← Table of contents
De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3)

JULES VERNE. (continued 3)

Reading edition

"Zij hebben verkeerd gehandeld!" antwoordde Glenarvan op ernstigen toon. "Ik zeg dat, omdat ik het denk, en niet, omdat ik in uw magt ben."

"Luister!" hernam Kai-Koemoe, "de Tohonga, de opperpriester van Noeï-Atoea[1], is in de handen uwer broeders gevallen. Hij is gevangen bij de Pakeka's[2]. Onze God beveelt ons hem los te koopen. Ik had u het hart uit het lijf willen rukken, ik had gewenscht, dat uw hoofd en het hoofd uwer medgezellen ten eeuwigen dage op de punten van dit paalwerk gestaan hadden! Maar Noeï-Atoea heeft gesproken."

Terwijl hij zoo sprak, beefde Kai-Koemoe, die zich tot nog toe ingehouden had, van toorn, en stond er een woeste geestdrijverij op zijn gelaat te lezen.

Na een poos hervatte hij op bedaarden toon:

"Denkt gij, dat de Engelschen onzen opperpriester tegen uw persoon zullen uitwisselen?"

Glenarvan aarzelde met een antwoord, en zag het maori opperhoofd oplettend aan.

"Ik weet het niet," zeide hij na een oogenblik zwijgens.

"Spreek!" hernam Kai-Koemoe. "Is uw leven evenveel waard als het leven van onzen opperpriester?"

"Neen!" antwoordde Glenarvan. "Ik ben noch een opperhoofd noch een priester onder de mijnen!"

Over dit antwoord verbaasd zag Paganel Glenarvan met diepe verwondering aan.

Kai-Koemoe scheen insgelijks verrast.

"Dus twijfelt gij?" zeide hij.

"Ik weet het niet," herhaalde Glenarvan.

"Zullen de uwen u niet tegen onzen opperpriester uitwisselen?"

"Mij alleen? neen!" antwoordde Glenarvan. "Ons allen? misschien."

"Bij de Maori's is het hoofd voor hoofd," zeide Kai-Koemoe.

"Bied eerst deze vrouwen ter uitwisseling tegen uw priester aan," zeide Glenarvan op lady Helena en Mary Grant wijzende.

Lady Helena wilde naar haar man snellen. De majoor hield haar tegen.

"Die twee vrouwen bekleeden een hoogen rang in haar land," hernam Glenarvan met een eerbiedige buiging voor lady Helena en Mary Grant.

De krijgsman zag zijn gevangene koel aan. Een valsch glimlachje speelde om zijn lippen; maar hij onderdrukte het bijna terstond en antwoordde met een stem, die hij naauwelijks bedwingen kon:

"Denkt gij Kai-Koemoe met valsche woorden te bedriegen, vervloekte Europeaan? Denkt gij, dat de oogen van Kai-Koemoe niet in de harten kunnen lezen?"

En op lady Helena wijzende, ging hij voort:

"Dat is uw vrouw!"

"Neen! de mijne!" riep Kara-Tete.

De gevangenen wegduwende legde het opperhoofd nu zijn hand op den schouder van lady Helena, die bij die aanraking verbleekte.

"Edward!" riep de rampzalige vrouw in haar radeloosheid.

Zonder een woord te spreken hief Glenarvan den arm op. Een schot knalde en Kara-Tete viel dood neder.

Op die losbranding stroomde een vloed van inlanders uit de hutten. Het plein was in een oogenblik vol. Honderd armen werden tegen de ongelukkigen opgeheven. De revolver werd Glenarvan uit de hand gerukt.

Kai-Koemoe sloeg een vreemden blik op Glenarvan; daarop bedekte hij met de eene hand het ligchaam van den moordenaar, terwijl hij met de andere de menigte in toom hield, die woedend op de Europeanen indrong.

Eindelijk deed zijn stem het oproer bedaren.

"Taboe! Taboe!" riep hij.

Op dat woord hield de menigte voor Glenarvan en de zijnen stand, die nu voor het oogenblik door een bovennatuurlijke magt beschermd werden.

Eenige oogenblikken daarna werden zij naar het heilige huis teruggevoerd, dat hun tot gevangenis diende. Maar Robert Grant en Jacques Paganel waren niet meer bij hen.

"Taboe! Taboe!" riep Kai-Koemoe.

"Taboe! Taboe!" riep Kai-Koemoe.
"Taboe! Taboe!" riep Kai-Koemoe.

XII.

De lijkplegtigheden van een opperhoofd der Maori's.

Zooals op Nieuw-Zeeland wel meer het geval is, vereenigde Kai-Koemoe in zich de waardigheden van priester en stamhoofd. In die eerste hoedanigheid kon hij over personen of zaken de bijgeloovige bescherming van het taboe uitstrekken.

Het taboe, dat bij alle volken van het polynesische ras wordt aangetroffen, heeft onmiddellijk ten gevolge, dat alle omgang met of gebruik van het voorwerp of den persoon, die getaboeëerd is, verboden wordt. Volgens de godsdienst der Maori's zou alwie een heiligschennende hand sloeg aan hetgene taboe verklaard is, door den vertoornden god met den dood gestraft worden. En waar de godheid soms talmen mogt met wraak te nemen over de haar aangedane beleediging, zouden de priesters niet verzuimen haar wraakoefening te verhaasten.

Het taboe wordt door de opperhoofden met staatkundige bedoelingen toegepast, tenzij het ontstaat uit een gewoon voorval van het huiselijke leven. Een inlander wordt in menige omstandigheid voor eenige dagen getaboeëerd, bv. wanneer hij zijn haar heeft afgesneden, wanneer hij getatoeëerd is, wanneer hij een praauw timmert, wanneer hij een huis bouwt, wanneer hij doodelijk ziek is, wanneer hij gestorven is. Dreigt een onverstandige vischvangst de rivieren van haar visschen te berooven, of worden de nieuwe aanplantingen van zoete pataten niet behoorlijk ontzien, dan worden die voorwerpen door een beschermend en staathuishoudkundig taboe getroffen. Wil een opperhoofd de lastige omstanders van zijn huis verjagen, dan taboeëert hij het; ten zijnen voordeele betrekkingen met een vreemd schip aanknoopen, dan taboeëert hij het ook; een europeesch handelaar, op wien hij ontevreden is, een quarantaine opleggen, hij taboeëert maar! Zijn verbod komt dan overeen met het oude "veto" (ik wil niet) der koningen.

Wanneer een voorwerp getaboeëerd is, mag niemand het straffeloos aanraken. Wanneer een inboorling aan dat verbod onderworpen is, zijn hem sommige spijzen voor een bepaalden tijd ontzegd. Wanneer die strenge leefregel opgeheven is, helpen, indien hij rijk is, zijn slaven hem en steken de spijzen in zijn mond, die hij met zijn handen niet mag aanraken; is hij arm, dan is hij genoodzaakt de spijzen met den mond op te nemen, en het taboe maakt hem tot een dier.

Kortom, die vreemde gewoonte beheerscht en bepaalt de geringste daden der Nieuw-Zeelanders. Het is de onophoudelijke tusschenkomst der godheid in het maatschappelijke leven. Het heeft kracht van wet, en men mag zeggen, dat het geheele inlandsche wetboek, een wetboek, dat geen tegenspraak duldt en ook nooit tegengesproken wordt, vervat is in de gedurige toepassing van het taboe.

De gevangenen in het heilige huis waren door een willekeurig taboe ontrukt aan de woede der volksmenigte. Een partij onder de inlanders, de vrienden en aanhangers van Kai-Koemoe, waren op eens gestuit door de stem van hun hoofd en hadden de gevangenen beschermd.

Echter maakte Glenarvan zich geen verkeerde voorstellingen van het lot, dat hem wachtte. Zijn dood alleen was een voldoende straf voor den moord van een opperhoofd; en bij de wilde volken volgt de dood alleen op een lange marteling. Glenarvan verwachtte dus niet anders, of hij zou wreed moeten boeten voor de billijke verontwaardiging, die zijn arm had gewapend; maar hij hoopte, dat de toorn van Kai-Koemoe hem alleen zou treffen.

Welk een nacht bragten hij en zijn lotgenooten door! Wie zou hun angst kunnen schilderen, hun lijden afmeten! De arme Robert, de goede Paganel waren niet meer voor den dag gekomen. Maar kon men wel aan hun lot twijfelen? Waren zij niet de eerste offers, ten zoen gevallen voor de wraakzucht der inlanders? Alle hoop was verdwenen, zelfs uit het hart van Mac Nabbs, die anders niet spoedig wanhoopte. John Mangles werd bijna krankzinnig door de stille wanhoop van Mary Grant, die van haar broeder was gescheiden. Glenarvan dacht aan dat verschrikkelijk verzoek van lady Helena, die, om zich te onttrekken aan den marteldood of de slavernij, door zijne hand wilde sterven! Zou hij dien ijselijken moed hebben?

"En welk regt heb ik om Mary te treffen?" dacht John, wiens hart brak.

Aan een ontsnapping viel niet te denken; ze was geheel en al onmogelijk. Tien, tot de tanden gewapende krijgslieden, waakten voor de deur der gevangenis.

De morgen van den 13den Februarij brak aan. Er had geen verkeer plaats gehad tusschen de inlanders en de gevangenen, die door het taboe werden beschermd. De hut bevatte eenige levensmiddelen, die de ongelukkigen naauwelijks aanraakten. De smart verdreef den eetlust. De dag verliep, zonder verandering of hoop aan te brengen. Ongetwijfeld zou het uur van de begrafenis van het gedoode opperhoofd ook dat zijn, waarop de doodstraf voltrokken werd.

Terwijl Glenarvan zich niet ontveinsde, dat Kai-Koemoe de gedachte aan uitwisseling wel zou hebben opgegeven, behield de majoor dienaangaande nog altijd een straal van hoop.

"Wie weet," zeide hij, terwijl hij Glenarvan op de uitwerking wees, dien de moord van Kara-Tete op het opperhoofd gemaakt had, "wie weet, of Kai-Koemoe niet in den grond verpligting aan u gevoelt?"

Maar, wat Mac Nabbs ook mogt zeggen, Glenarvan wilde zich met geen hoop meer vleijen. Ook de volgende dag verliep, zonder dat er toebereidselen voor de doodstraf werden gemaakt. Ziehier de reden van dat uitstel.

De Maori's gelooven, dat de ziel nog drie dagen na het sterven het ligchaam des overledenen bewoont, en gedurende driemaal vier en twintig uren blijft het lijk onbegraven liggen. Die uitstellende gewoonte werd streng in acht genomen. Tot den 15den Februarij toe bleef de sterkte ledig. Op de schouders van Wilson staande, zag John Mangles dikwijls naar de buitenwerken. Geen inlander was er te zien. Alleen de schildwachten, die goed wacht hielden, losten elkander af aan de deur der gevangenis.

Maar den derden dag gingen de hutten open; de wilden, mannen, vrouwen, kinderen, verscheidene honderden in getal, vereenigden zich zwijgend en bedaard op het voorplein der sterkte.

Kai-Koemoe kwam uit zijn hut, en terwijl de voornaamste hoofden van zijn stam zich om hem schaarden, nam hij plaats op een heuveltje van eenige voeten hoog in het middelpunt der versterkingen. Op een behoorlijken afstand achter hem stonden de overige inlanders in een halven cirkel geschaard. De geheele vergadering bewaarde een onafgebroken stilzwijgen.

Op een teeken van Kai-Koemoe begaf een krijgsman zich naar het heilige huis.

"Denk er aan!" zeide lady Helena tot haar man.

Glenarvan klemde zijn vrouw aan zijn hart. Thans naderde Mary Grant John Mangles en zeide:

"Lord en lady Glenarvan zullen wel willen gelooven, dat even goed als een vrouw kan sterven door de hand van haar echtgenoot om een schandelijk leven te ontgaan, een bruid ook door de hand van haar verloofde kan sterven om er op haar beurt aan te ontkomen. John! in dit gewigtig oogenblik mag ik het u zeggen: ben ik niet sedert lang uw bruid in het geheim van uw hart? Mag ik op u rekenen, waarde John! gelijk lady Helena op lord Glenarvan?"

"Mary!" riep de jeugdige kapitein geheel radeloos. "Ach! lieve Mary!..."

Hij kon niet uitspreken; de mat werd opgeligt, en de gevangenen voor Kai-Koemoe gebragt; de twee vrouwen schikten zich in haar lot; de mannen verborgen hun angst onder een kalmte, die het bewijs was eener bovenmenschelijke geestkracht.

Zij kwamen voor het zeelandsch opperhoofd. Deze talmde niet met het uitspreken van het vonnis.

"Gij hebt Kara-Tete gedood?" zeide hij tot Glenarvan.

"Ik heb hem gedood," antwoordde de lord.

"Gij zult morgen met zonsopgang sterven."

"Alleen?" vroeg Glenarvan, wiens hart hevig klopte.

"Ach! als het leven van onzen opperpriester niet kostbaarder was dan het uwe!" riep Kai-Koemoe, wiens oogen een woeste spijt uitdrukten.

Thans had er een opschudding onder de inboorlingen plaats. Glenarvan sloeg haastig een blik om zich heen. Weldra kwam er een opening in de menigte, en een krijgsman verscheen, druipnat van zweet en doodelijk vermoeid.

Zoodra Kai-Koemoe hem zag, sprak hij hem in het engelsch aan. Zijn bedoeling was duidelijk: hij wilde, dat de gevangenen hem zouden verstaan.

"Gij komt uit de legerplaats der Europeanen?"

"Ja!" antwoordde de Maori.

"Hebt gij den gevangene, onzen opperpriester, gezien?"

"Ik heb hem gezien."

"Leeft hij?"

"Hij is dood! De Engelschen hebben hem doodgeschoten!"

Het was gedaan met Glenarvan en zijn makkers.

"Allen zult gij morgen met zonsopgang sterven!" riep Kai-Koemoe.

Zoo trof dezelfde straf al die ongelukkigen zonder onderscheid. Lady Helena en Mary Grant sloegen een oog vol innige dankbaarheid ten hemel.

De gevangenen werden niet naar het heilige huis teruggebragt. Zij moesten dien dag tegenwoordig zijn bij de lijkplegtigheden van het opperhoofd en bij de bloedige tooneelen, die daarmede gepaard gaan. Een troep inlanders voerde hen eenige schreden verder naar den voet van een ontzaggelijken "koedi." Daar bleven hun bewakers bij hen, zonder hen uit het oog te verliezen. De overige Maori's schenen hen vergeten te hebben, zoo verdiept waren ze in hun verpligte smart.

De drie bij de wet voorgeschreven dagen waren na den dood van Kara-Tete verloopen. De ziel des overledenen had dus voor altijd diens stoffelijk overschot verlaten. De plegtigheid begon.

Het lijk werd op een heuveltje gebragt in het midden van de vesting. Het was in een prachtige kleeding gedoscht en in een sierlijke mat van vlas gewikkeld. Om zijn met vederen versierd hoofd was een krans van groene bladeren geslingerd. Aan zijn gelaat, zijn armen en zijn borst, die met olie waren ingewreven, was geen teeken van bederf te zien.

De bloedverwanten en vrienden traden tot aan den voet van het heuveltje, en, als had een orkestmeester de maat van een lijkzang geslagen, terstond steeg een ontzaggelijk concert van weenen, kermen en zuchten omhoog. De overledene werd beweend op de maat van een klagend en langzaam lied. Zijn nabestaanden sloegen zich voor het hoofd; de vrouwelijke bloedverwanten reten haar gelaat met haar vingers open en toonden zich kwistiger met bloed dan met tranen. Die ongelukkigen volbragten stipt dezen ruwen pligt. Maar al die rouw was nog niet voldoende om de ziel des overledenen te bevredigen, wiens gramschap zonder twijfel de overlevenden van zijn stam zou getroffen hebben, en zijn krijgslieden wilden niet, al konden zij hem niet in het leven terugroepen, dat hij in de andere wereld de genoegens van het aardsche leven missen zou. Dus mogt de echtgenoote van Kara-Tete haar man ook in het graf niet verlaten. De ongelukkige zou toch geweigerd hebben hem te overleven. Dat was gewoonte en pligt, en de voorbeelden van zulke opofferingen zijn niet schaarsch in de zeelandsche geschiedenis.

Die vrouw verscheen. Zij was nog jong. Heur haren golfden wanordelijk over haar schouders. Haar snikken en kreten stegen omhoog. Onzamenhangende woorden, jammerklagten, afgebroken volzinnen, waarin zij de deugden van den overledene prees, braken haar snikken af, en in haar vreeselijke smart viel zij aan den voet van het heuveltje neer en sloeg met haar hoofd op den grond.

Nu naderde haar Kai-Koemoe. Plotseling vloog het rampzalige slagtoffer weer op; maar een geweldige slag met den "mere," een soort van vreeselijke knods, die het opperhoofd zwaaide, velde haar ter neder. Zij viel, als door den bliksem getroffen.

Terstond gingen er ontzettende kreten op. Honderd armen bedreigden de gevangenen, die doodelijk ontsteld waren van dat ijselijk tooneel. Maar niemand roerde zich; want de lijkplegtigheid was nog niet afgeloopen.

De vrouw van Kara-Tete was met haar gemaal in den dood vereenigd. De beide ligchamen lagen naast elkander. Maar voor het eeuwige leven had die overledene nog niet genoeg aan zijn trouwe gade. Wie zou hen beiden bij Noeï-Atoea bediend hebben, wanneer hun slaven hen niet uit deze wereld in de andere gevolgd waren?

Zes ongelukkigen werden bij de lijken hunner meesters gebragt. Het waren dienstboden, die de onmeedoogende krijgswetten tot slavernij hadden gedoemd. Tijdens het leven van het opperhoofd hadden zij de hardste ontberingen uitgestaan, duizend mishandelingen ondergaan, waren slecht gevoed, hadden onophoudelijk als lastdieren gewerkt, en zouden nu, volgens het geloof der Maori's, in de eeuwigheid dat slavenleven voortzetten.

Die ongelukkigen schenen in hun lot te berusten. Zij verwonderden zich niet over een opoffering, die ze reeds lang voorzien hadden. Hun ongeboeide handen bewezen, dat ze zich zonder verzet zouden laten slagten.

Die dood was dan ook kort, en voor een lang lijden bleven ze bewaard. De martelingen werden bespaard voor de bewerkers van den moord, die twintig schreden verder bij elkander stonden en de oogen afwendden van dat akelig schouwspel, dat nog ontzettender zou worden.

Zes knodsslagen, toegebragt door de hand van zes gespierde krijgslieden, strekten de slagtoffers in een zee van bloed op den grond uit.

Dat was het sein tot een vreeselijk tooneel van kannibalisme.

Dat was het sein tot een tooneel van kannibalisme.

Dat was het sein tot een tooneel van kannibalisme.
Dat was het sein tot een tooneel van kannibalisme.

Het ligchaam der slaven wordt niet door het taboe beschermd, zooals het lijk van den meester. Het behoort aan den stam. Het is het kleine geld, dat aan de huilers bij de lijkplegtigheden wordt toegeworpen. Zoodra het offer volbragt was, vielen dan ook al de inlanders, opperhoofden, krijgslieden, grijsaards, vrouwen, kinderen, zonder onderscheid van leeftijd of kunne, door dezelfde dierlijke woede aangegrepen, op de levenlooze overblijfselen der slagtoffers aan. In minder tijd dan een vlugge pen het zou kunnen schetsen, werden de nog rookende ligchamen vaneengereten, verscheurd en verdeeld, niet aan stukken maar aan kruimels. Elk van de twee honderd Maori's, die het offer bijwoonden, kreeg zijn deel van dat menschenvleesch. Men worstelde, men vocht, men betwistte elkaar het kleinste lapje. De warme bloeddroppels bespatten die monsterachtige gasten en die geheele terugstootende horde krielde onder een rooden regen door elkander. Het was de waanzin en woede van naar hun prooi dorstende tijgers. Men zou gezegd hebben, dat het een diergaarde was, waar de roofdieren het hun toegeworpen vleesch verslonden. Daarop werden er op twintig plaatsen binnen den wal vuren aangelegd; de stank van het verbrande vleesch verpestte den dampkring, en zonder de vreeselijke opschudding bij dat feestmaal, zonder de kreten, die nog voortkwamen uit die met vleesch volgestopte kelen, hadden de gevangenen de beenderen der slagtoflers kunnen hooren kraken tusschen de tanden der menscheneters.

Doodelijk ontsteld deden Glenarvan en de zijnen nog hun best om dit afschuwelijk tooneel aan de oogen der twee arme vrouwen te onttrekken. Zij begrepen nu welke straf hen den volgenden morgen bij zonsopgang wachtte, en door welke vreeselijke martelingen zulk een dood stellig zou worden voorafgegaan. De schrik benam hun de spraak.

Daarop begonnen de doodendansen. Sterke dranken, getrokken uit den "piper excelsum," echten geest van spaansche peper, verhoogden nog de dronkenschap der wilden. Zij hadden niets menschelijks meer. Zouden zij niet welligt het taboe van het opperhoofd vergeten en de handen slaan aan de gevangenen, die hun waanzin beangstigde?

Maar Kai-Koemoe had zijn verstand behouden bij die algemeene dronkenschap. Hij stond een uur toe voor die slemppartij van bloed, opdat ze haar hoogsten trap bereiken en dan voldaan zou zijn, en het laatste bedrijf der uitvaart werd met de gewone plegtigheden afgespeeld.

De lijken van Kara-Tete en diens vrouw werden opgenomen, de ledematen gebogen en tegen den buik gedrukt, volgens de gewoonte der Zeelanders. Nu moesten ze begraven worden, wel niet voor goed, maar tot de aarde het vleesch verteerd had en alleen het gebeente bevatten zou.

De plaats voor het Oedoe-Pa, dat wil zeggen het graf, was reeds gekozen omtrent twee mijlen buiten de vesting, op den top van een bergje, Maunganamu genoemd, op den regteroever van het meer gelegen.

Daarheen moesten de ligchamen worden gebragt. Twee zeer kunstelooze draagstoelen, of om het maar ronduit te zeggen, twee berries, werden aan den voet van het heuveltje neergezet. De zaamgevouwen lijken werden er veeleer in zittende dan liggende houding op geplaatst; hun kleeding werd met een band opgehouden. Vier krijgslieden tilden ze op hun schouders en de geheele stam volgde hen, onder het aanheffen van het lijklied, in optogt tot aan de begraafplaats.

De zaamgevouwen lijken werden er op geplaatst.

De zaamgevouwen lijken werden er op geplaatst.
De zaamgevouwen lijken werden er op geplaatst.

De gevangenen, die nog altijd bewaakt werden, zagen den stoet den eersten wal van de vesting verlaten; daarna werden het gezang en geschreeuw allengs onverstaanbaar.

Omstreeks een half uur bleef de lijkstoet uit hun gezigt in de diepten van het dal. Daarna zagen zij hem weer terug, toen hij de kronkelende bergpaden besteeg. Door den afstand kreeg die lange en slingerende optogt iets spookachtigs.

De stam hield stil op een hoogte van acht honderd voet, dat is op den top van den Maunganamu, op de plaats die voor de begrafenis van Kara-Tete was uitgekozen.

Een gewoon Maori zou geen ander graf hebben gehad dan een kuil en een hoop steenen. Maar voor een magtig en geducht opperhoofd, die zeker binnen kort onder de goden zou opgenomen worden, had zijn stam een graf bestemd, dat zijner heldendaden waardig was.

Het graf was met paalwerk omringd, en bij de kuil, waarin de lijken moesten rusten, stonden palen, versierd met beelden, die met oker rood geverwd waren. De bloedverwanten hadden niet vergeten, dat de "Waidoea", de ziel der dooden, zich met stoffelijke dingen voedt, evenals het ligchaam die in dit vergankelijk leven behoeft. Daarom waren er levensmiddelen binnen de omheining gebragt, alsmede de wapens en kleederen des overledenen.

Niets ontbrak aan de gemakkelijke inrigting van het graf. De beide echtgenooten werden naast elkander gelegd, en daarop, na een nieuwe reeks van jammerklagten, met aarde en gras overdekt.

Nu daalde de stoet weder zwijgend den berg af, en voortaan mogt niemand weer op straffe des doods den Maunganamu beklimmen, want hij was taboe, evenals de Tongariro, waar de overblijfselen rusten van een opperhoofd, die in 1846 door een aardbeving omkwam.

XIII.

De laatste uren.

Juist verdween de zon over het Taupo-meer achter de toppen van den Tuhahua en Puketapu, toen de gevangenen naar hun kerker werden teruggevoerd. Zij zouden hem niet meer verlaten, voor de toppen der Wahiti-Ranges door de eerste zonnestralen verlicht werden.

Zij hadden een geheelen nacht om zich op den dood voor te bereiden. Ondanks hun droefheid, ondanks het ijselijke lot, dat hen wachtte, gebruikten zij toch gezamenlijk den maaltijd.

"Wij zullen al onze krachten hoog noodig hebben," had Glenarvan gezegd, "om den dood in het aangezigt te zien. Wij moeten aan die barbaren toonen, hoe Europeanen weten te sterven!"

Toen het eten afgeloopen was, zeide lady Helena overluid het avondgebed op. Met ongedekten hoofde spraken al haar reisgenooten haar na.

Waar is de mensch, die niet aan God denkt, wanneer de dood hem aangrijnst?

Toen die pligt was volbragt, omhelsden de gevangenen elkander.

Mary Grant en Helena begaven zich naar een hoek van de hut en strekten zich op eene mat uit. De slaap, die alle smarten lenigt, daalde weldra op haar oogleden neder; in elkanders armen gestrengeld sliepen zij in, uitgeput als zij waren door vermoeidheid en slapelooze nachten.

Glenarvan nam nu zijn vrienden ter zijde en sprak hen aldus aan:

"Waarde reisgenooten! ons leven en dat dier arme vrouwen is in Gods hand. Is het de wil des Hemels, dat wij morgen sterven, dan zullen wij, ik ben er zeker van, weten te sterven als mannen, als christenen, die onbevreesd voor den Oppersten Regter durven verschijnen. God, die op den bodem van ons hart ziet, weet, dat wij een edel doel najaagden. Wacht ons de dood in plaats van een goeden uitslag, dan is het zijn wil. Hoe hard zijn beschikkingen ook mogen wezen, ik wil toch niet tegen Hem morren. Maar hier is de dood niet maar alleen de dood, het is de foltering, het is misschien de eerloosheid, en ziehier twee vrouwen...."

Glenarvans' stem, die tot nog toe vast geweest was, begon hier te beven. Hij zweeg om zijn aandoening te bedwingen. Na een oogenblik zwijgens vervolgde hij tot den jongen kapitein:

"John! gij hebt aan Mary beloofd, wat ik aan lady Helena beloofd hebt. Wat is uw voornemen?"

"Ik geloof voor God het regt te hebben die belofte te vervullen," antwoordde John Mangles.

"Ja, John! Maar wij zijn ongewapend!"

"Toch niet," antwoordde John, een dolk toonende. "Ik heb hem uit de hand van Kara-Tete gerukt, toen die wilde aan uwe voeten viel. Mylord! wie van ons beiden het langste leeft, zal den wensch van lady Helena en Mary Grant vervullen."

Een doodsche stilte heerschte na die woorden in de hut. Eindelijk brak de majoor ze af met te zeggen:

"Mijne vrienden! stelt dat uiterste middel tot de laatste minuten uit. Ik houd niet veel van hetgeen onherstelbaar is."

"Ik heb niet voor ons gesproken," antwoordde Glenarvan. "Hoe vreeselijk onze dood ook moge wezen, wij zullen hem trotseeren! Ha! als wij alleen waren, zou ik u reeds twintigmaal toegeroepen hebben: Mijne vrienden! laten wij een uitval wagen! Laten wij die ellendelingen aanvallen! Maar zij! zij!..."

John ligtte even de mat op en telde vijf en twintig inlanders, die aan de deur der gevangenis de wacht hielden. Zij hadden een groot vuur aangelegd, dat een akeligen gloed verspreidde over den oneffen grond der sterkte. Sommigen dier wilden lagen rondom het vuur op den grond; anderen stonden roerloos overeind en staken zwart af op de heldere gordijn van vlammen. Maar allen zagen telkens naar de hut, die aan hun bewaking was toevertrouwd.

Men zegt, dat tusschen den cipier, die waakt en een gevangene, die vlugten wil, de kansen voor den gevangene zijn. Het belang van den een is inderdaad grooter dan het belang van den ander. Deze kan vergeten, dat hij bewaakt; gene kan nooit vergeten, dat hij bewaakt wordt. De gevangene denkt meer aan de vlugt, dan zijn bewaker om hem de vlugt te beletten. Dat is de oorzaak van zoovele en zoo wonderlijke ontvlugtingen.

Maar hier werden de gevangenen bewaakt door de haat en de wraakzucht, en niet door een onverschilligen cipier. De gevangenen waren niet geboeid; maar dat was ook onnoodig: want vijf en twintig man bewaakten den eenigen uitgang van het heilige huis.

Deze hut, tegen den rotswand leunende, die de verschansing afsloot, was alleen genaakbaar over een smalle landtong, die haar met het voorplein der sterkte in verband bragt. De zijmuren waren boven loodregte rotswanden opgetrokken en hingen over een honderd voet diepen afgrond. Hier was dus een nederdaling onmogelijk.

Onder den grond door bestond ook geen gelegenheid om te vlugten, want de rots was steenhard. De eenige uitgang was de deur van het heilige huis, en de Maori's bewaakten die landtong, die het als een ophaalbrug met de vesting verbond. Ontsnappen was dus onmogelijk, en Glenarvan moest dit wel erkennen, toen hij, misschien voor de twintigste maal, de muren zijner gevangenis had onderzocht.

Intusschen verliepen de uren van dien akeligen nacht. De berg was in digte duisternis gehuld. Maan nog sterren verhelderden den pikzwarten nacht. De wind huilde langs de sterkte. De palen der hut kraakten. Plotseling wakkerde het vuur der inboorlingen weder aan door die kortstondige strooming der lucht, en het schijnsel der vlammen verlichtte even het binnenste van het heilige huis. De groep gevangenen werd voor een oogenblik beschenen. Die arme lieden waren in gedachten verzonken over het lot, dat hun wachtte. Sen doodsche stilte heerschte in de hut.

Het zal omstreeks vier ure in den morgen geweest zijn, toen de oplettendheid van den majoor werd opgewekt door een ligt gedruisch, dat achter de achterste palen, in den wand der hut, die tegen de rots leunde, vandaan scheen te komen.

Toen Mac Nabbs, die zich eerst niet om dat gedruisch had bekommerd, bespeurde, dat het aanhield, luisterde hij; verwonderd, dat het niet ophield, ging hij eindelijk om het beter waar te nemen met het oor op den grond liggen. Hij meende te hooren, dat er van buiten gekrabd en gegraven werd.

Toen hij zeker was van zijn zaak, sloop de majoor naar Glenarvan en John Mangles, ontrukte hen aan hun droevige denkbeelden en voerde ze naar het achterste gedeelte der hut.

"Luistert!" fluisterde hij, hun tevens een teeken gevende om te bukken.

Het gekrab werd hoe langer hoe duidelijker; men kon hooren, dat de steentjes door de aanraking met een scherp voorwerp krasten en wegrolden.

"Een beest in zijn hol," zeide John Mangles.

Glenarvan sloeg zich voor het hoofd en zeide:

"Wie weet? als het eens een mensch was!"

"Mensch of dier," antwoordde de majoor, "ik zal er wel spoedig achter komen!"

Wilson en Olbinett kwamen bij hen, en allen begonnen in den wand te graven, John met zijn dolk, de anderen met steenen, die zij uit den grond haalden, of met hun nagels, terwijl Mulrady op den grond lag om door een kier in de mat de groep inlanders in het oog te houden.

Die wilden lagen onbewegelijk rondom het vuur en vermoedden niets van hetgeen er twintig schreden van hen af gebeurde.

De grond bestond uit een ligte en wrijfbare aarde, die den kiezelachtigen tufsteen bedekte. Ondanks het gebrek aan werktuigen vorderde het gat dan ook goed. Weldra was het duidelijk, dat een of meer menschen buiten het fort een galerij groeven in den zijmuur. Wat kon hun doel zijn? Waren zij bekend met het bestaan der gevangenen, of vond de arbeid, die verrigt scheen te worden, zijn verklaring in het toeval eener persoonlijke onderneming?

De gevangenen verdubbelden hun pogingen. Hun gewonde vingers bloedden; maar zij groeven toch door. Na een half uur arbeids was het gat, dat zij boorden, een voet of drie diep. Het helderder geraas bewees hun, dat alleen een dunne aardlaag een onmiddellijke gemeenschap belette.

Er verliepen nog eenige minuten; daar trok de majoor op eens zijn hand terug, die door een scherp lemmet gewond was. Hij bedwong den kreet van pijn, die hem bijna ontsnapte.

John Mangles weerde met zijn dolk het mes af, dat in het gat werd rondgedraaid, maar vatte de hand, die het voerde.

Het was de hand eener vrouw of van een kind, een europeesche hand!

Geen van beiden had een woord gesproken. Het was duidelijk, dat men er aan beide zijden belang bij had om te zwijgen.

"Is het Robert?" mompelde Glenarvan.

Maar hoe zacht hij dien naam ook had uitgesproken, Mary Grant had hem verstaan. Zij was ontwaakt door de beweging in de hut, sloop naar Glenarvan, greep die met aarde bemorste hand en bedekte ze met haar kussen.

"Gij! gij!" zeide het meisje, dat zich er niet in kon vergissen, "gij, Robert!"

"Ja, zusje!" antwoordde Robert, "ik ben hier om u allen te redden! Maar stilte."

"Moedig kind!" herhaalde Glenarvan.

"Houdt de wilden daar buiten in het oog en maakt het gat ruimer!" hernam Robert.

Mulrady, die even had opgezien bij de verschijning van den knaap, ging weer op den uitkijk staan.

"Alles gaat goed," zeide hij. "Nog maar vier krijgslieden zijn wakker. De anderen slapen."

"Moed gehouden!" sprak Wilson.

In een oogenblik was het gat vergroot en ging Robert uit de armen zijner zuster over in die van lady Helena. Om zijn ligchaam was een lang touw van vlas gewonden.

"Mijn kind! mijn kind!" mompelde de jonge vrouw, "dus hebben de wilden u niet gedood!"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Robert. "Ik weet zelf niet, hoe ik mij bij die opschudding aan hun oog heb kunnen onttrekken; ik ben over de omwalling gesprongen; twee dagen lang heb ik mij in de struiken verscholen; 's nachts liep ik rond; ik wilde u wederzien. Terwijl de geheele stam met de uitvaart van het opperhoofd bezig was, ben ik die zijde der sterkte, waar de gevangenis staat, gaan verkennen, en heb ik gezien, dat ik bij u zou kunnen komen. Uit een ledige hut heb ik dit mes en dit touw genomen. De bosjes gras, de takken der struiken hebben mij tot ladder gediend; bij toeval heb ik een soort van grot gevonden, in de rots uitgehouwen, waartegen deze hut leunt; ik behoefde slechts eenige voeten in een weeke aarde uit te graven, en nu ben ik hier."

Twintig stomme kussen waren het eenige antwoord, dat Robert krijgen kon.

"Laten wij vertrekken!" zeide hij op vasten toon.

"Is Paganel beneden?" vroeg Glenarvan.

"Mijnheer Paganel?" herhaalde het kind, zeer verrast door die vraag.

"Ja! Wacht hij ons? Hij was immers met u gevlugt?"

"Welneen, mylord! Wat, is mijnheer Paganel niet hier?"

"Hij is hier niet, Robert!" antwoordde Mary Grant.

"Hoe? Hebt gij hem niet gezien?" vroeg Glenarvan. "Hebt gij elkaar niet bij die opschudding aangetroffen? Zijt gij niet zamen ontsnapt?"

"Neen, mylord!" herhaalde Robert, die geheel ter neergeslagen was door het berigt van de verdwijning van Paganel.

"Laten wij vertrekken!" zeide nu de majoor, "wij hebben geen minuut te verliezen. Waar Paganel ook is, hij kan het nergens slechter hebben dan wij hier. Vooruit maar!"

Wel waren de oogenblikken kostbaar. Zij moesten vlugten. De ontsnapping leverde geen andere groote moeijelijkheden op, dan alleen de afdaling langs een bijna loodregten rotsmuur buiten de grot, die omtrent twintig voet hoog was. Vandaar bood de helling een vrij gemakkelijke nederdaling tot den voet des bergs aan. Van dit punt af konden de gevangenen spoedig de lager liggende dalen bereiken, terwijl de Maori's, wanneer zij hun vlugt ontdekten, onbekend als ze waren met het bestaan der galerij tusschen het heilige huis en de buitenste glooijing gegraven, een zeer langen omweg zouden moeten maken om hen te bereiken.

De ontvlugting begon. Alle voorzorgen, die haar welslagen konden verzekeren, werden genomen. De gevangenen kropen achter elkander door de naauwe galerij en kwamen in de grot. Voor John Mangles de hut verliet, ruimde hij al het puin weg en kroop op zijn beurt door de opening, waarop hij de matten van de hut liet vallen. De galerij was dus volkomen verborgen.

Nu moest men den loodregten rotsmuur tot aan de glooijing afdalen, en die nederdaling zou onmogelijk geweest zijn, wanneer Robert het touw van vlas niet had meegebragt.

Het werd afgewonden, aan een uitstekende rotspunt vastgemaakt en naar beneden geworpen.

Voor John Mangles zijn vrienden zich liet toevertrouwen aan die vlasvezels, die ineengedraaid het touw vormden, onderzocht hij het eerst; hij oordeelde, dat het niet bijzonder sterk was; men mogt zich echter niet roekeloos blootstellen, want een val kon doodelijk zijn.

"Dit touw," zeide hij, "kan slechts twee personen te gelijk houden; daar moeten wij ons dus naar regelen. Eerst moeten lord en lady Glenarvan zich laten afglijden; zoodra zij beneden zijn, trekken zij driemaal aan het touw, dat zal voor ons het sein wezen om hen te volgen."

"Ik zal het eerst gaan," zeide Robert. "Ik heb onder aan de glooijing een soort van diep hol ontdekt, waar de eerst afgedaalden zich zullen verbergen om de anderen af te wachten."

"Ga, mijn jongen!" zeide Glenarvan, terwijl hij de hand van den knaap drukte.

Robert verdween door de opening der grot. Een minuut daarna bewezen drie rukken aan het touw, dat de knaap zijne afdaling gelukkig volbragt had.

Terstond waagden Glenarvan en lady Helena zich buiten de grot. Het was nog zeer duister, maar de toppen, die in bet oosten verrezen, werden reeds door eenige graauwe tinten gekleurd.

De snerpende ochtendkoelte bragt de jeugdige vrouw weder bij. Zij gevoelde haar krachten terugkeeren en begon haar gevaarlijke vlugt.

Glenarvan voorop, gevolgd door lady Helena, lieten zich langs het touw afglijden tot op de plek, waar de loodregte rotsmuur zamenkwam met het bovenvlak der schuine zijde. Daarop begon Glenarvan, die zijn vrouw voorging en haar ondersteunde, achteruit af te dalen. Hij zocht naar bosjes gras en struiken, die hem een steunpunt konden opleveren; eerst beproefde hij ze en zette er dan den voet van lady Helena op. Eenige vogels, die in hun rust gestoord werden, vlogen zacht schreeuwend weg, en de vlugtelingen sidderden, wanneer een steen, uit zijn kuil weggestooten, met groot geraas tot beneden aan den berg rolde.

Glenarvan en Lady Helena lieten zich afglijden.

Glenarvan en Lady Helena lieten zich afglijden.
Glenarvan en Lady Helena lieten zich afglijden.

Zij waren omtrent op de helft der schuine zijde, toen zich een stem aan den ingang der grot liet hooren:

"Houdt stil!" fluisterde John Mangles.

Met de eene hand zich vastklemmende aan een bosje struiken met vierhoekige bladeren, met de andere zijn vrouw ondersteunende, wachtte Glenarvan, bijna zonder adem te durven halen.

Wilson had onraad gehoord. Eenig gerucht buiten het heilige huis vernomen hebbende, was hij in de hut teruggekeerd, had de mat opgeligt en naar de Maori's uitgezien. Op een teeken van hem hield John Glenarvan tegen.

Door een vreemd gedruisch verrast, was een der krijgslieden opgestaan en het heilige huis genaderd. Twee schreden van de hut af, bleef hij met gebukten hoofde staan luisteren. Een minuut lang, die wel een uur scheen, bleef hij met gespitst oor en loerend oog in die houding. Daarop schudde hij het hoofd als iemand, die zich vergist heeft, keerde naar zijn makkers terug, nam een armvol dood hout en wierp het op het half uitgegane vuur, welks vlammen weer opflikkerden. Zijn helder verlicht gelaat verried geen bezorgdheid meer, en na de eerste morgenschemering, die den gezigteinder een beetje verhelderde, gadegeslsgen te hebben, ging hij bij het vuur liggen om zijn koude leden te verwarmen.

"Alles gaat goed," zeide Wilson.

John gaf aan Glenarvan een teeken om de afdaling te hervatten.

Glenarvan liet zich zachtjes tot op het vlak glijden, weldra zetten lady Helena en hij den voet op het naauwe pad, waar Robert hen wachtte.

Driemaal trok hij aan het touw, en nu gingen John Mangles met Mary Grant op hun beurt den gevaarvollen togt ondernemen.

Zijn waagstuk gelukte; hij voegde zich bij lord en lady Glenarvan in het door Robert aangewezen gat.

Vijf minuten later waren alle vlugtelingen gelukkig uit het heilige huis ontkomen en verlieten zij hun voorloopige schuilplaats. Met vermijding van de bewoonde oevers van het meer drongen zij langs naauwe paden in het diepst van het gebergte.

Zij liepen stevig door en trachtten alle punten te mijden waar zij soms gezien konden worden. Zij spraken geen woord. Zij slopen als schimmen tusschen de heesters door. Waar gingen zij heen? Op goed geluk af; maar zij waren vrij.

Omstreeks vijf ure brak de dag aan. Blaauwachtige strepen liepen door de hoogdrijvende wolken. De in nevelen gehulde toppen scheidden zich van de morgendampen. Weldra zou de dagvorstin verschijnen, en in plaats van het sein tot de doodstraf te geven, zou die zon integendeel de vlugt der veroordeelden verraden.

Omstreeks vijf ure brak de dag aan.

Omstreeks vijf ure brak de dag aan.
Omstreeks vijf ure brak de dag aan.

Voor dat noodlottig oogenblik moesten dus de vlugtelingen buiten het bereik der wilden zijn om hen zoo ver mogelijk van het spoor te brengen. Maar zij vorderden niet veel; de paden waren te steil. Lady Helena klauterde tegen de helling op, ondersteund, om niet te zeggen gedragen door Glenarvan, en Mary Grant leunde op den arm van John Mangles; gelukkig en zegevierend opende Robert, vol blijdschap over zijn welslagen, den optogt, dien de twee matrozen sloten.

Nog een half uur en de schitterende zon zou de dampen aan den gezigteinder verdrijven.

Een half uur lang liepen de vlugtelingen op goed geluk voort. Paganel was niet bij hen om hun den weg te wijzen,—Paganel, het voorwerp hunner ongerustheid en wiens gemis een donkere schaduw wierp op hun geluk. Inmiddels rigtten zij zich zooveel mogelijk naar het oosten, den aan breken den dageraad te gemoet. Weldra hadden zij een hoogte van vijf honderd voet boven het Taupo-meer bereikt, en de morgenkoelte, door die hoogte nog vermeerderd, hinderde hen. Onduidelijke vormen van heuvels en bergen stapelden zich op elkander; maar Glenarvan wenschte niets liever dan er in rond te dolen. Later zou hij wel zien, hoe hij uit dien bergachtigen doolhof kwam.

Eindelijk brak de zon door en bescheen de vlugtelingen met haar eerste stralen.

Op eens weergalmde een vreeselijk gebrul uit honderd kelen door de lucht. Het kwam uit de vesting, wier juiste ligging Glenarvan niet meer kon bepalen. Bovendien verhinderde hem een digte gordijn van nevelen, die aan zijn voeten hing, om de lage dalen te onderscheiden.

Maar de vlugtelingen konden er niet aan twijfelen, hun vlugt was ontdekt. Zouden zij ontkomen aan de vervolging der inlanders? Waren zij gezien? Zouden hun sporen hen niet verraden?

Juist trok de lage mist op en wikkelde hen voor een poos in een vochtige wolk, en nu bemerkten zij drie honderd voet beneden zich den dweepzieken hoop inlanders.

Zij zagen, maar waren ook gezien. Een nieuw gebrul steeg op, begeleid door hondengeblaf, en de geheele stam stormde, na eerst te vergeefs beproefd te hebben de rots van het heilige huis te beklimmen, den vestingwal uit en ijlde langs de kortste paden de gevangenen na, die aan zijn wraak ontsnapten.

XIV.

De taboe berg.

De top van den berg was nog een honderd voet hooger. De vlugtelingen hadden er belang bij hem te bereiken om zich op de andere helling aan het oog der Maori's te onttrekken. Zij hoopten, dat de een of andere begaanbare kam hen in staat zou stellen de nabijgelegen kruinen te bereiken, die een bergstelsel uitmaakten, waarin de arme Paganel stellig, wanneer hij bij ben geweest was, den weg had weten te vinden.

De bestijging werd dus haastig voortgezet, waartoe het al nader komende dreigende getier genoeg aanspoorde. De vervolgers bereikten den voet des bergs.

"Houdt moed, vrienden! houdt moed!" riep Glenarvan, zijn makkers met stem en gebaren aanmoedigende.

In minder dan vijf minuten stonden zij op den bergtop; daar keerden zij zich om, ten einde hun toestand te overzien en een rigting te nemen, die de Maori's op een dwaalspoor kon brengen.

Van deze hoogte overzagen zij het geheele Taupo meer, dat zich in zijn schilderachtige lijst van bergen westwaarts uitstrekte. Ten noorden, de toppen van den Pirongia; ten zuiden, de rookende krater van den Tongariro. Maar ten oosten stuitte hun blik op den muur van toppen en ruggen, die met de Wahiti-Ranges in verband staat, die groote keten, welker onafgebroken schakels over het geheele noordelijke eiland van de Cooksstraat af tot de Oostkaap toe loopen. Zij moesten dus de andere zijde afdalen en in naauwe passen, misschien zonder uitgangen, doordringen.

Glenarvan sloeg een angstigen blik om zich heen; de zonnestralen hadden de nevels verjaagd, zoodat zijn oog de geringste holten van den grond goed kon onderscheiden. Geen beweging der Maori's kon hem ontgaan.

De inlanders waren geen vijf honderd voet van hem af, toen zij het bergvlak bereikten, waarop de eenzame kegel zich verhief.

Glenarvan mogt geen oogen blik langer stilstaan. Uitgeput of niet, zij moesten vlugten, wilden zij niet omsingeld worden.

"Laten wij afdalen!" riep bij, "voor de weg ons wordt afgesneden!"

Maar toen de arme vrouwen met inspanning van alle krachten weer opgestaan waren, hield Mac Nabbs haar tegen en zeide:

"Het is onnoodig, Glenarvan! Zie maar!"

Werkelijk zagen nu allen, welk een onverklaarbare verandering er in de bewegingen der Maori's was gekomen.

Zij hadden op eens hun vervolging gestaakt. De beklimming van den berg hield op, alsof er een streng tegenbevel gekomen was. De bende inboorlingen was in haar vaart gestuit, en hield stand als de golven der zee voor een onwankelbare rots.

Al die bloeddorstige wilden stonden daar aan den voet des bergs, huilden, zwaaiden met hun armen, geweren en bijlen, maar kwamen geen duim digter. Hun honden, die evenals zij in den grond vastgeworteld schenen, blaften woedend.

Wat was er toch gaande? Welke onzigtbare magt weerhield de inlanders? De vlugtelingen zagen het, maar begrepen het niet, en vreesden, dat de betoovering, die den stam van Kai-Koemoe ketende, verbroken mogt worden.

Daar uitte John Mangles een schreeuw, die zijn makkers deed omzien. Met de hand wees hij hun een gebouw op den top des kegels.

"Het graf van het opperhoofd Kara-Tete!" riep Robert.

"Spreekt gij de waarheid, Robert?" vroeg Glenarvan.

"Ja, mylord! het is zoo waar het graf! ik herken het...."

Robert vergiste zich niet. Vijftig voet hooger op, op de hoogste spits des bergs, vormden pas beschilderde palen een kleine beslotene ruimte. Glenarvan herkende nu ook het graf van het zeelandsche opperhoofd. In zijn blinde vlugt was hij op den top van den Maunganamu gekomen.

Door de zijnen gevolgd beklom nu de lord den geringen afstand, die hem nog van het graf scheidde. Een wijde met matten behangen opening verleende er toegang toe. Glenarvan wilde in het binnenste van de grafstede doordringen, maar deinsde eensklaps verschrikt terug, roepende: "Een wilde!"

"Een wilde in dit graf?" vroeg de majoor.

"Ja, Mac Nabbs!"

"Dat maakt niet uit. Vooruit maar!"

Glenarvan, de majoor, Robert en John Mangles drongen binnen de omheining. Daar zat een Maori, in een grooten linnen mantel gewikkeld; de schaduw der grafstede belette zijn trekken te onderscheiden. Hij hield zich volkomen rustig en ontbeet onbekommerd.

Glenarvan wilde hem aanspreken; maar de inlander was hem voor, en zeide op vriendelijken toon en in goed engelsch:

"Ga toch zitten, mylord! het ontbijt is gereed."

Het was Paganel. Zijn stem hoorende, liepen allen de begraafplaats binnen en omhelsden den uitmuntenden aardrijkskundige. Paganel was teruggevonden! Zijn persoon was een waarborg voor aller redding! Men wilde hem ondervragen, men wilde weten hoe en waarom hij zich op den top van den Maunganamu bevond; maar Glenarvan beteugelde met een enkel woord die ontijdige nieuwsgierigheid.

"Ga toch zitten, mylord!"

"Ga toch zitten, mylord!"
"Ga toch zitten, mylord!"

"De wilden!" zeide hij.

"De wilden!" antwoordde Paganel schouderophalend. "Dat zijn wezens, die ik in den grond van mijn hart veracht."

"Maar kunnen zij niet...."

"Zij! die domme ezels! Komt maar eens mee!"

Allen volgden Paganel, die de grafstede verliet. De Zeelanders stonden nog op dezelfde plaats om den voet des kegels en tierden vreeselijk.

"Schreeuwt! brult! tiert maar, tot uw longen barsten, stomme wezens!" zeide Paganel. "Gij durft dezen berg toch niet beklimmen!"

"En waarom niet?" vroeg Glenarvan.

"Omdat het opperhoofd hier begraven ligt, omdat dit graf ons beschermt, omdat de berg taboe is!"

"Taboe?"

"Ja, vrienden! en daarom ben ik hierheen gevlugt, als in een dier middeneeuwsche wijkplaatsen voor ongelukkigen."

"God is met ons!" riep lsdy Helena met ten hemel geheven handen.

De berg was werkelijk taboe, en daarom durfden de bijgeloovige wilden hem niet bestijgen.

De vlugtelingen waren nog wel niet gered; maar het was toch een gewenscht uitstel, waarmee zij hun voordeel konden doen.

Glenarvan sprak, aan een onbeschrijfelijke aandoening ten prooi, geen enkel woord, en de majoor schudde met een regt vergenoegd gezigt het hoofd.

"En nu, mijne vrienden!" zeide Paganel, "wanneer die vlegels op ons rekenen om hun geduld te oefenen, vergissen zij zich. Binnen twee dagen zijn wij buiten het bereik dier schoften."

"Wij zullen vlugten!" zeide Glenarvan. "Maar hoe?" "ik weet er nog niets van," antwoordde Paganel; "maar wij vlugten toch!"

Nu wilde ieder de lotgevallen van den aardrijkskundige vernemen. Zeer vreemd en zonderling was de achterhoudendheid van dien zoo praatzieken man, men moest hem om zoo te zeggen de woorden uit de keel halen. Hij, die anders zoo graag vertelde, antwoordde nu ontwijkend op al de vragen zijner vrienden.

"Men heeft mijn Paganel veranderd!" dacht Mac Nabbs.

En werkelijk was het voorkomen van den waardigen geleerde niet meer hetzelfde. Hij draaide zich stevig in zijn ruimen linnen mantel, en scheen de al te nieuwsgierige blikken te ontwijken. Zijn verlegenheid, wanneer er over hem gesproken werd, ontging niemand, maar uit bescheidenheid deed een ieder, alsof hij het niet opmerkte. Zoodra hij maar niet meer zelf op het tapijt was, kreeg Paganel ook zijn gewone opgeruimdheid terug.

Zie hier wat hij goedvond aan zijn makkers van zijn lotgevallen te vertellen, toen allen om hem heen zaten aan den voet der palen van het grafgesticht.

Na den moord van Kara-Tete maakte Paganel evenals Robert van de opschudding onder de inlanders gebruik en verdween buiten het paalwerk der sterkte. Maar minder gelukkig dan de jonge Grant, kwam hij regtstreeks te land in een legerplaats van Maori's. Daar voerde een opperhoofd van een schoone gestalte en een schrander voorkomen, die verre uitstak boven al de krijgslieden van zijn stam, het bevel. Dat opperhoofd sprak zuiver engelsch en heette hem welkom door het tipje van zijn neus te schuren tegen den neus van den aardrijkskundige.

Paganel vroeg bij zich zelven of hij zich als een gevangene moest beschouwen of niet. Maar ziende, dat hij geen stap doen kon zonder het beleefde geleide van het opperhoofd, wist hij weldra, waaraan hij zich te houden had.

Dat opperhoofd, "Hihy," dat wil zeggen "zonnestraal," genoemd, was geen kwaad man. De bril en kijker van Paganel schenen hem een hooge dunk van den aardrijkskundige te geven, en hij verbond hem naauw aan zich, niet alleen door zijn weldaden, maar ook met stevige touwen, vooral 's nachts.

Die nieuwe toestand duurde drie volle dagen. Werd Paganel gedurende dat tijdsverloop goed of slecht behandeld? "Ja en neen," zeide hij, zonder zich er verder over uit te laten. Kortom, hij was een gevangen man, en op het uitzigt na van een spoedigen dood, scheen zijn toestand hem niet veel benijdenswaardiger toe dan die zijner rampzalige vrienden.

Gelukkig slaagde hij er zekeren nacht in om zijn touwen te doorknagen en te vlugten. Hij had van verre de begrafenis van het opperhoofd bijgewoond, hij wist, dat men hem op den top van den Maunganamu had ter aarde besteld, en dat de berg daardoor taboe werd. Daarheen besloot hij nu te vlugten, want hij wilde het land niet verlaten, waar zijn reisgenooten blijven moesten. Hij slaagde in zijn gevaarvolle onderneming. Den vorigen nacht had hij het graf van Kara-Tete bereikt, en wachtte nu, "terwijl zijn krachten terugkeerden," tot de hemel door eenig toeval zijn vrienden bevrijdde.

Zoo luidde Paganels verhaal. Sloeg hij met opzet een omstandigheid van zijn verblijf onder de inlanders over? Meer dan eens gaf zijn verlegenheid aanleiding om het te denken. Hoe het ook zij, allen wenschten hem eenparig geluk, en toen het verledene bekend was, keerde men tot het tegenwoordige terug.

De toestand was nog altijd hoogst bedenkelijk. Wanneer de inlanders zich niet verstoutten om den Maunganamu te beklimmen, dan rekenden zij er toch stellig op, dat honger en dorst hun gevangenen weer in hun magt zouden brengen. Het was dus maar een zaak van tijd, en de wilden hebben een taai geduld.

Glenarvan ontveinsde zich de bezwaren van zijn toestand niet; maar hij besloot gunstiger omstandigheden af te wachten en ze des noods te voorschijn te roepen.

Vooreerst wilde Glenarvan zorgvuldig den Maunganamu onderzoeken, dat is te zeggen zijn ongedachte sterkte, niet om ze te verdedigen, want er was geen beleg te vreezen, maar om ze te verlaten. De majoor, John, Robert, Paganel en hij onderzochten den berg in alle bijzonderheden; zij namen de rigting der paden, waar zij op uitliepen en hun helling goed op. De een mijl lange bergrug, die den Maunganamu verbond met de Wahiti-keten, liep zacht glooijend naar de vlakte af. De eenige bruikbare weg, ingeval een ontsnapping mogelijk was, liep over zijn smallen en grillig gevormden kam. Konden de vlugtelingen er, door de duisternis van den nacht begunstigd, ongezien overkomen, misschien zou het hun dan gelukken de naauwe dalen der Ranges te bereiken en hun vervolgers van het spoor te brengen.

Maar die weg was met meer dan één gevaar verbonden. Op zijn laagste gedeelte liep hij onder het bereik van het geweervuur. De kogels der aan de uitloopers geplaatste inlanders konden elkander kruisen en een ijzeren net spannen, waar niemand straffeloos door kon.

Toen Glenarvan en zijn vrienden zich op het gevaarlijke gedeelte van den kam hadden gewaagd, werden zij met een hagelbui van kogels begroet, die hen echter niet deerden. Eenige proppen werden door den wind vlak bij hen gedreven Zij waren van bedrukt papier gemaakt, dat Paganel louter uit nieuwsgierigheid opraapte en niet zonder moeite ontcijferde.

"Mooi zoo!" riep hij uit. "Weet gij wel, vrienden! welke proppen die beesten voor hun geweren gebruiken?"

"Neen, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Bladen uit den Bijbel! Wanneer zij die gewijde verzen daarvoor gebruiken, beklaag ik hun zendelingen! Dan zullen dezen nog al wat moeite hebben om bibliotheken onder de Maori's aan te leggen."

"En met welk gedeelte der heilige boeken hebben die inlanders ons wel beschoten?" vroeg Glenarvan.

"Met een woord van den almagtigen God," antwoordde John Mangles, die op zijn beurt het door de losbranding beschadigde papier gelezen had. "Dat woord zegt ons, dat wij op Hem moeten hopen," voegde de jeugdige kapitein er bij, met de onwankelbare geloofsovertuiging van een Schot.

"Lees, John!" beval Glenarvan.

En John las dit vers, dat het ontplofte kruid had gespaard:

"Omdat hij op Mij heeft gehoopt, zal hem verlossen."

"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wij moeten die troostrijke woorden overbrengen aan onze wakkere en lieve medereizigsters. Dat zal haar een riem onder het hart steken."

Glenarvan en zijn makkers bestegen weder de steile paden van den kegel, en begaven zich naar het graf, dat zij wilden onderzoeken.

Onderweg verwonderde het hen, dat zij van tijd tot tijd een zekere beving van den grond waarnamen. Het was geen schudding, maar die aanhoudende trilling, welke het bonzen van kokend water tegen de wanden van een ketel teweegbrengt. Het was duidelijk, dat onder het deksel van den berg sterke dampen, door de werking van het onderaardsche vuur ontstaan, opeengepakt waren.

Die bijzonderheid had niets vreemds voor lieden, die pas tusschen de warme bronnen der Waikato waren doorgevaren. Zij wisten, dat deze streek in het midden van Ika-Na-Maoeï zeer vulkanisch is. Het is een echte zeef, wier weefsel de in de aarde besloten dampen laat ontwijken door de kokende bronnen en de zwavelgroeven.

Paganel, die dit reeds had opgemerkt, vestigde dus de aandacht zijner vrienden op den vulkanischen aard van den berg. De Maunganamu was maar een van die talrijke kegels, die het middelste gedeelte van het eiland bedekken, dat is te zeggen een aanstaande vulkaan. De geringste werktuigelijke verrigting kon de vorming van een krater veroorzaken in zijn uit kiezelachtigen graauwen tufsteen bestaande wanden.

"Dat is zoo," zeide Glenarvan; "maar wij loopen hier toch niet meer gevaar dan bij den stoomketel der Duncan. Deze aardkorst is beter dan het stevigste plaatijzer!"

"Dat mag waar zijn," antwoordde de majoor; "maar de beste stoomketel springt toch eindelijk, wanneer hij te lang wordt gebruikt."

"Ik verlang volstrekt niet op dezen kegel te blijven, Mac Nabbs!" sprak Paganel. "Zoodra de Hemel mij een bruikbaren weg toont, verlaat ik hem oogenblikkelijk."

"Ach!" riep nu John Mangles, "kon deze Maunganamu zelf ons maar meevoeren, die toch zooveel werktuigelijke kracht in zich besluit. Daar onder onze voeten huist misschien een nuttelooze en ongebruikte kracht van vele millioenen paarden! Onze Duncan zou het duizendste deel er van niet noodig hebben om ons naar het einde der wereld te voeren!"

Die herinnering aan de Duncan, door John Mangles opgewekt, vervulde Glenarvans gemoed weder met de droevigste gedachten; want, hoe wanhopend zijn eigen toestand ook was, toch vergat hij dien nog menigmaal om over het lot zijner matrozen te zuchten.

Hij dacht nog daaraan, toen hij zijn deelgenooten in bet ongeluk op den top van den Maunganamu terugvond.

Zoodra lady Helena hem bemerkte, liep zij naar hem toe.

"Hebt gij onzen toestand opgenomen, lieve Edward?" vroeg zij. "Moeten wij hopen of vreezen?"

"Hopen, lieve Helena!" antwoordde Glenarvan. "De inlanders zullen nooit de grens van den berg overschrijden, en het zal ons niet aan tijd ontbreken om een plan tot ontsnapping te vormen."

"Bovendien, mevrouw!" voegde John Mangles er bij, "beveelt God zelf ons aan om te hopen."

John Mangles overhandigde lady Helena dat bijbelblad, waarop het gewijde vers te lezen stond. De jonge vrouw en het jeugdige meisje zagen met haar vertrouwend gemoed en haar voor elke tusschenkomst des hemels geopend hart, een onfeilbaar voorteeken van redding in deze woorden van het heilige boek.

"En nu naar het grafgesticht!" riep Paganel vrolijk uit; "dat is onze vesting, ons kasteel, onze eetzaal, ons studeervertrek! Niemand zal ons daar storen! Dames! veroorlooft mij de eer van deze lieve woning bij u op te houden."

Allen volgden den vriendelijken Paganel. Toen de wilden zagen, dat de vlugtelingen andermaal dat taboe verklaarde graf gingen ontheiligen, losten zij talrijke schoten en huilden vreeselijk, het een even luidruchtig als het andere. Maar zeer gelukkig droegen de kogels niet zoo ver als het geschreeuw, en vielen ze halverwege neer, terwijl de verwenschingen in de ruimte wegstierven.

Lady Helena, Mary Grant en hun togtgenooten, gingen, geheel gerust gesteld nu zij zagen, dat het bijgeloof der Maori's nog sterker was dan hun toorn, de begraafplaats binnen.

Het graf van dat zeelandsch opperhoofd bestond uit een omheining van roodgeverwde palen. Zinnebeeldige voorstellingen, een ware tatoeëering in hout, vermeldden den adel en de groote daden des overledenen. Kransen van amuletten, schelpen of geslepen steentjes slingerden van den eenen paal tot den anderen. Van binnen was de grond geheel bedekt met een tapijt van groene bladeren. In het middelpunt wees een geringe verhevenheid de plaats aan van het pas gedolven graf.

Daar lagen de wapenen van het opperhoofd, zijn geladen geweren, zijn lans, zijn prachtige bijl van groenen niersteen, met een voldoenden voorraad kruid en kogels voor de eeuwige jagten.

"Dat lijkt wel een heel tuighuis," zeide Paganel, "waarvan wij een beter gebruik zullen maken dan de overledene. Het is wel goed verzonnen van die wilden om hun wapens naar de andere wereld mede te nemen!"

"Kijk! die geweren zijn van engelsch maaksel!" zeide de majoor.

"Zonder twijfel!" antwoordde Glenarvan; "maar het is een zeer dwaze gewoonte om den wilden vuurwapens te schenken! Zij bedienen zich er later maar van tegen de overheerschers en zij hebben gelijk. Maar hoe dit ook zij, die geweren kunnen ons te pas komen!"

"Maar nog nuttiger," zeide Paganel, "zullen voor ons de levensmiddelen en het water zijn, die voor Kara-Tete bestemd zijn."

De bloedverwanten en vrienden des overledenen hadden hun zaakjes wezenlijk goed verrigt. De bijeengebragte voorraad bewees, hoeveel achting zij koesterden voor de deugden van het opperhoofd. Er was genoeg eten om tien personen veertien dagen lang, of liever den overledene voor de eeuwigheid te voeden. Die plantaardige spijzen bestonden uit wortels van varens, zoete pataten, de "convolvulus batatas" van dat land, en uit aardappels, die de Europeanen reeds voor lang hadden ingevoerd. Groote vaten waren gevuld met het zuivere water, dat op de tafels der Zeelanders voorkomt, en een dozijn kunstig gevlochten manden bevatten koekjes van een volkomen onbekende groene gomsoort.

De vlugtelingen waren dus voor eenige dagen tegen honger en dorst gevrijwaard. Zij lieten zich volstrekt niet noodigen om hun eerste maal te doen op kosten van het opperhoofd.

Glenarvan haalde de spijzen, die zijn medgezellen noodig hadden, en vertrouwde ze aan de zorg van Olbinett. De streng aan vormen gehechte hofmeester, hetgeen hij zelfs in de bedenkelijkste omstandigheden bleef, vond den disch wel wat schraal. Ook wist hij niet, hoe hij die wortels gereed moest maken, te meer omdat hij geen vuur had.

Maar Paganel redde hem uit die verlegenheid, door hem aan te raden om zijn varens en zoete pataten heel eenvoudig in den grond te stoppen.

De warmtegraad der bovenste lagen was inderdaad zeer hoog, en had men een thermometer in dien bodem gestoken, dan zou hij zeker een warmte van zestig tot vijf en zestig graden Celsius aangewezen hebben. Het scheelde maar weinig of Olbinett had zich deerlijk gebrand; want terwijl hij een gat groef om zijn wortels er in te leggen, kwam er een zuil waterdamp uit, die fluitend eenige voeten hoog steeg.

De hofmeester viel van den schrik achterover.

"Sluit de kraan!" riep de majoor, die met de twee matrozen toesnelde en het gat dempte met brokken puimsteen, terwijl Paganel met een verbaasd gezigt naar dat verschijnsel stond te kijken en deze woorden mompelde:

De hofmeester viel van den schrik achterover.

De hofmeester viel van den schrik achterover.
De hofmeester viel van den schrik achterover.

"Ei! ei! hé! hé! waarom niet."

"Gij zijt toch niet bezeerd?" vroeg Mac Nabbs aan Olbinett.

"Neen, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de hofmeester; "maar ik verwachtte geenszins...."

"Zooveel weldaden van den hemel!" riep Paganel opgeruimd uit. "Na het water en de levensmiddelen van Kara-Tete nog het vuur van de aarde! Maar deze berg is een paradijs! Ik stel voor, hier een kolonie te stichten, hem te bebouwen, ons voor het overige onzes levens hier neer te zetten! Wij zullen de Robinsons van den Maunganamu zijn! Ik zou waarlijk niet weten, wat ons op dezen geriefelijken kegel ontbreekt!"

"Niets, als hij maar stevig is!" antwoordde John Mangles.

"Dat zal wel gaan! hij is niet van gisteren," zeide Paganel; "reeds lang weerstaat hij de kracht van het inwendige vuur en hij zal het wel uithouden, zoolang wij hier zijn."

"Het ontbijt is gereed!" kondigde Olbinett aan, even statig, alsof hij zijn betrekking waarnam op het kasteel Malcolm.

Nu gebruikten de vlugtelingen, bij het paalwerk gezeten, een van die maaltijden, welke de Voorzienigheid hun sinds eenigen tijd zoo juist van pas zond, wanneer zij zich in gevaarlijke omstandigheden bevonden.

Men was niet keurig aangaande de soort van spijzen; maar betreffende den wortel van eetbare varens liepen de gevoelens uiteen. Sommigen vonden er een zoeten en aangenamen geur aan, anderen noemden hem slijmerig, geheel smakeloos en bijzonder taai. De zoete pataten, in den brandenden bodem gebraden, waren uitstekend. De aardrijkskundige merkte op, dat Kara-Tete volstrekt niet te beklagen was.

Zoodra de honger gestild was, stelde Glenarvan voor om zonder uitstel een plan tot ontvlugting te beramen.

"Nu reeds!" zeide Paganel op een waarlijk spijtigen toon. "Denkt gij er nu reeds aan om dit lustoord te verlaten?"

"Maar, mijnheer Paganel!" antwoordde lady Helena, "al geef ik toe, dat wij te Capua zijn, dan moeten wij toch Hannibal niet navolgen, dat weet gij ook wel!"

"Mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik zal mij niet verstouten u tegen te spreken; gij wilt een plan beramen, het zij zoo!"

"Ik stel op den voorgrond," zeide Glenarvan, "dat wij een ontvlugting moeten beproeven, voor de hongersnood ons er toe dwingt. Aan krachten ontbreekt het ons thans niet, en daarvan moeten wij gebruik maken. Dezen nacht nog moeten wij beproeven om door de duisternis begunstigd door de inboorlingen heen te breken en de oostelijke valleijen te bereiken."

"Onverbeterlijk!" antwoordde Paganel, "als de Maori's ons voorbij laten."

"En wanneer zij het ons beletten?" vroeg John Mangles.

"Dan zullen wij groote middelen aanwenden," antwoordde Paganel.

"Hebt gij dan groote middelen?" vroeg de majoor.

"Zooveel, dat ik niet weet, wat ik het eerst gebruiken zal!" gaf Paganel ten antwoord, zonder zich nader uit te laten.

Men moest dus den nacht afwachten om een poging te wagen om door de linie der inlanders te boren.

Dezen hadden hun plaats niet verlaten. Hun gelederen schenen zelfs door de achterblijvers van den stam versterkt te zijn. Hier en daar vormden brandende vuren een gordel van gloed om den voet des kegels. Toen de duisternis op de omliggende valleijen nederdaalde, scheen de Maunganamu boven een vuurzee uit te steken, terwijl zijn top in pikzwarte duisternis was gehuld. Zes honderd voet beneden zich hoorde men het rumoer, het geschreeuw en gepraat in de vijandelijke legerplaats.

Ten negen ure was het stikdonker en nu besloten Glenarvan en John Mangles op verkenning uit te gaan, voor zij hun makkers op dien gevaarlijken weg bragten. Zij daalden omtrent tien minuten lang zonder geraas te maken naar beneden, en kwamen op den smallen bergrug, die de linie van inlanders sneed, vijftig voet boven de legerplaats.

Tot zoo ver ging alles goed. De Maori's lagen bij hun vuren en schenen de twee vlugtelingen niet te bemerken, die nog eenige schreden deden. Maar op eens barstte er links en regts van den bergrug een dubbel geweervuur los.

"Terug!" riep Glenarvan. "Die roovers hebben kattenoogen en scherpschuttersgeweren!"

John Mangles en hij beklommen haastig weder de steile berghellingen en gingen spoedig hun vrienden gerust stellen, die reeds bang geworden waren door het vuren. Glenarvans hoed was door twee kogels doorboord. Het was dus onmogelijk zich op den eindeloozen bergrug te wagen tusschen die twee rijen schutters in.

"Tot morgen!" zeide Paganel. "Kunnen wij de waakzaamheid dier inlanders niet verschalken, dan zult gij mij wel veroorloven hun een geregt van mijn vinding toe te dienen!"

Het was nog al koud. Gelukkig had Kara-Tete zijn beste slaaprokken, warme linnen dekens, in zijn graf medegenomen, waarin allen zich zonder schroom wikkelden, en weldra sliepen de vlugtelingen, door het volksbijgeloof beschermd, rustig achter de palen, op dien laauwen bodem, die door het vuur, dat inwendig blaakte, in een trillende beweging gehouden werd.

XV.

De groote middelen ven Paganel.

Den volgenden morgen, den 17den Februarij, wekte de opgaande zon met haar eerste stralen de slapers op den Maunganamu. Reeds lang liepen de Maori's aan den voet van den kegel op en neer, zonder hun post te verlaten. Zoodra de Europeanen uit het ontwijde heiligdom kwamen, werd hun verschijning met woedend getier begroet.

Aller oog vestigde zich het allereerst op de omliggende bergen, op de diepe, nog in de ochtendnevelen gehulde dalen, op de oppervlakte van het Taupo-meer, die ligt gerimpeld werd door den morgenwind.

Daarop schaarden zich allen, begeerig om de nieuwe plannen van Paganel te kennen, om hem heen en zagen hem vragend aan.

Paganel voldeed terstond aan de angstige nieuwsgierigheid zijner lotgenooten.

"Mijne vrienden!" begon hij, "mijn plan heeft dit voor, dat, al heeft het niet al de uitwerking, die ik er van verwacht, zelfs al mislukt het, onze toestand er toch niet door verergert. Maar het moet, het zal slagen."

"En dat plan?" vroeg Mac Nabbs.

"Is dit," antwoordde Paganel. "Even als het volksbijgeloof van dezen berg een toevlugtsoord heeft gemaakt, moet het bijgeloof ons ook helpen om er vandaan te komen. Gelukt het mij, Kai-Koemoe te doen gelooven, dat wij de offers onzer heiligschennis geworden zijn, dat de toorn des hemels ons heeft getroffen, met één woord, dat wij, en wel op een verschrikkelijke wijze omgekomen zijn, gelooft gij dan, dat hij het bergvlak van den Maunganamu verlaten zal om naar zijn dorp terug te keeren?"

"Dat is niet twijfelachtig," zeide Glenarvan.

"En met welken verschrikkelijken dood bedreigt gij ons?" vroeg lady Helena.

"Met den dood der heiligschenners, vrienden!" antwoordde Paganel. "De wrekende vlammen zijn onder onze voeten! Laten wij haar een doortogt banen!"

"Wat! wilt gij een vuurspuwenden berg maken?" riep John Mangles.

"Ja, een kunst-vulkaan, een eigengemaakten vulkaan, wiens woede wij zullen beheerschen! Daar is een geheele voorraad dampen en onderaardsch vuur, die niets liever verlangen, dan er uit te raken! Laten wij dus ten onzen behoeve een kunstmatige uitbarsting teweegbrengen!"

"Het denkbeeld is goed," zeide de majoor. "Goed bedacht, Paganel!"

"Gij begrijpt," hernam de aardrijkskundige, "dat wij veinzen zullen verslonden te zijn door de vlammen van den zeelandschen Pluto, en dat wij geestelijk verdwijnen zullen in het graf van Kara-Tete...."

"Waar wij drie, vier, vijf dagen zullen blijven, als het moet," voegde Glenarvan er bij, "dat is tot dat de wilden, overtuigd van onzen dood, de partij zullen opgeven."

"Maar als zij het nu eens in het hoofd krijgen om onderzoek te doen naar onze straf," zeide miss Grant, "als zij den berg eens bestijgen?"

"Neen, lieve Mary!" antwoordde Paganel, "dat zullen zij niet doen. De berg is taboe, en wanneer hij zelf zijn ontwijders verslonden heeft, zal dat taboe nog strenger zijn!"

"Dat plan is waarlijk goed beraamd," zeide Glenarvan. "Er is maar een ding tegen, namelijk dat de wilden soms nog zoolang aan den voet van den Maunganamu kunnen blijven, dat wij gebrek aan levensmiddelen krijgen. Maar dat is niet te denken, vooral wanneer wij de zaak goed aanleggen."

"En wanneer zullen wij deze laatste kans wagen?" vroeg lady Helena.

"Dezen avond nog," antwoordde Paganel, "zoodra het goed donker is."

"Dat is afgepraat," sprak Mac Nabbs. "Paganel! gij zijt een man van vernuft, en ik, die niet ligt opgewonden raak, ik sta voor den uitslag in. Ha! die schoften! wij zullen hen op een klein wonder onthalen, dat hun bekeering wel een eeuw zal achteruit zetten! Mogen de zendelingen het ons vergeven!"

Het plan van Paganel was dus aangenomen, en inderdaad, met de bijgeloovige denkbeelden der Maori's kon en moest het slagen. Maar het moest nog uitgevoerd worden. Het denkbeeld was goed, maar de uitvoering moeijelijk. Zou die vulkaan niet de vermetelen verslinden, die een krater voor hem wilden graven? Zouden zij die uitbarsting kunnen beheerschen en leiden, wanneer zijn dampen, vlammen en lava van hun boeijen ontslagen werden? Zou de geheele kegel niet wegzinken in een poel van vuur? Het was toch een greep in die verschijnsels, waarover de natuur het beheer uitsluitend aan zich houdt.

Paganel had die bezwaren voorzien, maar hij zou voorzigtig te werk gaan en de zaak niet tot het uiterste drijven. Een schijn was genoeg om de Maori's te misleiden; de vreeselijke werkelijkheid eener uitbarsting was daartoe onnoodig.

Wat scheen die dag lang! Elk telde de eindelooze uren. Alles was voor de vlugt gereed. De levensmiddelen uit het graf waren verdeeld en in draagbare pakjes geborgen. Eenige matten en de vuurwapenen voltooiden die ligte bagaadje, welke het graf van het opperhoofd opgeleverd had. Het spreekt van zelf, dat die toebereidselen gemaakt werden binnen het paalwerk en buiten weten van de wilden.

Ten zes ure zette de hofmeester een versterkend maal op. Waar en wanneer men in de nabijliggende dalen eten zou, kon niemand voorzien. Daarom at men vooruit. De hoofdschotel bestond uit een half dozijn groote ratten, die door Wilson gevangen en in de asch gebraden waren. Lady Helena en Mary Grant weigerden stellig om dit in Nieuw-Zeeland zoo hooggeschatte wild te proeven; maar de mannen smulden er aan als echte Maori's. Dat vleesch was wezenlijk uitstekend, zelfs sappig en de zes knaagdieren werden tot op de beentjes afgekloven.

De avondschemering daalde neer. De zon verdween achter een digte laag wolken, die een onweder voorspelden. Eenige bliksemstralen verlichtten den gezigteinder, en in de verte rommelde reeds de donder.

Paganel begroette verheugd het onweder, dat zijn plannen begunstigde en de inrigting van het tooneel voltooide. De wilden zijn bijgeloovig beangst voor die grootsche natuurverschijnselen. De Nieuw-Zeelanders houden den donder voor de toornige stem van hun Noeï-Atoea, en de bliksem is niets anders dan de toornige flikkering zijner oogen. Het zou dus schijnen, als kwam de godheid zelve de ontheiligen van het taboe kastijden.

Ten acht ure verdween de top van den Maunganamu in een akelig duister. De hemel verschafte een zwarten achtergrond voor het schijnsel der vlammen, dat de hand van Paganel er op zou werpen.

De Maori's konden hun gevangenen niet meer zien. Het oogenblik van handelen was gekomen.

Er moest snel gehandeld worden. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs, Robert, de hofmeester en de twee matrozen gingen gelijktijdig aan het werk.

De plaats voor den krater werd gekozen op dertig schreden afstands van het graf van Kara-Tete. Het was namelijk hoog noodig, dat de uitbarsting de grafstede spaarde; want met haar zou ook het taboe van den berg verdwenen zijn. Paganel had op die plek een ontzettenden steenklomp opgemerkt, rondom welken de dampen met eenige kracht omhoog stegen. Die klomp bedekte een kleinen natuurlijken krater in den kegel, en hield alleen door zijn zwaarte de uitstrooming der onderaardsche vlammen tegen. Kon men hem uit het gat tillen, dan zouden de dampen en de lava zich terstond door de bevrijde opening heen werken.

De werklieden gebruikten eenige palen binnen uit het graf als hefboomen en tastten met alle kracht de rotsmassa aan. Onder hun vereenigde pogingen raakte het rotsblok weldra in beweging. Zij groeven er een soort van kleine loopgraaf voor op de helling des berg, opdat het langs dit hellend vlak kon afrollen. Naar mate het hooger werd opgetild, werd het schudden en beven van den bodem sterker.

De werklieden gebruikten eenige palen als hefboomen.

De werklieden gebruikten eenige palen als hefboomen.
De werklieden gebruikten eenige palen als hefboomen.

Een dof gebrul van vlammen en sissende dampen liep onder de verdunde korst voort. De stoute werklieden, die als echte cyclopen met het vuur der aarde omgingen, werkten in alle stilte voort. Weldra waarschuwden hen stralen brandend heete stoom, die uit de spleten en scheuren opsteeg, dat de plek gevaarlijk werd. Maar een laatste poging verplaatste het blok, dat langs de berghelling gleed en verdween.

Dadelijk bezweek de dunne korst. Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts, terwijl beken kokend water en lava naar de legerplaats der inlanders en de lager liggende dalen vloeiden.

Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts.

Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts.
Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts.

De geheele kegel beefde, en het stond geschapen als zou hij in een bodemloozen afgrond wegzinken.

Glenarvan en zijn medgezellen hadden naauwelijks den tijd om zich aan het geweld der uitbarsting te onttrekken; zij vlugtten in het binnenste van het graf, maar niet zonder eenige droppels water van vier en negentig graden hitte op het lijf te hebben gekregen. Dit water verspreidde eerst een ligten bouillongeur, die weldra in een zeer sterke zwavellucht overging.

Nu smolten het slijk, de lava en de vulkanische overblijfselen in denzelfden vuurgloed samen. Stroomen vuur golfden langs den Maunganamu. De naaste bergen werden verlicht door het schijnsel der uitbarsting, de diepe dalen door een sterke weerkaatsing in vuur en vlam gezet.

Al de wilden waren huilend opgestaan bij de nadering dier lava, die in het midden van hun legerplaats kookte. Wien de vuurstroom gespaard had, vlugtte en besteeg de omliggende heuvelen. Daar keerden zij zich verschrikt om en beschouwden dat vreeselijk natuurverschijnsel, dien vulkaan, waarin de toorn van hun god de ontheiligers van den gewijden berg neerplofte. En wanneer voor een oogenblik het geraas der uitbarsting wat verminderde, hoorde men hen hun godsdienstleuze brullen:

"Taboe! taboe! taboe!"

Ondertusschen ontsnapte er een ontzettende hoeveelheid dampen, gloeijende steenen en lava uit dien krater van den Maunganamu. Het was niet langer een eenvoudige Geyser, zooals die, welke den berg Hekla op IJsland omringen, maar de berg Hekla zelf. Al die vulkanische stoom was tot nog toe besloten gebleven binnen de wanden des kegels, omdat de veiligheidskleppen van den Tongariro voldoende waren voor zijn uitzetting; maar nu hem een nieuwe uitweg geopend werd, maakte hij er met groot geweld gebruik van, en in dienzelfden nacht moesten de andere uitbarstingen op het eiland volgens de wetten van het evenwigt haar gewone kracht verliezen.

Een uur na de verschijning van dezen vulkaan op het wereldtooneel stroomden breede beken gloeijende lava langs zijn zijden. Men zag een geheel legioen ratten haar onbewoonbaar geworden gaten verlaten en den brandenden bodem ontvlugten.

Dien geheelen nacht door, terwijl het onweder boven hun hoofd bleef voortwoeden, werkte de kegel met een kracht, die Glenarvan wel een beetje ongerust maakte. De uitbarsting knaagde aan den rand des kraters en maakte dien wijder. Achter de omheining verborgen sloegen de gevangenen de verschrikkelijke vorderingen van het natuurverschijnsel gade.

Het werd morgen. De woede des vulkaans bedaarde niet. Digte geelachtige dampen vermengden zich met de vlammen. Allerwegen kronkelden de lavastroomen.

Met loerend oog en kloppend hart zag Glenarvan door al de reten van het paalwerk heen om de legerplaats der inlanders waar te nemen.

De Maori's waren op de omliggende hoogten gevlugt buiten het bereik van den vulkaan. Het vuur had eenige lijken verkoold, die aan den voet des kegels lagen. Verderop in de rigting der vesting had de lava een twintigtal hutten bereikt, die nog rookten. De Zeelanders stonden hier en daar in groepen bijeen en staarden met godsdienstige ontzetting op den in vuur en vlammen gehulden Maunganamu.

Kai-Koemoe verscheen in het midden zijner krijgslieden en Glenarvan herkende hem. Het opperhoofd naderde den voet des kegels aan de zijde, die de lava ontzien had, maar waagde het niet er een voet op te zetten.

Daar maakte hij met uitgespreide armen, als een toovenaar die den duivel bezweert, eenige godsdienstige gebaren, wier beteekenis den gevangenen niet ontging. Zooals Paganel had voorzien, slingerde Kai-Koemoe een nog strenger taboe naar den wrekenden berg.

Kort daarop gingen de inlanders in lange rijen de kronkelpaden af, die naar de vesting geleidden.

"Zij vertrekken!" riep Glenarvan. "Zij verlaten hun post! God zij geloofd! Onze list is gelukt! Lieve Helena! wakkere medgezellen! nu zijn wij dood en begraven! Maar dezen avond, zoodra het donker is, zullen wij herleven, wij zullen uit ons graf opstaan, wij zullen deze barbaarsche stammen ontvlugten!"

Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen, welk een vreugde er in het grafgesticht heerschte. De hoop was in aller hart herleefd. Die moedige reizigers vergaten het verledene, vergaten de toekomst, om alleen aan het tegenwoordige te denken. Nu Kai-Koemoe maar op een dwaalweg gebragt was, meende men reeds bevrijd te zijn van al de wilden van Nieuw-Zeeland.

De majoor verborg in geenen deele de diepe verachting, welke die Maori's hem inboezemden, en het ontbrak hem niet aan uitdrukkingen om ze aan de kaak te stellen. Het was een wedstrijd tusschen Paganel en hem. Zij scholden hen uit voor onvergefelijke stommerikken, domme ezels, de idioten der Stille Zuidzee, de wilden van Bedlam, de kropzieken der Tegenvoeters, enz. enz. Zij waren onuitputtelijk.

Een geheele dag moest er nog verloopen voor de eigenlijke ontvlugting. Men besteedde hem om een plan voor de vlugt te beramen. Paganel had zorgvuldig zijn kaart van Nieuw-Zeeland bewaard, en kon er nu de veiligste wegen op zoeken.

Na eenig overleg besloten de vlugtelingen zich oostwaarts naar de Plenty-baai te begeven. De weg daarheen leidde door onbekende, maar waarschijnlijk onbewoonde streken. De reizigers, die reeds gewoon waren zich te redden uit de bezwaren en de hinderpalen te overwinnen, die de natuur hun in den weg legde, waren alleen beducht voor een ontmoeting met de Maori's. Zij wilden hen dus geheel vermijden en de oostkust des eilands bereiken, waar de zendelingen eenige posten hebben gesticht. Ook was dit gedeelte des eilands nog vrij gebleven van de rampen des ooriogs en de inlandsche benden liepen het land niet af.

Den afstand, die het meer Taupo scheidde van de Plenty-baai, kon men op honderd mijlen schatten. Dat waren tien dagmarschen, tegen tien mijlen per dag. Dat zou wel vermoeijend zijn; maar niet een van dat moedige gezelschap telde zijn stappen. Eens in de zendingsposten, zouden de reizigers daar uitrusten tot zich een gunstige gelegenheid opdeed om naar Auckland te gaan; want die stad was nog altijd het doel hunner reis.

Toen dat alles was bepaald, ging men tot den avond toe voort met de inlanders in het oog te houden. Geen een was er meer aan den voet des bergs gebleven, en toen de duisternis in de Taupo-dalen viel, gaf geen enkel vuur meer een bewijs, dat er nog Maori's waren aan den voet van den kegel. De weg was vrij.

Ten negen ure was het pikdonker en gaf Glenarvan het sein om te vertrekken. Gewapend en uitgerust op kosten van Kara-Tete, begonnen zijn makkers en hij voorzigtig de hellingen van den Maunganamu af te dalen. John Mangles en Wilson gingen vooruit om den weg te verkennen. Zij stonden bij het geringste geraas stil, onderzochten de oorzaak van ieder lichtschijnsel.

Allen lieten zich om zoo te zeggen langs de glooijing van den berg afzakken om beter onzigtbaar te zijn.

Twee honderd voet boven den grond bereikten John Mangles en de matroos den gevaarlijken bergrug, dien de inlanders zoo hardnekkig verdedigd hadden. Hadden bij ongeluk de Maori's, slimmer dan de vlugtelingen, een loozen terugtogt aangenomen om hen tot zich te lokken, waren zij niet bedrogen geworden door het vulkanisch verschijnsel, dan moest hun tegenwoordigheid juist op deze plaats blijken. Ondanks zijn vertrouwen en in weerwil van de scherts van Paganel kon Glenarvan een siddering niet onderdrukken. De redding der zijnen stond op het spel gedurende de tien minuten, die noodig waren om den bergrug over te trekken. Hij voelde het hart van lady Helena kloppen, die zich krampachtig aan zijn arm klemde.

Hij dacht er echter evenmin aan als John om terug te wijken. De jeugdige kapitein kroop door allen gevolgd en door de duisternis van den nacht beschermd, over den smallen bergrug, en hield telkens stil, wanneer een losse steen tot op den grond rolde. Lagen de wilden hier nog in hinderlaag, dan moest dat telkens herhaalde gedruisch van beide zijden een geduchte losbranding ten gevolge hebben.

De vlugtelingen vorderden natuurlijk niet snel, nu zij als een slang over dien schuinen kam voort kropen. Toen John Mangles het laagste punt had bereikt, scheidden hem naauwelijks vijf en twintig voet van het bergvlak, waar de inlanders den vorigen dag gelegerd waren, daarop rees de kam op eens vrij steil en eindigde een kwart mijl verder in een kreupelhout.

Dit lage gedeelte werd echter zonder ongelukken doorgetrokken, en de gevangenen begonnen weder zwijgend te stijgen. Het boschje was onzigtbaar, maar men wist, dat het daar lag, en wanneer er geen hinderlaag in gelegd was, hoopte Glenarvan er veilig te zijn. Echter maakte hij de opmerking, dat hij van dat oogenblik af niet langer beveiligd was door het taboe. De stijgende bergrug behoorde niet tot den Maunganamu, maar wel tot het bergstelsel, dat het oostelijk gedeelte van het Taupo-meer bedekte. Dus was hier niet alleen het geweervuur der inboorlingen, maar ook een aanval man tegen man te vreezen.

Nog tien minuten lang steeg het kleine gezelschap langs een zachte glooijing naar de hooger liggende bergvlakten. John bespeurde het sombere kreupelbosch nog niet, maar hij kon er geen twee honderd voet meer van af zijn.

Op eens hield hij stil, ja deinsde bijna achteruit. Het kwam hem voor, als hoorde hij eenig gedruisch in de schaduw. Zijn aarzeling deed al zijn makkers hun togt staken.

Hij bleef roerloos staan en zoo lang, dat het degenen, die hem volgden, ongerust maakte. Men wachtte. De angst, waarin zij verkeerden, is onbeschrijfelijk. Zouden zij verpligt zijn achteruit te gaan en naar den top van den Maunganamu terug te keeren?

Maar toen John eindelijk zag, dat bet geraas zich niet herhaalde, begon hij weder den engen weg naar den kam te bestijgen.

Weldra werd bet kreupelbosch flaauw zigtbaar in de schaduw. In weinige schreden bereikten zij het, en de vlugtelingen verscholen zich onder het digt gebladerte.

XVI.

Tusschen twee vuren.

De nacht begunstigde de ontsnapping der vlugtelingen. Daarvan moest men gebruik maken om de noodlottige omstreken van het Taupo-meer te verlaten. Paganel nam het bestuur over het kleine gezelschap op zich, en zijn buitengewoon reizigers-instinct openbaarde zich op nieuw op dien moeijelijken zwerftogt door de bergen. Hij ging met verrassend beleid in de duisternis te werk, koos zonder aarzelen de bijna onzigtbare paden, en hield steeds zonder eenige afwijking dezelfde rigting. Zijn nachtziendheid kwam hem hierbij uitmuntend te stade, en zijn kattenoogen stelden hem in staat om de geringste voorwerpen in die duisternis te onderscheiden.

Drie uren lang liepen zij rusteloos voort over de zeer lange hellingen van de oostzijde van het gebergte. Paganel hield een weinig zuidoostelijk af om een naauwen weg te bereiken, die tusschen de Kaimanawa- en Wahiti-Ranges is aangelegd, waar de weg van Auckland naar de Hawkes-baai overheen loopt. Zoodra die engte achter den rug was, had hij plan den weg te verlaten, en onder beschutting van de hooge ketens naar de kust te gaan door de onbewoonde streken der provincie.

's Morgens ten negen ure waren zij na een marsch van twaalf uren evenveel mijlen ver gekomen. Men mogt niet meer van de moedige vrouwen vergen. Bovendien scheen de plaats zeer geschikt om er eenigen tijd stil te houden. De vlugtelingen hadden den pas bereikt, die de twee ketens scheidt. De weg naar Oberland lag regts en liep naar het zuiden. Met de kaart in de hand maakte Paganel een hoek naar het zuidoosten en ten tien ure bereikte het kleine gezelschap een soort van steilen heuvel, die door een uitstekende punt van den berg gevormd werd.

De levensmiddelen werden uit de zakken gehaald en met smaak genuttigd. Mary Grant en de majoor, die voorheen geen trek hadden in de eetbare varens, smulden er nu aan.

Tot 's namiddags twee ure bleef men daar rusten, toen sloeg men den weg naar het oosten weder in en 's avonds hielden de reizigers acht mijlen van de bergen af stil. Zij lieten zich niet lang noodigen om onder den blooten hemel te gaan slapen.

's Anderendaags leverde de weg nog al groote moeijelijkheden op. Zij moesten de merkwaardige streek der vulkanische meren, geysers en zwavelgroeven doortrekken, die zich ten oosten van de Wahiti-Ranges uitstrekt. De oogen verlustigden zich vrij wat meer dan de beenen. Om de kwartmijl moest men omwegen maken, trof men hinderpalen en hoeken aan, alles zeer vermoeijend natuurlijk; maar ook welk een vreemd schouwspel! Welk een eindelooze verscheidenheid heerschte er in die grootsche natuurtooneelen!

Op die uitgestrekte ruimte van twintig vierkante mijlen openbaarden zich de onderaardsche krachten onder allerlei gedaante. Zeer doorschijnende zoutbronnen, door millioenen insecten bevolkt, lagen tusschen het kreupelhout van inlandsche theestruiken. Zij verspreidden een doordringende lucht als van verbrand kruid, en bedekten den grond met een korst, zoo verblindend wit als sneeuw. Haar heldere wateren waren bijna tot kookhitte gebragt, terwijl andere naburige bronnen met ijs waren bedekt. Reusachtige varens, die veel overeenkomst hadden met den plantengroei in het silurische tijdperk, groeiden aan haar oevers.

Zeer doorschijnende zoutbronnen.

Zeer doorschijnende zoutbronnen.
Zeer doorschijnende zoutbronnen.

Van alle kanten spoten waterschoven, door dampen omringd, uit den grond als de waterstralen van een park, sommigen onafgebroken, anderen met tusschenpoozen en onderworpen aan de willekeur van een grilligen Pluto. Zij rezen amphitheatersgewijze omhoog op natuurlijke terrassen, die als nieuwerwetsche bekkens boven elkander geplaatst waren; haar water vermengde zich langzamerhand onder wolken witten rook, en knagende aan de half doorschijnende treden dier reusachtige trappen, voedden zij geheele meren met haar bruischende watervallen.

Wat verder volgden op de warme bronnen en de onstuimige geysers de zwavelgroeven. De grond scheen geheel bezet met dikke puisten. Het waren half uitgebrande kraters, met tallooze scheuren en spleten, waaruit allerlei gassoorten opstegen. De dampkring was doortrokken met de sterke en onaangename lucht van het zwavelzuur. De grond was geheel bedekt met korsten zwavel en zwavelkristallen. Daar werden sedert eeuwen onberekenbare en ongebruikte rijkdommen opgehoopt, en in dit nog weinig bekende deel van Nieuw-Zeeland zal de nijverheid de noodige grondstoffen komen halen, indien de zwavelgroeven van Sicilië eens uitgeput mogten raken.

Men begrijpt ligt, wat al vermoeienissen de reizigers moesten uitstaan op hun togt door zulke lastige streken. Het was moeijelijk een geschikte legerplaats te vinden, en de karabijn der jagers ontmoette geen enkelen vogel, die waardig was door de hand van Olbinett geplukt te worden. Meestal moesten zij zich daarom vergenoegen met varens en zoete pataten, een schralen maaltijd, die de uitgeputte krachten van het kleine gezelschap niet kon herstellen. Glenarvan verlangde daarom hartelijk naar het einde van die dorre en woeste gronden.

En toch waren er niet minder dan vier dagen noodig om die onbereisbare streek door te trekken. Eerst den 23sten Februarij mogt Glenarvan vijftig mijlen van den Maunganamu af zich legeren aan den voet van een berg zonder naam, die naauwkeurig aangeteekend stond op de kaart van Paganel. De met struiken begroeide vlakten lagen voor hem en aan den gezigteinder vertoonden zich weer groote bosschen.

Dat was een goed voorteeken, althans wanneer de bewoonbaarheid dier streken er niet te veel inwoners heenlokte. Tot nog toe hadden de reizigers geen schaduw van een inlander gezien.

Dien zelfden dag doodden Mac Nabbs en Robert eenige kiwi's, die den hoofdschotel uitmaakten op de tafel der reizigers; maar die eer duurde, om de waarheid te zeggen, niet lang, want zij werden van den bek af tot de pooten toe opgekloven.

Bij het dessert, tusschen de zoete pataten en de aardappels in, deed Paganel een voorstel, dat met geestdrift werd aangenomen.

Hij stelde voor den naam Glenarvan te geven aan dien onbenoemden berg, die ter hoogte van drieduizend voet zijn kruin in de wolken verschool, en teekende zorgvuldig den naam van den schotschen lord op zijn kaart aan.

Het zou overbodig zijn lang stil te staan bij de vrij eentoonige en onbeduidende voorvallen, die het overige van de reis kenmerkten. Op dezen togt van de meren naar de Stille Zuidzee hadden maar twee of drie feiten van eenig belang plaats.

Den ganschen dag liep de weg door bosschen en over vlakten. John rigtte zich naar de zon en de sterren. De hemel was goedertieren genoeg hun geen warmte of regen toe te zenden. Niettemin gevoelden die reeds zoo wreed beproefde reizigers een steeds toenemende vermoeidheid, die hen reikhalzend naar de zendingsposten deed uitzien.

Toch praatten en redeneerden zij nog; maar het gesprek was niet langer algemeen. Het kleine gezelschap scheidde zich in groepen, wier leden echter niet door innige vriendschap, maar meer door een gelijkheid van denkbeelden tot elkander aangetrokken werden.

Meestal liep Glenarvan alleen. Hoe digter hij bij de kust kwam, des te meer dacht hij aan de Duncan en haar bemanning. Hij vergat de gevaren, die hem nog tot Auckland toe bedreigden, om aan zijn vermoorde matrozen te denken. Dat vreeselijk beeld zweefde hem steeds voor oogen.

Over Harry Grant werd niet meer gesproken. Wat zou het ook gebaat hebben? Men kon toch niets voor hem ondernemen. De naam van den kapitein kwam alleen nog maar voor in de gesprekken tusschen diens dochter en John Mangles.

John had Mary niet herinnerd aan hetgeen het jonge meisje hem had gezegd in dien laatsten nacht in het graf. Hij was te bescheiden om een woord, dat in zulk een ernstig en wanhopig oogenblik uitgesproken was, als verbindend te beschouwen.

Wanneer hij over Harry Grant sprak, maakte John nog plannen voor latere nasporingen. Hij verzekerde Mary dat lord Glenarvan die mislukte onderneming zou hervatten. Hij ging uit van de stelling, dat de echtheid van het document niet betwijfeld kon worden. Dus leefde Harry Grant nog ergens. Dus moest men hem terugvinden, al zou men ook de geheele wereld doorzoeken. Mary was verrukt over die woorden, en door dezelfde gedachten verbonden, gaven John en zij zich nu over aan dezelfde hoop. Dikwijls mengde lady Helena zich in hun gesprek; maar zij vleide zich niet met zooveel hersenschimmen, en wachtte zich toch wel de jonge lieden tot de treurige werkelijkheid terug te voeren.

Inmiddels jaagden Mac Nabbs, Robert, Wilson en Mulrady, zonder zich te ver van het kleine gezelschap te verwijderen, en ieder hunner verschafte zijn aandeel aan het wild. Steeds in zijn linnen mantel gewikkeld, hield Paganel zich zwijgend en nadenkend ter zijde.

En toch—het doet ons genoegen het te mogen zeggen—ondanks die natuurwet, volgens welke in beproevingen, gevaren, vermoeienissen en ontberingen de beste karakters ontstemd en verbitterd worden, waren al die ongelukkigen eensgezind en verknocht gebleven, en gereed om zich voor elkander op te offeren.

Den 25sten Februarij werd de weg versperd door een rivier, die volgens de kaart van Paganel de Waikari zijn moest. Zij kon doorwaad worden.

Twee dagen lang volgden de met struiken begroeide vlakten elkander onafgebroken op. De helft van den afstand, die het Taupo-meer van de kust scheidt, was zonder ongeval, doch niet zonder vermoeidheid afgelegd.

Nu vertoonden zich ontzaggelijke en eindelooze bosschen, die veel geleken op de australische bosschen; maar hier vervingen de kauri's de gomboomen. Hoewel hun bewondering reeds menigmaal was opgewekt op hun viermaandelijksche reis, stonden Glenarvan en zijn makkers toch verbaasd op het gezigt dier reusachtige pijnboomen, de waardige mededingers der ceders van den Libanon, en der mammouth-boomen van Californië. Die kauri's begonnen hun takken eerst honderd voet boven den grond uit te spreiden. Er stonden maar weinige bij elkander, en het bosch bestond niet uit boomen, maar uit ontelbare groepjes boomen, die hun zonnescherm van groene bladeren twee honderd voet hoog in de lucht opzetten.

Eenige dier pijnboomen waren nog jong, naauwelijks een eeuw oud, en geleken op de roode dennen der europeesche landen. Zij droegen een somberen kroon, die in een spitsen kegel eindigde. De oudste daarentegen, die wel vijf of zes eeuwen telden, vormden onmetelijke tenten van groen, ondersteund door de onontwarbare menigte takken. Die aartsvaders van het zeelandsche bosch hadden wel vijftig voet in omtrek, en de vereenigde armen van al de reizigers konden hun reusachtigen stam nog niet omvademen.

Drie dagen lang trok bet kleine gezelschap voort onder die zaamgevlochten takken en over een kleiachtigen bodem, dien de voet des menschen nog nooit had betreden. Dat kon men wel zien aan de stapels harsachtige gom, die op vele plaatsen aan den voet der kauri's opgehoopt lagen, en die voor vele jaren kon voorzien in den uitvoerhandel der inlanders.

De jagers vonden de kiwi's, die zoo zelden voorkomen in de streken, welke de inlanders bezoeken, hier in talrijke troepen bijeen. In die ontoegankelijke wouden zijn die vreemde vogels gevlugt, toen de zeelandsche honden hen verjaagd hadden. Zij leverden een overvloedig en gezond voedsel op de tafel der reizigers.

Paganel had zelfs het voorregt in de verte in een digt boschje een paar reusachtige vogels te ontdekken. Zijn instinct van natuurkundige werd in hem wakker. Hij riep zijn makkers, en hoe vermoeid zij ook waren, toch zetten de majoor, Robert en hij die dieren achterna.

Men zal de brandende nieuwsgierigheid van den aardrijkskundige begrijpen, wanneer men weet, dat hij die vogels herkende of althans meende te herkennen voor "moa's," behoorende tot de soort der "dinormi's," die verscheidene geleerden onder de uitgestorven soorten rangschikken. Deze ontmoeting nu bevestigde de meening van den heer Von Hochstetter aangaande het tegenwoordig bestaan dier vleugelloose reuzen van Nieuw-Zeeland.

Die moa's, welke Paganel vervolgde, de tijdgenooten der megatheriums en pterodactylussen, waren zeker achttien voet hoog. Het waren onmatig groote en lafhartige struisvogels; want zij vlugtten met verbazende snelheid. Geen kogel kon hen in hun vaart stuiten. Nadat die jagt eenige minuten had geduurd, verdwenen die onbereikbare moa's achter de groote boomen, en de jagers hadden hun kruid verspild en zich nog duchtig vermoeid op den koop toe.

Dien avond, den 1sten Maart, verlieten Glenarvan en zijn makkers eindelijk het ontzaggelijke kauri-bosch, en legerden zich aan den voet van den Ikirangi, wiens top zich vijf duizend vijf honderd voet hoog verheft.

Nu waren er van den Maunganamu af ruim honderd mijlen afgelegd, en de kust was nog dertig mijlen verder. John Mangles had gehoopt die reis in tien dagen te doen; maar hij was toen nog onbekend met de bezwaren, welke die landstreek opleverde.

De omwegen en hinderpalen op den weg, de gebrekkige berekeningen, hadden hem eigenlijk een vijfde langer gemaakt, en ongelukkig waren de reizigers, toen zij aan den Ikirangi kwamen, geheel krachteloos.

Nog twee goede dagmarschen waren noodig om de kust te bereiken, en een nieuwe werkzaamheid, een buitengewone waakzaamheid werden thans vereischt; want men kwam nu in een streek, die de inlanders druk bezochten.

Elk verzette zich dus tegen de vermoeidheid en den volgenden dag vertrok het kleine gezelschap weder met zonsopgang.

Tusschen den Ikirangi regts en den Hardy links, wiens top zich verhief ter hoogte van drie duizend zeven honderd voet, werd de reis hoogst moeijelijk. Daar bevond zich over een lengte van tien mijlen een vlakte, digt begroeid met "supple jacks," een soort van buigzame banden, teregt "smorende slingerplanten" genoemd. Bij iedere schrede raakten armen en beenen er in verward, en als echte slangen kronkelden die slingerplanten zich in allerlei bogten om het ligchaam. Twee dagen lang moest men met de bijl in de hand voortgaan en tegen die hydra met honderd duizend hoofden worstelen, die lastige en vasthoudende planten, welke Paganel gaarne onder de dierplanten had gerangschikt.

In die vlakten werd de jagt een onmogelijkheid en de jagers bragten niet langer hun gewone schatting. De levensmiddelen raakten op, men kon geen andere krijgen; er was gebrek aan water, men kon den dorst niet stillen, die nog vergroot werd door de vermoeienis.

Nu werd het lijden van Glenarvan en de zijnen verschrikkelijk, en voor het eerst dreigde hun geestkracht te bezwijken.

Eindelijk bereikten zij niet loopende, maar kruipende, ligchamen zonder ziel, die alleen nog op de been gehouden werden door de zucht tot levensbehoud, die elk ander gevoel overleefde, kaap Lottin, op de kust der Stille Zuidzee.

Hier stonden eenige ledige hutten, de puinhoopen van een dorp, dat de oorlog pas vernield had, verlatene velden, overal de sporen van plundering en brand. Daar bereidde het noodlot den ongelukkigen reizigers nog een laatste en verschrikkelijke beproeving.

Zij zwierven langs de kust, toen er een mijl landwaarts in een afdeeling inlanders opdaagde, die met hun wapens zwaaijende naar hen toekwamen. Glenarvan, die tusschen hen en de zee instond, kon niet vlugten, en zijn laatste krachten bijeenrapende maakte hij zich tot den strijd gereed, toen John Mangles uitriep:

"Een boot! een boot!"

Twintig schreden van hen af lag werkelijk een praauw met zes riemen op het strand. Haar vlot te maken, er in te springen en dien gevaarlijken oever te ontwijken was het werk van een oogenblik. John Mangles, Mac Nabbs, Wilson en Mulrady grepen de riemen, Glenarvan het roer, de twee vrouwen, Olbinett, Robert en Paganel namen bij hem plaats.

In tien minuten was de praauw een kwart mijl in zee. Het water was effen. De vlugtelingen bewaarden een diep stilzwijgen.

John, die zich niet te ver van de kust wilde verwijderen, zou juist bevel geven om langs het strand te houden, toen zijn riem op eens in zijn handen bleef rusten.

Hij had drie praauwen in het oog gekregen, die van kaap Lottin afstaken, duidelijk met plan om jagt op hem te maken.

"In zee! in zee!" riep hij, "liever verdrinken wij in de golven!"

Door haar vier roeijers voortbewogen koos de praauw weer zee. Een half uur lang kon ze vooruit blijven; maar de ongelukkigen, wier krachten uitgeput waren, begonnen weldra te verzwakken, en de drie praauwen wonnen het merkbaar van hen. Thans waren ze nog maar een paar mijlen van hen af. Het was dus onmogelijk den aanval der inlanders te ontgaan, die zich reeds gereedmaakten om hun lange geweren af te vuren.

Wat deed Glenarvan intusschen? Achterin de boot staande, zocht hij aan den gezigteinder eenige ingebeelde hulp. Wat wachtte hij? Wat wilde hij? Had hij soms een voorgevoel?

Eensklaps schitterde zijn oog en wees hij met de hand naar een punt in de ruimte.

"Een schip!" riep hij, "vrienden! een schip! roeit, roeit stevig door!"

Niet een der vier roeijers keerde zich om, ten einde dat onverwachte schip te zien; want men mogt geen riemslag verzuimen. Paganel alleen rees op en rigtte zijn kijker op het aangeduide pont.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings