JULES VERNE.
Reading edition
DERDE DEEL.
DE STILLE OCEAAN.
LEIDEN,
DE BREUK & SMITS.
1868.
INHOUD
I.De Macquarie.
II.Het verledene van het land waar men heengaat.
III.Moordtooneelen op Nieuw-Zeeland.
IV.De branding.
V.De nieuwbakken matrozen.
VI.Verdediging van het menscheneten.
VII.Eindelijk bereiken zij het land, dat zij moesten ontvlieden.
VIII.Tegenwoordige toestand van dat land.
IX.Dertig mijlen noordelijker.
X.De nationale stroom.
XI.Het meer Taupo.
XII.De lijkplegtigheden van een opperhoofd der Maori's.
XIII.De laatste uren.
XIV.De taboe berg.
XV.De groote middelen ven Paganel.
XVI.Tusschen twee vuren.
XVII.Waarom de Duncan op de oostkust van Nieuw-Zeeland kruiste.
XVIII.Ayrton of Ben Joyce.
XIX.Eene schikking.
XX.Een kreet in den nacht.
XXI.Het eiland Tabor.
XXII.De laatste verstrooidheid van Jacques Paganel.
Lijst van illustraties.
I.
De Macquarie.
Zoo ooit, dan moesten thans, nu alles hun te gelijk ontviel, de zoekers naar kapitein Grant wel wanhopen hem weder te zien. In welk deel der wereld moesten zij nu hun togt weder beginnen? Hoe konden zij nieuwe landen onderzoeken? De Duncanbestond niet meer; zelfs was het hun onmogelijk om onmiddellijk naar hun vaderland terug te keeren. De onderneming dier edelmoedige Schotten was dus mislukt! Niet geslaagd! Treurig woord, dat geen weerklank vindt in een moedig hart, en toch dwongen de slagen van het noodlot Glenarvan tot de erkentenis, dat hij onmagtig was zijn werk van zelfopoffering voort te zetten.
In dien stand van zaken had Mary Grant den moed om den naam haars vaders niet meer uit te spreken. Zij bedwong haar angst door de gedachte aan de ongelukkige matrozen, die omgebragt waren. De dochter ging op in de vriendin, en zij troostte Glenarvan, die haar zoo menigmaal had getroost! Zij was de eerste, die er van sprak, om naar Schotland terug te keeren. Toen hij haar moed, haar onderwerping zag, bewonderde John Mangles haar. Hij wilde nog iets ten voordeele van den kapitein zeggen; maar Mary legde hem door een blik het stilzwijgen op, en later zeide zij tot hem: "Neen, mijnheer John! wij moeten denken aan degenen, die zich opgeofferd hebben. Lord Glenarvan moet naar Europa terugkeeren!"
"Gij hebt gelijk, miss Mary!" antwoordde John Mangles, "het moet. Ook moeten de engelsche autoriteiten onderrigt worden van het lot der Duncan. Maar geef alle hoop nog niet op. Liever dan de aangevangen nasporingen op te geven, zou ik ze alleen voortzetten! Ik zal kapitein Grant terugvinden of bij de volvoering dier taak omkomen!"
Het was eene ernstige verbindtenis, die John Mangles op zich nam. Mary nam ze aan, en legde haar hand in die van den jongen kapitein, als om dit verdrag te bekrachtigen. Van de zijde van John Mangles was het een toewijding van zijn geheele leven, van de zijde van Mary een onwankelbare erkentelijkheid.
Dien dag werd er stellig tot het vertrek besloten. Men had plan om Melbourne ten spoedigste te bereiken. 's Anderen daags ging John onderzoeken, of er scheepsgelegenheid was. Hij rekende er op, dat er een belangrijk verkeer tusschen Eden en de hoofdstad van Victoria werd onderhouden.
Zijn verwachting werd teleurgesteld. Er lagen maar weinig schepen. De geheele koopvaardijvloot van het stadje bestond uit drie of vier schepen, die in de Twofoldbaai ten anker lagen. Geen enkel was met bestemming naar Melbourne, Sidney of Pointe-de-Galle. En alleen in deze havens van Australië kon Glenarvan schepen vinden in lading naar Engeland. Want de Stoombootmaatschappij voor het Schier-eiland en het Oosten heeft een geregelde stoomvaart tusschen deze punten en het moederland.
Wat nu te doen? Een schip afwachten? Dat kon lang duren; want de Twofold-baai wordt weinig bezocht. Wel varen er vele schepen voorbij; maar zelden doen ze de baai aan.
Na lang wikken en wegen kwam Glenarvan bijna tot het besluit om langs de kust naar Sidney te gaan, toen Paganel met een voorstel voor den dag kwam, dat niemand had verwacht.
De aardrijkskundige had ook de Twofoldbaai eens bezocht. Hij wist, dat er geen reisgelegenheid bestond naar Sidney en Melbourne. Maar een van de drie schepen, welke op de reede lagen, moest naar Auckland, de hoofdstad van Ika-Na-Maoeï, het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland. Nu stelde Paganel voor het bedoelde schip af te huren en naar Auckland te gaan, vanwaar men gemakkelijk met de booten der maatschappij naar Europa kon terugkeeren.
Dit voorstel werd in ernstige overweging genomen. Paganel wachtte zich thans wel al die bewijzen aan te voeren, waarmede hij anders zoo mild was. Hij vergenoegde zich met de opgave van het feit en voegde er bij, dat de overtogt maar vijf of zes dagen zou duren. De afstand, die Australië van Nieuw-Zeeland scheidt, bedraagt werkelijk niet meer dan een duizend mijlen.[1]
Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden lag Auckland juist op dien zeven en dertigsten breedtegraad, dien de zoekers van Araucanië af hardnekkig volgden. De aardrijkskundige had dus, zonder dat men hem van partijdigheid kon beschuldigen, gerust zijn voordeel kunnen doen met deze waarheid om er een bewijs ter gunste van zijn voorstel aan te ontleenen. Zoo kreeg men immers ongezocht aanleiding om de steile kusten van Nieuw Zeeland te bezoeken.
Evenwel maakte Paganel van dat voordeel geen gebruik. Na de dubbele teleurstelling wilde hij zich ongetwijfeld niet wagen aan een derde uitlegging van het document. Maar wat zou hij er ook uit kunnen afleiden? Er stond immers uitdrukkelijk, dat een "vastland" tot schuilplaats had gestrekt aan kapitein Grant, en niet een eiland. Nu was Nieuw-Zeeland maar een eiland. Dat scheen beslissend. Hoe het ook zij, om deze of om een andere reden verbond Paganel met dit voorstel om naar Auckland te gaan volstrekt niet de gedachte om een nieuwen onderzoekingstogt op touw te zetten. Hij wees er alleen op, dat er een geregelde gemeenschap bestond tusschen dit punt en Groot-Brittanje, en dat men gemakkelijk daarvan gebruik kon maken.
John Mangles ondersteunde het voorstel van Paganel. Hij raadde tot de aanneming, omdat men toch de twijfelachtige komst van een vaartuig in de Twofoldbaai niet kon afwachten. Maar alvorens daartoe over te gaan achtte hij het geraden om het door den aardrijkskundige bedoelde schip eens in oogenschouw te nemen. Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert en hij namen dus een sloep, en na eenige riemslagen legden zij bij het schip aan, dat twee kabelslengten van de kaai ten anker lag.
Het was een brik van twee honderd vijftig ton, de Macquarie geheeten. Zij diende tot de kustvaart tusschen de verschillende havens van Australië en van Nieuw-Zeeland. De kapitein, of beter gezegd de "schipper" ontving zijn bezoekers tamelijk lomp. Zij zagen wel, dat zij te doen hadden met iemand zonder opvoeding, wiens manieren volstrekt niet verschilden van die der vijf matrozen, waaruit de bemanning bestond. Een dik rood gezigt, grove handen, een platte neus, één oog en vuile lippen van het rooken, gevoegd bij zijn onbeschofte houding maakten van Will Halley een terugstootend wezen. Maar men had geen keus, en voor een reisje van weinige dagen moest men zoo naauw niet kijken.
Het was een brik, de Macquarie geheeten.

"Wat wilt gij?" vroeg Halley aan die onbekenden, die op het dek van zijn schip kwamen.
"De kapitein?" vroeg John Mangles.
"Ben ik," antwoordde Halley. "En?"
"Ligt de Macquarie in lading naar Auckland?"
"Ja. En?"
"Wat heeft ze in?"
"Alles wat verkocht wordt en alles wat gekocht wordt. En?"
"Wanneer vertrekt ze?"
"Morgen, tegen den middag. En?"
"Kan ze passagiers meenemen?"
"Dat hangt er van af wie het zijn en of ze zich met den scheepskost willen vergenoegen."
"Zij zouden hun voorraad meebrengen."
"En?"
"En?"
"Ja. Hoeveel zijn er?"
"Negen, waaronder twee dames."
"Ik heb geen hutten."
"Zij zullen zich met het vooronder behelpen, dat hun moet afgestaan worden."
"En?"
"Neemt gij het aan?" vroeg John Mangles, die volstrekt niet verlegen werd gemaakt door de manieren van den kapitein.
"Moet zien," antwoordde de schipper van de Macquarie. Will Halley liep wat rond, stampte met zijn zware laarzen met groote spijkers op het dek, en kwam toen plotseling op John Mangles af.
"Wat betaalt men?" vroeg hij.
"Wat vraagt men?" antwoordde John.
"Vijftig pond."
Glenarvan gaf een toestemmend teeken.
"Goed! vijftig pond," antwoordde John Mangles.
"Maar enkel de overtogt," voegde Will Halley erbij.
"Enkel de overtogt."
"Buiten den kost."
"Daarbuiten."
"Toegestemd. En?" zeide Will de hand ophoudende.
"Wat blieft?"
"Het handgeld?"
"Hier is de helft van de vracht, vijf en twintig pond," zeide John Mangles, aan den schipper het geld uitbetalende, die het zonder dankje te zeggen in den zak stak.
"Morgen aan boord," zeide hij. "Voor twaalven. Of ge er zijt of niet, ik ligt het anker."
"Wij zullen er zijn."
Toen dit afgehandeld was, gingen Glenarvan, de majoor, Robert, Paganel en John Mangles van boord, zonder dat Will Halley ook maar met den vinger den zuidwester had aangeraakt, die op zijn roode pruik vastgelijmd zat.
"Wat een lompe vlegel!" zeide John.
"Die staat mij juist goed aan," antwoordde Paganel. "Hij is een echte zeewolf."
"Een echte beer!" verbeterde de majoor.
"En ik houd het er voor," voegde John Mangles er bij, "dat die beer in der tijd wel handel gedreven heeft in menschenvleesch."
"Wat raakt ons dat!" antwoordde Glenarvan, "nu hij de Macquarie kommandeert en de Macquarie naar Nieuw-Zeeland gaat. Tusschen de Twofoldbaai en Auckland zullen we hem weinig zien, na Auckland zullen we hem in het geheel niet meer zien."
Lady Helena en Mary Grant vernamen met genoegen, dat het vertrek op den volgenden dag was bepaald. Glenarvan bragt haar onder het oog, dat de Macquarie niet zoo gemakkelijk was ingerigt als de Duncan. Maar na zooveel leed uitgestaan te hebben, waren zij er de vrouwen niet naar, om zich door zoo'n kleinigheid te laten afschrikken. Olbinett kreeg last om voor levensmiddelen te zorgen. Sedert het verlies van de Duncan had de arme man heete tranen geschreid over zijn ongelukkige vrouw, die aan boord gebleven en natuurlijk evenals de geheele bemanning het offer was geworden van de wreedheid der roovers. Niettemin volbragt hij met zijn gewonen ijver zijn werkzaamheden als hofmeester, en "de schafting" bestond uit kostelijke spijzen, die nooit op de schaftlijst van de brik voorkwamen. In weinige uren waren de aankoopen afgeloopen.
Intusschen maakte de majoor bij een wisselaar de wissels te gelde, die Glenarvan had op de Union-bank te Melbourne. Hij wilde niet ontbloot zijn van goud. Evenmin van wapens en kruid. Daarom schafte hij zich weder andere aan. Paganel kocht voor zich een uitmuntende kaart van Nieuw-Zeeland, door Johnston te Edinmburg uitgegeven.
Met Mulrady ging het goed. Hij voelde naauwelijks de wond meer, die zijn leven in gevaar had gebragt. De zeelucht zou spoedig zijn genezing voltooijen. Hij had plan te genieten van de koelten op de Stille Zuidzee.
Aan Wilson werd opgedragen het verblijf der passagiers aan boord van de Macquarie in orde te brengen. Met borstel en bezem gaf hij het vooronder een heel ander aanzien. Will Halley liet den matroos schouderophalende begaan. Hij bekommerde zich niet het minst om Glenarvan, diens dames en reisgenooten. Hij wist niet eens hun naam en vroeg er niet naar. Die vermeerdering van lading bragt hem vijftig pond op, dat was alles, en dat schatte hij minder dan de twee honderd ton gelooide huiden, waarmee het ruim was opgevuld. Eerst de huiden, dan de menschen. Hij was een koopman. Wat zijn zeevaartkundige bekwaamheden aangaat, hij werd voor een vrij goed praktikus gehouden op die zeeën, welke door de koraalriffen zeer gevaarlijk zijn.
Dien morgen wilde Glenarvan terugkeeren naar dat punt van den oever, waarover de zeven en dertigste parallel loopt. Twee redenen had hij daarvoor.
Hij wilde nog eens de vermoedelijke plaats van de schipbreuk bezoeken. Ayrton was ongetwijfeld bootsman op de Britannia. Waarom zou de Britannia niet wezenlijk vergaan zijn op dit gedeelte der australische kust? Zoo niet op de west- dan toch op de oostkust? Men moest niet onbedachtzaam een plek verlaten, die men nooit zou terug zien.
En was de Britannia daar niet geweest, de Duncan was er toch in de handen der roovers gevallen. Misschien had er een gevecht plaats gehad. Waarom zou men op den oever geen spoor van een worsteling, van een hardnekkigen tegenstand vinden? Zouden de golven, wanneer de bemanning in de baren verdronken was, de lijken niet op de kust hebben aangespoeld?
In gezelschap van den trouwen John ging Glenarvan op verkenning uit. De eigenaar van het Victoria-hotel gaf hun twee paarden, en zij sloegen den weg naar het noorden in, die om de Twofold-baai loopt.
Het was een treurig onderzoek. Glenarvan en kapitein John reden zwijgend voort. Maar zij verstonden elkander. Dezelfde gedachten en bij gevolg dezelfde angst kwelden hen. Zij beschouwden de rotsen, waaraan de zee knaagde. Zij behoefden elkander niets te vragen noch te antwoorden.
Gerust mag men op den ijver en de schranderheid van John zich verlaten om te verzekeren, dat elk punt van de kust naauwkeurig werd bezocht, dat de kleinste kreeken zoowel als het langzaam afloopende strand en de zandige hoogten zorgvuldig werden onderzocht, waar de middelmatige getijden van de Stille Zuidzee eenig strandgoed hadden kunnen opwerpen. Maar niets werd er gevonden, dat aanleiding geven kon om in deze streken nieuwe onderzoekingen aan te vangen. Geen spoor van de schipbreuk was hier aanwezig.
Evenmin iets, dat van de Duncan afkomstig was. Deze geheele kuststreek van den Oceaan was onbewoond. Men zag levenden noch dooden.
Toch ontdekte John Mangles aan den rand van het strand versche sporen van een legerplaats, overblijfselen van vuren, onder alleenstaande myalls ontstoken. Was daar soms voor eenige dagen een zwervende inlandsche volksstam geweest? Neen; Glenarvans blik werd getrokken door een kenteeken, dat hun onwederlegbaar bewees, dat de roovers dit gedeelte der kust hadden bezocht.
Dat kenteeken was een graauwe en gele, versletene en gelapte boezeroen, een lor, die aan den voet van een boom was blijven liggen. Het stamnummer van de strafgevangenis te Perth stond er op. De boef was er niet meer, maar zijn plunje verried hem. Die liverei van de misdaad had eerst den een of anderen schurk gekleed, en lag nu te verrotten op die onbewoonde kust.
"Gij ziet het, John!" zeide Glenarvan. "De roovers zijn hier geweest! en onze arme makkers van de Duncan?..."
"Ja!" antwoordde John op doffen toon, "het is zeker, dat zij niet aan wal zijn gezet, dat zij gesneuveld zijn...."
"Die ellendelingen!" riep Glenarvan. "Als zij ooit in mijn handen vallen, zal ik mijn matrozen wreken!"
De smart had aan Glenarvans trekken een hard voorkomen gegeven. Eenige minuten lang staarde de lord op de onmetelijke watervlakte; misschien zocht hij voor het laatst in het verre verschiet nog naar een vaartuig. Vervolgens werden zijn oogen dof, hij werd weer de oude, en zonder een woord te spreken of een gebaar te maken, galoppeerde hij den weg op naar Eden.
Glenarvan gallopeerde de weg naar Eden op.

Nog ééne formaliteit moest er vervuld worden, de kennisgeving van het gebeurde aan het geregt. Zij werd dienzelfden avond aan Thomas Banks gedaan. Die overheidspersoon kon naauwelijks zijn blijdschap ontveinzen, dat hij dit proces-verbaal mogt opmaken. Hij was regt in zijn schik over het vertrek van Ben Joyce en diens bende. De geheele stad verheugde zich met hem. De roovers hadden Australië verlaten, wel na het begaan van een nieuwe misdaad, maar toch zij waren weg. Dit belangrijke nieuws werd terstond getelegrafeerd aan de autoriteiten te Melbourne en Sidney.
Na het afleggen zijner verklaring keerde Glenarvan naar het Victoria-hotel terug. De reizigers bragten dien laatsten avond treurig door. Hun gedachten verwijlden bij dien aan ongelukken zoo vruchtbaren bodem. Zij herinnerden zich, hoeveel gegronde hoop zij aan kaap Bernouilli hadden opgevat, waaraan in de Twofold-baai zoo wreed de bodem was ingeslagen!
Paganel was ter prooi aan een koortsige onrust. John Mangles, die hem sedert het voorval aan de Sneeuw-rivier in het oog hield, gevoelde, dat de aardrijkskundige dobberde tusschen spreken en zwijgen. Verscheidene malen had hij hem met vragen bestormd, die onbeantwoord bleven.
Dien avond echter vroeg John, toen hij hem naar zijn kamer bragt, waarom hij toch zoo zenuwachtig was?
"Vriend John!" antwoordde Paganel ontwijkend, "ik ben niet zenuwachtiger dan anders."
"Mijnheer Paganel! er is een geheim, dat u benaauwt!" hernam John.
"Wat zal ik er aan doen?" riep de aardrijkskundige met driftige gebaren. "Het is sterker dan ik!"
"Wat is sterker dan gij?"
"Mijn vreugde aan den eenen kant, mijn wanhoop aan den anderen."
"Zijt gij blijde en wanhopend te gelijk?"
"Ja! blijde en wanhopend, nu ik Nieuw-Zeeland ga bezoeken."
"Zijt gij iets op het spoor?" vroeg John Mangles driftig. "Hebt gij het verloren spoor teruggevonden?"
"Neen, vriend John! Uit Nieuw-Zeeland komt men niet terug! Maar toch..., kortom, gij kent de menschelijke natuur! Zoolang er leven is, is er hoop! En mijn leus is "spiro, spero" dat de mooiste leus van de wereld is!"
II.
Het verledene van het land waar men heengaat.
Den volgenden dag, den 27sten Januarij, waren de passagiers van de Macquarie bijeen in het bekrompen vooronder van de brik. Will Halley had niet eens zijn kajuit aan de dames aangeboden. Zij behoefden daarover trouwens geen spijt te gevoelen; want het hol was den beer waardig.
Ten half een met de ebbe maakte men zich zeilree. Het anker kwam loodregt en werd met moeite opgehaald. Een tamelijke koelte woei uit het zuidwesten. De zeilen werden langzaam geheschen. De vijf matrozen deden het werk op hun uiterste gemak. Wilson wilde hen helpen. Maar Halley verzocht hem zich rustig te houden en zich niet te bemoeijen met hetgeen hem niet aanging. Hij was gewoon alles alleen te doen en vroeg niet om hulp of raad.
Dit was op John Mangles gemunt, dien de linkschheid van eenige bewegingen deed glimlagchen. Hij hield zich voor gewaarschuwd, maar behield zich voor om zooal niet regtens dan toch feitelijk tusschen beide te komen, wanneer de onhandigheid der bemanning de veiligheid van het schip soms in gevaar mogt brengen.
Met wat geduld en met de armen der vijf matrozen, aangevuurd door de vloeken van den schipper, werden de zeilen toch eindelijk aangeslagen. De Macquarie liep met bakboordshalzen voor den wind onder haar onderste zeilen, haar marszeilen, bramzeilen, haar groote bezaan en haar kluivers. Later werden de lijzeilen en bovenbramstengen ook geheschen. Maar in weerwil van die vermeerdering van doek vorderde de brik naauwelijks. De breede voorsteven, de wijdte van het ruim, de lompheid van het achterschip maakten haar tot een slechten zeiler, en gaven haar geheel en al het voorkomen van een "klomp."
Men moest er zich echter in schikken. Gelukkig, hoe slecht de Macquarie ook zeilde, moest zij toch in vijf, hoogstens zes dagen, op de reede van Auckland ankeren.
's Avonds ten zeven ure verloor men de kust van Australië en het staande licht der haven van Eden uit het oog. De nog al holle zee deed het schip erg stampen; het plompte neer in de golfdalen. De passagiers kregen duchtige schokken, die hun verblijf in het vooronder juist niet aangenamer maakten. Ook op het dek konden ze niet blijven; want het regende juist hard. Zij zagen zich dus tot een strenge gevangenis veroordeeld.
Elk liet nu zijn gedachten den vrijen loop. Er werd weinig gepraat. Ter naauwernood wisselden lady Helena en Mary Grant eenige woorden. Glenarvan kon het niet uithouden. Hij liep heen en weer, terwijl de majoor zich niet verroerde. Door Robert vergezeld klom John Mangles van tijd tot tijd op het dek om naar de zee te zien. En Paganel mompelde in zijn hoek losse onzamenhangende woorden.
Waaraan dacht de waardige aardrijkskundige? Aan dat Nieuw-Zeeland, waarheen het noodlot hem dreef. Deszelfs geheele geschiedenis ontrolde zich voor zijn geest, en het verledene van dat akelige land doemde op voor zijn oog.
Maar was er iets in die geschiedenis, een feit of een toeval, dat den ontdekkers dier eilanden ooit het regt gegeven had om ze als een vastland te beschouwen? Kon een nieuwere aardrijkskundige, een zeeman hun dien naam geven? Zooals men ziet, kwam Paganel altijd weer terug op de uitlegging van het document. Het was een bezetenheid, een vaststaande gedachte. Na Patagonië, na Australië, klampte zijn verbeelding, die een enkel woord bezig hield, zich vast aan Nieuw-Zeeland. Maar één enkel punt stuitte hem op dien weg.
"Contin ... contin ..." herhaalde hij, "dat wil toch zeggen continent! (vastland)"
En in gedachten volgde hij weder de zeevaarders, die deze twee groote eilanden der zuidelijke zeeën vonden.
Den 13den December 1642 bereikte de Hollander Tasman, na Van Diemensland ontdekt te hebben, de onbekende oevers van Nieuw-Zeeland. Hij zeilde er verscheidene dagen langs en den 17den drongen zijn schepen in een breede baai, aan wier uiteinde een naauwe straat lag, die twee eilanden scheidde.
Het noordelijke eiland, was Ika-Na-Maoeï, zeelandsche woorden, die beteekenen "de visch van Mauwi". Het zuidelijke eiland was Tawaï-Poena-Moe, dat wil zeggen "de walvisch, die den groenen niersteen voortbrengt[1]."
Abel Tasman zond zijn sloepen aan land, die met twee praauwen, bemand met luidruchtige inwoners terugkwamen. Die wilden waren middelmatig van gestalte, met een bruine en gele huid, met uitstekende beenderen, een ruwe stem, en zwarte haren, evenals bij de Japanneezen op het hoofd zaamgebonden, waarop een groote witte veer prijkte.
Die eerste ontmoeting tusschen de Europeanen en inlanders scheen langdurige vrienschapsbetrekkingen te beloven. Maar den volgenden dag werd een der sloepen van Tasman, die een ankerplaats digter bij het land ging opzoeken, hevig bestookt door zeven praauwen met een groot aantal inlanders bemand. De boot sloeg om en raakte vol water. De bootsman, die het bevel voerde, werd terstond in de keel getroffen met een piek met een grove punt. Hij viel in zee. Van zijn zes makkers werden er vier gedood; de twee anderen en de bootsman zwommen naar de schepen en werden opgevischt en gered.
Hij werd hevig bestookt door zeven praauwen.

Na dit noodlottig voorval zeilde Tasman weg. Hij vergenoegde zich met den inlanders eenige musketkogels toe te zenden, die hen waarschijnlijk niet raakten. Hij verliet de baai, nog de Moordbaai genoemd, stevende langs de westkust en wierp den 5den Januarij het anker bij de noordpunt. Te dezer plaatse verhinderde hem niet alleen de hevige branding maar ook de slechte gezindheid der wilden om water in te nemen, en hij verliet voor goed dit land, waaraan hij ter eere van de Staten Generaal den naam gaf van Statenland.
De hollandsche zeeman meende inderdaad, dat het samenhing met de eilanden van dienzelfden naam, ten oosten van Vuurland aan de zuidpunt van Amerika ontdekt. Hij meende "het groot zuidelijk vastland" gevonden te hebben.
"Maar," sprak Paganel bij zich zelven, "wat een zeeman der zeventiende eeuw "vastland" noemen kon, kon dien naam niet dragen bij een zeeman der negentiende; zulk een dwaling is niet te vooronderstellen! Neen! Er is iets, dat mij ontgaat!"
Meer dan een eeuw lang bleef de ontdekking van Tasman onopgemerkt, en Nieuw-Zeeland scheen niet meer te bestaan, tot eindelijk een fransch zeevaarder, Surville, het op 35° 37' breedte in het gezigt kreeg. Eerst had hij geen reden van klagen over de inboorlingen; maar de wind stak geweldig op en een storm beliep hem, gedurende welken de sloep met de zieken in de Toevlugtsbaai op het strand werd geworpen. Daar ontving een opperhoofd, Nagui-Noeï genoemd, de Franschen zeer goed en huisvestte ze in zijn eigene hut. Alles ging goed, tot het oogenblik, dat een sloep van Surville werd gestolen. Surville eischte ze vergeefs op, en meende voor dien diefstal een dorp te moeten straffen, dat hij geheel verbrandde. Een verschrikkelijke en onregtvaardige wraak, die aanleiding gaf tot de bloedige vergelding, waarvan Nieuw-Zeeland binnen kort het tooneel zou worden.
Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook op deze kusten. Hij ankerde in de Taoeë-Roa-baai met zijn schip de Endeavour en trachtte door goede behandeling de vriendschap der inboorlingen te winnen. Maar om de menschen goed te behandelen, moet men beginnen met hen te krijgen. Cook aarzelde niet om twee of drie gevangenen te maken en hun zijn weldaden met geweld op te dringen. Met geschenken en liefkozingen overladen werden zij weer aan land gezonden. Door hun verhalen uitgelokt kwamen vervolgens een aantal inboorlingen vrijwillig aan boord en gingen een ruilhandel met de Europeanen aan. Eenige dagen later stevende Cook naar de Hawkes-baai, een diepe inham in de kust van het noordelijk eiland. Daar trof hij oorlogzuchtige, schreeuwende en twistgierige inboorlingen aan. Hun vijandelijke bedoelingen gingen zoover, dat het noodig was hen met schrootvuur in toom te houden.
Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook.

Den 20sten October ankerde de Endeavour in de Toko-Maloe-baai, waar een vreedzame bevolking van twee honderd zielen leefde. De plantenkenners, die de reis medemaakten, zagen hun onderzoekingen in die streek met een gewenschten uitslag bekroond, en de inboorlingen bragten hen met hun praauwen aan wal. Cook bezocht twee dorpen met palen, borstweringen en dubbele grachten versterkt, die bewezen, dat zij reeds aanzienlijke vorderingen in den vestingbouw hadden gemaakt. Het belangrijkste dier forten lag op een rots, die bij hoog water geheel een eiland werd. En meer nog, want niet alleen werd ze door het water omringd, maar dit stroomde ook door een natuurlijken boog van zestig voet hoog, waarop die ongenaakbare "pâh" zich verhief.
Den 31sten Maart gaf Cook, die in vijf maanden een rijken oogst van vreemde voorwerpen, inlandsche planten, en bijdragen tot de land- en volkenkunde had bijeengebragt, zijn naam aan de straat, die de twee eilanden scheidt, en verliet Nieuw-Zeeland. Hij bezocht het nog eens op zijn latere reizen.
In 1773 toen verscheen de groote zeeman weder in de Hawkesbaai en was daar getuige van tooneelen van kannibalisme. Het moet echter gezegd worden, dat zijn reisgenooten er aanleiding toe gaven. Eenige officieren, die aan land de verminkte ledematen van een jongen wilde gevonden hadden, namen ze mee aan boord, "lieten ze braden," en zetten ze den inboorlingen voor, die er met gretigheid op aanvielen. Treurige liefhebberij, zich zoo tot koks te maken voor een maaltijd van menscheneters!
Op zijn derde reis bezocht Cook andermaal dit land, waarvoor hij groote voorliefde koesterde, en dat hij gaarne in kaart wilde brengen. Den 25sten Februarij 1777 verliet hij het voor goed.
In 1791 vertoefde Vancouver twintig dagen in de Sombere baai, zonder eenig voordeel voor de natuur- of aardrijkskundige wetenschappen. D'Entrecasteaux bragt in 1793 een kustlijn van vijf en twintig mijlen in kaart op het noordelijke eiland Ika-Na-Maoeï. De koopvaardijkapiteins Hausen en Dalrympe, later Baden, Richardson en Moody kwamen er even, en dokter Savage verzamelde gedurende een verblijf van vijf weken belangrijke bijzonderheden betreffende de zeden der Nieuw-Zeelanders.
In datzelfde jaar 1805 scheepte de neef van het opperhoofd van Rangwi-Hoe, de schrandere Doea-Tara zich in op de Argo, kapitein Baden, die in de Eilandenbaai lag.
Welligt zullen de lotgevallen van Doea-Tara eenmaal aan een Maori Homerus het onderwerp voor een heldendicht verschaffen. Zij zijn een aaneenschakeling van rampen, onregtvaardigheden en mishandelingen. Trouwbreuk, verbeurdverklaring, slagen en wonden, waren het loon, dat de arme wilde voor zijn goede diensten ontving. Welk denkbeeld moest hij zich wel maken van menschen, die zich beschaafd noemen! Hij werd naar Londen gebragt. Men maakte hem matroos van de laagste klasse, de wrijfpaal der bemanning. Dat hij het leven er afbragt, had hij te danken aan de tusschenkomst van den eerwaarden Marsden. Die zendeling trok zich den jongen wilde aan, bij wien hij een scherp oordeel, een moedig hart, en bewonderenswaardige hoedanigheden van zachtzinnigheid, innemendheid en beleefdheid opmerkte. Marsden bezorgde zijn beschermeling eenige zakken graan en landbouwwerktuigen, voor zijn land bestemd. Die kleine bagaadje werd hem ontstolen. Ongelukken en lijden waren opnieuw het deel van den armen Doea-Tara, tot in 1814, wanneer men hem eindelijk in het land zijner vaderen terugvindt. Nu zou hij de vrucht van zooveel lotswisselingen plukken; maar de dood rukte hem weg op achtentwintigjarigen leeftijd, toen hij zich gereed maakte om het bloeddorstige Zeeland te hervormen. Dit onherstelbare ongeluk zette de beschaving ongetwijfeld vele jaren achteruit. Niets kan een verstandig en goed man vervangen, die in zijn borst liefde tot het goede vereenigt met liefde voor zijn land!
Tot in 1816 bleef Nieuw-Zeeland verlaten. Te dien tijde doorkruiste Thompson, in 1817 Lidiard Nicholas, in 1819 Marsden, verscheidene deelen der beide eilanden, en in 1820 bragt Richard Cruise, kapitein bij het acht en tachtigste regiment infanterie, er tien maanden door met grondige studiën over de zeden der inlanders.
In 1824 vertoefde Duperrey, bevelhebber dat Coquille, veertien dagen in de Eilanden-baai, en ondervond hij veel vriendschap van de inboorlingen.
Na hem, in 1827, moest de engelsche walvischvaarder Mercury zich tegen plundering en moord verdedigen. In hetzelfde jaar werd kapitein Dillon tot tweemaal toe zeer gastvrij ontvangen.
In Maart 1827 kon de bevelhebber der Astrolabe, de beroemde Dumont-d'Urville, ongedeerd en ongewapend eenige nachten onder de inboorlingen doorbrengen, met hen zingen, geschenken geven en ontvangen, in de hutten slapen, en zonder stoornis zijn belangrijke opmerkingen voortzetten, waaraan de zoo schoone kaarten van het bureau van marine het aanzijn te danken hebben.
De engelsche brik Hawes, kapitein John James, daarentegen, deed in het volgende jaar de Eilanden-baai aan, stevende naar de Oostkaap, en had veel te lijden van een trouweloos opperhoofd, Enararo geheeten. Verscheidene zijner makkers ondergingen een verschrikkelijken dood.
Uit die tegenstrijdige voorvallen, uit die afwisseling van zachtaardigheid en barbaarschheid moet men afleiden, dat de wreedheden der Nieuw-Zeelanders maar al te dikwijls weerwraak waren. Goede of slechte behandelingen hingen af van slechte of goede kapiteins. Zeker hadden er wel eenige onregtvaardige aanvallen van de zijde der inlanders plaats; maar meestal waren het wraakoefeningen, door de Europeanen uitgelokt, en ongelukkig kwam de straf neer op het hoofd van onschuldigen.
Na d'Urville werd de kennis van Nieuw-Zeeland aangevuld door een moedig onderzoeker, die twintigmaal de geheele aarde doorkruiste, een zwerver, een zigeuner van de wetenschap, een engelschman, Earle. Hij bezocht de onbekende deelen der beide eilanden, zonder dat hem persoonlijk eenig leed wedervoer, maar hij was dikwijls getuige van tooneelen, waarbij menschenvleesch genuttigd werd. De Nieuw-Zeelanders verslonden elkander met walgelijke gretigheid.
Dit ondervond ook kapitein Laplace, toen hij in 1881 in 4e Eilanden-baai vertoefde. De gevechten waren ook reeds veel vreeselijker geworden; want de wilden waren zeer bedreven in de behandeling der vuurwapenen. De vroeger bloeijende en volkrijke gewesten van Ika-Na-Maoeï werden in doodsche woestijnen veranderd. Geheele stammen waren verdwenen, evenals kudden schapen verdwijnen, die men braadt en opeet.
De zendelingen hebben te vergeefs hun best gedaan om die bloeddorstige neigingen te overwinnen. Van 1808 af had het Anglikaansche Zendeling-Genootschap zijn bekwaamste agenten,—die naam komt hun toe,—naar de voornaamste plaatsen op het noordelijke eiland gezonden. Maar de barbaarschheid der Nieuw-Zeelanders dwong het de vestiging van zendelingsposten te staken. Eerst in 1814 landden de heeren Marsden, de beschermer van Doea-Tara, Hall en King, in de Eilanden-baai en kochten van de opperhoofden voor twaalf ijzeren bijlen een strook grond van honderd bunders. Daar werd de zetel der anglikaansche zending gesticht.
Het begin was moeijelijk. Maar eindelijk ontzagen de inlanders het leven der zendelingen. Zij namen hun diensten en hun leer aan. Eenige woeste inboorlingen werden zachter gestemd. In die harde harten ontwaakte het gevoel van dankbaarheid. In 1824 gebeurde het zelfs, dat de Nieuw-Zeelanders hun "ariki's," dat wil zeggen de leeraars, tegen woeste matrozen beschermden, die hen beleedigden en met mishandeling bedreigden.
Langzamerhand geraakten dus de zendelingsposten tot bloei, ondanks de tegenwoordigheid van uit Port Jackson ontvlugte misdadigers, die de inlandsche bevolking bedierven. In 1831 vermeldden de Zendelingeberigten twee aanzienlijke posten, de een te Kidi-Kidi, aan de oevers van het kanaal, dat in de Eilanden-baai in zee valt, de andere te Paï-Hia, aan den oever der Kawa-Kawa. Onder opzigt hunner leeraars hadden de bekeerde inlanders wegen aangelegd, paden door de ontzaggelijke bosschen gebaand, bruggen over de stroomen geslagen. Elke zendeling ging op zijn beurt de beschavende godsdienst prediken onder de verderaf wonende stammen, rigtte kapellen van riet of boomschors op en scholen voor de inlandsche jeugd, en op het dak dier nederige gebouwen wapperde de vlag der zending, voerende het kruis van Christus en deze woorden: "Rongo-Pai," dat wil zeggen "het Evangelie."
Het is jammer, dat de invloed der zendelingen beperkt blijft tot hun nederzettingen. De geheele zwervende bevolking onttrekt zich aan hun werkzaamheid. Het menscheneten is alleen bij de christenen uitgeroeid, en nog zou men die pas bekeerden niet aan te groote verleiding moeten blootstellen. De trek naar bloed leeft nog in hen.
Ook duurt de oorlog nog altijd voort in die woeste streken. De Zeelanders zijn geen stompe Australiërs, die voor den europeeschen inval wijken; zij verzetten zich, zij verdedigen zich, zij haten hun onderdrukkers, en thans bezielt hen een gloeijende haat tegen de engelsche landverhuizers. De toekomst dier groote eilanden staat op het spel. Een onmiddellijke beschaving wacht hen of een eeuwenlange diepe barbaarschheid, al naar het lot der wapenen.
Zoo had Paganel, wiens hersenen van ongeduld gloeiden, de geheele geschiedenis van Nieuw-Zeeland zich voor den geest gehaald. Maar in deze geschiedenis kwam niets voor, dat regt gaf om dit gewest, uit twee eilanden bestaande, een vastland te noemen, en hadden eenige woorden van het document zijn verbeelding geprikkeld, deze beide lettergrepen contin hielden hem hardnekkig tegen op den weg eener nieuwe uitlegging.
III.
Moordtooneelen op Nieuw-Zeeland.
Den 31sten Januarij, vier dagen na haar vertrek, had de Macquarie nog geen twee derden van den oceaan afgelegd, die tusschen Australië en Nieuw-Zeeland is ingeklemd. Will Halley hield zich weinig bezig met het bestuur van zijn vaartuig; hij liet alles maar begaan. Men zag hem zelden, waarover trouwens niemand zich beklaagde. Niemand zou er iets van gezegd hebben, dat hij altijd in zijn kajuit bleef, als de lompe schipper maar niet dagelijks dronken was geweest van jenever of brandewijn. Zijn matrozen volgden zijn voorbeeld, en zoo ooit een schip op Gods genade dreef, dan was het wel de Macquarie van de Twofold-baai.
Die onvergefelijke achteloosheid verpligtte John Mangles steeds een oog in het zeil te houden. Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer om, op het oogenblik dat een stortzee de brik op zijde zou geworpen hebben. Dikwijls kwam Will Halley tusschen beide en raasde en tierde tegen de twee zeelieden. Dezen, die vrij kitteloorig waren, wenschten den dronkaard te mogen knevelen en hem, zoolang de reis nog mogt duren, in het ruim te stoppen. Maar John Mangles hield hen tegen en bedwong, niet zonder moeite, hun billijke verontwaardiging.
Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer om.

Deze toestand van het schip bekommerde hem; maar om Glenarvan niet ongerust te maken sprak hij er alleen met den majoor en met Paganel over. Mac Nabbs gaf hem met andere woorden denzelfden raad als Mulrady en Wilson.
"Als gij dien maatregel noodig acht, John!" zeide Mac Nabbs, "moet gij zonder bedenken het bevel, of als gij dat liever wilt het bestuur van het schip op u nemen. Als die dronkaard ons te Auckland gebragt heeft, wordt hij weer meester aan boord, en mag hij, als hij lust daarin heeft, omslaan."
"Zonder twijfel, mijnheer Mac Nabbs," antwoordde John, "en ik zal het doen ook, als het volstrekt moet. Zoo lang wij in volle zee zijn, is een beetje toezigt genoeg; mijn matrozen en ik verlaten het dek niet. Maar bij de nadering der kust wil ik wel weten, dat ik verlegen zal staan, wanneer die Will Halley niet nuchteren is."
"Kunt gij den koers niet aangeven?" vroeg Paganel.
"Dat zal moeijelijk gaan," antwoordde John. "Gij moet niet denken, dat er een zeekaart aan boord is."
"Toch niet?"
"Wel neen. De Macquarie is slechts een kustvaarder tusschen Eden en Auckland, en die Will Halley is zoo met dit vaarwater bekend, dat hij nooit hoogte neemt."
"Hij verbeeldt zich zeker," antwoordde Paganel, "dat zijn schip den weg weet en zich zelf stuurt."
"Ho! ho!" hernam John Mangles, "ik geloof niet aan schepen, die zich zelven sturen, en wanneer Will Halley in de nabijheid der kust dronken is, zal hij ons in groote verlegenheid brengen."
"Dan mag ik wel lijden, dat hij zijn verstand op de kust zal opvisschen," zeide Paganel.
"Dan zoudt gij geen kans zien om de Macquarie als het noodig zijn mogt naar Auckland te brengen?" vroeg Mac Nabbs.
"Zonder de kaart van dit gedeelte der kust is het onmogelijk. De stranden zijn hier zeer gevaarlijk. Het is een reeks van onregelmatige en grillige inhammen, evenals de noorweegsche fiords. De riffen zijn talrijk en er is veel ervaring noodig om ze te vermijden. Hoe stevig een schip ook moge zijn, het moet vergaan, wanneer zijn kiel op een dier rotsen stoot, die maar eenige voeten onder water liggen."
"En dan zit er voor de bemanning niets anders op dan naar de kust te vlugten?" zeide de majoor.
"Ja, mijnheer Mac Nabbs! wanneer de tijd het toelaat."
"Een hard lot!" antwoordde Paganel, "want de kusten van Nieuw-Zeeland zijn juist niet herbergzaam, en de gevaren zijn even groot aan gene als aan deze zijde van den oever!"
"Spreekt gij van de Maori's, mijnheer Paganel?" vroeg John Mangles.
"Ja, mijn vriend! Hun naam is gevestigd in den Indischen oceaan. Het zijn geen beschroomde of stompe Australiërs, maar een schrander en bloeddorstig ras, kannibalen, die verlekkerd zijn op menschenvleesch, menscheneters, die geen medelijden kennen."
"Wanneer dus," zeide de majoor, "kapitein Grant op de kusten van Nieuw-Zeeland schipbreuk geleden had, zoudt gij niet aanraden hem te gaan opzoeken?"
"Op de kusten wel," antwoordde de aardrijkskundige; "want men zou alligt sporen van de Britannia vinden: maar in het binnenland niet; want dat zou niets baten. Elke Europeaan, die zich in dit noodlottige land waagt, valt in de handen der Maori's, en elke gevangene der Maori's is verloren. Ik heb mijn vrienden aangespoord om de Pampa's te doorkruisen, om Australië door te trekken; maar nooit zou ik ze medeslepen op de paden van Nieuw-Zeeland. De hemel zij ons genadig en God geve, dat wij nooit in de magt dier woeste inboorlingen vallen!"
De vrees van Paganel was maar al te gegrond. Nieuw-Zeeland is zeer berucht, en al de voorvallen, die deszelfs ontdekking hebben gekenmerkt, staan met bloedige letters aangeteekend.
Lang is de lijst der slagtoffers, die opgeschreven staan in het martelaarsboek der zeevaarders. Abel Tasman opende met zijn vijf gedoode en verslonden matrozen de bloedige jaarboeken van het kannibalisme. Na hem onderging kapitein Tukney met al zijn sloeproeijers hetzelfde lot. Op de hoogte van het noordelijke gedeelte der straat van Foveaux vonden vijf visschers van de Sydney Cove insgelijks den dood onder de tand der inboorlingen. Nog moeten aangehaald worden vier man van den schoener Brothers, in de haven van Molineux vermoord, verscheidene soldaten van generaal Gates, en drie weggeloopen matrozen van de Mathilda, voor men komt aan den naam van kapitein Marion Du Frène, die een treurige beroemdheid heeft verkregen.
Den 11den Mei 1772, na de eerste reis van Cook, ankerde de fransche kapitein Marion in de Eilanden-baai met zijn schip de Mascarin en de Castries, kapitein Crozet. De huichelachtige Nieuw-Zeelanders ontvingen de aankomelingen zeer goed. Zij toonden zich zelfs beschroomd, en er waren geschenken, goede diensten, een dagelijksche verbroedering, een langdurige vriendelijke omgang noodig om hen aan boord te gewennen.
Hun opperhoofd, de schrandere Takoeri, behoorde naar het zeggen van Dumont d'Urville tot den stam der Wangaroa, en was een bloedverwant van den inboorling, dien Surville twee jaren voor de komst van kapitein Marion verraderlijk had opgeligt.
In een land, waar de eer van iederen Maori eischt, om ondergane beleedigingen met bloed af te wasschen, kon Takoeri den hoon niet vergeten, die zijn stam was aangedaan. Hij wachtte geduldig de komst van een europeesch schip af, zon op wraak, en volbragt ze met afgrijselijke koelbloedigheid.
Na vrees voor de Franschen geveinsd te hebben, vergat Takoeri niets om hen in een bedriegelijke gerustheid te doen insluimeren. Hij sleet dikwijls met zijn makkers den nacht aan boord van de schepen. Zij bragten lekkere visschen mede. Hun dochters en vrouwen vergezelden hen. Zij leerden weldra de namen der officieren en noodigden hen uit om hun dorpen te bezoeken. Door den schijn bedrogen, doorliepen Marion en Crozet dus die geheele kust, die meer dan vier duizend innwoners telde. De inboorlingen gingen hun ongewapend te gemoet en trachtten hun een volkomen vertrouwen in te boezemen.
Kapitein Marion was de Eilanden-baai ingelopen met plan om de tuigaadje der Castries te veranderen, die door de laatste stormen veel had geleden. Hij onderzocht daarom het binnenland, en vond den 23sten Mei een bosch van prachtige ceders, twee uren van de kust en digt bij een baai, een uur van de schepen.
Daar werd een legerplaats opgeslagen, waar twee derden van de bemanning met bijlen en andere gereedschappen werkten om de boomen te vellen en de wegen te verbeteren, die naar de baai leidden. Twee andere posten werden uitgekozen, de een op het eilandje Motoe-Aro in het midden der haven, waar de zieken, de smeden en kuipers werden heengebragt, de andere aan den zeekant op het groote eiland, anderhalf uur van de schepen af; deze laatste stond in verband met de legerplaats der timmerlieden. Op al deze posten hielpen sterke en vriendelijke wilden de matrozen in hun verschillende werkzaamheden.
Kapitein Marion had tot nog toe evenwel sommige maatregelen van voorzigtigheid niet verzuimd. De wilden kwamen nooit gewapend op zijn schip, en de sloepen gingen nooit anders dan goed gewapend aan land. Maar Marion en de wantrouwendste zijner officieren werden door de manieren der inboorlingen om den tuin geleid, en de bevelhebber gaf last de sloepen te ontwapenen. Kapitein Crozet wilde echter Marion bewegen om dit bevel in te trekken. Het gelukte hem niet.
Nu verdubbelden de oplettendheden en de voorkomendheid der Nieuw-Zeelanders. Hun opperhoofden en de officieren leefden op den voet van volkomen hartelijkheid. Meermalen nam Takoeri zijn zoon mede aan boord en liet hem in de hutten slapen. Den 8sten Junij werd Marion, bij een plegtig bezoek, dat bij aan land aflegde als het "grootste opperhoofd" van het geheele land erkend, en vier witte vederen versierden als eereteekens zijn haar.
Zoo verliepen drie en dertig dagen na de aankomst der schepen in de Eilanden-baai. De werkzaamheden aan de tuigaadje vorderden goed; de watervaten werden aan de bron van Motoe-Aro gevuld. Kapitein Crozet bestuurde in persoon den post der timmerlieden, en alles gaf regt tot de hoop, dat de onderneming met een goeden uitslag bekroond zou worden.
Den 12den Junij ten twee ure werd de sloep van den bevelhebber uitgezet voor een voorgenomen vischpartij aan den voet van het dorp van Takoeri. Marion stapte er in met de twee jonge officieren Vaudricourt en Leboux, een vrijwilliger, den wapenkapitein en twaalf matrozen. Takoeri en vijf andere opperhoofden vergezelden hem. Niets kon de vreeselijke ramp doen vermoeden, die zestien van de zeventien Europeanen wachtte.
De sloep stak af, roeide naar land en weldra was ze uit het gezigt van de twee schepen.
's Avonds kwam kapitein Marion niet aan boord slapen. Niemand maakte zich ongerust over zijn uitblijven. Men meende, dat hij de werf had willen bezoeken en er den nacht doorbrengen.
Den volgenden dag, ten vijf ure, ging de sloep der Castries volgens gewoonte water halen op het eiland Motoe-Aro. Zij kwam zonder ongelukken aan boord terug.
Ten negen ure zag de wachthebbende matroos van de Mascarin een bijna uitgeput man in zee, die naar de schepen zwom. Een sloep roeide naar hem toe en bragt hem aan boord terug.
Het was Turner, een der roeijers van Marion. In de zijde had hij een wond, door twee lanssteken veroorzaakt, en hij alleen kwam terug van de zeventien man, die den vorigen dag het schip hadden verlaten.
Hij werd ondervraagd, en nu kwamen spoedig al de bijzonderheden van dit verschrikkelijk treurspel aan het licht.
De sloep van den ongelukkigen Marion was 's morgens ten zeven ure bij het dorp gekomen. De wilden gingen hun gasten vrolijk te gemoet. Op hun schouders droegen zij de officieren en matrozen, die zich niet wilden natmaken bij het aan land gaan. Daarna verstrooiden de Franschen zich.
Dadelijk vielen de wilden met lansen, knodsen en stokken op hen aan, tien tegen één, en vermoordden hen. De matroos Turner, door twee lanssteken getroffen, had het geluk zijn vijanden te ontsnappen en zich in het kreupelhout te verbergen. Daar was hij getuige van afschuwelijke tooneelen. De wilden beroofden de lijken van hun kleeren, sneden hun den buik open, hakten ze in stukken....
Nu sprong Turner onbemerkt in zee, en werd stervende door de sloep der Mascarin opgenomen.
Die gebeurtenis verspreidde ontsteltenis onder de bemanning der twee schepen. Een wraakgeschrei steeg omhoog. Maar voor men de dooden wreekte, moest men de levenden redden. Er waren drie posten aan wal, en duizenden bloedgierige wilden, op menschenvleesch beluste kannibalen, omsingelden hen.
Bij ontstentenis van kapitein Crozet, die den nacht had doorgebragt op de werf, nam de eerste officier Duclesmeur de noodige maatregelen. De sloep der Mascarin werd afgezonden met een officier en een afdeeling soldaten. Voor alles moest die officier bijstand verleenen aan de timmerlieden. Hij vertrok, voer de kust langs, zag de boot van den kommandant Marion op het strand liggen en landde.
Kapitein Crozet, die, zooals reeds gezegd is, niet aan boord was, wist niets van den moord af, toen hij 's namiddags tegen twee ure de afdeeling zag verschijnen. Hij vermoedde een ongeluk. Hij ging vooruit en vernam het gebeurde. Hij verbood er zijn makkers kennis van te geven, om hen niet te beangstigen.
De wilden bezetten in groote troepen al de hoogten. Kapitein Crozet liet de voornaamste gereedschappen medenemen, begroef de andere, verbrandde de loodsen en ving met zestig man den terugtogt aan.
De inboorlingen volgden hem onder het geschreeuw: "Takoeri heeft Marion gedood!" Zij hoopten den matrozen schrik aan te jagen, door hun den dood hunner opperhoofden mede te deelen. In woede ontstoken wilden dezen op die ellendelingen instormen. Kapitein Crozet kon hen naauwelijks in bedwang houden.
Twee uren duurde de aftogt. De afdeeling bereikte den oever, trok de manschappen van den tweeden post aan zich, en ging aan boord van de sloepen. Een duizendtal wilden hadden al dien tijd roerloos op den grond gezeten. Maar toen de sloepen van wal staken, begonnen de steenen te vliegen.
... vier matrozen, goede schutters....

Terstond velden vier matrozen, goede schutters, achtereenvolgens al de opperhoofden, tot groote verbazing der inboorlingen, die onbekend waren met de uitwerking der vuurwapenen.
Kapitein Crozet beklom de Mascarin en zond de sloep terstond naar bet eiland Motoe-Aro. Een afdeelig soldaten bleef den nacht over op het eiland, en de zieken werden weder aan boord gebragt.
's Anderendaags werd de post door een tweede afdeling soldaten versterkt. Het eiland moest schoongeveegd worden van de wilden, die het onveilig maakten, en men moest verder water innemen. Motoe-Aro had een dorp met drie honderd inwoners. De Franschen tastten het aan.
Zes opperhoofden werden gedood, de overige inlanders met de bajonnet overhoop gestoken, het dorp verbrand.
De Castries kon echter zonder masten geen zee kiezen, en Crozet, nu verpligt om af te zien van de boomen uit het cederbosch, moest gewangde masten maken. Het water innemen werd voortgezet.
Zoo verliep er een maand. De wilden beproefden eenige malen het eiland Motoe-Aro te hernemen; maar het gelukte hun niet. Wanneer hun praauwen onder het bereik van bet scheepsgeschut kwamen, werden ze in den grond geschoten.
Eindelijk waren de werkzaamheden afgeloopen. Nu moest men men nog te weten komen, of soms een der zestien slagtoffers den moord had overleefd; de anderen moesten gewroken worden. De sloep, sterk bemand met officieren en soldaten, roeide naar het dorp van Takoeri. Bij hun nadering vlugtte dat trouwelooze en lafhartige opperhoofd, met den mantel van den kommandant Marion over de schouders. De hutten van zijn dorp werden naauwkeurig onderzocht. In zijn woning vond men den hersenpan van een man, die pas gebraden was. De indruksels van de tanden des kannibaals waren er nog aan te zien. Een menschendij was aan een houten braadspit gestoken. Een hemd met bebloeden boord werd herkend als het hemd van Marion, daarna de kleederen en pistolen van den jeugdigen Vaudricourt, de wapenen der sloep en verscheurde kleedingstukken. Verder, in een ander dorp, schoongemaakte en gebraden ingewanden van een mensch.
Die onweersprekelijke bewijzen van moord en menscheneten werden bijeengezameld en die menschelijke overblijfselen eerbiedig begraven. Vervolgens werden de dorpen van Takoeri en Piki-Ore, zijn medepligtige, in den asch gelegd. Den 14den Julij 1772 verlieten de twee schepen die noodlottige wateren.
Ziedaar het verhaal van een onheil, waarmede iedere reiziger moet bekend zijn, die een voet zet op de kust van Nieuw-Zeeland. De kapitein, die zijn voordeel niet doet met die les, handelt hoogst onvoorzigtig. De Nieuw-Zeelanders zijn altijd trouweloos en menscheneters. Ook Cook ondervond dit op zijn tweede reis in 1773.
Toen de sloep van een zijner schepen, de Adventure, kapitein Furneaux, den 17den December aan land was gegaan om een voorraad wilde kruiden te halen, kwam ze niet terug. Zij was bemand met een adelborst en negen matrozen. Kapitein Furneaux werd ongerust en zond luitenant Burney om hen op te zoeken. Toen Burney aan de landingsplaats kwam, vond hij, zegt hij, "een tooneel van bloeddorst en barbaarschheid, waarvan men onmogelijk zonder afgrijzen kan spreken; de hoofden, ingewanden en longen van verscheidene onzer makkers lagen op het zand verstrooid, en op korten afstand verslonden eenige honden nog andere overblijfselen van dien aard."
Ten besluite van die bloedige lijst voegen wij er nog het schip Brothers bij, dat in 1815 door de Nieuw-Zeelanders aangetast werd, en de geheele bemanning der Boyd, kapitein Thompson, die in 1820 werd vermoord. Den 1sten Maart 1829 eindelijk plunderde te Valkitas het opperhoofd Enararo de engelsche brik Hawes van Sydney; zijn kannibalenhorde vermoordde verscheidene matrozen, braadde de lijken en verslond ze.
Zoo'n land was dat Nieuw-Zeeland, waarheen de Macquarie stevende, met haar onbekwame bemanning onder het bevel van een dronkaard.
IV.
De branding.
Nog was er geen eind te zien aan die lastige overvaart. Den 2den Februarij, zes dagen na haar vertrek, was de Macquarie nog niet eens in het gezigt van Auckland. De wind was toch goed en bleef in het zuidwesten; maar de stroom was tegen, en de brik vorderde bijna niet. De onstuimige en holle zee deed het bovenschip werken; de inhouten kraakten, en zij rees met moeite uit het golfdal op. Het want, de pardoens, de slecht aangehaalde staggen lieten vrij spel aan de masten, die bij iedere slingering hevig schudden.
Gelukkig dat Will Halley, als iemand die niet gehaast is, niet te veel zeil bijzette; want dan zou al het want onfeilbaar naar beneden gekomen zijn. John Mangles hoopte daarom, dat die slechte romp zonder verder ongeval de haven zou bereiken; maar het deed hem leed dat zijn reisgenooten zoo slecht gehuisvest waren aan boord van die brik.
Noch lady Helena noch Mary Grant klaagden echter, hoewel een aanhoudende regen haar dwong in het vooronder te blijven. Daar hadden zij veel hinder van het gebrek aan lucht en het stampen van het vaartuig. Daarom kwamen zij ook dikwijls op het dek den toorn des hemels tarten, tot onuitstaanbare windvlagen haar dwongen om weer naar beneden te gaan. Dan keerden zij in die bekrompene ruimte terug, die beter geschikt was om koopwaren te bergen dan passagiers en vooral dames.
Haar vrienden zochten haar dan wat afleiding te geven. Paganel deed zijn best om den tijd met zijn verhalen te dooden; maar het gelukte hem slecht. Want de gemoederen waren geheel ontstemd door deze thuisreis. Hadden de verhandelingen van den aardrijkskundige over de Pampa's en Australië vroeger allen veel belang ingeboezemd, koel en onverschillig lieten hen thans zijn opmerkingen en mededeelingen over Nieuw-Zeeland. Bovendien, naar dit nieuwe land treuriger gedachtenis ging men zonder overtuiging, niet vrijwillig, maar door het lot voortgezweept.
Van al de passagiers der Macquarie was lord Glenarvan het meest te beklagen. Men zag hem zelden in het vooronder. Hij kon het er niet uithouden. Zijn zenuwachtig overspannen gestel kon zich niet voegen naar een opsluiting tusschen vier enge schotten. Des daags, 's nachts zelfs bleef hij, zonder zich aan de regenbuijen te storen, op het dek, nu eens over de leuning hangende, dan weer met koortsige drift op en neer loopende. Zijn blik was onafgewend naar den gezigteinder gerigt. Wanneer het weer een oogenblik bedaarde, onderzocht hij hem trouw met zijn kijker. Het scheen, als wilde hij die stomme golven ondervragen. Hoe gaarne zou hij met de hand den nevel verscheurd hebben, die den gezigteinder omsluijerde, en de dampen, die zich daar zamenpakten. Hij kon zich niet onderwerpen, en zijn gelaat teekende bittere smart. Het was de krachtige tot nog toe steeds gelukkige en magtige man, wien de magt en het geluk op eens ontvielen.
Glenarvan bleef op het dek.

John Mangles verliet hem niet en verdroeg aan zijne zijde de guurheid des weders. Dien dag bespiedde Glenarvan met nog grooter volharding den gezigteinder, overal waar zich maar een scheur in den nevel vertoonde. John ging bij hem staan en vroeg:
"Zoekt uwe Edelheid het land?"
Glenarvan schudde van neen.
"En toch moet gij wel verlangen van deze brik af te komen," hernam de jonge kapitein. "Reeds voor zes en dertig uren hadden wij de vuren van Auckland in het gezigt moeten hebben."
Glenarvan antwoordde niet. Hij bleef maar uitzien, en een minuut lang hield hij den kijker op den gezigteinder te loefwaart gerigt.
"Het land ligt dien kant niet uit," zeide John Mangles. "Uwe Edelheid moet het te lijwaart zoeken."
"Waarom, John?" antwoordde Glenarvan. "Ik zoek het land niet!"
"Wat dan, mylord?"
"Mijn jagt! Mijn Duncan!" antwoordde Glenarvan toornig. "Daar, in deze wateren moet het zijn, daar rooft het op zee, daar oefent het het treurig bedrijf van zeeschuimer uit! Daar is het, zeg ik u! daar, John! op dezen weg van de schepen tusschen Australië en Nieuw-Zeeland. En mijn voorgevoel zegt mij, dat wij het zullen ontmoeten."
"God beware ons voor die ontmoeting, mylord!"
"Waarom, John?"
"Uwe Edelheid vergeet den toestand, waarin wij verkeeren. Wat zouden we op deze brik doen, als de Duncan er jagt op maakte! Wij zouden niet eens kunnen vlugten!"
"Vlugten, John?"
"Ja, mylord! wij zouden het te vergeefs beproeven! Wij zouden genomen en aan de genade dier onmenschen overgeleverd worden, en Ben Joyce heeft getoond, dat hij niet voor een misdaad terugdeinsde. Ik geef niet veel om ons leven! Wij zouden ons tot het uiterste verdedigen! Het zij zoo! Maar dan? Denk aan lady Glenarvan, mylord! Denk aan Mary Grant!"
"Arme vrouwen!" mompelde Glenarvan. "John! mijn hart is gebroken, en soms voel ik het door de wanhoop overmeesteren. Het komt mij voor, dat nieuwe rampen ons wachten, dat de hemel zich tegen ons heeft verklaard! Ik ben bang!"
"Gij, mylord?"
"Niet voor mij zelven, John! maar voor degenen, die ik bemin, voor degenen, die gij ook bemint!"
"Stel u gerust, mylord!" antwoordde de jonge kapitein. "Gij moet niet meer vreezen! De Macquarie zeilt slecht, maar vordert toch. Will Halley is een stompzinnig wezen, maar ik ben er ook, en wanneer ik het gevaarlijk acht het land te naderen, kies ik weder het ruime sop. Van dien kant is er dus weinig of geen gevaar. Maar God beware ons, dat de Duncan ons aan boord klampt, en zoo Uwe Edelheid tracht haar in het oog te krijgen, doe het dan om haar te vermijden, om haar te ontvlugten."
John Mangles had gelijk. Een ontmoeting met de Duncan zou noodlottig afloopen voor de Macquarie. En die ontmoeting was toch zeer mogelijk in die zeeën, welke de zeeroovers zonder gevaar konden afschuimen. Dien dag ten minste verscheen het jagt echter niet, en de zesde nacht na het vertrek uit de Twofold-baai brak aan, zonder dat de vrees van John Mangles werd verwezenlijkt.
Maar die nacht zou verschrikkelijk zijn. Ten zeven ure werd het bijna geheel donker. De hemel had een dreigend voorkomen. Het zeemansinstinct, dat magtiger was dan de verstomping der dronkenschap, werkte op Will Halley. Hij verliet zijn kajuit, wreef zich de oogen uit en schudde zijn dik rood hoofd. Daarop haalde hij diep adem, gelijk een ander een groot glas water zou uitgezwolgen hebben om weer bij te komen, en onderzocht het tuig.
De wind stak op, en een streek westelijker draaijende, stond hij vlak op de zeelandsche kust.
Will Halley riep vloekende zijn matrozen, liet de bramzeilsschoten aanhalen en de nachtzeilen aanslaan. John Mangles keurde dit goed; maar sprak geen woord. Hij wilde zich met dien lompen zeeman in geen gesprek inlaten. Maar hij en Glenarvan verlieten het dek niet. Twee uren later stak er een fiksche koelte op. Halley liet de marszeilen digtreven. Het werk zou te zwaar geweest zijn voor vijf man, als de Macquarie geen dubbele ra had gevoerd, naar het amerikaansche stelsel. Daardoor was het genoeg de bovenste ra te strijken, om het marszeil zoo klein mogelijk te maken.
Zoo verliepen er twee uren. De zee werd onstuimiger. De Macquarie schudde zoo hevig, dat het scheen, alsof ze met de kiel langs de rotsen schuurde. Het was toch zoo niet, maar die logge romp rees moeijelijk op de golven. Ook sloegen de terugloopende golven met geweld over het schip. De boot, die aan bakboordszijde hing, werd door een golf weggeslagen.
John Mangles begon ongerust te worden. Elk ander schip zou weinig gegeven hebben om die golven, die niet heel geducht waren. Maar met zoo'n log vaartuig liep men gevaar loodregt te zinken; want het dek liep vol, zoo dikwijls het onder de golven dook, en het water, dat niet spoedig genoeg door de spiegaten kon wegloopen, kon het schip overstelpen. Om op alles voorbereid te zijn had men de schanskleeden met bijlen moeten stuk hakken, om het wegloopen van het water te bevorderen. Maar Will Halley weigerde die voorzorg te nemen.
Ook bedreigde een grooter gevaar de Macquarie, dat het nu te laat was om te voorkomen.
Omstreeks half twaalf vernamen John Mangles en Wilson, die aan lij stonden, een vreemd geraas. Hun zeemansinstinct ontwaakte. John greep de hand van den matroos.
"De branding!" zeide hij.
"Ja!" antwoordde Wilson. "De golven breken op banken."
"Hoogstens twee kabellengten van ons af?"
"Hoogstens! Daar is het land!"
John bukte over de verschansing, zag naar de donkere golven en riep: "Het dieplood, Wilson! Het dieplood!"
De schipper, die op de voorplecht stond, scheen geen begrip van zijn toestand te hebben. Wilson greep het dieplood, dat in een balie opgerold lag, en snelde in de rusten van het fokkewant. Hij wierp het lood uit; de lijn gleed tusschen zijn vingers door. Bij den derden knoop raakte het lood grond.
"Drie vaâm!" riep Wilson.
"Kapitein!" zeide John op Will Halley toeloopende, "wij zijn in de branding."
Halley haalde de schouders op, hetgeen John misschien niet eens zag. Althans hij liep naar den roerganger, wendde het roer, terwijl Wilson het dieplood liet slippen en het groot marszeil braste om het schip te doen oploeven. De matroos aan het roer, zoo ruw weggeduwd, had niets van dien onverwachten aanval begrepen.
"Los de loefbrassen!" schreeuwde de jonge kapitein, die zijn best deed om van de riffen af te komen.
Een halve minuut lang streek de stuurboordswindvering van de brik er langs, en ondanks de duisternis van den nacht bemerkte John een streep van wit schuim op vier vaam van het schip.
Toen Will Halley eindelijk besef kreeg van dat dringende gevaar, was hij radeloos. Zijn nog half beschonken matrozen begrepen zijn bevelen niet. Ook bewezen zijn onzamenhangende woorden en tegenstrijdige bevelen, dat die domme dronkaard geen koelbloedigheid bezat. Hij was verrast door de nabijheid van het land, dat acht mijlen te lijwaart lag, toen hij er nog wel dertig of veertig van af meende te zijn. De stroom had dien niets beteekenenden sleurvolger van den gewonen weg afgedreven en in het naauw gebragt.
De vlugge bewegingen van John Mangles hadden intusschen de Macquarie buiten de branding gebragt. Maar John wist niet, waar hij was. Misschien bevond hij zich wel in een kring van riffen. De wind was vlak oost en bij iedere overlangsche slingering kon het schip stooten.
En werkelijk verdubbelde weldra het geraas van de branding vooruit aan stuurboordszijde. Weder moest men oploeven. John wendde het roer en braste. De branding nam toe onder den steven der brik, en hij was verpligt bij den wind over te wenden om weer in het ruime sop te komen. Zou die beweging gelukken met een schip, dat slecht in evenwigt lag en zeil geminderd had? Dat was onzeker, maar het moest beproefd worden.
"Te lijwaart het roer!" beval John Mangles aan Wilson. De Macquarie kwam weer digter bij de nieuwe rij riffen. Weldra schuimde de zee, wanneer ze brak op de met water bedekte rotsen.
Het was een onbeschrijfelijk angstig oogenblik. Het schuim maakte de zee lichtgevende. Men zou gezegd hebben, dat zij plotseling beschenen werden door een verschijnsel van phosphorescentie. De zee loeide, alsof ze de stem dier klippen uit de oudheid had bezeten, waaraan de heidensche fabelleer leven gaf. Wilson en Mulrady hingen met hun volle zwaarte op het stuurrad. Het roer raakte grond.
Daar had op eens een schok plaats. De Macquarie was op een rots geloopen. De schoren van den boegspriet braken en bragten de stevigheid van den fokkemast in gevaar. Zou het wenden zonder verdere schade afloopen?
Neen, want op eens werd het stil en het schip verviel weer in de lij. Het werd terstond in zijne beweging gestuit. Een hooge golf greep het van onderen aan en stuwde het verder op de riffen, waar het met groot geweld neerviel. De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden. De brik draaide een paar keeren rond en bleef onbewegelijk op zijde liggen, waarbij het stuurboord een hoek van dertig graden maakte.
De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden.

De ruiten der kap waren in duizend stukken gebroken. De passagiers stormden naar buiten. Maar de golven sloegen met zulk een geweld over het dek, dat zij er niet veilig waren. Wel wetende, dat het schip diep in het zand was gewoeld, verzocht John Mangles hun weder in het vooronder te gaan.
"De waarheid, John?" vroeg Glenarvan bedaard.
"De waarheid, mylord! is, dat wij niet zinken zullen," antwoordde John Mangles. "Een andere vraag is, of het schip soms uiteen zal geslagen worden; maar wij hebben tijd om middelen tot redding te bedenken."
"Het is middernacht?"
"Ja, mylord! Wij moeten den dag afwachten."
"Kunnen wij de boot niet uitzetten?"
"Bij zulk een holle zee en zulk een duisternis is dat onmogelijk! En waar zullen wij ook landen?"
"Welnu, John! dan zullen wij hier blijven, tot het dag is."
Intusschen liep Will Halley als een krankzinnige over het dek van het schip. Zijne matrozen, die van hun schrik bekomen waren, sloegen een vat brandewijn den bodem in, en begonnen te drinken. John voorzag, dat hun dronkenschap weldra aanleiding zou geven tot verschrikkelijke tooneelen.
Er viel niet op te rekenen, dat de kapitein hen in toom zou houden. De ongelukkige rukte zich de haren uit het hoofd en wrong de handen. Hij dacht alleen aan zijn lading, die niet verzekerd was.
"Ik ben doodarm! Ik ben doodarm!" riep hij, terwijl hij van het eene boord naar het andere liep.
John Mangles dacht er volstrekt niet aan om hem te troosten. Hij zorgde, dat zijn makkers zich wapenden, en allen hielden zich gereed om de matrozen af te slaan, die onder ijselijke vloeken zich volzopen met brandewijn.
"Den eersten van die ellendelingen, die het vooronder nadert, schiet ik als een hond dood," zeide de majoor heel bedaard.
De matrozen zagen zeker, dat de passagiers voornemens waren hen op een eerbiedigen afstand te houden; want na eenige pogingen om te plunderen dropen zij af.
John Mangles bekommerde zich niet verder om die beschonkenen en wachtte vol ongeduld, dat het dag werd.
Het schip zat nu zoo vast als een muur. De zee bedaarde langzamerhand. De wind ging liggen. De romp kon het dus nog eenige uren uithouden. Bij zonsopgang zou John het land onderzoeken. Wanneer het een gemakkelijke landingsplaats opleverde, zou de jol, het eenig overgebleven bootje, tot vervoer van de bemanning en de reizigers dienen. Minstens zouden er drie reizen noodig zijn, want er was voor niet meer dan vier personen plaats. Wat de boot betreft, deze was, zooals wij gezien hebben, door een golf weggeslagen.
Terwijl hij zoo peinsde over het gevaarlijke van hun toestand, luisterde John Mangles, die tegen de kap leunde, naar het geraas van de branding. Zijn blik poogde door de diepe duisternis heen te boren. Hij vroeg zich af, hoe ver dat tegelijk gewenschte en gevreesde land wel van hen af was. De branding toch strekt zich dikwijls uren ver van een kust uit. Zou het ranke vaartuigje bestand zijn tegen een eenigzins langen overtogt?
Terwijl John zoo in gedachten verzonken was en licht vroeg aan dien pikdonkeren hemel, lagen de reizigsters, op zijn woord vertrouwende, op haar slaapsteden uitgestrekt. De onbewegelijkheid der brik verzekerde haar eenige uren rust. Glenarvan, John en hunne makkers verkwikten zich ook, nu het geschreeuw der stomdronken matrozen bedaard was, met een korten slaap, en ten een ure na middernacht heerschte er een diepe stilte op die brik, die zelve sluimerde op haar bed van zand.
Tegen vier ure begon het in het oosten te schemeren. De wolken werden een weinig gekleurd door de zwakke stralen van het morgenlicht. John klom weder op het dek. De gezigteinder was met een gordijn van nevelen bedekt. Eenige flaauw begrensde omtrekken zweefden op zekere hoogte in de morgendampen. De zee deinde nog een beetje, en de golven verloren zich in digte onbewegelijke wolken.
John wachtte. Het werd langzamerhand lichter en de gezigteinder nam een roode kleur aan. De gordijn werd langzaam voor het groote achtertooneel opgehaald. Zwarte riffen staken boven het water uit. Daarop teekende zich een lijn af op een streep van schuim; door de nog onzigtbare schijf der opgaande zon beschenen, werd een hoog gelegen punt verlicht, als ware het een kustvuur op een heuveltop.
"Land!" riep John Mangles.
Door dat geroep ontwaakt, ijlden zijne makkers naar het dek van de brik, en beschouwden zij zwijgend de kust, die aan den gezigteinder opdoemde. Herbergzaam of vijandelijk, zij moest nu wel hun toevlugtsoord zijn.
"Waar is Will Halley?" vroeg Glenarvan.
"Ik weet het niet, mylord!" antwoordde John Mangles.
"En zijn matrozen?"
"Ook verdwenen."
"En zeker even stomdronken als hij," voegde Mac Nabbs er bij.
"Zoek ze," zeide Glenarvan; "wij kunnen ze toch niet op dit schip achterlaten."
Mulrady en Wilson gingen naar de bak en waren in een paar minuten terug. Ze was ledig. Nu doorzochten zij het tusschendek en het ruim. Zij vonden noch Will Halley noch diens matrozen.
"Hoe! niemand?" zeide Glenarvan.
"Zijn ze in zee gevallen?" vroeg Paganel.
"Alles is mogelijk," antwoordde John Mangles, die zeer ongerust werd over die verdwijning.
Zich vervolgens naar achteren begevende, zeide hij: "In de boot!"
Wilson en Mulrady volgden hem om de jol uit te zetten.
Het bootje was verdwenen.
V.
De nieuwbakken matrozen.
Er viel niet aan te twijfelen, of Will Halley en zijn matrozen hadden van den nacht en den slaap der passagiers gebruik gemaakt om met het eenige bootje van de brik te ontvlugten. Die kapitein, wien de pligt gebood tot het laatste aan boord te blijven, was de eerste geweest om het te verlaten.
"Die schurken zijn weg!" zeide John Mangles. "Welnu, des te beter, mylord! Zij besparen ons daardoor menig onaangenaam tooneel."
"Dat denk ik ook," antwoordde Glenarvan; "bovendien is er toch nog een kapitein aan boord, John, en moedige, zooal niet bekwame, matrozen, uwe makkers. Beveel! wij zijn gereed om te gehoorzamen."
De majoor, Paganel, Robert, Wilson, Mulrady, zelfs Olbinett juichten de woorden van Glenarvan toe, en op het dek geschaard stelden zij zich ter beschikking van John Mangles.
"Wat moeten wij doen?" vroeg Glenarvan.
De jonge kapitein zag naar de zee, naar het gebrekkige tuig van de brik, en zeide na eenig nadenken:
"Wij hebben twee middelen; mylord! om ons uit dezen toestand te redden: het schip ligten en zee kiezen, of op een vlot, dat gemakkelijk getimmerd kan worden, de kust bereiken."
"Wanneer het schip geligt kan worden, moesten we dat doen," antwoordde Glenarvan. "Het is het beste, wat wij doen kunnen, niet waar?"
"Ja, Uwe Edelheid! want al zijn wij aan land, wat zouden wij dan nog aanvangen zonder middelen van vervoer?"
"Wij moeten de kust mijden," voegde Paganel er bij. "Nieuw-Zeeland is niet te vertrouwen!"
"Te meer, omdat wij een heel eind uit den koers gedreven zijn," hernam John. "De lompheid van Halley heeft ons zeker te ver zuidelijk gebragt. Ten twaalf ure zal ik mijn bestek maken, en wanneer wij, zooals ik gis, beneden Auckland zijn, zal ik trachten met de Macquarie langs de kust op te werken."
"Maar de avery van de brik?" vroeg lady Helena.
"Ik geloof niet, dat die van veel belang is, mevrouw!" antwoordde John Mangles. "Ik zal een noodmast opzetten in plaats van den fokkemast, en wij zullen varen,—langzaam, weliswaar,—maar wij zullen toch gaan, waarheen wij willen. Is bij ongeluk het hol van het schip lek, of kan het niet vlot gemaakt worden, dan zullen wij ons moeten getroosten aan wal te gaan en te land naar Auckland reizen."
"Onderzoeken wij dan eerst den staat van het schip," zeide de majoor. "Dat is vooreerst het noodigste."
Glenarvan, John en Mulrady openden het groote luik en klommen in het ruim af. Daar stonden omtrent twee honderd slecht gestuwde vaten met gelooide huiden. Men kon ze, zonder veel moeite verplaatsen, door middel van takels vastgemaakt aan de groote stag loodregt boven het luik. John liet terstond een gedeelte van die lading over boord werpen om het vaartuig te ligten.
Na drie uren hard gewerkt te hebben kon men den bodem van de brik onderzoeken. Twee naden van de buitenhuid op de hoogte van de barghouten waren aan bakboordszijde open. Daar nu de Macquarie over stuurboord krengde, stak de andere zijde boven water uit, en waren de beschadigde naden zigtbaar. Het water kon er derhalve indringen. Wilson haastte zich om de reten te stoppen met werk en een blad koper, dat hij zorgvuldig vast spijkerde.
Bij peiling bleek het, dat er geen twee voet water in het ruim stond. De pompen konden dat water gemnakkekelijk verwijderen en zoodoende het schip ligten.
Toen het onderzoek van het hol afgeloopen was, vond John, dat het weinig door de stranding geleden had. Wel zou een gedeelte van de looze kiel in het zand blijven zitten; maar die kon men missen.
Nadat Wilson het schip van binnen bezien had, dook hij om te onderzoeken, hoe het van onderen gesteld was.
De Macquarie, wier voorsteven naar het noordnoordwesten gerigt was, zat op een modderige zandbank met zeer steilen rand. Het onderste gedeelte van den steven en omtrent twee derden van de kiel waren er diep ingezakt. Het andere gedeelte tot aan den achtersteven had vijf vaam water beneden zich. Het roer zat dus niet vast en werkte onbelemmerd. John achtte het niet noodig het uit te ligten. Dit was een groot voordeel; want nu kon men het gebruiken, zoodra dit noodig mogt zijn.
Hen onderste gedeelte van de steven was in de modder gezakt.

De getijden zijn in de Stille Zuidzee niet belangrijk. Evenwel rekende John Mangles op den vloed om de Macquarie vlot te doen worden. De brik was omstreeks een uur voor hoog water gestrand. Zoodra de ebbe opkwam, was ze aan stuurboordszijde hoe langer hoe meer gezakt, hetgeen tot 's morgens ten zes ure, toen het laag water was, voortduurde. Het scheen onnoodig het schip met stutten te schoren. Nu konden de raas en andere sparren aan boord blijven, die John wilde gebruiken om een noodmast te maken.
Nu moesten de noodige maatregelen genomen worden om de Macquarie vlot te maken. Dat was een lang en moeijelijk werk. Het was bepaald onmogelijk om klaar te wezen voor kwart over twaalven, wanneer het hoog water zou zijn. Men zou alleen kunnen zien hoe, nu een gedeelte der lading over boord was geworpen, de vloed op het schip zou werken en bij het volgende tij zou men nog een nieuwe poging aanwenden.
"Aan het werk!" beval John Mangles.
Zijn nieuwbakken matrozen wachtten zijn bevelen af.
John liet eerst de zeilen bergen, die nog opgegeid waren. Onder toezigt van Wilson klommen de majoor, Robert en Paganel in de groote mars. Het groote marszeil door den wind strak gespannen, zou het losraken van het vaartuig belemmerd hebben. Het moest dus geborgen worden, hetgeen zoo goed en kwaad als het wilde geschiedde. Vervolgens werd na een volhardenden arbeid, die zeer zwaar viel aan handen, welke zoo iets niet gewoon waren, de grootbramsteng gestreken. De jonge Robert die zoo vlug als een kat en zoo moedig als een scheepsjongen was, had bij dit moeijelijke werk de grootste diensten bewezen.
Nu moest er nog een, misschien twee ankers uitgebragt worden, achteraan het schip en voor de kiel. De trekkende kracht moest op deze ankers werken om de Macquarie bij hoog water te doen rijzen. Dit werk is volstrekt niet moeijelijk, wanneer men over een sloep beschikt; men neemt een anker mede en legt het op een geschikte plaats, die men vooruit heeft opgezocht. Maar hier miste men een sloep en men moest zich behelpen.
Glenarvan had genoeg kennis van zeezaken om het noodzakelijke van die werkzaamheden in te zien. Er moest een anker uitgebragt worden om het schip, dat met laag water gestrand was, vlot te maken.
"Maar hoe zullen wij het zonder sloep redden?" vroeg hij aan John.
"Wij zullen de stukken van den fokkemast en ledige vaten gebruiken," antwoordde de jonge kapitein. "Het werk zal moeijelijk, maar niet onmogelijk zijn; want de ankers der Macquarie zijn maar klein. Zijn ze maar gevallen, dan ben ik vol hoop; althans, wanneer ze niet doorslippen."
"Goed! Dan moeten we geen tijd verliezen, John!"
Alleman, matrozen en passagiers, werd op het dek geroepen. Elk werkte mede. Met de bijl werden de touwen stuk gebakt, die den fokkemast nog tegenhielden. De ondermast was in zijn val bij den top afgebroken, zoodat de mars er gemakkelijk uitgenomen kon worden. John Mangles wilde van dien vloer een vlot maken. Het dreef op ledige vaten en kon de ankers dragen. Er werd een wrikriem aan vastgemaakt om den toestel te sturen. Verder zou de ebbe hem juist achter de brik aandrijven; en wanneer dan de ankers waren uitgeworpen, kon men gemakkelijk weder aan boord komen, door langs het ankertouw te varen.
Dat werk was half klaar, toen de zon den middagcirkel naderde. John Mangles liet den arbeid onder Glenarvans toezigt voortzetten en maakte zich gereed om zijn bestek op te maken. Dit was van groot belang. Gelukkig had John in de kajuit van Will Halley, behalve een jaarboekje van de sterrewacht van Greenwich, een zeer vuilen sextant gevonden, maar die toch goed genoeg was om hoogte te nemen. Hij maakte dien schoon en kwam er mee op het dek.
Door een aantal beweegbare spiegels brengt dit werktuig de zon weder aan den gezigteinder, op het oogenblik, dat het twaalf ure is, dat wil zeggen, wanneer de dagvorstin het hoogste punt van haar baan bereikt. Het is dus ligt te begrijpen, dat wie er mede wil werken, met den kijker van den sextant een waren gezigteinder moet waarnemen, namelijk dien, welke zich bevindt ter plaatse, waar lucht en water ineenloopen. Maar hier liep het land juist ten noorden in een groot voorgebergte uit, en maakte, daar het zich tusschen den waarnemer en den waren gezigteinder inschoof, de waarneming onmogelijk.
In geval de gezigteinder ontbreekt, vervangt men hem door een kunstmatigen; gewoonlijk is dit een vlakke schaal vol kwik, waarboven men zijn waarneming verrigt. Het kwik levert dus van zelf een zuiver waterpassen spiegel op.
John vond geen kwik aan boord; maar hief dit bezwaar op door zich te bedienen van een balie, vol vloeibaar pek, welks oppervlakte tamelijk goed het beeld der zon terugkaatste.
De lengte was hem reeds bekend, daar hij op de westkust van Nieuw-Zeeland was. Dat was gelukkig; want zonder tijdmeter had hij ze niet kunnen berekenen. De breedte alleen ontbrak, en die wilde bij nu gaan zoeken.
Met den sextant nam hij dus de middaghoogte der zon boven den gezigteinder. Die hoogte bleek 68°80' te zijn. De afstand van de zon tot het toppunt bedroeg derhalve 21°30', omdat de som dier beide getallen 90° bedraagt. Volgens het jaarboekje bedroeg voor dien dag, den 3den Februarij, de declinatie der zon 16°80', hetgeen, gevoegd bij den afstand van het toppunt, zijnde 21°30', voor breedte gaf 88°.
De Macquarie lag dus op 171°13' lengte en 38° breedte; waren er soms, door de gebrekkige werktuigen eenige dwalingen in de berekening geslopen, dan waren zij toch onbeteekenend en kon het verschil niet groot zijn.
John Mangles zag met een blik op de kaart van Johnston, die Paganel te Eden had gekocht, dat de schipbreuk had plaats gehad aan den ingang der Aotea-baai, boven hoek Cahua, op de kust der provincie Auckland. De stad van dien naam lag op zeven en dertig graden. Dus was de Macquarie een graad zuidelijker gedreven, en bij gevolg moest men een graad noordelijker gaan om de hoofdstad van Nieuw-Zeeland te bereiken.
"Een togt van hoogstens vijf en twintig mijlen," zeide Glenarvan, "dat beteekent niets."
"Wat ter zee niets is, zal lang en moeijelijk zijn te land," antwoordde Paganel.
"Daarom moeten wij ook alles doen," sprak John Mangles, "wat menschelijker wijze mogelijk is, om de Macquarie vlot te krijgen."
Toen het bestek was gemaakt, werd het werk hervat. Kwart over twaalven was het hoog water. Dit baatte John niets; want zijn ankers waren nog niet uitgebragt. Niettemin sloeg hij de Macquarie met zekeren angst gade. Zou de vloed haar optillen? Die vraag moest in vijf minuten beslist zijn.
Men wachtte. Er kraakte iets; dit werd veroorzaakt, zooal niet door een optilling, dan toch door een schudding van de buitenhuid. John kreeg goeden moed voor het volgende tij, maar bij slot van rekening bewoog de brik zich niet.
Het werk werd voortgezet. Ten twee ure was het vlot klaar. Het stopanker werd er op gebragt. John en Wilson gingen mede, na een greling aan het achterschip vastgemaakt te hebben. De eb voerde ze mede en zij lieten het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water vallen. De ankergrond was goed en het vlot voer weer langs het stoptouw naar boord.
zij lieten het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water vallen.

Nu was het groote boeganker nog over. Het werd niet zonder moeite neergelaten. Het vlot voer nog eens weg, en spoedig lieten ze dit tweede anker achter het eerste vallen op vijftien vaam diepte. Het vlot langs het kabeltouw voortduwende, keerden John en Wilson naar de Macquarie terug.
De kabel en de greling werden om het braadspil gewonden en men wachtte den volgenden vloed af, die 's nachts ten één ure zou opkomen. Het was nu 's avonds zes ure.
John Mangles prees zijn matrozen en voorspelde Paganel, dat hij, wanneer hij moed betoonde en goed oppaste, eenmaal bootsman zou kunnen worden.
Inmiddels was Olbinett, na eerst hard meegewerkt te hebben, naar de kombuis gegaan. Hij had een versterkend maal toebereid, dat goed te pas kwam. De geheele bemanning had razenden honger. Hij werd ruimschoots bevredigd, en allen gevoelden zich gesterkt voor het werk, dat hen wachtte.
Na den eten nam John Mangles de laatste voorzorgen, die het welslagen der onderneming moesten verzekeren. Men mag niets verzuimen, wanneer het er op aankomt een schip vlot te maken. Dikwijls mislukt de onderneming uit gebrek aan eenige ligtings-lijnen, en de vastgeraakte kiel verlaat het zandbed niet.
John Mangles had een groot deel der koopwaren in zee laten werpen, om de brik te ligten; maar de overige balen, de zware sparren, de waarlooze raas, eenige tonnen ballastschuitjes, die den ballast uitmaakten, werden naar achteren gebragt om door hun zwaarte het losraken van den voorsteven gemakkelijk te maken. Wilson en Mulrady rolden er ook eenige volle watervaten heen om den neus der brik te doen rijzen.
Het sloeg twaalf ure, toen deze laatste werkzaamheden afgeloopen waren. De bemanning was doodmoede, hetgeen zeer jammer was, omdat ze weldra alle kracht zou moeten inspannen om het braadspil om te draaijen.
Dit bragt John Mangles op een nieuw besluit.
De wind bedaarde thans en rimpelde naauwlijks de oppervlakte der golven. John onderzocht den gezigteinder ten noorden en ten oosten, en bespeurde, dat de wind weder uit het zuidwesten naar het noordwesten zou loopen. Een zeeman kan zich niet vergissen in de plaatsing en kleur der wolken. Wilson en Mulrady waren het eens met hun kapitein.
John Mangles deelde zijn opmerkingen aan Glenarvan mede en stelde hem voor om het vlotmaken tot den volgenden dag uit te stellen.
"Ik heb mijne redenen daarvoor," zeide hij. "Vooreerst zijn wij zeer vermoeid door het werk van dezen dag, en wij hebben al onze krachten noodig om het schip los te krijgen. En zijn we vlot, hoe zullen wij het bij zulk een pikzwarte duisternis door de branding heensturen? Het is beter bij het daglicht te werken. Maar nog een andere reden zet mij aan om te wachten. De wind belooft ons te helpen, en daar zou ik zeer mee gediend zijn. Ik wil, dat hij dezen ouden romp achteruit drijve, terwijl de zee hem opligt. Morgen zal de wind, als ik mij niet vergis, uit het noordwesten waaijen. Wij zullen de zeilen aan den grooten mast aanslaan; en die zullen een handje medehelpen om de brik vlot te maken."
Deze redenen waren geldig. Glenarvan en Paganel, de ongeduldigsten aan boord, gaven toe en het werk werd tot den volgenden dag uitgesteld.
De nacht ging rustig voorbij. Er werd wacht gehouden, vooral om voor het slippen der ankers te waken.
De dag brak aan. Wat John Mangles voorzien had gebeurde. Er woei een noord-noord-weste koelte, die sterker scheen te zullen worden. Dit was een zeer voordeelige vermeerdering van kracht. De bemanning werd op haar post geroepen. In den grooten mast hielden Robert, Wilson en Mulrady, op het dek de majoor, Glenarvan en Paganel zich gereed om de zeilen op het juiste oogenblik los te maken. De groot marszeilra werd op het ezelshoofd geheschen, het groote zeil en het groot marszeil bleven opgegeid.
Het was nu 's morgens negen ure. Over vier uren zou het hoog water zijn. Die tijd werd niet nutteloos doorgebragt. John besteedde hem om zijn noodmast, die den fokkemast vervangen moest, op te rigten. Zoo kon hij zich, zoodra het achip vlot was, uit dit gevaarlijke vaarwater verwijderen. De arbeiders deden hun uiterste best, en voor twaalven was de marsra bij wijze van mast stevig overeind gezet. Lady Helena en Mary Grant maakten zich zeer verdienstelijk, en sloegen een waarloos zeil aan de bramra. Zij waren regt in haar schik, dat zij mede konden werken tot aller redding. Toen dit tuig klaar was, liet de Macquarie weliswaar heel wat te wenschen over uit het oogpunt van sierlijkheid, maar kon ze toch varen, althans wanneer ze het digt langs de kust hield.
Intusschen kwam de vloed opzetten. De oppervlakte der zee begon in golvende beweging te raken. De kruinen der blinde klippen verdwenen langzamerhand als zeedieren, die onderduiken. Het uur naderde, om het groote werk te ondernemen. Een koortsachtig ongeduld hield allen in spanning. Niemand sprak. Aller oog was op John gevestigd. Men wachtte zijn bevelen af.
Over de leuning van het achterverdek gebogen, staarde John Mangles op de zee. Hij sloeg een angstigen blik op de uitgebragte en strak gespannen kabeltouwen.
Ten een ure bereikte de zee haar hoogste punt. Het was stil water, dat wil zeggen het korte oogenblik, waarop het water niet meer stijgt en nog niet valt. Nu was het tijd. Het groote zeil en het groot marszeil werden losgemaakt, en deden den mast buigen door de kracht van den wind.
"Aan het braadspil!" riep John.
Het braadspil was van pompzwengels voorzien, gelijk een brandspuit. Glenarvan, Mulrady, Robert aan de eene zijde, Paganel, de majoor en Olbinett aan de andere, drukten op de pompzwengels, die de beweging op den toestel overbragten. Ook John en Wilson hielpen hun makkers.
"Toe maar! toe maar!" riep de jonge kapitein, "allen te gelijk!"
De kabeltouwen rekten uit door de krachtige werking van het braadspil. De ankers hielden goed en slipten niet.
Men moest spoedig slagen. Het hoog water duurt maar eenige minuten. Weldra zou de waterspiegel weder dalen.
Nog eens spande men alle krachten in. De wind woei hevig en sloeg de twee zeilen tegen den mast. Er werd eenige schudding in het schip opgemerkt. De brik scheen op het punt om te rijzen. Misschien was de hulp van nog een paar armen genoeg om ze uit de zandbank los te werken.
"Helena! Mary!" riep Glenarvan.
De beide jonge vrouwen voegden haar krachten bij die van hare reisgenooten. Nog eens rammelde de spilpal.
Maar dat was alles. De brik bewoog zich niet. Het werk was vergeefsch geweest. Reeds liep de ebbe en het bleek duidelijk, dat die geringe bemanning er zelfs met behulp van den wind en de zee niet in zou slagen om het vaartuig vlot te maken.
VI.
Verdediging van het menscheneten.
De eerste poging tot redding, door John Mangles beproefd, was mislukt. Zonder uitstel moest men nu tot de tweede overgaan. Het was duidelijk, dat men de Macquarie niet vlot kon krijgen, en even duidelijk, dat er niets anders overschoot dan bet schip te verlaten. Het zou onvoorzigtig en dwaas geweest zijn om aan boord te blijven, tot er hulp kwam opdagen.
Lang voor dat het toeval een schip op de plaats der schipbreuk zou brengen, zou de Macquarie verbrijzeld zijn! De eerste storm de beste, zelfs een onstuimige zee door de zeewinden opgejaagd, zoo het tegen de banken slaan, het verbrijzelen, vernielen en het wrak in alle rigtingen verstrooijen. Voor het zoo ver kwam, dat het uit elkander geslagen werd, wilde John aan land wezen.
Hij stelde dus voor een vlot te timmeren, sterk genoeg om de passagiers en een voldoende hoeveelheid levensmiddelen naar de zeelandsche kust over te brengen.
Het was nu geen tijd om te praten maar om te handelen. Men ging aan het werk en was reeds een goed eind gevorderd, toen de duisternis het deed staken.
Men ging aan het werk.

Ten acht ure, toen het avondeten gebruikt was en lady Helena en Mary reeds in het vooronder te bed waren gegaan, spraken Paganel en zijn vrienden, terwijl zij het dek op en neer gingen, over belangrijke zaken. Robert had hen niet willen verlaten. De wakkere knaap luisterde met open mond, gereed om een dienst te bewijzen, gereed ook om het een of ander waagstuk te ondernemen.
Paganel had aan John Mangles gevraagd, of het vlot niet de kust kon langs varen tot aan Auckland, in plaats van de reizigers aan wal te zetten.
John antwoordde, dat zulk een togt onmogelijk was met zulk een gebrekkig vaartuig.
"En zouden we met de sloep der brik hebben kunnen doen," zeide Paganel, "wat wij op een vlot niet kunnen wagen?"
"Als het moest, ja!" antwoordde John Mangles; "maar op voorwaarde, dat wij over dag voeren en 's nachts voor anker bleven liggen."
"Dus hebben die schurken, die ons achtergelaten hebben...."
"O! die waren dronken," antwoordde John Mangles, "en in die zwarte duisternis vrees ik zeer, dat zij die laaghartige vlugt met hun leven geboet hebben."
"Zooveel te erger voor hen," hernam Paganel, "en zooveel te erger voor ons; want die sloep zou ons goede diensten bewezen hebben."
"Wat er aan te doen, Paganel?" zeide Glenarvan. "Het vlot zal ons ook wel aan den wal brengen."
"Dat had ik juist willen vermijden," antwoordde de aardrijkskundige.
"Hoe! kan een reis van hoogstens twintig mijlen schrik aanjagen aan menschen, die tegen vermoeijenis bestand zijn, na alles wat wij in de Pampa's en op onzen togt door Australië hebben uitgestaan?"
"Vrienden!" antwoordde Paganel, "ik trek evenmin onzen moed als de wakkerheid onzer gezellinnen in twijfel. Twintig mijlen; dat is niets in ieder ander land dan Nieuw-Zeeland. Gij zult mij niet van lafhartigheid verdenken. Ik was het, die u door Amerika, door Australië heb medegevoerd. Maar, ik herhaal het, dat alles is niets in vergelijking met een reis door dat verraderlijke land."
"Het ergste wat ons kan overkomen wacht ons op dit gestrande schip: een zekere ondergang!" antwoordde John Mangles.
"Wat hebben we dan toch op Nieuw-Zeeland te duchten!" vroeg Glenarvan.
"De wilden," antwoordde Paganel
"De wilden!" hernam Glenarvan. "Kunnen wij ze niet vermijden, door de kust te volgen?" Bovendien, tien goed gewapende en vastberaden Europeanen behoeven zich niet beangst te maken voor een aanval van eenige ellendige wilden."
"Het zijn geen ellendige wilden," antwoordde Paganel hoofdschuddende. "De Nieuw-Zeelanders zijn verschrikkelijke lieden, die tegen de engelsche heerschappij zich verzetten, die de indringers bestrijden, die hen dikwijls overwinnen, die hen altijd opeten!"
"Menscheneters!" riep Robert, "menscheneters!"
Vervolgens hoorde men hem deze beide namen mompelen: "Mijne zuster! mevrouw Helena!"
"Vrees niet, mijn kind!" sprak Glenarvan om den knaap gerust te stellen. "Onze vriend Paganel overdrijft!"
"Ik overdrijf niets," hervatte Paganel. "Robert heeft getoond een man te zijn, en ik behandel hem als een man door hem de waarheid niet te verbergen. De Nieuw-Zeelanders zijn de wreedste, om niet te zeggen de gulzigste van alle menscheneters. Zij verslinden alles wat onder hun bereik komt. De oorlog is voor hen alleen een jagt op dat uitstekende wild, dat mensch heet, en om de waarheid te zeggen is dat de eenige verstandige oorlog. De Europeanen dooden hun vijanden en begraven ze. De wilden dooden hun vijanden en eten ze op, en volgens het gevoelen van mijn landgenoot Toussenel ligt het kwaad niet zoozeer in het braden van zijn vijand als hij dood is, als wel daarin, dat men hem doodt, wanneer hij niet sterven wil."
"Paganel!" zeide de majoor, "dat is een rijke stof voor een gesprek, maar het oogenblik is er niet geschikt voor. Of het verstandig is of niet om opgegeten te worden, wij willen niet, dat men ons zal opeten. Maar hoe komt het, dat het christendom die afschuwelijke gewoonte om menschenvleesch te eten nog niet heeft uitgeroeid?"
"Gelooft gij dan, dat alle Nieuw-Zeelanders christenen zijn?" antwoordde Paganel. "Slechts een gering aantal is het, en de zendelingen zijn nog maar al te dikwijls de slagtoffers dier woestaards. Verleden jaar nog is de eerwaarde Walkner met de afschuwelijkste wreedheid doodgemarteld. De Maori's hebben hem opgehangen. Hun vrouwen hebben hem de oogen uit het hoofd gehaald. Men heeft zijn bloed gedronken, zijn hersenen opgegeten. En die moord heeft plaats gehad in 1864, te Opotiki, eenige uren van Auckland af, om zoo te zeggen onder het oog der engelsche autoriteiten. Er zijn eeuwen noodig, mijne vrienden! om den aard van een menschenras te veranderen. Wat de Maori's geweest zijn, zullen zij nog lang zijn. Hun geheele geschiedenis is met bloed geschreven. Wat al schepelingen hebben zij vermoord, en verslonden, van de matrozen van Tasman af tot de bemanning der Hawes toe! En het is geenszins het blanke vleesch, dat hen zoo graag heeft gemaakt. Lang voor de komst der Europeanen zochten de Zeelanders door moord hun lust te bevredigen. Menig reiziger heeft onder hen verkeerd, die maaltijden van menscheneters heeft bijgewoond, waarbij de gasten alleen gedreven werden door het verlangen om iets lekkers te eten, zooals het vleesch van een vrouw of een kind."
De marteling van de eerwaarde Walkner.

"Ba!" zeide de majoor, "zijn die verhalen niet grootendeels in de verbeelding der reizigers ontstaan? Men is er soms op gesteld om uit gevaarlijke landen en uit de maag der menscheneters terug te komen!"
"Ik geef toe, dat er soms overdrijving plaats heeft," antwoordde Paganel. "Maar geloofwaardige mannen hebben gesproken, de zendelingen Kendall en Marsden, de kapiteins Dillon, d'Urville, Laplace en anderen, en ik geloof hun verhalen, ik moet ze gelooven. De Zeelanders zijn wreed van aard. Bij den dood hunner opperhoofden slagten zij menschenoffers. Zij beweren door die offers den toorn des overledenen te stillen, die de levenden zou kunnen treffen, en tevens hem dienaren voor het andere leven aan te bieden! Maar daar zij die nagelaten bedienden opeten na ze vermoord te hebben, mag men gelooven, dat de maag er even groot deel aan heeft als het bijgeloof."
"Ik meen toch," zeide John Mangles, "dat de godsdienst een rol speelt in die tooneelen van kannibalisme. Wanneer de godsdienst verandert, zullen de zeden dus ook veranderen."
"Goed, vriend John!" antwoordde Paganel. "Gij werpt daar de gewigtige vraag op van den oorsprong van het menscheneten. Heeft de godsdienst of de honger de menschen er toegebragt om elkander te verslinden? Dat onderzoek zou in dit oogenblik ontijdig zijn. Waarom het menscheneten bestaat? die vraag is nog niet opgelost; maar het bestaat, en dat is een ernstig feit, waarover wij maar al te veel reden hebben om ons ongerust te maken."
Paganel zeide de waarheid. Het menscheneten is even diep geworteld op Nieuw-Zeeland, als op de Fidsji-eilanden of aan de Torres-straat. Ontwijfelbaar komt het bijgeloof in het spel bij die afschuwelijke gewoonten; maar er zijn menscheneters, omdat het wild soms schaarsch is en de honger groot. De wilden zijn begonnen met menschenvleesch te eten om aan de eischen van den honger te voldoen, die slechts zelden verzadigd wordt; vervolgens hebben de priesters die ijselijke gewoonten tot wet gemaakt en gewijd. De maaltijd is een godsdienstige plegtigheid geworden, ziedaar alles.
In de oogen van de Maori's is er dan ook niets natuurlijker dan elkander op te eten. De zendelingen hebben hen dikwijls over het menscheneten ondervraagd. Zij hebben hun gevraagd, waarom zij hun broeders opaten. Hierop antwoordden de hoofden, dat de visschen de visschen opeten, dat de honden de menschen opeten, dat de menschen de honden opeten, en dat de honden elkander opeten. In hun godenleer komt zelfs de overlevering voor, dat een god een anderen god opat. Hoe zouden zij met dit alles voor oogen zich het genoegen kunnen ontzeggen om hun evenmensch op te eten?
Ook beweren de Zeelanders, dat men door een dooden vijand op te eten ook zijn geestelijk deel vernietigt. Zoo erft men zijn ziel, zijn kracht, zijn dapperheid, die vooral in de hersenen zetelen. Dit gedeelte van den mensch komt daarom op de feestmalen als hoofdschotel en lekker beetje voor.
Paganel hield intusschen niet zonder grond staande, dat de zinnelijkheid en vooral de nood de Zeelanders tot menscheneten aanspoorden, en niet alleen de wilden van Oceanië, maar ook de wilden van Europa.
"Ja," voegde hij er bij, "het menscheneten heeft lang bestaan onder de voorvaderen der beschaafde volken, en, beschouwt dit niet als op u persoonlijk gemunt, vooral bij de Schotten."
"Inderdaad?" vroeg Mac Nabbs.
"Ja, majoor!" hernam Paganel. "Wanneer gij zekere uitdrukkingen van den heiligen Hieronymus over de Atticoli van Schotland leest, zult gij zien, wat gij van uwe voorvaderen denken moet! En zonder tot vóórhistorische tijden op te klimmen, werd onder de regeering van Elisabeth, in denzelfden tijd toen Shakspeare over zijn Shilock peinsde, de schotsche struikroover Sawney Bean niet ter dood gebragt om de misdaad van menscheneten? En welk gevoel had hem aangezet om menschenvleesch te eten? De godsdienst? Neen de honger."
"De honger?" vroeg John Mangles.
"De honger," verzekerde Paganel; "maar vooral de noodzakelijkheid, waarin het vleeschetend dier zich bevindt, om zijn vleesch en bloed weer te herstellen door de stikstof in de dierlijke zelfstandigheden. De longen moeten tot haar werkzaamheid in staat worden gesteld door knolvormige en zetmeel bevattende planten. Maar wie sterk en werkzaam zijn wil, moet die bloedvormende spijzen gebruiken, die het slijten der spieren herstellen. Zoo lang de Maori's geen leden zijn van de maatschappij der groenteneters, zullen zij vleesch eten en wel menschenvleesch."
"Waarom geen vleesch van dieren?" vroeg Glenarvan.
"Omdat zij geen dieren hebben," antwoordde Paganel, "en dit moet men weten, niet om hun gewoonte van menschenvleesch te eten te verontschuldigen, maar om ze te verklaren. Viervoetige dieren, zelfs vogels zijn zeldzaam in dit onherbergzaam land. De Maori's hebben zich daarom altijd met menschenvleesch gevoed. Er zijn zelfs "jaargetijden om de menschen te eten," gelijk in de beschaafde landen jaargetijden om te jagen. Dan beginnen de groote drijfjagten, dat wil zeggen de groote oorlogen, en geheele volksstammen worden op de tafels der overwinnaars opgedischt."
"Volgens uw gevoelen, Paganel!" sprak Glenarvan, zal het menscheneten dus eerst ophouden, wanneer schapen, runderen en zwijnen in de weiden van Nieuw-Zeeland sterk zullen vermenigvuldigen?"