← Table of contents
De kinderen van Kapitein Grant, tweede deel (van 3)

JULES VERNE. (continued 2)

Reading edition

Intusschen liep de Duncan onder haar stormfok met ontzettende vaart op de kust aan. Weldra was ze nog maar twee mijlen van den buitenrand der baai. Toch meende John aan gene zijde van dien schuimenden rand een bedaarder bekken te ontwaren. Daar zou de Duncan betrekkelijk veilig geweest zijn. Maar hoe daar te komen?

John liet zijn passagiers op het dek komen; hij wilde niet, dat zij, nu de schipbreuk ophanden was, in de kampanje opgesloten zouden blijven. Glenarvan en zijne reisgenooten lieten het oog over de verbolgen zee gaan. Mary Grant verbleekte.

"John!" fluisterde Glenarvan den jeugdigen kapitein in, "ik zal pogen mijn vrouw te redden of met haar omkomen. Zorg gij voor miss Grant."

"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, terwijl hij de hand van den lord aan zijn vochtige oogen bragt.

De Duncan was nog maar eenige kabellengten van den voet der banken af. Daar het juist vloed was, zou de zee ongetwijfeld genoeg water onder de kiel van het jagt hebben gelaten om het over die gevaarlijke ondiepte heen te tillen. Maar de hemelhooge golven, het zoo beurtelings opligtende en wegvloeijende, zouden het onfeilbaar met het achtereind op den grond doen stooten. Bestond er dan geen middel om de beweging dier baren te verminderen, het over elkander glijden harer vloeibare deeltjes gemakkelijk te maken, in een woord om die onstuimige zee te doen bedaren?

Daar viel John Mangles nog een laatste gedachte in.

"De traan!" riep hij; "kinderen! giet traan! giet traan!"

Al het scheepsvolk begreep terstond wat hij wilde. Hij wilde een middel beproeven, dat soms slaagt; de woede der golven bedaart, als men ze met een laag olie bedekt; die laag drijft boven en vernietigt den schok van het water, dat ze glad maakt. Het middel werkt onmiddellijk, maar kort; zoodra een schip die kunstmatige zee achter zich heeft, verdubbelt haar woede, en ongelukkig het vaartuig, dat het volgen wil![4].

De vaten met den voorraad robbentraan werden door de matrozen, wier krachten het gevaar verhonderdvoudigde, op de voorplecht geheschen; daar werden zij met bijlen stukgeslagen en aan stuur- en bakboord boven de verschansing opgehangen.

"Houdt ze goed vast!" riep John Mangles, die het gunstige oogenblik afwachtte.

In twintig seconden was het jagt aan den ingang van het vaarwater, dat door een brullenden voorvloed werd versperd. Nu was het tijd om te handelen.

"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.

De vaten werden omgekanteld, en stroomen traan vloeiden er uit. Oogenblikkelijk maakte de olielaag de schuimende oppervlakte der zee om zoo te zeggen effen. De Duncan vloog over het stille water, en was weldra in een rustig bekken, aan gene zijde der geduchte banken, terwijl de oceaan, van zijn boeijen ontslagen, achter haar met onbeschrijfelijke woede raasde.

"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.

"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.
"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.

VI.

Kaap Bernouilli.

Het eerste werk van John Mangles was zijn schip stevig voor twee ankers te leggen. Hij ankerde op vijf vademen water. De grond was goed en bestond uit hard keizand, waarin het anker goed vasthield. Derhalve behoefde hij niet te vreezen, dat het schip doordrijven of bij laag water op het strand raken zou. Na zooveel uren achtereen in dreigende gevaren verkeerd te hebben, lag de Duncan thans in een soort van kreek, die door een hooge cirkelvormige landspits tegen de zeewinden beschut was.

Lord Glenarvan had den jeugdigen kapitein de hand gedrukt met de woorden: "John! ik dank u!"

En John gevoelde zich rijkelijk door die eenvoudige woorden beloond. Glenarvan hield het geheim van den angst, dien hij uitgestaan had, in zijn boezem besloten, en lady Helena noch miss Grant, zelfs Robert niet, gisten aan welke vreeselijke gevaren zij ontkomen waren.

Een zeer gewigtige zaak moest nog opgehelderd worden. Op welk punt van de kust had die ontzettende storm de Duncan geworpen? Waar zou ze weer op den regten weg komen? Hoever ten zuidwesten lag kaap Bernouilli wel van hen af? Dat waren de eerste vragen, die John Mangles gedaan werden. Deze nam terstond hoogte, en teekende zijn waarnemingen op de scheepskaart aan.

Daaruit bleek, dat de Duncan niet heel veel uit haar koers was geslagen: naauwelijks twee graden. Zij lag op 136°12' lengte en 35°7' breedte, bij kaap Onheil, een der landpunten van Zuid-Australië, drie honderd mijlen van kaap Bernouilli af.

Kaap Onheil, een onheilspellende naam! ligt tegenover kaap Borda, door een voorgebergte van het Kangoeroe-eiland gevormd. Tusschen die twee kapen ligt de ingang der Investigator-straat, die naar twee vrij diepe golven voert, waarvan de noordelijke de Spencer-golf, de zuidelijke de golf van St. Vincent heet. Op de oostkust dezer laatste is de haven van Adelaïde gegraven, de hoofdplaats der provincie Zuid-Australië. Deze stad, in 1836 gesticht, telt veertig duizend inwoners, en levert tamelijk voldoende hulpmiddelen op. Maar zij houdt zich meer bezig met het bebouwen van den vruchtbaren bodem, het aankweeken van druiven en oranje-appelen, en met landbouw ondernemingen dan met groote fabrieken. Haar bevolking telt minder fabriekanten dan landbouwers, en heeft weinig op met handelszaken of ambachten en kunsten.

Kon de Duncan haar averij hier herstellen? Dit moest uitgemaakt worden. John Mangles wilde weten hoe de zaken stonden. Hij liet onder den achtersteven van het jagt duiken; de duikers berigtten hem, dat een der bladen van de schroef omgebogen was en tegen den achtersteven aanzat: daaruit vloeide voort, dat zij onmogelijk kon omdraaijen. Die averij werd zoo belangrijk geoordeeld, dat het herstel werktuigen zou vorderen, die te Adelaïde niet te vinden zouden zijn.

Na rijp overleg namen Glenarvan en kapitein John het volgende besluit: de Duncan zou de australiscbe kust langs zeilen en tevens de Britannia opsporen; zij zou bij kaap Bernouilli aanleggen, waar men de laatste inlichtingen zou inwinnen, en van daar zuidwaarts tot Melbourne stevenen, waar de geledene schade gemakkelijk hersteld kon worden. Zoodra de schroef weer in orde was, zou de Duncan op de oostkust gaan kruisen om haar nasporingen te eindigen.

Dit voorstel werd goedgekeurd. John Mangles besloot van den eersten gunstigen wind gebruik te maken om onder zeil te gaan. Deze liet zich niet lang wachten. Tegen den avond was de orkaan geheel bedaard. Een vaarbare zuidweste-wind verving hem. De noodige maatregelen werden genomen om zee te kunnen bouwen. Nieuwe zeilen werden aangeslagen. 's Morgens ten vier ure liepen de matrozen in het spil. Weldra stond het anker loodregt, het slipte, en onder haar fokkezeil, haar marszeil, haar bramzeil, haar kluivers, haar groote bezaan en haar driehoekzeil, zeilde de Duncan met stuurboordshalzen scherp bij den wind langs de australiscbe kust.

Twee uren later verloor men kaap Onheil uit het oog, en bevond men zich dwars voor de Investigator-straat. 's Avonds zeilden ze om kaap Borda, en stevende men op eenige kabelslengten afstand voorbij het Kangoeroe-eiland. Dit is het grootste der australiscbe eilandjes en dient tot schuilplaats voor de ontvlugte gedeporteerden. Het had een uitlokkend voorkomen; onmetelijke grastapijten bedekten de vlotgebergten langs de kusten. Evenals ten tijde der ontdekking, in 1802, zag men tallooze kudden kangoeroes door de bosschen en over de vlakten huppelen. 's Anderendaags, terwijl de Duncan in den wind opwerkte, werden de sloepen aan land gezonden met last om den kustzoom te onderzoeken. Van zes en dertig tot acht en dertig graden breedte wilde Glenarvan geen punt ondoorzocht laten.

De sloepen werden aan land gezonden....

De sloepen werden aan land gezonden....
De sloepen werden aan land gezonden....

Den 18den December liep het jagt, dat als ware het een clipper met volle zeilen bij den wind voer, zeer digt langs den oever der Encounter-baai. Daar kwam in 1828 de reiziger Sturt, nadat hij de Murray, de grootste rivier van Zuid-Australië ontdekt had, aan. Het waren niet meer de lagchende oevers van het Kangoeroe-eiland, maar dorre heuvels, die van tijd tot tijd de eentoonigheid van een vlakke en ingekorven kust afbraken, hier en daar een graauwe steile rots, of voorgebergten van zand, kortom al de naaktheid van een poolland.

Op dien togt hadden de booten een moeijelijk werk. De zeelieden klaagden er echter niet over. Meestal werden zij door Glenarvan, diens onafscheidelijken Paganel en den jongen Robert vergezeld. Met eigene oogen wilden zij eenig overblijfsel van de Britannia opzoeken. Maar dat naauwlettend onderzoek bragt niets van de schipbreuk aan het licht. De australische oevers vertelden dienaangaande evenmin iets als Patagonië. Intusschen mogt men niet alle hoop opgeven, zoolang het juiste punt, dat het document aangaf, niet bereikt was. Dat men zoo handelde, was alleen uit overmaat van voorzigtigheid, en om niets aan het toeval over te laten. 's Nachts braste de Duncan op, om zooveel mogelijk op dezelfde plaats te blijven, en overdag werd de kust zorgvuldig onderzocht.

Zoo kwam men den 20sten December voor kaap Bernouilli, het uiteinde der Lacépède-baai, zonder het geringste overblijfsel van het wrak gevonden te hebben. Maar die vergeefsche nasporingen bewezen niets tegen den kapitein der Britannia. Want in de twee jaren, die na de ramp waren verloopen, kon het niet anders of de zee moest het overschot van den driemaster verstrooid, vernield en van de klip gescheurd hebben. Ook moesten de inboorlingen, die de schipbreuken ruiken gelijk een gier een lijk ruikt, het geringste overschot opgezameld hebben. En Harry Grant en zijn beide lotgenooten, gevangen genomen op het oogenblik, dat de golven hen op de kust wierpen, waren ongetwijfeld tot diep in het binnenland meegesleept.

Maar dan verviel ook een van de schrandere gissingen van Jacques Paganel. Zoo lang er sprake was van het argentijnsche gebied, kon de aardrijkskundige met volle regt beweren, dat de cijfers van het document betrekking hadden, niet op het tooneel van de schipbreuk maar op de plaats der gevangenschap. De groote stroomen der Pampa, hun talrijke zijtakken immers waren daar om het kostbare document naar zee te voeren. Hier integendeel, in dit gedeelte van Australië, zijn maar weinig stroomen, die de zeven en dertigste parallel snijden; bovendien vloeijen de Rio-Colorado, de Rio-Negro door woeste, onbewoonbare en onbewoonde kusten naar zee, terwijl de hoofdrivieren van Australië, de Murray, de Yarra, de Torrens, de Darling, òf in elkander, òf in den Oceaan vallen met monden, die druk bezochte reeden en havens geworden zijn, die een levendige scheepvaart drijven. Hoe onwaarschijnlijk was het dus niet, dat een brooze flesch met den stroom zulke druk bevaren rivieren had kunnen afdrijven en den Indischen oceaan bereiken?

Die onmogelijkheid kon aan geen schrandere koppen ontgaan. De stelling van Paganel, die in Patagonië, in de argentijnsche provinciën aannemelijk was, zou dus in Australië onhoudbaar geweest zijn. Paganel gaf dit toe in een gesprek, dat hierover door majoor Mac Nabbs werd aangeknoopt. Het werd stellig zeker, dat de graden in het document vermeld, alleen betrekking hadden op de plaats der schipbreuk, en dat bij gevolg de flesch in zee geworpen was ter plaatse, waar de Britannia verging, op de westkust van Australië.

En toch sloot, zooals Glenarvan teregt opmerkte, deze laatste uitlegging de gissing niet uit, dat kapitein Grant gevangen was. En liet deze het ook niet in zijn document doorschemeren in deze belangrijke woorden: "waar zij gevangenen zullen zijn van wreede inboorlingen?" Maar er bestond geen enkele reden meer om de gevangenen liever op de zeven en dertigste parallel dan op een andere te zoeken.

Nadat deze vraag lang besproken en ten laatste aldus opgelost was, kwam men tot het volgende besluit: indien er bij kaap Bernouilli geen spoor van de Britannia te vinden was, zat er voor lord Glenarvan niets anders op, dan naar Europa terug te keeren. Zijn nasporingen zouden vruchteloos geweest zijn; maar hij had zijn pligt moedig en naauwgezet betracht.

Niettemin werden de passagiers van het jagt er zeer door bedroefd, en Mary en Robert Grant sloegen tot wanhoop over. Toen zij met lord en lady Glenarvan, John Mangles, Mac Nabbs en Paganel aan land gingen, zeiden de beide kinderen van den kapitein tot elkander, dat de vraag of hun vader gered zou worden, thans onherroepelijk beslist zou worden. Onherroepelijk mag men wel zeggen; want Paganel had in een vroeger gesprek onwederlegbaar bewezen, dat de schipbreukelingen reeds sedert lang in het vaderland terug zouden geweest zijn, indien hun vaartuig op de klippen der oostkust was vergaan.

"Houd moed! houd moed! houd altijd moed!" herhaalde lady Helena telkens aan het meisje, dat in het bootje, waarmede zij aan land gingen, naast haar zat. "Gods hand zal ons niet loslaten!"

"Ja, miss Mary!" sprak kapitein John, "wanneer de mensch alle menschelijke hulpmiddelen heeft uitgeput, komt de Hemel tusschen beiden en opent hem, door een onvoorzien voorval, nieuwe wegen."

"God verhoore uw wensch, mijnheer John!" antwoordde Mary Grant.

De oever was nog maar een kabellengte ver; de kaap, die twee mijlen ver in zee vooruitstak, liep hier in vrij zachte hellingen uit. Het bootje voer een kleine door de natuur gevormde kreek binnen, tusschen nog aangroeijende koraalbanken, die na verloop van tijd een gordel van riffen op de zuidkust van Australië zullen vormen. Zooals zij daar lagen, waren zij reeds in staat om de kiel van een schip te vernielen, en de Britannia kon daar ligt met man en muis zijn vergaan.

Zonder moeite landden de passagiers van de Duncan op een geheel woeste kust. Steile vlotgebergten vormden een kustlijn ter hoogte van zestig tot tachtig voet. Het zou bezwaarlijk gegaan zijn om zonder ladders of haken die natuurlijke gordijn te beklauteren. Gelukkig ontdekte John Mangles zeer van pas een bres, die een halve mijl zuidelijker door een gedeeltelijke instorting der steilte teweeg gebragt was. Gedurende de hevige voor- en najaarsstormen beukte de zee ongetwijfeld dien wal van brossen tufsteen, en veroorzaakte zoo den val der hoogere gedeelten van het vaste gesteente.

Glenarvan en zijn reisgenooten drongen in de loopgraaf, en kwamen langs een vrij steile helling op den top der rots. Als een jonge kat klauterde Robert tegen een bijna loodregten rotswand op, en kwam zoo het eerst op den hoogsten kam, tot groot verdriet van Paganel, die zich schaamde, omdat zijn groote beenen van veertig jaar overwonnen werden door kleine van twaalf. Toch was hij den bedaarden majoor, die zich volstrekt niet haastte, ver vooruit.

Zoodra het gezelschap bijeen was, onderzocht men de vlakte, die zich voor hun oog uitbreidde. Het was een uitgestrekte, onbebouwde streek, met struikgewas en kreupelhout, een onvruchtbaar gewest, dat Glenarvan vergeleek met de dalen der lage landen van Schotland en Paganel met de onvruchtbare heidevelden van Bretagne. Maar, scheen die streek al langs de kust onbewoond, in de verte bleek de tegenwoordigheid van den mensch, niet van den wilde, maar van den arbeider, uit eenige gebouwen met een goed voorkomen.

"Een molen!" riep Robert.

En inderdaad, drie mijlen voor hen uit draaiden de wieken van een molen.

"Ja, het is een molen," sprak Paganel, die zijn kostelijken verrekijker op het aangewezen voorwerp gerigt had. "Het is een klein, even nederig als nuttig gedenkteeken, welks gezigt mijn oog verrukt."

"Het lijkt haast een kerktoren," zeide lady Helena.

"Ja, mevrouw! en maalt de een het brood voor het ligchaam, de andere maalt het brood voor de ziel. Uit dit oogpunt bezien, gelijken zij ook op elkander."

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan. Men ging op weg. Na een half uur loopens zag de grond, door de hand des menschen bewerkt, er geheel anders uit, de overgang van het onvruchtbare land tot het bebouwde veld was plotseling. In plaats van kreupelhout omringden groene hagen een pas ontgonnen stuk gronds; eenige runderen en een half dozijn paarden graasden in de weiden, die omsloten waren door prachtige acacia's, welke uit de groote boomkweekerijen van het Kangoeroe-eiland gehaald waren. Allengs vertoonden zich akkers met graan bedekt, eenige roeden gronds met gele korenaren bezaaid, eenige hooischelven, als groote bijenkorven overeind gezet, boomgaarden met een frissche omheining, een schoone tuin, Horatius waardig, waarin het aangename met het nuttige vermengd was, vervolgens lootsen en behoorlijk ingerigte woningen voor de dienstboden en ten laatste een eenvoudig en geriefelijk huis, waarboven de aardige molen met zijn spitse kap uitstak, die door de vlugtige schaduw zijner groote wieken werd geliefkoosd.

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan.

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan.
"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan.

Op het geblaf van vier groote honden, die de komst der vreemdelingen meldden, trad thans een man van een vijftig jaar met een vriendelijk voorkomen uit het hoofdgebouw. Vijf flinke en sterke jongens, zijn zoons, volgden hem met hun moeder, een groote en stevige vrouw. Vergissing was hier niet mogelijk: die man, door zijn wakker gezin omringd, in het midden van dien nog nieuwen aanleg, in dit bijna maagdelijk gewest, was het volmaakte beeld van den ierschen kolonist, die om de armoede in zijn land te ontgaan fortuin en geluk aan gene zijde der zee is gaan zoeken.

Glenarvan en de zijnen hadden zich nog niet voorgesteld, zij hadden nog geen tijd gehad om hun naam en betrekking op te geven, toen zij reeds met deze hartelijke woorden begroet werden:

"Vreemdelingen! weest welkom in het huis van Paddy O'Moore."

"Zijt gij een Ier?" vroeg Glenarvan, de hand drukkende, die de kolonist hem toestak.

"Ik ben het geweest," antwoordde Paddy O'Moore; "thans ben ik een Australiër. Komt binnen, wie gij ook moogt zijn, heeren! en beschouwt dit huis als het uwe."

Die gulle uitnoodiging werd natuurlijk zonder pligtplegingen aangenomen. Lady Helena en Mary Grant volgden mistress O'Moore naar binnen, terwijl de zoons van den kolonist de bezoekers van hun wapens ontlastten.

Een luchtige en heldere zaal besloeg de benedenverdieping van het huis, dat van sterke op elkander gestapelde balken gebouwd was. Eenige houten banken aan de met heldere kleuren beschilderde wanden vastgespijkerd, een tiental schabellen, twee eikenhouten kisten, waarop wit aardewerk en blinkende tinnen kannen pronkten, een breede en lange tafel, waaraan twintig gasten met gemak konden zitten, maakten het huisraad uit, dat volkomen overeenstemde met het stevige gebouw en de sterke bewoners.

Het middageten stond op tafel. De soepkom dampte tusschen het ossengebraad en den schapenbout, omringd door groote schotels olijven, druiven en oranje-appelen; het noodige was voorhanden en het overtollige werd niet gemist. De gastheer en zijn vrouw noodigden zoo dringend, de tafel zag er zoo uitlokkend uit, was zoo groot en zoo rijkelijk voorzien, dat het onbetamelijk zou geweest zijn niet aan te zitten. Reeds kwamen de knechts, de gelijken van hun baas, deelnemen aan den maaltijd. Paddy O'Moore wees den vreemdelingen met de hand de eereplaats aan.

"Ik wachtte u," zeide hij op een eenvoudigen toon tot lord Glenarvan.

"Gij?" antwoordde deze zeer verrast.

"Ik wacht altijd degenen, die komen," antwoordde de Ier.

Vervolgens deed hij op ernstigen toon, terwijl zijn gezin en de dienstboden eerbiedig staan bleven, het katholieke gebed vóór den eten. Lady Helena was diep geroerd door zulk een volmaakten eenvoud van zeden, en een blik van haar man gaf haar te kennen, dat hij het evenzeer bewonderde als zij.

Men deed de tafel eer aan. Het gesprek werd overal zeer levendig. Tusschen een Schot en een Ier is de kennis spoedig gemaakt. De Clyde[1], die maar eenige voeten breed is, delft een dieper gracht tusschen Schotland en Engeland, dan het twintig uren breede Noorder-kanaal, dat het oude Caledonië van het groene Erin scheidt. O'Moore vertelde zijn geschiedenis. Het was die van al de landverhuizers, welke het gebrek uit hun land jaagt. Velen komen in verre streken fortuin zoeken, die slechts misrekeningen en rampen vinden. Zij beschuldigen het lot, maar vergeten de schuld te geven aan hun onverstand, hun traagheid en hun ondeugden. Wie matig en moedig, spaarzaam en braaf is, dien gaat het goed.

Zoo ook met Paddy O'Moore. Hij verliet Dundalk, waar hij van honger stierf, trok met zijn gezin naar Australië, versmaadde het werk van den goudgraver voor de minder onzekere vermoeijenissen van den landman, kwam te Adelaïde aan wal, en begon twee maanden later zijn ontginning, die thans zulke heerlijke vruchten afwierp.

Het geheele gebied van Zuid-Australië is in stukken verdeeld, die elk tachtig acres [2] groot zijn. Die verschillende stukken worden door de regeering aan de kolonisten afgestaan, en op ieder stuk kan een vlijtig landman in zijn onderhoud voorzien en een zuiver bedrag van tachtig pond sterling[3] uit zijn overwinst besparen.

Dat wist Paddy O'Moore. Zijn kennis van den landbouw kwam hem zeer te stade. Hij leefde, hij spaarde, hij kreeg nieuwe stukken uit de overwinst van het eerste. Het ging goed met zijn gezin en zijn onderneming. De Iersche boer werd grondeigenaar, en hoewel hij er nog geen twee jaar was, bezat hij reeds vijf honderd acres grond, die door zijn zorgen vruchtbaar gemaakt waren, en vijf honderd stuks vee. Hij was zijn eigen meester, na de slaaf der Europeërs geweest te zijn, en zoo onafhankelijk als men slechts in het meest vrije land der wereld kan zijn.

Zijn gasten beantwoordden dit verhaal van den Ierschen landverhuizer met opregte en welgemeende gelukwenschingen. Paddy O'Moore wachtte zeker, toen zijn verhaal uit was, dat zijn openhartigheid met gelijke vertrouwelijkheid beantwoord zou worden, maar hij lokte ze niet uit. Hij was een van die bescheidene menschen, die zeggen: Nu weet gij, wie ik ben, maar ik vraag u niet, wie gij zijt. Glenarvan had er ook regtstreeksch belang bij om over de Duncan, over zijn tegenwoordigheid aan kaap Bernouilli, en over de nasporingen, die hij met stalen volharding voortzette, te spreken. Maar als iemand, die regt op zijn doel afgaat, ondervroeg hij eerst Paddy O'Moore betreffende de schipbreuk der Britannia.

Het antwoord van den Ier was niet gunstig. Hij had nooit van dat schip hooren spreken. Sedert twee jaren was er geen schip op de kust vergaan, noch boven noch beneden de kaap. Die ramp nu was eerst vóór twee jaren gebeurd. Hij kon dus op de stelligste wijze verzekeren, dat de schipbreukelingen niet op dit gedeelte der westkust geworpen waren.

"En nu, mylord!" voegde hij er bij, "zou ik wel willen weten welk belang gij er bij hebt om mij die vraag te doen?"

Nu vertelde Glenarvan den kolonist de geheele geschiedenis van het document, de reis van het jagt, de pogingen reeds aangewend om kapitein Grant terug te vinden; hij verzweeg niet, dat zijn vurigste hoop vernietigd werd door zulke stellige verzekeringen, en dat hij wanhoopte, ooit de schipbreukelingen der Britannia terug te vinden.

Zulk een gezegde moest een smartelijken indruk teweegbrengen op de hoorders van Glenarvan. Robert en Mary luisterden in tranen zwemmende toe, Paganel vond geen woord om hen te troosten en hun moed in te boezemen. John Mangles leed onuitsprekelijk. Reeds maakte de wanhoop zich meester van de ziel dier wakkere mannen, welke de Duncan te vergeefs naar die verre stranden gevoerd had, toen deze woorden klonken:

"Mylord! loof en dank God! Wanneer kapitein Grant nog leeft, leeft hij hier in Australië!"

VII.

Ayrton.

Onbeschrijfelijk was de verbazing, door deze woorden gewekt. Glenarvan was ijlings opgerezen en riep, terwijl hij zijn zitplaats op zijde schoof: "wie spreekt daar?"

"Ik," antwoordde een der knechts van Paddy O'Moore, die aan het lagereind der tafel zat.

"Gij, Ayrton!" zeide de kolonist, niet minder verbaasd dan Glenarvan.

"Ik!" herhaalde Ayrton, met aangedane doch vaste stem "ik, een Schot, gelijk gij, mylord! ik, een van de schipbreukelingen der Britannia!"

Deze verklaring bragt een onbeschrijfelijke uitwerking teweeg. Mary Grant, die bijna stierf half van ontroering, maar ditmaal ook half van geluk, zonk in de armen van lady Helena. John Mangles, Robert, Paganel stonden van hun plaats op en liepen naar den man, dien Paddy O'Moore Ayrton genoemd had.

Het was iemand van vijf en veertig jaar, met een ruw uiterlijk en een fonkelend oog, dat bijna verborgen werd door de zware wenkbraauwen. Zijn kracht was zeker buitengemeen, ondanks de magerheid van zijn ligchaam. Hij was grof gebouwd en sterk gespierd, en volgens een schotsche uitdrukking verbeuzelde hij zijn tijd niet met zich vet te mesten. Een middelmatige gestalte, breede schouders, een vaste gang, een gelaat, waarop schranderheid en geestkracht te lezen stonden, ofschoon de trekken grof waren, dit alles nam de aanwezigen gunstig voor hem in. De belangstelling, die hij inboezemde, werd nog vergroot door de versche sporen van uitgestaan lijden, die zijn gezigt vertoonde. Men zag dat hij veel geleden had, ofschoon hij wel de man er naar scheen te wezen, die lijden kon verdragen, trotseeren en overwinnen.

Het was iemand van vijf en veertig jaar,...

Het was iemand van vijf en veertig jaar,...
Het was iemand van vijf en veertig jaar,...

Glenarvan en zijn vrienden hadden dit bij den eersten oogopslag gevoeld. De persoonlijkheid van Ayrton maakte onmiddellijk een sterken indruk. Glenarvan, zich tot aller tolk makende, overstelpte hem met vragen, die Ayrton beantwoordde. De ontmoeting van Glenarvan en Ayrton had bij beiden, het was duidelijk, een wederzijdsche aandoening opgewekt.

Vandaar dat Glenarvan's eerste vragen zonder orde en als het ware onwillekeurig van zijn lippen vloeiden.

"Zijt gij een van de schipbreukelingen der Britannia?" vroeg hij.

"Ja, mylord, de bootsman van kapitein Grant," antwoordde Ayrton.

"Met hem na de schipbreuk gered?"

"Neen, mylord! neen! Op dat verschrikkelijk oogenblik werd ik van hem gescheiden, van het dek geslingerd, op de kust geworpen."

"Dus zijt gij niet een der beide matrozen, waarvan het document spreekt?"

"Neen. Ik wist niets van het bestaan van dat document. De kapitein heeft het in zee geworpen, toen ik niet meer aan boord was."

"Maar de kapitein, de kapitein!"

"Ik dacht, dat hij verdronken, verdwenen, met de geheele bemanning der Britannia te gronde gegaan was. Ik meende, dat ik alleen die ramp overleefd had."

"Maar gij hebt gezegd, dat kapitein Grant in leven was!"

"Neen. Ik heb gezegd: indien de kapitein leeft...."

"Gij hebt er bijgevoegd: dan is hij hier op het vastland van Australië."

"Hij kan nergens anders zijn."

"Weet gij dan niet, waar hij is?"

"Neen, mylord ik zeg u nog eens, ik meende, dat hij in de golven begraven of tegen de rotsen verbrijzeld was. Door u hoor ik eerst, dat hij misschien nog leeft."

"Door mij? maar wat weet gij dan toch?" vroeg Glenarvan gejaagd.

"Niets anders dan dit: indien kapitein Grant in leven is, is hij in Australië."

"Waar heeft de schipbreuk dan plaats gehad?" vroeg nu majoor Mac Nabbs.

Dit had de eerste vraag moeten zijn; maar in de verwarring door dit voorval teweeggebragt, had Glenarvan, die vóór alles weten wilde, waar kapitein Grant zich bevond, niet gevraagd naar de plaats, waar de Britannia vergaan was. Het gesprek, dat tot nu toe onbepaald en onzamenhangend geweest was, van den hak op den tak sprong, de onderwerpen vlugtig aanroerde zonder ze geheel te doorgronden, de feiten dooreenhaspelde, de datums verschikte, nam nu een betere wending, en weldra stonden al de bijzonderheden dezer duistere geschiedenis den hoorders duidelijk voor den geest.

Op de vraag door Mac Nabbs gedaan, antwoordde Ayrton in dezer voege:

"Toen ik van de voorplecht werd geslingerd, waar ik den vliegenden kluiver naar beneden haalde, liep de Britannia op de australische kust aan. Zij was er nog geen twee kabellengten van af. De schipbreuk heeft dus op diezelfde plek plaats gehad."

"Op zeven en dertig graden breedte?" vroeg John Mangles.

"Op zeven en dertig graden," antwoordde Ayrton. "Op de westkust?"

"Wel neen! Op de oostkust," gaf de bootsman haastig ten antwoord.

"En wanneer?"

"In den nacht van den 27sten Junij 1862."

"Zoo is het! zoo is het!" riep Glenarvan.

"Dus ziet gij wel, mylord!" voegde Ayrton er bij, "dat ik met regt mogt zeggen: indien kapitein Grant nog leeft, moet gij hem op het vastland van Australië zoeken, en nergens anders."

"En wij zullen hem zoeken, en hem vinden, en hem redden, mijn vriend!" riep Paganel. "Ach! kostbaar document!" voegde hij er hoogst naïf bij, "men moet zeggen, dat gij in handen van heel slimme menschen gevallen zijt."

Er was zeker niemand, die de vleijende woorden van Paganel verstond. Glenarvan en lady Helena, Mary en Robert stonden om Ayrton heen. Allen drukten hem de hand. Het scheen, alsof de tegenwoordigheid van dien man een zeker onderpand was van de redding van Harry Grant. Was de matroos aan de gevaren der schipbreuk ontkomen, waarom zou dan de kapitein niet evengoed ongedeerd aan het onheil ontsnapt zijn? Ayrton herhaalde telkens, dat kapitein Grant ongetwijfeld in leven was, evenals bij zelf. Waar? dat kon hij niet zeggen, maar zeker op dit vastland. Op de duizend vragen, waarmee hij bestormd werd, antwoordde hij met groote kennis van zaken en beknoptheid. Terwijl hij sprak, hield miss Mary zijn hand in de hare. Hij was een reisgenoot haars vaders, die matroos, een der zeelieden van de Britannia! Hij had Harry Grant vergezeld, met hem de zee bevaren, dezelfde gevaren getart! Mary kon haar oog van dat ruwe gelaat niet afwenden, en weende van geluk.

Nog was het niemand in de gedachte gekomen om de waarheidsliefde en identiteit van den bootsman te betwijfelen. De majoor en misschien ook John Mangles, die niet zoo ligtgeloovig waren, waren de eenigen die zich afvroegen, of de woorden van Ayrton wel volkomen vertrouwen verdienden. Zijn onverwachte ontmoeting kon aanleiding geven tot twijfel, zooal niet tot eenige achterdocht. Zeker had Ayrton overeenstemmende feiten en datums en treffende bijzonderheden opgegeven. Maar hoe naauwkeurig de omstandigheden ook zijn, zij maken nog geen zekerheid uit, en doorgaans, de ondervinding leert het, verschuilt zich de leugen achter de opgave van de geringste bijzonderheden. Mac Nabbs hield dus zijn meening voor zich en liet zich voor noch tegen uit.

De twijfelingen van Mac Nabbs waren niet lang bestand tegen de woorden van den zeeman, en hij hield hem inderdaad voor een reisgenoot van kapitein Grant, toen hij gehoord had, hoe deze tot het jonge meisje over haar vader sprak. Ayrton kende Mary en Robert opperbest. Hij had ze te Glasgow gezien bij de afvaart der Britannia. Hij herinnerde hun, hoe ze tegenwoordig waren geweest bij het afscheidsmaal, dat de kapitein zijn vrienden aan boord had gegeven. De sherif, Mac Intyre, was er bij. Men had Robert,—die toen pas tien jaar was,—toevertrouwd aan de zorg van Dick Turner, den schipper, en hij was dezen ontloopen om in de bramsalingen te klauteren.

"Dat is waar, dat is waar!" zeide Robert Grant.

En zoo haalde Ayrton duizend kleinigheden aan, schijnbaar zonder er zooveel gewigt aan te hechten als John Mangles deed. En toen hij zweeg, zeide Mary met haar zoete stem:

"Toe, mijnheer Ayrton! vertel ons nog wat van onzen armen vader!"

De bootsman deed zijn best om aan het verlangen van het meisje te voldoen. Glenarvan wilde hem niet in de rede vallen, en toch verdrongen wel twintig gewigtiger vragen zich in zijn hoofd; maar wijzende op de blijde ontroering van Mary, legde lady Helena hem het zwijgen op.

Zoo pratende vertelde Ayrton de geschiedenis der Britannia en haar reis over de Stille Zuidzee. Mary Grant wist er reeds veel van, daar de berigten van het schip tot de maand Mei van het jaar 1862 liepen. In dat tijdverloop van een jaar deed Harry Grant de voornaamste eilanden van Oceanië aan. Hij bezocht de Hebriden, Nieuw-Guinea, Nieuw-Zeeland, Nieuw-Caledonië, vond dikwijls, dat anderen te regt of ten onregte beweerden den grond in bezit te hebben genomen, en had te kampen met den onwil der engelsche overheden; want zijn schip werd in de britsche koloniën streng in het oog gehouden. Echter had hij een belangrijk punt gevonden op de westkust van de Papoea-eilanden; hij oordeelde, dat het daar gemakkelijk zou zijn een schotsche volkplanting te vestigen, die stellig tot bloei zou geraken; een goede en rijk voorziene ververschingsplaats toch op den weg naar de Molukken en de Philippijnen moest de schepen lokken, vooral wanneer de doorgraving der landengte van Suez de weg om de kaap de Goede Hoop in onbruik had doen geraken. Harry Grant was een der Engelschen, die veel ophadden met het werk van den heer de Lesseps, en die geen staatkundigen naijver bij een groot wereldbelang in het spel bragten.

Weldra liep het schip op het strand.

Weldra liep het schip op het strand.
Weldra liep het schip op het strand.

Na dit onderzoek der Papoea-eilanden ging de Britannia te Callao nieuwen voorraad innemen, en verliet die haven den 30sten Mei 1862, om door den Indischen Oceaan en om de Kaap naar Europa terug te keeren. Drie weken na zijn vertrek werd het schip door een geweldigen storm ontredderd. Het werd op zijde geworpen. De masten moesten gekapt worden. Er kwam een lek, dat men niet kon stoppen. De bemanning was weldra geheel uitgeput. Men kon de pompen niet vrij houden. Acht dagen lang was de Britannia de speelbal der orkanen. Binnen kort stond er zes voet water in het ruim. Ze verkeerde in zinkenden toestand. De booten waren gedurende den storm weggeslagen. Men moest op het schip omkomen, toen men, zooals Paganel juist gezien had, in den nacht van den 27sten Junij de oostkust van Australië ontdekte. Weldra liep het schip op het strand. Een hevige schok had er plaats. Ayrton werd op dat oogenblik door een golf opgenomen, midden in de branding geslingerd, en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen, die hem naar het binnenland sleepten. Van nu af hoorde hij niet meer van de Britannia spreken, en dus vooronderstelde hij, niet zonder grond, dat ze op de gevaarlijke riffen der Twofold-baai met man en muis was vergaan.

Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen,...

Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen,...
Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen,...

Hier eindigde het verhaal betreffende kapitein Grant; meer dan eens ontlokte het uitroepen van droefheid aan zijn hoorders. Zonder onbillijk te zijn mogt de majoor niet aan de waarheid er van twijfelen. Maar na de geschiedenis der Britannia moest de eigene geschiedenis van Ayrton voor het oogenblik nog belangrijker zijn.

Afgaande op het document twijfelde men niet, of Grant had met twee zijner matrozen, evenzeer als Ayrton zelf, de schipbreuk overleefd. Uit het lot van den een mogt men met grond tot dat van den ander besluiten. Derhalve werd Ayrton uitgenoodigd zijn lotgevallen mede te deelen. Het was een zeer eenvoudig en zeer kort verhaal.

De arme schipbreukeling, de gevangene van een inlandschen volksstam, werd naar het binnenland gevoerd, dat de Darling besproeit, dat wil zeggen tot vier honderd mijlen benoorden den zeven en dertigsten breedtegraad. Daar leefde hij hoogst ellendig, omdat die stam het zelf heel naar had; maar hij werd niet mishandeld. Die harde slavernij duurde twee lange jaren. Maar hij gaf de hoop niet op om zijn vrijheid nog eenmaal te herkrijgen. Hij loerde op de eerste gelegenheid de beste om te ontsnappen, hoewel zijn vlugt hem aan tallooze gevaren moest blootstellen.

In zekeren nacht, het was in de maand October 1864, verschalkte hij de waakzaamheid van de inboorlingen en verdween in het digtst der ontzaggelijke wouden. Een maand lang zwierf hij, het leven rekkende met wortels, met eetbare varens, met gom der mimosa's, in die uitgestrekte woestenijen rond, zich des daags naar de zon, des nachts naar de sterren rigtende, en vaak aan wanhoop ter prooi: zoo trok hij door moerassen, over bergen en rivieren, en doorkruiste dat onbewoonde gedeelte van het vastland, waar slechts weinige reizigers zich gewaagd hebben. Stervend en verhongerd kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore, waar hij tot loon voor zijn arbeid een onbekommerd leven vond.

... kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore,...

... kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore,...
... kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore,...

"Prijst Ayrton mij," zeide de iersche kolonist, toen dit verhaal uit was, "ik voor mij kan ook niets anders doen dan hem prijzen. Hij is een wakker, braaf en goed man, een arbeider in den volsten zin des woords, en als ze hem bevalt, zal de woning van Paddy O'Moore lang de zijne wezen."

Ayrton dankte den Ier met een tamelijk norsch gebaar, en wachtte af of men hem nog iets te vragen mogt hebben. Hij hield het er echter voor, dat de billijke nieuwsgierigheid zijner hoorders nu wel bevredigd zou zijn. Kon hij nog wel op iets antwoorden, wat niet reeds honderdmaal gezegd was? Glenarvan was dan ook op het punt om de beraadslagingen te openen over een nieuw plan, dat nu met behulp van de ontmoeting van Ayrton en diens inlichtingen moest opgemaakt worden, toen de majoor den matroos aldus aansprak:

"Gij waart bootsman aan boord der Britannia?"

"Ja," antwoordde Ayrton zonder aarzelen.

Maar begrijpende, dat een zeker gevoel van wantrouwen, een twijfel, hoe gering ook, den majoor die vraag had ingegeven, voegde hij er bij:

"Ik heb mijn aanstelling nog uit de schipbreuk gered."

En terstond verliet hij de huishoudkamer om dit stuk te halen. Hij bleef geen minuut weg. Maar Paddy O'Moore had toch tijd om te zeggen:

"Mylord! ik verzeker u, dat die Ayrton een brave kerel is; hij dient mij nu twee maanden, maar ik heb niet het geringste op hem aan te merken. Ik kende de geschiedenis zijner schipbreuk en zijner gevangenschap. Hij is een opregt man en uw volle vertrouwen waardig."

Glenarvan wilde juist antwoorden, dat hij nooit aan de goede trouw van Ayrton had getwijfeld, toen deze binnenkwam en zijn aanstelling in behoorlijke orde overgaf. Het was een papier, geteekend door de reeders van de Britannia en door kapitein Grant, wiens hand Mary duidelijk herkende. Het behelsde, dat: "Tom Ayrton, matroos van de eerste klasse, als bootsman aangenomen was op den driemaster Britannia, van Glasgow." Er bleef dus geen twijfel over, of Ayrton was degene, voor wien hij zich uitgaf; want het was moeijelijk te gelooven, dat die aanstelling in zijn handen zou zijn, wanneer ze hem niet toekwam.

"En nu," sprak Glenarvan, "vraag ik u allen om raad, en wensch ik onmiddellijk te bespreken, wat ons te doen staat. Uw raad, Ayrton! zal ons vooral aangenaam zijn, en ik verzoek u dringend ons dien niet te onthouden."

Ayrton dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen het volgende:

"Ik dank u, mylord! voor het vertrouwen, dat gij in mij stelt, en ik hoop het mij waardig te maken. Ik heb eenige kennis van dit land, van de zeden der inboorlingen, en kan ik u van dienst wezen...."

"Wel zeker," verklaarde Glenarvan.

"Ik ben evenals gij van gevoelen," hernam Ayrton, "dat kapitein Grant en zijn beide matrozen uit de schipbreuk gered zijn; maar daar zij de engelsche bezittingen niet hebben bereikt, omdat zij niet meer voor den dag zijn gekomen, twijfel ik niet of zij hebben hetzelfde lot ondergaan als ik, en zijn gevangen bij een inlandschen volksstam."

"Gij haalt daar dezelfde bewijzen aan, die ik vroeger reeds opsomde, Ayrton!" zeide Paganel; "de schipbreukelingen zijn zeker gevangen bij de inboorlingen, zooals zij vreesden. Maar moeten wij denken, dat zij, evenals gij benoorden den zeven en dertigsten graad gesleept zijn?"

"Dat is wel te denken, mijnheer!" antwoordde Ayrton; "de vijandelijke stammen blijven niet lang in de nabijheid der aan de Engelschen onderworpen streken."

"Dat zal onze nasporingen veel moeijelijker maken," zeide Glenarvan met een teleurgesteld gezigt. "Hoe zullen wij in zoo'n uitgestrekt vastland het spoor der gevangenen terugvinden?"

Een langdurig stilzwijgen volgde op die aanmerking. Lady Helena zag beurtelings al haar reisgenooten vragend aan zonder antwoord te krijgen. Tegen zijn gewoonte zweeg zelfs Paganel, dien zijn gewone schranderheid in den steek liet. John Mangles liep met groote stappen de huishoudkamer op en neer, alsof hij op het dek van zijn schip in verlegenheid zat.

"En gij, mijnheer Ayrton!" zeide nu lady Helena tot den matroos, "wat zoudt gij doen?"

"Mevrouw!" antwoordde Ayrton tamelijk driftig, "ik zou weer aan boord van de Duncan gaan en regelregt naar het tooneel van de schipbreuk stevenen. Daar zou ik naar bevind van zaken en naar de aanwijzingen handelen, die het toeval welligt mogt verschaffen."

"Dat is goed," zeide Glenarvan; "maar wij dienen te wachten tot de Duncan hersteld is."

"Zoo! hebt gij averij gehad?" vroeg Ayrton.

"Ja," antwoordde John Mangles.

"Zware?"

"Neen! maar er zijn toch gereedschappen noodig, die wij niet aan boord hebben. Een der schroefbladen zit vast, en dat kan alleen te Melbourne verholpen worden."

"Maar kunt gij niet zeilen?" vroeg de bootsman.

"Jawel; maar als de wind wat tegen is, zou de Duncan veel tijd noodig hebben om de Twofold-baai te bereiken, en hoe het ook gaat, naar Melbourne moet ze toch."

"Welnu! laat ze naar Melbourne gaan!" riep Paganel; "wij zullen zonder haar wel aan de Twofold-baai komen."

"Maar hoe?"

"Wel, door Australië langs den zeven en dertigsten breedtegraad door te trekken, zooals wij Amerika gedaan hebben."

"Maar de Duncan dan?" hernam Ayrton met bijzonder veel nadruk.

"De Duncan zal ons afhalen of wij zullen de Duncan afhalen, naardat het uitkomt. Vinden wij kapitein Grant op onzen togt terug, dan gaan wij gezamenlijk naar Melbourne. Zetten wij daarentegen onze nasporingen tot aan de kust voort, dan komt de Duncan ons daar opzoeken. Wie heeft wat tegen dat plan? De majoor misschien?"

"Neen," antwoordde Mac Nabbs, "als de reis door Australië ten minste mogelijk is."

"Zoo goed mogelijk," antwoordde Paganel, "dat ik voornemens ben lady Helena en miss Grant uit te noodigen om met ons te gaan."

"Meent gij dat inderdaad, Paganel?" vroeg Glenarvan.

"Wat anders, waarde lord? Het is een reis van drie honderd vijftig mijlen[1], meer niet, en tegen twaalf mijlen daags zal ze pas een maand duren, dat is te zeggen zoo veel tijd als noodig is voor de herstellingen van de Duncan. Het zou wat anders zijn, als wij het vastland van Australië op eene lagere breedte moesten doortrekken, als wij het in zijn grootste breedte moesten doorreizen, als wij die onmetelijke woestijnen moesten doorkruisen, waar gebrek aan water is, waar een verstikkende warmte heerscht, kortom, wanneer we doen moesten, wat de stoutste reizigers nog niet gewaagd hebben! Maar die zeven en dertigste graad loopt over de provincie Victoria, een echt engelsch land, met gebaande wegen, met spoorwegen, en bijna over die geheele lengte bevolkt. Het is een reis, die men des verkiezende in een kales, of liever nog op een kar doen kan. Het is een ridje van Londen naar Edinburg. Anders niet."

"Maar de wilde dieren!" zeide Glenarvan, die alle mogelijke bezwaren wilde opperen.

"Er zijn geen wilde dieren in Australië."

"Maar de wilden?"

"Er zijn op die breedte geen wilden, en in allen gevalle zijn ze niet zoo wreed als de Nieuw-Zeelanders."

"Maar de gedeporteerden?"

"Er zijn geen gedeporteerden in de zuidelijke provinciën van Australië, maar alleen in de oostelijke koloniën. De provincie Victoria heeft ze niet alleen verjaagd, maar ook een wet gemaakt om de vrijgelaten veroordeelden uit de andere provinciën van haar gebied uit te sluiten. De regeering van Victoria heeft dit jaar zelfs de compagnie van het Schiereiland gedreigd haar subsidie in te trekken, wanneer haar schepen voortgingen kolen in te nemen in de havens van West-Australië, waar de gedeporteerden toegelaten worden. Hoe! weet gij dat niet! en zijt gij nog al een Engelschman!"

"Maar ik ben geen Engelschman," antwoordde Glenarvan.

"Wat mijnheer Paganel daar zegt is volkomen waar," zeide nu Paddy O'Moore. "Niet alleen de provincie Victoria, maar ook Zuid-Australië, Koninginneland, zelfs Tasmanië slaan de handen ineen om de gedeporteerden niet binnen hun grenzen toe te laten. Sedert ik deze hoeve bewoon, heb ik van geen enkelen gedeporteerde hooren spreken."

"En ik heb er nooit een ontmoet," voegde Ayrton er bij.

"Gij ziet, vrienden!" hernam Jacques Paganel, "zeer weinig wilden, geen wilde dieren, geen gedeporteerden! Er zijn weinig streken in Europa, waarvan men hetzelfde kan zeggen! Hoe is het, blijft het er bij?"

"Wat denkt gij er van, Helena?" vroeg Glenarvan.

"Wat wij allen denken, lieve Edward!" antwoordde lady Helena tot haar reisgenooten gerigt, "op weg! op weg!"

VIII.

Het vertrek.

Lord Glenarvan was niet gewoon veel tijd te laten verloopen tusschen de opvatting en de uitvoering van een plan. Zoodra het voorstel van Paganel was aangenomen, gaf hij onmiddellijk de noodige bevelen om binnen den kortst mogelijken tijd de toebereidselen tot de reis te maken. Er werd bepaald, dat zij twee dagen later, den 22sten December, vertrekken zouden.

Welke uitkomsten zou die togt door Australië opleveren? Nu de aanwezigheid van Harry Grant eenmaal stellig vast stond, kon die onderneming groote gevolgen hebben. Zij deed de som der voordeelige kansen grooter worden. Wel vleide zich niemand den kapitein juist te zullen vinden op die lijn van den zeven en dertigsten breedtegraad, die men zonder afwijken volgen wilde; maar misschien zou men hem langs die lijn op het spoor komen, en in allen gevalle leidde zij regelregt naar het tooneel der schipbreuk. En dat was de hoofdzaak.

Wanneer nu Ayrton bovendien nog genegen was de reizigers te vergezellen, hen tot gids te strekken door de wouden der provincie Victoria, hen tot aan de oostkust te geleiden, dan was dit een kans te meer om wel te slagen. Glenarvan gevoelde dit ook; er was hem veel aan gelegen om zich van de medewerking van den reisgenoot van Harry Grant te verzekeren, en terstond vroeg hij zijn gastheer, of deze goedvond, dat hij Ayrton voorstelde hem te vergezellen.

Paddy O'Moore gaf zijn toestemming, hoewel het hem speet, dat hij zulk een voortreffelijken knecht zou moeten missen.

"Hoe is het, Ayrton! wilt gij den togt ter opsporing van de schipbreukelingen der Britannia medemaken?"

Ayrton antwoordde niet terstond op die vraag; hij scheen zelfs eenige oogenblikken te aarzelen, maar na een kort overleg zeide hij:

"Ja, mylord! ik zal met u gaan, en breng ik u al niet op het spoor van kapitein Grant, dan zal ik u tenminste op de plaats brengen, waar zijn schip verbrijzeld is."

"Ik dank u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

"Maar ééne vraag nog, mylord!"

"Spreek op, vriend!"

"Waar zult gij de Duncan terugvinden?"

"Te Melbourne, wanneer wij Australië niet van de eene kust tot de andere doortrekken. Op de oostkust, wanneer wij ons onderzoek zoo ver uitstrekken."

"En haar kapitein dan?..."

"Haar kapitein zal mijn bevelen in de haven van Melbourne afwachten."

"Goed, mylord!" zeide Ayrton, "gij kunt op mij rekenen."

"Ik reken op u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.

De passagiers van de Duncan betuigden den bootsman der Britannia hun hartelijken dank. De kinderen van zijn kapitein waren onuitputtelijk in hun liefkozingen. Allen waren blijde over zijn besluit, behalve de Ier, die in hem een knap en getrouw werkman verloor! Maar Paddy begreep, welk gewigt lord Glenarvan hechten moest aan het bijzijn van den bootsman, en berustte er in. Glenarvan droeg hem op om de noodige middelen van vervoer voor die reis door Australië bijeen te brengen, en toen die zaak in orde en met Ayrton afgesproken was, waar zij elkander vinden zouden, keerden de passagiers naar boord terug.

... de passagiers keerden naar boord terug.

... de passagiers keerden naar boord terug.
... de passagiers keerden naar boord terug.

Allen waren vrolijk gestemd. Alles was veranderd. Alle aarzeling hield op. Niet langer zouden de moedige spoorzoekers als blinden op die lijn van den zeven en dertigsten breedtegraad voorttrekken. Geen twijfel meer of Harry Grant had een schuilplaats op het vastland gevonden, en ieders hart was vol van die tevredenheid, welke men gevoelt, wanneer het vermoeden plaats maakt voor zekerheid.

Als de omstandigheden gunstig waren, kon de Duncan binnen twee maanden Harry Grant op de schotsche kust aan land zetten!

Toen John Mangles het voorstel ondersteunde om met de reizigers den togt door Australië te ondernemen, vleide hij zich wel, dat hij ditmaal met het gezelschap zou medegaan. Hij sprak er dan ook over met lord Glenarvan. Hij bragt allerlei redenen te berde, zijn genegenheid voor lady Helena, voor Zijne Edelheid, de dienst, die hij kon bewijzen als opzigter over de karavaan, zijn nutteloosheid als kapitein aan boord van de Duncan, kortom duizend geldige redenen, maar de beste verzweeg hij, die Glenarvan echter gemakkelijk kon raden.

"Eene vraag nog, John!" zeide Glenarvan. "Stelt gij het volste vertrouwen in uw eersten stuurman?"

"Het volste vertrouwen," antwoordde John Mangles. "Tom Austin is een goed zeeman; hij zal de Duncan naar de plaats harer bestemming brengen, ze behoorlijk herstellen en op den bepaalden tijd terug zijn. Tom is de slaaf van zijn pligt en van de tucht; nooit zal hij het op zich nemen de uitvoering van een bevel te wijzigen of uit te stellen. Uwe Edelheid kan dus op hem even goed rekenen als op mij."

"Dan blijft het er bij, John!" antwoordde Glenarvan, "gij zult ons vergezellen; want," voegde hij er glimlagchend bij, "het zal goed zijn, dat gij er bij zijt wanneer wij den vader van Mary Grant terugvinden."

"O, Uwe Edelheid!..." stotterde John Mangles.

Meer kon hij niet zeggen. Hij verbleekte even, en greep de hand, die lord Glenarvan hem toereikte.

's Anderen daags keerde John Mangles met den timmerman en met matrozen, die levensmiddelen droegen, naar de nederzetting van Paddy O'Moore terug. Hij moest in overleg met den Ier de vervoermiddelen in gereedheid brengen.

Het geheele gezin wachtte hem reeds om onder zijn leiding aan het werk te gaan. Ayrton was er bij en was hun dikwijls behulpzaam met goeden raad, dien zijn rijke ondervinding hem aan de hand deed.

Paddy en hij waren het eens, dat de reizigsters den weg in een ossenwagen en de reizigers te paard moesten afleggen. Paddy kon de ossen en den wagen verschaffen.

Het voertuig was een van die wagens, die twintig voet lang en met een kap overdekt zijn en op vier lompe wielen rusten, zonder spaken, velgen of ijzeren band, kortom eenvoudige houten schijven. Het voorstel, dat zeer ver van het achterstel af zat, was op een kunstelooze wijze daarmede verbonden, zoodat het voertuig geen korten draai nemen kon. Aan den wagen was een dissel van vijf en dertig voet, langs welken drie paar ossen geplaatst werden. Zoo geschikt trokken die dieren met den kop en den hals door de dubbele zamenvoeging van een juk over hun nek en van een halsband, die met een ijzeren spil aan het juk vastzat. Er was veel behendigheid noodig om dat smalle, lange, slingerende en ligt omvallende voertuig te besturen en om dat span met den prikkel voort te drijven. Maar Ayrton was op de iersche hoeve in de leer geweest en Paddy stond voor zijn bekwaamheid in. Hem werd dus de rol van voerman toebedeeld.

Het inrichten van het voertuig.

Het inrichten van het voertuig.
Het inrichten van het voertuig.

Niet op veeren rustende, bood het voertuig geen gemakken aan; maar men moest het nemen zooals het was. John Mangles kon aan het ruwe zamenstel niets veranderen; maar van binnen liet hij het zoo geriefelijk mogelijk inrigten. Vooreerst verdeelde hij het door een houten beschot in twee afdeelingen. De achterste werd bestemd om de levensmiddelen, de bagaadje en de draagbare keuken van Olbinett op te nemen. De voorste zou uitsluitend ten dienste van de reizigsters zijn. Onder de handen van den timmerman veranderde die eerste afdeeling in een gemakkelijke kamer, bedekt met een dik tapijt, en voorzien van een kaptafel en twee afzonderlijke slaapplaatsen voor lady Helena en Mary Grant. Desverkiesende kon dit voorvertrek met zware lederen gordijnen gesloten en tegen de koelte van den nacht beschermd worden. Zoo noodig, konden de mannen er bij zware regenbuijen ook een schuilplaats in vinden; maar in den regel moest een tent hen beschutten, wanneer zij rust hielden. John Mangles spande zich in om alle voorwerpen, die twee vrouwen noodig hebben, in die beperkte ruimte bijeen te brengen, en het gelukte hem. Lady Helena en Mary Grant behoefden in die rollende kamer de gemakkelijke hutten der Duncan niet te betreuren.

Met de reizigers ging alles veel gemakkelijker: zeven sterke paarden waren bestemd voor lord Glenarvan, Paganel, Robert Grant, Mac Nabbs, John Mangles, en de beide matrozen Wilson en Mulrady, die hun heer op dezen nieuwen togt vergezelden. Ayrton kreeg natuurlijk zijn plaats op den bok van de kar, en Olbinett, die volstrekt geen zin had in paardrijden, zou het wel voor lief nemen om in den goederenwagen te reizen.

Paarden en ossen graasden in de nabijheid der woning, en konden gemakkelijk bijeengedreven worden, wanneer het tijd was om te vertrekken.

Toen John Mangles de noodige beschikkingen gemaakt en den baas-timmerman zijn bevelen gegeven had, keerde hij met de iersche famielje, die lord Glenarvan een bezoek brengen wilde, naar boord terug. Ayrton had lust om mee te gaan, en tegen vier ure waren John en zijn gezelschap op het dek der Duncan.

Zij werden met open armen ontvangen. Glenarvan noodigde hen uit om bij hem te blijven eten. Hij wilde niet voor hen onderdoen in beleefdheid, en zijn gasten namen gaarne de vergelding voor hun australische gastvrijheid in de longroom van het jagt aan. Paddy O'Moore sloeg de handen ineen van verbazing. De meubeleering der hutten, de behangsels, de tapijten, al het houtwerk van ahorn- en palissanderhout maakte zijn bewondering gaande. Ayrton daarentegen verwaardigde die dure overtolligheden naauwelijks met een blik.

Maar de bootsman der Britannia beschouwde daarentegen het jagt meer met een zeemansoog; hij doorliep het van boven tot onder; hij onderzocht de schroef, bezigtigde de machine, vroeg naar haar werkelijke kracht, en hoeveel brandstof ze verbruikte; hij bezocht de kolenhokken, de kombuis, en stelde vooral belang in den voorraad kruid, de wapenkamer, het kanon op de voorplecht en deszelfs draagkracht. Glenarvan had met een deskundige te doen; dat bleek hem genoeg uit de tot de kleinste bijzonderheden afdalende vragen van Ayrton. Eindelijk besloot deze zijn rondgang met het onderzoek van de masten en het tuig.

"Gij hebt daar een mooi schip, mylord!" zeide hij.

"Maar ook een goed schip," antwoordde Glenarvan.

"En wat is zijn inhoud?"

"Het meet twee honderd en tien ton."

"Vergis ik mij," voegde Ayrton er bij, "of loopt de Duncan niet gemakkelijk vijftien knoopen met volle kracht?"

"Zeg maar zeventien," sprak John Mangles, "dan zijt gij er beter achter."

"Zeventien!" riep de bootsman; "maar dan is er geen enkel oorlogschip, ik bedoel van de beste, die er zijn, dat er jagt op kan maken?"

"Niet een!" antwoordde John Mangles; "de Duncan is een echte snelzeiler, die door geen enkel vaartuig overtroffen kan worden."

"Ook niet onder zeil?" vroeg Ayrton.

"Ook niet onder zeil."

"Welnu, mylord! en gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "ontvangt de complimenten van een zeeman, die weet wat een schip is."

"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan, "blijf dan bij ons aan boord, en het zal alleen aan u staan of dit schip het uwe wordt."

"Ik zal er aan denken, mylord!" gaf de bootsman droogjes ten antwoord.

Olbinett kwam thans Zijne Edelheid verwittigen, dat de tafel gereed was. Glenarvan en zijn gasten begaven zich naar de kampanje.

"Een knappe vent, die Ayrton!" zeide Paganel tot den majoor.

"Al te knap!" bromde Mac Nabbs, wien, om de waarheid te zeggen schijnbaar zonder reden, het voorkomen en de manieren van den bootsman niet aanstonden.

Onder het eten vertelde Ayrton belangrijke bijzonderheden van het australische vastland, dat hij goed kende. Hij vroeg hoeveel matrozen lord Glenarvan op zijn togt medenam. Toen hij hoorde, dat maar twee hunner, Mulrady en Wilson, hem zouden vergezellen, scheen hij verwonderd. Hij wilde Glenarvan bepraten om zijn geleide zamen te stellen uit de beste manschappen van de Duncan. Hij drong er zelfs sterk op aan, hetgeen in het voorbijgaan gezegd, allen achterdocht uit het gemoed van den majoor moest verdrijven.

"Maar onze reis door Zuid-Australië is toch niet met gevaren verbonden?" vroeg Glenarvan.

"Volstrekt niet," haastte Ayrton zich te antwoorden.

"Welnu, dan zullen wij zooveel manschappen als wij maar kunnen aan boord laten. Er zijn matrozen noodig om de Duncan, als ze onder zeil is, te bedienen, en om ze te herstellen. Vooral is het van belang, dat ze op den bepaalden tijd, die haar later zal opgegeven worden, ter bestemder plaatse is. Dus kan ik de bemanning niet verminderen."

Ayrton scheen genoegen te nemen met de opmerking van lord Glenarvan; althans hij drong er niet verder op aan.

's Avonds scheidden Schotten en Ieren. Ayrton en het gezin van Paddy O'Moore keerden naar hun woning terug. Paarden en wagen zouden den volgenden dag gereed zijn. Het vertrek werd op 's morgens acht ure bepaald.

Lady Helena en Mary Grant maakten nu haar laatste toebereidselen. Zij waren kort en vooral minder kleingeestig dan die van Jacques Paganel.

De geleerde besteedde een gedeelte van den nacht om de glazen van zijn kijker los te schroeven, schoon te maken, vast te schroeven en nog eens vast te schroeven. Hij sliep dan ook den volgenden morgen nog, toen de majoor hem bij het krieken van den dag met donderende stem wekte.

Reeds was de bagaadje door de zorg van John Mangles naar de hoeve gebragt. Een sloep lag voor de reizigers gereed, die zich niet lieten wachten. De jonge kapitein gaf zijn laatste bevelen aan Tom Austin. Hij drukte hem vooral op het hart om te Melbourne op de bevelen van lord Glenarvan te wachten, en ze naauwkeurig op te volgen, wat er ook de inhoud van mogt zijn.

De oude zeeman antwoordde John Mangles, dat hij op hem rekenen kon. Uit naam van de bemanning uitte hij de beste wenschen voor het welslagen der onderneming. De boot stak af, en een donderend hoera! werd door de matrozen aangeheven.

In tien minuten bereikte de sloep de kust; een kwartier later kwamen de reizigers aan de iersche hoeve.

Alles was gereed. Lady Helena was zeer ingenomen met haar vertrekje. De lompe wagen met zijn logge wielen en zware planken beviel haar uitstekend. Het voorspan van drie paar ossen gaf hem een aartsvaderlijk voorkomen, dat hem niet misstond. Met den prikkel in de hand wachtte Ayrton op het bevel van zijn nieuwen meester.

"Drommels!" zeide Paganel, "dat is een uitstekend rijtuig, wel zoo goed als al de post-wagens van de wereld. Ik ken geen betere manier om als een kwakzalver rond te reizen. Een verplaatsbaar huis, dat voortrijdt en stilstaat, waar gij wilt, wat kan men nog meer wenschen? Dat begrepen de oude Sarmaten ook, en daarom reisden ze niet anders."

"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ik hoop het genoegen te hebben u in mijn salons te ontvangen."

"Maar mevrouw!" antwoordde de geleerde, "de eer zal aan mij zijn! Hebt gij een dag bepaald?"

"Ik ben altijd voor mijn vrienden te spreken," antwoordde lady Helena lagchend, "en gij zijt...."

"De verkleefdste van allen, mevrouw!" zeide Paganel heel hoffelijk.

Die uitwisseling van beleefdheden werd afgebroken door de komst van zeven geheel getuigde paarden, welke een der zoons van Paddy bestuurde. Lord Glenarvan regelde met den Ier den prijs van al die benoodigdheden, en voegde daarbij een magt van dankbetuigingen, die den braven kolonist even welkom waren als de guinjes.

Het sein tot het vertrek werd gegeven. Lady Helena en miss Grant plaatsten zich in haar vertrek, Ayrton op den bok, Olbinett achter in den wagen; Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert, John Mangles, de beide matrozen, allen met karabijnen en revolvers gewapend, wierpen zich op hun paarden. Een "God zij met u!" riep Paddy O'Moore hun toe, en zijn gezin herhaalde dien afscheidsgroet in koor. Ayrton liet een bijzonder geluid hooren en dreef zijn span aan. De kar zette zich in beweging, de planken kraakten, de assen knarsten in de naaf der wielen, en weldra onttrok een kromming van de weg de gastvrije hoeve van de braven Ier aan hun blik.

Het sein tot het vertrek werd gegeven.

Het sein tot het vertrek werd gegeven.
Het sein tot het vertrek werd gegeven.

IX.

De provincie Victoria.

Het was de 23ste December 1864. Die Decembermaand, zoo droevig, zoo naar, zoo vochtig op het noordelijk halfrond, mogt op dit vastland veeleer Junij heeten. Sterrekundig gesproken was het reeds twee dagen zomer; want den 21sten had de zon den steenbokskeerkring bereikt, en reeds prijkte zij eenige minuten korter boven den gezigteinder. Derhalve moest die nieuwe reis van lord Glenarvan in het warmste jaargetijde en onder de stralen eener bijna tropische zon plaats hebben.

Gezamenlijk dragen de engelsche bezittingen in dit gedeelte der Stille Zuidzee den naam van Australasie. Zij bestaan uit Nieuw-Holland, Tasmanië, Nieuw-Zeeland en eenige omliggende eilanden. Het vastland van Australië is verdeeld in uitgestrekte koloniën, wier grootte en rijkdom zeer uiteenloopen. Wie een blik slaat op de nieuwe kaarten, door de Heeren Peterman of Preschoell ontworpen, wordt terstond getroffen door de regelmatigheid dier afdeelingen. De Engelschen hebben de grenzen dier groote provinciën met het meetsnoer afgepast. Zij hebben geen acht geslagen op bergketenen, op den loop der rivieren, op de verscheidenheid van het klimaat, noch op het verschil van ras. Die koloniën zijn regthoekig begrensd en passen aan elkander als de stukken van een ingelegd werk. In die schikking van regte lijnen en regte hoeken herkent men het werk van den meetkundige, niet het werk van den aardrijkskundige. Alleen de kusten met haar tallooze krommingen, haar bogten, baaijen, kapen en kreeken, teekenen uit naam van de natuur verzet aan door haar liefelijke onregelmatigheid.

Dat schaakbordachtige wekte altijd en teregt den spotlust van Jacques Paganel op. Was Australië fransch geweest, dan zouden zeker de fransche aardrijkskundigen hun voorliefde voor den winkelhaak en de trekpen niet zoover gedreven hebben.

Het aantal koloniën op het groote eiland van Oceanië bedraagt thans zes: Nieuw-Zuid-Wales, hoofdstad Sidney; Koninginne-land, hoofdstad Brisbane; de provincie Victoria, hoofdstad Melbourne; Zuid-Australië, hoofdstad Adelaïde; West-Australië, hoofdstad Perth, en Noord-Australië nog zonder hoofdstad. Alleen de kusten zijn door de kolonisten bevolkt. Ter naauwernood heeft een enkele stad van belang zich twee honderd mijlen landwaarts in gewaagd. Het binnenland, dat wil zeggen een oppervlakte gelijk aan twee derden van Europa, is nog bijna geheel onbekend.

Gelukkig loopt de zeven en dertigste breedtegraad niet over die ontzaggelijke woestenijen, die ontoegankelijke streken der ellende, die der wetenschap reeds talrijke offers gekost hebben. Glenarvan had ze onmogelijk kunnen bereizen. Hij had alleen te doen met het zuidelijke deel van Australië, bestaande uit een klein stuk der provincie Adelaïde, uit de provincie Victoria in haar geheele breedte en eindelijk uit den top van den omgekeerden driehoek, dien Nieuw-Zuid-Wales vormt.

De afstand van kaap Bernouilli tot aan de grens van Victoria bedraagt ter naauwernood twee en zestig mijlen[1]. Dit waren twee dagreizen, meer niet, en Ayrton rekende er op, dat hij tegen den avond van den volgenden dag te Aspley, de westelijkste stad der provincie Victoria zou zijn.

Bij het begin eener reis verkeeren ruiters en paarden altijd in een opgewekte stemming. Op den ijver der eersten viel niets aan te merken, maar men oordeelde het raadzaam den stap der andere te matigen. Wie ver wil gaan, moet zijn rijdier ontzien. Derhalve werd er besloten gemiddeld niet meer dan vijf en twintig tot dertig mijlen per dag af te leggen.

Ook moest de stap der paarden geregeld worden naar den langzamen tred der ossen, die als echte werktuigen in snelheid verliezen wat zij in kracht winnen. De wagen met zijn reizigers en zijn levensmiddelen was de kern der karavaan, de beweegbare sterkte. De ruiters mogten wel links en regts op veldontdekking uitgaan, maar zich er niet ver van verwijderen.

Daar er geen bepaalde marschorde was aangenomen, kon elk binnen zekere grenzen doen, wat hij wilde. De jagers mogten de vlakte doorkruisen, de wellevenden met de bewoonsters van den wagen een praatje maken, de wijsgeeren met elkander philosopheeren. Paganel, die al deze verschillende hoedanigheden in zich vereenigde, moest soms overal wezen en was het ook inderdaad.

De togt door de provincie Adelaïde leverde niets bijzonders op. Een rij lage heuvels, rijk aan stof, een lange reeks onbebouwde gronden, waaruit het hier te lande zoogenaamde "bush" bestaat, eenige weiden, hier en daar met boschjes van een zoutachtigen struik met hoekige bladeren bedekt, waarop het gevogelte zeer verlekkerd is, volgden elkander over een ruimte van verscheidene mijlen op. Hier en daar vertoonden zich eenige "pig's faces," schapen met een zwijnskop, een soort, die alleen op Nieuw-Holland aangetroffen wordt, die tusschen de palen van de telegraaflijn graasden, welke onlangs van Adelaïde tot aan de kust is aangelegd.

Tot nog toe geleken die vlakten sprekend op de eentoonige streken van de argentijnsche pampa's; dezelfde grasrijke effene bodem; dezelfde scherp begrensde gezigteinder. Mac Nabbs beweerde, dat zij nog in dat land waren; maar Paganel verzekerde, dat de landstreek spoedig veranderen zou. In het vertrouwen op hem wachtte men op vreemde dingen.

Tegen drie ure reed de wagen door een onafzienbare boomlooze landstreek, bekend onder den naam van "muskieten-vlakte." De geleerde had het genoegen, dat het bleek, dat de aardrijkskundigen haar met volle regt dien naam gegeven hadden. De reizigers en hun paarden leden veel door de onophoudelijke beten dier lastige tweevleugelige insecten; het was onmogelijk hen te ontwijken; gemakkelijker was het ze te bedwelmen door de fleschjes ammoniak uit de reis-apotheek. Paganel wenschte van ganscher harte die lastige bijtvliegen naar den duivel, die zijn lange persoon met haar felle steken doorboorden.

De "muskieten-vlakte."

De "muskieten-vlakte."
De "muskieten-vlakte."

Tegen den avond werd de vlakte opgevrolijkt door eenige groene acacia-hagen; hier en daar vertoonden zich boschjes witte gomboomen; ginds een versch wagenspoor, elders uit Europa afkomstige boomen, olijfboomen, citroenboomen en groene eiken; eindelijk goed onderhouden rasters. Ten acht ure bereikten de ossen, die door Ayrton aangezet hun tred verhaastten, het station van Red-Gum.

De naam "station" wordt aan alle nederzettingen in het binnenland gegeven, waar men zich met de veeteelt bezighoudt, den hoofdrijkdom van Australië. Die veefokkers zijn de "squatters," dat is de lieden, die op den grond gaan zitten,[2] hetgeen inderdaad de eerste houding is, welke iedere kolonist, afgemat door zijn zwerftogten door die eindelooze streken, aanneemt.

Red-Gumstation was een onbeduidende nederzetting. Maar Glenarvan vond er de hartelijkste gastvrijheid. De reiziger kan er stellig op rekenen, dat het hem onder het dak dier afgezonderde woningen aan niets zal ontbreken, en in een australisch kolonist vindt men altijd een vriendelijken gastheer.

Red-Gumstation.

Red-Gumstation.
Red-Gumstation.

's Anderendaags spande Ayrton reeds bij zonsopgang de ossen voor den wagen. Dienzelfden avond nog wilde hij op de grenzen van Victoria komen. Allengs werd de bodem oneffener. Een golvende reeks van kleine heuvelen strekte zich onafzienbaar ver uit, geheel bestoven met scharlakenrood zand. Het scheen alsof er een onmetelijk rood laken over de vlakte was uitgespreid, welks plooijen door den adem des winds opwoeijen. Eenige "malleys", soorten van witgevlokte dennen, met een regten en gladden stam, breidden hun takken en donkergroene bladeren over vette weiden uit, waarin vrolijke troepen springhazen zeer sterk vermenigvuldigden. Verderop ontwaarde men uitgestrekte gronden met kreupelhout en jonge gomboomen bezet; vervolgens weken de groepen uiteen, de alleenstaande struiken werden boomen, en leverden het eerste staaltje op van de wouden van Australië.

Intusschen veranderde het voorkomen des lands merkelijk, hoe nader zij bij de grenzen van Victoria kwamen. De reizigers bespeurden, dat zij een nieuwen bodem betraden. Onveranderlijk gingen zij in een regte lijn voort, zonder dat eenige hinderpaal, meer of berg hen noodzaakte ze in een kromme of gebrokene lijn te veranderen. Zij bragten steeds de eerste stelling der meetkunst in praktijk, en volgden zonder afwijking den kortsten weg van het eene punt tot het andere. Vermoeijenis en bezwaren voelden zij niet. Hun marsch regelde zich naar den tragen gang der ossen, en al vorderden die bedaarde dieren niet snel, zij stonden ten minste ook niet stil.

Na een afstand van zestig mijlen op die wijze in twee dagen te hebben afgelegd, bereikte de karavaan in den avond van den 23sten het kerspel Aspley, de eerste stad der provincie Victoria, op honderd en een graad lengte in het district Wimerra gelegen.

Ayrton stalde den wagen in Crown's Inn, een herberg die bij gebrek aan beter pronkte met den naam van het hotel de Kroon. Het avondeten, alleen bestaande uit schapenvleesch op allerlei wijzen toebereid, dampte op de tafel.

Er werd veel gegeten, maar nog meer gepraat. Vol begeerte om onderrigt te worden van al het vreemde, dat het vastland van Australië oplevert, ondervroeg elk om strijd den aardrijkskundige. Paganel liet zich niet lang noodigen, en vertelde het volgende van de provincie Victoria, ook Gelukkig Australië genoemd.

"Een verkeerde benaming" zeide hij; "men had beter gedaan haar Rijk Australië te noemen; want het gaat met de landen als met de menschen; het geluk zit niet in den rijkdom. Door zijn goudmijnen is Australië de prooi geworden van de verwoestende en woeste bende fortuinzoekers. Dat zult gij zien, wanneer wij de goudstreken doortrekken."

"Is de kolonie Victoria niet eerst onlangs ontstaan?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! ze telt nog geen dertig jaar. Den 6den Junij 1835, een dingsdag...."

"'s Avonds ten kwart over zevenen," voegde de majoor er bij, die Paganel gaarne in het vaarwater zat met diens juiste opgave der datums.

"Neen, tien minuten over zevenen," hernam de aardrijkskundige in ernst, "stichtten Batman en Falckner een nederzetting te Port-Philip, aan de baai, waaraan thans de groote stad Melbourne zich uitstrekt. Vijftien jaren lang maakte de nieuwe kolonie een deel uit van Nieuw-Zuid-Wales, en behoorde ze onder deszelfs hoofdstad Sidney. Maar in 1851 werd ze onafhankelijk verklaard en nam ze den naam Victoria aan."

"En is zij sedert dien tijd sterk vooruitgegaan?" vroeg Glenarvan.

"Oordeel zelf, hooggeachte vriend!" antwoordde Paganel. "De laatste statistiek levert de volgende cijfers op, en Mac Nabbs mag zeggen wat hij wil, ik ken niets welsprekender dan de cijfers."

"Laat hooren!" zeide de majoor.

"Ik begin al. In 1836 had de kolonie Port-Philip twee honderd vier en veertig inwoners. Thans telt de provincie Victoria er vijf honderd vijftig duizend. Zeven millioen wijnstokken leveren jaarlijks honderd een en twintig duizend gallons[3] wijn. Honderd drie duizend paarden galoppeeren over haar vlakten, en zes honderd vijf en zeventig duizend twee honderd twee en zeventig stuks hoornvee grazen op haar onmetelijke weiden."

"Heeft ze ook niet een zeker aantal varkens?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor! negen en zeventig duizend zes honderd vijf en twintig, met uw welnemen."

"En hoeveel schapen, Paganel?"

"Zeven millioen honderd vijftien duizend negenhonderd drie en veertig, Mac Nabbs!"

"Met inbegrip van het schaap, dat wij thans eten, Paganel?"

"Neen! daarenbuiten, want het is voor drie vierden op."

"Bravo! mijnheer Paganel!" riep lady Helena, hartelijk lagchende; "het moet gezegd worden, dat gij bij zulke aardrijkskundige vragen goed beslagen ten ijs komt, en mijn neef Mac Nabbs zal u, hoe hij zijn best ook doet, nooit op een vergissing betrappen."

"Maar het is mijn vak, mevrouw! al die dingen te weten en ze u des noods te leeren. Gij moogt mij dan ook vrij gelooven, wanneer ik u zeg, dat ons in dit vreemde land wondere dingen wachten."

"Tot nog toe, echter...." antwoordde Mac Nabbs, die er genoegen in vond den aardrijkskundige te plagen om hem eens goed aan het praten te brengen.

"Maar wacht dan toch een beetje, ongeduldige majoor!" riep Paganel. "Pas zet gij een voet op de grenzen, of gij klaagt reeds! Welnu, ik zeg u, ik herhaal, ik houd vol, dat deze landstreek de zonderlingste van de geheele aarde is. Haar vorming, haar natuur, haar voortbrengselen, haar klimaat, ja haar aanstaande verdwijning hebben alle geleerden der wereld verwonderd, verwonderen hen nog en zullen hen altijd verwonderen. Verbeeldt u, vrienden! een vastland, welks kusten in plaats van het binnenland het eerst als een reusachtige ring boven de golven zijn opgerezen; dat misschien in het midden een half verdampte binnenzee bevat; welks rivieren van dag tot dag armer aan water worden; waar geen vochtigheid bestaat, evenmin in de lucht als in den grond; waar de boomen jaarlijks hun schors verliezen in plaats van hun bladeren; waar de bladeren hun randen en niet hun oppervlakte naar de zon wenden en geen schaduw geven; waar het hout dikwijls onbrandbaar is; waar de gehouwene steenen in den regen smelten; waar de bosschen laag en de kruiden reusachtig hoog zijn; waar de dieren allervreemdst zijn; waar de viervoetige dieren vogelbekken hebben, zooals het stekelzwijn en het vogelbekdier, waarom de natuurkundigen verpligt geweest zijn voor hen het nieuwe geslacht der monotremata te scheppen; waar de kangoeroe op zijn ongelijke pooten springt; waar de schapen zwijnskoppen hebben; waar de vossen van den eenen boom op den anderen vliegen; waar de zwanen zwart zijn; waar de ratten nesten maken; waar de prieel-vogel zijn salons openzet voor de bezoeken zijner gevleugelde vrienden, waar de vogels ons verbaasd doen staan door de verscheidenheid hunner zangen en van hun aanleg, die alles te bovengaat, wat de stoutste verbeeldingskracht zich kan voorstellen; waar de een tot klok dient, de ander een postillonszweep doet klappen, de een den schaarslijper nabootst, de ander de seconden aangeeft, gelijk de slinger van een pendule, de een 's morgens lacht, wanneer de zon opgaat, en de ander 's avonds weent, als ze ondergaat! O, land! zoo grillig en dwaas, als er geen tweede te vinden is, o, allervreemdst en onnatuurlijk gevormd land! wel mogt de geleerde plantenkenner Grimard van u zeggen: "zoo is dat Australië een soort van bespotting der natuurwetten, of liever een uitdaging, aan de geheele overige wereld gedaan!"

Het scheen als of er geen stuiten was aan den snellen stroom van woorden van Paganel. De welsprekende secretaris der Maatschappij van aardrijkskunde was zichzelven niet meer meester; hij redeneerde maar voort onder het maken van hevige gebaren en zwaaide met zijn vork, tot geen geringen angst zijner dischgenooten. Maar eindelijk werd hij overstemd door een donderend bravo! en zweeg hij.

Na die opnoeming van de merkwaardigheden van Australië, dacht men er niet aan om nog meer te vragen. De majoor echter kon niet nalaten heel bedaard te zeggen:

"En is dat alles, Paganel?"

"Wel neen! dat is niet alles!" antwoordde de geleerde met nieuw vuur.

"Hoe?" vroeg Lady Helena, wier nieuwsgierigheid geprikkeld werd, "is er in Australië nog meer vreemds?"

"Ja, mevrouw! zijn klimaat! Dat wint het in zonderlingheid nog van zijn voortbrengselen."

"Welnu komaan!" riep men.

"Ik spreek niet van de voor de gezondheid zoo voordeelige hoedanigheden van het vastland van Australië, waar de lucht zoo rijk is aan zuurstof en zoo arm aan stikstof; er heerschen geen vochtige winden, omdat de passaatwinden evenwijdig met de kusten waaijen, en de meeste ziekten zijn er onbekend, van de typhus af tot de mazelen en de slepende ziekten toe."

"Dat is toch geen gering voordeel," meende Glenarvan.

"Toegestemd, maar daarover spreek ik niet," antwoordde Paganel. "Het klimaat heeft hier een eigenschap die ... ongeloofelijk is."

"Welke?" vroeg John Mangles.

"Gij zult mij niet willen gelooven."

"Jawel!" riepen de toehoorders, die in gespannen verwachting verkeerden.

"Welnu, het is...."

"Wat dan?"

"Het bevordert de zedelijkheid!"

"Bevordert het de zedelijkheid?"

"Ja!" antwoordde de geleerde op stelligen toon. "Ja, het bevordert de zedelijkheid! Hier roesten de metalen niet en de menschen evenmin. De zuivere en drooge lucht maakt hier alles spoedig wit, het linnen en de ziel! De bijzondere eigenschappen van dit klimaat hadden de Engelschen wel goed opgemerkt, toen zij besloten de misdadigers hierheen te zenden."

"Maar is die invloed inderdaad merkbaar?" vroeg lady Glenarvan.

"Ja, mevrouw! op dieren en menschen."

"Schertst gij soms, mijnheer Paganel?"

"Ik scherts niet. Paarden en runderen zijn hier bijzonder gedwee. Gij zult het zien."

"Het is niet mogelijk!"

"En toch is het zoo! En de misdadigers, die in deze levenwekkende en gezonde lucht worden overgebragt, bekeeren zich binnen weinige jaren. De philanthropen zijn met die uitwerking zeer goed bekend. In Australië worden alle karakters beter."

"Maar, mijnheer Paganel!" zeide Lady Helena, "gij zijt reeds zoo goed, wat zult gij dan op dit bevoorregte plekje wel worden?"

"Uitmuntend, mevrouw!" antwoordde Paganel, "heel eenvoudig uitmuntend!"

X.

De Wimerra.

Den volgenden dag, 24 December, vertrokken zij bij het krieken van den dag. De warmte was reeds drukkend, maar dragelijk, de weg bijna effen en gunstig voor den stap der paarden. Het kleine gezelschap trok door een dun kreupelbosch. Na een goede dagreis sloeg het zich neder aan den oever van het Witte meer, welks water brak en ondrinkbaar is.

Jacques Paganel moest hier toch erkennen, dat dit meer evenmin wit is, als de Zwarte zee zwart, de Roode zee rood, de Gele rivier geel en de Blaauwe bergen blaauw zijn. Toch dreef hem zijn eigenliefde als aardrijkskundige om lang te redetwisten; maar zijn bewijzen werden niet aangenomen.

Olbinett maakte met zijn gewone stiptheid het avondeten gereed; spoedig daarop vielen de reizigers, eenigen in den wagen, anderen onder de tent in slaap, in weerwil van het akelig gehuil der "dingo's", de sjakals van Australië.

Een heerlijke vlakte, geheel met goudsbloemen bezaaid, strekte zich aan gene zijde van het Witte meer uit. Toen Glenarvan en zijn reisgenooten den volgenden morgen ontwaakten, hadden zij zich gaarne verlustigd in het prachtige schouwspel, dat zich aan hun oog vertoonde. Zij vertrokken. Alleen in de verte verrieden eenige oneffenheden de rijzing van den grond; zoo ver het oog reikte was alles gras en bloemen in hun lentedos. De blaauwe weerschijn van het fijn gebladerde vlas smolt ineen met het scharlakenrood van een hier te huis behoorenden beerenklaauw. Talrijke verscheidenheden van eremophila's verlevendigden dit groen, en de zout bevattende gronden verdwenen onder de ganzevoeten, de melde, de bieten, dezen grijsgroen, die roodachtig van kleur, behoorende tot de snel voortwoekerende familie der sodaplanten. Die planten zijn zeer nuttig voor de nijverheid; want zij geven een uitmuntende soda door verbranding en het uitwasschen der asch. Paganel, die onder de bloemen een kruidkundige werd, gaf al die uiteenloopende voortbrengselen hun eigen naam, en met zijn gewone voorliefde voor cijfers verzuimde hij niet te zeggen, dat men tot nog toe in de flora van Australië vier duizend twee honderd soorten van planten telde, in honderd twintig familiën verdeeld.

Na een tiental mijlen snel afgelegd te hebben, reed de wagen tusschen hooge boschjes acacia's, mimosa's en witte gomboomen, wier bloemen op zoo verschillende wijzen geschikt zijn. Het plantenrijk toonde zich in dit gewest der "spring plains"[1], niet ondankbaar jegens de dagvorstin, en gaf haar in geuren en kleuren terug wat de zon in stralen gaf.

Het dierenrijk was kariger in zijne voortbrengselen. Eenige kasuarissen sprongen in de vlakte rond, zonder dat het mogelijk was ze te naderen. Toch was de majoor behendig genoeg een zeer vreemd dier te schieten, dat weldra uitgestorven zal zijn. Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten. Die vogel was vijf voet hoog, en zijn zwarte, breede, kegelvormige bek met zeer spitse punt, achttien duim lang. De paarsche en purpere weerschijn van zijn kop stak sterk af bij het glanzige groen van zijn hals, de schitterende witheid van zijn krop en het heldere rood van zijn lange pooten. De natuur scheen ten zijnen behoeve haar geheele palet met hoofdkleuren te hebben uitgeput.

Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten.

Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten.
Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten.

Die vogel werd zeer bewonderd, en de majoor zou onverdeeld de eer van den dag genoten hebben, als de jonge Robert niet eenige mijlen verder een wanstaltig dier, half egel, half miereneter, een wezen, dat maar half afgewerkt was, gelijk de dieren uit de eerste tijden der schepping, ontmoet en geveld had. Een lange en kleverige tong hing uit zijn tandeloozen bek, en ving de mieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken.

"Dat is een stekelzwijn," zeide Paganel, die aan dit monotrema terstond zijn waren naam gaf. "Hebt gij ooit zulk een dier gezien?"

"Het is afschuwelijk," antwoordde Glenarvan.

"Afschuwelijk, maar vreemd," hernam Paganel; "bovendien behoort het uitsluitend in Australië te huis en zou men het te vergeefs in ieder ander werelddeel zoeken."

Natuurlijk wilde Paganel het afzigtelijke stekelzwijn medenemen en bij de bagaadje stoppen. Maar Olbinett verzette zich met zooveel verontwaardiging, dat de geleerde er van afzag om dit staaltje van de monotremata te bewaren.

Dien dag kwamen de reizigers tot honderd een en veertig en een halven graad lengte. Tot nog toe hadden zij maar weinig kolonisten en squatters aangetroffen. Het land scheen onbewoond. Van inboorlingen was geen schaduw te zien; want de wilde stammen zwerven meer noordelijk in de onmetelijke woestijnen, die de bijrivieren van de Darling en de Murray besproeijen.

Maar een zonderling schouwspel trok de aandacht van Glenarvan en zijn gezelschap. Hij had het geluk een van die tallooze kudden te ontmoeten, welke door ondernemende speculanten van de oostelijke bergen naar de provinciën Victoria en Zuid-Australië gedreven worden.

's Namiddags omstreeks vier ure berigtte John Mangles, dat er drie mijlen voor hen uit aan den gezigteinder een zware stofwolk opsteeg. Van waar dat verschijnsel? Men was zeer verlegen om er een verklaring van te geven. Paganel helde over tot de meening, dat het een luchtverheveling kon zijn, en zijn werkzame verbeeldingskracht zocht er reeds een natuurlijke oorzaak voor. Maar Ayrton sloot het wijde veld der gissingen, waarop hij zich waagde, af met te zeggen, dat al dat stof opgejaagd werd door een kudde op den weg.

De bootsman bedroog zich niet. De digte wolk kwam naderbij. Een heel concert van geblaat, gehinnik en geloei steeg er uit op. Onder den vorm van schreeuwen, fluiten en vloeken paarde zioh ook de menschelijke stem aan die herderstoonen.

Een man kwam uit die luidruchtige wolk te voorschijn. Het was de hoofdaanvoerder van dat viervoetige leger. Glenarvan ging hem te gemoet en zonder verderen omslag knoopten zij een gesprek aan. De aanvoerder of om hem zijn waren titel te geven, de veehoeder, was eigenaar van een gedeelte der kudde. Hij heette Sam Machell, kwam inderdaad uit de oostelijke provinciën en begaf zich naar de Portlandbaai.

Zijn kudde bestond uit twaalf duizend vijf en zeventig stuks, te weten duizend runderen, elf duizend schapen en vijf en zeventig paarden. Al die dieren, welke slechts vel en been waren, toen hij ze in de vlakten der Blaauwe bergen kocht, zouden vet worden op de heerlijke weiden van Zuid-Australië, waar zij met groote winst afgezet worden. Zoo zou Sam Machell, twee pond per rund en een half pond per schaap winnende, een voordeel hebben van negentig duizend gulden. Het was dus een goede zaak. Maar wat al geduld, wat al inspanning was er niet noodig om die weerbarstige kudde ter bestemder plaatse te brengen, wat al vermoeijenis moest hij er niet voor uitstaan! De winst, welke dat zware beroep oplevert, is zuur verdiend!

Sam Machell vertelde met weinige woorden zijn geschiedenis, terwijl de kudde haar weg vervolgde tusschen de mimosa struiken. Lady Helena, Mary Grant, de ruiters waren allen afgestegen en in de schaduw van een grooten gomboom gezeten, luisterden zij naar het verhaal van den herder.

Sam Machell was al zeven maanden op weg; hij legde per dag tien mijlen af en zijn lange reis moest nog drie maanden duren. Om hem in zijn moeijelijke taak bij te staan had bij twintig honden en dertig menschen, waaronder vijf zwarten, die zeer bedreven waren in het terugvinden van het spoor der afgedwaalde dieren. Zes karren volgden het leger. De drijvers met "stockwipps" gewapend, zweepen, waarvan de steel achttien duim en de riem negen voet lang is, liepen tusschen de rijen door, om de orde, die vaak gestoord werd, te handhaven, terwijl de ligte ruiterij der honden op de vleugels draafde.

De reizigers bewonderden de tucht, die onder de kudde heerschte. De verschillende diersoorten waren van elkander afgezonderd, want runderen en wilde schapen verstaan elkander niet goed; de eersten willen nooit grazen waar de anderen hun voor geweest zijn. Vandaar dat het noodig was de runderen voorop te plaatsen, die in twee bataillons verdeeld, vooruitgingen. Daarop volgden vijf regimenten schapen onder bevel van twintig drijvers, en het peloton paarden maakte de achterhoede uit.

Sam Machell maakte zijn toehoorders opmerkzaam, dat de guides van het leger geen honden of menschen, maar wel runderen, verstandige gidsen waren, wier meerderheid hun natuurgenooten erkenden. Zij liepen in het eerste gelid, spreidden veel deftigheid ten toon, namen uit instinct den regten weg, en waren stellig overtuigd, dat zij regt hadden op een goede behandeling. Zij werden dan ook ontzien; want de kudde gehoorzaamde hun zonder tegenspraak. Vonden zij goed om niet op te houden, dan moest men zich aan die gril onderwerpen, en te vergeefs zou men beproeven na een halt weder op weg te gaan, als zij niet zelven het sein om te vertrekken gaven.

Met nog eenige bijzonderheden, die de veehoeder er bijvoegde, was de geschiedenis van dien togt volledig, die wel waard was door Xenophon beschreven, ja aangevoerd te worden. Zoolang het leger door de vlakte trok ging alles goed. Weinig last, weinig vermoeidheid. De beesten graasden langs den weg, dronken uit de talrijke greppels in de weiden, sliepen 's nachts, reisden over dag, en voegden zich gedwee bijeen op het geblaf der honden. Maar in de groote bosschen van het vastland, tusschen de lage mirte- en mimosa-struiken, namen de moeijelijkheden toe. Pelotons, bataillons en regimenten liepen dooreen of dwaalden af, en dan was er heel wat tijd noodig om ze weer bijeen te krijgen. Verdwaalde er soms bij ongeluk een gids, dan moest hij, wat het ook kosten mogt, terug gevonden worden, wilde men niet alles weg zien loopen, en dan bragten de zwarten soms verscheidene dagen met die moeijelijke nasporingen door. Vielen er zware regenbuijen, dan weigerden de luije dieren verder te gaan, en bij hevige onweders maakte zich een onbeschrijfelijke angst van de razende dieren meester.

Met inspanning van alle krachten en door onafgebrokene werkzaamheid mogt de veehoeder toch zegevieren over die telkens terugkeerende moeijelijkheden. Hij liep maar door, de eene mijl na de andere werd afgelegd, vlakten, bosschen, bergen, alles geraakte eindelijk achter den rug. Maar soms moest hij bij zooveel vereischten ook nog die hoofdeigenschap voegen, die geduld heet, een onwankelbaar geduld, een geduld, dat niet alleen de uren, niet alleen de dagen, maar geheele weken niet konden uitputten, en dat was bij den overtogt der rivieren. Daar werd de veehoeder voor een stroom opgehouden, niet omdat hij onoverkomelijk was, maar omdat de dieren er niet over wilden; de koppigheid van het vee was de eenige hinderpaal. Zoodra de runderen het water opgesnoven hadden, keerden zij terug. De schapen liepen naar alle kanten weg, liever dan zich te water te begeven. De nacht werd afgewacht om de dieren naar de rivier te lokken, niets baatte. Met geweld wierp men de rammen er in, de ooijen wilden hen niet volgen. Men beproefde de kudde door dorst te dwingen en onthield haar onderscheidene dagen lang het noodige water, het vee deed het zonder drinken en waagde zich niet. De lammeren werden naar de overzijde gebragt, in de hoop, dat hun moeders op hun geschreeuw zouden overkomen; de lammeren blaatten, maar de moeders bewogen zich niet. Dat duurde soms een maand, en de veehoeder wist niet meer, wat hij moest beginnen met zijn blatend, hinnikend en loeijend leger. Daar stak op eens, zonder reden, uit een gril, men weet niet waarom noch hoe, een afdeeling de rivier over, en nu had men weer de handen vol om te beletten, dat de heele kudde zich in wanorde in het water stortte. Er kwam verwarring in de gelederen, en vele dieren verdronken in den snellen stroom.

Dat alles vertelde Sam Machell. Intusschen was een groot deel der kudde in goede orde voorbij getrokken. Het was tijd, dat hij zich weder aan het hoofd van zijn leger stelde om de beste weiden op te zoeken. Hij nam dus afscheid van lord Glenarvan, besteeg een uitmuntend inlandsch paard, dat een zijner knechts aan den teugel hield, en ontving van allen een hartelijken handdruk tot afscheid. Weinige oogenblikken daarna was hij in de stofwolk verdwenen.

De wagen hervatte zijn een oogenblik gestaakten togt in de tegenovergestelde rigting, en hield eerst 's avonds aan den voet van den berg Talbot stil.

Paganel maakte nu de gegronde opmerking, dat het de 25ste December was, het Kersfeest, de groote feestdag in de engelsche huisgezinnen. Maar de hofmeester had het niet vergeten, en een lekker maal, onder de tent aangerigt, verschafte hem den welgemeenden lof der gasten. Om de waarheid te zeggen had Olbinett zichzelven overtroffen. Uit zijn voorraadkamer had hij een aantal europeesche spijzen gehaald, die men zelden zal aantreffen in de woestijnen van Australië. Een rendierham, eenige sneden pekelvleesch, gerookte zalm, een gerste- en haverkoek, thee, zooveel men lustte, whisky in overvloed en eenige flesschen portwijn vormden dit onverwachte maal. Men kon zich bijna verbeelden in de groote eetzaal van het kasteel Malcolm, in het midden der Hooglanden, in het hartje van Schotland te zijn.

Niets toch ontbrak aan dit feestmaal, van de gembersoep af tot de minced-pies van het dessert toe. Paganel oordeelde echter goed te doen, wanneer hij er de vruchten bijvoegde van een wilden oranjeboom, die aan den voet der heuvelen groeide. Het was de "moccaly" der inboorlingen; zijn vruchten zijn vrij smakeloos; maar zijn verpletterde pitten verbranden den mond als cayennepeper. De aardrijkskundige at ze uit liefde tot de wetenschap zoo overdadig, dat ze zijn gehemelte verschroeiden, en hij de vragen, die de majoor over de eigenaardigheden der australische bosschen tot hem rigtte, niet kon beantwoorden.

Den volgenden dag, 26 December, viel er niets voor, dat vermelding verdient. Men trof de bronnen der Norton-kreek, en later de uitgedroogde Mackensie-rivier aan. Het weder bleef zeer schoon, de warmte dragelijk; de wind bleef zuid en verkoelde den dampkring, gelijk op het noordelijk halfrond de noordewind zou gedaan hebben. Paganel deed dit zijn vriendje Robert Grant opmerken.

"Een gelukkige omstandigheid," voegde hij er bij; "want de gemiddelde warmte is grooter op het zuidelijk dan op het noordelijk halfrond."

"Hoe komt dat?" vroeg de knaap.

"Hoe dat komt?" antwoordde Paganel. "Hebt gij dan nooit gehoord, dat de aarde 's winters digter bij de zon is?"

"Ja, mijnheer Paganel!"

"En dat de koude van den winter alleen een gevolg is van de schuine rigting der zonnestralen?"

"Jawel."

"Welnu, mijn jongen! om diezelfde reden is het warmer op het zuidelijk halfrond."

"Dat begrijp ik niet," antwoordde Robert, groote oogen opzettende.

"Denk maar eens na," hernam Paganel. "Wanneer het bij ons, in Europa, winter is, welk jaargetijde heeft men dan hier in Australië, bij onze tegenvoeters?"

"Zomer," zeide Robert.

"Welnu, omdat de aarde dan juist digter bij de zon is ... begrijpt gij?"

"Ik begrijp...."

"Daaruit volgt, dat de zomer in de zuidelijke streken door die nabijheid warmer is dan de zomer der noordelijke landen."

"Dat is zoo, mijnheer Paganel!"

"Zegt men dus, dat de zon "in den winter" digter bij de aarde is, dan geldt dit alleen voor ons, die het noordelijk gedeelte van den aardbol bewonen."

"Daaraan had ik nooit gedacht," antwoordde Robert.

"Zorg dan maar, dat gij dat nooit vergeet, mijn jongen!"

Robert was dankbaar voor dit lesje in de wereldbeschrijving, en vernam ten slotte nog, dat de gemiddelde warmte der provincie Victoria vier en zeventig graden Fahrenheit bedroeg.

's Avonds sloeg het gezelschap zich vijf mijlen aan gene zijde van het Lonsdale-meer neder, tusschen den berg Drummond ten noorden, en den berg Dryden, wiens niet zeer hooge top in het zuiden den gezigteinder voor een gedeelte bedekte.

Den volgenden morgen ten elf ure bereikte de wagen de oevers der Wimerra, onder den honderd drie en veertigsten graad lengte.

De een halve mijl breede rivier stuwde haar helder water tusschen twee hooge rijen gomboomen en acacia's voort. Eenige prachtige mirtplanten, o.a. de "Metrosideros speciosa," verhieven hun lange en neerhangende takken, versierd met roode bloemen, wel vijftien voet hoog. Duizend vogels, wielewalen, vinken, duiven met goudkleurige vleugels, zonder nog te spreken van de snaterende papegaaijen, fladderden in de groene takjes rond. Beneden, op de oppervlakte des waters, zwommen een paar schuwe en ongenaakbare zwarte zwanen. Die vreemde vogel der australische rivieren verdween weldra op de kronkelende Wimerra, die met tallooze bogten die liefelijke streek bespoelde.

Inmiddels had de wagen stilgehouden op een grastapijt, welks franjes over het snelvlietende water hingen. Vlot noch brug was hier te zien. En toch moest men er over. Ayrton was bezig een doorwaadbare plaats te zoeken. Een kwartmijl stroomopwaarts dacht hij, dat de rivier minder diep was, en op die plek besloot hij te beproeven of hij den anderen oever bereiken kon. Een aantal peilingen gaven slechts vier voet water. Zonder veel gevaar kon de wagen zich dus over die ondiepte wagen.

"Is er geen ander middel om de rivier over te trekken?" vroeg Glenarvan den bootsman.

"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton; "maar dien overtogt houd ik niet voor gevaarlijk. Wij zullen er wel doorsukkelen."

"Moeten lady Glenarvan en miss Grant den wagen verlaten?"

"Volstrekt niet. Mijn ossen staan vast en ik zal wel zorgen, dat zij op den regten weg blijven."

"Vooruit dan maar, Ayrton! ik vertrouw op u," antwoordde Glenarvan.

De ruiters omringden het lompe voertuig en allen gingen vol moed te water. Gewoonlijk zijn de wagens, wanneer zij die doorwaadbare plaatsen overtrekken, omringd met een gordel van ledige tonnen, die ze boven water houdt. Maar hier miste men dien zwemgordel; men moest het dus laten aankomen op de schranderheid der ossen, die de voorzigtige Ayrton bestuurde. Op den bok gezeten mende deze het span, de majoor en de twee matrozen kliefden den snellen stroom een eind weegs vooruit; Glenarvan en John Mangles hielden zich links en regts van den wagen gereed om de reizigsters bijstand te verleenen. Paganel en Robert sloten den trein.

Alles ging goed tot in het midden der Wimerra. Maar nu werd de gleuf dieper en kwam het water tot boven de velgen. Van de ondiepte afgeraakt, konden de ossen grond verliezen en het wankele rijtuig medeslepen. Ayrton stelde moedig zijn leven bloot; hij sprong in het water, en zich vastklemmende aan de horens der ossen, gelukte het hem ze op den regten weg terug te brengen.

Thans had er een schok plaats, dien niemand had kunnen voorzien; een gekraak liet zich horen; de wagen helde vreeselijk over; het water kwam tot aan de voeten der reizigsters; de geheele toestel dreef af, hoezeer Glenarvan en John Mangles zich aan de kap vastklemden om den wagen overeind te houden. Het was een ontzettend oogenblik.

... de wagen helde vreeselijk over....

... de wagen helde vreeselijk over....
... de wagen helde vreeselijk over....

Zeer gelukkig bragt een forsche ruk aan het gareel het voertuig digter bij den anderen oever. De bedding der rivier verschafte aan de ossen en paarden een stijgenden weg, en spoedig waren menschen en dieren tot hun groote vreugde hoewel doornat in veiligheid aan den overkant.

Het voorstel van den wagen echter was door den schok gebroken en het paard van Glenarvan had de ijzers van zijn voorpooten verloren.

Dit ongemak moest ten spoedigste hersteld worden. De reizigers keken elkaar zeer verlegen aan, toen Ayrton voorstelde naar het station van Black-Point te gaan, dat twintig mijlen noordelijker lag, en er een hoefsmid vandaan te halen.

"Ga, beste Ayrton! ga!" zeide Glenarvan. "Hoeveel tijd hebt gij noodig voor de heen- en weerreis?"

"Misschien vijftien uren," antwoordde Ayrton, "maar meer niet."

"Vertrek dan, en wij zullen, tot gij terugkomt, aan den oever der Wimerra uitrusten."

Eenige minuten later verdween de bootsman op het paard van Wilson achter een digte gordijn van mimosa 's.

XI.

Burke en Stuart.

Het overige van den dag werd met gesprekken en wandelingen doorgebragt. Al pratende en bewonderende liepen de reizigers langs de oevers der Wimerra. De aschgraauwe kraanvogels en de ibissen vlugtten met luid geschreeuw bij hun aannadering. De prachtmees verschool zich in de hooge takken van den wilden vijgenboom, de wielewalen, de zwartkeeltjes, de kraaghoppen fladderden tusschen de trotsche stengels der leliën, de ijsvogels staakten hun gewone vischvangst, terwijl de geheele beschaafder familie der papegaaijen, de "blue-mountain" pronkende met de zeven kleuren van den regenboog, de kleine "roschill" met zijn scharlaken rood kopje en geele keel, en de "lori" met zijn rood en blaauw gevederte, hun oorverdoovend gekakel op den top der bloeijende gomboomen voortzetten.

Nu eens op het gras aan den oever van het murmelende water uitgestrekt, dan weer rondslenterende tusschen de mimosa-struiken, bewonderden de wandelaars tot het vallen van den avond toe die schoone natuur. De nacht, die slechts door een kortstondige schemering voorafgegaan werd, overviel hen een halve mijl van de legerplaats af. Bij hun terugtogt rigtten zij zich niet naar de poolster, die op het zuidelijk halfrond onzigtbaar is, maar naar het zuiderkruis, dat halverwege den gezigteinder en het toppunt schitterde.

... de nacht overviel hen een halve mijl van de legerplaats af.

... de nacht overviel hen een halve mijl van de legerplaats af.
... de nacht overviel hen een halve mijl van de legerplaats af.

Olbinett had het avondeten onder de tent opgedischt. Allen zetten zich aan tafel. De hoofdschotel was een zeker gebraad van papegaaijen, die Wilson heel handig geschoten en de hofmeester lekker klaar gemaakt had.

Toen het avondeten afgeloopen was, zocht elk om strijd naar een voorwendsel om de eerste uren van zulk een schoonen nacht niet slapend door te brengen.

Lady Helena stelde allen tevreden door Paganel te verzoeken de geschiedenis der groote australische reizigers te vertellen, een geschiedenis, die hij hun reeds voor lang beloofd had.

Dat was koren op den molen van Paganel. Zijn toehoorders zetten zich neer aan den voet van een prachtigen banksia; de rook der sigaren steeg weldra omhoog tot aan het gebladerte, dat in de schaduw wegschool, en in het vertrouwen op zijn ijzersterk geheugen nam de aardrijkskundige terstond het woord.

"Gij herinnert u, vrienden! en de majoor althans zal het nog wel weten, de lijst van reizigers, die ik u aan boord van de Duncan opgaf. Van al degenen, die in het binnenland trachtten door te dringen, mogt het er slechts aan vier gelukken het van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden te doorkruisen. Het zijn: Burke, in 1860 en 61; Mac Kinlay, in 1861 en 62; Landsborough in 1862, en Stuart, ook in 1862. Van Mac Kinlay en Landsborough heb ik maar weinig te vertellen. De eerste ging van Adelaïde naar de golf van Carpentaria, de tweede van de golf van Carpentaria naar Melbourne; beiden waren door australische vereenigingen uitgezonden om Burke op te sporen, die niet meer te voorschijn kwam en ook nooit terug zal komen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings