JULES VERNE. (continued 4)
Reading edition
"Voor vijftig jaar," voegde Paganel er bij, "zouden wij op onzen weg menigen stam inboorlingen ontmoet hebben, en tot nog toe heeft zich geen enkele inlander vertoond. Binnen een eeuw zal de zwarte bevolking van dit vastland geheel uitgestorven zijn."
De afgezonderde streken schenen inderdaad geheel ontvolkt. Nergens was een spoor van legerplaatsen of hutten te zien. Vlakten en hoog kreupelhout wisselden elkander af, en langzamerhand kreeg de landstreek een woest voorkomen. Het scheen zelfs, alsof geen enkel levend wezen, mensch of dier, deze afgelegene gewesten bezocht, toen Robert voor een boschje gomboomen blijvende staan uitriep:
"Een aap! daar is een aap!"
En hij wees op een groot zwart ligchaam, dat met verbazende snelheid van tak tot tak glijdende, van den eenen boomtop op den anderen sprong, alsof een vliegtoestel hem op de lucht deed drijven. Vlogen soms in dit vreemde land de apen gelijk sommige vossen, wien de natuur even als de vleermuis een vlieghuid heeft gegeven?
Inmiddels was ook de wagen blijven staan, en elk zag naar het dier, dat langzamerhand in de verte tusschen de bladeren verdween. Weldra zag men het bliksemsnel van den boom glijden, met duizend bogten en sprongen over den grond loopen en vervolgens zijn lange armen om den gladden stam van een ontzaggelijken gomboom slaan. Men vroeg zich af, hoe het in dien regten en gladden boom zou klimmen, dien het niet kon omvatten.
Maar de aap gaf met een soort van bijl eenige slagen tegen den boom, maakte eenige kleine inkervingen, en bereikte met behulp van die op regelmatige afstanden aangebragte steunpunten de takken van den gomboom. Binnen weinige seconden verdween hij in het digte gebladerte.
"Wat is dat toch voor een aap?" vroeg de majoor.
"Die aap is een volbloed Australiër!" antwoordde Paganel.
De makkers van den aardrijkskundige hadden nog geen tijd gehad om hun schouders op te halen, toen een geschreeuw, dat men op deze wijze zou kunnen voorstellen: "coo-eeh! coo-eeh!" in hun nabijheid werd aangeheven. Ayrton dreef zijn ossen aan, en honderd schreden verder kwaamen de reizigers op eens aan een legerplaats van inboorlingen.
Welk een treurig schouwspel! Een tiental tenten stonden op den kalen bodem. Die "gunyo's," van bast-repen, die als dakpannen op elkander lagen, gemaakt, beschutten hun ellendige bewoners slechts aan eene zijde. Die door het gebrek diep gezonken wezens waren terugstootend. Er waren er omtrent dertig, mannen, vrouwen en kinderen, gekleed met kangoeroe-vellen, die hun aan flarden aan het lijf hingen. Zoodra de wagen naderde, was hun eerste beweging te vlugten. Maar eenige woorden, die Ayrton in een onverstaanbare brabbeltaal sprak, schenen hen gerust te stellen. Zij kwamen althans terug, half vertrouwelijk half bevreesd, als dieren, wien men een lekker stuk voorhoudt.
Er waren er omtrent dertig, mannen, vrouwen en kinderen....

Die inboorlingen, wier lengte tusschen vijf voet vier duim en vijf voet zeven duim afwisselde, waren niet zwart, maar hadden meer de kleur van oud roet, hun haren waren vlokkig, hun armen lang, hun onderbuik stak vooruit, hun ligchaam was ruig en geheel doorkorven van de litteekens van het tatoeëeren en de wonden, die zij zich bij lijkplegtigheden toebragten. Allerafschuwelijkst was hun monsterachtig gelaat, hun vreeselijk groote mond, hun breede en platte neus, hun uitstekende onderkaak, gewapend met witte maar voorovergebogen tanden. Geen ander menschelijk schepsel naderde zoozeer het dier.
"Robert had het niet mis!" zeide de majoor, "het zijn apen,—volbloed, als men wil,—maar het zijn apen."
"Mac Nabbs!" antwoordde lady Helena op medelijdenden toon, "zoudt gij dan dengenen, die jagt op hen maakten als op wilde dieren, gelijk geven! Die arme schepsels zijn menschen!"
"Menschen!" riep Mac Nabbs. "Hoogstens de schakel tusschen den mensch en den oerang-oetang! En wanneer ik hun gezigtshoek mat, zou ik vinden, dat hij even scherp was als die van den aap!"
Hierin had Mac Nabbs gelijk; de gezigtshoek van den inboorling van Australië is zeer scherp, en ongeveer gelijk aan dien van den oerang-oetang, d.i. van zestig tot twee en zestig graden. Ook stelde De Rienzi niet zonder grond voor om die ongelukkigen in een afzonderlijke klasse te plaatsen, die bij "pithecomorphen" noemde; dat wil zeggen menschen met het ligchaam van een aap.
Maar lady Helena had nog meer grond dan Mac Nabbs, toen zij die inboorlingen, welke op de laagste sport der menschelijke ladder staan, voor wezens hield, die met een ziel zijn begaafd. Tusschen het redelooze dier en den Australiër ligt de ondempbare kloof, die de geslachten scheidt. Pascal heeft teregt gezegd, dat de mensch nergens een redeloos dier is. Wel is waar voegt hij er niet minder verstandig bij, "evenmin een engel."
Lady Helena en Mary Grant nu weerspraken het laatste lid van dit gezegde van den grooten denker. Beide liefderijke vrouwen hadden den wagen verlaten; zij reikten de vriendenhand aan die rampzalige schepsels; zij boden hun spijzen aan, welke die wilden met terugstootende gulzigheid verslonden. De inboorlingen konden lady Helena des te eerder voor een godheid houden, omdat volgens hun geloof de blanken gewezen zwarten zijn, die na hun dood blank geworden zijn.
Maar vooral de vrouwen maakten het medelijden der reizigsters gaande. De toestand der australische vrouw is eenig: de stiefmoederlijke natuur heeft haar alle bekoorlijkheid ontzegd; zij is een slavin, die met brutaal geweld opgeligt is en geen ander bruidsgeschenk gekregen heeft dan slagen met de "waddie," een soort van omgebogen stok in de hand van haar heer. Van dat oogenblik af tot een vroegen en akeligen ouderdom vervallen, is zij belast met al de zware bezigheden van het zwervende leven; bij haar kinderen, die in een pak bissen gerold zijn, draagt zij het jagt- en vischtuig en den voorraad nieuw-zeelandsch vlas, waarvan zij netten vervaardigt. Zij moet levensmiddelen aan haar gezin bezorgen; zij maakt jagt op hagedissen, buidelratten en slangen, tot in den top der boomen; zij hakt het brandhout, schilt boombast voor de tenten; als een arm lastdier weet zij niet wat rust is, en eet slechts de walgelijke overblijfselen van het maal van haar heer.
Juist waren eenigen dier ongelukkigen, die misschien reeds lang van voedsel verstoken waren, bezig met vogels te lokken door hun wat zaden voor te houden.
Onbewegelijk, doodstil, zag men ze daar op den brandend heeten bodem uren lang liggen om te wachten, tot een onnoozel vogeltje onder het bereik van haar hand kwam! Hun begrip van strikken spannen ging niet verder, en wel moest het een australische vogel zijn, die zich daardoor liet verschalken.
Intusschen werden de reizigers, wier vriendelijkheid de inboorlingen eenigsins gerust stelde, door dezen omringd, en nu moesten zij oppassen voor hun ontembare zucht tot diefstal. Zij spraken een sissende taal, waarbij ze met de tong klokten. Dat had veel van dierengeluiden. Toch had hun stem dikwijls zeer zachte, fleemende buigingen; het woord "noki! noki!" kwam telkens voor en de gebaren wezen duidelijk genoeg aan, wat het beteekende. Het was het "geef mij! geef mij!" dat zich tot de geringste bezittingen der reizigers uitstrekte. Olbinett had heel wat te doen om de bagaadje en vooral de levensmiddelen te beschermen. Die arme hongerlijders sloegen vreeselijke blikken op den wagen, en lieten scherpe tanden zien, die misschien gewet waren op lappen menschenvleesch. De meeste australische stammen zijn, in vredestijd althans, wel geen menscheneters; maar slechts weinige wilden ontzien zich om het vleesch van een overwonnen vijand te verslinden.
Op verzoek van Helena gaf Glenarvan intusschen last om wat spijs uit te deelen. De inboorlingen begrepen zijn bedoeling, en gaven zich over aan vreugdebetooningen, die het ongevoeligste hart zouden vermurwd hebben. Zij brulden ook gelijk wilde dieren, wanneer de oppasser hun het dagelijksch rantsoen brengt. Al wilde men den majoor geen gelijk geven, toch kon men niet loochenen, dat dit ras zeer digt bij het dier stond.
Als een hoffelijk man meende Olbinett eerst de vrouwen te moeten bedienen. Maar die arme schepsels durfden niet eten voor haar geduchte meesters. Dezen vielen op de beschuit en het gedroogde vleesch aan als op een prooi.
Bij de gedachte, dat haar vader gevangen was bij zulke ruwe inlanders, voelde Mary Grant haar oogen vochtig worden. Zij stelde zich voor, wat iemand als Harry Grant, de slaaf dier zwervende stammen, ter prooi aan ontbering, honger en mishandeling, al lijden moest. John Mangles, die haar met angstige oplettendheid gadesloeg, giste de gedachten, die haar vervulden, en kwam haar wenschen voor door den bootsman der Britannia te ondervragen.
"Zijt gij uit de handen van zulke wilden ontsnapt, Ayrton?" vroeg hij hem.
"Ja, kapitein!" antwoordde Ayrton. "Al die stammen in het binnenland gelijken op elkaar. Maar hier ziet gij slechts een handvol van die arme drommels, terwijl er aan de oevers van de Darling talrijke stammen zijn onder aanvoering van geduchte opperhoofden."
"Maar wat kan een Europeaan onder die inboorlingen uitvoeren?" vroeg John Mangles.
"Wat ik ook gedaan heb," antwoordde Ayrton; "hij gaat met hen jagen en visschen; hij neemt deel aan hun gevechten, en zooals ik u reeds heb gezegd, hij wordt behandeld naar gelang van de diensten, die hij bewijst, en als hij een schrander en dapper man is, bekleedt hij onder den stam een aanzienlijken rang."
"Maar hij is toch een gevangene," zeide Mary Grant.
"En wordt zoo streng bewaakt," voegde Ayrton er bij, "dat hij dag noch nacht een stap kan doen!"
"En toch hebt gij kunnen ontsnappen, Ayrton!" zeide de majoor, die zich in het gesprek kwam mengen.
"Ja, mijnheer Mac Nabbs! onder begunstiging van een gevecht tusschen mijn stam en een anderen. Het is mij gelukt. Goed. Het spijt mij niet. Maar moest ik het nog eens doen, dan zou ik, geloof ik, aan een levenslange gevangenschap de voorkeur geven boven de rampen, die ik op mijn togt door de woestijnen van het binnenland heb ondervonden. God geve, dat kapitein Grant zulk een kans op redding niet waagt!"
"Ja, zeker!" antwoordde John Mangles, "wij moeten wenschen, miss Mary! dat uw vader bij een inlandschen stam gevangen is. Dan zullen wij gemakkelijker zijn spoor vinden, dan wanneer hij ronddoolt in de bosschen van het vastland."
"Hoopt gij dan nog altijd?" vroeg het meisje.
"Ik hoop altijd u met Gods hulp gelukkig te zien, miss Mary!"
Het meisje kon den jongen kapitein slechts met tranen danken.
Gedurende dit gesprek was er een ongewone beweging onder de wilden ontstaan; zij hieven een schel geschreeuw aan; zij liepen overal rond, grepen naar hun wapenen, en schenen door een ontzettende woede bevangen.
Glenarvan wist niet, waar zij heen wilden, waarop de majoor Ayrton in dezer voege aansprak:
"Daar gij langen tijd onder de Australiërs verkeerd hebt, verstaat gij ook zonder twijfel de taal van dezen?"
"Zoo wat," antwoordde de bootsman; "want zooveel stammen, zooveel tongvallen. Vergis ik mij niet, dan willen zij uit dankbaarheid voor Zijne Edelheid een spiegelgevecht houden."
Dit was inderdaad de oorzaak van die opschudding. Zonder verdere voorafspraak vielen de inboorlingen elkander met zulk een meesterlijk geveinsde woede aan, dat iemand, die niet beter wist, dien kleinen strijd voor ernstig gemeend zou opgenomen hebben. Maar naar het zeggen der reizigers zijn de Australiërs uitmuntende gebarenmakers, en bij deze gelegenheid legden zij een opmerkelijke bekwaamheid aan den dag.
Hun aanvallende en verdedigende wapenen bestonden in een houten knods, die de hardste schedels verplettert, en een soort van "tomahawk," een zeer harden scherpen steen, die met een klevende gom tusschen twee stokken is vastgekleefd. Het is een vreeselijk wapentuig en een nuttig werktuig in vredestijd, dat gebruikt wordt om naar het valt takken of koppen te vellen, ligchamen of boomen te kerven.
Onder luid getier zwaaiden zij als bezetenen met al die wapenen, de strijders vielen elkander aan; hier viel er een als dood neder, daar hief een ander een zegekreet aan. De vrouwen, vooral de bejaarde, als door den boozen geest des krijgs bezeten, vielen op de gewaande lijken aan, en verminkten ze in schijn met een wreedaardigheid, die niet verschrikkelijker zou geweest zijn, als ze ongeveinsd was geweest. Telkens vreesde lady Helena, dat het spel in een ernstigen strijd mogt ontaarden. Vooral ook omdat de kinderen, die deel aan den strijd hadden genomen, het wezenlijk begonnen te meenen. De knapen en vooral de meisjes, die nog woedender waren, deelden elkaar fiksche oorvegen uit, die goed aankwamen.
... zij zwaaiden als bezetenen met al die wapenen.

Dit spiegelgevecht had reeds tien minuten geduurd, toen de strijders op eens ophielden. De wapens ontvielen hun handen. Een diepe stilte verving het vreeselijk getier. De inboorlingen bleven roerloos in hun laatste houding staan, even als de personen in een tableau vivant. Men zou gezegd hebben, dat zij versteend waren.
Wat was de oorzaak van die verandering, en wat beteekende het, dat zij plotseling zoo stijf waren als marmeren beelden? Dat werd spoedig opgehelderd.
Een troep kaketoes vertoonde zich juist op de hoogte van de gomboomen. Zij vervulden de lucht met hun gesnater, en geleken door de heldere kleuren van hun gevederte op een vliegenden regenboog. De verschijning van dien schitterenden zwerm vogels had den strijd doen staken. De jagt, die nuttiger was dan de oorlog, verving hem.
Een rood geschilderd werktuig van vreemden vorm grijpende, verwijderde zich een der inboorlingen van zijn makkers, die even roerloos bleven staan, en sloop tusschen de boomen en struiken door naar den troep kaketoes. Hij maakte geen gedruisch onder het kruipen, hij kreukte geen blaadje, hij verschoof geen steentje. Het was een voortglijdende schaduw.
Op een behoorlijken afstand gekomen wierp hij zijn werktuig twee voet boven den grond in een waterpasse rigting vooruit. Zoo doorliep dat wapen een afstand van omtrent veertig voet; zonder den grond te raken sprong het daarop plotseling met een regten hoek op, steeg honderd voet hoog, trof doodelijk een dozijn vogels, en viel eindelijk, een kromme lijn beschrijvende, neder aan de voeten des jagers.
Glenarvan en zijn gezelschap stonden verstomd; zij konden hun oogen niet gelooven.
"Het is de "boomerang!" zeide Ayrton.
"De boomerang!" riep Paganel, "de australiscbe boomerang!"
En evenals een kind ging hij het zonderlinge werktuig oprapen "om te zien, hoe het er van binnen uitzag."
Inderdaad mogt men denken, dat een inwendig mecanisme, een veer, die plotseling lossprong, deszelfs rigting veranderde. Maar dat was zoo niet.
De boomerang bestond eenvoudig uit een stuk hard en krom hout, dat dertig tot veertig duim lang was. In het midden was hij omtrent drie duim dik, en zijn uiteinden liepen in spitse punten uit. Het holle gedeelte was zes strepen diep en het bolle had twee zeer scherpe randen. Het was even eenvoudig als onbegrijpelijk.
"Dat is dan die beruchte boomerang!" zeide Paganel, na het zonderlinge werktuig oplettend bekeken te hebben. "Een stuk hout, anders niet. Waarom stijgt hij op een bepaald oogenblik van zijn waterpasse rigting omhoog om terug te keeren in de hand, die hem slingerde? De geleerden en de reizigers hebben dit verschijnsel nooit kunnen verklaren."
"Zou het niet met hem hetzelfde geval zijn als met den hoepel, die op zekere wijze voortgedreven, op zijn uitgangspunt terugkomt?" vroeg John Mangles.
"Of liever," voegde Glenarvan er bij, "een terugkeerende beweging, gelijk aan die van een biljartbal, die in een bepaalde rigting wordt voorgestooten?"
"In het geheel niet," antwoordde Paganel. "In deze beide gevallen is er een steunpunt, dat de terugwerking bepaalt: de grond voor den hoepel, en het laken voor den bal. Maar hier is geen steunpunt, het werktuig raakt den grond niet aan, en toch stijgt het weder tot een aanzienlijke hoogte!"
"Maar hoe verklaart gij dit feit dan, mijnheer Paganel?" vroeg lady Helena.
"Ik verklaar het niet, mevrouw! ik bevestig het slechts; de uitwerking hangt zeker af van de manier, waarop de boomerang wordt geworpen en van zijn bijzondere inrigting. Maar dat werpen is nog een geheim van de Australiërs!"
"Hoe het ook zij, het is toch zeer vernuftig ... voor apen," voegde lady Helena er bij, den majoor aanziende, die met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.
Intusschen verliep de tijd en Glenarvan oordeelde, dat hij op zijn togt naar het oosten niet langer mogt verwijlen; hij wilde daarom de dames verzoeken den wagen weder te beklimmen, toen een wilde hard kwam aanloopen en met opgewondenheid eenige woorden sprak.
"Ha! zij hebben kasuarissen gezien!" zeide Ayrton.
"Wat! is er een jagt op til!" zeide Glenarvan.
"Dat moeten we zien!" riep Paganel. "Dat zal wel aardig zijn! Misschien komt de boomerang er weer bij te pas."
"Wat denkt gij er van, Ayrton?"
"Het zal niet lang duren, mylord!" antwoordde de bootsman.
De inboorlingen hadden geen oogenblik verzuimd. Kasuarissen te dooden is een buitenkansje voor hen. Dan is de stam voor eenige dagen van zijn onderhoud zeker. De jagers maken dan ook van al hun behendigheid gebruik om zulk een prooi te overmeesteren. Maar hoe kunnen zij een zoo vlug dier zonder geweren schieten en zonder honden inhalen? Dit was juist de belangrijke zijde van het schouwspel, dat Paganel hoopte bij te wonen.
De ongehemmde kasuaris, door de inboorlingen "Moereuk" genoemd, is een dier, dat zeldzaam begint te worden in de vlakten van Australië. Die groote vogel, wel twee en een half voet hoog, heeft blank vleesch, dat veel overeenkomst heeft met dat van den kalkoen; op den kop draagt hij een hoornachtige plaat; zijn oogen zijn ligt bruin, zijn bek is zwart, en van boven naar beneden gebogen; aan zijn pooten heeft hij drie teenen, met sterke nagels gewapend; zijn vleugels zijn slechts stompen en kunnen hem niet dienen om te vliegen; zijn gevederte, om niet te zeggen zijn haar, is aan den hals en de borst donkerder van kleur. Maar al vliegt hij niet, hij loopt en kan het op een grasvlakte tegen het snelste paard opnemen. Alleen door list kan men hem dus vangen, en dan moet men nog heel listig sijn.
Op het berigt van den inboorling verspreidden zich daarom een tiental Australiërs als een afdeeling scherpschutters. Het was op een liefelijke vlakte, waar de indigo in het wild groeide en den grond met haar bloemen blaauw kleurde. De reizigers hielden stand aan den zoom van een mimosa-bosch.
Op de nadering der inlanders stond een half dozijn kasuarissen op, nam de vlugt en zette zich een mijl verder neder. Toen de jager van den stam zeker was van de plaats, waar zij zich bevonden, gaf hij een teeken aan zijn makkers om te blijven staan. Dezen gingen op den grond liggen, terwijl hij uit zijn net twee netjes aaneengenaaide kasuaris-huiden haalde en ze terstond aantrok. Met zijn regterarm, die boven zijn hoofd uitstak, bootste hij de houding van den kasuaris na, wanneer deze zijn voedsel zoekt.
De inboorling kroop naar den troep; nu eens hield hij op, schijnbaar eenige zaden oppikkende; dan weder joeg hij het zand met zijn voeten op en hulde zich in een stofwolk. Al die bewegingen waren onverbeterlijk. Onnavolgbaar was deze nabootsing van de handelwijze van den kasuaris. Soms hief de jager een dof gebrom aan, dat den vogel zelven zou verschalkt hebben. Dit gebeurde dan ook. De wilde was spoedig in het midden van den zorgeloosen troep. Op eens slingerde zijn arm de knods en vijf van de zes kasuarissen vielen om hem heen.
De jager had zijn doel bereikt, de jagt was afgeloopen.
Nu namen Glenarvan, de reizigsters, het geheele gezelschap afscheid van de inboorlingen. De scheiding scheen hun niet zeer te spijten, Welligt deed de goede uitslag van de kasuarissen-jagt hun de voldoening van hun vraatzucht vergeten. Zij hadden niet eens de dankbaarheid van de maag, die bij de onbeschaafde volkeren en de dieren sterker is dan de dankbaarheid der harten.
Dit mogt wezen zooals het wilde, in zekere omstandigheden kon men toch niet anders doen dan hun schranderheid en behendigheid te bewonderen.
"Nu zult gij toch wel willen toegeven, waarde Mac Nabbs! dat de Australiërs geen apen zijn!" zeide lady Helena.
"Omdat zij den gang van een dier volkomen nabootsen?" antwoordde de majoor. "Maar dat zou veeleer mijn stelling bevestigen!"
"Schertsen is geen antwoorden," zeide lady Helena. "Ik verlang, majoor! dat gij uw gevoelen herroept."
"Het zij zoo! ja, nichtje! of liever neen! De Australiërs zijn geen apen! Het zijn apen die Australiërs zijn!"
"Welnu komaan!"
"Herinner u maar eens, wat de negers beweren van het belangrijke ras der oerang-oetangs."
"Wat beweren zij dan?" vroeg lady Helena.
"Zij beweren," antwoordde de majoor, "dat de apen zwarten zijn evenals zij, maar slimmer: "Hij niet spreek om niet werk," zeide een neger, die jaloersch was op een tammen oerang-oetang, dien zijn meester den kost gaf, hoewel hij niets uitvoerde."
XVII.
De schatrijke veefokkers.
Na een op 146°15' lengte rustig doorgebragten nacht zetten de reizigers den 6den Januarij, 's morgens ten zeven ure, hun togt door dit uitgestrekte district voort. Zij gingen onveranderlijk oostwaarts, en de indrukken hunner schreden vormden op de vlakte een zuiver regte lijn. Tweemaal ontmoetten zij sporen van squatters, die noordwaarts trokken, en dan zouden die verschillende indrukken in elkander verward geraakt zijn, als het paard van Glenarvan niet in het zand het merk van Black-point, kenbaar aan een klaverblad, had achtergelaten.
Soms slingerden riviertjes in grillige bogten door de vlakte, wier oevers met palm begroeid waren en die van tijd tot tijd uitdroogden. Zij ontsprongen op de helling der "Buffalos Ranges," een keten van middelmatige bergen, wier schilderachtige toppen aan den gezigteinder een golvende lijn vormden.
Men besloot daar den nacht door te brengen. Ayrton zette zijn ossen wat aan, en na dien dag vijf en dertig mijlen te hebben afgelegd, kwamen de trekdieren een weinig vermoeid ter bestemder plaatse aan. De tent werd onder groote boomen opgeslagen; de avond was gevallen, het eten werd spoedig gebruikt. Men dacht zelfs, na zulk een marsch, minder aan eten dan aan slapen.
Paganel, die het eerst aan de beurt lag om de wacht te houden, ging niet liggen, maar waakte met het geweer op schouder over de legerplaats, onophoudelijk op en neer loopende om zich den slaap uit de oogen te houden.
Paganel ging niet liggen....

Hoewel de maan niet scheen, was de nacht toch tamelijk helder door den glans der australische sterrebeelden. De geleerde vermaakte zich met het lezen in dat groote, altijd opgeslagen boek van het uitspansel, dat zoo belangrijk is voor een ieder, die het weet te verstaan. De diepe stilte der in rust verzonken natuur werd alleen afgebroken door het gerammel der kluisters aan de pooten der paarden.
Paganel liet dus zijn sterrekundige overpeinzingen den vrijen loop en hield zich meer bezig met de dingen des hemels dan met de dingen der aarde, toen een verwijderd geluid hem uit zijn droomen opwekte.
Hij luisterde scherp toe, en tot zijn groote verbazing meende hij den klank van een piano te hooren; eenige snel achtereenvolgend aangeslagen accoorden deden hun trillende toonen tot hem komen. Hij kon zich er niet in vergissen.
"Een piano in de woestijn!" zeide Paganel bij zich zelven. "Dat is iets, wat ik nooit zal gelooven!"
Het was dan ook heel vreemd, en Paganel wilde liever gelooven, dat de een of andere zonderlinge australische vogel de toonen van een Pleyel of een Bernhard nabootste, zooals andere het geluid van een klok en van schaarslijpers nabootsen.
Maar nu bereikte de klank van een zuivere, welluidende stem zijn oor. Bij den pianospeler kwam ook nog een zanger. Paganel luisterde, maar wilde het nog niet gelooven. Na eenige oogenblikken moest hij echter de heerlijke aria herkennen, die hij hoorde.
Het was Il mio tesoro tanto uit den Don Juan.
"Drommels!" dacht de aardrijkskundige, "hoe vreemd de australiscbe vogels ook zijn, en al waren het de muzikaalste papegaaijen van de wereld, een opera van Mozart kunnen zij toch niet zingen!"
Vervolgens luisterde hij tot het einde toe naar die verhevene ingeving van den grootsten aller meesters. De uitwerking dier liefelijke melodie, voortgedragen door een helderen nacht, was onbeschrijfelijk. Paganel bleef een geruimen tijd onder den invloed dier onuitsprekelijke betoovering; vervolgens zweeg de stem, en het werd weder stil.
Toen Wilson Paganel kwam aflossen, vond hij hem in diep nadenken verzonken. Paganel zeide er den matroos niets van. Hij nam voor Glenarvan den volgenden morgen van die bijzonderheid kennis te geven, en kroop in zijn tent onder de dekens.
's Anderendaags werd het geheele gezelschap wakker gemaakt door een onverwacht geblaf. Glenarvan stond dadelijk op. Twee prachtige speurhonden, hoog op de pooten, heerlijke modellen van den staanden hond van engelsch ras, sprongen rond aan den zoom van een boschje. Toen de reizigers naderden, keerden zij luid blaffende onder de boomen terug.
"Er is zeker een station in deze woestijn," zeide Glenarvan, "en ook jagers; want dat zijn immers jagthonden?"
Paganel opende reeds den mond om te vertellen, wat hem in den afgeloopen nacht wedervaren was, toen twee jonge lieden verschenen, gezeten op twee voortreffelijke paarden van echt bloed, echte jagtpaarden.
De beide heeren in een sierlijk jagtgewaad gekleed, hielden hun paarden in op het gezigt van het kleine gezelschap, dat op de wijze der Zigeuners gelegerd was. Zij schenen zich af te vragen, wat de tegenwoordigheid van gewapende lieden te dezer plaatse beduidde, toen zij de reizigsters ontdekten, die uit den wagen klommen.
Dadelijk stapten zij van hun paard en gingen haar met den hoed in de hand te gemoet.
Lord Glenarvan ging naar hen toe, en als vreemdeling deelde hij hun zijn naam en rang mede. De jongelieden bogen en een hunner, de oudste, zeide:
"Mylord! willen deze dames, uw gezelschap en gij ons de eer aandoen ten onzent wat uit te rusten?"
"Mijneheeren?..." zeide Glenarvan.
"Michel en Sandy Patterson, eigenaars van Hottam-station. Gij zijt reeds op onze goederen, en behoeft geen kwartmijl ver te gaan."
"Mijneheeren!" antwoordde Glenarvan, "ik zou niet gaarne misbruik maken van de gastvrijheid, die gij ons zoo vriendelijk aanbiedt...."
"Mylord!" hernam Michel Patterson, "door onze uitnoodiging aan te nemen doet gij een dienst aan arme ballingen, die zich gelukkig zullen achten de eer der woestijn bij u op te houden."
Glenarvan boog ten teeken van toestemming.
"Mijnheer!" zeide nu Paganel, zich tot Michel Patterson rigtende, "als het niet onbeleefd is, wenschte ik u wel te vragen of gij gisteren die aria van den goddelijken Mozart hebt gezongen?"
"Ja, mijnheer!" antwoordde de heer, "en mijn neef Sandy begeleidde mij."
"Welnu, mijnheer!" hervatte Paganel, "neem dan de welgemeende loftuitingen aan van een Franschman, een hartstogtelijk bewonderaar van die muziek."
Paganel gaf den jongen heer de hand, die haar hartelijk drukte. Vervolgens wees Michel Patterson regtsaf den weg, dien zij moesten inslaan. De paarden werden achtergelaten onder toezigt van Ayrton en de matrozen. Dus gingen de reizigers al pratende en bewonderende onder geleide van de beide jonge lieden te voet naar het woonhuis van Hottam-station.
Het was inderdaad een prachtige inrigting, die even streng in orde gebonden werd als een engelsch park. Onmetelijke weiden, door grijze hekken ingesloten, strekten zich uit zoover het oog reikte. Daar graasden duizenden runderen en millioenen schapen. Talrijke herders en nog talrijker honden bewaakten dat drukke leger. Het geloei en geblaat vermengde zich met het geblaf der honden en het geklap der zweepen.
In het oosten stuitte de blik op een rand van "myalls" en gomboomen, waarboven de statige kruin van den Hottam-berg ter hoogte van zeven duizend vijf honderd voet uitstak. Naar alle kanten liepen lange lanen van boomen met altijd blijvende bladeren. Hier en daar waren plekken bezet met digt kreupelhout van "grasstrees", tien voet hooge heesters, die wel iets hadden van den dwergpalm, en wier top zich verschool in een menigte smalle lange bladeren. De lucht was doortrokken van de geuren der munt-laurierboomen, wier witte bloemruikers, die juist in vollen bloei stonden, de fijnste en welriekendste geuren uitwasemden.
Bij de liefelijke groepen dier inlandsche boomen voegden zich de voortbrengselen, uit de europeesche landen hierheen gebragt. De perzik, de peer, de appel, de vijg, de oranjeboom, zelfs de eik, werd door de reizigers met een luid hoera! begroet, en zoo het hen niet zeer verwonderde in de schaduw der boomen uit hun land te wandelen, dan werd hun verbazing toch opgewekt op het gezigt der vogels, die in de takken rondhuppelden, de satijn-vogels met hun zijdeachtige vederen en de zijdevogels half in goud en zwart fluweel gekleed.
Onder anderen viel hun voor de eerste maal het voorregt te beurt den liervogel te bewonderen, wiens staart de gedaante heeft van het liefelijk speeltuig van Orpheus. Hij ontvlood tusschen de boomvormige varens, en als zijn staart tegen de takken sloeg, verwonderde men zich haast die welluidende accoorden niet te hooren, waarmede Amphion zich opwekte om de muren van Thebe te herbouwen. Paganel had lust om er op te spelen.
Den liervogel.

Lord Glenarvan vergenoegde zich echter niet met de bewondering dier tooverachtige wonderen van die oase in het midden der australiscbe woestijn. Hij luisterde tevens naar het verhaal der jonge heeren. In Engeland, in het hart zijner beschaafde gewesten zou elke nieuw aangekomene terstond aan zijn gastheer verteld hebben, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Maar hier meenden Michel en Sandy Patterson kieschheidshalve verpligt te zijn zich bekend te maken aan de reizigers, wien zij gastvrijheid aanboden. Zij vertelden dus hun geschiedenis.
Het was die van alle schrandere en werkzame jonge Engelschen, die niet gelooven, dat de rijkdom vrijstelt van den arbeid. Michel en Sandy Patterson waren zoons van een bankier te Londen. Toen zij twintig jaar oud waren, had het hoofd van hun geslacht gezegd: "Ziedaar eenige millioenen, jongelieden! Gaat naar de een of andere afgelegene kolonie; zet er een nuttige zaak op; put uit den arbeid kennis van het leven. Slaagt gij, des te beter. Slaagt gij niet, dan is er nog niets bedorven; wij zullen de millioenen niet beklagen, die u gediend zullen hebben om mannen te worden." De twee jongelingen gehoorzaamden. Zij kozen in Australië de provincie Victoria om er de banknoten huns vaders te zaaijen en behoefden er geen spijt van te hebben. Na verloop van een jaar of drie bloeide de onderneming.
In de provinciën Victoria, Nieuw-Zuid-Wales en Zuid-Australië telt men meer dan drie duizend stations, sommigen bewoond door de squatters, die zich op veefokkerij toeleggen; anderen door kolonisten, wier hoofdbedrijf de landbouw is. Tot aan de komst der beide jonge Engelschen was de voornaamste inrigting van dien aard die van den heer Jamieson, die een oppervlakte van honderd mijlen besloeg, met een strook lands van vijf en twintig mijlen aan de Paroo, een der zijtakken van de Darling.
Thans won het station Hottam het in oppervlakte en aanzien. De beide jongelieden waren veefokkers en landbouwers te gelijk. Zij bestuurden met buitengewone bekwaamheid, en wat nog moeijelijker is, met ongemeen beleid hun verbazende eigendommen.
Zooals men ziet, lag dit station op een grooten afstand van de voornaamste steden, midden in de weinig bezochte woestijnen der Murray. Het besloeg de ruimte tusschen 146°48' en 147°, dat wil zeggen een streek lands van vijf uren in het vierkant, gelegen tusschen de Buffalos-Ranges en den Hottam-berg. In de beide hoeken in het noorden van dat ontzaggelijk vierkant verrezen ter linkerzijde de Aberdeen-berg, ter regter de toppen van den High-Barven. Er was geen gebrek aan helder en kronkelend water, wegens de stroompjes en takken van de Ovens-rivier, die noordwaarts in de Murray valt. Veeteelt en landbouw slaagden ook beiden evenzeer. Vijf duizend bunders uitstekend bebouwd en bewerkt land bragten zoowel inlandsche als vreemde gewassen voort, terwijl verscheidene millioenen dieren in de grazige weiden vet werden gemaakt. De voortbrengselen van Hottam-station werden dan ook tot hooge prijzen op de markten van Castlemaine en Melbourne afgezet.
Dit een en ander hadden Michel en Sandy Patterson van hun werkzaam leven verteld, toen de woning aan het uiteinde van een laan van kasuarboomen zigtbaar werd.
Het was een aardig van hout en steen opgetrokken gebouw, verscholen tusschen boschjes emerophilis. Het had den sierlijken vorm van een zwitsersch huis, en een veranda, waaraan chineesche lampen hingen, liep als een antiek impluvium langs de muren. Voor de vensters hingen veelkleurige kleeden, die in bloei schenen te staan. Niets is sierlijker, niets is streelender voor het oog, maar ook niets geriefelijker. Op de grasperken en tusschen de boomen rondom het huis stonden bronzen kandelabers met sierlijke lantaarns; 's avonds werd dit geheele park met witte gasvlammen verlicht, dat uit een kleinen gazometer kwam, die tusschen prieeltjes van myalls en boomvormige varens verscholen was.
Het was een aardig van hout en steen opgetrokken gebouw.

Overigens zag men geen arbeiderswoningen, stallen noch lootsen, niets van hetgeen eene hoeve kenmerkt. Al die bijgebouwen,—die wel een dorp mogten genoemd worden, bestaande uit meer dan twintig hutten en huizen,—lagen een kwartmijl van het huis af in een klein dal. Telegraafdraden bragten het dorp in regtstreeksche gemeenschap met het heerenhuis. Ver van het gedruisch verwijderd scheen dit gebouw geheel op zich zelven te staan in een bosch van vreemde boomen.
Weldra, was men aan het einde der laan van casuars; een kleine bijzonder fraaije ijzeren brug, over een kabbelend stroompje geslagen, verleende den toegang tot het afgesloten park. Men ging ze over. Een deftige opzigter ontving de reizigers; de deuren werden geopend, en de gasten van Hottam-station betraden de prachtige vertrekken in dit omkleedsel van steen en bloemen.
Hier vertoonde zich aan hun oog al de weelde van een kunstlievenden en rijken bewoner: door een groote zaal met vijf vensters kwam men in de voorkamer, versierd met stukadoorwerk, dat allerlei landbouw- en jagtgereedschap voorstelde. Dat de bewoners een fijnen smaak hadden voor kunsten en gemak, bewezen een piano bedekt met oude en nieuwe muziekstukken, schildersezels met schetsen, voetstukken met marmeren beelden versierd, eenige schilderijen van vlaamsche meesters aan de wanden, prachtige en mollige tapijten, behangsels, die bevallige tooneelen uit de fabelleer voorstelden, een antieke lichtkroon aan de zoldering, kostbaar porselein, dure en smaakvolle pulletjes, duizend kostbare en broze kleinigheden, die men in geen australische woning zou gezocht hebben. Alles wat behagelijk was, alles wat het onaangename eener vrijwillige ballingschap kon verzachten, alles wat de herinnering aan europeesche gewoonten levendig kon houden, was in die tooverachtige zaal bijeen. Men zou bijna meenen in een vorstelijk lustslot in Frankrijk of Engeland te zijn.
Door het fijne doek der vijf venstergordijnen viel een zacht licht, dat reeds getemperd was door de halfschaduw der veranda. Lady Helena stond verrukt, toen zij naderbij kwam. Van deze zijde beheerschte de woning een breed dal, dat zioh tot aan den voet der oostelijke bergen uitstrekte. De afwisseling van weiden en bosschen, eenige groote opene plekken hier en daar, de zacht glooijende heuvels, de hoogten en laagten van dien oneffen bodem, alles te zamen vormde een onbeschrijfelijk tooneel. Geen andere streek ter wereld kon met deze vergeleken worden, zelfs niet het zoo beroemde Paradijs-dal op de noorweegsche grenzen van Tellemarken. Dat uitgestrekte panorama, met zijn afwisseling van groote donkere en lichte plekken, veranderde ieder uur naarmate de zon hooger rees. De verbeelding kon zich niets heerlijkers scheppen, en dat liefelijk gezigt voldeed aan al de eischen van het oog.
Intusschen was er op bevel van Sandy Patterson in de ijl door den hofmeester van het station een ontbijt gereed gemaakt, en geen kwartier was er na hun aankomst verloopen, of de reizigers zaten reeds aan een tafel, die ruimschoots van alles voorzien was. De spijzen en wijnen lieten niets te wenschen over; maar het aangenaamste bij al die verfijnde weelde was de vreugde der twee jonge squatters, die zich gelukkig achtten onder hun dak zulk een onthaal te kunnen aanbieden.
Het duurde ook niet lang, of zij waren bekend met het doel van den togt, en stelden een levendig belang in de nasporingen van Glenarvan. Ook gaven zij goede hoop aan de kinderen van den kapitein.
"Harry Grant," zeide Michel, "is stellig in de handen der inboorlingen gevallen, anders zou hij wel in de nederzettingen aan de kust gekomen zijn. Hij was zich zijn toestand volkomen bewust, dat bewijst het document, en nu hij niet de een of andere engelsche kolonie bereikt heeft, moet hij, zoodra hij aan land kwam, door de wilden gevangen zijn genomen."
"Datzelfde lot is ook zijn bootsman Ayrton wedervaren," antwoordde John Mangles.
"Maar hebt gij nooit van de ramp van Britannia hooren spreken, heeren?" vroeg lady Helena.
"Nooit, mevrouw!" antwoordde Michel.
"En hoe denkt gij, dat kapitein Grant, de gevangene der Australiërs, behandeld wordt?"
"De Australiërs zijn niet wreed, mevrouw!" antwoordde de jonge squatter, "en miss Grant kan dienaangaande gerust zijn. Er zijn talrijke voorbeelden bekend van de zachtheid van hun karakter, en sommige Europeanen hebben lang onder hen verkeerd, zonder reden te hebben om zich over hun onbeschoftheid te beklagen."
"King onder anderen," zeide Paganel, "de eenige van het gezelschap van Burke, die er het leven van heeft afgebragt."
"Die stoute reiziger is niet de eenige," hernam Sandy; "maar ook een engelsch soldaat, Buckley geheeten, die in 1808 op de kust uit Port Philip ontsnapt zijnde, door de inboorlingen werd opgenomen en drie en dertig jaar onder hen leefde."
"En na dien tijd," voegde Michel Patterson er bij, "berigtte ons een der laatste nommers van de Australasian, dat een zekere Morrill onder zijn landgenooten is teruggekeerd na een slavernij van zestien jaren. De geschiedenis van den kapitein zal wel dezelfde wezen als de zijne; want juist ten gevolge van de schipbreuk der Péruvienne in 1846 werd hij door de inboorlingen gevangen genomen en naar het binnenland gesleept. Dus houd ik het er voor, dat gij moet blijven hopen."
Deze woorden gaven den hoorders van den jongen squatter veel vreugde. Zij bevestigden de inlichtingen, die Paganel en Ayrton vroeger gegeven hadden.
Toen de dames van tafel waren opgestaan, werd er over de gedeporteerden gesproken. De squatters waren bekend met de ramp van Camden-brug, maar de tegenwoordigheid van een bende vlugtelingen boezemde hun geen ongerustheid in. Die boosdoeners zouden zich wel wachten een station aan te vallen, dat door meer dan honderd mannen bewoond werd. Ook was het niet waarschijnlijk, dat zij zich in die woestijnen van de Murray zouden wagen, waar zij niets uitrigten konden, noch in de rigting der koloniën van Nieuw-Wales, waar de wegen zeer goed bewaakt worden. Ayrton was van hetzelfde gevoelen.
Lord Glenarvan mogt het verzoek van zijn vriendelijke gastheeren om dien geheelen dag op Hottam-station door te brengen, niet afslaan. Het was een oponthoud van twaalf uren, dat een rustdag werd; paarden en ossen zouden zeker van hun vermoeienissen goed uitrusten in de goed ingerigte stallen van het station.
Dit bleef dus bepaald, en de beide jongelieden stelden hun gasten een plan om den dag door te brengen voor, dat gaarne werd aangenomen.
Ten twaalf ure trappelden zeven sterke jagtpaarden voor de deuren der woning. Een sierlijk rijtuig met vier paarden bespannen en voor de dames bestemd, gaf den koetsier gelegenheid om zijn bedrevenheid te toonen in het moeijelijke rijden met vier paarden. Door jagers voorafgegaan en met uitstekende jagtgeweren gewapend, stegen de ruiters te paard en galoppeerden naast het rijtuig, terwijl prachtige jagthonden vrolijk in het kreupelhout blaften.
Vier uren besteedde de jagtstoet met het doorkruisen van al de lanen van dit park, dat zoo groot was als een kleine duitsche staat. Reuss-Schleitz of Saksen-Coburg-Gotha konden er wel geheel in liggen. Vond men er al niet zooveel inwoners, de schapen waren er daarentegen des te talrijker. En wat het wild betreft, een leger van drijvers zou er niet meer hebben kunnen opjagen onder bereik van de kogels der jagers. Weldra hoorde men dan ook een onafgebrokene reeks van losbrandingen, die zeer verontrustend waren voor de vreedzame bewoners der bosschen en vlakten. De jonge Robert deed wonderen aan de zijde van majoor Mac Nabbs. Ondanks de waarschuwingen zijner zuster was die vermetele knaap altijd vooraan en het eerst in het vuur. Maar John Mangles beloofde op hem te passen, hetgeen Mary Grant geruststelde.
Bij die drijfjagt doodde men eenige daar te lande thuis behoorende dieren, die Paganel nog alleen bij name kende: onder anderen de "wombat" en de "bandicoot."
De wombat (buidel-mormeldier) ia een plantetend dier, dat holen graaft evenals de das; hij is zoo groot als een schaap en zijn vleesch is lekker.
De bandicoot is een andere soort van buideldier, nog roofzieker dan de europeesche vos en kan dezen wel een lesje geven in het plunderen van hoenderhokken. Dit dier, dat een vrij afzigtelijk voorkomen heeft, en anderhalve voet lang is, viel onder de kogels van Paganel, die het uit jagers-eigenliefde bekoorlijk vond. "Een aanbiddelijk dier," zeide hij.
Onder andere belangrijke stukken schoot Robert heel handig een "dasyure viverrin," een soort van kleinen vos, wiens zwarte pels met witte vlekken evenveel waard is als die van den marter, en een paar buidelratten, die zich in het digte gebladerte der groote boomen verscholen.
Maar van al die groote feiten was zonder tegenspraak een kangoeroe-jagt het belangrijkste. Tegen vier ure joegen de honden een troep van die zonderlinge buideldieren op. De kleinen kropen haastig in den buidel hunner moeder, en allen vlugtten in een rij achter elkander. Allervreemdst zijn de verbazende sprongen van den kangoeroe (springhaas), wiens achterpooten, tweemaal zoo lang als de voorpooten, als een veer losspringen.
De kangoeroe-jagt.

Aan het hoofd der vlugtelingen was een mannetje van vijf voet hoog, een prachtig model van de "macropus giganteus," een "oud man," zooals de houthakkers zeggen.
Over een lengte van vier tot vijf mijlen werd de jagt ijverig voortgezet. De kangoeroes werden niet moede, en de honden, die niet zonder reden hun sterken, met een scherpen nagel gewapenden poot vreezen, pasten wel op ze niet te digt te naderen. Maar eindelijk uitgeput door den snellen loop, hield de troep stand en ging de "oude man" tegen een boomstam leunen, gereed om zich te verdedigen. Een der jagthonden, die zijn vaart nog niet had kunnen stuiten, kwam in zijn nabijheid. Een oogenblik daarna werd de arme hond in de hoogte geslingerd en hingen hem de ingewanden uit het lijf.
Het bleek, dat zelfs de geheele troep honden niet opgewassen was tegen die sterke buideldieren. Men moest dus tot schieten overgaan, en alleen de kogels konden het reusachtige dier vellen.
Weinig scheelde het of Robert was het slagtoffer geweest van zijn onvoorzigtigheid. Om zeker van zijn schot te zijn, naderde hij den kangoeroe zoo digt, dat deze met een sprong opvloog. Robert viel. Een angstkreet klonk. Uit haar rijtuig strekte Mary Grant van ontsteltenis sprakeloos en met verduisterde oogen de handen naar haar broeder uit. Niet een van de jagers durfde op het dier schieten; want hij kon ook den knaap treffen.
Daar stormde op eens John Mangles, eigen gevaar niet achtende, met zijn hartsvanger op den kangoeroe los en trof het dier in het hart. Zijn kop werd afgehouwen en Robert stond ongedeerd op. Een oogenblik later lag hij in de armen zijner zuster.
"Ik dank u, mijnheer John! ik dank!" zeide Mary Grant, terwijl zij den jongen kapitein haar hand toestak.
"Ik stond borg voor hem," antwoordde John Mangles de bevende hand van het meisje vattende.
Dit voorval maakte een einde aan de jagt. De troep buideldieren was uiteengegaan na den dood van den aanvoerder, wiens huid naar de woning werd medegenomen. Het was nu 's avonds zes ure. Een prachtig middagmaal wachtte de jagers. Onder andere spijzen viel een bouillon van kangoeroe-staarten, op de wijze der inlanders gereedgemaakt, bijzonder in den smaak.
Na bij het nageregt ijs en sorbet gebruikt te hebben, gingen de gasten in de zaal. De avond werd aan de muziek gewijd. Lady Helena, die zeer goed piano speelde, stelde haar talent ter beschikking van de squatters. Michel en Sandy Patterson zongen met veel smaak stukjes ontleend aan de nieuwste werken van Gounod, Massé, Félicien David, en zelfs van dat onbegrepen genie, Richard Wagner.
Ten elf ure werd thee rondgediend; ze was met die engelsche volmaaktheid gezet, die geen ander volk kan evenaren. Op verlangen van Paganel, die eens australische thee wilde drinken, bragt men hem een drank, zoo zwart als inkt, een kan water, waarin een half pond thee vier uren lang gekookt had. Paganel trok wel een leelijk gezigt, maar verklaarde toch, dat die drank heerlijk smaakte.
Te middernacht werden de gasten naar luchtige en gemakkelijk ingerigte vertrekken gebragt, waar zij konden droomen van de genoegens van dien dag.
Met het krieken van den dag namen zij afscheid van de twee jeugdige squatters. Na veel dankbetuigingen en de stellige belofte, dat ze elkander in Europa op het kasteel Malcolm zouden wederzien, scheidden zij. De wagen zette zich weder in beweging, reed om den voet van den berg Hottam, en weldra verdween het huis als een droombeeld uit de oogen der reizigers. Nog vijf mijlen ver reden zij over den grond van het station. Eerst ten negen ure hadden zij het laatste hek achter den rug en nu drong het kleine gezelschap in de bijna onbekende gewesten van de provincie Victoria.
XVIII.
De australische Alpen.
Een ontzaggelijke slagboom versperde in het zuid-oosten den weg. Het was de keten der australische Alpen, een groote verdedigingslijn, wier grillige gordijnen zich over een lengte van vijftien honderd mijlen uitstrekken, en de wolken op een hoogte van vier duizend voet stuiten.
De betrokken lucht was oorzaak, dat de warmte eerst getemperd door den digten sluijer der dampen den grond bereikte. De temperatuur was dus dragelijk, maar de togt over den hoogst ongelijken bodem zeer moeijelijk. Het rijzen van den bodem werd telkens zigtbaarder. Hier en daar vertoonden zich eenige heuvels, met jonge groene gomboomen beplant. Verderop vormden die sterk in het oog loopende hoogten de voorloopers der groote Alpen. Aanhoudend moest men stijgen, hetgeen vooral zigtbaar was aan de krachtsinspanning der ossen, wier juk kraakte door het trekken van den zwaren wagen; zij hijgden en de spieren hunner pooten stonden zoo gespannen, dat ze dreigden te breken. De planken van het voertuig kraakten door het zware stooten, hetgeen Ayrton, hoe bekwaam hij ook was, niet kon voorkomen. De dames schikten zich gewillig in haar lot.
John Mangles en zijn beide matrozen waren eenige honderden schreden vooruit om den weg te verkennen; zij kozen de begaanbare wegen, om niet te zeggen de engten, want al die bulten van den bodem waren evenveel klippen, waartusschen de wagen het beste vaarwater moest kiezen. Het was dus een echte zeereis over die deinende gronden.
De taak was moeijelijk, soms gevaarlijk. Menigmaal moest Wilson met zijn bijl een doortogt banen door digte heesterboschjes. De kleiachtige en vochtige bodem zonk weg onder hun voeten. De weg werd verlengd door duizend omwegen, die onoverkomelijke hinderpalen, hooge granietblokken, diepe holle wegen, gevaarlijke ondiepten hen noodzaakten te maken. Tegen den avond waren zij dan ook naauwelijks een halven graad gevorderd. Men legerde zich aan den voet der Alpen, aan den oever der kreek Cobongra, aan den zoom eener kleine vlakte met vier voet hooge heesters bedekt, wier ligt roode bladeren het oog streelden.
"Er staan ons nog heel wat moeijelijkheden te wachten," zeide Glenarvan met het oog op de bergketen, wier schaduwbeeld reeds verdween in de duisternis van den nacht. "Alpen! die naam geeft stof tot denken!"
"Daar valt wel wat op af te dingen," antwoordde hem Paganel. "Gij moet niet denken, waarde Glenarvan! dat een geheel Zwitserland voor ons ligt. Er zijn in Australië Grampians, Pyreneën, Alpen, Blaauwe bergen, evenals in Europa en Amerika, maar in het klein. Dat bewijst alleen, dat de verbeeldingskracht der aardrijkskundigen niet onuitputtelijk is, of dat de taal der eigennamen zeer arm is."
"Die australische Alpen dus?..." vroeg lady Helena.
"Zijn bergen, die wij wel in onzen zak kunnen steken," antwoordde Paganel. "Wij zullen er over zijn, voor wij het weten."
"Zeg ik in plaats van wij!" zeide de majoor. "Wel moet men een verstrooid man wezen om een bergketen over te trekken, zonder het te merken."
"Verstrooid!" riep Paganel. "Maar ik ben niet verstrooid meer. Ik beroep mij op deze dames. Heb ik niet mijn woord gehouden van het oogenblik af, dat ik den voet op het vastland heb gezet? Heb ik een enkele verstrooidheid begaan? Heeft men mij een enkele dwaling te verwijten?"
"Geen enkele, mijnheer Paganel!" zeide Mary Grant. "Gij zijt thans de volmaaktste aller mannen."
"Al te volmaakt!" voegde lady Helena er lagchend bij. "Uw verstrooidheid stond u zoo goed."
"Niet waar, mevrouw?" antwoordde Paganel. "Wanneer ik geen gebrek meer heb, zal ik een man worden als ieder ander. Daarom hoop ik maar, dat ik spoedig de een of andere dwaasheid zal begaan, waarover gij hartelijk zult lagchen. Ziet ge, wanneer ik mij niet vergis, komt het mij voor, dat mij iets ontbreekt."
In weerwil van de verzekeringen van den goedgeloovigen aardrijkskundige kostte het den volgenden dag, den 9den Januarij, het kleine gezelschap verbazend veel moeite om in de Alpen door te dringen. Op goed geluk af moest men voortgaan en zich in naauwe en diepe kloven wagen, die wel eens zonder uitgang konden zijn.
Ayrton zou zeker in groote verlegenheid geweest zijn, als hij niet onverwachts na een uur op weg geweest te zijn een herberg, een ellendige kroeg had aangetroffen op een der bergpaden.
"Drommels," riep Paganel, "de kastelein van deze tapperij zal hier ook geen fortuin maken! Welk nut kan hij hier doen?"
"Ons de noodige aanwijzingen geven nopens den weg," antwoordde Glenarvan. "Wij zullen eens binnengaan."
Door Ayrton gevolgd overschreed Glenarvan den drempel der herberg. De kastelein uit "de herberg in het bosch,"—zooals op het uithangbord stond te lezen,—was een ruwe kerel met een terugstootend uiterlijk, die zeker zelf de beste klant was voor de jenever, brandewijn en whisky van zijn kroeg. Hij zag zelden iemand anders dan reizende squatters of eenige veedrijvers.
Hij antwoordde tamelijk norsch op de vragen, die hem gedaan werden. Maar zijn antwoorden waren toch voldoende om Ayrton op den regten weg te brengen. Glenarvan betaalde den kastelein eenige kroonen voor zijn gedane moeite, en wilde de herberg weder uitgaan, toen een op den muur geplakte verordening zijn aandacht trok.
Het was een kennisgeving van de koloniale politie. Ze berigtte de ontsnapping der gedeporteerden uit Perth, en stelde een prijs op het hoofd van Ben Joyce. Honderd pond sterling werden uitgeloofd aan dengenen, die hem in handen der politie zou leveren.
"Die ellendeling verdient ten volle de galg," zeide Glenarvan tegen den bootsman.
"En het is de moeite waard hem te pakken!" antwoordde Ayrton. "Honderd pond! Een heele som! Hij is zooveel niet waard."
"Ik vertrouw dien kastelein maar half, ondanks zijn verordening," voegde Glenarvan er bij.
"Ik ook niet," antwoordde Ayrton.
Glenarvan en de bootsman begaven zich weder naar den wagen. Men rigtte zich naar het punt, waar de weg van Lucknow ophoudt. Daar slingerde bergop een naauw pad. Men begon te klimmen.
De bestijging was uiterst moeijelijk. Meer dan eens stapten de dames en haar reismakkers af. Men was verpligt het lompe voertuig te helpen en voort te duwen, het dikwijls tegen te houden op gevaarlijke schuinten, de ossen af te spannen, die weinig nut konden doen bij de onverwachte krommingen van den weg, den wagen te remmen, die gevaar liep achteruit te rollen, en meer dan eens moest Ayrton de hulp der paarden inroepen, die reeds afgemat waren door de moeite, die zij moesten doen, om zelven zich op te hijschen.
Kwam het door die aanhoudende vermoeijenis of door iets anders, maar dien dag bezweek een der paarden. Het viel op eens neder, zonder dat eenig voorteeken dit ongeluk had doen verwachten. Het was het paard van Mulrady, en toen deze het wilde overeind helpen, bleek het, dat het dood was.
"Er is zeker een bloedvat bij dit dier gesprongen," zeide Glenarvan.
"Denkelijk wel," antwoordde Ayrton.
"Neem mijn paard, Mulrady!" voegde Glenarvan er bij, "ik ga bij lady Helena in den wagen."
Mulrady gehoorzaamde, het kleine gezelschap zette zijn moeijelijke beklimming voort, en liet het lijk van het dier ter prooi aan de raven.
De keten der australische Alpen is niet breed, nog geen acht mijlen. Wanneer dus de weg, door Ayrton gekozen, op de oostelijke helling uitliep, konden zij over twee dagen aan gene zijde van dien hoogen slagboom zijn. Dan waren er tot aan zee toe geen onoverkomelijke hinderpalen, geen moeijelijke wegen meer te wachten.
Den 10den bereikten de reizigers het hoogste punt van den weg, omstreeks twee duizend voet. Zij waren op een ruim bergvlak, van waar zij een grooten omtrek konden overzien. In het noorden spiegelde het stille water van het Omeo-meer, dat van watervogels wemelde, en nog verder de uitgestrekte vlakten van de Murray. Ten zuiden strekten zich de grasrijke streken, de goudgronden en de hooge bosschen van Gippsland uit, dat nog in zijn natuurstaat scheen te verkeeren. Daar was de natuur nog meesteres over de voortbrengselen, over den loop der wateren, over de groote nog ongeschonden boomen, en durfden de squatters, die hier nog weinig in getal waren, niet met haar worstelen. Het scheen, dat deze Alpenketen twee verschillende landen scheidde, waarvan het eene zijn oorspronkelijke wildheid had behouden. De zon ging juist onder, en eenige stralen, die door de roodgekleurde wolken boorden, verhelderden de tinten van het district Murray. Gippsland daarentegen, achter den bergwand verscholen, was in het duister gehuld, en men zou gezegd hebben, dat de schaduw dit geheele transalpijnsche gewest in een vroegen nacht dompelde. De toeschouwers, tusschen die twee zoo scherp gescheiden landen geplaatst, voelden levendig die tegenstelling, en een zekere ontroering greep hen aan op het gezigt van dat bijna onbekende gewest, dat zij tot aan de grenzen van Victoria moesten doortrekken.
De nacht werd op het bergvlak doorgebragt. Den volgenden morgen begon de afdaling, die vrij spoedig in haar werk ging. Een allergeweldigste hagelbui overviel de reizigers en dwong hen een schuilplaats onder rotsblokken te zoeken. Het waren geen hagelsteenen, maar echte stukken ijs, zoo groot als een hand, die uit de van onweer zwangere wolken vielen. Met een slinger had men ze niet met meer kracht kunnen werpen, en eenige zware kneuzingen deden Paganel en Robert begrijpen, dat ze zich uit de voeten moesten maken. De wagen werd op verscheidene plaatsen doorboord en weinige daken zouden bestand zijn geweest tegen den val dier scherpe stukken ijs, waarvan sommige in de stammen der boomen bleven vastzitten. Op straffe van gesteenigd te worden moest men het einde dier ontzettende bui afwachten. Ze hield omtrent een uur aan, en het gezelschap keerde weder naar de hellende rotsen terug, die nog glibberig waren van de smeltende hagelsteenen.
Een allergeweldigste hagelbui overviel de reizigers.

Tegen den avond bereikte de wagen, wel zeer gehavend en op vele plaatsen losgeraakt, maar nog stevig rustende op zijn houten schijven, de laatste uitloopers der Alpen, bedekt met hooge alleenstaande pijnboomen. De engte liep uit op de vlakten van Gippsland. De Alpenketen was gelukkig overgetrokken, en de gewone toebereidselen voor het nachtverblijf werden gemaakt.
Zoodra de zon den 12den opging werd de reis met nieuwen moed hervat. Een ieder wenschte vurig het doel te bereiken, dat wil zeggen de Stille Zuidzee, op dezelfde plek, waar de Britannia vergaan was. Daar alleen kon met vrucht het spoor der schipbreukelingen gezocht worden, en niet in die woeste streken van Gippsland. Daarom drong Ayrton er ook op aan, dat lord Glenarvan bevel zou zenden aan de Duncan om aan de kust te komen, ten einde alle middelen ter opsporing bij de hand te hebben. Zijns inziens moest men van den weg van Lucknow naar Melbourne gebruik maken. Later zou dat moeijelijk gaan; want er zou volslagen gebrek komen aan regtstreeksche gemeenschap met de hoofdstad.
Die aanbevelingen van den bootsman hadden den schijn voor zich. Paganel ried aan er gevolg aan te geven. Hij meende ook, dat de aanwezigheid van het jagt in zulk een geval zeer nuttig kon zijn, en voegde er bij, dat men geen gemeenschap met Melbourne meer zou kunnen onderhouden, als men den weg van Lucknow over was.
Glenarvan was besluiteloos, en misschien zou hij die bevelen, waarop Ayrton zoo bepaald aandrong, afgezonden hebben, als de majoor zich niet krachtig tegen dat besluit had verzet. Hij toonde aan, dat Ayrton niet gemist kon worden, dat hij bekend was met de kuststreek, dat, mogt het toeval de karavaan op het spoor van Harry Grant brengen, de bootsman beter dan iemand anders in staat zijn zou het te volgen, ten laatste dat hij alleen de plaats kon aangeven, waar de Britannia was vergaan.
Mac Nabbs stemde dus voor de voortzetting der reis, zonder iets aan het plan te veranderen. Hij vond een bondgenoot in John Mangles, die zijn gevoelen deelde. De jonge kapitein merkte zelfs op, dat de bevelen Zijner Edelheid gemakkelijker de Duncan zouden bereiken, wanneer zij uit de Twofold-baai werden afgezonden, dan wanneer zij door tusschenkomst van een bode werden overgebragt, die twee honderd mijlen van een woest land zou moeten doortrekken.
Reis rond de wereld, deel 2—Midden-Australië.

Deze meening behield de overhand. Er werd besloten, dat er niet gehandeld zou worden voor de Twofold-baai bereikt was. De majoor hield Ayrton in het oog, die zeer teleurgesteld scheen. Maar hij zeide er niets van, en volgens zijn gewoonte hield hij zijn gedachten voor zich.
De vlakten, die zich aan den voet der australische Alpen uitstrekken, waren effen, met een geringe helling naar het oosten. Groote boschjes mimosa's en allerlei gomboomen braken hier en daar de eentoonige eenvormigheid af. De "gastrolobium grandiflorum" bedekte den bodem met zijn struiken met schitterende bloemen. Eenige onbeduidende stroompjes, niet meer dan beekjes met laag riet omzoomd en met standelkruiden begroeid, doorsneden dikwijls den weg. Zij werden doorwaad. In de verte vlugtten benden trapganzen en kasuarissen op de nadering der reizigers. Kangoeroes sprongen als een troep elastieke poppen boven de heesters uit. Maar de jagers onder het gezelschap dachten volstrekt niet aan de jagt, en hun paarden konden die onnoodige vermoeijenis zeer goed missen.
Ook hing er eene zwoele lucht over de landstreek. De dampkring was verzadigd met electriciteit. Dieren en menschen ondervonden zijn invloed. Zij trokken loom en lusteloos verder. De stilte werd alleen verstoord door het geschreeuw, waarmede Ayrton zijn aamechtig span aanzette.
Tusschen twaalf en twee ure trok men door een aardig bosch van varens, dat de bewondering van minder afgematte lieden zou gaande gemaakt hebben. Die boomvormige planten, welke in vollen bloei stonden, bereikten een hoogte van wel dertig voet. Paarden en ruiters trokken op hun gemak onder de afhangende takken door, en soms rammelden de radertjes der sporen, wanneer ze tegen hun houtachtigen stengel stieten. Onder die onbewegelijke zonneschermen heerschte een koelte, waarover niemand klaagde.
Een bosch van boom-varens.

Jacques Paganel, die er van hield zijn hart lucht te geven, zuchtte van tevredenheid, en deed daardoor scharen papegaaijen en kakatoes opvliegen. Het was een concert van oorverdoovend geschreeuw.
De aardrijkskundige schreeuwde en jubelde hoe langer hoe luider, toen zijn reisgenooten hem op eens op zijn paard zagen wankelen en als een klomp lood op den grond vallen. Was soms een bezwijming of erger nog een verstikking, door den hoogen warmtegraad veroorzaakt, hiervan de oorzaak?
Men snelde naar hem toe.
"Paganel! Paganel! wat scheelt u?" riep Glenarvan.
"Mij scheelt, waarde vriend! mij scheelt, dat ik geen paard meer heb," antwoordde Paganel, terwijl hij zijn voeten uit de stijgbeugels losmaakte.
"Wat! uw paard?"
"Dood, morsdood, evenals dat van Mulrady!"
Glenarvan, John Mangles, Wilson onderzochten het dier. Paganel had zich niet vergist. Zijn paard was plotseling dood gebleven.
"Dat is vreemd!" zeide John Mangles.
"Ja, wel vreemd!" mompelde de majoor.
Dit nieuwe ongeluk maakte Glenarvan zeer bekommerd. In deze woestijn waren geen andere paarden te krijgen. En ontstond er soms een besmettelijke ziekte onder hun paarden, dan zou het hem zeer moeijelijk vallen den togt voort te zetten.
De dag was nog niet om, of het woord "besmettelijke ziekte" scheen bewaarheid te zullen worden. Een derde paard, dat van Wilson viel dood, en, wat nog erger was, ook een der ossen bezweek. De trek- en rijdieren bestonden nu maar uit drie ossen en vier paarden.
De toestand werd bedenkelijk. De van hun paarden beroofde ruiters konden des noods te voet gaan. Vele squatters hadden dit reeds in die onbewoonde streken gedaan. Maar wat zou er van de reizigsters worden,als men den wagen moest achterlaten? Konden die de honderd twintig mijlen, die hen nog van de Twofold-baai scheidden, te voet afleggen?
Hoogst ongerust onderzoeken John Mangles en Glenarvan de nog overgebleven paarden. Misschien kan men nieuwe ongelukken voorkomen. Uit dit onderzoek bleek, dat er geen enkel teeken van ziekte of zwakheid te bespeuren was. Deze dieren waren volkomen gezond en stonden de vermoeijenissen der reis wakker door. Glenarvan hoopte dus, dat die vreemde besmettelijke ziekte geen andere offers meer zou eischen.
Ook Ayrton was van dat gevoelen. Hij verklaarde tevens niets te begrijpen van die plotselinge sterfgevallen.
De togt werd hervat. De wagen diende tot rijtuig voor de voetgangers, die er elk op hun beurt in uitrustten. Na een marsch van slechts tien mijlen werd 's avonds het sein om halt te houden gegeven en de legerplaats in orde gebragt. De nacht ging in ongestoorde rust voorbij onder een groot bosch van boomvormige varens, waarin ontzaggelijke vleermuizen rondfladderden, die hun naam van roode vliegende maki met regt droegen.
De volgende dag, zijnde de 13de Januarij, was bij uitstek goed. De ongelukken van den vorigen herhaalden zich niet. De gezondheidstoestand van het reisgezelschap bleef bevredigend. Paarden en ossen volbragten met lust hun werk. Het salon van lady Helena was zeer levendig, door het aantal gaande en komende bezoekers. Olbinett was druk in de weer met de ververschingen rond te laten gaan, die een warmte van dertig graden noodig maakte. Een half vaatje schotsche ale werd geheel leeggedronken. Barclay en Cie werd de grootste man van geheel Engeland genoemd, zelfs grooter dan Wellington, die nooit zulk lekker bier had gebrouwen. Een gevolg van de eigenliefde der Schotten. Jacques Paganel dronk veel en redeneerde nog meer de omni re scibili et quibusdam aliis.
Een zoo goed begin beloofde ook een goed einde van den dag. Men had ruim vijftien mijlen afgelegd in een vrij bergachtig land met een roodkleurigen bodem. Men mogt zich dus vleijen dienzelfden avond nog aan de oevers der Sneeuw-rivier, een belangrijke rivier, die zich in het zuiden van Victoria in de Stille Zuidzee werpt, de legerplaats te betrekken. Weldra maakten de wielen van den wagen hun spoor in groote vlakten van zwartachtigen aangeslibden grond, tusschen boschjes weelderig gras en nieuwe velden met gastrolobium begroeid. Het werd avond, en een nevel, die aan den gezigteinder oprees, wees duidelijk den loop der Sneeuwrivier aan. Met veel moeite kwam men nog eenige mijlen verder. Een bosch van hooge boomen verhief zich bij een hoek van den weg, achter een geringe verhevenheid van den grond. Ayrton mende zijn ossen, van wie reeds zooveel gevergd was, tusschen de groote, in de schaduw bijna niet zigtbare boomstammen door, en was reeds over den zoom van het bosch, maar een halve mijl van de rivier af, toen de wagen op eens tot aan de as in den modder zakte.
"Geeft acht!" riep hij den ruiters toe, die hem volgden.
"Wat gebeurt er dan?" vroeg Glenarvan.
"Wij zitten in den modder vast," antwoordde Ayrton.
Met de stem en den prikkel zette hij zijn ossen aan, die tot aan de knieën in den modder zittende, zich niet konden bewegen.
"Wij moesten hier van nacht maar blijven," zeide John Mangles.
"Dat is het beste wat wij doen kunnen," antwoordde Ayrton. "Morgen, wanneer het dag is, kunnen wij beter zien, hoe wij er uitkomen."
"Halt!" riep Glenarvan.
Na een korte schemering werd het volkomen duister; maar de warmte was niet met het licht geweken. De lucht was stikkend heet. Aan den gezigteinder flikkerden eenige weerlichten, de oogverblindende weerkaatsing van een verwijderd onweder.
Aan den gezigteinder flikkerden eenige weerlichten.

Het nachtverblijf werd in orde gebragt. Zoo goed en kwaad het ging, behielp men zich in den vastzittenden wagen. De donkere koepel der groote boomen beschutte de tent der reizigers. Mits het maar niet begon te regenen, hadden zij geen reden om te klagen.
Niet zonder moeite haalde Ayrton zijn drie ossen uit den drassigen bodem. Die moedige dieren zaten er tot den buik in. De bootsman joeg ze met de vier paarden in een beslotene ruimte en vertrouwde aan niemand de zorg toe om voeder voor hen uit te kiezen. Dat werk verrigtte hij met veel overleg, en Glenarvan merkte op, dat hij dien avond zijn zorg nog verdubbelde, waarvoor hij hem hartelijk bedankte, want het behoud der trekdieren was van overwegend belang.
Inmiddels gebruikten de reizigers een korten avondmaaltijd. Vermoeidheid en warmte verdreven den honger. Zij hadden geen behoefte aan voedsel, maar aan rust. Na haar reisgenooten goeden nacht te hebben gewenscht, zochten lady Helena en miss Grant haar gewone legerstede op. Wat de mannen aangaat, sommigen kropen onder de tent, anderen gingen liever aan den voet der boomen in het digte gras liggen, hetgeen men in die gezonde landen gerust kan doen.
Langzamerhand vielen allen in een diepen slaap. De duisternis nam toe onder een gordijn van dikke wolken, dat den geheelen hemel bedekte. Geen windje was er aan de lucht. De stilte van den nacht werd slechts afgebroken door het gekras van den "morepork," die met verrassende juistheid de kleine terts aangaf, evenals de treurige koekoeken van Europa.
Na een zwaren en vermoeijenden slaap werd de majoor tegen elf ure wakker. Een flaauw licht, dat zich onder de groote boomen bewoog, trof zijn half geslotene oogen. Men zou het voor een witachtig vlak, zoo spiegelend als het water van een meer, hebben kunnen houden, en Mac Nabbs geloofde eerst, dat het het schijnsel van een ontstaanden brand was, dat zich over den grond voortplantte.
Hij rees op en liep naar het bosch. Hij stond zeer verbaasd, toen hij daar een zuiver natuurverschijnsel voor zich zag. Een onafzienbaar veld met paddestoelen, die dat licht gaven, strekte zich voor hem uit. De lichtgevende kiemkorrels dier bedekt bloeijende planten straalden met zekere kracht in de duisternis[1].
De majoor, die geen egoïst was, wilde Paganel wekken, opdat de geleerde dit verschijnsel met eigen oogen mogt waarnemen, toen een zeker voorval hem hiervan deed afzien.
Het phosphorisch licht bescheen het bosch over een ruimte van een halve mijl, en Mac Nabbs verbeeldde zich, dat hij snel eenige schaduwen langs den verlichten zoom zag glijden. Bedrogen hem zijn oogen? Was hij de speelbal van een gezigtsbedrog?
Mac Nabbs ging op den grond liggen, en oplettend rondziende bemerkte bij duidelijk verscheidene menschen, die beurtelings bukkende en opstaande nog versche sporen op den grond schenen te zoeken.
Hij moest en zou weten, wat die menschen zochten.
De majoor aarzelde niet, en zonder zijn reisgenooten wakker te maken, kroop hij als een wilde uit de prairiën over den grond en verdween in het hooge gras.
De majoor verdween in het hooge gras.

XIX.
Een onverwachte ontdekking.
Het was een vreeselijke nacht. 's Morgens ten twee ure begon er een regenbui te vallen, een stortbui, die de onstuimige wolken tot het aanbreken van den dag toe uitgoten. De tent was niet langer een voldoende beschutting. Glenarvan en zijne reisgenooten vlugtten in den wagen. Niemand sliep. Men praatte over koetjes en kalfjes. De majoor alleen, wiens korte afwezigheid niemand opgemerkt had, vergenoegde zich met te luisteren, maar sprak geen woord. Nog kwam er geen einde aan de ontzettende bui. Het stond te vreesen, dat ze de Sneeuw-rivier buiten haar oevers zou doen treden, hetgeen zeer leelijk zou geweest zijn voor den wagen, die in den weeken grond vast zat.
Bij herhaling gingen daarom Mulrady, Ayrton, zelfs John Mangles den waterstand waarnemen, en kwamen dan van het hoofd tot de voeten doornat terug.
Eindelijk werd het dag. De regen hield op; maar de zonnestralen konden den digten wolkensluijer niet doorboren. Groote plassen geelachtig water, echte troebele en slijkerige vijvers, maakten den grond morsig. Een warme damp steeg uit die doorweekte gronden op en vervulde den dampkring met een voor de gezondheid schadelijke vochtigheid.
Allereerst hield Glenarvan zich met den wagen bezig. Dat was in zijn oog de hoofdzaak. Het lompe voertuig werd naauwkeurig bekeken. Het zat vast in taaije klei in het midden van een groote verzakking van den grond. Het voorstel was bijna geheel verdwenen, en het achterstel tot aan de stootplaat van de as. Het zou heel wat moeite kosten om dat zware ligchaam er uit te halen, en de vereenigde krachten van mannen, ossen en paarden zouden er wel toe noodig zijn.
"Wij moeten ons in allen gevalle haasten," zeide John Mangles. "Wanneer die klei opdroogt, wordt het werk nog moeijelijker."
"Ja, wij moeten ons haasten," antwoordde Ayrton.
Glenarvan, de beide matrozen, John Mangles en Ayrton drongen in het bosch, waar de dieren den nacht hadden doorgebragt.
Het was een hoog bosch van akelige gomboomen. Niets dan doode, ver uiteenstaande boomen, sedert eeuwen van hun bast beroofd, of liever gelijk de kurkeiken, wanneer de oogsttijd daar is. Hun dunne, bladerlooze takken staken twee honderd voet hoog in de lucht. Geen enkele vogel nestelde in die dorre geraamten, geen blaadje trilde aan die drooge en als doodsbeenderen klepperende takken. Aan welke omwenteling moet dat in Australië nog al veel voorkomende verschijnsel van geheele als door een besmettelijke ziekte gestorven bosschen toegeschreven worden? Men weet het niet. Noch de oudste inboorlingen, noch hun voorvaderen, die reeds lang in de doodenboschjes rusten, hebben ze ooit groen gezien.
Onder het gaan beschouwde Glenarvan den graauwen hemel, waartegen de kleinste takjes der gomboomen zich als fijne lijntjes afteekenden. Ayrton verwonderde zich, dat hij de paarden en ossen niet meer vond ter plaatse, waar hij ze gebragt had. De gekluisterde dieren konden echter niet ver weg zijn.
Men zocht ze in het bosch, maar zonder ze te vinden. Hoogst verbaasd ging Ayrton nu naar de Sneeuw-rivier, wier oevers met prachtige mimosa's begroeid zijn. Hij liet het bij zijn span welbekend geluid hooren; maar kreeg geen antwoord. De bootsman scheen zeer ongerust, en zijn reisgenooten zagen elkander met een teleurgesteld gezigt aan.
Zoo werd er nu een uur met vergeefsche nasporingen doorgebragt, en Glenarvan wilde reeds naar den wagen terugkeeren, daar hij ruim een mijl van af was, toen een gehinnik zijn oor trof. Bijna gelijktijdig liet zich ook gebulk hooren.
"Daar zijn ze!" riep John Mangles, en kroop tusschen de hooge gastrolobiums door, die hoog genoeg waren om een kudde te verbergen.
Glenarvan, Mulrady en Ayrton ijlden hem achterna en deelden spoedig in zijn ontsteltenis.
Twee ossen en drie paarden lagen op den grond; de dood had hen even onverwacht overvallen als de anderen. Hun lijken waren reeds koud, en een troep magere raven, die in de mimosa's krasten, beloerde die onverwachte prooi.
Glenarvan en de anderen zagen elkander aan en Wilson kon een vloek niet terughouden, die hem op de tong lag.
"Het is niet anders, Wilson!" zeide lord Glenarvan, die moeite had om bedaard te blijven, "wij kunnen er niets aan doen. Breng den os en het paard weg, Ayrton! Wij moeten maar zien, hoe wij het met hen redden."
"Zat onze wagen maar niet vast," sprak John Mangles, "dan zouden die twee dieren hem langzaam aan wel naar de kust kunnen brengen. Dat vervloekte voertuig moet er dus uitgehaald worden, het gaat hoe het gaat."
"Wij zullen het beproeven, John!" antwoordde Glenarvan. "Thans willen wij naar de legerplaats terugkeeren, waar men reeds ongerust zal zijn over ons lang uitblijven."
Ayrton nam de kluisters van den os af, Mulrady van het paard, en zoo keerde men langs de bogtige oevers der rivier terug.
Een half uur later waren Paganel, Mac Nabbs, lady Helena en miss Grant van alles onderrigt.
"Het is waarlijk jammer, Ayrton! dat niet al onze beesten bij den overtogt der Wimerra beslagen moesten worden," kon de majoor niet nalaten te zeggen.
"Hoe dat zoo, mijnheer?" vroeg Ayrton.
"Omdat van al onze paarden alleen dat, hetwelk uw hoefsmid onder handen heeft gehad, aan de algemeene ramp ontkomen is!"
"Dat is waar, en heel toevallig!" zeide John Mangles.
"Toeval, anders niet," antwoordde de bootsman, terwijl bij den majoor stijf in het gezigt zag.
Mac Nabbs beet zich op de lippen, alsof hij vreesde te veel te zeggen. Glenarvan, Mangles en lady Helena schenen te verwachten, dat hij zijn gedachte geheel zou mededeelen; maar de majoor zweeg en ging naar den wagen, waarmede Ayrton zich bezig hield.
"Wat heeft hij willen zeggen?" vroeg Glenarvan aan John Mangles.
"Ik weet het niet," antwoordde de jonge kapitein.
"De majoor is er anders de man niet naar om zonder grond te spreken."
"Neen, John!" zeide lady Helena. "Mac Nabbs heeft zeker kwaad vermoeden ten opzigte van Ayrton."
"Kwaad vermoeden?" sprak Paganel de schouders ophalende.
"Welk?" vroeg Glenarvan. "Zou hij hem in staat achten onze paarden en ossen te dooden? Maar waarom? Is het belang van Ayrton niet hetzelfde als het onze?"
"Gij hebt gelijk, lieve Edward!" zeide lady Helena, "en ik voeg er nog bij, dat de bootsman ons van het begin der reis af onweersprekelijke bewijzen van verknochtheid gegeven heeft."
"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles. "Maar wat beteekent dan de opmerking van den majoor? Daar moet ik het mijne van hebben."
"Gelooft hij, dat hij met die gedeporteerden onder éénen hoed speelt?..." riep Paganel onvoorzigtig uit.
"Welke gedeporteerden?" vroeg miss Grant.
"Mijnheer Paganel verspreekt zich," antwoordde John Mangles driftig. "Hij weet wel, dat er geen gedeporteerden zijn in de provincie Victoria."
"Drommels! dat is waar ook!" zeide Paganel, die zijn woorden wel had willen inhalen. "Waar waren mijn gedachten? Gedeporteerden! Wie heeft ooit van gedeporteerden hooren spreken in Australië? Bovendien, pas zijn ze aan land, of ze worden brave menschen! Het klimaat gij weet wel, miss Mary! het zedelijk makend! klimaat...."
Het ging den armen geleerde, die zijn dwaasheid wilde herstellen, evenals den wagen, hij zakte er hoe langer hoe dieper in. Lady Helena zag hem aan, waardoor hij alle bezinning verloor. Maar hem niet verlegener willende maken, nam zij miss Mary mede naar de tent, waar Olbinett het ontbijt naar al de regelen der kunst gereed maakte.
"Ik verdiende zelf gedeporteerd te worden!" jammerde Paganel.
"Dat geloof ik ook," antwoordde Glenarvan.
Dit met een ernst gezegd hebbende, die den waardigen aardrijkskundige geheel in den war bragt, ging Glenarvan met John Mangles naar den wagen.
Ayrton en de twee matrozen waren juist bezig om hem uit den diepen kuil te trekken. De os en het paard naast elkander gespannen, trokken met alle kracht; de strengen stonden zoo strak, dat zij bijna braken, de hamen stonden op het punt van te scheuren. Wilson en Mulrady draaiden aan de wielen, terwijl de bootsman met stem en zweep het zwakke voorspan aanzette. Het zware voertuig bewoog zich niet. De reeds drooge klei hield het span tegen, alsof het in tras vastgemetseld was.
Het zware voertuig bewoog zich niet.

John Mangles liet de klei nat maken, opdat ze minder zou houden. Het was te vergeefsch. De wagen bleef onbewegelijk vastzitten. Na nieuwe krachtsinspanning gaven menschen en dieren het op. Wilde men den wagen niet uit elkander nemen, dan moest men hem in den kuil achterlaten. Uit gebrek aan werktuigen kon zulk een arbeid niet ondernomen worden.
Ayrton, die wat het ook kosten mogt, dit beletsel uit den weg wilde ruimen, stond gereed een nieuwe poging aan te wenden, toen lord Glenarvan hem tegenhield.
"Genoeg, Ayrton! genoeg," zeide hij. "Wij moeten den os en het paard ontzien. Als wij onze reis te voet moeten voortzetten, zal het een de beide dames, de andere de levensmiddelen dragen. Dan kunnen zij ons nog goede diensten bewijzen."
"Goed, mylord! antwoordde de bootsman, terwijl hij de uitgeputte dieren uitspande.
"Laten wij nu naar de legerplaats terugkeeren, vrienden!" voegde Glenarvan er bij, "dan kunnen wij beraadslagen, onzen toestand onderzoeken, de goede en kwade kansen opsporen, en een besluit nemen."
Eenige oogenblikken later verkwikten de reizigers zich met een degelijk ontbijt van hun slechten nacht, en werden de beraadslagingen geopend. Een ieder werd verzocht zijn meening te zeggen.
In de allereerste plaats was het noodig met volkomene juistheid te weten, waar men zich bevond. Paganel, wien die taak werd opgedragen, volbragt ze met de noodige naauwkeurigheid. Volgens zijne berekening bevond het gezelschap zich thans op 37° graden breedte en 147° 53' lengte, aan den oever der Sneeuw-rivier.
"Wat is de juiste ligging der Twofold-baai?" vroeg Glenarvan.
"Honderd vijftig graden," antwoordde Paganel.
"En die twee graden zeven minuten zijn gelijk aan?..."
"Vijf en zeventig mijlen[1]."
"En Melbourne ligt?..."
"Minstens twee honderd mijlen van hier."
"Goed. Wat staat ons thans te doen, nu wij dit weten?" zeide Glenarvan.
Allen gaven eenparig ten antwoord: zonder verwijl naar de kust gaan. Lady Helena en Mary Grant verbonden zich om vijf mijlen per dag af te leggen. De moedige vrouwen vreesden niet om des noods te voet den afstand af te leggen, die de Sneeuw-rivier van de Twofold-baai scheidt.
"Gij zijt de wakkere gezellin van den reiziger, lieve Helena!" zeide lord Glenarvan. "Maar kunnen wij er staat op maken, dat wij aan de baai al de hulpmiddelen zullen vinden, die wij bij onze komst noodig hebben?"
"Ongetwijfeld," antwoordde Paganel. "Eden is een gemeente, die reeds verscheidene jaren oud is. Haar haven moet veel verkeer hebben met Melbourne. Ik vooronderstel zelfs, dat wij vijf en dertig mijlen van hier, in het kerspel Delegete, op de grenzen van Victoria, versche levensmiddelen en reisgelegenheid zullen vinden."
"En de Duncan?" vroeg Ayrton; "acht gij het niet geraden, mylord, ze in de baai te ontbieden?"
"Wat denkt gij er van, John?" vroeg Glenarvan.
"Ik geloof niet, dat Uwe Edelheid zich daarmede behoeft te haasten," antwoordde de jonge kapitein na eenig nadenken. "Het is altijd nog tijde genoeg uw bevelen aan Tom Austin te doen toekomen en hem aan de kust te roepen."
"Dat is waar," zeide Paganel.
"Bedenk," voegde John Mangles er bij, "dat wij in vier of vijf dagen te Eden zullen zijn."
"Vier of vijf dagen!" hervatte Ayrton hoofdschuddende; "reken maar vijftien of twintig, kapitein! als gij u later niet over uw dwaling wilt beklagen."
"Vijftien of twintig dagen om vijf en twintig mijlen af te leggen!" riep Glenarvan.
"Op zijn minst mylord! Gij moet het moeijelijkste gedeelte van Victoria door, een woestijn, waarin aan alles gebrek is, zoo als de squatters zeggen, kreupelhout zonder gebaande wegen, waarin nog geen stations zich hebben kunnen vestigen. Gij zult er door moeten met den bijl of de toorts in de hand, en geloof mij, gij zult niet snel vorderen."
Ayrton had op stelligen toon gesproken. Paganel, op wien vragende blikken werden geslagen, bevestigde met een hoofdknikje de woorden van den bootsman.
"Ik neem die bezwaren aan," hernam nu John Mangles. "Welnu! binnen veertien dagen kan Uwe Edelheid zijn bevelen aan de Duncan zenden."
"Ik wil er nog bijvoegen," hervatte Ayrton, "dat de moeijelijkheden van den weg niet de zwaarste zullen zijn. Maar gij moet de Sneeuw-rivier over, en zeer waarschijnlijk wachten, tot het water valt."
"Wachten!" riep de jonge kapitein, "Zou er geen doorwaadbare plek te vinden zijn?"
"Dat denk ik niet," antwoordde Ayrton. "Heden morgen heb ik te vergeefs naar een ondiepte gezocht. Zelden zal men in dit jaargetijde zulk een onstuimige rivier aantreffen, en dat is een hinderpaal, waartegen ik niets vermag."
"Is die Sneeuw-rivier dan zoo breed?" vroeg lady Glenarvan.
"Breed en diep, mevrouw!" antwoordde Ayrton. "Wel een mijl breed en zeer snelvlietend. Een goed zwemmer kan ze niet zonder gevaar overzwemmen."
"Welnu! dan zullen we een boot bouwen!" riep Robert, die voor niets terugdeinsde, "Men velt een boom, holt hem uit, gaat er in zitten, en daarmee uit."
"Hij houdt zich goed, die zoon van kapitein Grant!" zeide Paganel.
"En hij heeft gelijk," hernam John Mangles. "Wij zullen er wel toe moeten overgaan. Daarom acht ik het onnoodig onzen tijd met nuttelooze praatjes te verspillen."
"Wat denkt gij er van, Ayrton?" vroeg Glenarvan.
"Ik denk, mylord! dat wij over een maand, als er geen hulp opdaagt, nog aan de oevers der Sneeuw-rivier zullen staan!"
"Laat hooren, hebt gij dan soms een beter plan?" vroeg John Mangles met eenig ongeduld.
"Ja, wanneer de Duncan Melbourne verlaat en naar de oostkust stevent!"
"Och! altijd die Duncan! En hoe kan haar tegenwoordigheid in de baai ons den togt daarheen gemakkelijker maken?"
Alvorens te antwoorden dacht Ayrton een poosje na en zeide toen vrij ontwijkend:
"Ik wil niemand mijn gevoelen opdringen. Wat ik doe, is in aller belang, en ik ben bereid om te vertrekken, zoodra Zijne Edelheid het sein geeft om op te breken."
Daarop sloeg hij de armen over elkaar.
"Dat is geen antwoord, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Deel ons uw plan mede, dan zullen wij het bespreken. Wat stelt gij voor?"
Nu sprak Ayrton met een bedaarde en vaste stem aldus:
"Ik stel voor, dat wij ons in den berooiden toestand, waarin wij thans verkeeren, niet aan gene zijde van de Sneeuw-rivier moeten wagen. Op deze plaats moeten wij hulp wachten, en die hulp kan alleen van de Duncan komen. Hier moeten wij ons legeren, waar geen gebrek aan levensmiddelen is, terwijl een onzer aan Tom Austin het bevel moet brengen om naar de Twofold-baai te stoomen."
Dit onverwachte voorstel werd met geen geringe verbazing aangehoord, en John Mangles ontveinsde zijn tegenzin er in niet.
"Intusschen," hernam Ayrton, "zal of het water der Sneeuwrivier zakken, zoodat wij een doorwaadbare plaats kunnen vinden, of wij zullen tot een boot onze toevlugt moeten nemen, die wij dan tijd genoeg zullen hebben om te bouwen. Ziedaar, mylord! het plan, dat ik aan uw goedkeuring onderwerp."
"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan; "uw denkbeeld verdient in ernstige overweging te worden genomen. Zijn grootste nadeel is, dat het een oponthoud veroorzaakt; maar het bespaart zware vermoeijenis en misschien groote gevaren. Wat denkt gij er van, vrienden?"
"Spreek, waarde Mac Nabbs!" zeide nu lady Helena. "Van het begin der beraadslaging af, vergenoegt gij u met luisteren; gij zijt zeer karig met uw woorden."
"Dewijl gij mijn gevoelen vraagt," antwoordde de majoor, "zal ik het openhartig zeggen. Mij dunkt, dat Ayrton als een verstandig en bedachtzaam man gesproken heeft, en ik keur zijn voorstel goed."
Zulk een antwoord had niemand verwacht; want Mac Nabbs had steeds de denkbeelden van Ayrton betreffende deze zaak bestreden. Ayrton zelf was er dan ook verbaasd over en sloeg een vlugtigen blik op den majoor. Paganel, lady Helena en de matrozen, die reeds zeer geneigd waren om het voorstel van den bootsman te ondersteunen, aarzelden volstrekt niet meer na de woorden van Mac Nabbs.
Derhalve verklaarde Glenarvan, dat het plan van Ayrton in beginsel was aangenomen.
"En denkt gij nu ook niet, John!" ging hij voort, "dat de voorzigtigheid gebiedt aldus te handelen, en aan de oevers der rivier te blijven om de vervoermiddelen af te wachten?"
"Ja!" antwoordde John Mangles, "wanneer het althans onzen bode gelukt de Sneeuwrivier over te komen, die wij zelven niet over kunnen komen!"
Men zag den bootsman aan, die glimlachte als iemand, die zeker is van zijn zaak.
"De bode behoeft de rivier niet over!" zeide hij.
"Wat!" riep John Mangles.
"Hij moet eenvoudig den weg van Lucknow opzoeken, die hem regel regt naar Melbourne zal brengen."
"Twee honderd vijftig mijlen te voet af te leggen!" riep de jonge kapitein.
"Te paard!" verbeterde Ayrton. "Nog één goed paard is er over. Het is het werk van een dag of vier. Voeg daarbij twee dagen voor den togt van de Duncan naar de baai, vier en twintig uren om in de legerplaats terug te komen, en binnen een week is de bode met de matrozen terug."
De majoor keurde met een hoofdknik het gezegde van Ayrton goed, tot groote verwondering van John Mangles. Maar het voorstel van den bootsman was met algemeene stemmen aangenomen, en alleen de uitvoering ontbrak nog aan dit waarlijk goed beraamde plan.
"En nu, vrienden!" zeide Glenarvan, "moeten wij nog maar onzen bode kiezen. Ik wil niet ontveinzen, dat hij een moeijelijke en gevaarlijke zending zal hebben. Wie zal zich voor zijn reisgenooten opofferen en onze bevelen naar Melbourne overbrengen?"
Wilson, Mulrady, John Mangles, Paganel, zelfs Robert, boden zich terstond aan. John drong er vooral sterk op aan, dat die zending hem zou toevertrouwd worden. Maar Ayrton, die tot nog toe gezwegen had, vatte nu het woord op en zeide:
"Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken. Ik ben met deze streken bekend. Meermalen heb ik moeijelijker gewesten doorkruist. Ik weet mij te redden, waar een ander zou blijven steken. In het algemeen belang eisch ik dus het regt om mij naar Melbourne te begeven. Een enkel woord zal mij bij uw eersten stuurman geloof doen vinden, en ik maak mij sterk de Duncan binnen zes dagen in de Twofold-baai te brengen."
Ayrton: "Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken...."

"Goed gesproken," antwoordde Glenarvan. "Gij zijt een schrander en moedig man, Ayrton! en zult slagen."
De bootsman was buiten kijf geschikter dan iemand anders om die moeijelijke zending te vervullen. Allen begrepen dit en zwegen. John Mangles alleen kwam nog met een tegenwerping voor den dag, zeggende: dat de tegenwoordigheid van Ayrton noodig was om de sporen van de Britannia of van Harry Grant terug te vinden. Maar de majoor merkte aan, dat het gezelschap tot de terugkomst van Ayrton aan de oevers der Sneeuwrivier zou wachten, dat de bedoeling niet was zonder hem die gewigtige nasporingen te hervatten, en dat bij gevolg zijn afwezigheid de belangen van den kapitein volstrekt niet zou benadeelen.
"Welnu, vertrek, Ayrton!" zeide Glenarvan; "haast u en kom over Eden in onze legerplaats aan de Sneeuwrivier terug."
Een glans van tevredenheid schitterde in de oogen van den bootsman. Hij wendde het hoofd om, maar hoe snel die beweging ook plaats had, toch had John Mangles dien glans opgemerkt. Alleen uit instinct voelde John zijn wantrouwen tegen Ayrton toenemen.
De bootsman maakte dan zijn toebereidselen voor zijn vertrek met behulp van de twee matrozen, waarvan de eene voor zijn paard en de ander voor zijn levensmiddelen zorgde. Intusschen schreef Glenarvan den brief voor Tom Austin.
Hij beval den eersten stuurman zich onverwijld naar de Twofold-baai te begeven. Hij beval hem den bootsman aan als iemand, dien hij volkomen kon vertrouwen. Aan de kust gekomen moest Austin een afdeeling der matrozen van het jagt onder bevel van Ayrton stellen....
Zoover was Glenarvan met zijn brief gekomen, toen Mac Nabbs, die hem over zijn schouders las, op een vreemden toon vroeg, hoe hij den naam van Ayrton schreef.
"Wel, zooals hij uitgesproken wordt," antwoordde Glenarvan.
"Dat is verkeerd," hernam de majoor bedaard; "hij wordt Ayrton uitgesproken, maar Ben Joyce geschreven!"
XX.
Zealand aland.
Allen stonden als door den donder getroffen op het hooren van dien naam Ben Joyce. Ayrton had zich plotseling overeind gerigt. In de hand had hij een revolver. Een schot viel. Glenarvan werd door een kogel getroffen. Buiten vielen geweerschoten.
Een schot viel.

John Mangles en de matrozen, van hun verrassing bekomen, wilden Ben Joyce aanvallen; maar de vermetele roover was reeds verdwenen en had zich bij zijne bende gevoegd, die op den zoom van het gombosch verspreid was.
De tent leverde geen voldoende beschutting tegen de kogels op. Men moest terugtrekken. Glenarvan, die slechts ligt gewond was, was weer opgestaan.
"Naar den wagen! naar den wagen!" riep John Mangles, en hij sleepte lady Helena en miss Grant mede, die weldra in veiligheid waren achter de dikke gordijnen.
Daar grepen John, de majoor, Paganel en de matrozen hun karabijnen en hielden zij zich gereed om den rovers tegenstand te bieden. Glenarvan en Robert waren bij de dames gevlugt, terwijl Olbinett zich onder de verdedigers schaarde.
Dit alles was met bliksemsnelheid geschied. John Mangles hield naauwkeurig het oog op den zoom van het bosch. De losbrandingen hadden terstond opgehouden bij de komst van Ben Joyce. Een diepe stilte verving het knetterend geweervuur. Eenige witte rookwolkjes stegen nog omhoog tusschen de takken der gomboomen. De hooge gastrolobium-struiken bleven onbewegelijk. Niets was er te zien, wat een aanval kon doen wachten.
De majoor en John Mangles ondernamen een verkenningstogt tot aan de groote boomen. De plaats was ontruimd. Talrijke voetstappen waren er te zien, en eenige half verteerde proppen rookten op den grond. Als een voorzigtig man trapte de majoor ze uit; want een enkele vonk was genoeg om in dit bosch van drooge boomen een vreeselijken brand te doen ontstaan.
"De roovers zijn weg," zeide John Mangles.
"Ja!" antwoordde de majoor, "en die verdwijning maakt mij ongerust. Ik zag ze liever in het gezigt. Een tijger in het open veld is beter dan een slang onder het gras. Wij zullen de struiken rondom den wagen nog eens onderzoeken."
De majoor en John doorzochten den omtrek. Van den zoom van het bosch af tot aan de oevers der Sneeuwrivier troffen zij geen enkelen roover aan. De bende van Ben Joyce scheen weggevlogen te zijn als een zwerm roofvogels. Die verdwijning was te zonderling om volkomen gerustheid in te boezemen. Daarom besloot men goede wacht te houden. De wagen, een ware in den modder gezakte sterkte, werd het middelpunt der legerplaats, die twee mannen, welke elkander van uur tot uur aflosten, bewaakten.
Het eerste werk van lady Helena en Mary Grant was geweest de wond van Glenarvan te verbinden. Op het oogenblik, dat haar man onder den kogel van Ben Joyce viel, was lady Helena doodelijk ontsteld naar hem toegeloopen. Haar angst bedwingende had vervolgens de moedige vrouw Glenarvan naar den wagen gebragt. Daar werd de schouder van den gekwetste ontbloot, en nu zag de majoor, dat de kogel wel het vleesch opengereten maar geen inwendig letsel veroorzaakt had. Noch het been noch de spieren schenen geraakt. De wond bloedde sterk; maar Glenarvan bewoog de vingers van de hand en den voorarm om zijn vrienden gerust te stellen aangaande de werking van het schot. Toen hij verbonden was, wilde hij niet langer toelaten, dat men zich met hem bezig hield en kwam het tot verklaringen.
Behalve Mulrady en Wilson, die buiten de wacht hielden, hadden de reizigers zich zoo goed en kwaad als het ging in den wagen geplaatst. De majoor werd uitgenoodigd om te spreken.
Voor hij zijn verhaal begon, bragt hij lady Helena op de hoogte van hetgeen haar onbekend was, namelijk van de ontsnapping eener bende veroordeelden uit Perth, van hun verschijning in het gebied van Victoria, van hun medepligtigheid aan de spoorwegramp. Hij gaf haar het nummer der Australische en Nieuw-Zeelandsche courant, dat hij te Seymour had gekocht, en voegde er bij, dat de politie een prijs had gezet op het hoofd van dien Ben Joyce, een geduchten struikroover, wien een misdadige loopbaan van achttien maanden een schandelijke vermaardheid had doen verkrijgen.
Maar hoe had Mac Nabbs dien Ben Joyce in den bootsman Ayrton herkend? Dat was een geheim, dat allen wenschten opgehelderd te zien, en dat de majoor ontsluijerde.
Van hun eerste ontmoeting af had Mac Nabbs Ayrton uit instinct gewantrouwd. Twee of drie bijna niets beduidende voorvallen, een blik tusschen den bootsman en den smid aan de Wimera-rivier gewisseld, de aarzeling van Ayrton om de steden en vlekken door te rijden, zijn aandrang om de Duncan aan de kust te ontbieden, de raadselachtige dood van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren, eindelijk een zeker gemis van vrijmoedigheid in zijn gangen, al die bijkomende omstandigheden hadden de achterdocht van den majoor opgewekt.
Toch zou hij tot geen regtstreeksche aanklagt hebben kunnen overgaan zonder de voorvallen, die den vorigen nacht hadden plaats gehad.
Toen Mac Nabbs tusschen de hooge struiken doorsloop, kwam hij een halve mijl van de legerplaats af in de nabijheid der verdachte schaduwen, die zijn aandacht getrokken hadden. De lichtgevende planten verspreidden een flaauw schijnsel in de duisternis.
Drie mannen zochten naar sporen op den grond en naar indruksels van versche voetstappen, en onder hen herkende Mac Nabbs den hoefsmid van Black-Point. "Zij zijn het," zeide de een.—"Ja," antwoordde de andere, "daar is het klaverblad van de hoefijzers!"—"Het is hetzelfde van de Wimera af."—"Al de paarden zijn dood."—"Het vergift is niet ver weg."—"Er is genoeg om een geheele ruiterij van paarden te berooven."—"Een nuttige plant, die gastrolobium."
Mac Nabbs vervolgde: "Daarna zwegen zij en verwijderden zich. Ik volgde ze: ik wist er niet genoeg van. Weldra begon het gesprek weder: "Een knappe kerel, die Ben Joyce!" zeide de smid, "een mooije bootsman met zijn verzinsel van een schipbreuk! Als zijn plan slaagt is het een mooi buitenkansje! Die duivelsche Ayrton!"—"Noem hem Ben Joyce, want hij verdient zijn naam wel!" Thans verlieten die schurken het gomboomenbosch. Ik wist, wat ik weten wilde, en keerde naar de legerplaats terug, overtuigd, dat niet alle gedeporteerden in Australië brave menschen worden, met het welnemen van Paganel!"
De majoor zweeg. Zijn makkers dachten in stilte na.
"Dus heeft Ayrton," zeide Glenarvan, die bleek werd van toorn, "ons hier heen gelokt om ons te plunderen en te vermoorden!"
"Ja," antwoordde de majoor.
"En van de Wimera af volgt zijn bende ons spoor en bespiedt ons om een gunstige gelegenheid af te wachten?"
"Ja."
"Maar dan is die ellendeling geen matroos van de Britannia? Dan heeft hij zijn naam Ayrton gestolen, ook gestolen zijn aanstelling aan boord?"
Allen zagen naar Mac Nabbs, die deze vragen zeker reeds aan zichzelven had voorgelegd.
"Ziehier," antwoordde hij even bedaard als altijd, "wat men met zekerheid uit deze duistere zaak kan afleiden. Ik houd het er voor, dat die man wezenlijk Ayrton heet. Ben Joyce is zijn bijnaam. Het is ontegenzeggelijk, dat hij Harry Grant kent en dat hij bootsman op de Britannia geweest is. Die feiten, reeds bewezen door de naauwkeurige inlichtingen, welke Ayrton ons heeft gegeven, worden bovendien bevestigd door de gezegden der roovers, die ik u mededeelde. Laten wij ons dus niet in met ijdele gissingen en houden wij het voor zeker, dat Ben Joyce Ayrton en Ayrton Ben Joyce is, dat wil zeggen een matroos van de Britannia, die een rooverhoofdman is geworden."
Allen berustten in de verklaringen van Mac Nabbs.
"En kunt gij mij nu ook zeggen," vroeg Glenarvan, "hoe en waarom de bootsman van Harry Grant zich in Australië bevindt?"
"Hoe? dat weet ik niet," antwoordde Mac Nabbs, "en de politie verklaart er even weinig van te weten als ik. Waarom? dat kan ik onmogelijk zeggen. Daar schuilt een geheim achter, dat de toekomst zal ophelderen."
"De politie weet zelfs niet eens, dat Ayrton en Ben Joyce dezelfde persoon is," zeide John Mangles.
"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde de majoor, "en zulk een bijzonderheid zou haar nasporingen veel gemakkelijker kunnen maken."
"Dan had die ongelukkige," meende lady Helena, "zich met een misdadig doel op de hoeve van Paddy O'Moore ingedrongen?"
"Dat is vrij zeker," antwoordde Mac Nabbs. "Hij had het een of ander slecht plan met den Ier, toen zich een beter gelegenheid voor hem opdeed. Het toeval heeft ons bij hem gebragt. Hij heeft het verhaal van Glenarvan gehoord, de geschiedenis van de schipbreuk, en als een vermetel man heeft hij terstond het voornemen opgevat om er zijn voordeel mede te doen. De reis werd aanvaard. Aan de Wimera heeft hij gemeenschap gehad met een der zijnen, den smid van Black-Point, en duidelijke sporen van onzen weg achtergelaten. Zijn bende is ons gevolgd. Een vergiftige plant heeft hem in staat gesteld langzaam onze ossen en paarden te dooden. Toen de tijd daar was, heeft hij ons vervolgens in de moerassen der Sneeuw-rivier doen wegzinken en aan de roovers onder zijn bevel in handen gespeeld."
Alles was van Ben Joyce gezegd. Zijn verleden was door den majoor ontsluijerd en de ellendeling verscheen in zijn ware gedaante, die van een vermetel en geducht misdadiger. Nu zijn bedoelingen duidelijk waren geworden, werd er van Glenarvan een buitengewone waakzaamheid geëischt. Gelukkig was er minder te vreezen van den ontmaskerden bandiet dan van den verrader.
Maar uit dien zuiver gestelden toestand volgde een ernstig bezwaar, waaraan nog niemand gedacht had. Alleen Mary Grant had onder het gesprek over het verledene een blik op de toekomst geslagen.
John Mangles was de eerste, die haar bleekheid en wanhoop opmerkte. Hij begreep, wat er in haar binnenste omging.
"Miss Mary! miss Mary! Weent gij?" riep hij uit
"Weent gij, mijn kind?" vroeg lady Helena.
"Mijn vader, mevrouw! mijn vader!" nokte het meisje.
Zij kon niet meer spreken. Maar een lichtstraal viel plotseling in ieders gemoed. Men begreep de smart van miss Mary, waarom de tranen langs haar wangen biggelden, waarom de naam haars vaders op haar lippen zweefde.
De ontdekking van Ayrtons verraad verijdelde alle hoop. Om Glenarvan te misleiden had de roover een schipbreuk verzonnen. In het door Mac Nabbs afgeluisterde gesprek hadden de roovers het duidelijk gezegd. Nooit was de Britannia verbrijzeld op de rotsen der Twofold-baai! Nooit had Harry Grant een voet gezet op het vastland van Australië!