoof de slaapstede op zij. Die bestond uit een onderlaag van dwarshouten, met daaroverheen gespreide biezen-matten en dekken. Onder de slaapstede werd een vierkant gat zichtbaar, een boomstam met inkervingen deed dienst als ladder naar beneden. De hoofdman klom naar omlaag, Old Shatterhand volgde hem, en de overigen moesten nu de gevangenen een voor een neerlaten. Door de opening viel genoeg licht in de kelderachtige ruimte, zoodat Old Shatterhand zich spoedig kon oriënteeren. Het vertrek was grooter dan de woonkamer, en wel naar den tuinkant. De tegenovergestelde zijde was door een muur van tegels afgesloten waarin zich geen deur noch eenige andere opening bevond. Toen de jager er tegen klopte, klonk het ijl en hol. Daarachter was dus een tweede kelder, die onder den haard lag. En toch was daar geen toegang naar beneden te zien geweest.
De Utahs werden beneden in ontvangst genomen en naast elkander gelegd. Old Shatterhand was bang, dat het hen aan lucht zou ontbreken; toen hij dat te kennen gaf, antwoordde de Groote Beer: “Zij kunnen voldoende ademhalen. Van de zoldering af loopen gaten door de muren van het gebouw; er zijn dakpannen ingezet. De oude bewoners van deze streek wisten zeer goed wat zij deden.”
Old Shatterhand zette, naar het scheen onwillekeurig, doch met opzet, zijn voeten wat hard op den grond neer. De vloer van den kelder klonk eveneens hol. Waarschijnlijk was dit eilandje in den vorm van een hol gebouw opgemetseld, eer men het meer liet ontstaan, en vervolgens met een voor het water ondoordringbaren aarden- en steenen mantel omringd. Zou wellicht op den bodem van dit eilandje de schat verborgen liggen?
Er was echter geen tijd tot verder in het oog loopende onderzoekingen, want de laatste gevangene was nedergelegd, en de hoofdman klom weer naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van het gebouw hingen aan stokken groote stukken gedroogd en gerookt vleesch. Hiervan werd een gedeelte in de kano’s gebracht, om op den oever te worden genuttigd. Op hetzelfde oogenblik dat men daar aankwam, verscheen op een met schuim bedekt paard de renbode, dien men om hulp had afgezonden. Zoo dichtbij hadden de Timbabatsjen en ook de Groote Beer hun vijanden nog niet verwacht. Allen grepen naar hun wapenen en snelden naar de paarden.
Ellen moest natuurlijk achterblijven, doch niet zonder bescherming. Maar niemand wilde zich gaarne het genoegen ontzeggen deel te nemen aan den rit, zoodat ten slotte haar vader bij haar bleef. De Groote Beer gaf hem den raad, om met haar naar het eiland te roeien en daar te blijven, omdat men daar het veiligst was. Buiten hen, bleef er namelijk niemand aan het meer achter. Er was wel niet veel gevaar te duchten, doch in zulke gevallen is voorzichtigheid altoos raadzaam. Hij stapte dus met Ellen in een kano, nam zijn wapenen mee, en stak van wal, toen de anderen wegreden.
Dezen vergden van hun paarden veel meer, dan het eerste detachement gedaan had. Het ging in galop bij manier van spreken door dik en dun, en in een kwartier tijds was de weg afgelegd, waartoe de eerste vijftig man drie kwartier noodig gehad hadden. Nu stieten zij op de paarden van die vijftig. En vóór hen vielen er schoten. Zij stegen af, lieten hun paarden insgelijks hier achter, splitsten zich zoo snel mogelijk in tweeën naar links en naar rechts, en bereikten, zonder door de Utahs opgemerkt te zijn, de vaneen gespleten rotspartijen, waar hun vrienden een schuilplaats hadden gevonden.
Dezen verheugden er zich natuurlijk zeer over, dat er zoo spoedig hulp kwam opdagen. Humply-Bill vertelde wat er was voorgevallen, en Hobble-Frank was niet weinig in zijn schik, dat men hem prees over hetgeen hij gedaan had.
De Utahs waren in de meening, het nog altoos alleen te doen te hebben met hen, die zij gezien hadden. Zij schenen te beseffen, dat zij door snel en doortastend op te treden, reeds lang aan den strijd een einde hadden kunnen maken, en wilden daarom het verzuimde herstellen. De verdedigers van den canon, die vooraan in de schuilhoeken lagen, zagen, dat de Utahs zich verzamelden, en deelden dit aan hun kameraden mede. Men maakte zich daarom gereed om hen te ontvangen.
Eensklaps weerklonk er een gehuil, alsof alle booze geesten uit de Onderwereld waren losgebroken, en de Utahs rukten voorwaarts. Nauwelijks twee minuten lang werd er van weerskanten verwoed geschoten, toen weken de Utahs terug, en lieten een menigte dooden en gekwetsten liggen. Old Shatterhand had achter een rotspijler gestaan en verscheiden malen geschoten, doch daarbij zóó gemikt, dat hij de getroffen personen niet doodde, maar slechts ongeschikt maakte om verder te vechten. Nu zag hij, dat de Timbabatsjen te voorschijn sprongen, om de gevallenen te scalpeeren; hun hoofdman was bij hen.
“Halt!” riep hij met zijn donderende stem. “Laat die menschen liggen.”
“Waarom? Hun scalps komen ons toe!” antwoordde het Lange Oor.
Dit zeggende trok hij zijn mes, en bukte, om een gekwetste van zijn schedelhuid te berooven. In een oogwenk stond Old Shatterhand bij hem, hield hem de revolver voor, en zei dreigend: “Doe één snee, en ik schiet!”
Hij richtte zich op, en zei zoo vriendelijk mogelijk: “Wat kunt gij daar toch tegen hebben. De Utahs zouden ons immers ook scalpeeren.”
“Als ik bij hen was, zouden zij het wel laten. Ik duld dat niet, ten minste niet bij de levenden.”
“Dan kunnen zij hun scalps behouden; maar van de dooden zal ik die nemen.”
“Met welk recht?”
“Ik begrijp u niet!” antwoordde de Roodhuid verbaasd. “Een verslagen vijand moet toch gescalpeerd worden!”
“Er liggen er hier velen. Hebt gij die dan allen overwonnen?”
“Neen. Ik heb er één geraakt.”
“Welken?”
“Dat weet ik niet.”
“Is hij dood?”
“Dat weet ik ook niet. Hij is weggeloopen.”
“Wijs mij dan den doode aan, die door een kogel van u geraakt is; dan kunt gij hem scalpeeren, maar eer niet!”
De hoofdman trok zich brommend terug in zijn schuilplaats, en zijn volgelingen deden hetzelfde. Opeens weerklonk er beneden, waar de afgeslagen Utahs zich weer verzameld hadden, een geschreeuw. Terwijl de jager tusschen de Timbabatsjen stond, hadden zij hem niet goed kunnen zien; maar nu hij daar geheel alleen stond, herkenden zij hem, en hoorde men hen roepen: “Old Shatterhand! Het toovergeweer! Het toovergeweer!”
Dat die man zich hier kon bevinden, was voor hen onbegrijpelijk. Zijn tegenwoordigheid hier maakte een in waarheid ontmoedigenden indruk op hen. Des te meer moed legde hij aan den dag. Hij liep langzaam naar hen toe, en toen hij begreep, dat zij hem konden verstaan, riep hij: “Komt uw dooden en gekwetsten halen! Wij schenken u die.”
Een der aanvoerders antwoordde: “Gij zult op ons schieten!”
“Neen.”
“Spreekt gij waarheid?”
“Old Shatterhand liegt nooit.”
Old Shatterhand draaide zich om, en keerde in zijn schuilplaats terug.
Hoe trouweloos deze Roodhuiden ook waren, bij dezen jager, bij dit bleekgezicht, behoefden zij geen woordbreuk, geen verraad te vreezen. Daarbij kwam nog, dat de Indianen het als een groote schande beschouwen, indien zij hun dooden of zelfs hun gekwetsten in den steek laten. Daarom zonden de Utahs, aanvankelijk eerst als proefneming, twee der hunnen, die langzaam naderbij kwamen, een gekwetste optilden en hem wegdroegen. Zij keerden terug en brachten een tweede weg. Toen ook nu nog niets vijandigs had plaats gehad, werden zij geruster, en kwamen er verscheiden tegelijk. Old Shatterhand trad weer naar buiten; zij schrikten, en wilden wegloopen. Maar hij riep hun toe: “Blijft! Er zal u niets geschieden.” Zij bleven angstvallig staan; hij kwam nu geheel naderbij, en vroeg: “Hoeveel hoofdmannen zijn er nu bij u?”
“Vier.”
“Wie is de voornaamste van hen?”
“Nanap varrenton (= de oude donder).”
“Zeg hem, dat ik met hem spreken wil! Hij kan de eene helft van den weg loopen, en ik de andere helft; dan ontmoeten wij elkaar in het midden; wapenen brengen wij niet mee!”
Zij gingen de boodschap overbrengen, en keerden terug met het antwoord: “Hij komt, en brengt de drie andere hoofdmannen mee.”
“Ik breng slechts twee kameraden mee, die hij waarschijnlijk wel zal kennen. Zoodra gijlieden hier klaar zijt, kunnen de hoofdmannen komen.”
Weldra naderden de vier personen van den eenen, en Old Shatterhand, Firehand en Winnetou van den anderen kant. In het midden van den afstand kwamen zij te zamen, begroetten elkander met een ernstige hoofdbuiging en namen tegenover elkander plaats op den grond. De hooghartigheid der Roodhuiden verbood hun dadelijk te spreken. Hun gelaatstrekken kon men niet herkennen door de klodders verf, die er opgesmeerd waren; doch uit hun blikken sprak de verbazing, dat zij naast Old Shatterhand de twee andere beroemde mannen zagen. Zoo keken beide partijen elkander een tijdlang aan, totdat de oudste der Roodhuiden, de Oude Donder, zijn geduld verloor en besloot te spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan, en begon: “Toen de geheele aarde nog aan de zonen van den grooten Manitou toebehoorde, en er bij ons nog geen bleekgezichten waren, toen....”
“Toen hebt gij redevoeringen kunnen houden, zoo lang gij maar wildet,” viel Old Shatterhand hem in de rede. “Maar de bleekgezichten drukken zich liefst kort uit, en dat zullen wij nu ook doen.”
Wanneer de Roodhuid een palaver houdt, is er geen einde aan zijn woordenvloed. Het onderhoud zou misschien verscheiden uren geduurd hebben, indien Old Shatterhand hem niet reeds bij de inleiding den pas daartoe had afgesneden. De Roodhuid keek hem half verwonderd, half gemelijk aan, nam weer plaats op den grond, en zei: “De Oude Donder is een beroemd hoofdman. Hij telt vele jaren meer dan Old Shatterhand, en is niet gewoon zich door jonge mannen in de rede te laten vallen. Indien de bleekgezichten mij willen beleedigen, hadden zij mij niet hier moeten laten komen. Ik heb gezegd. Howgh!”
“Ik ben niet voornemens geweest u te krenken. Een man kan veel jaren tellen, en toch minder ondervonden hebben, dan een jongere. U sprak van de tijden, toen er nog geen bleekgezichten waren, maar wij willen over den dag van heden spreken. En daar ik degene ben, die u heb laten roepen, zal ik ook het eerst spreken, en zeggen wat ik van u verlang. Ook ik heb nu gezegd. Howgh!”
Dat was een krasse terechtwijzing. Daardoor bracht hij de Roodhuiden aan het verstand, dat hij hier te bevelen had. Zij zwegen, en daarom vervolgde hij: “Gij hebt mijn naam genoemd, en dus kent gij mij. Kent gij ook de beide krijgslieden, die hier naast mij zitten?”
“Ja, dat zijn Old Firehand, en Winnetou, de hoofdman der Apachen.”
“Dan zult gij ook weten, dat wij altijd vrienden van de roode mannen geweest zijn. Niet één Indiaan kan zeggen, dat wij hem, zonder dat hij er zelf aanleiding toe gegeven had, als vijand hebben behandeld; wat meer zegt, wij hebben dikwijls van onze rechtmatige wraakoefening afgezien en vergiffenis geschonken, waar wij hadden moeten straffen. Waarom vervolgt gij ons dan?”
“Omdat gij de vrienden van onze vijanden zijt.”
“Dat is niet zoo! De Groote Wolf heeft ons gevangengenomen, zonder dat wij hem het minste in den weg hadden gelegd. Hij trachtte ons meermalen naar het leven, en heeft verscheiden malen zijn woord geschonden. Wij hebben ons tegen de Utahs moeten verdedigen, om ons leven te redden.”
“Hebt gij niet, in het Woud des Waters, den ouden hoofdman neergeveld en andere hoofdmannen en krijgslieden meegenomen?”
“Weder louter, om ons eigen leven te redden.”
“En nu bevindt gij u bij de Navajos en Timbabatsjen, die onze vijanden zijn.”
“Dat is louter toeval. Wij wilden naar het Zilvermeer, en stieten hier op hen. Wij hoorden, dat het tot een gevecht tusschen u en hen zou komen, en wij doen ons best, om vrede te stichten.”
“Wij willen wraak, en geen vrede; en uit uw handen het allerminst.”
“Of gij al dan niet vrede wilt sluiten, dat is uw zaak; wij beschouwen het als onzen plicht, u vrede aan te bieden.”
“Wij zijn de overwinnaars.”
“Dat zijt gij geweest, vroeger; maar nu zijt gij dat niet meer. Gijlieden zijt bitter gekrenkt, dat weten wij; maar het is onrechtvaardig van u, u daarom op onschuldigen te willen wreken. Ons leven heeft herhaalde malen op het spel gestaan. Indien het van u had afgehangen, waren wij reeds lang aan den martelpaal gestorven, zooals de andere bleekgezichten in het Hertendal.”
“Wat weet gij daarvan?”
“Alles. Wij hebben hun lijken begraven.”
“Zijt gij dan daar geweest?”
“Ja. Wij zijn in uw midden geweest. Wij hebben gehoord wat de Utahs zeiden, en gezien wat zij deden. Wij stonden onder de boomen, toen de Navajos aanrukten, en wij hebben gezien dat gij hen teruggeworpen hebt.”
“Dat is onmogelijk; dat is niet waar.”
“Gij weet, dat ik niet lieg. Vraag het maar aan de hoofdmannen der Utahs, die er bij geweest zijn.”
“Waar kunnen wij aan hen iets vragen? Zij zijn verdwenen.”
“Waarheen?”
“Weten wij dat?”
“Zijn zij door de Navajos gedood?”
“Neen. Aanvankelijk dachten wij dat, maar wij hebben hun lijken niet gevonden. Toen vermoedden wij, dat zij gevangengenomen waren; maar wij hebben de Navajos dicht op de hielen gezeten, en niet één gevangene bij hen gezien, terwijl velen der hunnen in onze handen gevallen zijn. De hoofdmannen der Utahs zijn niet bij de Navajos.”
“Maar verdwenen kunnen zij toch niet zijn!”
“De Groote Geest heeft hen tot zich genomen.”
“Neen. De Groote Geest wil van zulke trouwelooze en verraderlijke mannen niets weten. Hij heeft hen in onze handen overgeleverd.”
“In uw handen?”
“Ja, in de macht der bleekgezichten, die gij verdelgen wildet.”
“Uw tong is valsch; zij spreekt zulke woorden, om ons den vrede af te dwingen.”
“Ja, ik wil en zal u den vrede afdwingen. Ik zeg de waarheid. Toen wij dien avond in het Hertendal bij u waren, hebben wij de drie hoofdmannen gevangengenomen.”
“Zonder dat hun krijgslieden het merkten?”
“Niemand kon het zien of hooren. Wij hebben hen neergeworpen, zonder dat zij een woord konden uiten. Niet voor niets word ik Old Shatterhand genoemd!”
“Het is niet waar. Men zou ulieden wel gezien hebben.”
“Er is in het Hertendal een schuilplaats, die wij wel kennen, maar die gij niet kent. Ik zal u bewijzen, dat ik waarheid spreek. Wat is dat?”
Hij haalde uit zijn zak een smallen riem, die bezet was met ronde knoopen, vervaardigd uit de schaal der venus-schelp, en liet hem dien riem zien.
“Oef!” riep de Oude Donder verschrikt. “De wampoen van de Gele Zon. Ik ken hem goed.”
“En dezen hier?”
Hij bracht een tweeden riem te voorschijn.
“De wampoen van de Vier Buffels! Dien ken ik ook.”
“En dezen derden wampoen?”
Toen hij den derden riem vertoonde, bleven den oude de woorden bijna in de keel steken. Hij maakte een beweging van ontzetting, en uitte bijna stotterend: “Geen krijgsman geeft zijn wampoen over; die is hem heilig boven alles. Wie den wampoen van een ander bezit, heeft dien persoon gedood of hem gevangengenomen. Leven de drie hoofdmannen nog?”
“Ja.”
“Waar zijn zij?”
“In onze macht, terdege opgesloten.”
“Aan het Zilvermeer?”
“Gij vraagt te veel. Bedenk, wie zich buiten hen nog bij ons bevinden! Het zijn uitsluitend hoofdmannen en dappere krijgslieden, die later stellig ook hoofdmannen zullen worden.”
“Wat zult gij met hen doen?”
“Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajos en de Timbabatsjen, dan laten wij de gevangenen vrij!”
“Wij hebben óók gevangenen. Laat ons die tegen elkander uitwisselen, man tegen man.”
“Denkt gij met een onervaren knaap te doen te hebben? Verbeeldt gij u, dat ik niet weet, dat men een hoofdman tegen minstens dertig krijgslieden uitwisselt? Denk eens over mijn voorstel na, en bedenk dat het beter is, de vrijheid voor die aanvoerders te verkrijgen, dan nog honderd of tweehonderd vijanden om te brengen.”
“En den buit rekent gij niet.”
“Buit? Pshaw! Van buit is er geen sprake, want gijlieden zult geen buit maken, omdat gij niet nogmaals overwinnen zult. Nu staan wij tegenover u, vijftig blanke jagers. Wij zijn de gevangenen der Utahs geweest, en hebben hen toch belachen; zij moeten ons laten gaan, en ons zelfs hun hoofdmannen meegeven. Dat hebben wij gedaan, toen wij gekneveld en gebonden lagen. Wat zullen wij vermogen, nu wij vrij zijn en niets ons hindert! Ik zeg u, als gij geen vrede met ons sluit, zullen verreweg de meesten der uwen hun wigwams niet wederzien!”
Men kon het den Ouden Donder aanzien, dat deze toespraak niet nagelaten had indruk op hem te maken. Hij keek somber vóór zich op den grond. Old Shatterhand vervolgde, om aan hetgeen hij gezegd had nog meer kracht bij te zetten: “Uw hoofdmannen hebben ons naar het leven getracht; zij zijn in onze handen gevallen, en wij hadden dus niet alleen het recht, maar het was zelfs onze plicht, hen te dooden om hen onschadelijk te maken. Wij hebben dat niet gedaan, omdat wij het goed met hen en met u meenen. Wanneer wij u nu raden, vrede te sluiten, is dat óók goed met u gemeend, want wij weten zeer goed, dat wij u zullen verslaan. Neem dus een besluit, eer het te laat is.”
Nu stond Old Firehand op, rekte van verveling zijn reusachtige gestalte uit: en zei: “Pshaw! Waartoe al die woorden—wij hebben immers wapenen! De Oude Donder dient gauw te zeggen, of hij oorlog of vrede wil. Dan weten wij waar wij ons aan te houden hebben en zullen hem geven, wat hem toekomt: Leven of dood!”
Dit werkte snel; althans dadelijk kwam er een antwoord: “Zoo spoedig kunnen wij geen besluit nemen.”
“Waarom niet? Zijt gij mannen of squaws?”
“Wij zijn geen vrouwen, maar krijgslieden. Doch wij moeten eerst met onze onderhebbenden spreken.”
“Wanneer gij werkelijk hoofdman zijt, is dat volstrekt niet noodig. Maar ik merk, dat gij tijd wilt winnen, om de een of andere list te bedenken, zooals dat uw gewoonte is; doch geen list zal u tegen onze vuisten helpen.”
“Laat Old Firehand kalm spreken, zooals wij hem kalm antwoorden. Het betaamt den man niet, opvliegend te zijn. Wij zullen gaan overleggen, wat er zal moeten geschieden.”
“Bedenk dan, dat het in een half uur nacht zal zijn!”
“Wij kunnen u ook in den nacht meedeelen, wat wij besloten hebben. Wie verlangt te spreken, gij of wij, kan een schot lossen, en dan luid roepen. Dan zal men hem antwoorden: Ik heb gezegd. Howgh!”
Hij stond op, knikte even met het hoofd, en verwijderde zich; de overigen volgden zijn voorbeeld.
“Nu zijn wij nog even wijs als tevoren!” bromde Old Firehand gemelijk.
“Mijn broeder heeft te driftig gesproken,” zei Winnetou op zijn zachtzinnige manier. “Hij had Old Shatterhand verder moeten laten begaan. De Oude Donder was tot nadenken gekomen en reeds op het punt om toe te geven.”
Firehand scheen in te zien, dat Winnetou gelijk had, want hij antwoordde niets. Toen zij bij de anderen terugkwamen, vroeg het Lange Oor hun: “Er waren vier Utahs. Waarom zijt gij slechts met uw drieën gegaan?”
“Omdat wij dat voldoende achtten,” antwoordde Old Firehand norsch.
“Er waren nog andere mannen. Ik ben óók hoofdman; ik had het recht om bij de beraadslaging tegenwoordig te zijn, evengoed als gij.”
“Er zijn genoeg onnoodige woorden verspild, wij hadden geen vierde er bij noodig.”
Het Lange Oor zweeg; doch ware zijn gelaat niet met zulk een dikke laag verf besmeerd geweest, dan zou men het hem hebben kunnen aanzien, hoe hij zich ergerde. Hij was bovendien reeds in een kwade luim, Old Shatterhand had hem in het oog der zijnen zwaar beleedigd, door hem het scalpeeren te beletten. Deze hoofdman was een lafaard, die den moed niet bezat om openlijk te weerstreven; doch de wrok, dien hij niet liet blijken, zat des te vaster in zijn binnenste.
Het begon te schemeren, en al spoedig viel de nacht. Het was wel niet waarschijnlijk, dat de Utahs een aanval zouden durven wagen, maar er dienden toch maatregelen genomen te worden om een mogelijke overrompeling te verijdelen. Er moesten wachtposten uitgezet worden. Het Lange Oor bood uit eigen beweging aan, zich met eenigen der zijnen daarmee te belasten; dit kon men hem niet gevoeglijk weigeren. Maar voor alle zekerheid wees Old Shatterhand aan hem en aan de Timbabatsjen, die daartoe uitgekozen werden hun plaatsen aan, en drukte hen goed op het hart, zich vooral niet verder vooruit te wagen.
Er waren met den hoofdman vijf mannen, die een linie vormden dwars door den canon. Het Lange Oor bevond zich op den uitersten rechtervleugel. Old Shatterhand ging op den grond liggen en kroop vooruit, om zoo mogelijk de Utahs te beluisteren. Dat gelukte hem reeds spoedig en volkomen, ofschoon zij drie posten uitgezet hadden, die hem echter niet bemerkten. Hij waagde het zelfs tusschen hen door te kruipen, en zag toen, dat de vijanden zich daar, waar de canon eensklaps breeder werd, dwars er overheen dicht naast en achter elkander gelegerd hadden. Hij keerde voldaan terug.
Het Lange Oor had gezien, dat de jager op verkenning uitging. Het ergerde hem, dat men dit niet aan hem toevertrouwd had. Hij, de hoofdman van een rooden stam, verstond dit stellig beter dan zulk een bleekgezicht. Zijn inwendige wrevel werd hoe langer hoe erger. Hij zou zoo gaarne aan die bleekgezichten doen zien, dat hij een persoon van gewicht was, dien men niet mocht voorbijgaan. Als de Roodhuiden eens iets in hun schild voerden, en het hem gelukte dat te ontdekken! Deze gedachte liet hem geen rust, en ten slotte besloot hij haar ten uitvoer te brengen. Hij kroop vooruit, hoe langer hoe verder. Doch het was niet zoo gemakkelijk als hij zich had voorgesteld, want de afgebrokkelde steenen lagen niet vast; zij kantelden onder zijn lange gestalte. Daardoor moest hij meer letten op hetgeen onder, dan hetgeen vóór hem was. Weer rolde er een steen—naast hem dook iets donkers op, voor hem uit eveneens; twee sterke handen omklemden zijn keel als een schroef; twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lijf aan; hij kon geen adem halen, en werd bewusteloos.
Toen hij weer bijkwam, lag hij tusschen twee mannen, die de punten hunner messen op zijn ontbloote borst gericht hielden. Hij was geheel gekneveld, en in zijn mond stak een prop. Een derde Indiaan, die bij zijn hoofd zat, bemerkte, dat hij zich bewoog. Deze zei op zachten toon, terwijl hij de hand op zijn mond legde: “Wij hebben het Lange Oor herkend. Ik ben de Oude Donder. Indien het Lange Oor verstandig is, zal hem niets wedervaren; maar als hij niet verstandig is, zal hij het mes proeven, dat hij op zijn borst voelt. Laat hij mij door een hoofdknikje te kennen geven, of hij mijn woorden hoort!”
De gevangen hoofdman gaf het gewenschte teeken. Hij had hier te kiezen tusschen leven en dood; het sprak vanzelf, dat hij het leven koos. Het was een groote voldoening voor hem, te denken, dat hij zich nu op den waanwijzen blanke kon wreken voor de achterstelling en de beleediging, welke hij ondervonden had.
“Laat het Lange Oor mij kenbaar maken, of hij zacht wil spreken, wanneer ik hem de prop uit den mond neem,” vervolgde de andere.
De aangesprokene knikte; onmiddellijk werd de prop verwijderd, doch de Oude Donder gaf hem de vermaning: “Als gij luid spreekt, zult gij sterven. Maar als gij u bij ons wilt aansluiten, zullen wij u alles vergeven, en zult gij deel hebben aan den buit. Antwoord mij!”
Buit! Bij dat woord kreeg de Timbabatsj een ingeving, een bijzonder gewichtige ingeving. Hij had een gesprek tusschen den Grooten en den Jongen Beer afgeluisterd, hetwelk hem nu woord voor woord te binnen schoot. Buit! Ja, buit zou er zijn, een buit, zoo groot, als er nog nooit na een gevecht verdeeld was geworden. Van dit oogenblik af was hij de zaak van de Utahs met hart en ziel toegedaan.
“Ik haat en veracht deze bleekgezichten,” antwoordde hij. “Als gij mij behulpzaam zijt, zullen wij hen vernietigen.”
“En de Beren ook?”
“Ja. Doch mijn krijgslieden moeten blijven leven.”
“Dat beloof ik u. Maar waarom zijt gij vroeger mijn vijand geweest?”
“Omdat ik nog niet wist, hetgeen ik nu wel weet. Die bleekgezichten hebben mij zoo beleedigd, dat ik hun bloed moet hebben.”
“Die wraak zult gij hebben. Ik zal spoedig zien, of gij het eerlijk met mij meent, dan wel of gij mij denkt te bedriegen.”
“Ik ben u trouw, en zal het u bewijzen, beter en meer volkomen, dan gij nu kunt vermoeden.”
“Zeg mij dan eerst, of het waar is, dat de bleekgezichten onze hoofdmannen gevangen houden!”
“Dat is waar. Ik heb hen gezien.”
“Dan hebben die honden een verbond aangegaan met den boozen geest, want anders zou hun niet gelukt zijn, wat voor alle andere menschen een onmogelijkheid is! Waar zijn de hoofdmannen der Utahs?”
“In het huis op het eilandje, dat in het meer ligt.”
“Door wie worden zij bewaakt?”
“Door een enkel bleekgezicht, en een meisje, dat zijn dochter is.”
“Is dat waar? Een enkel man en een meisje bewaken zooveel dappere en beroemde krijgslieden! Gij liegt!”
“Ik zeg de waarheid. Gij moet bedenken, dat de gevangenen geboeid zijn.”
“Dan wil ik u gelooven. Dus op het eiland. Maar hoeveel krijgslieden bevinden zich op den oever?”
“Niet één.”
“Man! waar is uw verstand?”
“Niet een zeg ik u! De blanken en mijn Timbabatsjen zijn daar geweest, anders niemand. En die waren allen naar den canon gereden, om tegen ulieden te vechten.”
“Welk een onvoorzichtigheid! En kan ik dat voor waarheid houden?”
“Het is geen onvoorzichtigheid, want die honden houden u voor onschadelijk, omdat zij denken, dat gij buiten hun weten onmogelijk naar het meer kunt komen.”
“Is dat dan mogelijk?”
“Ja. Juist daardoor wil ik u bewijzen dat ik het eerlijk met u meen.”
“Oef! Is de weg in dezen canon naar boven niet de eenige? Bestaat er nog een andere?”
“Ja. Als gij wilt, zal ik u dien weg wijzen.”
“Waar is dat pad?”
“Een eind weegs zijwaarts van hier en tusschen twee rotspijlers een kloof, door welke men over een hoogte in een diep keteldal komt, waaruit een ravijn naar het meer loopt. Ik heb dien weg met den Grooten Beer gereden.”
“En aan het meer, zijn daar werkelijk geen krijgslieden?”
“Neen, of de tweehonderd Navajos, die nog verwacht worden, moesten intusschen aangekomen zijn.”
“Die zijn er nog niet, want anders zouden zij wel onmiddellijk hier naar den canon opgerukt zijn, om tegen ons te vechten. Hoeveel tijd gaat er mee heen, om hier vandaan langs dien anderen weg het meer te bereiken?”
“Drie uur.”
“Dat is lang, zeer lang!”
“Maar het loon is groot; al de vijanden vallen in uw handen; gij bevrijdt uw hoofdmannen en krijgslieden, en.....”
Hij bleef steken.
“En.... spreek verder!”
“En bovendien vindt gij daar een buit, zooals er nog nooit een gevonden is.”
“Een buit? Bij de Navajos? Bedoelt gij hun paarden en wapenen? Verder is er toch niets bij hen te vinden?”
“Ik spreek niet van de Navajos, maar van de twee Beren en het Zilvermeer, op welks bodem verbazende schatten verborgen liggen, goud, zilver en edelgesteenten in groote menigte.”
“Wie heeft u dat wijsgemaakt?”
“Niemand. Ik heb het van de twee Beren zelf gehoord. Ik lag op een avond in den donker onder de boomen. Zij kwamen naderbij, en bleven vlak bij mij staan, zonder te weten, dat ik daar lag. Toen spraken zij over die onmetelijke schatten.”
“Hoe zijn die schatten daar in dat meer gekomen?”
“Een volk, dat lang geleden hier woonde en overwonnen werd, heeft ze daar in veiligheid gebracht.”
“Dan zijn ze stellig al lang vergaan. En gesteld zij liggen er nog, hoe zou men ze naar boven krijgen? Zou men het meer dan moeten leegscheppen?”
“Neen. Waar nu het meer is, heeft vroeger een droog dal gelegen. Dat volk had een toren gebouwd, welks spits thans het eiland is. Van dezen toren af werd een onderaardsche gang gebouwd, die door al het dal liep, en eindigde, waar nu de canon begint. Daarna maakte men een stevigen breeden dam, opdat het water niet meer naar het Noorden zou kunnen afvloeien. Het dal liep vol water, en werd zoodoende in een meer herschapen, waarboven de spits van den toren nu als een eilandje uitsteekt. Toen het meer vol was, zocht het zijn afwatering naar het Zuiden. Maar het uiteinde van de onderaardsche gang werd met steenen volgestopt.”
“Is dat alles waar?”
“Volkomen waar. Ik heb mij er van overtuigd. Ik heb de steenen heimelijk er uitgenomen en de gang gevonden. Waar die begint liggen fakkels, welke noodig zijn, om de gang te verlichten. Die gang loopt op den bodem van het meer naar het eilandje, naar den toren, in welks onderste verdiepingen de schatten liggen. Die gang kan tevens dienen, om het water weg te laten loopen en alle vijanden te verdelgen, die zich in den canon bevinden. Op een zeker punt wordt de gang geopend; dadelijk dringt het water naar binnen, stort zich in den canon, en alles, wat zich daarin bevindt, moet verzuipen.”
“Oef! Dat zou juist iets voor ons zijn! Als wij die bleekgezichten eens konden laten verzuipen!”
“Dat mag ik niet toelaten, omdat mijn Timbabatsjen dan ook zouden omkomen.”
“Dat is waar. Doch als alles werkelijk zoo is, als gij mij gezegd hebt, zijn de blanken toch verloren. Het zal wel blijken, of gij het eerlijk meent. Wilt gij ons nu maar naar het meer brengen?”
“Ja, daar ben ik volkomen bereid toe. Maar welk deel van den rijkdom zal ik krijgen?”
“Dat zal ik bepalen, zoodra ik mij overtuigd heb, dat gij mij de waarheid hebt verteld. Ik zal u nu losmaken en u een paard laten geven. Doch bij de minste poging om te vluchten zijt gij verloren.”
De hoofdman gaf met een zachte stem zijn bevelen. Spoedig zaten al de Utahs in den zadel en reden den canon terug, aanvankelijk natuurlijk zeer voorzichtig, om geen gedruisch te veroorzaken. Zij bereikten de plek, waar de blanken uit den canon zijwaarts naar het keteldal waren afgeslagen, en volgden dezelfde richting. De rit was nu in den nacht nog veel bezwaarlijker dan overdag; doch de Roodhuiden hadden bijna kattenoogen, en hun paarden vonden gemakkelijk den weg. Het ging tegen de schuine vlakte op, daar overheen en dan naar beneden in het keteldal, en vervolgens de rotsengte in, precies denzelfden weg, dien de blanken gegaan waren. De laatste helft van den rit leverde minder moeilijkheden op, daar de maan opgekomen was. De weg lag niet diep, en werd vrij helder beschenen.
Juist zooals het Lange Oor geraamd had, waren er drie uur verloopen, toen de Utahs de plaats bereikten waar de boomen begonnen. Zij hielden halt, en zonden eenige verspieders vooruit, die onderzoeken moesten of men verder kon gaan. Toen die ongeveer vijf minuten weg waren, viel er een schot, en onmiddellijk daarna nog een. Een oogenblik later keerden zij terug, terwijl een hunner gedragen werd. Hij was dood.
“De bleekgezichten zijn niet meer in den canon,” rapporteerden zij. “Zij zijn aan den ingang naar het meer genesteld, en hebben op ons geschoten. Onze broeder is door een kogel in het hart getroffen. Hij was zoo onvoorzichtig, zich in den maneschijn op te richten.”
Dit bericht wekte het wantrouwen van den Ouden Donder op. Hij dacht, dat hij door het Lange Oor bedrogen was, en dat deze met de blanken in verstandhouding stond en van hen de opdracht had ontvangen, zich opzettelijk te laten vatten, ten einde zoodoende de Utahs onder het bereik van hun geweren te brengen. Het Lange Oor slaagde er echter in, dit wantrouwen weg te nemen. Hij toonde aan, dat hij dit voornemen niet kon koesteren, en voegde er bij: “De bleekgezichten, die veel zwakker zijn dan wij, hebben zich niet veilig geacht in de duisternis van den canon en zijn naar het meer opgerukt, waar zij dachten niet door u overvallen te kunnen worden. De ingang tot het dal is zoo smal, dat zij dien gemakkelijk tegen u kunnen verdedigen; het is u dus, vooral nu in den nacht, niet mogelijk dien ingang te forceeren; doch gij zult hen in den rug aanvallen.
“Hoe is dat mogelijk?”
“Door de gang, waarover ik u gesproken heb. Die loopt uit slechts enkele voetstappen van hier. Wij openen haar door de steenen er uit te halen, en gaan er dan in. Als wij de fakkels aansteken, kunnen wij door die gang gemakkelijk in den toren komen, en klimmen dan daarin naar boven om op het eiland te komen. Daar liggen altijd eenige kano’s, waarin wij naar den wal kunnen roeien. Dan zijn wij in den rug van den vijand, en zullen hem zonder moeite overwinnen, te meer daar mijn Timbabatsjen naar u zullen overloopen, zoodra ik het hun beveel.”
“Goed! De helft van de Utahs blijft hier, en de andere helft volgt ons in de gang. Wijs ons den weg!”
De Utahs waren van hun paarden gestegen. Het Lange Oor bracht hen zijwaarts, tot daar waar de canon begon. Daar stond een hoop steenen tegen de rots.
“Die steenen moeten weg,” zei de Timbabatsj, “dan zult gij de opening zien.”
De steenhoop werd opgeruimd, en nu vertoonde zich een donker gat van vijf el breed en drie el hoog. De hoofdmannen gingen er in, en vonden, toen zij rondtastten, een grooten voorraad fakkels, die alle van herten- of buffelvet gemaakt waren. Met behulp van punks (= prairie-zwam) werd er licht gemaakt. Men verdeelde de fakkels en stak die aan. Daarop begaf men zich de gang in.
De atmosfeer was er bedompt, maar vochtig was het er niet. De gang moest bijzonder sterk gebouwd en daarop met een dikke laag aarde bedekt zijn, dat hij zoo langen tijd weerstand geboden had aan het water van het meer.
Om niet al te lang blootgesteld te wezen aan deze atmosfeer, die nog slechter gemaakt werd door den walm der fakkels, ging men zoo snel mogelijk voorwaarts, totdat men eindelijk in een groote ruimte kwam, waar verscheiden in matten gewikkelde pakken langs de wanden lagen.
“Dit moet de onderste verdieping van den toren, dus het eiland zijn,” zei het Lange Oor. “Misschien bevinden zich in deze pakken de schatten, waarover ik u gesproken heb. Willen wij dat even onderzoeken?”
“Ja,” antwoordde de Oude Donder. “Maar lang moeten wij ons daarmee niet ophouden; want wij moeten ons haasten, om naar het eiland te komen. Later zullen wij tijd genoeg daartoe hebben.”
Toen men een der pakken van het omhulsel ontdeed, zag men bij het schijnsel der fakkels een afgodsbeeld schitteren als goud. Dat eene beeld vertegenwoordigde alleen reeds een aanzienlijk vermogen. Een beschaafd Europeaan zou bijna dronken geworden zijn van verrukking; deze Roodhuiden bleven er koud bij. De mat werd weer over het afgodsbeeld gespreid, en men begon naar boven te klimmen. Er waren, eenigszins in den vorm van onze trappen, smalle treden gemetseld, die naar boven leidden; zij gaven slechts plaatsruimte voor één persoon; daarom moesten de Roodhuiden als ganzen achter elkander gaan.
Het Lange Oor ging met een fakkel in de hand voorop. Hij had de bovenste trede nog niet bereikt, of hij hoorde onder zich een kreet, gevolgd door het angstgeschreeuw uit verscheiden monden. Hij bleef staan, en keek om. Wat hij zag, was wel in staat om hem te doen ontstellen. Uit de gang, waarin zich nog vele Utahs bevonden, stroomde het water over de geheele breedte en hoogte, naar binnen. De fakkels wierpen haar licht op het donkere, woeste water, dat reeds bijna ter halver manshoogte stond en met ontzettende snelheid steeg. Degenen, die zich nog in de gang bevonden, waren verloren; zij waren terstond in het water gestikt. En zij, die nog op de treden stonden, waren eveneens verloren. Zij drongen vooruit; ieder wilde zich naar boven redden; de een drong den ander voorbij. Men wierp de fakkels weg, om zich met beide handen te kunnen verweren. Zoodoende kon niemand vasten grond vatten op de treden. Daarbij steeg het water zoo snel, dat de Roodhuiden een minuut nadat de eerste kreet weerklonken had, er reeds tot aan hun nek in stonden. Zij werden door het water opgenomen; zij zwommen, zij vochten tegen den dood en tegen elkander—tevergeefs.
Slechts vijf of zes hunner waren reeds zoo hoog geklommen, dat zij nog konden ontkomen. De Oude Donder bevond zich onder hen; zij hadden slechts een enkele fakkel, die door den Timbabatsj gedragen werd. Door een smalle opening in het plafond kwamen zij op de volgende verdieping, waaruit weer dergelijke treden verder naar boven leidden.
“Geef mij het licht, en laat mij voorgaan!” gebood de hoofdman der Utahs aan den Timbabatsj.
Hij greep naar de fakkel, doch het Lange Oor wilde die niet afgeven. Er ontspon zich een korte strijd, die echter lang genoeg duurde, om het water intusschen weer hooger te laten rijzen. Het drong reeds door de opening heen in deze verdieping, die veel kleiner was dan de vorige, zoodat het water ook dubbel zoo snel langs de wanden omhoogsteeg.
Het Lange Oor was jonger en sterker dan de Oude Donder. Hij rukte zich van hem los, en wierp hem met een krachtigen stoot op den grond. Doch nu vielen de andere Utahs op hem aan. Hij had geen wapen bij zich, en daarbij had hij slechts één hand vrij, om zich tegen hen te verweren. Reeds legde een hunner zijn geweer op hem aan, om hem dood te schieten; dat ziende riep hij uit: “Houdt op, want anders werp ik het licht in het water, en dan zijt gij verloren! Gij kunt niet zien, waar gij naar boven moet klimmen, en het water zal u inhalen.” Dit hielp. Zij begrepen, dat zij zich slechts dan konden redden, wanneer zij licht hadden. Reeds stond hen het water tot aan hun middel.
“Behoud dan de fakkel en ga ons voor, hond!” antwoordde de Oude Donder. “Later zult gij er voor boeten!”
De Timbabatsj stond reeds op de treden en klom snel naar boven. Weer kwam hij door een smalle opening in een volgende verdieping. De bedreiging van den oude was ernstig gemeend. Het Lange Oor wist dat. Hij dacht, dat hij slechts dan niets te vreezen zou hebben, wanneer de Utahs in het water omkwamen. Daarom bleef hij staan toen hij door de opening geklommen was en keek om. Achter zich zag hij het hoofd Van den Ouden Donder.
“Gij hebt mij een hond genoemd, en wilt u op mij wreken,” riep hij hem toe. “Gij zijt zelf een hond, en als een hond zult gij sterven. Terug in het water!”
Dit zeggende gaf hij hem een schop in het gezicht, zoodat de hoofdman achterovertuimelde en in de opening verdween. Een oogenblik later verscheen het hoofd van den volgenden Utah; ook deze kreeg een schop en viel achterover. De derde onderging hetzelfde lot; verder kwam er geen, want de vloed had hen bereikt en van de treden gesleurd; het water kwam nu reeds door de opening, de Timbabatsj was alleen overgebleven.
Hij klom nog eenige verdiepingen hooger, en het water volgde hem met dezelfde snelheid. Toen bemerkte hij, dat de atmosfeer beter werd. De opening naar boven was nu zeer klein geworden; er waren geen treden meer doch een hout met inkepingen was bij wijze van ladder tegen den muur geplaatst. Reeds wilde hij zijn voet in zulk een inkeping zetten, toen hij een stem boven zich hoorde: “Halt, blijf beneden, anders schiet ik u neer! De Utahs hebben ons willen verdelgen; nu zijn zij zelf allen verloren, en gij zult als de laatste van hen sterven!”
Het was de stem van den Grooten Beer. De Timbabatsj herkende hem.
“Ik ben immers geen Utah! Schiet niet!” antwoordde hij in doodsangst.
“Wie zijt gij dan?”
“Uw vriend, de hoofdman der Timbabatsjen.”
“O, het Lange Oor! Dan hebt gij dubbel en dwars den dood verdiend, want gij zijt een afvallige, een verrader.”
“Neen, neen! Gij vergist u!”
“Ik vergis mij niet. Gij hebt u op de een of andere wijze meester gemaakt van mijn geheim, en het aan de Utahs meegedeeld. Nu zult gij verdrinken juist zooals zij verdronken zijn.”
“Ik heb niets verraden!” betuigde de Roodhuid wanhopig, want hij stond reeds tot aan zijn knieën in het water.
“Lieg niet!”
“Laat mij boven komen! Bedenk, dat ik altijd uw vriend geweest ben!”
“Neen, gij blijft beneden!”
Nu liet zich een andere stem hooren, namelijk die van Old Firehand: “Laat hem boven komen! Er is reeds genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij zal zijn schuld bekennen.”
“Ja, ik beken het; ik zal u alles, alles zeggen!” verzekerde het Lange Oor, want het water reikte hem reeds tot aan zijn middel.
“Goed, ik wil u het leven schenken; en ik hoop, dat gij u daarvoor dankbaar zult betoonen.”
“Mijn dankbaarheid zal grenzenloos zijn. Eisch van mij wat gij wilt, en ik zal het doen!”
“Ik houd u aan uw woord. Kom nu maar naar boven!”
De Roodhuid wierp de fakkel in het water, om met beide handen te kunnen klimmen, en klom naar boven. Daar aangekomen, zag hij, dat hij zich in dat gedeelte van het gebouw bevond, waar de haard stond. Voor de openstaande deur brandde een vuur, en bij het schijnsel daarvan, zag hij den Grooten Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zeeg neer van vermoeidheid en ten gevolge van den doorgestanen angst, doch vlug weer op om naar buiten te snellen, roepende: “Voort, voort, naar buiten, anders komt het water, eer wij ons kunnen redden!”
“Blijf maar hier!” antwoordde de Groote Beer. “Gij hebt van het water niets meer te vreezen, want het kan binnen in het eiland niet hooger stijgen dan het buiten staat. Gij zijt gered; maar nu moet gij ons vertellen, hoe gij van uw post verdwenen en hier gekomen zijt.”
Toen Old Shatterhand in den canon zijn gewaagde verkenning gedaan had, was hij bij zijn metgezellen teruggekeerd. Die en de Timbabatsjen lagen zwijgend in hun schuilhoeken, want allen moesten opletten op hetgeen er buiten voorviel, omdat het best mogelijk was, dat de Utahs naderbij zouden sluipen.
Er mocht ongeveer een uur verloopen zijn, toen Old Shatterhand op den inval kwam, om nogmaals de posten te gaan nazien. Hij sloop weer naar buiten en allereerst naar de plaats, waar hij het Lange Oor had gelaten; zijn plaats was ledig. Hij begaf zich naar den dichtstbij geposteerden Timbabatsj, en vernam van dezen, dat de hoofdman weggeslopen was.
“Waar naar toe?”
“Naar de Utahs. Hij is nog niet terug.”
“Hoe lang is hij weg?”
“Sedert ongeveer een uur.”
“Dan moet hem een ongeval overkomen zijn; ik zal er naar gaan zien.”
De jager ging op den grond liggen, en kroop naar de plaats, waar hij vroeger de schildwachten van den vijand gezien had; die waren weg. Hij kroop verder. Daar waar de Utahs de geheele breedte van den canon bezet hadden gehouden, was nu niet één hunner te zien. Old Shatterhand zocht met de uiterste voorzichtigheid verder; maar Utahs ontdekte hij nergens, en den hoofdman evenmin. Dat kwam hem zeer verdacht voor. Hij keerde terug, om Winnetou en Old Firehand te halen, opdat die aan zijn opsporingstocht zouden deelnemen. Doch alle moeite was vergeefsch. De drie mannen drongen ver in den canon door, zonder op een vijand te stuiten, en keerden terug in de overtuiging, dat de Utahs verdwenen waren.