JULES VERNE. (continued 3)
Reading edition
"Burke en Stuart, dat zijn de twee stoute reizigers, over wie ik zal spreken, en ik begin nu zonder verdere voorafspraak.
"Den 20sten Augustus 1860 vertrok op last van de koninklijke Maatschappij te Melbourne, een gewezen iersch officier en oud-inspecteur van politie te Castlemaine, Robert O'Hara Burke geheeten. Elf personen vergezelden hem: William John Wills, een jeugdig veelbelovend sterrekundige, doktor Beckler, een kruidkundige, Gray, King, een jeugdig militair uit het indische leger, Landells, Brahe, en verscheidene cipayers. Vijf en twintig paarden en evenveel kameelen droegen de reizigers, hun bagaadje en levensmiddelen voor achttien maanden.
"De reizigers moesten zich langs de Cooper-rivier naar de golf van Carpentaria op de noordkust begeven. Zij kwamen zonder ongeval over de Murray en de Darling en bereikten het station van Menindie, op de uiterste grens der koloniën.
"Daar zag men in, dat de menigte bagaadje zeer lastig was. Dit bezwaar en een zekere ruwheid van karakter van Burke zaaiden oneenigheid in het gezelschap. Landells, de opzigter over de kameelen, scheidde zich met eenige hindoesche bedienden van de overigen, en keerde naar de oevers der Darling terug; Burke zette den togt voort. Nu eens door heerlijke, rijk bewaterde weiden, dan weer over steenachtige en waterlooze wegen, zakte hij naar de Cooper's kreek af. Den 20sten November, drie maanden na zijn vertrek, legde hij de eerste bewaarplaats van levensmiddelen op den oever der rivier aan.
"Hier werden de reizigers eenigen tijd opgehouden, omdat zij geen bruikbaren weg naar het noorden vonden, een weg, waarop zij geen gebrek aan water behoefden te vreezen. Na groote moeijelijkheden sloegen zij zich neer op een plaats, die zij het fort Wills noemden. Zij maakten er een post van met palissaden omringd, halverwege Melbourne en de golf van Carpentaria gelegen. Daar verdeelde Burke zijn gezelschap in tweeën. Eenigen moesten onder bevel van Brahe drie maanden, en liet de voorraad het toe, nog langer in het fort Wills blijven en de terugkomst der anderen afwachten. De andere afdeeling bestond uit Burke, King, Gray en Wills. Zij namen zes kameelen mede, beladen met levensmiddelen voor drie maanden, dat is drie centenaars meel, vijftig pond rijst, vijftig pond havermeel, een centenaar gedroogd paardevleesch, honderd pond gezouten varkensvleesch en spek, en dertig pond beschuit, voldoende om heen en terug zes honderd uren af te leggen.
"Die vier mannen vertrokken. Na een moeijelijke reis door een steenachtige woestijn kwamen zij aan de rivier de Eyre, het uiterste punt, dat Sturt in 1845 bereikte, en van daar zoo naauwkeurig mogelijk den honderd veertigsten lengtegraad volgende, rigtten zij zich noordwaarts.
"Den 7den Januarij bereikten zij onder een brandende zon den keerkring. Bedriegelijke luchtspiegelingen misleidden hen soms, dikwijls hadden zij gebrek aan water, dan weder verfrischten hen hevige regenbuijen, van tijd tot tijd troffen zij eenige zwervende inlanders aan, die hun geen leed deden; kortom, zij hadden met weinig bezwaren te kampen op een weg die door geen meren, rivieren noch bergen werd versperd."
"Den 12den Januarij vertoonden zich in het noorden eenige zandsteenheuvels; o.a. de berg Forbes en een reeks granietketenen, "ranges" genoemd. Daar kwam de vermoeijenis eerst aan. Ter naauwernood vorderden zij. De dieren weigerden voort te gaan: "Altijd in de ranges! de kameelen zweeten van angst!" schrijft Burke in zijn zakboekje. Toch komen de reizigers na ontzaggelijke inspanning aan de oevers der rivier de Turner, vervolgens aan den bovenloop der Flinders-rivier, die Stokes in 1841 zag, en die zich door palm- en gomboomen omzoomd in de golf van Carpentaria werpt.
"De nabijheid van den oceaan bleek uit een aaneenschakeling van moerassige gronden. Een der kameelen zonk er in weg. De anderen wilden niet verder gaan. King en Gray moesten er bij blijven. Burke en Wills zetten hun reis in een noordelijke rigting voort, en na groote moeijelijkheden, die in hun aanteekeningen zeer onduidelijk worden verhaald, bereikten zij een punt waar de vloed de moerassen overstroomde; maar zij zagen den oceaan niet. Dat was den 11den Februarij 1861."
"Dus konden die stoute mannen niet verder gaan?" vroeg lady Glenarvan.
"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "De moerassige grond zonk onder hun voeten weg, en zij moesten er nu op bedacht zijn om hun reisgenooten in het fort Wills weer op te zoeken. Een treurige terugreis, dat verzeker ik u! Zwak en krachteloos sleepten Burke en zijn makker zich voort, tot zij Gray en King terugvonden. Vervolgens begaven zij zich zuidwaarts naar de Cooper's-kreek, langs denzelfden weg, dien zij gekomen waren.
"De angst, de gevaren, het lijden, dat zij op die reis uitstonden, zijn ons slechts ten deele bekend; want het zakboekje der reizigers zwijgt er van. Maar het moet verschrikkelijk geweest zijn."
"In de maand April toch, toen zij in de Cooper-vallei aankwamen, waren zij nog maar met hun drieën. Gray was onder het lijden bezweken. Vier kameelen waren dood. Gelukt het Burke nu maar het fort Wills te bereiken, waar Brahe hem met zijn voorraad levensmiddelen wacht, dan zijn hij en zijn makkers gered. Zij verdubbelen hunne pogingen; zij slepen zich nog eenige dagen voort; den 21sten April bemerken zij de palissaden van het fort. Zij bereiken het!... Dienzelfden dag was Brahe na vijf maanden vergeefs gewacht te hebben, vertrokken."
"Vertrokken!" riep de jonge Robert.
"Ja, vertrokken! dienzelfden dag, door een jammerlijke gril van het lot! Het briefje, dat Brahe achtergelaten had, was nog geen zeven uren oud! Burke kon er niet aan denken hem in te halen. De ongelukkige verlatenen verkwikten zich een weinig met den voorraad, dien zij vonden. Maar het ontbrak hun aan middelen van vervoer, en honderd vijftig uren scheidden hen nog van de Darling.
"Nu krijgt Burke, in strijd met de meening van Wills, het in het hoofd om de australische nederzettingen te bereiken, die digt bij den berg Hopeless, zestig uren van het fort Wills, liggen. Zij gaan op weg. Van de twee overgebleven kameelen smoort er een in een modderigen zijtak van de Cooper's-kreek; de andere kan geen stap meer doen; men moet hem dooden en zich met zijn vleesch voeden. Weldra zijn de levensmiddelen op. De drie ongelukkigen zijn verpligt zich met "nardou" te voeden, een waterplant, welker kiemkorrels eetbaar zijn. Uit gebrek aan water, uit gebrek aan middelen om het te vervoeren, kunnen zij zich niet van de oevers der Cooper verwijderen. De vlammen verslinden hun hut en hun reisbenoodigdheden, zij zijn verloren! De dood grijnst hen aan!
"Burke riep King bij zich en zeide: "Mij schieten nog maar eenige uren levens over: ziedaar mijn horlogie en mijn aanteekeningen. Wanneer ik dood ben, verlang ik, dat gij mij een pistool in de regterhand geeft, en dat gij mij onbegraven in dezelfde houding laat zitten!" Dit waren Burke's laatste woorden. Den volgenden morgen ten acht ure gaf hij den geest.
De dood van Burke.

"Ontsteld en radeloos ging King een australischen volksstam opzoeken. Toen hij terug kwam, was Wills ook reeds gestorven. Wat King aangaat, deze werd door inboorlingen verpleegd en in de maand September door het gezelschap van Howitt teruggevonden, die te gelijk met Mac Kinlay en Landsborough uitgezonden was om Burke op te sporen. Van de vier reizigers overleefde er dus maar een dien togt over het vastland van Australië."
Het verhaal van Paganel had een pijnlijken indruk achtergelaten in het gemoed zijner hoorders. Allen dachten aan kapitein Grant, die misschien evenals Burke en de zijnen ronddoolde in het hart van dat noodlottige vastland. Waren de schipbreukelingen ontsnapt aan het lijden, dat die stoute baanbrekers trof? Die overpeinzing was zoo natuurlijk, dat Mary Grant er de tranen door in de oogen kwamen.
"Mijn vader! mijn arme vader!" jammerde zij.
"Miss Mary! miss Mary!" riep John Mangles, "zulke rampen kunnen alleen hem treffen, die zich in de binnenlanden waagt! Maar kapitein Grant is immers evenals King in de handen der inboorlingen, en evenals King zal hij gered worden! Nooit heeft hij zich in zulk een droevigen toestand bevonden!"
"Nooit!" voegde Paganel er bij, "en ik herhaal het, lieve miss! de Australiërs zijn herbergzaam."
"God geve, dat gij de waarheid spreekt!" antwoordde het meisje.
"En Stuart?" vroeg Glenarvan, die eenige afleiding wilde geven aan den stroom dier treurige gedachten.
"Stuart?" herhaalde Paganel. "O, Stuart is gelukkiger geweest, en zijn naam prijkt met eere in de australische jaarboeken. Reeds van het jaar 1848 af bereidde zich John Mac Doual Stuart, uw landgenoot, vrienden! op zijn reizen voor, door Stuart te vergezellen in de woestijnen ten noorden van Adelaïde. In 1860 poogde hij, maar te vergeefs, door slechts twee mannen vergezeld, in het binnenland van Australië door te dringen. Hij was er echter de man niet naar om zich te laten ontmoedigen. Op Nieuwjaarsdag van het jaar 1861 verliet hij aan het hoofd van elf vastberaden makkers de Chambers-kreek, en hield eerst stil op zestig uren van de golf van Carpentaria; maar gebrek aan levensmiddelen dwong hem naar Adelaïde terug te keeren, zonder dat hij het vreeselijke vastland had doorreisd. Toch durfde hij nog een kans wagen, en ontwierp hij het plan tot een derden togt, die ditmaal het zoo vurig gewenschte doel mogt bereiken.
"Het parlement van Zuid-Australië trok zich dat nieuwe onderzoek sterk aan; het verleende een subsidie van twee duizend pond sterling. Stuart verzuimde geen van de voorzorgen, die de ondervinding op zijn vorige togten hem als noodig had doen kennen. Zijn vrienden, de natuurkundige Waterhouse, zijn vroegere medereizigers Thring en Kekwick, benevens Woodforde en Auld, in het geheel tien personen, voegden zich bij hem. Hij nam twintig zakken van amerikaansch leder mede, die elk zeven gallons konden inhouden, en den 5den April 1862 was het gezelschap bijeen aan het New-Castle-Water, over den achttienden graad breedte, hetzelfde punt, dat Stuart niet had kunnen overschrijden. Zijn weg liep ongeveer langs den honderd een en dertigsten graad lengte en dus zeven graden westelijker dan die van Burke.
"Het New-Castle-Water zou de grondslag zijn der nieuwe onderzoekingen. Door digte bosschen omringd, poogde Stuart te vergeefs zich ten noorden en ten noordoosten een weg te banen. Evenmin gelukte het hem om in westelijke rigting de Victoria-rivier te bereiken, ondoordringbaar struikgewas sloot elken uitweg af.
"Nu besloot Stuart van legerplaats te veranderen, en het gelukte hem ze een weinig noordelijker, in de moerassen van Hower te verplaatsen. Van daar oostwaarts trekkende ontdekte hij te midden van grasrijke vlakten de beek Daily, die hij een dertig mijlen ver volgde.
"De streek werd prachtig; een squatter een met zulke weiden regt in zijn schik geweest zijn en er spoedig rijk worden, de gomboomen bereikten er een ontzettende hoogte. Vol verbazing ging Stuart steeds verder; hij bereikte de oevers der Strangway en der Roper's-kreek, die Leichardt ontdekt had; haar wateren stroomden tusschen palmboomen door, die zulk een tropische streek waardig waren; daar woonden inlandsche stammen, bij wie de reizigers goed ontvangen werden.
"Van dit punt af rigtten zij zich naar het noord-noordwesten om in een landstreek met zandsteen en ijzerhoudende rotsblokken bedekt de bronnen der Adelaïde op te sporen, een rivier, die zich in de golf van Van Diemen stort. Zij trokken nu door Arnhemsland, te midden van palmkool, bamboes, dennen en slingerplanten. De Adelaïde werd breeder, haar oevers werden moerassig; de zee was nabij.
"Dingsdag, dan 22sten Julij, was Stuart in de moerassen van Fresh-water gelegerd, waar de tallooze beken, die zijn weg doorsneden, hem zeer hinderlijk waren. Hij zond drie der zijnen uit om bruikbare wegen op te zoeken; 's anderen daags bereikten hij, na ondoorwaadbare kreeken omgetrokken en dikwijls in de slijkerige gronden weggezakt te zijn, eenige hooge met gras begroeide plekken, waar boschjes gomboomen en boomen met vezelachtige schors groeiden; daar vlogen ganzen, ibissen en zeer schuwe watervogels bij heele troepen rond. Inboorlingen waren er bijna in het geheel niet te zien. Alleen in de verte steeg de rook van eenige legerplaatsen omhoog.
"Den 24sten Julij, negen maanden na zijn vertrek uit Adelaïde, vertrok Stuart 's morgens twintig minuten over achten in een noordelijke rigting; dienzelfden dag wil hij de zee bereiken; het land glooit zachtjes en is bezaaid met ijzererts en vulkanische steenen; de boomen verschrompelen, een gevolg van den zeewind; een alluviale vallei vertoont zich, door een gordijn van struiken begrensd. Stuart hoort duidelijk het geraas der branding; maar hij zegt er zijn makkers niets van. Zij dringen in een kreupelbosch, dat loten van een wilden wijnstok ondoordringbaar maken.
"Stuart doet eenige schreden vooruit. Hij staat aan den oever van den Indischen oceaan! "De zee! de zee!" roept Thring verbaasd uit. De anderen komen aanloopen en begroeten den Indischen oceaan met een driewerf herhaald hoera!
"Het vastland was ten vierden male doorkruist!
"Overeenkomstig zijn belofte aan den gouverneur, Sir Richard Madonnell, gedaan, baadde Stuart zijn voeten en wiesch hij zijn aangezigt en handen in de golven der zee. Daarop keerde hij naar het dal terug en sneed in een boom zijn voorletters J.M.D.S. Aan een stroomend beekje sloegen zij een legerplaats op.
"'s Anderen daags ging Thring onderzoeken, of de mond der Adelaïde ook in zuidwestelijken rigting bereikt kon worden; maar de grond was te moerassig voor den voet der paarden; zij moesten het opgeven.
"Nu zoekt Stuart op een opene plaats een hoogen boom. Hij hakte er de takken van af, en heesch de australische vlag in top. In de schors van den boom werden deze woorden gesneden: zoek een voet ten zuiden in den grond.
Stuart heesch de australische vlag in top.

"En wanneer eenmaal een reiziger op de aangeduide plaats in den grond graaft, zal hij een blikken doos vinden en daarin een document, welks inhoud in mijn geheugen gegrift is:
Groote ontdekkingsreis en togt van het zuiden naar het noorden van Australië.
"De reizigers, onder bevel van John Mac Doual Stuart zijn hier den 25sten Julij 1862 aangekomen, na geheel Australië van de Zuidzee tot aan de oevers van den Indischen oceaan, door het binnenland heen, bereisd te hebben. Zij hadden Adelaïde den 21sten Januarij 1861 verlaten en den 26sten October 1861 vertrokken zij noordwaarts uit het laatste station der kolonie. Ter gedachtenis aan dit gelukkige voorval, hebben zij hier de australische vlag met den naam van den aanvoerder der expeditie ontplooid. Alles is wel. God bescherme de koningin!"
"Daarop volgen de onderteekeningen van Stuart en zijn reisgenooten.
"Zoo werd die groote gebeurtenis aan de vergetelheid ontrukt, die door de geheele wereld met verbazing werd vernomen."
"En hebben al die moedige mannen hun vrienden in het zuiden teruggezien?" vroeg lady Helena.
"Ja, mevrouw!" antwoordde Paganel; "allen, maar niet zonder vreeselijke vermoeijenissen. Stuart had het meest te lijden; zijn leven werd door de scheurbuik bedreigd, toen hij op de terugreis naar Adelaïde was. In het begin van September verergerde zijn kwaal zoo, dat hij niet anders dacht, of hij zou de bewoonde streken niet meer terugzien. Hij kon niet meer in den zadel blijven zitten; hij moest in een draagkoets liggende, die tusschen twee paarden inhing, verder reizen. Tegen het einde van October bragten bloedspuwingen hem aan den rand des grafs. Er werd een paard gedood om bouillon voor hem te koken; den 28sten October dacht hij te sterven, toen een heilzame crisis hem redde, en den 10den December bereikte het geheele gezelschap de eerste nederzettingen.
"Den 17den December deed Stuart te Adelaïde zijn intogt onder het vreugdegejuich der opgetogen menigte. Maar hij bleef sukkelend, en kort daarop scheepte hij zich, na de groote gouden medaille der Maatschappij van aardrijkskunde verkregen te hebben, op de Indus naar zijn geliefd Schotland, zijn vaderland, in, waar wij hem bij onze terugkomst zullen wederzien[1]."
"Hij was een man met buitengewoon veel geestkracht begaafd," zeide Glenarvan, "en beter dan ligchaamskracht stelt zij in staat om groote dingen te verrigten. Schotland is er teregt trotsch op hem onder zijn zonen te mogen tellen."
"En heeft na Stuart geen reiziger meer nieuwe ontdekkingstogten ondernomen?" vroeg lady Helena.
"Jawel, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Ik heb reeds dikwijls van Leichardt gesproken. Deze reiziger had reeds in 1844 een merkwaardigen togt door Noord-Australië gedaan. In 1848 ondernam hij een nieuwe reis naar het noord-oosten. In geen zeventien jaar heeft men iets meer van hem gehoord. Verleden jaar heeft de vermaarde plantenkenner, docter Muller, te Melbourne een openbare inschrijving geopend om de kosten eener expeditie te dekken. Spoedig was de lijst volgeteekend, en den 21sten Junij 1864 heeft een troep moedige squatters onder bevel van den bekwamen en moedigen Mac Intyre de grasrijke oevers der Paroo verlaten. Op dit oogenblik moeten zij ter opsporing van Leichardt reeds diep in het binnenland doorgedrongen zijn. Mogen zij slagen en mogen ook wij, even als zij, de vrienden, die ons dierbaar zijn, terug vinden!"
Hier eindigde het verhaal van den aardrijkskundige. Het uur was reeds vergevorderd. Allen bedankten Paganel en weinige oogenblikken daarna sliepen zij gerust, terwijl de klok vogel, in het gebladerte der witte gomboomen verborgen, in de stilte van den nacht geregeld de minuten aangaf.
XII.
De spoorweg van Melbourne naar Sandhurst.
Niet zonder eenigen angst had de majoor Ayrton de legerplaats aan de Wimerra zien verlaten om in het station te Black-Point een hoefsmid te gaan halen. Maar hij liet zich geen woord ontvallen van zijn persoonlijk wantrouwen, en vergenoegde zich met op de omstreken der rivier een wakend oog te houden. De rust dier vreedzame velden werd in het geheel niet gestoord, en na eenige uren verrees de zon weder boven de kimmen.
Glenarvan daarentegen vreesde alleen, dat Ayrton onverrigter zake terug mogt keeren. Bij gebrek aan werkvolk kon de wagen niet verder. Het oponthoud zou misschien verscheidene dagen duren, en ongeduldig om te slagen, vurig verlangend zijn doel te bereiken, kon Glenarvan geen uitstel dulden.
Gelukkig had Ayrton zijn tijd niet verspild noch vergeefsche moeite gedaan: 's anderen daags kwam hij met zonsopgang terug. Er was iemand bij hem, die zich voor een hoefsmid uit het station Black-Point uitgaf. Het was een stevige lange kerel, maar zijn gemeen en beestachtig gezigt nam niet gunstig voor hem in. Maar dat kwam er niet veel op aan, als hij zijn vak maar verstond. In allen gevalle praatte hij weinig en hij versleet zijn tong niet met noodeloos gebabbel.
"Is het een bekwaam werkman?" vroeg John Mangles den bootsman.
"Ik ken hem evenmin als gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "wij zullen zien."
De hoefsmid ging aan het werk. Het was een man van het vak, dat kon men wel zien aan de manier, waarop hij het voorstel van den wagen herstelde. Hij werkte handig en legde daarbij buitengewone ligchaamskracht aan den dag. De majoor merkte op, dat het vleesch van zijn handgewrichten sterk weggevreten was en een zwartachtigen ring van uitgestort bloed vertoonde. Dit was het teeken van een versche wond, die slechts ten halve verborgen werd door de mouwen van een slecht wollen hemd. Mac Nabbs vroeg den hoefsmid naar de oorzaak van dat ongemak, dat zeer pijnlijk moest zijn. Maar hij gaf geen antwoord en ging voort met zijn werk. Na verloop van een paar uur was de schade aan den wagen hersteld. Het paard van Glenarvan was ook spoedig gereed. De hoefsmid had gezorgd de hoefijzers kant en klaar mee te brengen. Die ijzers hadden iets bijzonders, dat den majoor niet ontging. Het was een klaverblad, dat van voren ruw afgehakt was. Mac Nabbs liet het aan Ayrton zien.
"Dat is het merk van Black-Point," antwoordde de bootsman. "Daardoor kan men de paarden nagaan, die van het station wegloopen, zonder ze met andere te verwarren."
De ijzers zaten weldra aan den hoef van het paard. Daarna vorderde de hoefsmid zijn loon en ging heen zonder vier woorden gesproken te hebben.
Een half uur later waren de reizigers op weg. Achter de gordijn van mimosa's strekte zich een opene ruimte uit, die haar naam "open plein" teregt droeg. Eenige kwarts- en ijzerhoudende steenblokken lagen tusschen de struiken, het hooge gras en de palissaden, binnen welke talrijke kudden graasden. Eenige mijlen verder maakten de wielen van den wagen diepe sporen in den drassigen bodem, door kreeken doorsneden, die half verscholen waren onder een kleed van reusachtig riet. Daarop kwam men door uitgestrekte zoutsteppen, wier verdamping in vollen gang was. De reis leverde geen moeijelijkheden op en om de waarheid te zeggen, niemand verveelde zich.
Lady Helena noodigde de ruiters uit haar ieder op zijn beurt te komen bezoeken, want haar salon was zeer bekrompen. Maar zoo verpoosde ieder zich van de vermoeienissen van het paardrijden, en ontspande zich in het gesprek met die beminnelijke vrouw. Met behulp van miss Mary hield lady Helena met de grootste bevalligheid de eer van haar verplaatsbaar salon op. John Mangles werd bij die dagelijksche uitnoodigingen niet vergeten, en de ernstiger toon van zijn gesprek mishaagde niet. Integendeel.
Zoo sneed men dwars den postweg van Crowland naar Horsham, een zeer stoffigen weg, waarvan de voetgangers weinig gebruik maakten. Op de grens van het graafschap Talbot ging men digt voorbij eenige lage heuvelklingen, en 's avonds kwam het gezelschap tot drie mijlen boven Maryborough. Er viel een fijne regen, die in ieder ander land den grond doornat zou gemaakt hebben; maar hier nam de lucht de vochtigheid zoo volkomen en zoo spoedig op, dat zij er geen last van hadden.
Den volgenden dag, den 29sten December, werd de reis eenigsins vertraagd door een aaneenschakeling van bergjes, die een klein Zwitserland vormden. Het ging onophoudelijk bergop bergaf, en menige onzachte schok bleef niet uit. De reizigers gingen een eind weegs te voet, en gevoelden er geen spijt over.
Ten elf ure kwamen zij te Carlsbrook, een vrij aanzienlijke gemeente. Ayrton wilde de stad om-, niet doorrijden, om tijd te winnen, naar hij zeide. Glenarvan was het met hem eens; maar de altijd nieuwsgierige Paganel wenschte Carlsbrook te bezigtigen. Men liet hem begaan, terwijl de wagen zachtjes voortreed.
Naar gewoonte nam Paganel Robert mede. Zijn bezoek aan de gemeente duurde maar kort, maar toch lang genoeg om hem een naauwkeurig overzigt van de australische steden te geven. Er was een bank, een geregtshof, een markt, een school, een kerk, en een honderdtal huizen, allen naar hetzelfde model van baksteenen opgetrokken. Alles was naar den engelschen bouwtrant in den vorm van een regelmatigen vierhoek, met evenwijdig loopende straten doorsneden, aangelegd. Niets is eenvoudiger, maar ook niets onbevalliger. Wanneer de stad uitgebreider wordt, verlengt men de straten, evenals men den broek van een kind uitlegt, dat grooter wordt, zoodat de oorspronkelijke evenredigheid niet in het minst verbroken wordt.
Er heerscht veel bedrijvigheid te Carlsbrook, een opmerkelijk verschijnsel in die steden, welke eerst van gisteren dagteekenen. In Australië schijnen de steden als boomen door de zonnewarmte uit den grond op te schieten. De straten waren vol menschen, die het allen even druk hadden; goudverzenders verdrongen elkander aan de bureaux, waar het aankwam; onder geleide van een inlandsche politiemagt kwam het kostbare metaal uit de mijnen van Bendigo en den Alexander-berg. Al die lieden, welke het eigenbelang voortjoeg, dachten alleen aan hun zaken, en de vreemdelingen werden in die woelige menigte niet eens opgemerkt.
Na een uur doorgebragt te hebben met Carlsbrook te doorloopen, voegden de beide bezoekers zich bij hun reisgenooten, die een zorgvuldig bebouwde vlakte doortrokken. Daaraan grensden groote weiden, bekend onder den naam van "Low Level plains," met tallooze kudden en herdershutten bedekt. Daarop vertoonde zich zonder eenigen overgang de woestijn, met het onverwachte, dat aan de natuur in Australië eigen is. De heuvelen van Simpson en de Tarrangower-berg wezen de plaats aan, waar het district Loddo in het zuiden den honderd vier en veertigsten graad lengte aanraakt.
Intusschen had men tot nog toe geen enkelen stam van in den Wilden staat verkeerende inboorlingen aangetroffen. Glenarvan vroeg zich af, of er in Australië geen Australiërs waren, evenals de Indianen in de argentijnsche pampa's ontbroken hadden. Maar Paganel zeide hem, dat de wilden op deze breedte de vlakten van de Murray bezochten, die honderd mijlen oostelijker liggen.
"Wij naderen het goudland," zeide hij; "binnen twee dagen zullen wij het rijke gewest van den Alexanderberg doortrekken. Daar is in 1852 de wolk van goudzoekers neergestreken. De inboorlingen hebben de wijk moeten nemen naar de woestijnen in het binnenland. Wij zijn in een beschaafd land, al zou men het niet zeggen, en voor den avond nog zal onze weg den spoorweg gesneden hebben, die de Murray met de zee verbindt. Ik mag het niet zwijgen, vrienden! een spoorweg in Australe is in mijn oog iets heel vreemds."
"Waarom dat, Paganel?" vroeg Glenarvan.
"Waarom? wel, omdat mijn verstand daar niet bij kan. O, ik weet wel, dat gij Engelschen, gewoon uw afgelegene bezittingen te koloniseeren, die electrische telegrafen en wereldtentoonstellingen op Nieuw-Zeeland hebt, dat alles heel eenvoudig zult vinden! Maar dat brengt een Franschman, zooals ik ben, van de wijs en verwart al zijn denkbeelden over Australiën."
"Omdat gij aan het verledene denkt en het tegenwoordige over het hoofd ziet," antwoordde John Mangles.
"Toegestemd," hernam Paganel; "maar snuivende locomotieven in de woestijn, stoom, die om de takken der mimosa's heen krinkelend omhoog stijgt, miereneters, vogelbekdieren en kasuarissen, die voor de sneltreinen vlugten, wilden, die den trein van drie uren dertig minuten nemen om van Melbourne naar Kyneton, naar Castlemaine, Sandhurst of naar Echuca te gaan, dat alles zal wel de verwondering wekken van een ieder, die geen Engelschman of Amerikaan is. Met uw spoorwegen verdwijnt de poëzie der woestijn."
"Wat maakt dat uit, als de vooruitgang er maar in doordringt!" antwoordde de majoor.
Een schel fluitje maakte een einde aan het gesprek. De reizigers waren geen mijl van den spoorweg af. Een locomotief, die uit het zuiden kwam en stopte, bleef juist staan op het punt, waar de ijzerbaan en den weg, dien de wagen bereed, elkander kruisten.
Die spoorweg verbond, zooals Paganel gezegd had, de hoofdstad van Victoria met de Murray, de grootste rivier van Australië. Die ontzaggelijke stroom, welken Stuart in 1828 ontdekte, komt uit de australiscbe Alpen, neemt de Lachlan en de Darling op, maakt de noordelijke grens der provincie Victoria uit, en valt bij Adelaïde in de Encounter-baai. Hij loopt door rijke en vruchtbare streken, en de stations der squatters nemen in zijn stroomgebied sterk toe, ten gevolge van de gemakkelijke gemeenschap met Melbourne, die de spoorweg tot stand heeft gebragt.
Die spoorweg was nu over een lengte van honderd en vijf mijlen tusschen Melbourne en Sandhurst geopend, en liep voorbij Kyneton en Castlemaine. In aanleg was nog een lengte van zeventig mijlen tot Echuca, de hoofdplaats der Riverine-kolonie, die in ditzelfde jaar aan de Murray gesticht was.
De zeven en dertigste parallel sneed den spoorweg eenige mijlen boven Castlemaine, juist bij de Camden-brug, die over de Lutton, een der talrijke zijtakken van de Murray, was gelegd.
Naar dit punt rigtte Ayrton zijn wagen; de ruiters galoppeerden een poosje vooruit tot aan de Camden-brug. Een levendig gevoel van nieuwsgierigheid lokte hen daarheen.
Een talrijke menigte toch begaf zich naar de spoorbrug. De bewoners der omliggende stations verlieten hun huizen, de herders hun kudden, en allen verdrongen zich op de toegangen tot den weg. Duidelijk hoorde men het herhaald geroep:
"Naar den spoorweg! naar den spoorweg!"
Zeker had er een ernstig voorval plaats gehad, dat al die opschudding veroorzaakte. Misschien een groote ramp.
Glenarvan en zijn reisgenooten zetten hun paarden aan. In weinige minuten kwamen zij bij de Camden-brug. Daar werd hun de oorzaak dier zamenscholing weldra duidelijk.
Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad, dat de toeschouwers aan de ergste rampen op de amerikaansche spoorwegen deed denken: de trein had wel geen anderen ontmoet, maar was uit het spoor geraakt en in de diepte gestort. De rivier, over welke de spoorweg liep, was gedempt met brokken van de wagens en de locomotief. Hetzij de brug onder den last van den trein was bezweken, hetzij de wagens uit het spoor waren geraakt, vijf van de zes rijtuigen waren met de locomotief in de bedding der Lutton neergestort. Alleen de laatste waggon, die wonderdadig behouden was gebleven door het breken van den ketting, was een paar voet van den afgrond blijven staan. Beneden was het een akelige opeenhooping van zwarte en gebroken assen, vernielde wagens, omgebogen spoorstaven en verkoolde dwarsbalken. De stoomketel, die door den schok gesprongen was, had de ijzeren platen tot op ontzettende afstanden geslingerd. Uit dien verwarden hoop onkenbare voorwerpen stegen nog eenige vlammen en stoom met een zwarten rook vermengd omhoog. Op den vreeselijken val was de nog vreeselijker brand gevolgd! Hier en daar lagen groote plassen bloed, verstrooide ledematen en verkoolde lijken, en niemand kon berekenen hoeveel offers onder die overblijfselen opgehoopt waren.
Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad....

Glenarvan, Paganel, de majoor en Mangles mengden zich onder het volk en luisterden naar de verschillende gesprekken. Een ieder zocht een oorzaak van de ramp, terwijl zij vlijtig werkten om nog iemand te redden.
"De brug is gebroken," zeide de een.
"Gebroken? het mogt wat!" zeiden de anderen. "Zij is zoo weinig gebroken, dat ze nog onbeschadigd is. Men heeft vergeten ze bij de nadering van den trein te sluiten. Dat is alles."
Het was inderdaad een draaibrug, die ten behoeve van de scheepvaart geopend werd. Had dan de brugwachter door een onvergetelijke achteloosheid vergeten ze te sluiten, en was zoo de trein, die in volle vaart kwam aanstoomen, nu de grond hem eensklaps ontviel, in de Lutton gestort? Dit gevoelen scheen zeer aannemelijk; want terwijl de eene helft van de brug onder de gebroken wagens lag, hing de andere aan de overzijde nog onbeschadigd aan haar kettingen. Er viel niet aan te twijfelen! De achteloosheid van den wachter had dit onheil veroorzaakt.
Het ongeluk was 's nachts gebeurd met den trein N° 37, die kwart voor twaalven van Melbourne was vertrokken. Het moet omstreeks kwart over drieën geweest zijn, toen de trein, vijf en twintig minuten na het station Castlemaine verlaten te hebben, aan de Camden-brug kwam en dit ongeluk kreeg. Dadelijk gingen de reizigers en beambten uit den laatsten wagen hulp zoeken; maar de telegraaf, welks palen op den grond lagen, werkte niet meer. Er verliepen drie uren voor de autoriteiten van Castlemaine, op de plaats des onheils aankwamen. Het was dus 's morgens zes ure voor er orde werd gesteld op de maatregelen tot redding onder toezigt van den heer Mitchell, inspecteur-generaal der kolonie, en van een afdeeling politie-agenten onder bevel van een commissaris van politie. De squatters en hun knechts waren hun te hulp gekomen en deden eerst pogingen om den brand te blusschen, die met onweerstaanbaar geweld die overblijfselen verteerde. Eenige onkenbare lijken lagen tegen de glooijing van den weg. Maar men moest het opgeven om een levend wezen uit dien vuurgloed te redden. De vlammen hadden het werk der verwoesting spoedig voltooid. Van al de passagiers, wier aantal men niet kende, waren er maar tien over, die in den laatsten wagen zaten. Het bestuur van de spoorwegmaatschappij had een hulp-locomotief gezonden om hen naar Castlemaine terug te brengen.
Inmiddels stond lord Glenarvan, die met den inspecteur kennis had gemaakt, met dezen en den commissaris te praten. Deze was een lang en mager man, van een onverstoorbare koelbloedigheid, en die, schuilde er misschien nog een greintje gevoel in zijn hart, er op zijn onbewegelijk gelaat althans niets van liet merken. Hij stond voor een ramp gelijk een wiskundige voor een vraagstuk; hij trachtte ze op te lossen en de onbekende er uit te berekenen. Toen dan ook Glenarvan zeide: "Welk een groot ongeluk!" antwoordde hij heel bedaard:
"Het lijkt er niet naar, mylord!"
"Lijkt het er niet naar!" riep Glenarvan, wien dat gezegde niet aanstond, "noemt gij dat dan geen ongeluk?"
"Wel neen! Ik noem het een misdaad!" antwoordde de commissaris van politie op een bedaarden toon.
Zonder verder bij die uitdrukking stil te staan, wendde Glenarvan zich tot den heer Mitchell en zag hem vragend aan.
"Ja, mylord!" antwoordde de inspecteur-generaal, "ons onderzoek heeft ons zekerheid gegeven, dat die ramp het gevolg is van een misdaad. De laatste goederenwagen is geplunderd; de geredde reizigers zijn door een bende van vijf of zes booswichten aangevallen. De brug is met opzet, niet uit achteloosheid, geopend, en brengt men dit feit in verband met de verdwijning van den brugwachter, dan mag men daaruit afleiden, dat die ellendeling de medepligtige der booswichten is geweest."
Bij deze gevolgtrekking van den inspecteur-generaal schudde de commissaris zachtjes het hoofd.
"Zijt gij niet van mijn gevoelen?" vroeg hem de heer Mitchell.
"Neen, wat de medepligtigheid van den brugwachter aangaat."
"Die medepligtigheid aangenomen zijnde," hernam de inspecteur-generaal, "mogen wij de misdaad toeschrijven aan de wilden, die in den omtrek van de Murray rondzwerven. Zonder den wachter hebben die inboorlingen de draaibrug niet kunnen openen, welker inrigting hun onbekend is."
"Juist," antwoordde de commissaris van politie.
"Uit de verklaring van een schipper," vervolgde de heer Mitchell, "die gisteren avond tien minuten over half elf met zijn vaartuig door de Camden-brug gekomen is, blijkt verder, dat de brug, toen hij er door was, behoorlijk gesloten is."
"Zeer waar."
"Bij gevolg is mijns inziens de medepligtigheid van den wachter voldoende bewezen."
De commissaris van politie ging voort met het hoofd te schudden.
"Schrijft gij den de misdaad niet aan de wilden toe, mijnheer?" vroeg hem Glenarvan.
"In het geheel niet."
"Maar aan wie dan?"
Juist ontstond er een vrij hevig rumoer een halve mijl stroomopwaarts. Daar was een hoop menschen bijeen, die telkens aangroeide. Spoedig waren zij bij het station. In het midden van de menigte droegen twee mannen een lijk. Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter. Een dolkstoot had hem in het hart getroffen. Het doel der moordenaars, toen zij het ligchaam vrij ver van de Camden-brug afsleepten, was zeker geweest de vermoedens der politie bij de eerste nasporingen af te leiden.
Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter.

Deze ontdekking nu regtvaardigde ten volle den twijfel van den commissaris. De wilden hadden volstrekt geen deel aan de misdaad.
"De moordenaars," zeide hij, "zijn reeds lang bekend met het gebruik van dit kleine instrument."
Dit zeggende, liet hij een paar "darbies" zien, een soort van handboeijen, bestaande uit een dubbelen ijzeren ring voorzien van een slot.
"Binnen kort zal ik het genoegen hebben," voegde hij er bij, "hun deezen armband voor hun nieuwejaar aan te bieden."
"Maar wie verdenkt gij dan?..."
"Lieden, die gratis met Harer Majesteits schepen gereisd hebben."
"Wat! gedeporteerden!" riep Paganel, die bekend was met deze in de australische koloniën gebruikelijke spreekwijze.
"Ik dacht," merkte Glenarvan aan, "dat de gedeporteerden zich niet mogten ophouden in de provincie Victoria?"
"Ba!" antwoordde de commissaris van politie, "al hebben zij dat regt niet, zij nemen het toch! Soms gebeurt het wel, dat die gedeporteerden ontsnappen, en ik zou mij zeer vergissen, als dezen niet regelregt van Perth kwamen. Gij moogt mij vrij gelooven, zij zullen er weer heen."
De heer Mitchell gaf door een gebaar te kennen, dat hij het met den commissaris van politie eens was. In dit oogenblik kwam de wagen digt bij den spoorweg. Glenarvan wilde de dames het vreeselijke schouwspel, dat de Camden-brug opleverde, besparen. Hij groette den inspecteur-generaal, nam afscheid van hem, en wenkte zijn vrienden om hem te volgen.
"Dat is geen reden om onze reis niet voort te zetten," zeide hij.
Bij den wagen gekomen, vertelde Glenarvan aan lady Helena alleen, dat er een spoorweg-ongeluk had plaats gehad, zonder te reppen van het aandeel, dat de misdaad aan die ramp had; evenmin maakte hij gewag van de tegenwoordigheid in dien omtrek van een bende gedeporteerden, daar hij plan had om Ayrton hiervan onder vier oogen kennis te geven. Daarop trok het kleine gezelschap eenige honderden ellen beneden de brug over den spoorweg en zette het de reis in oostelijke rigting voort.
XIII.
Een eerste prijs in de aardrijkskunde.
Aan den gezigteinder vertoonden zich eenige heerlijke heuvels, die twee mijlen van den spoorweg af de vlakte begrensden. Weldra was de wagen in een doolhof van naauwe en grillig door elkander geslingerde engten. Zij liepen op een liefelijke landstreek uit, waar schoone boomen, die geen bosch vormden, maar in afzonderlijke groepjes bijeenstonden, met echt tropische weelderigheid opschoten. Het meest liepen de "casuarina's" in het oog, die aan den eik den stevigen bouw van zijn stam, aan de acacia haar geurige schillen, en aan den denneboom de hardheid zijner naar het grijsgroene zweemende bladeren schijnen ontleend te hebben. Tusschen hun takken vertoonden zich de aardige kegels van den "banksia latifolia," bekend om zijn allersierlijkste slankheid. Groote heesters met overhangende twijgen maakten te midden van het zware geboomte een uitwerking, alsof een groen water over den rand van al te volle bekkens liep. Het oog dwaalde onzeker rond over al die wonderen der natuur en wist niet, wat het eerst te bewonderen.
Het kleine gezelschap had een oogenblik stilgehouden. Op bevel van lady Helena had Ayrton de ossen stil laten staan. Het knarsen van de lompe wielen op het kwartshoudende zand hield op. Onder de boomgroepen strekten zich groote grastapijten uit, die alleen door eenige oneffenheden en regelmatige verheffingen van den bodem in vrij duidelijke ruiten verdeeld werden, alsof zij een groot schaakbord vormden.
Paganel vergiste zich niet, toen hij die groene eenzame vlakten zag, die zoo bij uitstek geschikt zijn voor de eeuwige rust; hij herkende die vierkante grafgestichten, waarvan het gras thans de laatste sporen uitwischt, en die de reiziger nog zoo zelden in Australië aantreft.
"De boschjes van den dood," zeide hij.
En werkelijk lag er een inlandsche begraafplaats voor hem, maar zoo frisch, zoo lommerrijk, zoo vervrolijkt door uitgelatene zwermen vogels, zoo aanlokkelijk, dat het volstrekt geen droevige denkbeelden opwekte. Zoo moeten de tuinen van het paradijs er hebben uitgezien, voor de dood op aarde heerschte. Zij scheen voor de levenden aangelegd te zijn. Maar die grafteekens, welke de wilde met vrome zorg onderhield, verdwenen reeds onder den weelderigen plantengroei. De verovering had den Australiër verre verjaagd van het land, waarin zijn voorvaderen rustten, en de kolonisatie zou die velden weldra overgeven aan de tand der kudden. Die boschjes zijn dan ook zeldzaam geworden, en hoevele, die een pas verdwenen menschengeslacht bedekken, zijn reeds vertreden onder de voeten van den onverschilligen reiziger.
Inmiddels reden Paganel en Robert de anderen vooruit en doorkruisten kleine lommerrijke lanen tusschen de grasheuveltjes. Zij praatten met en leerden van elkander; want de aardrijkskundige beweerde, dat hij veel nut trok uit den omgang met den jongen Grant. Maar zij waren nog geen kwartmijl ver, toen lord Glenarvan hen zag stilstaan, toen afstijgen en eindelijk zich vooroverbuigen. Naar hun levendige gebaren te oordeelen, beschouwden zij een zeer buitengewoon voorwerp.
Ayrton dreef zijn ossen aan, zoodat de wagen spoedig de beide vrienden inhaalde. Nu bleek terstond, waarom zij stilstonden en wat hun verwondering gaande maakte. Een inlandsch kind, een knaap van een jaar of acht, op zijn europeesch gekleed, lag rustig te slapen in de schaduw van een prachtigen banksia. Men kon zich niet vergissen in de duidelijke kenmerken van zijn ras: zijn kroeskop, zijn bijna zwarte kleur, zijn platte neus, zijn dikke lippen, zijn buitengemeen lange armen, alles bewees, dat hij bij de inboorlingen in het binnenland te huis behoorde. Maar zijn gelaat teekende schranderheid, en het was zeker, dat de opvoeding den jongen wilde reeds eenigzins had ontwikkeld.
Een inlandsch kind lag rustig te slapen.

Lady Helena, die op het eerste gezigt zeer met hem ingenomen was, steeg af, en weldra omringde het geheele gezelschap den kleinen inboorling, die nog gerust sliep.
"Arm kind!" zeide Mary Grant; "zou hij in deze woestijn verdwaald zijn?"
"Ik gis," antwoordde lady Helena, "dat hij ver van hier is gekomen om deze boschjes van den dood te bezoeken! Hier rusten zonder twijfel degenen, die hij liefhad!"
"Maar wij kunnen hem hier niet laten liggen," zeide Robert. "Hij is alleen!... en...."
Robert werd in het midden van zijn liefderijken volzin gestoord door een beweging van den jongen inboorling, die zich omkeerde zonder wakker te worden; maar hoe vreemd keken nu allen op, toen zij op zijn rug een papier zagen en daarop de volgende woorden lazen:
Toliné. Te bezorgen te Echuca. Adres: Jeffriss Smith, spoorwegbeambte. Franco.
"Zoo zijn de Engelschen!" riep Paganel. "Zij verzenden een kind als een baal! zij adresseeren hem als een pak! Ik had het vroeger wel gehoord, maar ik wilde het niet gelooven."
"Arme kleine!" zeide lady Helena. "Was hij in den trein, die bij de Camden-brug uit het spoor is geraakt? Misschien zijn de ouders omgekomen en staat hij nu alleen op de wereld!"
"Ik geloof het niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles. "Dit papier bewijst veeleer, dat hij alleen reisde."
"Hij wordt wakker," zeide Mary Grant.
Het kind ontwaakte inderdaad. Langzaam opende bij zijn oogen, maar hij sloot ze terstond weder, wegens den fellen zonneschijn. Maar lady Helena vatte zijn hand; hij stond op en sloeg een verwonderden blik op de hem omringende reizigers. Eenige vrees vertoonde zich eerst op zijn gelaat, maar lady Glenarvan ziende, stelde hij zich weer gerust.
"Verstaat gij engelsch, vriendje?" vroeg hem de dame.
"Ik versta en spreek het," antwoordde het kind in de taal der reizigers, maar met een zeer sterk accent.
Zijn uitspraak kwam bijna overeen met die van de Franschen, die zich in de taal van het Vereenigd Koningrijk uitdrukken.
"Hoe heet gij?" vroeg lady Helena.
"Toliné," antwoordde de jonge inboorling.
"Zoo, Toliné!" riep Paganel. "Vergis ik mij niet, dan beteekent dat woord in het australisch "boomschors"?"
Toliné knikte van ja, en zag weer naar de reizigsters.
"Vanwaar komt gij, vriendje?" hernam lady Helena.
"Van Melbourne, met den trein van Sandhurst."
"Waart gij dan in den trein, die bij de Camden-brug uit het spoor is geraakt?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné; "maar de Heere heeft mij bewaard."
"Reisdet gij alleen?"
"Alleen. De eerwaarde Paxton had mij toevertrouwd aan het opzigt van Jeffries Smith. Ongelukkig heeft de arme beambte bij die ramp het leven ingeschoten."
"En kendet gij niemand op den trein?"
"Niemand, mijnheer! maar God waakt over de kinderen en verlaat ze nooit!"
Toliné sprak deze woorden met zachte, roerende stem. Toen hij van God sprak, werd zijn toon deftiger, zijn oogen schitterden, en het was duidelijk, dat die kinderlijke ziel opregt vroom was.
Die godsdienstige geestdrift op zoo jeugdigen leeftijd is gemakkelijk te verklaren. Dit kind was een van de jonge inboorlingen, die door engelsche zendelingen gedoopt en door hen volgens de strenge regelen der Methodisten opgevoed waren. Zijn kalme antwoorden, zijn zindelijk voorkomen, zijn donkere kleeren gaven hem reeds het uitzigt van een kleinen predikant.
Maar waar ging hij toch heen in die woeste streken en waarom had hij de Camden-brug verlaten? Lady Helena ondervroeg hem dienaangaande.
"Ik keerde naar mijn stam, in Lachlan, terug," antwoordde hij. "Ik wil mijn famielje terugzien."
"Australiërs?" vroeg John Mangles.
"Australiërs uit Lachlan," antwoordde Toliné.
"En hebt gij een vader, een moeder?" zeide Robert Grant.
"Ja, broeder!" antwoordde Toliné, terwijl hij den jongen Grant, wien de broedernaam gevoelig trof, de hand toereikte. Hij omhelsde den kleinen inboorling, en meer was er niet noodig om hen vrienden te doen worden.
Intusschen waren de reizigers, die veel belang begonnen te stellen in de antwoorden van dien jongen wilde, de een voor en de ander na bij den banksia gaan zitten om naar hem te luisteren. Reeds ging de zon onder achter de groote boomen. Daar de plaats geschikt scheen voor een nachtverblijf en het weinig uitmaakte, of zij voor den nacht nog eenige mijlen verder kwamen, gaf Glenarvan bevel om de legerplaats in gereedheid te brengen. Ayrton spande de ossen uit; met behulp van Mulrady en Wilson kluisterde hij ze en liet ze naar hartelust grazen. De tent werd opgeslagen. Olbinett maakte het avondeten klaar. Toliné nam na eenige aarzeling, hoewel hij honger had, de uitnoodiging aan om mede te eten. Men ging dus aan tafel; de beide kinderen zaten naast elkander. Robert zocht de lekkerste beetjes voor zijn nieuwen makker uit, en Toliné nam ze met een bedeesde en innemende bevalligheid aan.
Het gesprek kwijnde echter niet. Elk stelde belang in het kind en had hem iets te vragen. Men was nieuwsgierig naar zijn geschiedenis. Deze was zeer eenvoudig. Reeds zeer vroeg was hij, naar de gewoonte der arme inboorlingen, die in de nabijheid der kolonie zich ophouden, aan de zorg van liefdadige inrigtingen toevertrouwd. De Australiërs zijn zacht van aard. Zij leggen jegens hun overheerschers dien woesten haat niet aan den dag, die het kenmerk is van de Nieuw-Zeelanders en misschien ook van eenige stammen van Noord-Australië. Zij bezoeken de groote steden, Adelaïde, Sydney, Melbourne, waar men ze bijna in paradijs-kostuum ziet rondloopen. Zij brengen er de geringe voortbrengselen hunner nijverheid, zooals jagt- en vischtuig en wapenen, ter markt, en sommige stamhoofden laten, zeker uit zuinigheid, gaarne toe, dat hun kinderen deelen in de voorregten eener engelsche opvoeding.
Zoo hadden ook de ouders van Toliné, echte wilden uit Lachlan, een uitgestrekte landstreek aan gene zijde van de Murray, gedaan. Reeds vijf jaren woonde hij te Melbourne, en in al dien tijd had hij niemand van zijn famielje gezien. En toch, het bloed kruipt waar het niet gaan kan; om zijn stam, die welligt verstrooid, zijn famielje, waarvan zeker deze of gene overleden was, terug te zien, had hij de moeijelijke reis door de woestijn ondernomen.
"En keert gij naar Melbourne terug, mijn kind! wanneer gij uw bloedverwanten omhelsd hebt?" vroeg hem lady Glenarvan.
"Ja, mevrouw!" antwoordde Toliné, terwijl hij de jonge dame met een blik vol ongeveinsde liefde aanzag.
"En wat wilt gij eenmaal doen?"
"Ik wil mijn broeders van ellende en onwetendheid verlossen! Ik wil hen onderwijzen, hen opleiden tot de kennis en liefde Gods! Ik wil zendeling worden!"
Ligtzinnigen en spotters zouden misschien gelagchen hebben, toen de achtjarige knaap vol geestdrift zoo sprak; maar die gemoedelijke Schotten begrepen en eerbiedigden hem; zij bewonderden den godsdienstzin van dien jeugdigen discipel, die zich reeds ten strijde had aangegord. Paganel was tot in het diepst zijner ziel bewogen en gevoelde inderdaad genegenheid voor den kleinen inlander.
Zoo was het eerst niet. Die wilde in europeesche kleederen stond hem in den beginne volstrekt niet aan. Hij kwam niet in Australië om Australiërs met een jas te zien! Hij zag ze liever getatoeëerd. Die "fatsoenlijke" kleeding bragt hem in de war. Maar zoodra Toliné zoo vol vuur sprak, veranderde hij van gedachten, en bewonderde hij hem.
Het slot van dit gesprek zou verder den braven aardrijkskundige de beste vrienden met den kleinen Australiër doen worden.
Op een vraag van lady Helena antwoordde Toliné, dat hij te Melbourne "op de normaalschool" was, die onder het bestuur van den Wel Eerwaarden Heer Paxton stond.
"En wat leert gij alzoo op die school?" vroeg lady Glenarvan.
"Daar lees ik in den Bijbel, leer wiskunde, aardrijkskunde...."
"Zoo! aardrijkskunde!" riep Paganel, in zijn zwak getast.
"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné. "Ik heb zelfs voor de Januarij-vacantie een eersten prijs voor de aardrijkskunde behaald."
"Hebt gij een prijs voor de aardrijkskunde behaald, mijn jongen?"
"Hier is hij, mijnheer!" zeide Toliné een boek uit zijn zak halende.
Het was een netjes ingebonden bijbeltje in-82°. Op de keerzijde van de eerste pagina stond: "Normaalschool te Melbourne, 1ste prijs voor de aardrijkskunde, Toliné van Lachlan."
Paganel kon het zoo waar niet langer uithouden! Een Australiër, die sterk was in de aardrijkskunde, dat verbaasde hem, en hij drukte een kus op Toliné's beide wangen, alsof hij de eerwaarde Paxton in persoon geweest was, op den dag van een prijsuitdeeling. Evenwel had Paganel moeten weten, dat zoo iets geen zeldzaamheid is op de australische scholen. De jonge wilden hebben veel aanleg voor de aardrijkskundige studiën; zij leggen zich er met lust op toe, maar zijn daarentegen zeer onvatbaar, als het op rekenen aankomt.
Toliné begreep niets van de onverwachte liefkozingen van den geleerde. Lady Helena moest het hem duidelijk maken, dat hij een beroemd aardrijkskundige, en als het moest een knap onderwijzer was.
"Een onderwijzer in de aardrijkskunde!" antwoordde Toliné. "Och, mijnheer! ondervraag mij, als het u belieft!"
"U ondervragen, mijn jongen!" zeide Paganel, "niets liever dan dat! Al hadt ge 't niet gevraagd, zou ik het toch gedaan hebben. Ik wil graag eens zien, hoe de aardrijkskunde op de normaalschool te Melbourne onderwezen wordt!"
"Pas maar op, dat Toliné u niet in het naauw brengt, Paganel!" zeide Mac Nabbs lagchend.
"Een secretaris der fransche Maatschappij van aardrijkskunde in het naauw brengen! dat zou wat moois zijn!" riep de aardrijkskundige.
Daarop zette hij zijn bril goed, rigtte zich in zijne volle lengte op en nam een deftigen toon aan, zooals het een onderwijzer voegt. Hij begon zijn onderzoek met te zeggen:
"Leerling Toliné! sta op!"
Toliné, die reeds stond, kon niet aan dit bevel gehoorzamen. Hij wachtte dus in een zedige houding op de vragen van den aardrijkskundige.
"Leerling Toliné! sta op!"

"Leerling Toliné!" hernam Paganel, "welke zijn de vijf werelddeelen?"
"Oceanië, Azië, Afrika, Amerika en Europa," antwoordde Toliné.
"Goed. Wij zullen eerst over Oceanië spreken, waar wij ons thans bevinden. Hoe wordt het verdeeld?"
"Het wordt verdeeld in Polynesië, Mikronesië en Megalesië. De voornaamste eilanden zijn: Australië, dat aan de Engelschen behoort, Tasmanië, dat aan de Engelschen behoort, de eilanden Chattam, Auckland, Macquarie, Kermadec, Makin, Maraki, enz., die aan de Engelschen behooren."
"Goed," antwoordde Paganel; "maar Nieuw-Caledonië, de Sandwicheilanden, de Mendana-archipel, de Pomotoe-eilanden?"
"Die eilanden staan onder bescherming van Groot-Brittanje!"
"Onder bescherming van Groot-Brittanje!" riep Paganel. "Ik dacht, dat veeleer Frankrijk...."
"Frankrijk!" zeide het knaapje met een verwonderd gezigt.
"Ei, ei! leert men zoo op de normaalschool te Melbourne?" vroeg Paganel.
"Ja mijnheer! Is het dan zoo niet?"
"Wel zeker! wel zeker! Goed zoo!" antwoordde Paganel. "Geheel Oceanië behoort aan de Engelschen! Dat is afgepraat! verder."
De majoor had schik in het half booze, half verbaasde gezigt, dat Paganel zette.
Hij ging met vragen voort.
"Wat weet gij van Azië?" vroeg de aardrijkskundige.
"Azië is een onmetelijk groot land," antwoordde Toliné, "Calcutta is de hoofdstad. Verdere voorname steden: Bombay, Madras, Calicoet, Aden, Malakka, Singapoor, Pegoe, Colombo; de Lakediven, de Malediven, de Chagos-eilanden, enz., enz. Behoort aan de Engelschen."
"Goed! goed! leerling Toliné! En Afrika?"
"Afrika bevat twee voorname koloniën: de Kaapkolonie met de Kaapstad, en in het westen de engelsche nederzettingen, voornaamste stad Sierra Leona."
"Goed geantwoord!" zeide Paganel, die vrede kreeg met die bijzondere, engelsche aardrijkskunde, "knapjes onderwezen! Algiers, Marokko, Egypte ... van de engelsche atlassen geschrapt! Nu wil ik nog wel een beetje over Amerika spreken!"
"Het wordt verdeeld in Noord- en Zuid-Amerika," hernam Toliné. "Het eerste behoort den Engelschen door Canada, Nieuw-Brunswijk, Nieuw-Schotland en de Vereenigde Staten, bestuurd door den gouverneur Johnson."
"Gouverneur Johnson!" riep Paganel, "de opvolger van den grooten en goeden Lincoln, gevallen onder het staal van een krankzinnigen dweeper met de slavernij! Opperbest! Het kan niet beter! En wat Zuid-Amerika aangaat, met zijn Guiana, zijn Maloeïnen, zijn Shetland-archipel, zijn Georgië, zijn Jamaica, zijn Trinidad, enz. enz., dat behoort ook aan de Engelschen! Ik wil hierover volstrekt niet twisten! Maar, Toliné! ik zou wel eens willen weten, hoe gij, of liever uw onderwijzers, over Europa denkt?"
"Europa?" vroeg Toliné, die volstrekt niets begreep van de opgewondenheid van den aardrijkskundige.
"Ja! Europa! Aan wien behoort Europa?"
"Wel, Europa behoort aan de Engelschen," antwoordde het kind op stelligen toon.
"Ik dacht het wel!" hernam Paganel. "Maar hoe? Dat zou ik wel eens willen hooren."
"Door Schotland, Ierland, Engeland, Malta, de eilanden Jersey en Guernsey, de Jonische eilanden, de Hebriden, de Shetlands-eilanden, de Orkaden...."
"Goed! goed! Toliné! maar er zijn andere staten, die gij vergeet op te noemen, mijn jongen!"
"Welke, mijnheer?" vroeg het kind, dat zich niet in den war liet brengen.
"Spanje, Rusland, Oostenrijk, Pruisen, Frankrijk!"
"Dat zijn geen staten, maar provinciën," zeide Toliné.
"Hoe heb ik het nu!" riep Paganel, terwijl hij den bril van zijn neus nam.
"Wel zeker! Spanje, hoofdstad Gibraltar."
"Bewonderenswaardig! juist! verheven! En Frankrijk dan, want ik ben een Franschman, en zou gaarne weten, aan wie ik toebehoor!"
"Frankrijk, een engelsche provincie, hoofdplaats Calais!" antwoordde Toliné bedaard.
"Calais!" riep Paganel. "Denkt gij, dat Calais nog van Engeland is?"
"Zonder twijfel."
"En dat het de hoofdplaats is van Frankrijk?"
"Ja, mijnheer! en de residentie van den gouverneur, lord Napoleon...."
Op die laatste woorden schaterde Paganel het uit. Toliné wist niet, hoe hij het had. Men had hem ondervraagd en hij had zoo goed mogelijk geantwoord. Maar de vreemdheid van zijn antwoord was zijn schuld niet; hij had er geen erg in. Toch scheen hij niet van zijn stuk gebragt, en hij wachtte bedaard, tot die onverklaarbare lachbui over was.
"Nu ziet gij het," zeide eindelijk de majoor tot Paganel. "Heb ik het u niet gezegd, dat de leerling Toliné u in het naauw zou brengen?"
"Zeker, geachte majoor!" antwoordde de aardrijkskundige. "Ha! zoo onderwijst men te Melbourne de aardrijkskunde! Mooi zoo, heeren onderwijzers aan de normaalschool! Europa, Azië, Afrika, Amerika, Oceanië, de geheele wereld, alles is van de Engelschen! Drommels! met zoo'n slimme opvoeding begrijp ik, dat de inboorlingen zich onderwerpen! Zeg eens, Toliné! is de maan soms ook een engelsche bezitting, mijn jongen?"
"Ze zal het eenmaal zijn," antwoordde de jonge wilde in vollen ernst.
Nu stond Paganel op. Hij kon het niet langer uithouden. Hij moest op zijn gemak uitlagchen en ging een kwartmijl buiten de legerplaats om zijn lachlust bot te vieren.
Inmiddels was Glenarvan een boekje uit de reisbibliotheek gaan halen. Het was een schets van de aardrijkskunde van Samuel Richardson, een werkje, dat in Engeland zeer gezocht en beter op de hoogte is dan de onderwijzers te Melbourne.
"Ziedaar, mijn kind!" zeide hij tot Toliné, "neem en bewaar dit boek. Gij hebt eenige verkeerde denkbeelden over de aardrijkskunde, die gij moet wijzigen. Ik geef het u als eene gedachtenis aan onze ontmoeting."
Toliné nam het boek aan zonder een woord te spreken, hij beschouwde het oplettend, en schudde met een ongeloovig gezigt het hoofd, maar kon niet besluiten het in zijn zak te steken.
Intusschen was het geheel duister geworden. Het was tien ure. Men moest aan slapen denken om den volgenden morgen vroeg op te staan. Robert bood zijn vriendje Toliné de helft van sijn slaapplaats aan. De kleine inlander nam dit aan.
Eenige oogenblikken later keerden lady Helena en Mary Grant naar den wagen terug, en strekten de reizigers zich onder de tent uit, terwijl het gelach van Paganel nog zamensmolt met het liefelijk en zacht gezaag der wilde eksters.
Maar toen een zonnestraal de slapers den volgenden morgen om zes ure wekte, zochten zij te vergeefs het australische kind. Toliné was verdwenen. Wilde hij zonder oponthoud Lachlan bereiken? Had het gelach van Paganel hem gehinderd? Men wist het niet.
Maar toen lady Helena ontwaakte, vond zij op haar borst een frisschen ruiker vergeetmijnietjes met enkelvoudige bladeren, en Paganel in den zak van zijn jas "de aardrijkskunde van Samuel Richardson."
XIV.
De mijnen van den Alexander-berg.
In 1844 vond sir Roderick Impey Murchison, thans president der koninklijke Maatschappij voor aardrijkskunde te Londen, door de studie van haar zamenstelling een merkwaardige overeenkomst tusschen de Oeralketen en die, welke van het noorden naar het zuiden, niet ver van de zuidkust van Australië loopt.
De Oeral bevat goud, en nu vroeg de geleerde aardrijkskundige zich af, of dit kostbaar metaal ook niet aanwezig zou zijn in het australische gebergte. Hij bedroog zich niet.
Werkelijk werden hem twee jaar later eenige monsters goud uit Nieuw-Zuid-Wales gezonden, en daarop bewerkte hij de verhuizing van een groot aantal werklieden uit Cornwales naar de goudstreken van Nieuw-Holland.
Een zekere Francis Dutton had in Zuid-Australië de eerste goudklompen gevonden, terwijl Forbes en Smyth de eerste mijnen van Nieuw-Wales ontdekten.
Toen de eerste stoot gegeven was, stroomden de goudzoekers uit alle oorden der wereld toe: Engelschen, Amerikanen, Italianen, Franschen, Duitschers en Chineezen. Toch duurde het tot den 8den April 1851 voor zekere Hargraves zeer rijke goudlagen opspoorde, welker ligging hij den gouverneur der kolonie Sydney, sir Ch. Fits-Roy, aanbood mede te deelen voor de geringe som van vijf honderd pond sterling.
Zijn aanbod werd van de hand gewezen, maar die ontdekking was ruchtbaar geworden. De goudzoekers begaven zich naar Summerhill en Leni's Pond. De stad Ophir werd gebouwd, die door den rijkdom der mijnen spoedig haar bijbelschen naam eer aandeed.
Tot nog toe was er geen sprake van de provincie Victoria, die echter weldra door den rijkdom harer lagen alle anderen overvleugelen zou.
Weinige maanden later toch, in de maand Augustus 1851, werden de eerste klompen in die provincie uitgegraven, en weldra was het werk in vier districten in vollen gang. Die vier districten waren: Ballarat, Ovens, Bendigo en van den Alexander-berg, allen zeer rijk; maar aan de rivier de Ovens belemmerde de overvloed van water dikwijls den arbeid; te Ballarat veroorzaakte een ongelijke verdeeling den goudzoekers menige misrekening; te Bendigo voldeed de grond niet aan de eischen van den werkman. Bij den Alexander-berg liep alles zamen om den goeden uitslag van den arbeid te verzekeren; voor dit kostbare metaal, dat tot dertien honderd negen en zestig gulden het nederlandsche pond opbragt, werd de hoogste prijs van alle markten der wereld gemaakt.
De weg van de zeven en dertigste parallel voerde de zoekers van kapitein Harry Grant juist naar die plaats, welke zoo vruchtbaar is in rampen en in onverwachten voorspoed.
Na den 31sten December den geheelen dag over een oneffen bodem gegaan te hebben, die de paarden en ossen zeer vermoeiden, bemerkten zij de ronde toppen van den Alexander-berg. Het nachtleger werd in een enge kloof van die kleine keten opgeslagen. Nadat hun de kluisters waren aangelegd, gingen de dieren hun voedsel zoeken tusschen de kwartsblokken, waarmede de grond was bezaaid. Nog hadden zij de streek der ontginningen niet bereikt. Eerst den volgenden dag, den eersten van het jaar 1866, rolde de wagen over de wegen van die rijke landstreek.
Jacques Paganel en zijn reisgenooten waren blijde, toen zij in het voorbijgaan dien beroemden berg zagen, die in de landtaal Geboor heet. Daar viel de geheele horde gelukzoekers neder, dieven en eerlijke lieden, degenen die ophangen en die zich laten ophangen. Op het eerste gerucht der groote ontdekking, in het gulden jaar 1851, werden steden, akkers, schepen, door de inwoners, de squatters en de zeelieden verlaten. De goudkoorts werd epidemisch, zoo besmettelijk als de pest, en hoevelen stierven er aan, die het geluk reeds meenden gegrepen te hebben! De milde natuur had, zeide men, over een uitgestrektheid van vijf en twintig breedtegraden millioenen in het wonderland Australië gestrooid. Het was oogsttijd, en die nieuwe maaijers gingen den oogst binnenhalen. Het beroep van "digger", graver, was het meest gezochte, en al mogten er velen van vermoeijenis uitgeput onder hun taak bezwijken, toch waren er eenigen, die zich door een enkelen slag met het houweel verrijkten. De ongelukken werden verzwegen, het geluk door de faam uitgebazuind. Die nukken van het lot vonden weerklank in de vijf werelddeelen. Weldra stroomden scharen hebzuchtigen van allerlei stand samen op de kust van Australië, en gedurende de vier laatste maanden van het jaar 1852 kwamen er alleen te Melbourne vier en vijftig duizend landverhuizers, een waar leger, maar een leger zonder aanvoerder, zonder tucht, een leger na een overwinning, die nog niet behaald was, in een woord vier en vijftig duizend plunderaars van de ergste soort.
Gedurende de eerste jaren dier krankzinnige dronkenschap heerschte er een onbeschrijfelijke wanorde. Met hun gewone geestkracht maakten de Engelschen zich echter spoedig van den toestand meester. De politie-agenten en de inlandsche gendarmes verlieten de partij der dieven voor die der eerlijke lieden. Er had een heele omkeering plaats. Ook zou Glenarvan geen enkel van de hevige tooneelen van 1852 bijwonen. Dertien jaren waren sedert dat tijdstip verloopen, en nu werden de goudgronden wetenschappelijk bewerkt volgens de regelen eener gestrenge organisatie.
Ook raakten de mijnen reeds uitgeput. Door al dat zoeken vond men eindelijk den bodem. En kan het ook anders of de schatten door de natuur opgehoopt moesten verminderen, wanneer men in aanmerking neemt dat de goudzoekers van 1852 tot 1858 alleen in Victoria drie en zestig millioen honderd zeven duizend vierhonderd acht en zeventig pond sterling[1] uit den grond hebben gehaald! Het aantal landverhuizers is dan ook werkelijk verminderd, daar velen naar de nog ondoorzochte streken vertrokken zijn. De "gold-fields," goudvelden, die onlangs te Otago en Marlborough in Nieuw-Zeeland ontdekt zijn, worden thans doorgraven door duizenden tweevoetige ongevleugelde witte mieren[2].
Tegen elf ure kwamen zij in het middelpunt der werkzaamheden aan. Daar verhief zich een ware stad, met fabrieken, een bank, een kerk, een kazerne, hutten en dagblad-bureaux. Ook logementen, boerderijen en buitenverblijven zocht men niet te vergeefs. Er was zelfs een druk bezochte schouwburg tegen zes gulden de plaats. Veel opgang maakte een stuk uit het dagelijksch leven genomen, dat tot titel had Francis Obadiah, of de gelukkige goudgraver. Bij de ontknooping steekt de held wanhopend zijn houweel voor de laatste maal in den grond en vindt een klomp goud van ongehoorde waarde.
Daar verhief zich een ware stad.

Begeerig om de ontginning op groote schaal van den Alexander-berg te bezoeken, liet Glenarvan Ayrton en Mulrady met den wagen vooruitrijden. Hij zou hen na verloop van eenige uren wel inhalen. Paganel was in de wolken over dat besluit, en naar zijn gewoonte wierp hij zich op tot gids en leidsman van het kleine gezelschap.
Op zijn raad ging men eerst naar de Bank. De straten waren breed, gemacadamiseerd en zorgvuldig besproeid. Reusachtige aanplakbilletten van de Golden company (limited) van de Digger's General Office, van de Nuggets Union trokken de aandacht. De samenwerking van handen en geld was in de plaats gekomen van den afzonderlijken arbeid der goudzoekers. Overal hoorde men de machines werken, die het zand wieschen en het kostbare kwarts fijn maalden.
In den omtrek der woningen lagen de "placers" of uitgestrekte gronden, die ter ontginning waren afgestaan. Daar waren tegen hoog loon de goudzoekers aan het werk, die de compagniën in dienst hadden genomen. Ontelbaar waren de gaten die in den grond waren geboord. Het ijzer van de houweelen fonkelde in de zon en zond een onafgebrokene reeks van lichtstralen uit. Alle natiën waren onder die arbeiders vertegenwoordigd. Zij twistten niet, en volbragten zwijgend hun taak, als bezoldigde personen.
"Denkt echter niet," zeide Paganel, "dat er op den australischen bodem geen enkele van die koortsachtige zoekers meer zijn zou, die hun geluk in het mijnspel komen beproeven. Ik weet wel, dat de meesten hun armen aan de compagniën verhuren, en dat moet wel, omdat de regeering al de goudgronden verkocht of verpacht heeft. Maar wie niets heeft, wie verhuren noch koopen kan, ook hij heeft nog eenige kans om rijk te worden."
"Welke?" vroeg lady Helena.
"De kans om het "jumping" uit te oefenen," antwoordde Paganel. "Zoo zouden wij b.v., die volstrekt geen regt op deze streken hebben, toch, —als er wat veel geluk bijkomt, dat spreekt van zelf,—fortuin kunnen maken!"
"Maar hoe?" vroeg de majoor.
"Door het "jumping", zooals ik reeds de eer heb gehad u te zeggen."
"Wat is dat, het "jumping"?" vroeg de majoor weer.
"Het is een overeenkomst onder de goudzoekers, die dikwijls tot geweld en wanorde aanleiding geeft en die de regeering nog niet heeft kunnen vernietigen."
"Spreek toch duidelijker, Paganel!" zeide Mac Nabbs, "gij doet ons watertanden."
"Welnu. Het is een regel, dat elke grond in het middelpunt der werkzaamheden, waarin men in geen vier en twintig uren, de groote feestdagen uitgezonderd, heeft gewerkt, gemeen goed wordt. Wie zich er van meester maakt, kan hem doorzoeken, en als het lot hem begunstigt, rijk worden. Doe dus uw best, Robert! om een van die verlaten gaten op te sporen, en het behoort u!"
"Och, mijnheer Paganel! breng mijn broeder toch zoo iets niet in het hoofd!" zeide Mary Grant.
"Ik scherts, lieve miss!" antwoordde Paganel, "en dat weet Robert ook wel. Hij, een goudzoeker! Nooit! Den grond spitten, ploegen, bebouwen, vervolgens bezaaijen en hem een geheelen oogst tot loon voor zijn moeite vragen, goed! Maar hem evenals de mollen, even blind als zij, te doorwoelen om hem een beetje goud te ontfutselen, dat is een treurig beroep, en wel moet men van God en menschen verlaten zijn om het uit te oefenen!"
Na de voornaamste mijn bezocht en een overgangsgrond ontmoet te hebben, grootendeels bestaande uit kwarts, kleischiefer en zand, dat afkomstig was van de scheiding der steenen, kwamen de reizigers aan de Bank.
Dit was een uitgestrekt gebouw, van welks nok de nationale vlag wapperde. Lord Glenarvan werd door den inspecteur-generaal ontvangen, die de eer van zijn inrigting ophield.
Daar wordt al het uit den grond opgedolven goud door de compagniën tegen een schriftelijk bewijs van ontvangst in bewaring gegeven. De tijd was reeds lang achter den rug, toen de eerste goudzoeker door de kooplieden der kolonie werd afgezet. Dezen betaalden hem aan de mijnen drie en vijftig shillings voor het ons, dat ze te Melbourne voor vijf en zestig verkochten! Maar het is waar, de koopman had de risico van het vervoer, en daar de straatroovers sterk vermenigvuldigden, kwam de bezending niet altijd ter bestemder plaatse aan.
Aardige monsters goud werden aan de bezoekers vertoond, en de inspecteur deelde hun belangrijke bijzonderheden mede aangaande de verschillende wijzen om dit metaal op te delven.
Doorgaans treft men het in twee gedaanten aan: óf in grootere of kleinere stukken óf als stofgoud. Het komt ook voor als erts, met de aangespoelde gronden vermengd, of besloten in een gangsteen van kwarts. Daarom gaat men ook bij het delven naar den aard van den bodem te werk: men zoekt het aan de oppervlakte of in den grond.
Wanneer het in stukken voorkomt, ligt het goud op den bodem van bergstroomen, dalen en holle wegen, naar zijn grootte geschikt, eerst de korrels, dan de blaadjes en eindelijk de loovertjes.
Wanneer het integendeel stofgoud is, welks gangsteen door den invloed der lucht ontbonden is, ligt het op ééne plaats bij elkander, in hoopjes vereenigd, en vormt het wat de goudzoekers "zakjes" noemen. Er zijn er onder die zakjes, die een geheel vermogen bevatten.
Bij den Alexander-berg wordt het goud hoofdzakelijk aangetroffen in de leemlagen en in de tusschenruimten der leisteenen. Daar zijn de pepiet-nesten[3]; daar trekt de gelukkige graver dikwijls het hoogste lot uit de goudmijnen.
Na de verschillende goudsoorten bezigtigd te hebben, doorwandelden de bezoekers het delfstoffelijk museum der Bank. Daar zagen zij al de voortbrengselen van den bodem van namen voorzien en ordelijk gerangschikt. Het goud is zijn eenige rijkdom niet, hij mag teregt een groote juweelkist genoemd worden, waarin de natuur haar kostbare kleinodiën bewaart. Onder de glazen deksels schitterden de witte topaas, de mededinger der braziliaansche topazen, de karbonkel, de schorlsteen, een soort van heerlijk groenen kiezelsteen, de bleekroode robijn, vertegenwoordigd door scharlakenroode spinellen en door een allerschoonste rozenroode verscheidenheid, ligt- en donkerblaauwe saffieren, even gezocht als die van Malabar of Thibet, schitterende bruinroode tinanium-schorls en ten slotte een kleine diamant-kristal, die op de oevers van de Turon gevonden was. Niets ontbrak aan die prachtige verzameling van edelsteenen, en men behoefde het noodige goud om ze in te vatten niet ver te gaan zoeken. Als men ze althans niet geheel gezet wilde hebben, kon men niets meer verlangen.
Het delfstoffelijk museum der Bank.

Glenarvan nam afscheid van den inspecteur der Bank, na hem voor zijn vriendelijkheid bedankt te hebben, waarvan bij een ruim gebruik had gemaakt. Daarna werd het bezoek aan de goudmijnen voortgezet.
Hoe los Paganel ook mogt zijn van de goederen dezer wereld, toch deed hij geen stap zonder dien rijken bodem met zijn oogen te doorzoeken. Hij kon de verzoeking niet wederstaan, en zelfs de scherts zijner vrienden vermogt niets op hem. Telkens bukte hij, raapte een kei op of een stuk gangsteen of een brok kwarts; hij bekeek ze oplettend en wierp ze spoedig weer met verachting weg. Dat duurde zoo de geheele wandeling.
Paganel raapte een kei op.

"Hoe is het, Paganel!" vroeg de majoor, "hebt ge bij geval iets verloren?"
"Zeker," antwoordde Paganel, "in dit land van goud en edelgesteenten heeft men altijd verloren, wat men niet gevonden heeft. Ik zie niet in, waarom ik ook niet een klomp van eenige onsen, een van twintig pond is ook goed, maar meer ook niet, zou kunnen medenemen."
"En wat zoudt gij er mede doen, beste vriend?" vroeg Glenarvan.
"O, ik zou er niet verlegen mede zijn," antwoordde Paganel. "Ik zou hem aan mijn land vereeren! Ik zou hem in de fransche Bank beleggen...."
"Die hem zou aannemen?"
"Zeker, in den vorm van spoorweg-aandeelen!"
Men wenschte Paganel geluk met de wijze, waarop hij zijn klomp "aan zijn land" dacht aan te bieden, en lady Helena wenschte hem toe, dat hij het grootste stuk goud van de wereld mogt vinden.
Al schertsend doorliepen de reizigers het grootste gedeelte der ontgonnen gronden. Overal werd geregeld en werktuigelijk maar zonder opgewektheid gewerkt.
Na een wandeling van een paar uren kreeg Paganel een zeer fatsoenlijke herberg in het oog, waar hij voorstelde wat te gaan zitten, tot het tijd was den wagen weer op te gaan zoeken. Lady Helena keurde dit goed, en daar men in geen herberg kan komen zonder iets te gebruiken, vroeg Paganel den herbergier om den een of anderen hier gebruikelijken drank te brengen.
Voor iederen bezoeker werd een "nobler" gebragt. Dit is niet anders dan grog, maar omgekeerde grog. In plaats van een glaasje brandewijn in een groot glas water te doen, doet men een glaasje water in een groot glas brandewijn, daar gaat suiker in en men drinkt. Dat was wel een beetje al te australisch, en tot groote verwondering van den herbergier werd de nobler, met een groote karaf water aangelengd, de britsche grog.
Vervolgens praatte men over mijnen en mijnwerkers. Nu of nooit. Hoewel Paganel zeer in zijn schik was met hetgeen hij gezien had, meende hij toch, dat het vroeger nog bezienswaardiger moet geweest zijn, in de eerste jaren van de ontginning van den Alexander-berg.
"De grond," zeide hij, "was toen vol gaten en wemelde van legioenen werkmieren, en welke mieren! Alle landverhuizers waren even vlijtig, maar niet even voorzigtig als die diertjes! Het goud werd met handenvol weg geworpen. Het werd verdronken, en de herberg, waarin wij thans zijn, was een "hel", zooals men toen zeide. Het dobbelspel liep doorgaans op messteken uit. De politie kon er niets aan doen en dikwijls was de gouverneur der kolonie verpligt met geregelde troepen tegen de oproerige goudzoekers op te trekken. Toch gelukte het hem ze tot rede te brengen, hij legde een patent-regt op aan elken graver, dat hij niet zonder moeite liet innen, zoodat de wanorde hier minder groot was dan in Californië."
"Kan een ieder dat beroep van goudzoeker maar uitoefenen?" vroeg lady Helena.
"Ja, mevrouw! Daarvoor behoeft men geen akademischen graad te bezitten! Een paar goede armen is genoeg. Door armoede voortgejaagd kwamen de gelukzoekers aan de mijnen, meest allen zonder geld, de rijken met een houweel, de armen met een mes, en allen vatten dit werk op met een razernij, die zij bij een eerlijk ambacht wel achterwege zouden gelaten hebben. Die goudlanden leverden toen een zonderling schouwspel op! De grond was bedekt met tenten, dekkleeden, stulpen, barakken van aarde, planken en bladeren. In het midden pronkten de tent van het gouvernement, met de britsche vlag versierd, de tenten van blaauw tijk van deszelfs agenten, en de kramen der wisselaars, goudhandelaars en winkeliers, die hun voordeel wilden doen met die vermenging van rijkdom en armoede. Zoo iemand, dan zijn dezen rijk geworden. Gij hadt die goudzoekers met hun langen baard en rood hemd eens moeten zien, hoe zij daar in het water en slijk leefden. De lucht weergalmde van het onafgebroken geraas der houweelen, en was vervuld met de stinkende uitwasemingen der krengen, die op den grond lagen te rotten. Digte stofwolken omhulden die ongelukkigen, waaronder een ontzettende sterfte heerschte, en in een minder gezond land zou de typhus stellig die bevolking vreeselijk gedund hebben. En waren die gelukzoekers nog maar allen geslaagd! Maar al die ellende werd niet vergoed en bij een naauwkeurige berekening zou het blijken, dat tegen één goudzoeker, die zijn fortuin gemaakt heeft, er wel honderd, twee honderd misschien, arm en wanhopend gestorven zijn."
"Zoudt gij ons ook kunnen zeggen, Paganel!" vroeg Glenarvan, "hoe men bij dat gouddelven te werk ging?"
"Heel eenvoudig," antwoordde Paganel. "De eerste goudzoekers oefenden het beroep van goudwasscher uit, zooals dit nog gebruikelijk is in eenige deelen der Cevennen in Frankrijk. Thans gaan de compagniën anders te werk; zij klimmen tot de bron zelve op, tot de ader, die de blaadjes, de loovertjes en de klompen oplevert. Maar de goudwasschers vergenoegden zich met het goudzand uit te wasschen, ziedaar alles. Zij groeven in den grond, verzamelden de aardlagen, die zij meenden, dat goud bevatten, en spoelden ze met water uit om er den kostbaren erts uit af te zonderen. Tot dat wasschen gebruikten zij een werktuig, dat uit Amerika afkomstig was en "wieg" heette. Het was een doos van vijf tot zes voet lang, een soort van open doodkist, en in twee afdeelingen verdeeld. De eerste was voorzien van een grove zeef, waaronder andere zeven met naauwer gaatjes stonden; de tweede liep van onderen naauw toe. Het zand werd in een hoekje van de zeef gelegd, daar goot men water op, en met de hand schudde of liever wiegde men het werktuig. De steenen bleven achter in de eerste zeef, de erts en het fijne zand in de andere, naar gelang van hun grofheid, en de uitgewasschen aarde liep met het water door de onderste opening weg. Zoo was het meest gebruikelijke werktuig ingerigt."
"Maar men moest het toch hebben," zeide John Mangles.
"Men kocht het van de rijkgeworden of wel geruïneerde goudzoekers, naar het uitkwam, of men deed het er buiten," antwoordde Paganel.
"Wat nam men er dan voor in de plaats?" vroeg Mary Grant.
"Een schotel, lieve Mary! een eenvoudigen ijzeren schotel; de aarde werd uitgewand gelijk het koren; alleen oogstte men in plaats van tarwekorrels soms goudkorrels. In het eerste jaar heeft meer dan een goudzoeker fortuin gemaakt zonder andere onkosten. Ziet gij, vrienden! het was toen nog de goede tijd, hoewel de laarzen zeventig gulden het paar kostten en men voor een glas limonade zes gulden betaalde! Die het eerste komt het eerste maalt. Het goud lag overal in overvloed op den grond; de beken stroomden over een bedding van metaal; men vond het tot op de straten van Melbourne; met stofgoud werden de wegen gemacadamiseerd. De hoeveelheid edel metaal, die van 26 Januarij tot 24 Februarij 1852 onder geleide van het gouvernement van den Alexander-berg naar Melbourne overgebragt werd, had een waarde van vier millioen gulden. Dat bedraagt gemiddeld ruim tachtig duizend gulden daags!"
"Dat is ongeveer de civiele lijst van den keizer van Rusland," zeide Glenarvan.
"Arme man!" antwoordde de majoor.
"Werden er soms op eens rijk?" vroeg lady Helena.
"Ja, dat gebeurde wel eens, mevrouw!"
"Zijn u die gevallen bekend?" vroeg Glenarvan.
"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel. "In 1852 werd er in het district Ballarat een klomp gevonden, die vijf honderd drie en zeventig ons woog, in Gippsland een ander van zeven honderd twee en tachtig ons, en in 1861 een staaf van acht honderd vier en dertig ons. In datzelfde Ballara ontdekte een goudzoeker een klomp, die vijf en zestig nederlandsche ponden woog, hetgeen tegen zeventien honderd gulden het pond berekend honderd tien duizend gulden bedraagt! Een mooije slag met het houweel, die zesdehalf duizend gulden intrest opbrengt!"
"In welke mate is de opbrengst van het goud toegenomen sedert de ontdekking dezer mijnen?" vroeg John Mangles.
"In een ontzettende mate, waarde John! In het begin dezer eeuw bedroeg die opbrengst jaarlijks slechts drie en twintig millioen guldens, en thans berekent men ze met inbegrip van de opbrengst der mijnen van Europa, Azië en Amerika op vier tot vijf honderd millioen guldens.
"Dan is er, mijnheer Paganel!" zeide de jonge Robert, "op de plek, waar wij ons thans bevinden, onder onze voeten, misschien veel goud!"
"Ja, beste jongen! millioenen! wij loopen er op! Maar wij loopen er op, omdat wij het versmaden!"
"Dan is Australië wel een bevoorregt land!"
"Neen, Robert!" antwoordde de aardrijkskundige. "De goudlanden zijn niet bevoorregt. Zij geven slechts het aanzijn aan luije dagdieven en nooit aan sterke en werkzame menschen-geslachten. Zie maar op Brazilië, Mexico, Californië, Australië! Hoe ver zijn ze in de negentiende eeuw! Het land bij uitnemendheid, mijn jongen, is niet het goudland, maar het ijzerland!"
XV.
De australische en nieuw-zeelandsche courant.
Toen de zon den 2den Januari opging, overschreden de reizigers de grens van het goudland en van het graafschap Talbot. Onder de hoeven hunner paarden steeg het stof der wegen van het graafschap Dalhousie omhoog. Eenige uren later doorwaadden zij de Colban en de Campaspe, op 144°35' en 144°45' lengte. De helft der reis was afgelegd. Bleef het geluk hun nog een paar weken getrouw, dan zouden zij de oevers der Twofold-baai bereiken. De gezondheidstoestand der reizigers liet niets te wenschen over. De beloften van Paganel, ten aanzien van het gezonde klimaat, werden vervuld. Weinig of geen vochtigheid, en een zeer dragelijke warmte. De paarden en ossen klaagden niet. De menschen evenmin.
Van de Camden-brug af was er een kleine wijziging gekomen in de marschorde. De misdadige spoorwegramp had Ayrton, zoodra hij er kennis van droeg, bewogen om eenige voorzorgen te nemen, die vroeger onnoodig waren geweest. De jagers mogten den wagen niet uit het oog verliezen. Wanneer zij een legerplaats betrokken, was er altijd een op wacht. 's Morgens en 's avonds werden de wapens goed nagezien. Het was zeker, dat een bende boosdoeners het land afliep, en ofschoon er geen dadelijk gevaar te vreezen was, diende men toch op alles voorbereid te zijn.
Het zal wel niet noodig zijn te zeggen, dat al die voorzorgen genomen werden buiten weten van lady Helena en Mary Grant, wie Glenarvan geen angst wilde aanjagen.
En inderdaad had men reden om zoo te handelen. Een onvoorzigtigheid, een verzuim zelfs kon duur te staan komen. Ook was Glenarvan niet de eenige, wien deze stand van zaken bezorgd maakte. In de afgelegene gehuchten, op de stations namen de bewoners en de squatters voorzorgen tegen een mogelijken aanval of overrompeling. Tegen het vallen van den avond werden de huizen gesloten. De honden, die binnen de omheining losliepen, blaften bij het minste gerucht. Geen herder te paard zou 's avonds zijn talrijke kudden verzamelen om ze huiswaarts te drijven, zonder dat een karabijn aan den zadelknop hing. Het gerucht van de misdaad te Camden-brug begaan wettigde die buitengewone voorzigtigheid, en menige kolonist, die vroeger met open vensters en deuren sliep, grendelde ze nu stevig, wanneer de schemering begon.
Het bestuur der provincie legde ook veel ijver en overleg aan den dag. Afdeelingen inlandsche gendarmes werden allerwegen uitgezonden. Bijzondere zorg werd gedragen voor het brieven-vervoer. Vroeger reed de postkar zonder geleide over de groote wegen. Dienzelfden dag, juist op het oogenblik dat het gezelschap van Glenarvan den weg van Kilmore naar Heatcote overstak, reed de postwagen voorbij, zoo hard als de paarden maar loopen konden, die een wolk van stof deden oprijzen. Maar pas was hij voorbij, toen Glenarvan de karabijnen der politieagenten zag flikkeren, die er naast reden. Men kon haast denken weder in dien noodlottigen tijd te zijn, toen de ontdekking der goudmijnen het schuim der volkeren van Europa op het vastland van Australië uitstortte.
Een mijl nadat de wagen den weg naar Kilmore was overgestoken, kwam hij in een reuzenwoud, en voor de eerste maal sedert kaap Bernouilli drongen de reizigers in een van die bosschen door, die zich verscheidene graden ver uitstrekken.
Een kreet van bewondering ontsnapte hun op het gezigt der twee honderd voet hooge gomboomen, wier sponsige schors wel vijf duim dik was. De stammen, die twintig voet omtrek hadden en een welriekende hars uitzweetten, verhieven zich honderden voeten boven den grond. Geen tak, geen takje, geen wilde loot, geen knoest zelfs brak hun loodregten stand af. Zij konden niet gladder uit de hand van den draaijer komen. Zij waren gelijk aan evenveel zuiver afgewerkte zuilen, en bij honderden te tellen. Hoog in de lucht liepen zij uit in kapiteelen van dooreengeslingerde takken, aan het uiteinde voorzien met om den andere geplaatste bladeren, aan den oksel dier bladeren hingen enkele bloemen, wier kelk op een omgekeerde urn geleek.
De lucht stroomde ongehinderd onder deze altijd groene zoldering door; een onafgebroken luchtstroom nam de vochtigheid van den grond op; de paarden, de kudden rundvee, de wagens konden onbelemmerd tusschen die wijd uiteenstaande boomen doorkomen, die veel hadden van de bakenstokken, waarmede een kreupelbosch, dat men wil uitdunnen, wordt afgepaald. Het was geen ondoordringbaar en met distelen en doornen begroeid bosch, evenmin het ongerepte bosch met omgevallen stammen versperd en met digt ineengegroeide slingerplanten behangen, waarin de landverhuizer zich alleen met de bijl en het vuur een weg kan banen. Een grastapijt aan den voet der boomen, een groen kleed aan hun top, lange lanen van stoute pilaren, weinig schaduw, weinig koelte, verder een eigenaardig licht gelijkende op het schijnsel, dat door een dun weefsel heendringt, een regelmatige terugkaatsing, een zuivere spiegeling op den grond, dat alles te zamen maakte een vreemd schouwspel uit, dat rijk was aan ongewone effecten. Een bosch op het vastland van Oceanië gelijkt in geenen deele op de bosschen der nieuwe wereld, en de gomboom, de "Tara" der inboorlingen, behoorende tot de familie der myrthen, wier verschillende soorten bijna ontelbaar zijn, is de boom bij uitnemendheid der australische plantenwereld.
Het woud van gombomen.

De omstandigheid, dat onder die groene koepels de schaduw niet digt en de duisternis niet groot is, wordt veroorzaakt door een wetenswaardige afwijking in de plaatsing van de bladeren dier boomen. Niet een wendt zijn vlakken kant naar de zon, maar wel zijn spits toeloopende randen. Het oog ontdekt in dat vreemde gebladerte niets dan de zijden. De zonnestralen schieten dan ook tot op den bodem, alsof zij tusschen de opstaande latjes van een zonneblind doorvielen.
Allen maakten die opmerking en allen schenen verrast. Waartoe toch die zonderlinge plaatsing? Die vraag werd natuurlijk tot Paganel gerigt. Hij antwoordde als iemand, die van zessen klaar is.
"Wat mij hier verwondert," zeide hij, "is niet de grilligheid der natuur; de natuur weet wel wat ze doet, maar de plantenkenners weten niet altijd, wat zij zeggen. De natuur heeft zich niet vergist, toen zij aan deze boomen dat eigenaardige gebladerte gaf; maar de menschen dwaalden, toen zij hen "eucalyptus" noemden.
"Wat beteekent dat woord?" vroeg Mary Grant.
"Het komt van εὖ καλὺπτω en beteekent ik dek goed. Men heeft gezorgd die dwaling in het grieksch te begaan om ze minder in het oog te doen loopen, maar het is duidelijk, dat de "eucalyptus" slecht dekt."
"Toegestaan, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "zeg ons nu eens, waarom de bladeren zoo groeijen."
"Om een zuiver natuurkundige reden, vrienden!" antwoordde Paganel, "die gij gemakkelijk kunt begrijpen. In dit land, waar de lucht droog, de regen zeldzaam, de bodem uitgedroogd is, hebben de boomen aan wind noch zon behoefte. Waar geen vocht is, is ook geen sap. Vandaar die smalle bladeren, die zichzelven trachten te beschermen tegen den zonneschijn om een al te sterke uitdamping te voorkomen. Daarom keeren zij hun randen en niet de oppervlakte naar de zon. Niets is slimmer dan een blad."
"En niets baatzuchtiger!" sprak de majoor. "Dezen hebben alleen aan zichzelven gedacht en volstrekt niet aan de reizigers."
Allen waren het met Mac Nabbs eens, op Paganel na, die, terwijl hij zich het voorhoofd afwischte, blijde was onder boomen zonder lommer te kunnen rijden. Toch was die plaatsing der bladeren jammer; de wegen door die bosschen zijn soms zeer lang, en bij gevolg lastig, omdat de reiziger volstrekt niet beschermd wordt tegen de zonnehitte.
Den ganschen dag rolde de wagen tusschen die eindelooze rijen gomboomen. Geen viervoetig dier, geen inboorling was er te zien. Eenige kaketoes bewoonden de kruinen der boomen; maar op die hoogte waren ze naauwelijks zigtbaar en ging hun gebabbel in een onhoorbaar gefluister over. Soms vloog een zwerm papegaaien in de verte en vervrolijkte het geboomte voor een oogenblik door hun bonte kleuren. Maar over het geheel heerschte er een diepe stilte in dien uitgestrekten tempel van groen, en waren de stappen der paarden, eenige woorden van een onsamenhangend gesprek, de knarsende raderen van den wagen, en van tijd tot tijd een geroep van Ayrton, om zijn traag span wat aan te zetten, de eenige geluiden, die in deze ontzettende woestenijen gehoord werden.
's Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen, die de sporen droegen, dat er eerst onlangs een vuur had gebrand. Zij vormden om zoo te zeggen hooge fabriekschoorsteenen; want de vlam had ze inwendig over hun geheele lengte uitgehold. Zij hadden er echter geen hinder van, dat alleen de schors nog maar was overgebleven. Echter zal die verkeerde gewoonte der squatters en inboorlingen die prachtige boomen ten laatste geheel vernielen, en zij zullen verdwijnen gelijk die vier eeuwen oude cederen van den Libanon, welke de onnadenkende vlam der legerplaatsen verteert.
's Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen....

Op raad van Paganel legde Olbinett het vuur voor het avondeten aan in een van die buisvormige stammen; hij verkreeg terstond een aanzienlijke trekking en de rook verdween in het donkere loof. De noodige voorzorgen voor den nacht werden genomen, en Ayrton, Mulrady, Wilson en John Mangles losten elkander geregeld af om tot zonsopgang te waken.
Den ganschen dag van den 3den Januarij volgde in dit eindelooze bosch die eene regelmatige laan op de andere. Het scheen, dat er geen einde aan was. Maar tegen den avond werd het bosch wat dunner, en in een kleine vlakte, eenige mijlen voor hen uit, kregen de reizigers een aantal regelmatige huizen in het oog.
"Seymour!" riep Paganel. "Het is de laatste stad die we zullen ontmoeten, voor wij de provincie Victoria verlaten."
"Is zij van aanbelang?" vroeg Lady Helena.
"Mevrouw!" antwoordde Paganel "het is een eenvoudige kerspel, dat op weg is om een gemeente te worden."
"Zullen wij er een fatsoenlijk logement vinden?" vroeg Glenarvan.
"Ik hoop van ja," antwoordde de aardrijkskundige.
"Welnu! dan zullen wij de stad binnenrijden; want ik denk, dat onze wakkere reizigsters er niets tegen zullen hebben om er een nacht te slapen.
"Lieve Edward!" antwoordde lady Helena, "Mary en ik nemen het aan, maar op voorwaarde, dat het geen stoornis noch oponthoud zal veroorzaken."
"Volstrekt niet," antwoordde lord Glenarvan; "ook ons span is vermoeid; morgen vertrekken wij weder met het krieken van den dag."
Het was nu negen ure. De maan neigde ten ondergang en schoot slechts schuine stralen, die de nevel belette door te dringen. Het werd allengs donker. Het geheele gezelschap reed de breede straten van Seymour in, onder geleide van Paganel, die altijd goed bekend scheen met hetgeen hij nooit had gezien. Maar zijn instinct geleidde hem en hij kwam regt voor Campbells North British hotel.
Paarden en ossen werden op stal, de wagen in het koetshuis, en de reizigers naar vrij goede kamers gebragt. Ten tien ure namen de gasten plaats aan een tafel, die Olbinett met het oog van een kenner had gemonsterd. Paganel had met Robert de stad doorloopen, en vertelde heel kort zijn nachtelijken togt. Hij had volstrekt niets gezien.
Toch zou iemand, die minder afgetrokken was, een zekere onrust op de straten van Seymour opgemerkt hebben; hier en daar stonden hoopjes menschen, die langzamerhand grooter werden; men stond aan de deur te praten; men ondervroeg elkander met wezenlijke bezorgdheid, eenige dagbladen werden overluid voorgelezen, opgehelderd en besproken. Die verschijnselen konden den onoplettendsten waarnemer niet ontgaan. Doch Paganel had niets gemerkt.
De majoor daarentegen stelde zich zonder zoo ver te gaan, zelfs zonder het logement te verlaten, op de hoogte van den angst, die het stadje en te regt verontrustte. Een gesprek van tien minuten met den praatzieken logementhouder Dickson gaf hem alle noodige inlichtingen. Maar hij repte er niet van.
Eerst toen het maal afgeloopen was en lady Glenarvan, Mary en Robert Grant naar hun kamers gegaan waren, hield de majoor zijn reisgenooten even bij zich en zeide:
"De bewerkers van de misdaad op den spoorweg van Sandhurst gepleegd zijn bekend."
"En zijn zij gevat?" vroeg Ayrton driftig.
"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, schijnbaar zonder acht te geven op de gejaagdheid van den bootsman, een gejaagdheid trouwens, die in deze omstandigheid zeer verklaarbaar was.
"Zooveel te erger!" voegde Ayrton er bij.
"Welnu! wie verdenkt men van die misdaad?" vroeg Glenarvan.
"Lees!" antwoordde de majoor, terwijl hij Glenarvan een nummer van de Australian and New-Zealand Gazette aanbood, "en gij zult zien, dat de inspecteur van politie zich niet vergist heeft!"
Glenarvan las hardop het volgende:
"Sydney, 2 Januarij 1866.—Men zal zich herinneren, dat er in den nacht van den 29sten op den 30sten December ll. een ongeluk plaats had te Camden-brug, vijf mijlen van het station Castlemaine, op den spoorweg van Melbourne naar Sandhurst. De sneltrein van 11 ure 45 minuten is in volle vaart in de Lutton gestort.
"De Camden-brug stond open, toen de trein aankwam.
"Talrijke diefstallen, na de ramp gepleegd, en het lijk van den brugwachter, dat een halve mijl van Camden-brug terug is gevonden, bewezen, dat dit onheil het gevolg was van een misdaad.
"Het blijkt dan ook uit het onderzoek van den regter-commissaris, dat deze misdaad moet toegeschreven worden aan de bende gedeporteerden, die voor een half jaar uit de strafgevangenis van Perth, in West-Australië, ontsnapt zijn, toen zij naar het eiland Norfolk zouden overgebragt worden[1].
"Die gedeporteerden zijn ten getale van negen en twintig; hun aanvoerder is zekere Ben Joyce, een boosdoener van de ergste soort, die voor weinige maanden, met welk vaartuig is onbekend, in Australië is gekomen, en dien de justitie niet in handen heeft kunnen krijgen.
"De bewoners der steden, de kolonisten en de squatters der stations worden gewaarschuwd op hunne hoede te zijn, en verzocht den inspecteur-generaal alle inlichtingen te doen toekomen, die zijn nasporingen kunnen bevorderen.
"J.P. Mitchell, Insp.-Gen."
Toen Glenarvan ophield met lezen, wendde Mac Nabbs zich naar den aardrijkskundige en zeide:
"Gij ziet, Paganel! dat er gedeporteerden in Australië kunnen zijn."
"Ontvlugte! dat blijkt!" antwoordde Paganel, "maar geen toegelaten gedeporteerden. Die lieden hebben het regt niet hier te zijn."
"Zij zijn er toch," hernam Glenarvan; "maar naar mijn inzien mag hun tegenwoordigheid geen verandering in onze plannen brengen en ons onze reis doen staken. Wat denkt gij er van, John?"
John Mangles antwoordde niet terstond; hij weifelde tusschen de smart, welke het opgeven van de aangevangen nasporingen den beiden kinderen zou veroorzaken, en de vrees om het gezelschap in gevaar te brengen.
"Waren lady Glenarvan en miss Grant niet bij ons," zeide hij, "dan zou ik mij weinig om die bende ellendelingen bekommeren."
Glenarvan begreep hem en voegde er bij:
"Het spreekt van zelf, dat wij er niet aan kunnen denken om van de voltooijing onzer taak af te zien; maar zou het niet goed zijn om den wil onzer reisgenooten de Duncan te Melbourne op te zoeken en van het oosten uit het spoor van Harry Grant te volgen? Wat denkt gij er van, Mac Nabbs?"
"Voor ik mijn gevoelen zeg," antwoordde de majoor, "zou ik gaarne de meening van Ayrton weten."
Zoo op den man af aangesproken, zag de bootsman Glenarvan aan.
"Ik denk," zeide hij, "dat wij twee honderd mijlen van Melbourne af zijn, en dat het gevaar, wanneer het bestaat, even groot is in het zuiden als in het oosten. Beide wegen worden weinig bezocht, de een is net als de andere. Ook geloof ik niet, dat een dertigtal boosdoeners acht goed gewapende en vastberadene mannen schrik kunnen aanjagen. Ik voor mij zou dus voortgaan. Wie het beter weet, spreke!"
"Goed gezegd, Ayrton!" antwoordde Paganel. "Zetten wij onzen togt voort, dan kunnen wij het spoor van kapitein Grant snijden. Keeren wij naar het zuiden terug, dan verwijderen wij ons er van. Ik denk dus evenals gij, en geef niet om die ontsnapten uit Perth, die niet waard zijn dat een man van moed zich om hen bekommert!"
Nu werd het voorstel om niets aan het reisplan te veranderen in omvraag gebragt en met algemeene stemmen aangenomen.
"Nog ééne opmerking, mylord!" zeide Ayrton, toen het gezelschap op het punt stond uiteen te gaan.
"En die is, Ayrton?"
"Zou het niet goed zijn de Duncan bevel te geven om de kust te naderen?"
"Waartoe zou dat dienen?" sprak John Mangles. "Wanneer wij in de Twofold-baai gekomen zijn, is het nog vroeg genoeg om dat bevel te verzenden. Mogt het een of ander onvoorzien voorval ons dwingen naar Melbourne te gaan, dan kon het ons ligt spijten de Duncan aldaar niet te vinden. Ook kan haar averij nog niet hersteld zijn. Om al die redenen acht ik het dus beter te wachten."
"Goed," antwoordde Ayrton, die er niet verder op aandrong.
Den volgenden morgen vertrok het kleine reisgezelschap gewapend en op alles voorbereid uit Seymour. Een half uur later betrad het weder het gomboomenbosch, dat op nieuw in het oosten zich vertoonde. Glenarvan had liever in het open veld gereisd. Een vlakte is minder geschikt voor hinderlagen en verraderlijke overvallen dan een digt bosch; maar men had geen keus, en den geheelen dag hotste de wagen tusschen de groote eentoonige boomen voort. Na de noordelijke grens van het graafschap Anglesey langs gereden te zijn, trok hij 's avonds over den honderd zes en veertigsten breedtegraad, en sloeg men zich neder op de grens van het district Murray.
XVI.
Een hoofdstuk, waarin de majoor beweert, dat het apen zijn.
Den volgenden morgen, den 5den Januarij, zetteden de reizigers den voet op het uitgestrekte stroomgebied van de Murray. Dit woeste en onbewoonde district strekt zich uit tot aan den hoogen scheidsmuur der australische Alpen. De beschaving heeft het nog niet in afzonderlijke graafschappen gesplitst. Het is een weinig bekend en weinig bezocht gedeelte der provincie. Zijn bosschen zullen eens vallen onder den bijl van den houthakker, zijn weiden zullen overgeleverd worden aan de kudden van den squatter, maar tot nog toe is het een ongerepte bodem, zooals hij uit den Indischen oceaan oprees, het is de woestijn.
Al die gronden te zamen dragen een veelbeteekenenden naam op de engelsche kaarten: afgezonderd voor de zwarten. Tot hiertoe hebben de kolonisten de inboorlingen verdreven. In de afgelegene vlakten, onder de ongenaakbare bosschen, heeft men hun eenige bepaalde plekken overgelaten, waar het inlandsche ras binnen kort geheel zal uitsterven. Elke blanke kolonist, landverhuizer, squatter, houthakker, mag de grenzen dier afgezonderde streken overschrijden. De zwarte alleen mag ze niet verlaten.
Onder het rijden behandelde Paganel die gewigtige vraag der inlandsche rassen. Er was slechts ééne meening dienaangaande, namelijk dat het britsche stelsel uitliep op de vernietiging der overwonnen stammen, op hun verdrijving uit de streken, waar hun voorvaderen leefden. Die verderfelijke strekking was overal waar te nemen, wel het meest in Australië. In de eerste tijden der kolonie beschouwden de gedeporteerden, zelfs de kolonisten, de zwarten als wilde dieren. Zij maakten jagt op hen en schoten ze dood. Zij vermoordden hen. Het gezag der regtsgeleerden werd ingeroepen om te bewijzen, dat de Australiër buiten de natuurwet stond, en de moord dier ongelukkigen dus geen misdaad was. De dagbladen van Sidney stelden zelfs een krachtig middel voor om zich van de stammen aan het meer Hunter te ontdoen: namelijk ze in massa te vergeven.
Zooals men ziet, riepen de Engelschen bij het begin hunner verovering den moord te hulp ten behoeve van de kolonisatie. Hun wreedheden waren afschuwelijk. Zij gedroegen zich in Australië evenals in Indië, waar vijf millioen Hindoes verdwenen zijn, evenals aan de Kaap, waar een bevolking van een millioen Hottentotten tot honderd duizend is gedaald. De inlandsche bevolking, door mishandeling en dronkenschap gedund, dreigt dan ook voor een menschenmoordende beschaving van het vastland te verdwijnen. Wel is waar hebben sommige gouverneurs wetten tegen de bloeddorstige houthakkers uitgevaardigd! Zij straften met eenige zweepslagen den blanke, die een zwarte neus of ooren afsneed, of hem den pink afhakte, "om er een pijpuithaalder van te maken!" IJdele dreigementen! De moorden werden op groote schaal ingerigt, en geheele stammen verdwenen. Om maar één voorbeeld aan te halen: in het begin dezer eeuw telde het eiland Van Diemen vijf duizend inboorlingen, in 1868 slechts zeven! En onlangs meldde de Mercurius te Hobarttown de aankomst van den laatsten Tasmaniër.
Glenarvan, de majoor, noch John Mangles spraken Paganel tegen. Al waren zij Engelschen geweest, dan zouden zij nog hun landgenooten niet verdedigd hebben. De feiten waren zoo klaar als de dag, onwederlegbaar.