← Table of contents
De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)

JULES VERNE.

Reading edition

TWEEDE DEEL.

AUSTRALIË

LEYDEN,

DE BREUK & SMITS.

1868.

INHOUD

I.Terug aan boord.

II.Tristan d'Acunha.

III.Het eiland Amsterdam.

IV.De weddenschappen van Jacques Paganel en majoor Mac Nabbs.

V.Onstuimig weer op den Indischen Oceaan.

VI.Kaap Bernoulli..

VII.Ayrton.

VIII.Het vertrek.

IX.De provincie Victoria.

X.De Wimerra.

XI.Burke en Stuart.

XII.De spoorweg van Melbourne naar Sandhurst.

XIII.Een eerste prijs in aardrijkskunde.

XIV.De mijnen van den Alexander-berg.

XV.De australische en nieuw-zeelandsche courant.

XVI.Een hoofdstuk, waarin de majoor beweert, dat het apen zijn.

XVII.De schatrijke veefokkers.

XVIII.De australische Alpen.

XIX.Een onverwachte ontdekking.

XX.Zeeland—Aland.

XXI.Vier benauwde dagen.

XXII.Eden.

Lijst van de illustraties

I.

Terug aan boord.

Lady Helena en Mary Grant op de kampanje staande...

Lady Helena en Mary Grant op de kampanje staande...
Lady Helena en Mary Grant op de kampanje staande...

De eerste oogenblikken waren aan de vreugde van het wederzien gewijd. Lord Glenarvan wilde niet, dat de vruchtelooze afloop hunner nasporingen de vreugde in het hart zijner vrienden zou verkoelen. Daarom waren zijn eerste woorden: "Houdt moed, vrienden! houdt moed! Kapitein Grant is niet bij ons; maar wij zijn zeker, dat wij hem redden zullen."

Niet minder dan zulk een stellige verzekering was er noodig om de dames aan boord der Duncan met nieuwe hoop te bezielen.

Lady Helena en Mary Grant toch hadden, terwijl het bootje het jagt naderde, al de pijnlijke kwellingen der onzekerheid uitgestaan. Op de kampanje staande trachtten zij te tellen, hoeveel personen aan boord terugkwamen. Nu eens wanhoopte het meisje, dan verbeeldde zij zich weer Harry Grant te zien. Haar hart klopte, zij kon niet spreken, ter naauwernood kon zij op de beenen blijven. Lady Helena sloot haar in haar armen. John Mangles stond zwijgende naast haar uit te zien; hoewel als zeeman aan verzien gewoon, kon hij toch den kapitein niet ontdekken.

"Daar is hij! mijn vader komt!" sprak het meisje zachtjes.

Maar naarmate de sloep naderde, werd alle hoop de bodem ingeslagen. Toen de reizigers nog een honderd vaâm van het schip af waren, hadden niet alleen lady Helena en John Mangles, maar ook Mary zelve, die in tranen zwom, alle hoop opgegeven. Het was hoog tijd, dat lord Glenarvan kwam en zijn vertroostende woorden sprak.

Na de eerste omhelzingen werden lady Helena, Mary Grant en John Mangles van de voornaamste voorvallen op den togt onderrigt; vooraf echter maakte Glenarvan hen bekend met de nieuwe uitlegging, die de schrandere Paganel aan het document had gegeven. Ook prees hij Robert, op wien Mary met regt trotsch mogt zijn. Zijn moed, zijn zelfopoffering, de gevaren, die hij getrotseerd had, alles werd door Glenarvan in het helderste licht gesteld, zoodat de knaap niet zou geweten hebben, waar hij zich moest verbergen, als hij niet een schuilplaats had gevonden in de armen zijner zuster.

"Gij behoeft niet verlegen te zijn, Robert!" zeide John Mangles, "gij hebt u als een waardig zoon van kapitein Grant gedragen!"

Hij omarmde den broeder van Mary, en drukte een kus op diens wangen, die nog vochtig waren van de tranen van het meisje.

Slechts ter loops maken wij hier melding van het onthaal, dat den majoor en den aardrijkskundige ten deel viel, en van de eervolle vermelding, die van den edelmoedigen Thalcave werd gemaakt. Het speet lady Helena, dat zij de hand van den wakkeren Indiaan niet kon drukken. Toen de eerste vreugde wat voorbij was, zocht Mac Nabbs zijne hut op, waar hij zich met vaste en bedaarde hand schoor. Paganel fladderde van den een naar den ander als een bij, om het sap van loftuitingen en glimlachjes te puren. Hij wilde de geheele bemanning der Duncan omhelzen, en bewerende, dat lady Helena er evengoed toe behoorde als Mary Grant, begon hij bij dezen om bij Olbinett te eindigen.

De hofmeester meende zooveel beleefdheid niet beter te kunnen vergelden, dan door aan te kondigen, dat het ontbijt gereed stond.

"Het ontbijt!" riep Paganel.

"Ja, mijnheer Paganel!" antwoordde Olbinett.

"Een echt ontbijt, op een echte tafel, met vork en mes en servet?"

"Wel zeker, mijnheer Paganel!"

"En zullen wij geen charqui, geen harde eijeren, geen sneden struisvogelvleesch eten?"

"Wel, mijnheer!" antwoordde de hofmeester, eenigzins in zijn eer gekrenkt.

"Ik heb u niet willen beleedigen, mijn vriend!" zeide de geleerde glimlagchend; "maar, ziet ge, in geen maand hebben wij iets anders gehad, en wij nuttigden het, niet op een tafel zittende, maar op den grond liggende of op boomen huizende. Daarom kwam het ontbijt, dat gij aankondigt, mij voor als een droom, een bedrog, een hersenschim!"

"Laten wij dan het bewijs leveren, dat het wezenlijk bestaat, mijnheer Paganel!" sprak lady Helena, die haar lagchen niet kon bedwingen.

"Mag ik u mijn arm aanbieden?" vroeg de galante aardrijkskundige.

"Heeft Uw Edelheid geen orders te geven aangaande den koers van de Duncan?" vroeg John Mangles.

"Na het ontbijt, waarde John! zullen wij gezamenlijk het programma voor onzen nieuwen togt opmaken," antwoordde Glenarvan.

De passagiers van het jagt en de jeugdige kapitein gingen naar de longroom. De machinist kreeg last om stoom op te houden, ten einde op het eerste teeken te vertrekken. De majoor, die zich geschoren had, en de reizigers namen, na zich wat opgeknapt te hebben, aan tafel plaats.

Men deed eer aan het ontbijt van Olbinett. Eenstemmig werd het uitmuntend genoemd, zelfs beter dan de kostelijke maaltijden in de Pampa. Paganel liet zich iederen schotel tweemaal geven, "uit verstrooidheid" zooals hij zeide.

Dit ongelukkige woord deed lady Glenarvan vragen, of de beminnelijke Franschman soms tot zijn gewone zonde vervallen was. De majoor en lord Glenarvan zagen elkander glimlagchende aan. Paganel zelf barstte in een schaterend gelach uit, en verpandde "zijn eer" dat hij, hoe lang de reis ook nog duren mogt, niet meer verstrooid zou zijn; daarop gaf hij een zeer aardig verslag van zijn wederwaardigheden en van zijn grondige studiën over het werk van Camoëns.

"En toch," voegde hij er ten slotte bij, "is het ongeluk ergens goed voor, en gevoel ik geen spijt over mijn dwaling."

"Hoe zoo, mijn vriend?" vroeg de majoor.

"Omdat ik nu niet alleen spaansch, maar ook portugeesch spreek. Ik ken nu twee talen in plaats van ééne!"

"Daar had ik zoo waar niet aan gedacht," antwoordde Mac Nabbs. "Ik maak u wel mijn compliment, Paganel!"

Allen juichten Paganel toe, die daarom het eten niet vergat, hij at en praatte tegelijk. Vandaar, dat hij een bijzonderheid, die Glenarvan niet ontgaan kon, niet opmerkte: de oplettendheid namelijk van John Mangles voor zijn jeugdige tafelburin Mary Grant. Een bijna onmerkbare wenk van lady Helena aan haar man deed dezen inzien, dat "er iets gaande" was! Glenarvan zag de beide jongelieden met vriendelijk welgevallen aan en rigtte het woord tot John Mangles, maar over een heel andere zaak.

"Vertel mij eens, John! hoe is het op uw reis gegaan?"

"Het kon niet beter," antwoordde de kapitein. "Alleen moet ik Uw Edelheid zeggen, dat wij niet door de straat van Magellaan teruggekeerd zijn.

"Wat!" riep Paganel, "zijt gij kaap Hoorn omgevaren, en dat zonder mij?"

"Hang u op!" zeide de majoor.

"Eigenbelangzoeker! wilt gij van mij erven, dat gij mij dien raad geeft?" antwoordde de aardrijkskundige.

"Maar, waarde Paganel!" sprak Glenarvan, "wie de gaaf niet bezit van overal te gelijk te zijn, kan niet de Pampa's doortrekken en te gelijk kaap Hoorn omzeilen."

"Dat neemt niet weg, dat het mij spijt," antwoordde de geleerde.

Maar er werd niet verder over gesproken en men liet het bij dit antwoord. John Mangles nam nu het woord weer op en verhaalde zijn reis. Langs de amerikaansche kust varende, had hij op nieuw al de westelijke eilandgroepen onderzocht, maar nergens een spoor van de Britannia gevonden. Aan kaap Pilares, aan den ingang der straat gekomen, had hij zich om den tegenwind zuidwaarts gewend; de Duncan stevende voorbij de Desolation-eilanden tot zeven en zestig graden zuiderbreedte, zeilde om kaap Hoorn, digt onder Vuurland, en hield het, na de straat van Le Maire doorgevaren te zijn, langs de kust van Patagonië. Daar werd hij op de hoogte van kaap Corrientes door een vreeselijken storm beloopen, denzelfden, die de reizigers zoo geteisterd had. Maar het jagt hield zich goed, en sedert drie dagen voer John Mangles wat heen en weer, toen de losbrandingen der karabijnen hem verwittigden, dat de met zooveel ongeduld verwachte reizigers er waren. Zonder omtrent lady Glenarvan en miss Grant onbillijk te zijn, mogt de kapitein der Duncan haar den lof voor haar zeldzame onverschrokkenheid niet onthouden. De storm joeg haar geen schrik aan, en betoonden zij eenige vrees, dan was het alleen voor haar vrienden, die toen op de vlakten der argentijnsche republiek ronddoolden.

Hiermede besloot John Mangles zijn verhaal, waarna lord Glenarvan zijn tevredenheid over zijn gedrag betuigde; zich vervolgens tot Mary Grant rigtende, zeide hij:

"Lieve miss! ik hoor, dat kapitein John uw uitstekende hoedanigheden prijst, en het doet mij groot genoegen, dat ik daaruit mag opmaken, dat het u niet tegenstaat aan boord van zijn vaartuig!"

"Hoe zou dat anders kunnen wezen!" antwoordde Mary, lady Helena en misschien ook den jongen kapitein aanziende.

"O, mijnheer John! mijn zuster houdt veel van u, en ik ook!" riep Robert.

"Ik mag u ook heel graag lijden, beste jongen!" antwoordde John Mangles, die een beetje van streek geraakte door het gezegde van Robert, dat Mary Grant ook ligt had doen blozen.

Vervolgens het gesprek op een minder gevaarlijk punt brengende, voegde hij er bij:

"Nu heb ik u de reis van de Duncan verteld. Uwe Edelheid zal ons thans zeker wel het een en ander van zijn togt door Amerika en van de daden van onzen jeugdigen held willen mededeelen?"

Niets kon lady Helena en miss Grant aangenamer zijn. Lord Glenarvan haastte zich dan ook om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Hij sloeg geen enkel voorval op de geheele reis van den eenen oceaan naar den anderen over. De Andesketen, de aardbeving, de verdwijning van Robert, diens wegvoering door den condor, het geweerschot van Thalcave, het voorval met de roode wolven, de zelfopoffering van den knaap, sergeant Manuel, de overstrooming, de vlugt op den boom, de bliksem, de brand, de kaaimans, de hoos, de nacht aan de kust van den Atlantischen oceaan, al die vrolijke of ontzettende omstandigheden wekten beurtelings de lachlust en den angst zijner hoorders op. Voor menig voorval dat hij mededeelde, ontving Robert de liefkozingen zijner zuster en van lady Helena. Nooit werd een knaap zoo innig of door opgewondener vriendinnen omhelsd.

Toen lord Glenarvan zijn verhaal had geëindigd, voegde hij er nog bij:

"En nu willen wij aan het tegenwoordige denken, mijne vrienden! wat voorbij is is voorbij, maar de toekomst behoort ons; laten wij tot kapitein Harry Grant terugkeeren."

Het ontbijt was afgeloopen; al de gasten gingen in de hut van lady Glenarvan, schaarden zich om een tafel vol kaarten en teekeningen, en terstond begon het gesprek.

"Lieve Helena," zeide lord Glenarvan, "toen ik aan boord kwam, heb ik u medegedeeld, dat, al kwamen de schipbreukelingen der Britannia niet met ons, wij toch meer dan ooit hopen mogten hen terug te vinden. Uit onzen togt door Amerika is het ons stellig gebleken, dat het onheil noch op de kusten der Stille Zuidzee, noch op die van den Atlantischen oceaan heeft plaats gehad. Daaruit volgt natuurlijk, dat de uitlegging aan het document gegeven, alsof Patagonië bedoeld werd, een dwaling is. Gelukkig heeft onze vriend Paganel, door eene plotselinge ingeving bezield, de dwaling ontdekt. Hij heeft aangetoond, dat wij een verkeerden weg volgden, en het document zoo uitgelegd, dat er voor ons geen twijfel meer overblijft. Ik bedoel het fransche document, en ik wil Paganel verzoeken het hier uit te leggen, opdat niemand meer den geringsten twijfel moge koesteren."

De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed; hij hield een overtuigende rede over de woorden gonie en indi; het woord Australië leidde hij door een strenge redeneering af van het woord austral; hij bewees, dat kapitein Grant, de kust van Peru verlaten hebbende om naar Europa terug te keeren, met een ontredderd schip zeer gemakkelijk door de zuidelijke stroomen van de Stille Zuidzee tot de australiscbe kust kon medegesleept zijn; kortom zijn vernuftige vooronderstellingen, zijn schrandere gissingen verwierven de algemeene goedkeuring, ook van John Mangles, die anders in dit opzigt moeijelijk te overreden was en zich geenszins door zijn verbeeldingskracht liet wegslepen.

De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed...

De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed...
De geleerde, zoo tot spreken uitgenoodigd, was terstond gereed...

Zoodra Paganel met zijn betoog klaar was, beval Glenarvan, dat de Duncan onmiddellijk koers zetten zou naar Australië.

Alvorens de steven naar het oosten gewend werd, verzocht de majoor echter verlof om een enkele opmerking te maken.

"Spreek, Mac Nabbs!" antwoordde Glenarvan.

"Mijn doel," sprak de majoor, "is geenszins om de bewijzen van mijn vriend Paganel te verzwakken, nog minder ze te wederleggen; ik vind ze gegrond, schrander, al onze aandacht waardig, en met het volste regt moeten zij den grondslag onzer aanstaande nasporingen uitmaken. Maar ik verlang, dat zij nog eens rijpelijk onderzocht worden, opdat hun waarde onbetwistbaar en onbetwist zij."

Niemand begreep, waar de voorzigtige Mac Nabbs heen wilde, en allen hoorden hem met zekeren angst aan.

"Ga voort, majoor!" zeide Paganel. "Ik ben bereid om al uw vragen te beantwoorden."

"Niets gemakkelijker dan dat," antwoordde de majoor. "Toen wij, nu vijf maanden geleden, de drie documenten in de golf van Clyde onderzochten, kwam hun verklaring ons duidelijk voor. Geen andere dan de westkust van Patagonië kon het tooneel der schipbreuk zijn. Geen schijn van twijfel zelfs kwam dienaangaande bij ons op!"

"Die opmerking is zeer juist," meende Glenarvan.

"Later," vervolgde de majoor, "toen Paganel in een vlaag van door God beschikte verstrooidheid bij ons aan boord kwam, werden hem de documenten voorgelegd, en keurde hij zonder voorbehoud onze nasporingen op de amerikaansche kust goed."

"Dat is zoo," antwoordde de aardrijkskundige.

"En toch hebben wij ons vergist," zeide de majoor.

"Wij hebben ons vergist," herhaalde Paganel. "Maar om zich te vergissen, Mac Nabbs! behoeft men slechts mensch te zijn, terwijl hij, die in zijn dwaling volhardt, een gek is."

"Wacht een beetje, Paganel!" antwoordde de majoor, "word niet boos. Ik wil niet zeggen, dat wij onze nasporingen in Amerika moeten voortzetten."

"Wat verlangt gij dan?" vroeg Glenarvan.

"Alleen de bekentenis, en anders niet, dat Australië thans even zeker het tooneel van de schipbreuk der Brittannia schijnt te zijn, als Amerika het eerst scheen."

"Dat bekennen wij gaarne," antwoordde Paganel.

"Dat zal ik in mijn oor knoopen," hernam de majoor, "en u tevens aansporen om uw verbeeldingskracht een beetje te wantrouwen ten aanzien van die opeenvolgende en met elkander strijdige gevolgtrekkingen. Wie weet of na Australië niet een ander land ons dezelfde zekerheid zal aanbrengen, en of het, als die nieuwe nasporingen weder vergeefsch zijn geweest, niet "zeker" zal schijnen, dat zij ergens elders hervat moeten worden."

Glenarvan en Paganel zagen elkander aan. De opmerkingen van den majoor troffen hen door haar juistheid.

"Ik verlang dus," hervatte Mac Nabbs, "dat er nog een onderzoek zal plaats hebben, voor wij op weg gaan naar Australië. Hier zijn de documenten, daar liggen kaarten. Laten wij achtereenvolgens al de punten onderzoeken, die de zeven en dertigste breedtegraad snijdt, en zien of wij niet eenig ander land aantreffen, dat het document juist zou aanwijzen."

"Niets is gemakkelijker en spoediger gedaan," antwoordde Paganel, "want gelukkig is er juist geen overvloed van land op deze breedte."

"Laat eens zien," zeide de majoor, een engelsche wereldkaart naar de projectie van Mercator uitspreidende.

De kaart werd voor lady Helena gelegd, en allen plaatsten zich zoo, dat zij het betoog van Paganel konden volgen.

"Zooals ik u reeds vroeger zeide," begon de aardrijkskundige, "gaat de zeven en dertigste breedtegraad over Zuid-Amerika en raakt dan de eilanden van Tristan d'Acunha. Nu houd ik staande, dat geen enkel woord van het document op deze eilanden betrekking kan hebben."

De documenten werden naauwkeurig onderzocht, en men moest toegeven, dat Paganel gelijk had. Tristan d'Acunha werd dus met algemeene stemmen verworpen.

"Verder," ging de aardrijkskundige voort. "Den Atlantischen oceaan verlatende, gaan wij twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop en komen in den Indischen oceaan. Slechts ééne eilandengroep ontmoeten wij, Amsterdam. Passen wij hierop hetzelfde onderzoek toe als op Tristan d'Acunha."

Na een naauwlettend onderzoek werden de eilanden Amsterdam op hun beurt ter zijde gesteld. Geen enkel volledig of afgebroken fransch, engelsch of duitsch woord kon op deze eilandengroep in den Indischen oceaan betrekking hebben.

"Nu komen wij aan Australië," hernam Paganel. "De zeven en dertigste breedtegraad loopt over dit vastland van kaap Bernouilli tot de Twofold-baai. Gij zult met mij toestemmen, dat het engelsche woord stra en het fransche austral zonder den tekst geweld aan te doen op Australië slaan kunnen. De zaak is zoo duidelijk, dat ik er niet verder over wil spreken."

Allen stemden in met het gevoelen van Paganel. Alle gronden van waarschijnlijkheid waren voor die meening.

"Gaan wij verder," zeide de majoor.

"Met genoegen," antwoordde de aardrijkskundige, "de reis is gemakkelijk genoeg. De Twofold-baai verlatende, steken wij den zeearm over, die zich ten oosten van Australië bevindt en treffen Nieuw-Zeeland aan. Vooraf echter herinner ik u, dat het woord contin van het fransche document onmogelijk iets anders kan beteekenen dan een "continent" (vast land). Derhalve kan kapitein Grant geen schuilplaats op Nieuw-Zeeland gevonden hebben, dat maar een eiland is. Hoe het ook zij, onderzoekt, vergelijkt, zet de woorden om, en ziet of zij ook maar in de verte op dit laatste gewest betrekking kunnen hebben."

"Volstrekt niet," antwoordde John Mangles, die de documenten en de kaart aan een naauwkeurig onderzoek onderwierp.

"Neen," zeiden al de toehoorders van Paganel en de majoor zelf ook, "neen, Nieuw-Zeeland kan niet bedoeld zijn."

"Op de ontzaggelijke ruimte, die dit groote eiland van de amerikaansche kust scheidt," hervatte de aardrijkskundige, "snijdt de zeven en dertigste breedtegraad slechts een woest en onbewoond eilandje."

"Dat heet?..." vroeg de majoor.

"Zie maar op de kaart. Het is Maria-Theresa, een naam, waarvan ik niet het geringste spoor in de drie documenten vind."

"Geen enkel," bevestigde Glenarvan.

"Nu laat ik het aan u over, mijne vrienden! om te beslissen of niet alle waarschijnlijkheden, om niet te zeggen de zekerheid voor het australisch vastland pleit?"

"Ja! ja!" riepen al de passagiers en de kapitein der Duncan tegelijk.

"Hebt gij genoeg levensmiddelen en kolen, John?" vroeg nu Glenarvan.

"Ja, Uwe Edelheid! ik heb mij te Talcahuano goed voorzien, en aan de Kaapstad zullen wij gemakkelijk genoeg kolen kunnen innemen."

"Geef dan den koers...."

"Nog ééne opmerking," zeide de majoor zijn vriend in de rede vallende.

"En die is, Mac Nabbs?"

"Hoeveel kans van welslagen Australië ons ook aanbiedt, zou het toch mijns bedunkens goed zijn een dag of twee bij de eilanden Tristan d' Acunha en Amsterdam aan te leggen. Zij liggen op onzen weg en zullen ons niet van den koers afbrengen. Dan zullen wij weten, of de Britannia er niet eenig spoor van haar schipbreuk heeft achtergelaten."

"Wat is die ongeloovige majoor toch vasthoudend!" riep Paganel.

"Ik ben er volstrekt niet op gesteld om terug te keeren, wanneer Australië soms de verwachting, die wij er van koesteren, niet vervullen mogt."

"Die voorzorg is dunkt mij niet kwaad," sprak Glenarvan.

"En ik zal u niet afraden om ze te nemen," antwoordde Paganel. "Integendeel."

"Wend dan den steven naar Tristan d'Acunha, John!" zeide Glenarvan.

"Terstond, Uwe Edelheid!" gaf de kapitein ten antwoord, en hij ging naar het dek, terwijl Robert en Mary Grant lord Glenarvan hun levendigen dank betuigden.

Weldra verliet de Duncan de amerikaansche kust en zich oostwaarts rigtende kliefde haar steven snel de baren van den Atlantischen oceaan.

II.

Tristan d'Acunha.

Indien het jagt de evennachtslijn had gevolgd, zouden de honderd zes en negentig graden, die Australië van Amerika of liever kaap Bernouilli van kaap Corrientes scheiden, gelijk geweest zijn aan elf duizend zeven honderd zestig geographische mijlen[1]. Maar op den zeven en dertigsten breedtegraad komen die honderd zes en negentig graden, ten gevolge van de gedaante des aardbols, overeen met slechts negen duizend vier honderd tachtig zulke mijlen[2]. Van de amerikaansche kust tot Tristan d'Acunha rekent men twee duizend één honderd mijlen[3], een afstand, dien John Mangles in tien dagen hoopte af te leggen, indien de oostewinden de vaart van het jagt niet belemmerden. Hij had alle reden tot tevredenheid, want tegen den avond bedaarde de wind merkbaar, en nu kon de Duncan op een stille zee al haar uitmuntende hoedanigheden aan den dag leggen.

Dienzelfden dag hadden de passagiers hunne scheepsgewoonten weder aangenomen. Men zou niet gezegd hebben, dat zij in geen maand aan boord waren geweest. Na het water van de Stille Zuidzee strekte zich dat van den Atlantischen oceaan voor hun gezigt uit, en met slechts geringe wijzigingen gelijken alle golven elkaar. Na hen zoo vreeselijk op de proef te hebben gesteld, vereenigden zich thans de elementen om hen te begunstigen. De oceaan was rustig, de wind in den goeden hoek, en al de kracht der zeilen, die de westewinden deden zwellen, kwam de onvermoeibare stoomkracht te hulp, die in den stoomketel was besloten.

Die snelle overtogt had dan ook zonder buitengewone voorvallen of onheilen plaats. Vol vertrouwen stevende men naar de australische kust. De waarschijnlijkheid werd tot zekerheid. Er werd over kapitein Grant gesproken, alsof het jagt hem in een bepaalde haven aan boord ging nemen. Zijn hut en de kooijen zijner beide reisgenooten werden reeds in gereedheid gebragt. Mary Grant vond er behagen in ze eigenhandig in orde te brengen en op te schikken. Olbinett had de zijne afgestaan en deelde nu de hut van zijn vrouw. Deze hut grensde aan het beruchte N° 6, dat aan boord van de Scotia door Jacques Paganel was besproken.

De geleerde aardrijkskundige kwam er bijna niet uit. Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond aan een boek, getiteld: Verhevene indrukken van een aardrijkskundige in de argentijnsche Pampa. Met ontroerde stem hoorde men hem zijn sierlijke volzinnen opzeggen, voor hij ze aan de witte bladzijden van zijn aanteekenboekje toevertrouwde, en meer dan eens riep hij, ontrouw aan Clio, de muze der geschiedenis, vol verrukking de goddelijke Calliope aan, die de heldendichters bezielt.

Paganel maakte er ook volstrekt geen geheim van. Om zijnentwil verlieten Apollo's kuische dochteren gaarne de toppen van den Parnassus of den Helikon. Lady Helena maakte hem er haar opregt gemeend compliment over. Ook de majoor wenschte hem geluk met die bezoeken der zanggodinnen.

"Maar wacht u vooral voor verstrooidheid, waarde Paganel!" voegde hij er bij, "en mogt gij bij toeval lust krijgen om australisch te leeren, ga het dan niet bestudeeren in een chineesche spraakkunst!"

Alles ging dus bij uitstek goed aan boord. Met belangstelling sloegen lord en lady Glenarvan, John Mangles en Mary Grant gade. Zij vonden geen reden om aanmerkingen te maken, en daar John zelf zweeg, was het ook maar het best om zich onkundig te houden.

"Hoe zal kapitein Grant er over denken?" vroeg Glenarvan eens aan zijn vrouw.

"Hij zal denken, dat John Mary waardig is, lieve Edward! en hij zal niet bedrogen uitkomen."

Intusschen naderde het jagt snel de plaats zijner bestemming. Vijf dagen, nadat zij kaap Corrientes uit het oog hadden verloren, den 16den November, stak er een fiksche westewind op, hetgeen aan de schepen, die Afrika's zuidspits omvaren, zeer goed te stade komt tegen de regelmatige zuidoostewinden. De Duncan zette alle zeilen bij, en voor haar fokkezeil, haar groote bezaan, haar mars- en bramzeil, haar lij-, steng- en stagzeilen, liep zij verbazend snel met bakboordshalzen. Naauwelijks drong haar schroef in het water, dat haar steven doorkliefde, en men zou gezegd hebben, dat zij met de snelvarende jagten van de Royal-Thames-Club om den prijs dong.

's Anderendaags was de zee bedekt met een ontzaggelijke menigte zeegras, als ware zij een digt met gras begroeide onmetelijke vijver. Zij geleek op een krooszee, bedekt met al de overblijfselen van boomen en planten, die uit de omliggende landen komen aandrijven. Luitenant Maury heeft voornamelijk de aandacht der zeevarenden er op gevestigd. De Duncan scheen over een onmetelijke weide te drijven, die Paganel teregt met de Pampa's vergeleek, zoodat haar vaart min of meer werd vertraagd.

Vier en twintig uren later liet de uitkijk, bij het krieken van den dag, de kreet: "land!" hooren.

"In welke rigting?" vroeg Tom Austin, die de wacht had.

"Onder den wind van ons," antwoordde de matroos.

Op dit geroep, dat altijd eenige aandoening veroorzaakt, stroomden allen naar het dek van het jagt. Weldra kwam er een verrekijker uit de kampanje, onmiddellijk gevolgd door Jacques Paganel.

De geleerde bragt zijn instrument in de aangewezen rigting, maar zag niets, dat op land geleek.

"Kijk in de wolken," voegde John Mangles hem toe.

"Zoo waar," antwoordde Paganel, "dat heeft veel van een nog bijna onzigtbare soort van piek."

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.
"Dat is Tristan d'Acunha," hernam John Mangles.

"Dan moeten wij, als ik mij wel herinner, er tachtig mijlen van af zijn," gaf de geleerde ten antwoord, "want de zeven duizend voet hooge piek van Tristan is op dien afstand zigtbaar."

"Dat is ook zoo," antwoordde kapitein John.

Eenige uren later was de groep zeer hooge en zeer steile bergen duidelijk aan den gezigteinder waar te nemen. De kegelvormige top van Tristan stak zwart af bij den schitterenden grond des hemels, dien de stralen der opgaande zon met allerlei kleuren tooiden. Weldra maakte het voornaamste eiland zich los van de rotsmassa, als de top van een naar het noordoosten hellenden driehoek.

Tristan d'Acunha ligt op 37°8' zuiderbreedte en 10°44' westerlengte van Greenwich[4]. Achttien mijlen ten zuidwesten ligt het Ontoegankelijke, en tien mijlen ten zuidoosten het Nachtegaals-eiland, die deze kleine eenzame groep in dit gedeelte van den Atlantischen oceaan vormen. Tegen den middag peilde men de twee voornaamste landteekens, die den zeelieden tot herkenningspunten dienen, namelijk op een hoek van het Ontoegankelijke eiland een rots, die zeer juist op een schip onder zeil gelijkt en aan de noordpunt van het Nachtgaals-eiland twee eilandjes, die wel iets hebben van een vervallen fortje.

Tegen drie ure liep de Duncan de Falmouth-baai op Tristan d'Acunha binnen, welke door de Bijstandspunt tegen de westewinden beschut wordt.

Daar lagen eenige walvischvaarders voor anker, die zich bezig hielden met de vangst van robben en andere zeedieren, waarvan deze kusten tallooze soorten opleveren.

John Mangles zocht een goeden ankergrond; want die opene reeden zijn zeer gevaarlijk wegens de noordweste- en noordewinden, en op deze zelfde plaats was in 1829 de engelsche brik Julia met man en muis vergaan. De Duncan naderde de kust tot op een halve mijl en ging op een steengrond op twintig vaâm water ten anker. Dadelijk begaven al de passagiers zich in de groote boot en zetten voet aan land op een fijn en zwart zand, het overschot der verweerde rotsen van het eiland.

De hoofdplaats der geheele groep van Tristan d'Acunha is niets meer dan een dorpje, achterin de baai aan een zeer onstuimige beek gelegen. Het bestond uit een vijftigtal vrij zindelijke en hoogst regelmatig gebouwde huizen, dat het kenmerk der engelsche bouwkunst schijnt te zijn. Achter dit onbeduidende plaatsje strekte zich een vlakte van vijftienhonderd bunders uit, begrensd door een ontzaggelijke opeenhooping van lava; de kegelvormige piek verhief zich nog zeven duizend voet hoog boven dit vlak.

Lord Glenarvan werd door een gouverneur ontvangen, die onder de Kaapkolonie staat. Onmiddellijk deed hij onderzoek naar Harry Grant en de Britannia. Die namen waren geheel onbekend. De eilanden Tristan d'Acunha liggen niet op den weg der schepen, en worden bijgevolg zelden bezocht. Sedert de bekende schipbreuk der Blendon-Hall, die in 1821 op de rotsen van het Ontoegankelijke eiland stootte, waren er slechts twee schepen bij het voornaamste eiland gestrand, de Primauguet in 1845 en de amerikaansche driemaster Philadelphia in 1857. De lijst der zeerampen te Acunha bevatte slechts deze drie gevallen.

Glenarvan rekende volstrekt niet op naauwkeuriger inlichtingen en had den gouverneur des eilands alleen ondervraagd om zijn geweten gerust te stellen. Zelfs liet bij door de sloepen een togt om het eiland doen, dat hoogstens zeventien mijlen omtrek heeft, Londen of Parijs zouden er niet op kunnen staan, al was het nog driemaal grooter.

Gedurende dezen verkenningstogt deden de passagiers der Duncan een wandeling door het dorp en langs de kust. Tristan d'Acunha telt niet meer dan honderd vijftig inwoners. Het zijn Engelschen en Amerikanen, gehuwd met negerinnen en hottentotsche vrouwen van de Kaap, echte monsters van leelijkheid. De kinderen uit die vreemdsoortige huwelijken waren een zeer onaangenaam mengsel van de stugheid der Saxers en de zwarte kleur der Afrikanen.

De reizigers, welke zich gelukkig achtten vasten grond onder hun voeten te hebben, strekten hun wandeling langs den oever uit, waaraan de eenige groote bebouwde vlakte des eilands grenst. Verderop bestaat de geheele kust uit dorre en steile lavarotsen. Bij honderden kan men de groote albatrossen en de domme vetganzen daar tellen.

Nadat zij die rotsen, welke haar ontstaan aan het vuur danken, onderzocht hadden, keerden de bezoekers naar de vlakte terug; hier en daar murmelden talrijke stroomende bronnen, door de eeuwige sneeuw van den kegel gevoed; de bodem had een vrolijk voorkomen door de groene struiken, waarop het oog bijna evenveel musschen als bloemen telde; slechts een enkele boom, een soort van kaapschen kruisdoornstruik, wel twintig voet hoog, en de "tusseh", een reusachtig rietgewas met houtachtigen stengel staken boven het groene landschap uit; een veel loten makende doornbeziestruik met stekelig zaad, stevige lomariën met ineengegroeide vezels, eenige zeer langlevende struikvormige planten, ancerinen, wier welriekende uitwasemingen de lucht met heerlijke geuren doortrokken, mosplanten, wilde selderij en varens vormden een wel niet talrijke maar weelderige flora. Het bleek terstond, dat een eeuwige lente haar weldadigen invloed op dit bevoorregte eiland deed gevoelen. Paganel beweerde met zijn gewone overdrijving, dat hier het vermaarde Ogygia was, dat Fénélon had bezongen. Hij stelde lady Glenarvan voor een grot te zoeken en de lieve Calypso na te volgen, en vroeg voor zichzelven geen ander voorregt, dan "een der nimfen te zijn, die haar bedienden."

Zoo keerden de wandelaars, al pratende en bewonderende, tegen het vallen van den avond naar het jagt terug; kudden runderen en schapen weidden in den omtrek van het dorp; de koren- en maïs-akkers en de tuinen met moesgroenten, welke eerst voor veertig jaar ingevoerd waren, spreidden hun natuurschatten tot op de straten der hoofdplaats ten toon.

Juist toen lord Glenarvan aan boord kwam, legden ook de sloepen der Duncan bij het jagt aan. In weinige uren waren zij het eiland omgevaren. Geen spoor van de Britannia hadden zij op haar togt aangetroffen. Het eenige nut van die rondreis was dus, dat het eiland Tristan geheel van de lijst der nasporingen geschrapt werd.

Bij gevolg kon de Duncan thans die afrikaansche eilandengroep verlaten en haar reis oostwaarts voortzetten. Zij vertrok echter niet dienzelfden avond, want Glenarvan gaf zijn manschappen verlof om op de tallooze robben jagt te maken, die onder den naam van zeekalven, zeeleeuwen, zeebeeren en zeeolifanten de oevers der Falmouth-baai bezoeken. Voorheen hielden de walvisschen zich gaarne in den omtrek der eilanden op; maar zooveel walvischvaarders hadden ze vervolgd en geharpoeneerd, dat er maar weinige overgebleven waren. De vinpootige zoogdieren daarentegen waren er bij heele scharen bijeen. De matrozen van het jagt besloten dus er 's nachts jagt op te maken en den volgenden dag te besteden met het inzamelen van een goeden voorraad traan. Daarom werd het vertrek der Duncan twee dagen, tot den 20sten November uitgesteld.

Onder het avondeten deelde Paganel tot groot genoegen zijne hoorders het een en ander betreffende de eilanden Tristan mede. Zoo vernamen zij, dat die groep in 1506 door den Portugees Tristan d'Acunha, een der reisgenooten van Albuquerque, ontdekt, meer dan een eeuw lang veronachtzaamd bleef. Niet ten onregte werden zij voor broeinesten van stormen gehouden, en stonden zij in geen beter reuk dan de Bermuda's. Zij werden dus steeds vermeden, en tenzij de orkanen van den Atlantischen oceaan er een schip heendreven, wierp geen enkel vaartuig er uit eigen beweging het anker.

In 1697 liepen er drie hollandsche Oost-Indie-vaarders binnen, die er de coördinaten van berekenden, terwijl de groote sterrekundige Halley hun berekeningen in 1700 herzag. Van 1712 tot 1767 maakten eenige fransche zeelieden er kennis mede, vooral La Pérouse, die ze ingevolge zijn lastbrief op zijn beroemde reis van 1785 bezocht.

Die tot nog toe zoo schaars bezochte landen waren nog onbewoond, toen een Amerikaan, Jonathan Lambert, in 1811 het waagde zich er neer te zetten. Hij landde er met twee makkers in de maand Januarij en begon moedig het werk van kolonist. De engelsche gouverneur van de kaap de Goede Hoop vernomen hebbende, dat het hun goed ging, bood hun de bescherming van Engeland aan. Jonathan Lambert nam dit aan, en heesch op zijn hut de britsche vlag. Het scheen, alsof hij zijn volk, bestaande uit een ouden Italiaan en een portugeeschen mulat, rustig zou regeeren, toen hij eens bij een verkenning van de kusten van zijn rijk verdronk of verdronken werd; dat weet men niet regt. Het jaar 1814 kwam. Napoleon werd op St. Helena gevangen gezet, en om hem des te beter te bewaken, legde Engeland bezetting op het eiland Ascension en ook op Tristan d'Acunha. Het garnizoen van Tristan bestond uit een compagnie artillerie van de Kaap en een afdeeling Hottentotten. Het bleef er tot in 1821, toen het na den dood van den gevangene van St. Helena weder naar de Kaap verlegd werd.

"Slechts één Europeaan," voegde Paganel erbij, "een korporaal, een Schot...."

"Wat! een Schot!" zeide de majoor, die altijd bijzonder veel belang in zijn landgenooten stelde.

"William Glass genoemd," ging Paganel voort, "bleef op het eiland met zijn vrouw en twee Hottentotten. Weldra voegden zich twee Engelschen, een matroos en een visscher op de Theems, gewezen dragonder in het argentijnsche leger, bij den Schot, en eindelijk vond in 1821 ook een der schipbreukelingen van de Blendon-Hall met zijn jonge vrouw een schuilplaats op het eiland Tristan. Zoo telde dus het eiland in 1821 zes mannen en twee vrouwen. In 1829 bestond de bevolking uit zeven mannen, zes vrouwen en veertien kinderen. In 1835 bereikte zij het cijfer van veertig en nu is het verdriedubbeld."

"Zoo ontstaan de natiën," zeide Glenarvan.

"Ik voeg er nog bij," hervatte Paganel, "om de geschiedenis van Tristan d'Acunha volledig te verhalen, dat dit eiland in mijn oog met evenveel regt den naam van Robinsons-eiland verdient, als Juan Fernandez. Want werden er op dit laatste achtereenvolgens twee matrozen achtergelaten, weinig scheelde het of twee geleerden had ditzelfde lot op Tristan d'Acunha getroffen. In 1793 verdwaalde een mijner landgenooten, de natuurkundige Aubert Dupetit-Thouars, door zijn ijver om planten te verzamelen vervoerd, en vond zijn schip eerst terug, toen de kapitein het anker ligtte. In 1824 werd een uwer landgenooten, waarde Glenarvan! de bekwame teekenaar August Earle, acht maanden lang op het eiland achtergelaten. Zijn kapitein, vergetende dat hij aan land was, was onder zeil gegaan naar de Kaap."

"Die mag met regt een verstrooid kapitein heeten," zeide de majoor. "Hij was zeker van uw famielje, Paganel?"

"Als hij het niet was, majoor! verdiende hij het te zijn!"

Het antwoord van den aardrijkskundige maakte een einde aan dit gesprek.

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagt: een vijftigtal groote robben werden gedood. Eenmaal de jagt toegelaten hebbende, kon Glenarvan hun nu het voordeel, dat zij opleverde, niet onthouden. De volgende dag werd dus besteed om de traan te verzamelen en de huiden dezer winstgevende dieren te bereiden. Het spreekt van zelf, dat de passagiers van dit oponthoud gebruik maakten tot een nieuw togtje over het eiland. Glenarvan en de majoor namen hun geweer mede om op het wild van Acunha te jagen. Op deze wandeling kwam men tot aan den voet van den berg over een grond bezaaid met verweerde overblijfselen van slakken, poreuse en zware lava en andere vulkanische uitwerpselen. De voet van den berg was omringd door een verwarde menigte waggelende rotsblokken. Men kon zich onmogelijk vergissen in den aard van den ontzaggelijken kegel, en de engelsche kapitein Carnichaël had goed gezien, toen hij hem voor een uitgebranden vulkaan hield.

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagt

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagt
Gedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagt

De jagers ontdekten eenige wilde zwijnen. Een werd door een kogel van den majoor doodelijk getroffen. Glenarvan vergenoegde zich met verscheidene koppels zwarte patrijzen te schieten, waarvan de scheepskok een uitstekenden schotel moest opdisschen. Een menigte geiten vertoonde zich op het hooge bergvlak. En de wilde katten, moedige, vermetele en sterke dieren, de schrik der honden, vermenigvuldigden sterk en zouden weldra zeer gevreesde verscheurende dieren worden.

Ten acht ure was een ieder weer aan boord, en des nachts verliet de Duncan het eiland Tristan d'Acunha om het nimmer weder te zien.

III.

Het eiland Amsterdam.

John Mangles was voornemens aan de kaap de Goede Hoop kolen in te nemen. Daarom moest hij een weinig van den zeven en dertigsten breedtegraad afwijken en twee graden noordelijker gaan. De Duncan was nu beneden de streek der passaatwinden en stevige westewinden begunstigden haar vaart[1]. Geen volle zes dagen had ze noodig voor de dertien honderd mijlen[2], die Tristan d'Acunha van Afrika's zuidpunt scheiden. Den 24sten November, 's namiddags ten drie ure, kreeg men den Tafelberg in het oog, en iets later peilde John den Seinberg, die den ingang der baai aanwijst. Hij liep ze tegen acht ure binnen, en wierp het anker in de haven der Kaapstad.

Als lid der Maatschappij van aardrijkskunde kon het Paganel niet onbekend zijn, dat het uiteinde van Afrika voor het eerst in 1486 gezien werd door den portugeeschen admiraal Bartholomeus Diaz, en dat het tot 1497 duurde, voor de beroemde Vasco de Gama het omzeilde. Hoe zou het Paganel onbekend hebben kunnen zijn, daar Camoëns in zijn Lusiade den roem van den grooten zeevaarder bezingt? Maar hij maakte hierbij een aardige opmerking en wel deze: indien Diaz in 1486, zes jaren voor de eerste reis van Christoffel Columbus, de kaap de Goede Hoop was omgezeild, zou de ontdekking van Amerika welligt wie weet hoe lang verschoven zijn. De weg om de Kaap toch was de kortste en natuurlijkste om naar Oost-Indië te komen. En het doel van den grooten genueeschen zeeman, toen hij westwaarts stevende, was immers geen ander dan de reizen naar de Specerijlanden te verkorten! Derhalve zou, zoodra de Kaap eens was omgezeild, zijn togt doelloos geweest zijn en zou hij hem waarschijnlijk niet ondernomen hebben.

De Kaapstad, achter in de Kaapbaai gelegen, werd in 1652 door den Hollander van Riebeek gesticht. Zij was de hoofdstad eener belangrijke kolonie, die door de verdragen van 1815 bepaald engelsch werd. De passagiers van de Duncan maakten van dit oponthoud gebruik om haar te bezoeken. Zij mogten niet meer dan twaalf uren aan hun wandeling besteden; want kapitein John had maar één dag noodig om nieuwen voorraad in te nemen, en hij wilde den 26sten, 's morgens vroeg, vertrekken.

Meer tijd was er ook niet noodig om de regelmatige ruiten van dat schaakbord, dat Kaapstad heet, te doorkruisen, waarop dertig duizend inwoners, blanken en zwarten, de rol van koningen, koninginnen, paarden, pions, misschien ook van narren[3] spelen. Zoo drukte zich althans Paganel uit. Wanneer men het kasteel, dat zich ten zuidoosten van de stad verheft, het gouvernements-huis en tuin, de beurs, het museum en het steenen kruis, dat Bartholomeus Diaz bij gelegenheid van zijn ontdekking plantte, gezien, en een glas Pontai, het eerste gewas der Constantia-wijnen, gedronken heeft, kan men niets beter doen dan vertrekken. Zoo deden de reizigers dan ook den volgenden dag vroeg. De Duncan stak in zee onder haar stagfok, haar kluiver, haar voormarszeil en haar marszeil, en eenige uren later stevende zij om die beruchte Stormkaap heen, waaraan de optimistische koning van Portugal, Johan II, zeer verkeerd den naam van Goede Hoop gaf.

Een afstand van twee duizend negen honderd mijlen[4] tusschen de Kaap en het eiland Amsterdam af te leggen was bij een schoone zee en een fiksche koelte het werk van een dag of tien. Gelukkiger dan de reizigers in de Pampa's, hadden de zeevaarders niet over weer en wind te klagen. Lucht en water, die op het vastland tegen hen hadden zaamgespannen, sloegen nu de handen ineen om hen voort te drijven.

"O, de zee! de zee!" riep Paganel telkens. "Zij is bij uitnemendheid het veld, waarop de menschelijke krachten zich kunnen oefenen, en het schip is wel het ware voertuig der beschaving! Denkt maar na, mijne vrienden! Was de aardbol maar één onmetelijk vastland, dan zouden wij er in de 19de eeuw nog het duizendste gedeelte niet van kennen! Zie maar wat er in de binnenlanden der groote landstreken voorvalt; in de steppen van Siberië, op de vlakten van Midden-Azië, op de prairiën van Amerika, op de uitgestrekte gronden van Australië, in de bevrozen poolgewesten, —naauwelijks durft de mensch zich er wagen, de stoutste deinst terug, de moedigste bezwijkt! Verder gaan is onmogelijk. De middelen van vervoer zijn ontoereikend. Hitte, ziekten, de wildheid der inboorlingen, ziedaar evenveel onoverkomelijke hinderpalen. Een woestijn van twintig mijlen is een grooter scheidsmuur tusschen de menschen dan een oceaan van vijf honderd mijlen. De bewoners van over elkander liggende oevers zijn buren; vreemden, als slechts een woud ze scheidt! Engeland grenst aan Australië, terwijl Egypte b.v. millioenen uren van St. Petersburg schijnt te liggen! De zee is thans gemakkelijker te bereizen dan de kleinste Sahara, en aan haar hebben wij het te danken, zooals een amerikaansch geleerde zeer juist gezegd heeft[5], dat er een algemeene broederband om al de werelddeelen gelegd is."

Paganel sprak met vuur, en de majoor zelfs had op geen enkel woord van dezen lofzang aan den oceaan een aanmerking te maken. Had men om Harry Grant terug te vinden den zeven en dertigsten breedtegraad over land moeten volgen, dan zou de onderneming niet op touw zijn gezet; maar de zee was er om de moedige zoekers van het eene land naar het andere te brengen, en den 6den December liet ze bij het eerste krieken van den dag een nieuwen berg uit den schoot harer golven oprijzen.

Het was het eiland Amsterdam, op 37°47' breedte en 77°24'[6] lengte, welks hooge kegel bij helder weder vijftig mijlen in het rond zigtbaar is. Ten acht ure geleek zijn nog onbepaalde gedaante vrij naauwkeurig op Teneriffe.

"En bij gevolg gelijkt het op Tristan d'Acunha," zeide Glenarvan.

"Een zeer juiste gevolgtrekking," antwoordde Paganel, "overeenkomstig dit wis- en aardrijkskundig axioma, dat, wanneer twee eilanden elk aan een derde gelijk zijn, zij ook onderling op elkander gelijken. Ik voeg hier nog bij, dat het eiland Amsterdam even als Tristan d'Acunha rijk aan robben en Robinsons is en geweest is."

"Zijn er dan overal Robinsons geweest?" vroeg lady Helena.

"Op mijn eer, mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik ken weinig eilanden, waar niets van dien aard is voorgevallen, en het toeval had reeds lang te voren den roman van uw onsterfelijken landgenoot, Daniël de Foe, uitgewerkt."

"Mag ik zoo vrij zijn u iets te vragen, mijnheer Paganel?" zeide Mary Grant.

"Zooveel gij wilt, lieve miss! ik beloof u, dat ik er op antwoorden zal."

"Welnu," hernam het meisje, "zou de gedachte van op een onbewoond eiland achtergelaten te worden u veel vrees aanjagen?"

"Mij!" riep Paganel.

"Maak ons maar niet wijs, dat gij niets vuriger wenschen zoudt, mijn vriend!" zeide de majoor.

"Dat beweer ik niet," antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik zou het toch niet zoo heel onaangenaam vinden. Ik zou een nieuw leven aanvangen. Ik zou jagen, visschen, 's winters in een grot, 's zomers op een boom wonen; ik zou pakhuizen voor mijn oogst aanleggen; met een woord, ik zou mijn eiland koloniseeren."

"Gij alleen?"

"Ik alleen, als het moest. Maar is men wel ooit alleen in de wereld? Kan men geen vrienden onder de dieren kiezen, een geitje, een praatzieken papegaai, een aardigen aap temmen? En zendt het toeval u een medgezel, zooals de getrouwe Vrijdag, wat is er dan meer noodig om gelukkig te zijn? Twee vrienden op een rots, dat is eerst het ware geluk! Vooronderstel de majoor en ik...."

"Hartelijk dank!" antwoordde de majoor. "Ik heb geen zin in de rol van een Robinson en ik zou haar heel slecht spelen."

"Mijn waarde heer Paganel," sprak lady Helena, "uw verbeelding sleept u weer mede op het gebied der droomen. Maar ik geloof, dat er een groot verschil bestaat tusschen den droom en de werkelijkheid. Gij denkt alleen aan denkbeeldige Robinsons, die voorzigtig op een met beleid gekozen eiland worden geworpen, en die de natuur als bedorven kinderen behandelt; gij beziet de zaken alleen van den schoonsten kant."

"Gelooft gij dan niet, mevrouw! dat men op een onbewoond eiland gelukkig kan zijn?"

"Ik denk het niet. De mensch is voor de gezelligheid, niet voor de eenzaamheid bestemd. Afzondering moet noodzakelijk tot wanhoop leiden. Het is een zaak van tijd. Welligt zullen in het begin de eischen van het stoffelijke leven, de zorgen voor het levensonderhoud den ongelukkige, die pas uit de golven is gered, afleiding geven, de behoeften van het oogenblik hem de gevaren, die hem in de toekomst wachten, uit het oog doen verliezen! Maar daarna, als hij zich alleen gevoelt, ver van zijn medemenschen, zonder hoop van ooit zijn land en wie hem dierbaar zijn terug te zien, welke gedachten zullen dan niet bij hem oprijzen, wat zal hij dan niet moeten lijden? Zijn eilandje is voor hem de geheele wereld. Het geheele menschdom is hij, en wanneer de dood nadert, de dood, die in zulk een verlatenheid zoo vreeselijk is, dan ligt hij daar als de laatste mensch op den laatsten dag der wereld. Geloof mij, mijnheer Paganel! het is beter die man niet te zijn!"

Paganel gaf zich, niet zonder tegenkanting, gewonnen door de bewijzen van lady Helena, en het gesprek over het voor en tegen van de eenzaamheid werd zoo voortgezet tot het oogenblik, waarop de Duncan een mijl van de kust van het eiland Amsterdam het anker liet vallen.

Deze eenzame groep in den Indischen oceaan bestaat uit twee afzonderlijke eilanden, die omstreeks drie en dertig mijlen van elkander en juist onder den middagcirkel van Voor-Indië liggen; het noordelijke heet Amsterdam of St. Pieter, het zuidelijke St. Paul; maar wij moeten zeggen, dat aardrijkskundigen en zeevaarders ze vaak verward hebben.

Deze eilanden werden in de maand December van het jaar 1796 door den Hollander Vlaming ontdekt, en vervolgens onderzocht door d'Entrecasteaux, toen hij met de Espérance en de Recherche La Péronse opspoorde.

Van deze reis dagteekent de verwarring der beide eilanden. De zeevaarder Barrow, Beautemps-Beaupré in den atlas van d'Entrecasteaux, later Horsburg, Pinkeston en andere aardrijkskundigen hebben telkens het eiland St. Pieter voor het eiland St. Paul beschreven en omgekeerd. In 1859 wachtten de officieren van het oostenrijksche fregat de Novara op hun reis om de wereld zich wel die dwaling te begaan, en ook Paganel was er zeer op gesteld ze te verhelpen.

Het eiland St. Paul, ten zuiden van het eiland Amsterdam gelegen, is slechts een onbewoond eilandje, bestaande uit een kegelvormigen berg, die oudtijds een vulkaan moet geweest zijn. Het eiland Amsterdam daarentegen, waarheen de sloep de passagiers van de Duncan bragt, heeft wel twaalf mijlen in omtrek. Het wordt door eenige vrijwillige ballingen bewoond, die zich dat zoo treurige leven getroosten. Het zijn de opzigters over de visscherij, die evenals het eiland een eigendom is van een handelaar op Réunion, den heer Otovan. Die souverein, dien de groote mogendheden van Europa nog niet erkend hebben, verschaft zich daar een civiele lijst van vijf en zeventig tot tachtig duizend franken, door het visschen, zouten en verzenden van een cheilodactylus, meer algemeen bekend onder den naam van kabeljaauw.

Overigens was dit eiland Amsterdam bestemd om fransch te worden en te blijven. Zoo behoorde het allereerst door het regt van eerste inbezitneming aan den heer Camin, een kaper van St. Denis op Bourbon; vervolgens werd het bij een of ander verdrag aan een Pool afgestaan, die het door slaven liet bebouwen. Maar een Pool en een Franschman is hetzelfde, en het poolsche eiland werd in handen van den heer Otovan weder fransch.

Toen de Duncan er aanlandde, den 6den December 1864, bestond de bevolking uit drie hoofden, een Franschman en twee Mulatten, alle drie bedienden van den koopman-eigenaar. Paganel had dus het genoegen een landgenoot de hand te drukken in den persoon van den eerwaardigen, toen zeer bejaarden heer Viot. Die "verstandige grijsaard" hield met veel beleefdheid de eer van het eiland op. Het was voor hem een gelukkige dag, nu hij zulke innemende vreemdelingen mogt ontvangen. St. Pieter wordt slechts bezocht door robbenvangers en enkele walvischvaarders, lieden, die over het geheel zeer ruw zijn en niet veel gewonnen hebben door den omgang met de zeehonden.

De heer Viot stelde zijn onderdanen, de beide Mulatten, voor; zij vormden de geheele levende bevolking van het eiland, met eenige wilde zwijnen, die zich in het binnenland ophielden en vele duizenden domme vetganzen. Het huisje, dat de drie eilanders bewoonden, stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven in het zuidwesten des eilands, gevormd door de instorting van een gedeelte van den berg.

Het huisje ... stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven ...

Het huisje ... stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven ...
Het huisje ... stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven ...

Lang voor de regering van Otovan I strekte het eiland St. Pieter tot toevlugtsoord voor schipbreukelingen. Paganel maakte de belangstelling zijner hoorders gaande door zijn eerste verhaal met deze woorden te beginnen:

Geschiedenis van twee Schotten, die op het eiland Amsterdam werden achtergelaten.

Het was in 1827. Het engelsche schip Palmira bemerkte onder het voorbijvaren van het eiland, dat er een rookwolk omhoog steeg. De kapitein naderde de kust en zag weldra twee mannen, die noodseinen gaven. Hij zond de sloep aan land, die James Paine, een jongeling van twee en twintig jaren, en Robert Proudfoot, oud acht en veertig jaar, opnam. Die beide ongelukkigen waren onkenbaar. Sedert achttien maanden bijna geheel van voedsel en zoet water verstoken, van schelpdieren levende, met een slechten omgebogen spijker visschende, soms een jong wild zwijn in den loop vangende, dikwijls drie dagen lang zonder eten doorbrengende, als vestaalsche maagden wakende bij een vuur, dat zij met hun laatste stuk zwam hadden aangelegd, het nooit latende uitgaan, het op hun togten als een voorwerp van de hoogste waarde medenemende, leidden zij een leven vol gebrek, ontbering en lijden. Paine en Proudfoot waren door een schoener aan land gezet, die op de robbenvangst was. Volgens de gewoonte der visschers moesten zij een maand lang een voorraad huiden en traan opleggen, tot aan de terugkomst van den schoener. De schoener verscheen niet weer. Vijf maanden later deed de Hope, op haar reis naar Van Diemen het eiland aan; maar ten gevolge van een onverklaarbare wreede luim weigerde de kapitein de twee Schotten mede te nemen; hij zeilde weer weg zonder hun een beschuit of een vuursteen te geven, en zekerlijk zouden de twee ongelukkigen weldra bezweken zijn, indien de Palmira hen niet aan boord had genomen, toen ze in het gezigt van het eiland Amsterdam kwam.

Het tweede voorval, waarvan de geschiedenis van het eiland Amsterdam melding maakt,—indien zulk een rots een geschiedenis hebben kan,—betreft thans een Franschman, kapitein Péron. Dit voorval begint en eindigt ook weer als dat van de twee Schotten: een vrijwillig verblijf op het eiland, een schip, dat niet terugkomt, en een vreemd vaartuig, dat de grillige winden naar die groep drijven, na een verlatenheid van veertig maanden. Het verblijf van kapitein Péron werd echter gekenmerkt door een bloedig drama, en levert treffende punten van overeenkomst op met de verdichte voorvallen, die den held van Daniel de Foe bij zijn terugkomst op zijn eiland wachtten.

Kapitein Péron had zich aan wal laten zetten met vier matrozen, twee Engelschen en twee Franschen; vijftien maanden lang zou hij zich met de jagt op zeeleeuwen bezig houden. De jagt was gelukkig; maar toen de vijftien maanden om waren en het schip niet terug kwam, toen de levensmiddelen langzamerhand op raakten, werden de betrekkingen tusschen de beide volken gespannen. De twee Engelschen sloegen aan het muiten en kapitein Péron zou door hen omgebragt zijn, als zijn landgenooten hem niet hadden bijgestaan. Van dit oogenblik af leidden de beide partijen, die elkaar dag en nacht in het oog hielden, altijd de wapens in de hand hadden, nu eens overwinnaars, dan weer overwonnenen waren, een vreeselijk leven vol ellende en angst. En zeker zouden zij elkander eindelijk vernietigd hebben, als niet een engelsch schip die rampzaligen verzoend had, tusschen welke een nietswaardige volkshaat op een rots in den Indischen oceaan verdeeldheid veroorzaakte.

Zoo droegen die gebeurtenissen zich toe. Tweemaal werd zoo het eiland Amsterdam het verblijf van verlaten matrozen, die de Voorzienigheid tweemaal van ellende en dood redde. Maar na dien tijd was er geen schip meer op die kust vergaan. Een schipbreuk zou het wrak op het strand hebben geworpen; schipbreukelingen zouden de visscherijen van den heer Viot bereikt hebben. Maar de grijsaard bewoonde het eiland reeds jaren lang en nooit had hij gelegenheid gehad gastvrijheid te bewijzen aan slagtoffers der zee. Van de Britannia en van kapitein Grant wist hij niets. Noch het eiland Amsterdam, noch het eilandje St. Paul, dat de walvischvaarders en visschers dikwijls bezochten, was het tooneel dier ramp geweest.

Dit antwoord verbaasde Glenarvan evenmin als het hem bedroefde. Op die aanlegplaatsen zochten Glenarvan en zijn reisgenooten, waar kapitein Grant niet was, niet waar hij wel was. Zij wilden alleen het bewijs leveren, dat hij op die verschillende punten der parallel niet was, anders niet. Het vertrek der Duncan werd dus op den volgenden dag bepaald.

Tot den avond bleven de passagiers op het eiland, dat een zeer vriendelijk voorkomen heeft. Maar de wijdloopigste aller natuurkenners zou geen kans gezien hebben om een deeltje in octavo te vullen met de beschrijving van de aldaar te huis behoorende dieren en planten. De orde der viervoetige dieren, der vogels, der visschen en der walvischaardige dieren bevatte slechts eenige wilde zwijnen, stormvogels, sneeuwvogels, albatrossen, baarzen en robben. Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava, en haar digte dampen zweefden over den vulkanischen bodem. Eenige van die bronnen bezaten een zeer hoogen warmtegraad. John Mangles dompelde er een thermometer van Fahrenheit in, die honderd zes en zeventig graden aanwees. De visch, die eenige schreden van daar in zee werd gevangen, was in vijf minuten gaar in dat bijna kokend heete water. Paganel oordeelde het daarom ook geraden zich er niet in te baden.

Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava ...

Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava ...
Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava ...

Tegen den avond nam Glenarvan na een stevige wandeling afscheid van den vriendelijken heer Viot. Elk wenschte hem alle mogelijke geluk op zijn eenzaam eilandje. De grijsaard op zijne beurt uitte de beste wenschen voor het welslagen der onderneming, en de boot van de Duncan bragt de passagiers aan boord terug.

IV.

De weddenschappen van Jacques Paganel en majoor Mac Nabbs.

Ten drie ure in den morgen van den 7den December had de Duncan reeds stoom op; de manschappen liepen in het spil; het anker kwam regt onder het schip, verliet den zandgrond der kleine haven en werd naar den ankerbalk opgeheschen; de schroef raakte in beweging en het jagt stak in zee. Toen de passagiers ten acht ure op het dek kwamen, verdween het eiland Amsterdam in de nevelen van den gezigteinder. Het was de laatste pleisterplaats op den weg van de zeven en dertigste parallel, en niet meer dan drie duizend mijlen[1] scheidden het van de australische kust. Als de westewind nog een dag of twaalf aanhield en de zee gunstig bleef, zou de Duncan het doel harer reis bereiken.

Mary Grant en Robert zagen niet zonder aandoening die golven, welke de Britannia ongetwijfeld weinige dagen voor zij verging kliefde. Welligt worstelde daar kapitein Grant met een reeds ontredderd schip en gedunde bemanning tegen de vreeselijke orkanen der Indische zee, en werd hij met onweerstaanbare kracht naar de kust gedreven. John Mangles wees het meisje de stroomen, die op de zeekaart aangeteekend staan, en verklaarde haar hun bestendige rigting. Zoo voert er o.a. een, de zijdelingsche strooming van den Indischen oceaan, naar het vastland van Australië, en haar werking doet zich van het westen naar het oosten niet minder in de Stille Zuidzee voelen dan in den Atlantischen oceaan. Dus moest de Britannia, masteloos en niet meer naar het roer luisterende, dat wil zeggen weerloos tegen het geweld van water en wind, wel op de kust loopen en er vergaan.

Hier deed zich echter een zwarigheid op. De laatste berigten van kapitein Grant waren, volgens de Mercantile and Shipping Gazette, uit Callao, van den 30sten Mei 1862. Hoe kon nu de Britannia den 7den Junij, acht dagen na het verlaten van de kust van Peru, in de Indische zee zijn? Toen men Paganel hierover raadpleegde, gaf hij een zeer aannemelijk antwoord, waarmede de ongeloovigsten genoegen hadden kunnen nemen.

Het was in den avond van den 12den December, zes dagen na het vertrek van het eiland Amsterdam. Lord en lady Glenarvan, Robert en Mary Grant, kapitein John, Mac Nabbs en Paganel praatten op de kampanje. Als gewoonlijk sprak men over de Britannia, want men dacht aan niets anders. Nu werd juist de bovengenoemde zwarigheid toevallig geopperd, waarvan het onmiddellijk gevolg was, dat de hoop, dien allen op dezen weg gevestigd hadden, verminderde.

Bij deze onverwachte opmerking van Glenarvan zag Paganel driftig op. Zonder een woord te spreken ging hij nu het document halen. Toen hij terugkwam, vergenoegde hij zich met de schouders op te halen, als iemand die zich schaamt, dat hij een oogenblik voor "zulk een beuzeling" gestaan heeft.

"Dat is nu goed en wel, waarde vriend!" zeide Glenarvan, "maar geef ons ten minste een antwoord."

"Neen!" antwoordde Paganel, "ik zal liever een vraag doen en wel aan kapitein John."

"Spreek op, mijnheer Paganel!" zeide John Mangles.

"Kan een goed zeiler in een maand het gedeelte van de Stille Zuidzee oversteken, dat tusschen Amerika en Australië ligt?"

"Ja, als hij in een etmaal twee honderd mijlen aflegt."

"Is dat buitengewoon snel?"

"Volstrekt niet. De zeilclippers bereiken dikwijls een nog aanzienlijker snelheid."

"Welnu," hernam Paganel, "vooronderstel, in plaats van "7 Junij" op het document te lezen, dat de zee een cijfer van die dagteekening heeft uitgewischt en lees "17 Junij" of "27 Junij," en alles is opgehelderd."

"Inderdaad," sprak lady Helena, "van den 31sten Mei tot den 27sten Junij...."

"Heeft kapitein Grant de Stille Zuidzee kunnen oversteken en in den Indischen oceaan zijn!"

Dit besluit, dat Paganel daaruit opmaakte, werd met een levendig gevoel van tevredenheid begroet.

"Nu is er, dank zij onzen vriend, alweer iets opgehelderd!" zeide Glenarvan. "Wij behoeven dus eenvoudig Australië te bereiken en het spoor van de Britannia op de westkust te zoeken."

"Of op de oostkust," meende John Mangles.

"Ja waarlijk, gij hebt gelijk, John! Het document bevat niet de geringste aanwijzing, dat de ramp veeleer op de west- dan op de oostkust heeft plaatsgehad. Wij zullen derhalve onze nasporingen moeten uitstrekken tot die beide punten, waar de zeven en dertigste parallel Australië snijdt."

"Bestaat er dan eenige twijfel dienaangaande, mylord?" vroeg het meisje.

"O neen, miss!" haastte John Mangles zich te antwoorden, die deze vrees van Mary Grant wenschte te verdrijven. "Zijn Lordschap zal wel willen toestemmen dat, wanneer kapitein Grant op de oostkust van Australië aan land was gekomen, hij bijna terstond hulp en bijstand zou gevonden hebben. Die geheele kust is om zoo te zeggen engelsch en met kolonisten bevolkt. De bemanning der Britannia behoefde geen tien mijlen landwaarts in te gaan om landgenooten te vinden."

"Juist zoo, kapitein John!" sprak Paganel. "Ik ben het met u eens. Op de oostkust, in de Twofold-baai, in het stadje Eden, zou Harry Grant niet alleen een toevlugtsoord in een engelsche kolonie gevonden hebben; maar het zou hem ook niet aan vervoermiddelen ontbroken hebben om naar Europa terug te keeren."

"Hebben dan," vroeg lady Helena, "de schipbreukelingen niet dezelfde hulpmiddelen kunnen vinden in dat gedeelte van Australië, waarheen de Duncan ons brengt?"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Die kust is onbewoond. Zij heeft niet de minste gemeenschap met Melbourne of Adelaïde. Als de Britannia op de riffen, die haar omzoomen, vergaan is, heeft het der bemanning even goed aan hulp ontbroken, alsof ze verbrijzeld was op de onherbergzame stranden van Afrika."

"Maar wat is er dan in die twee jaren van mijn vader geworden?" vroeg Mary Grant.

"Lieve Mary!" antwoordde Paganel, "gij houdt u toch zeker overtuigd, dat kapitein Grant na zijn schipbreuk de australische kust bereikt heeft?"

"Ja, mijnheer Paganel!" verzekerde het meisje.

"Welnu, wat kan er met kapitein Grant, eenmaal aan land zijnde, gebeurd wezen? Hier is geen ruim veld voor gissingen. Zij bepalen zich tot een drietal. Harry Grant en zijn makkers hebben òf de engelsche koloniën bereikt, òf zij zijn in de handen der inboorlingen gevallen, òf eindelijk ze zijn verdwaald in de onmetelijke woestenijen van Australië."

Paganel zweeg, en trachtte in de oogen zijner toehoorders een goedkeuring van zijn stelsel te lezen.

"Ga voort, Paganel!" zeide lord Glenarvan.

"Vooreerst dan," vervolgde hij, "verwerp ik de eerste gissing. Harry Grant heeft de engelsche koloniën niet kunnen bereiken, want dan was zijn redding zeker en zou hij reeds sedert lang bij zijn kinderen in zijn goede stad Dundee geweest zijn."

"Arme vader!" jammerde Mary Grant, "nu is hij reeds twee jaren van ons gescheiden!"

"Laat mijnheer Paganel toch uitspreken, zuster!" zeide Robert, "hij zal ons zeggen...."

"Helaas, neen! mijn jongen! al wat ik stellig kan zeggen is, dat kapitein Grant gevangen is bij de Australiërs of...."

"Maar die inboorlingen?" vroeg lady Glenarvan driftig, "zij zijn...?"

"Stel u gerust, mevrouw!" antwoordde de geleerde, die de bedoeling van lady Helena vatte, "die inboorlingen zijn wild, verdierlijkt, op het laagste standpunt van menschelijke ontwikkeling; maar hun zeden zijn zacht, en niet bloeddorstig gelijk die hunner buren op Nieuw-Zeeland. Wanneer zij de schipbreukelingen der Britannia gevangen hebben genomen, kunt gij mij op mijn woord gelooven, dat zij hun leven nooit bedreigd hebben. Alle reizigers zijn het hierover eens, dat de Australiërs een afkeer hebben van bloedvergieten en menigmaal hebben zij in hen getrouwe bondgenooten gevonden om den aanval af te slaan van heel wat wreeder benden gedeporteerden."

"Gij hoort, wat mijnheer Paganel zegt," hernam lady Helena zich tot Mary Grant wendende. "Ingeval uw vader, en het document geeft aanleiding om het te denken, in handen der inboorlingen is, zullen wij hem terugvinden...."

"En wanneer hij in dat onmetelijke land verdwaald is?" sprak het meisje, Paganel met haar blikken ondervragende.

"Ook dan," riep de aardrijkskundige vol vertrouwen uit, "zullen wij hem terugvinden! Niet waar, vrienden?"

"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan, die een vrolijker wending aan het gesprek wilde geven. "Ik geef niet toe, dat men verdwalen kan...."

"Ik ook niet," voegde Paganel er bij.

"Is Australië groot?" vroeg Robert.

"Australië, mijn jongen! is zoo wat zeven honderd vijf en zeventig millioenen bunders groot, dat is vier vijfden van Europa."

"Zoo groot?" vroeg de majoor.

"Ja, Mac Nabbs! tot op een el na naauwkeurig. Gelooft gij nu, dat zulk een land aanspraak heeft op de benaming van "vastland," die het document er aan geeft?"

"Zeker, Paganel!"

"Ik voeg hier nog bij," ging de geleerde voort, "dat er weinig reizigers bekend zijn, die in dat uitgestrekte land verdwaald zijn. Ik geloof zelfs, dat Leichardt de eenige is, wiens lot onbekend is, en kort voor mijn vertrek heb ik nog in de Maatschappij van aardrijkskunde gehoord, dat Mac Intyre meende hem op het spoor te zijn."

"Is Australië niet in alle rigtingen doorkruist?" vroeg lady Glenarvan.

"Neen, mevrouw! daar scheelt heel wat aan!" antwoordde Paganel. "Dit vastland is even weinig bekend als de binnenlanden van Afrika, en toch niet uit gebrek aan ondernemende reizigers. Van 1606 tot 1862 hebben zich meer dan vijftig, zoowel in het binnenland als aan de kusten, met het onderzoek van Australië bezig gehouden."

"O, vijftig!" zeide de majoor met een twijfelende houding.

"Ja, Mac Nabbs! zooveel. Ik bedoel daarmede zoowel de zeelieden, die de australische kusten onder al de gevaren eener onbekende zeevaart hebben opgenomen, als de reizigers, die landwaarts ingetrokken zijn."

"Maar vijftig is toch wel wat veelgezegd," beweerde de majoor.

"Ik zal nog verder gaan, Mac Nabbs!" hernam de aardrijkskundige, dien tegenspraak altijd driftig maakte.

"Ga verder, Paganel!"

"Als gij mij uitdaagt, zal ik u die vijftig namen zonder aarzelen opnoemen."

"Ho! ho!" zeide de majoor heel bedaard. "Zoo zijn de geleerden! zij twijfelen aan niets."

"Majoor!" zeide Paganel, "verwedt gij uw karabijn van Purdey Moore en Dickson tegen mijn verrekijker van Secretan?"

"Majoor, verwedt gij uw karabijn...?"

"Majoor, verwedt gij uw karabijn...?"
"Majoor, verwedt gij uw karabijn...?"

"Waarom niet, Paganel! als gij daarop gesteld zijt?" antwoordde Mac Nabbs.

"Goed, majoor!" riep de geleerde. "Met die karabijn zult gij geen ganzen of vossen meer schieten, of ik moest ze u leenen, dat ik altijd met genoegen zal doen!"

"Paganel!" antwoordde de majoor ernstig, "wanneer gij mijn verrekijker noodig hebt, zal hij altijd te uwer beschikking zijn."

"Dan zal ik maar beginnen," sprak Paganel. "Dames en Heeren! gij zult uitspraak doen. En gij, Robert! zult de punten tellen."

Lord en lady Glenarvan, Mary en Robert, de majoor en John Mangles, die zich met die twist vermaakten, zetten zich er toe om naar den aardrijkskundige te luisteren. Er was immers sprake van Australië, waarheen de Duncan stevende, en die geschiedenis kon nooit beter gelegen komen. Paganel werd derhalve uitgenoodigd om zonder verwijl de beloofde proeven van zijn sterk geheugen te geven.

"Mnemosyne!" riep hij uit, "godin van het geheugen, moeder der kuische Muzen, wees met uw getrouwen en vurigen aanbidder! Voor twee honderd acht en vijftig jaar, mijne vrienden! was Australië nog onbekend. Wel giste men, dat er in het zuiden een groot vastland bestond; twee kaarten, die in de bibliotheek van uw britsch museum bewaard worden, waarde Glenarvan! en het jaartal 1550 dragen, vermelden een land ten zuiden van Azië en noemen het het Groot Java der Portugeezen. Maar de echtheid dier kaarten is niet voldoende bewezen. Ik kom dus tot de 17de eeuw, tot 1606; in dat jaar ontdekte een spaansch zeeman, Quiros, een land, dat hij Australia de Espiritu Santo noemde. Eenige schrijvers hebben beweerd, dat het de groep der Nieuwe Hebriden was, en niet Australië. Ik wil hierover thans niet uitweiden. Tel dien Quiros, Robert! dan gaan wij tot een ander over."

"Een!" riep Robert.

"In hetzelfde jaar zette de onderbevelhebber der vloot van Quiros, Luiz Vaz de Torres, meer zuidelijk de ontdekking van nieuwe landen voort. Maar den Hollander Theodoor Hertogh komt de eer der groote ontdekking toe. Hij landde op de westkust van Australië op 25° breedte, en gaf haar naar zijn schip den naam van Eendrachtsland. Na hem neemt het aantal zeevaarders toe. In 1618 ontdekt Zeachen op de noordkust Arnhems- en Van Diemensland. In 1619 vaart Jan Edels langs een deel der westkust en geeft daaraan zijn eigen naam. In 1622 komt de Leeuwin tot de naar haar genoemde kaap. In 1627 voltooijen Nuitz en de Witt, de een ten westen, de andere ten zuiden, de ontdekkingen hunner voorgangers, en worden door den vlootvoogd Carpentier gevolgd, die met zijn schepen in den diepen inham doordringt, welke nog de golf van Carpentaria heet. Eindelijk zeilt in 1642 de vermaarde Tasman om het eiland Van Diemen, dat hij aan het vastland verbonden acht, en geeft het den naam van den gouverneur-generaal te Batavia, een naam, dien de nakomelingschap met volle regt in dien van Tasmania veranderd heeft. Nu was het vastland van Australië omgezeild; men wist dat de golven van den Indischen oceaan en de Stille Zuidzee het geheel insloten, en in 1665 kreeg dit groote zuidelijke eiland den naam van Nieuw-Holland, een naam, dien het niet zou behouden, en dus juist op het tijdstip, dat de rol der hollandsche zeelieden uitgespeeld was. Hoeveel hebben wij er nu?"

"Tien!" antwoordde Robert.

"Goed!" hernam Paganel, "ik zet een kruisje en ga tot de Engelschen over. In 1686 kwam een opperhoofd der Boekaniers, een broeder van de kust, een der beruchtste vrijbuiters op de zuidelijke zeeën, Williams Dampier, na het uitstaan van tallooze lotgevallen, met genoegens en ontberingen vermengd, met het schip de Cygnet op de noordwestkust van Nieuw-Holland op 16°50' breedte; hij kwam met de inboorlingen in aanraking en gaf van hun zeden, hun armoede, hun verstandelijke ontwikkeling een zeer volledige beschrijving. In 1699 kwam hij in dezelfde baai terug, waar Hertogh aan land was gegaan, nu niet als kaper, maar als bevelhebber van de Roebuck, een schip van de koninklijke marine. Tot nog toe echter was de ontdekking van Australië alleen belangrijk geweest als aardrijkskundig feit. Niemand dacht er aan om het te koloniseeren, en in geen drie vierden eener eeuw, van 1699 tot 1770, werd het door een zeevaarder bezocht. Maar toen verscheen de beroemdste zeeman der geheele aarde, kapitein Cook, en nu werd het nieuwe vastland weldra geopend voor de landverhuizers uit Europa. Op zijn drie beroemde reizen betrad James Cook den grond van Nieuw-Holland, en wel het eerst den 31sten Maart 1770. Na gelukkig op Otaheite den voorbijgang van Venus langs de zon waargenomen te hebben[2], drong Cook met zijn scheepje de Endeavour in het westelijk gedeelte der Stille Zuidzee. Na Nieuw-Zeeland bezocht te hebben, kwam hij in een baai op de westkust van Australië, die hij zoo rijk aan nieuwe planten vond, dat hij haar den naam van Kruidenbaai gaf. Het is de tegenwoordige Botany-Bay. Zijn betrekkingen met half verdierlijkte inboorlingen waren van weinig belang. Hij stevende noordwaarts en op 16° breedte, bij kaap Tribulation, stiet de Endeavour op een koraalrif, acht uren van de kust. Het gevaar van te zinken was zeer groot. Levensmiddelen en kanonnen werden in zee geworpen; maar in den volgenden nacht maakte de vloed het geligte vaartuig weer vlot. Dat het niet zonk, had het te danken aan een stuk koraal, dat in het gat was geraakt en het lek behoorlijk stopte. Cook kon dus met zijn vaartuig een kleine kreek bereiken, waarin zich een rivier stortte, die de Endeavour genoemd werd. Gedurende de drie maanden, welke de herstelling van hun bodem duurde, trachtten de Engelschen nuttige betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen; maar met weinig gevolg, zoodat zij weer in zee staken. De Endeavour bleef koers houden naar het noorden. Cook wilde weten of er een straat bestond tusschen Nieuw-Guinea en Nieuw-Holland; na het uitstaan van nieuwe gevaren, na twintigmaal zijn schip in de waagschaal te hebben gesteld, ontdekte hij dat de zee in het zuidwesten open was. De straat bestond en werd doorgevaren. Cook landde op een eilandje, en in naam van Engeland bezit nemende van de lange kustlijn, die hij bezocht had, gaf hij daaraan den echt britschen naam van Nieuw-Zuid-Wales. Drie jaar later voerde de stoute zeeman het bevel over de Adventure en de Resolution; kapitein Furneaux ging met de Adventure de kusten van Van Diemensland opnemen, en kwam terug in de meening, dat het met Nieuw-Holland zamenhing. Eerst in 1777, op zijn derde reis, ankerde Cook met zijn schepen de Resolution en de Discovery in de Adventure-baai op Van Diemensland, en vertrok van daar om eenige maanden later op de Sandwich-eilanden te sterven."

De vertellingen van Paganel.

De vertellingen van Paganel.
De vertellingen van Paganel.

"Hij was een groot man," zeide Glenarvan.

"De beroemdste zeeman, die ooit geleefd heeft. Banks, zijn reisgenoot, bragt het engelsche gouvernement op de gedachte om een strafkolonie aan de Botany-Bay te vestigen. Zeelieden van allerlei natiën volgen hem. In den laatsten brief, dien men van La Pérouse ontving, geschreven in de Botany-Bay en gedagteekend van den 7den Februari 1787, geeft de ongelukkige zeeman kennis van zijn voornemen om de golf van Carpentaria en de geheele kust van Nieuw-Holland tot aan Van Diemensland te bezoeken. Hij vertrekt en keert niet meer terug. In 1788 legde kapitein Philipp te Port-Jackson de eerste engelsche kolonie aan. In 1792 zeilt d'Entrecasteaux, op zijn togt ter opsporing van La Pérouse, langs de west- en zuidkust van Nieuw-Holland, en ontdekt onderweg onbekende eilanden. In 1795 en 1797 zetten twee jongelieden, Flinders en Bass, in een boot van acht voet lang, moedig het onderzoek der zuidkust voort, en in 1797 vaart Bass door de naar hem genoemde straat tusschen Van Diemensland en Nieuw-Holland. In datzelfde jaar vond Vlaming, de ontdekker van het eiland Amsterdam, op de oostkust de Zwanenrivier, waar zwarte zwanen van de schoonste soort zich verlustigden. Wat Flinders aangaat, deze hervatte in 1801 zijne belangrijke onderzoekingen, en trof op 138°58' lengte en 35°40' breedte in de Encounter-baai de Géographe en de Naturaliste aan, twee fransche schepen onder bevel van de kapiteins Baudin en Hamelin."

"Zoo! kapitein Baudin?" zeide de majoor.

"Ja! waarom vraagt gij dat zoo?" vroeg Paganel.

"O! niets. Ga voort, waarde Paganel!"

"Ik ga voort met bij de namen dier zeevaarders dien van kapitein King te voegen, die van 1817 tot 1822 het onderzoek der keerkringskusten van Nieuw-Holland voltooide."

"Dat maakt vier en twintig namen," zeide Robert.

"Goed," antwoordde Paganel, "de helft der karabijn van den majoor is reeds mijn. Nu de zeelieden afgehandeld zijn, ga ik tot de reizigers over."

"Zeer goed, mijnheer Paganel!" sprak lady Helena; "ik moet zeggen, dat gij een verbazend geheugen hebt."

"Hetgeen zeer vreemd is," voegde Glenarvan er bij, "in iemand die zoo...."

"Verstrooid is," haastte Paganel zich te zeggen. "O, ik heb alleen een geheugen voor jaartallen en feiten. Dat is alles."

"Vier en twintig," herhaalde Robert.

"De vijf en twintigste is luitenant Daws. Het was in 1789, een jaar na de grondlegging der kolonie te Port-Jackson. Wel had men het nieuwe vastland omgevaren, maar niemand kon zeggen, wat het bevatte. Een lange bergreeks, die evenwijdig met de oostkust loopt, scheen den toegang tot het binnenland geheel te versperren. Na een togt van negen dagen moest luitenant Daws het opgeven en naar Port-Jackson terugkeeren. In hetzelfde jaar poogde kapitein Tench te vergeefs die hooge keten over te trekken. Die mislukte pogingen schrikten gedurende drie jaren de reizigers af om die moeijelijke taak te hervatten. In 1792 echter leed kolonel Paterson, een moedig afrikaansch reiziger, in dezelfde onderneming schipbreuk. In het volgende jaar kwam een eenvoudig kwartiermeester der engelsche marine, de moedige Hawkins, twintig mijlen verder dan het punt, dat zijn voorgangers niet hadden kunnen overschrijden. In een tijdsverloop van achttien jaren kan ik slechts twee namen opnoemen, die van den beroemden zeeman Base en van den heer Bareiller, een ingenieur uit de kolonie, die niet gelukkiger waren dan hun voorgangers, en zoo kom ik tot het jaar 1813, toen er eindelijk ten westen van Sydney een doortogt ontdekt werd. De gouverneur Macquarie waagde zich er in (1815), en aan gene zijde der Blaauwe bergen werd de stad Bathurst gesticht. Van dit oogenblik af verrijkten Throsby in 1819, Oxley, die een afstand van driehonderd mijlen aflegde, Howel en Hume, wier uitgangspunt de Twofold-baai was, waar de zeven en dertigste parallel over heen loopt, en kapitein Sturt, die in 1829 en 1830 den loop der Darling en der Murray onderzocht, de aardrijkskunde met nieuwe feiten en bragten het hunne toe aan de ontwikkeling der koloniën."

"Zes en dertig!" riep Robert.

"Heel goed! ik vorder!" antwoordde Paganel. "Terloops noem ik nog Eyre en Leichardt, die in 1840 en 1841 een gedeelte des lands bereisden; Sturt, in 1845; de gebroeders Gregory en Helpman in 1846 in West-Australië; Kennedy in 1847 aan de Victoria-rivier en in 1848 in Noord-Australië; Gregory in 1852; Austin in 1854; de Gregory's van 1855-58 in het noordwesten van het vastland; Babbage, van het Torrens- tot het Eyre-meer, en zoo kom ik eindelijk tot een in de australische jaarboeken met roem bekenden reiziger, tot Stuart, die vol moed tot driemaal toe een reis over het vastland deed. Zijn eerste togt naar de binnenlanden had in 1860 plaats. Wanneer gij het verlangt, zal ik u later vertellen, hoe Australië viermaal van het zuiden naar het noorden werd bereisd. Voor ditmaal wil ik die lange naamlijst besluiten en van 1860-62 voeg ik, bij de namen van zooveel stoute baanbrekers der wetenschap, nog die van de gebroeders Dempster, van Clarckson en Harper, van Berke en Wills, van Neilson, Walker, Landsborough, Mackinlay, Howit...."

"Zes en vijftig!" riep Robert.

"Goed, majoor!" hervatte Paganel, "ik zal u goede maat geven, want ik heb nog niet gesproken van Duperrey, Bougainville, Fitz Roy, Wickson, Stokes...."

"Genoeg! zeide de majoor, die van al die namen duizelde.

"Van Péron, Quoy," ging Paganel voort met de vaart van een sneltrein, "Bennett, Cuningham, Nutchell, Tiers...."

"Genade!"

"Van Dixon, Strelesky, Reid, Wilkes, Mitchell...."

"Houd op, Paganel!" zeide Glenarvan, die schudde van lagchen, "dood den ongelukkigen Mac Nabbs niet. Wees edelmoedig! hij verklaart zich overwonnen."

"En zijn karabijn?" vroeg de aardrijkskundige met een zegevierend lachje.

"Behoort u, Paganel!" antwoordde de majoor, "en het spijt mij genoeg. Maar uw geheugen is sterk genoeg om een geheel tuighuis te winnen."

"Het is zeker onmogelijk Australië beter te kennen," zeide lady Helena; "de geringste naam noch het onbeduidendste feit...."

"O, het onbeduidendste feit!" zeide de majoor hoofdschuddende.

"Wat blieft u, Mac Nabbs!" riep Paganel.

"Ik wil zeggen, dat u welligt niet alles, wat met de ontdekking van Australië in verband staat, bekend is."

"Het mogt wat!" zeide Paganel op fieren toon.

"En krijg ik mijn karabijn terug, als ik u iets opnoem, wat gij niet weet?" vroeg Mac Nabbs.

"Terstond, majoor!"

"Is de koop gesloten?"

"De koop is gesloten!"

"Goed. Weet gij wel, Paganel! waarom Australië niet aan Frankrijk behoort?"

"Wel, mij dunkt...."

"Of althans welke reden de Engelschen daarvoor opgeven?"

"Neen, majoor!" antwoordde Paganel met een droevig gezigt.

"Alleen omdat kapitein Baudin, die toch geen lafaard was, in 1802 zoo schrikte van het gekwaak der australische kikvorschen, dat hij zoo gaauw hij kon het anker ligtte en vlugtte om niet weer terug te komen."

"Wat!" riep de geleerde, "zegt men dat in Engeland? dat is een lage aardigheid!"

"Heel laag, dat geef ik toe," antwoordde de majoor, "maar zij is in het Vereenigde Koningrijk historisch geworden."

"Het is een schandaal!" riep de vaderlandslievende aardrijkskundige. "En vertelt men dat in vollen ernst?"

"Ik moet het ronduit bekennen, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan, terwijl allen proestten van lagchen.

"Maar was die bijzonderheid u onbekend?"

"Geheel en al. Maar ik teeken verzet aan! Bovendien, de Engelschen noemen ons "kikvorscheneters!" Doorgaans is men niet bang voor hetgeen men eet."

"Het wordt toch gezegd, Paganel!" antwoordde de majoor met een zedig lachje.

En zoo bleef die bekende karabijn van Purdey Moore en Dickson een eigendom van majoor Mac Nabbs.

V.

Onstuimig weer op den Indischen oceaan.

Twee dagen na dit gesprek deelde John Mangles, die ten 12 ure het bestek had opgemaakt, mede, dat de Duncan op 113°87' lengte was. De passagiers raadpleegden de kaart en zagen tot hunne groote blijdschap dat ze naauwelijks vijf graden van Bernouilli af waren. Tusschen deze kaap en den hoek van Entrecasteaux beschrijft de australische kust een boog, dien de zeven en dertigste parallel onderspant. Als de Duncan nu koers had gezet naar den evenaar, zou zij spoedig kaap Chatham bereikt hebben, die honderd twintig mijlen ten noorden van haar bleef; zij bevond zich thans in dat gedeelte der Indische zee, dat door het vastland van Australië beschut wordt. Derhalve mogt men de hoop koesteren, dat binnen vier dagen kaap Bernouilli aan den gezigteinder zou opduiken.

Tot nog toe had de westewind de vaart van het jagt begunstigd; maar sedert eenige dagen toonde hij een neiging om te minderen; langzamerhand ging hij tot windstilte over, tot hij den 18den December eindelijk geheel ging liggen, en de zeilen slap neerhingen. Zonder haar sterke schroef zou de Duncan door de windstilte op dezelfde plaats van den oceaan bewegingloos zijn blijven liggen.

Deze toestand van den dampkring kon, wie weet hoe lang, aanhouden. 's Avonds sprak Glenarvan daarover met John Mangles. De jeugdige kapitein, die de kolenhokker duchtig zag minderen, scheen zeer teleurgesteld door die windstilte. Hij had alle zeilen bijgezet, zijn lij- en stagzeilen aangeslagen om van het geringste zuchtje voordeel hebben; maar, naar het zeggen der matrozen, was er geen hoedvol wind.

"En toch moeten wij niet al te sterk klagen," zeide Glenarvan; "geen wind is beter dan tegenwind."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," antwoordde John Mangles; "maar juist die windstilten hebben doorgaans verandering van weer ten gevolge. Daarom ben ik er ook bang voor; wij bevinden ons op de grens der moussons[1], die van October tot April uit het noordoosten waaijen, en als wij ze maar een beetje tegenkrijgen, zal onze vaart daardoor zeer vertraagd worden."

"Wat zullen wij er aan doen, John? als die tegenspoed ons overviel, zouden wij ons er aan moeten onderwerpen. Het zou in allen gevallen maar een oponthoud zijn."

"Althans wanneer er geen storm bijkwam."

"Zijt gij beducht voor slecht weer?" vroeg Glenarvan, den hemel onderzoekende, die toch van den gezigteinder tot aan het toppunt geheel onbewolkt scheen.

"Ja," antwoordde de kapitein, "Uwe Edelheid wil ik het wel zeggen, maar ik zou lady Glenarvan of miss Grant geen schrik willen aanjagen."

"Daar doet gij zeer wijs aan. Wat is er gaande?"

"Er zijn stellige voorteekens van ruw weder. Vertrouw niet op het voorkomen der lucht, mylord! niets is bedriegelijker. Sedert twee dagen daalt de barometer op een verontrustende manier; thans staat hij op drie en zeventig duim[2]; het is een waarschuwing, die ik niet in den wind mag slaan. Vooral ben ik zeer bevreesd voor de woede der zuidelijke zeeën, waarmede ik reeds eens kennis heb gemaakt. De dampen, die boven de onmetelijke ijsvelden der Zuidpool verdigt worden, brengen een ontzettend geweldigen luchtstroom te weeg. Daaruit ontstaat een worsteling tusschen de poolwinden en die van den evenaar, die het aanzijn geeft aan de cyclonen, de tornado's en die talrijke verscheidenheden van stormen, een worsteling, waarin een schip het voordeel niet aan zijn zijde heeft."

"John!" antwoordde Glenarvan, "de Duncan is een stevig schip, zijn kapitein een bekwaam zeeman. Wanneer de storm komt, zullen wij ons behoorlijk verdedigen."

Toen John Mangles zijn vrees openbaarde, handelde hij in overeenstemming met zijn zeemans-instinct. Hij is een bekwaam "weerkenner," zoo noemen de Engelschen dengenen, die acht geeft op het weder. De aanhoudende daling van den barometer deed hem op zijn schip alle noodige voorzorgen nemen. Hij verwachtte een hevigen storm, al was er nog niets aan de lucht te zien, maar zijn onfeilbaar instrument kon hem niet bedriegen; de luchtstroomen komen van de plaatsen, waar de kwikzuil hoog staat, naar die waar zij daalt; hoe digter die plaatsen bij elkander liggen, hoe spoediger het evenwigt in de luchtlagen hersteld wordt en hoe grooter de snelheid van den wind is.

Den geheelen nacht bleef John op het dek. Tegen elf ure betrok de lucht in het zuiden. John liet al zijn volk boven komen en zijn kleine zeilen strijken; hij liet alleen zijn fokkezeil, zijn groote bezaan, zijn marszeil en zijn kluiver staan. Tegen middernacht wakkerde de wind aan. Het woei een gereefde marszeilskoelte, dat wil zeggen, de luchtdeeltjes werden met een snelheid van zes en dertig voet in de seconde voortgestuwd; het gekraak der masten, het slaan van het loopend want, het helder geraas, dat de killende zeilen maakten, het stenen der binnenste beschotten, verwittigden de passagiers van hetgeen zij nog niet wisten. Paganel, Glenarvan, de majoor, Robert, verschenen op het dek, de een om de handen uit de mouw te steken, de ander uit nieuwsgierigheid. Aan den hemel, dien zij kort te voren helder en met sterren bezaaid hadden gezien, dreven thans donkere wolken, van elkander gescheiden door gevlekte strepen als de huid van een luipaard.

"De orkaan?" vroeg Glenarvan bedaard aan John Mangles.

"Nog niet, maar ophanden," antwoordde de kapitein.

Nu gaf hij bevel om het onderste rif van het marszeil in te nemen. De matrozen klommen langs de weeflijnen op en niet zonder moeite verminderden zij de oppervlakte van het zeil door de rifseisings er omheen te draaijen op de gestreken ra. John Mangles wilde zooveel zeil mogelijk blijven voeren om het jagt te steunen en het stampen te verminderen.

Na het nemen van die voorzorgen gaf bij aan Austin en den schipper de noodige bevelen om den aanval van den orkaan af te weren, die weldra zou losbarsten. De krabbers van de sloepen en de sjortouwen van het waarloos rondhout werden verdubbeld, de zijtalies van het kanon versterkt, het want en de pardoens aangehaald, de luikgaten digtgespijkerd. Als een officier op de kruin van een bres, week John niet van de loefzijde, en op de kampanje staande poogde hij dien stormachtigen hemel zijn geheimen af te persen.

Op dit oogenblik was de barometer tot zeventig duim gedaald, hetgeen zelden plaats heeft en het stormglas[3] wees storm aan.

Het was één uur na middernacht. Vreeselijk in haar hut geslingerd, waagden lady Helena en miss Grant het om op het dek te komen. De wind had nu een snelheid van vier en tachtig voet in de seconde. Hij floot met ontzettend geweld door het staande want. Die metalen snaren, gelijk aan die van een instrument, klonken alsof een reusachtige strijkstok ze snel deed trillen; de blokken sloegen tegen elkander, de touwen liepen met schel geluid over de takels; de zeilen klapperden zoo hevig, alsof er een kanon werd afgevuurd; ontzettende golven liepen reeds op het jagt aan, dat als een ijsvogel op haar schuimenden rug danste.

Zoodra kapitein John de dames bespeurde, ging hij snel naar haar toe en verzocht haar weer in de kampanje te gaan; eenige zware golven stonden reeds op het dek, dat ieder oogenblik schoongeveegd kon worden. Het geweld der elementen was nu zoo hevig, dat lady Helena den jongen kapitein naauwelijks verstond.

"Er is toch geen gevaar?" kon zij hem echter nog vragen, toen het weer voor een oogenblik wat bedaarde.

"Volstrekt niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "maar gij kunt evenmin als miss Mary op het dek blijven."

Lady Glenarvan en miss Grant verzetten zich niet tegen een bevel, dat op een verzoek geleek, en traden juist onder de kampanje, toen een golf, die boven het hek aan den achtersteven brak, de ruiten der kap deed schudden. Thans verdubbelde het geweld van den wind; de masten bogen onder de spanning der zeilen, en het jagt scheen op de golven te dansen.

"Geit het fokkezeil!" riep John Mangles; "strijkt het marszeil en de kluivers!"

De matrozen snelden naar hun post in het want; de vallen werden opgestoken, de geitouwen aangehaald en de kluivers gestreken met een geraas, dat het rumoer van den wind overstemde, en de Duncan, wier schoorsteen ontzaggelijke wolken zwarten rook uitbraakte, sloeg de zee onregelmatig met de bladen harer schroef, die slechts somtijds onder water waren.

Met een mengsel van bewondering en schrik sloegen Glenarvan, de majoor, Paganel en Robert die worsteling der Duncan met de golven gade; zij klemden zich stevig vast aan de leuning der verschansing zonder een enkel woord te kunnen wisselen, en staarden naar de troepen stormvogels, die droevige boden der stormen, die in de losgelaten winden ronddartelden.

Daar deed zich op eens een oorverdoovend gefluit boven het rumoer van den storm hooren. De stoom ontsnapte met geweld, niet uit de af blaaspijp, maar uit de kleppen van den stoomketel; het alarmfluitje klonk met ongewone kracht; het jagt viel op zij en Wilson, die aan het rad stond, werd door een onvoorzienen slag van de roerpen omvergeworpen. De Duncan lag dwars tusschen zeeën en luisterde niet meer naar stuur.

"Wat gebeurt daar?" riep John Mangles het bruggetje haastig oploopende.

"Het schip valt op zij!" antwoordde Tom Austin.

"Is het roer ontredderd?"

"Naar de machine! naar de machine!" klonk de stem van den machinist.

John ijlde naar de machine en gleed langs de ladder af; de kamer was vol damp; de zuigers zaten onbewegelijk in de cilinders; de hefboomen bragten de beweging niet tot de liggende as over. Nu sloot de machinist, ziende dat alle pogingen vergeefsch waren en voor zijn stoomketels vreezende, den toevoer af en liet de stoom ontsnappen.

"Wat is er toch gaande?" vroeg de kapitein.

"De schroef is gebroken of zit vast, en werkt niet meer," antwoordde de machinist.

"Wat? is het onmogelijk haar los te krijgen?"

"Onmogelijk."

Er was nu geen tijd om dit ongeval te herstellen, het feit stond vast; de schroef kon niet werken, en de stoom, die geen dienst meer deed, was door de kleppen ontsnapt. John moest dus tot de zeilen zijn toevlugt nemen, en een bondgenoot zoeken in denzelfden wind, die zijn gevaarlijkste vijand geworden was.

Hij ging weer naar boven en deelde in een paar woorden het voorgevallene aan lord Glenarvan mede; waarna bij er op aandrong, dat deze met de andere passagiers in de kampanje zou gaan. Glenarvan wilde op het dek blijven.

"Neen, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles met vaste stem, "ik moet hier alleen met het scheepsvolk blijven. Ga naar binnen! Het schip kan overzij geworpen worden en de golven zouden u zonder genade meenemen."

"Maar wij kunnen van dienst wezen...."

"Ga heen, mylord! ga heen! gij moet! er zijn omstandigheden, waarin ik meester ben aan boord! Ga heen, ik wil het!"

Wel moest de toestand bedenkelijk zijn, anders zou John Mangles niet op zulk een toon van gezag spreken. Glenarvan begreep, dat het zijn pligt was het voorbeeld van gehoorzaamheid te geven. Hij verliet dus het dek, door zijn drie reisgenooten gevolgd, en vervoegde zich bij de beide dames, die vol angst den afloop dier worsteling met de elementen afwachtten.

"Een krachtig man, die wakkere John!" zeide Glenarvan, toen hij de hut binnentrad.

"Ja," antwoordde Paganel, "hij heeft mij doen denken aan dien hoogbootsman van uw grooten Shakespeare, die in het stuk "de storm" den koning, dien hij aan boord heeft, toeroept:

"Van hier! Stilte! Naar uwe hutten! Kunt gij dien elementen het zwijgen niet opleggen, Zwijgt gij dan! Gaat uit den weg, zeg ik u!"

Intusschen had John Mangles geen seconde verzuimd om zijn schip uit den neteligen toestand te redden, waarin het door het vastraken van de schroef verkeerde. Hij besloot bij te leggen, om zoo weinig mogelijk van zijn weg af te wijken; het kwam er dus op aan zeil te behouden en schuin te brassen, om dwars van den storm te liggen. Het marszeil werd digtgeslagen en het roer aan lij gelegd.

Het jagt, dat een uitstekend zeebouwer was, gehoorzaamde als een vlug ros, dat de sporen voelt, en bood de zijde aan de hooge golven. Zou dat weinige zeil sterk genoeg zijn? Het was wel van het beste Dundee-doek gemaakt; maar welk weefsel is tegen zulk een geweld bestand?

Dat bijleggen had het voordeel, dat het jagt zijn stevigste gedeelten aan de golven aanbood en dat het zijn oorspronkelijken koers behield. Toch was die beweging niet zonder gevaar, want het schip kon in die onmetelijke golfdalen reddeloos verloren gaan. Maar John Mangles had geen keus, en hij besloot te blijven bijleggen, zoolang masten en zeilen niet naar beneden kwamen. Het scheepsvolk was bij de hand en gereed om te gaan, waar zijn tegenwoordigheid noodig mogt zijn. John hield zich aan het want vast en wendde het oog niet van de verbolgen zee af.

In dezen toestand verliep verder de nacht. Men hoopte, dat de storm met het aanbreken van den dag verminderen zou. IJdele hoop! 's Morgens tegen acht ure woei het nog meer dan een storm en ging de wind, met een snelheid van honderd acht voeten in de seconde tot een orkaan over.

John zeide niets, maar hij beefde voor zijn schip en degenen, die er op waren. De Duncan viel vreeselijk op zij; de berkoenen kraakten, en soms raakte de fokkezeilspieren de kruin der golven. Een oogenblik dacht de bemanning niet anders of het jagt zou niet meer overeind rijzen. Reeds stonden de matrozen met de bijl in de hand gereed om het want van den grooten mast los te hakken, toen de zeilen uit de lijken waaiden en als reusachtige albatrossen wegvlogen.

De Duncan rees weer overeind; maar zonder steun op de golven, zonder stuur, werd zij zoo vreeselijk geslingerd, dat de masten tot in hun spoorgat dreigden te breken. Zulk een vreeselijke deining kon ze niet lang uithouden, ze stampte tot in het bovenschip toe, en weldra zouden de uitgeweken buitenhuid, de opengesprongen naden, een vrijen toegang aan de golven verleenen.

Nog een middel schoot er voor John Mangles over: een stormfok aan te slaan en het voor den wind te houden. Na een arbeid van verscheidene uren, die twintigmaal vernield werd, eer hij voltooid was, gelukte het hem. Eerst 's namiddags ten drie ure kon de stormfok op de fokkestag geheschen en aan de kracht van den wind blootgesteld worden.

Met dit stukje doek liet de Duncan zich nu voortzweepen en liep zij met onberekenbare snelheid voor den wind. De storm dreef haar thans naar het noordoosten. Het was zaak de grootst mogelijke snelheid te behouden; want daarvan alleen was redding te wachten. Soms was zij de golven vooruit, die haar droegen, sneed ze met haar spitsen voorsteven, dook onder als een ontzaggelijk walvischaardig dier en liet het geheele dek van voren naar achteren schoonvegen. Dan weer was haar snelheid aan die der golven gelijk, het roer werkeloos, en gierde ze zoo, dat het te vreezen stond, dat ze omgeworpen zou worden. Eindelijk gebeurde het ook wel, dat de golven, door den orkaan voortgezweept, sneller liepen dan het schip; dan sloegen ze over den spiegelboog en veegden het dek met onweerstaanbare kracht van achteren naar voren schoon.

Met dit stukje doek liet de Duncan zich nu voortzweepen....

Met dit stukje doek liet de Duncan zich nu voortzweepen....
Met dit stukje doek liet de Duncan zich nu voortzweepen....

In dien benaauwden toestand, tusschen hoop en radeloosheid geslingerd, verliepen de dag van den 15den December en de volgende nacht. John Mangles week geen oogenblik van zijn post; hij nuttigde niets; hij werd door den angst gefolterd, dien zijn strak gelaat niet wilde verraden, en onvermoeid trachtte zijn blik door de nevelen, die in het noorden zamenpakten, heen te dringen.

En wel mogt hij vreezen. De Duncan uit haar koers gedreven, stormde in ontembare vaart naar de australische kust. Alleen uit instinct gevoelde John Mangles ook, dat hij met de snelheid van den bliksem werd voortgejaagd. Ieder oogenblik duchtte hij op een klip te stooten, waarop het jagt in duizend brokken zou verbrijzeld zijn. Hij berekende, dat de kust geen twaalf mijlen lijwaarts kon verwijderd zijn. En het land is de schipbreuk, de ondergang van een vaartuig. Honderdmaal verkieslijker nog is de onmetelijke Oceaan, tegen wiens woede een schip zich ten minste verdedigen kan, al is het ook door mede te gaan. Maar werpt de storm het op de kust, dan is het verloren.

John Mangles ging lord Glenarvan opzoeken en sprak met hem onder vier oogen: hij legde hem het gevaar van hun toestand onbewimpeld bloot, dien hij met de koelbloedigheid van een zeeman, die op alles voorbereid is, onder de oogen zag, en besloot met te zeggen, dat hij misschien de Duncan op het strand zou moeten zetten.

"Om degenen, die aan boord zijn, te redden, als het mogelijk is, mylord!"

"Ga uw gang, John!" antwoordde Glenarvan.

"En lady Helena? miss Grant?"

"Ik zal ze eerst in het laatste oogenblik er van verwittigen, wanneer alle hoop vervlogen is van zee te houwen. Gij zult mij waarschuwen."

"Ik zal u waarschuwen, mylord!"

Glenarvan keerde terug naar de dames, die, al kenden zij den geheelen omvang van het gevaar niet, toch wel gevoelden, dat het dreigend was. Zij legden grooten moed aan den dag, althans niet minder dan haar reisgenooten. Paganel had het druk met thans zeer ongelegen komende theoriën over de rigting der luchtstroomingen, en hield voor Robert, die naar hem luisterde, belangrijke vergelijkingen tusschen de tornado's, de cyclonen en de regtlijnige stormen. Wat den majoor betreft, deze wachtte met al de bedaardheid van een Muzelman het einde af.

Tegen elf ure scheen de orkaan wat te bedaren; de vochtige nevelen verdeelden zich en bij een kortstondigen lichtstraal kon John zes mijlen te lijwaart een lage kust zien, waarop hij regt aanhield. Monsterachtige golven braken op een ontzettende hoogte, van wel vijftig voeten en meer. John begreep, dat zij daar een steunpunt vonden, anders konden zij zoo hoog niet op elkander stapelen.

"Daar zijn zandbanken," zeide bij tot Austin.

"Dat geloof ik ook," antwoordde de stuurman.

"Wij zijn in Gods hand," hernam John; "wanneer Hij de Duncan geen toegankelijke doorvaart opent en ze er zelf niet invoert, zijn wij verloren."

"Het is juist vloed, kapitein! welligt zullen wij over die banken heen kunnen komen."

"Maar zie toch eens, Austin! hoe groot de woede der golven is! Welk schip zou daartegen bestand zijn! Laten wij God om zijn bijstand smeeken, mijn vriend!"

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings