JULES VERNE. (continued 4)
Reading edition
"Ja!" zeide hij, "een schip! een stoomschip! het stoomt met volle kracht! het komt op ons af! houdt moed, wakkere kameraden!"
De vlugtelingen spanden nog eens hun krachten in, en nog een half uur lang bleven zij voor en stuwden de praauw met verdubbelde slagen voort. Het stoomschip werd allengs duidelijker zigtbaar. Men onderscheidde de twee kale masten en de dikke zwarte rookwolken. Glenarvan gaf het roer aan Robert over, greep den kijker van den aardrijkskundige en ging al de bewegingen van het vaartuig na.
Maar wat moesten John Mangles en de anderen wel denken, toen zij het voorhoofd van den lord zagen betrekken, zijn gelaat verbleeken, en het werktuig uit zijn handen vallen! Een enkel woord verklaarde hun die plotselinge wanhoop.
"De Duncan!" riep Glenarvan, "de Duncan en de roovers!"
"De Duncan! riep John, die zijn riem losliet en terstond opstond.
"Ja! de dood aan beide zijden!" mompelde Glenarvan, door zooveel angst verbrijzeld.
Het was werkelijk het jagt. Men kon zich er niet in vergissen, het jagt met zijn bemanning van roovers! De majoor kon een verwensching tegen den hemel niet bedwingen. Het was al te veel!
Intusschen was de praauw aan zichzelve overgelaten. Waarheen ze te sturen? Waarheen te vlugten? Was er nog een keuze mogelijk tusschen de wilden en de roovers?
Daar werd een schot gelost uit de meest nabijzijnde inlandsche praauw en de kogel trof den riem van Wilson. Eenige riemslagen bragten nu de praauw wat digter bij de Duncan.
Het jagt stoomde met volle kracht en was maar een halve mijl ver. Van alle zijden afgesneden, wist John Mangles niet meer wat te doen, in welke rigting te vlugten. De beide arme vrouwen lagen in haar radeloosheid op de knieën te bidden.
De wilden onderhielden een onafgebroken geweervuur en de kogels regenden om de praauw heen. Daar donderde op eens een zwaar schot, en een kogel, uit het kanon van het jagt afgevuurd, vloog over het hoofd der vlugtelingen. Tusschen twee vuren in bleven ze nu onbewegelijk liggen tusschen de Duncan en de bootjes der inboorlingen.
Krankzinnig van wanhoop greep John Mangles zijn bijl! Hij wilde de praauw in den grond hakken en met zijn lotgenooten doen zinken, toen een kreet van Robert hem tegenhield.
"Tom Austin! Tom Austin!" riep de knaap. "Hij is aan boord! Ik zie hem! Hij heeft ons herkend! Hij wuift met zijn hoed!"
John liet den arm, die de bijl voerde, zakken.
Een tweede kogel ging fluitend over hen heen en boorde de digstbij zijnde der drie praauwen in den grond, terwijl er een hoera! op de Duncan opging.
Een kogel boorde de praauw in den grond.

De verschrikte wilden vlugtten naar de kust.
"Help! help, Tom!" had John Mangles met luider stem geroepen.
En eenige oogenblikken later waren de tien vlugtelingen, zonder te weten hoe, zonder er iets van te begrijpen, allen in veiligheid aan boord van de Duncan.
XVII.
Waarom de Duncan op de oostkust van Nieuw-Zeeland kruiste.
Wij wagen het niet de gewaarwordingen te schetsen van Glenarvan en zijn vrienden, toen de zangen van Oud-Schotland in hun oor klonken. Zoodra zij den voet zetteden op het dek der Duncan, hief de pijper op zijn doedelzak het volkslied van den stam van Malcolm aan en werd de terugkomst van den lord op zijn schip met een daverend hoera! begroet.
De terugkomst aan boord van de Duncan.

Glenarvan, John Mangles, Paganel, Robert, ja zelfs de majoor, allen weenden, allen omhelsden elkander. Dat was een vreugde, die tot dronkenschap steeg. De aardrijkskundige was volslagen gek; hij maakte allerlei kromme sprongen en legde met zijn onafscheidelijken kijker op de laatste praauwen aan, die reeds digt bij de kust waren.
Maar toen de bemanning van het jagt bespeurde, hoe Glenarvan en zijn reisgenooten in lompen waren gehuld, hoe ingevallen hun kaken waren, hoe het lijden op hun gelaat te lezen stond, kwam er een einde aan de uitbarsting van vreugde. Het waren spoken die aan boord terugkwamen, en niet die stoute en nette reizigers, die voor drie maanden vol blijde hoop het spoor der schipbreukelingen waren gaan zoeken. Het toeval, louter het toeval bragt hen terug op dat schip, dat zij in het geheel niet verwacht hadden weer te zien! En in welk een treurigen, uitgeteerden en zwakken toestand!
Maar alvorens aan de vermoeijenis, aan de dringende eischen van honger en dorst te denken, ondervroeg Glenarvan Tom Austin naar de oorzaak van zijn oponthoud in die wateren.
Waarom was de Duncan op de oostkust van Nieuw-Zeeland? Hoe kwam het, dat ze niet in handen van Ben Joyce was? Door welke wonderdadige tusschenkomst had God ze den vlugtelingen te gemoet gezonden?
Waarom? Hoe? Met welk voornemen? Daarmede begonnen al de vragen, die in éénen adem tot Tom Austin werden gerigt. De oude zeeman wist niet, naar wien hij het eerst zou luisteren. Hij besloot dus om alleen naar lord Glenarvan te hooren en hem alleen te antwoorden.
"Maar de gedeporteerden?" vroeg Glenarvan, "wat hebt gij met de gedeporteerden gedaan?"
"De gedeporteerden?..." herhaalde Tom Austin op den toon van iemand, die niets van een vraag begrijpt.
"Ja! de schurken, die het jagt hebben aangetast?"
"Gij zult toch moeten bekennen, Paganel! dat het wat al te kras zou zijn!"
"Wat blieft?" vroeg de aardrijkskundige, die, zooals hij daar stond met krommen rug en den bril in de hoogte geschoven, veel had van een reusachtig vraagteeken.
Austin kwam terug. Hij hield den brief in de hand, dien Paganel geschreven en Glenarvan geteekend had.
"Lees, Uwe Edelheid!" zeide de oude zeeman.
Glenarvan greep den brief en las:
"Bevel aan Tom Austin om onmiddellijk zee te kiezen en de Duncan op 87 graden breedte naar de oostkust van Nieuw-Zeeland te brengen!..."
"Nieuw-Zeeland!" riep Paganel opspringende.
En hij rukte den brief uit de hand van Glenarvan, wreef zich de oogen uit, zette den bril goed op den neus, en las zelf.
"Nieuw-Zeeland!" sprak bij op jammerenden toon, terwijl de brief uit zijn vingers glipte.
Daar voelde hij, dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij rigtte zich overeind en zag den majoor voor zich staan.
"Het is waarlijk gelukkig, beste Paganel!" zeide Mac Nabbs met een ernstig gezigt, "dat gij de Duncan niet naar Cochinchina gezonden hebt!"
Die scherts bragt den armen aardrijkskundige geheel van zijn stuk. Een algemeene lachbui overviel de geheele bemanning van het jagt. Paganel liep als krankzinnig heen en weer met het hoofd tusschen de handen en rukte zich de haren uit. Hij wist niet meer, wat hij deed, evenmin wat hij wilde doen! Hij liep werktuigelijk den trap van de kampanje af, hij waggelde over het dek, liep doelloos voort, en klom weer op de voorplecht. Daar raakten zijn voeten verward in een opgerold kabeltouw. Hij struikelde. Hij sloeg de hand uit en greep een touw.
Eensklaps had er een vreeselijke losbranding plaats. Het kanon op de voorplecht ging af en de geheele lading schroot vloog over de rustige golven. De onhandige Paganel had de treklijn van het nog geladen stuk gegrepen en het kruid doen ontploften. Dat was de oorzaak van dien donderslag. De aardrijkskundige sloeg achterover van den trap en verdween door de luikklap in het tusschendek.
De verbazing, door het schot teweeggebragt, maakte plaats voor schrik. Men geloofde aan een ongeluk. Tien matrozen snelden naar het tusschendek en bragten Paganel boven, die geheel in elkaar was gezakt. De aardrijkskundige sprak niet meer.
Dat lange ligchaam werd op de kampanje nedergelegd. De makkers van den wakkeren Franschman waren wanhopend. De majoor, die als het pas gaf ook dokter was, wilde den ongelukkigen Paganel ontkleeden om zijn wonden te verbinden; maar naauwelijks raakte hij den zieltogende aan, of deze rees overeind, alsof hij in aanraking met een electrische klos was gebragt.
"Nooit! nooit!" riep hij uit; en terwijl hij de lompen van zijn kleeren om zijn mager ligchaam sloeg, knoopte hij ze met bijzondere drift vast.
"Nooit! nooit!" riep Paganel uit.

"Maar, Paganel!" zeide de majoor.
"Neen! zeg ik u!"
"Ik moet toch eens zien...."
"Gij zult niet zien!"
"Misschien hebt gij iets gebroken...." hernam Mac Nabbs.
"Ja!" antwoordde Paganel, die op zijn lange beenen overeind ging staan, "maar wat ik gebroken heb, zal de timmerman wel maken!"
"Wat dan?"
"Den stut van het tusschendek, die in mijn val gebroken is!"
Op dit antwoord begon het lagchen op nieuw. Dit gezegde had al de vrienden van den waardigen Paganel gerust gesteld, die heelhuids was afgekomen van zijn ontmoeting met het kanon op de voorplecht.
"Die aardrijkskundige," dacht de majoor, "is in allen gevalle bijzonder schaamachtig uitgevallen."
Echter moest Paganel, toen hij wat van den schrik bekomen was, nog een vraag beantwoorden, die hij niet ontwijken kon.
"Antwoord nu eens opregt, Paganel!" sprak Glenarvan. "Ik erken, dat uw verstrooidheid door God beschikt is: zonder u was voorzeker de Duncan in de handen der roovers gevallen, zonder u hadden de Maori's ons weer gevangen genomen! Maar zeg mij toch om Gods wil! door welke vreemde verbinding van denkbeelden, door welke bovennatuurlijke verstandsverbijstering zijt gij er toch toe gekomen om den naam Nieuw-Zeeland te schrijven voor dien van Australië?"
"Wel, voor den drommel!" riep Paganel, "omdat...."
Maar tegelijk ontmoette zijn oog Robert en Mary Grant en bij bleef steken; daarna ging hij voort:
"Wat zal ik zeggen, waarde Glenarvan! ik ben een zinnelooze, een gek, een onverbeterlijk schepsel, en ik zal sterven in de huid van den beruchtsten verstrooide...."
"Als gij ten minste niet gevild wordt!" voerde de majoor er bij.
"Mij villen!" riep de aardrijkskundige met een vuurrood gezigt. "Wat bedoelt gij daarmee?..."
"Wat zou ik er mee bedoelen, Paganel?" vroeg Mac Nabbs even bedaard als altijd.
Het voorval had geen verdere gevolgen. Het geheim van de tegenwoordigheid der Duncan was opgehelderd; de zoo wonderdadig geredde reizigers waren nu op niets anders bedacht dan hun geriefelijke scheepshutten op te zoeken en te ontbijten.
Inmiddels hielden Glenarvan en John Mangles terwijl lady Helena en Mary Grant, de majoor, Paganel en Robert de kampanje ingingen, Tom Austin bij zich. Zij wilden hem nog nader ondervragen.
"Antwoord nu eens, oude Tom!" zeide Glenarvan. "Hebt gij dat bevel om op de kust van Nieuw-Zeeland te gaan kruisen niet heel vreemd gevonden?"
"Zeker, Uwe Edelheid!" antwoordde Austin, "ik stond er raar van te kijken; maar ik ben niet gewoon de bevelen, die ik krijg, te bepraten, en heb dus gehoorzaamd. Kon ik anders handelen? Zou het niet mijne schuld geweest zijn, wanneer er een ongeluk had plaats gehad, omdat ik uw last niet letterlijk had opgevolgd? Zoudt gij anders gehandeld hebben, kapitein?"
"Neen, Tom!" antwoordde John Mangles.
"Maar wat hebt gij wel gedacht?" vroeg Glenarvan.
"Ik heb gedacht, Uwe Edelheid! dat het belang van Harry Grant vorderde te gaan, waar gij mij heen zondt. Ik heb gedacht, dat ingevolge een wijziging in uw reisplan een schip u naar Nieuw-Zeeland brengen zou, en dat ik u op de oostkust des eilands moest afwachten. Bij mijn vertrek uit Melbourne heb ik mijn bestemming geheim gehouden, en de bemanning heeft ze eerst vernomen, toen wij in volle zee waren en de australische kust reeds uit het oog hadden verloren. Maar toen is er aan boord iets voorgevallen, dat mij veel angst veroorzaakte."
"Wat bedoelt gij, Tom?" vroeg Glenarvan.
"Ik bedoel," antwoordde Tom Austin, "dat, toen de bootsman Ayrton, daags nadat wij in zee gestoken waren, de bestemming der Duncan vernam...."
"Ayrton!" riep Glenarvau. "Is hij dan aan boord?"
"Ja, Uwe Edelheid!"
"Ayrton hier!" herhaalde Glenarvan, terwijl hij John Mangles aanzag.
"God heeft het zoo gewild!" antwoordde de jonge kapitein.
Bliksemsnel ging nu in een oogenblik het gedrag van Ayrton, zijn lang voorbereid verraad, de wond van Glenarvan, de moord van Mulrady, de rampen van het reisgezelschap in de moerassen der Sneeuwrivier achtergelaten, al het verledene van dien schurk voorbij het oog dier twee mannen. En nu was de roover, door een allerzonderlingsten samenloop van omstandigheden, in hun magt.
"Waar is hij?" vroeg Glenarvan driftig.
"In een hut in het vooronder," antwoordde Tom Austin, "waar hij streng bewaakt wordt."
"Wat beduidt die gevangenzetting?"
"Omdat Ayrton, toen hij zag, dat het jagt naar Nieuw-Zeeland stevende, woedend werd; omdat hij mij wilde dwingen den koers van het vaartuig te veranderen; omdat hij mij gedreigd heeft; eindelijk, omdat hij het scheepsvolk tot oproer aanzette. Ik heb begrepen, dat hij een gevaarlijke kerel was, en dat ik voorzorgsmaatregelen tegen hem nemen moest."
"En sedert dien tijd?"
"Sedert dien tijd is hij in zijn hut gebleven, zonder pogingen te doen om er uit te komen."
"Goed, Tom!"
Nu werden Glenarvan en John Mangles in de kampanje geroepen. Het ontbijt, waaraan zij zulk een behoefte hadden, stond gereed. Zij zetten zich in de longroom aan tafel en spraken niet over Ayrton.
Maar toen de maaltijd afgeloopen was en de gasten verkwikt en hersteld op het dek bijeen waren, vertelde Glenarvan hun, dat de bootsman aan boord was. Tevens deelde hij hun mede, dat hij voornemens was hem voor hen te doen verschijnen.
"Zou ik niet bij dat verhoor gemist kunnen worden?" vroeg lady Helena. "Ik beken, lieve Edward! dat het gezigt van dien ongelukkige zeer pijnlijk voor mij zou wezen."
"Het is een getuigenverhoor, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Blijf, verzoek ik u. Ben Joyce moet al zijn slagtoffers voor zich zien!"
Lady Helena erkende de juistheid dier opmerking. Mary Grant en zij namen plaats bij lord Glenarvan. Rondom hem schaarden zich de majoor, Paganel, John Mangles, Robert, Wilson, Mulrady en Olbinett, die allen in zulk een groot gevaar hadden verkeerd door het verraad van den roover. De bemanning van het jagt begreep wel niet het ernstige van het tooneel, maar bewaarde toch een diep stilzwijgen.
"Laat Ayrton hier komen!" beval Glenarvan.
XVIII.
Ayrton of Ben Joyce.
Ayrton verscheen. Hij betrad het dek met vasten stap en beklom de trap van de kampanje. Zijn oogen stonden somber, zijn tanden waren op elkander geklemd, zijn vuisten krampachtig gebald. Zijn uiterlijk verried evenmin overmoed als nederigheid. Toen hij voor lord Glenarvan stond, sloeg hij de armen over elkaar en wachtte bedaard en zwijgend af, dat hem iets gevraagd werd.
Ayrton betrad het dek met vasten stap.

"Ayrton!" zeide Glenarvan, "zoo zijn wij nu, gij en wij, bijeen op die Duncan die gij aan de roovers van Ben Joyce in handen wildet spelen."
Op die woorden beefden de lippen van den bootsman even. Zijn koude trekken kleurden ligt. Het was niet het schaamrood der wroeging, maar omdat zijn plan was mislukt. Op dat jagt, waarop hij als meester hoopte te bevelen, was hij nu een gevangene, en in weinige oogenblikken zou zijn lot beslist worden.
Hij gaf echter geen antwoord. Glenarvan wachtte geduldig. Maar Ayrton bleef hardnekkig zwijgen.
"Spreek op, Ayrton! wat hebt gij te zeggen?" hernam Glenarvan.
Ayrton aarzelde; zijn voorhoofd betrok; vervolgens sprak hij bedaard:
"Ik heb niets te zeggen, mylord! Ik ben zoo gek geweest mij te laten pakken. Doe met mij wat gij wilt."
Dit gezegd hebbende rigtte de bootsman zijn blikken op de westwaarts liggende kust, en veinsde een diepe onverschilligheid voor hetgeen er rondom hem gebeurde. Wie hem zag, zou gemeend hebben, dat hij niets te maken had met die ernstige zaak. Maar Glenarvan had besloten geduldig te blijven. Een sterke belangstelling noopte hem om met sommige omstandigheden uit het geheimzinnige leven van Ayrton bekend te worden, vooral zoover het Harry Grant en de Britannia betrof. Hij hervatte dus het verhoor op zeer zachte wijze en onderdrukte geheel en al den toorn, dien hij inwendig gevoelde.
"Ik meen, Ayrton!" hernam hij, "dat gij niet zult weigeren te antwoorden op sommige vragen, die ik u wensch te doen. Vooreerst, moet ik u Ayrton of Ben Joyce noemen? Zijt gij al dan niet de bootsman der Britannia?"
Ayrton bleef onverzettelijk op de kust staren, zonder acht te slaan op hetgene hem gevraagd werd.
Glenarvan, wiens oog fonkelde, ging voort met den bootsman te ondervragen.
"Wilt gij mij zeggen, hoe gij de Britannia verlaten hebt, waarom gij in Australië waart?"
Hetzelfde stilzwijgen, dezelfde onverzettelijkheid.
"Luister naar mij, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Het is in uw belang om te spreken. Een openhartigheid, die uw laatste toevlugt is, kan gunstig voor u zijn. Voor het laatst dan, wilt gij op mijn vragen antwoorden?"
Ayrton draaide het hoofd naar Glenarvan en zag hem strak aan, zeggende:
"Mylord! ik behoef niet te antwoorden. De justitie en niet ik moet tegen mij bewijzen."
"De bewijzen zullen gemakkelijk te leveren zijn!" antwoordde Glenarvan.
"Gemakkelijk, mylord?" hernam Ayrton op spottenden toon. "Uwe Edelheid durft, vind ik, heel wat zeggen. Ik verzeker u, dat de slimste advocaat met mij verlegen zou zijn! Wie zal zeggen, waarom ik in Australië gekomen ben, nu kapitein Grant het niet meer vertellen kan? Wie zal bewijzen, dat ik die Ben Joyce ben, dien de politie achterna zit, daar ze mij nooit in handen gehad heeft en mijn makkers in vrijheid zijn? Wie is er, behalve gij, die niet een misdaad, maar een verkeerde handeling ten mijnen nadeele kan aan den dag brengen? Wie kan bevestigen, dat ik mij van dit schip heb willen meester maken om het aan de gedeporteerden over te leveren? Niemand, verstaat gij? niemand! Gij hebt vermoedens, goed! maar om iemand te veroordeelen zijn er bewijzen noodig, en de bewijzen ontbreken u. Zoolang het tegendeel niet bewezen is, ben ik Ayrton, de bootsman der Britannia."
Ayrton was onder het spreken opgewonden geworden, maar verviel weldra tot zijn vroegere onverschilligheid. Hij verbeeldde zich zeker, dat zijn verklaring een einde zou maken aan het verhoor, maar Glenarvan vatte het woord weder op en sprak:
"Ayrton! ik ben geen regter van instructie. Dat is mijn zaak niet. Het is van belang dat elk onzer weet waar hij staan moet. Ik vraag u niets, dat u in ongelegenheid brengen kan. Dat gaat het geregt aan. Maar gij weet, met welke nasporingen ik bezig ben, en met een enkel woord kunt gij mij weer op het spoor brengen, dat ik verloren heb. Wilt gij spreken?"
Ayrton schudde het hoofd als iemand, die vast besloten heeft om te zwijgen.
"Wilt gij mij zeggen, waar kapitein Grant is?" vroeg Glenarvan.
"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton.
"Wilt gij mij de plaats aanduiden, waar de Britannia vergaan is?"
"Evenmin."
"Ayrton!" hernam Glenarvan bijna op smeekenden toon, "wilt gij althans, wanneer gij weet, waar Harry Grant is, het aan zijn arme kinderen zeggen, die maar één woord uit uwen mond verwachten?"
Ayrton aarzelde. Zijn gezigt betrok. Maar hij mompelde zacht:
"Ik kan niet, mylord!"
En hij voegde er driftig bij, alsof hij zich een oogenblik van zwakheid verweet:
"Neen! ik zal niet spreken! Laat mij ophangen, indien gij wilt!"
"Ophangen!" riep Glenarvan is een plotselinge opwelling van toorn.
Daarna antwoordde hij, zich bedwingende, op ernstigen toon:
"Ayrton! hier zijn regters noch beulen. In de eerste haven de beste zult gij aan de engelsche overheid overgegeven worden."
"Dat verlang ik juist!" antwoordde de bootsman.
Daarop keerde hij bedaard naar de hut terug, die hem tot gevangenis diende, en twee matrozen werden voor de deur geplaatst met last om op zijn geringste bewegingen acht te geven. De getuigen van dit tooneel gingen verontwaardigd en wanhopig heen.
Nu Glenarvan schipbreuk had geleden op de stijfhoofdigheid van Ayrton, wat schoot hem nu nog over? Niets anders dan het voornemen te volbrengen, dat reeds te Eden was opgevat, en naar Europa terug te keeren, zonder uitzigt om later die mislukte onderneming te hervatten. Het spoor der Britannia toch scheen onherroepelijk verloren, het document duldde geen nieuwe uitlegging, er lag zelfs geen land meer op zeven en dertig graden breedte, en de Duncan kon dus niet beter doen dan terug te keeren.
Na met zijn vrienden geraadpleegd te hebben, besprak Glenarvan meer bepaald met John Mangles het punt van de thuisreis. John onderzocht de kolenhokken; de voorraad steenkolen kon hoogstens nog veertien dagen duren. Het was dus noodig om in de naastbij gelegen haven versche kolen in te nemen.
John stelde Glenarvan voor den steven te wenden naar de baai van Talcahuano, waar de Duncan reeds voorraad had ingenomen, voor zij haar reis om de wereld ondernam. Dat was digt bij en juist op den zeven en dertigsten graad. Dan kon het jagt, behoorlijk van het noodige voorzien, zuidwaarts om kaap Hoorn varen en door den Atlantischen oceaan naar Schotland terugkeeren.
Zoodra dit plan was vastgesteld, werd er bevel gegeven aan den machinist om meer stoom te maken. Een half nur later was de steven naar Talcahuano gewend op een zee, die haar naam van Stille Zee wel verdiende, en 's avonds ten zes ure verdwenen de laatste bergen van Nieuw-Zeeland in de warme nevels aan den gezigteinder.
Zoo begon dan de thuisreis. Een treurige togt voor die stoute zoekers, die in de haven terugkeerden zonder Harry Grant mee te brengen! Ook sloeg de bemanning, die zoo vrolijk bij het vertrek, zoo vol vertrouwen bij het begin der reis, en nu overwonnen en moedeloos was, bedroefd den weg naar Europa in. Onder al die wakkere matrozen was er niet een, die ontroerde bij de gedachte, dat hij zijn land zou wederzien; allen zouden nog lang de gevaren der zee hebben getrotseerd om kapitein Grant maar terug te vinden.
Op de hoera's! waarmede Glenarvan bij zijn terugkomst begroet was, volgde dan ook weldra moedeloosheid. Die onophoudelijke samenkomsten der passagiers, die gesprekken, welke vroeger de reis opvrolijkten, hadden nu niet meer plaats. Ieder bleef op zichzelven, alleen in zijn hut, en zelden verscheen er een op het dek van de Duncan.
De man, bij wien doorgaans de smartelijke of vrolijke gewaarwordingen, die aan boord heerschten, zich het meest openbaarden, Paganel, die des noods de hoop zou uitgevonden hebben, Paganel bleef zwijgend en in zichzelven gekeerd. Ternaauwernood liet hij zich zien. Zijn natuurlijke spraakzaamheid, zijn fransche levendigheid waren in zwijgen en moedeloosheid veranderd. Hij scheen zelfs nog meer ontmoedigd dan zijn reisgenooten. Wanneer Glenarvan er van sprak om zijn nasporingen te hervatten, schudde Paganel het hoofd als iemand, die alle hoop heeft laten varen, en die vast overtuigd scheen van het lot der schipbreukelingen van de Britannia. Men gevoelde, dat hij ze onherroepelijk verloren achtte.
Toch was er aan boord een man, die het laatste woord betreffende die ramp kon zeggen, en die voortging met zwijgen. Het was Ayrton. Zonder twijfel kende die ellendeling, zooal niet de waarheid aangaande het tegenwoordig verblijf van den kapitein, dan toch de plaats der schipbreuk. Maar het was duidelijk, dat Grant, werd hij teruggevonden, een getuige tegen hem zijn zou. Daarom zweeg hij hardnekkig. Dat verwekte, vooral bij de matrozen, een hevigen toorn tegen hem, en gaarne zouden zij hem een leelijken trek hebben gespeeld.
Bij herhaling vernieuwde Glenarvan zijn pogingen bij den bootsman. Beloften noch bedreigingen werkten iets uit. De koppigheid van Ayrton was zoo ver gedreven en zoo onverklaarbaar bovendien, dat de majoor begon te denken, dat hij niets wist. Ook de aardrijkskundige, die zijn eigene gedachten had betreffende Harry Grant, was van die meening.
Maar wanneer Ayrton niets wist, waarom kwam hij dan niet voor zijn onwetendheid uit? Deze kon hem volstrekt niet benadeelen. Zijn stilzwijgen vergrootte de moeijelijkheid om een nieuw plan te vormen. Moest men uit de ontmoeting van den bootsman in Australië afleiden, dat Harry Grant op dat vastland aanwezig was? Wat het ook mogt kosten, men diende Ayrton te bewegen om zich dienaangaande te verklaren.
Toen lady Helena zag, dat haar man niet slaagde, vroeg zij hem verlof op haar beurt te mogen worstelen met de stijfhoofdigheid van den bootsman. Waar een man schipbreuk had geleden, zou een vrouw welligt door haar zachten invloed slagen. Is het niet de eeuwig ware geschiedenis van dien orkaan uit de fabel, die den mantel niet van de schouders des reizigers kan rukken, terwijl de geringste zonnestraal hem terstond doet afwerpen!
Glenarvan, die de schanderbeid zijner jeugdige gade kende, gaf haar volle vrijheid van handelen.
Dien dag, den 5den Maart, werd Ayrton in de hut van lady Helena gebragt. Mary Grant moest het onderhoud bijwonen; want de invloed van het jonge meisje kon groot zijn, en lady Helena wilde geen kans van slagen verzuimen.
Een uur lang bleven de vrouwen met den bootsman der Britannia opgesloten; maar er lekte niets van hun gesprek uit. Wat zij zeiden, de gronden, die zij aanvoerden om den roover zijn geheim te ontrukken, al de omstandigheden van dat verhaal bleven onbekend. Maar toen zij Ayrton verlieten, schenen zij niet geslaagd te zijn, en stond de moedeloosheid op haar gelaat te lezen.
De twee vrouwen bleven met den bootsman opgesloten.

Toen de bootsman naar zijn hut teruggebragt werd, ontvingen hem de matrozen, terwijl hij voorbijging, dan ook met geweldige bedreigingen. Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen, waardoor de woede der schepelingen nog vermeerderde, en er was niets minder noodig dan de tusschenkomst van John Mangles en Glenarvan om hen in toom te houden.
Ayrton vergenoegde zich met de schouders op te halen.

Maar lady Helena gaf het nog niet op. Zij wilde tot het einde toe worstelen tegen dat steenen hart, en 's anderen daags ging zij zelve naar de hut van Ayrton, om de tooneelen te voorkomen, waartoe zijn gang over het dek van het jagt aanleiding gaf.
Twee uren lang bleef de goede en zachtzinnige vrouw alleen met het opperhoofd der roovers. Aan zenuwachtige ontroering ter prooi zwierf Glenarvan bij de hut rond, nu eens besloten om de kansen op slagen tot de laatste toe aan te wenden, dan weder gereed om zijn vrouw van dat onaangename gesprek te verlossen.
Maar toen lady Helena ditmaal weder verscheen, blonk haar gelaat van hoop. Had zij dan dat geheim afgeperst en in het hart van dien schurk de laatste vezelen van het medelijden doen trillen?
Mac Nabbs, die haar het allereerst zag, kon een zeer natuurlijke beweging van ongeloof niet onderdrukken.
Echter liep weldra onder de bemanning het gerucht, dat de bootsman eindelijk was bezweken voor den aandrang van lady Helena. Dat was als het ware een electrieke schok. Al de matrozen verzamelden zich op het dek, en sneller, dan wanneer het fluitje van Tom Austin hen aan het werk had geroepen.
Intusschen was Glenarvan zijn vrouw te gemoet gesneld.
"Heeft hij gesproken?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde lady Helena. "Maar aan mijn verzoek gehoor gevende, wenscht hij u te spreken."
"Ach! lieve Helena! zoudt gij geslaagd zijn?"
"Ik hoop het, Edward!"
"Hebt gij eenige belofte gedaan, die ik moet bekrachtigen?"
"Een enkele, mijn vriend! dat gij al uw invloed zult aanwenden om het lot te verzachten, dat dien ongelukkigen Ayrton wacht."
"Goed, lieve Helena! Laat Ayrton dadelijk hier komen."
Lady Helena ging met Mary Grant naar haar hut, en de bootsman werd naar de longroom gebragt, waar lord Glenarvan hem wachtte.
XIX.
Eene schikking.
Zoodra de bootsman zich in tegenwoordigheid van den lord bevond, verwijderden zich zijn bewakers.
"Gij verlangt mij te spreken, Ayrton?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mylord!" antwoordde de bootsman.
"Mij alleen?"
"Ja! maar ik denk, dat het beter zou zijn, wanneer majoor Mac Nabbs en mijnheer Paganel bij het gesprek tegenwoordig waren."
"Voor wien?"
"Voor mij."
Ayrton sprak met onverstoorbare kalmte. Glenarvan zag hem strak aan; vervolgens liet hij Mac Nabbs en Paganel roepen, die terstond aan zijn uitnoodiging voldeden.
"Wij luisteren naar u," zeide Glenarvan, zoodra zijn beide vrienden zich aan de tafel in de longroom geplaatst hadden.
Ayrton bedacht zich een poos en zeide:
"Mylord! de gewoonte brengt mede, dat er getuigen zijn bij ieder verdrag of bij iedere schikking, die tusschen twee partijen wordt aangegaan. Daarom verlangde ik, dat de heeren Paganel en Mac Nabbs hier zouden zijn. Want om de waarheid te zeggen, ik wensch u een zaak voor te slaan."
Gewoon als hij was aan de manieren van Ayrton, fronsde Glenarvan zijn wenkbraauwen niet, hoewel een zaak tusschen hem en dien man iets belagchelijks scheen.
"Wat is dat voor een zaak?" vroeg hij.
"Luister," antwoordde Ayrton. "Gij verlangt van mij eenige omstandigheden te vernemen, die u nuttig kunnen zijn. Ik verlang van u eenige voordeelen, die van groot belang voor mij zullen zijn. Leer om leer, mylord! staat u dat aan of niet?"
"Welke omstandigheden zijn dat?" vroeg Paganel driftig.
"Neen!" hernam Glenarvan, "welke voordeelen zijn dat?"
Met een hoofdknikje toonde Ayrton het onderscheid te vatten, dat Glenarvan maakte.
"De voordeelen, die ik eisch," zeide hij, "zijn de volgende. Zijt gij nog altijd voornemens, mylord! mij in handen van de engelsche overheid te stellen?"
"Ja, Ayrton! en dat is niet meer dan billijk."
"Ik zeg niet van neen," antwoordde de bootsman bedaard. "Dus zoudt gij er nooit in bewilligen mij in vrijheid te stellen?"
Glenarvan aarzelde voor hij op een zoo duidelijke vraag antwoordde. Het lot van Harry Grant hing misschien af van hetgeen hij zou zeggen.
Toch behield het besef van zijn pligt jegens de menschelijke geregtigheid de overhand, en hij zeide:
"Neen, Ayrton! ik kan u de vrijheid niet teruggeven."
"Die vraag ik ook niet," antwoordde de bootsman fier.
"Wat verlangt gij dan?"
"Een middenweg, mylord! tusschen de galg, die mij wacht, en de vrijheid, die gij mij niet kunt schenken."
"En die is?..."
"Dat gij mij met de noodzakelijkste behoeften achterlaat op een der onbewoonde eilanden van de Stille Zuidzee. Ik zal mij behelpen, zoo veel ik kan, en boete doen, wanneer ik tijd heb!"
Glenarvan, die een dergelijk voorstel wel het allerminst verwachtte, zag zijn beide vrienden aan, die bleven zwijgen. Na eenige oogenblikken nadenkens antwoordde hij:
"Ayrton! zult gij, wanneer ik uw verzoek toesta, mij alles zeggen, wat ik belang heb te weten?"
"Ja, mylord! dat wil zeggen alles, wat ik van kapitein Grant en de Britannia weet."
"De volle waarheid?"
"De volle."
"Maar wie staat mij borg?..."
"O! ik zie wat u beangstigt, mylord! Gij zult op mij moeten vertrouwen, op het woord van een boosdoener! Dat is waar! Maar wat zal ik zeggen? Het ligt er nu eenmaal toe. Niet of graag."
"Ik zal u vertrouwen, Ayrton!" zeide Glenarvan droogjes.
"En gij zult gelijk hebben, mylord! Bovendien, wanneer ik u bedrieg, hebt gij altijd het middel bij de hand om u te wreken!"
"En dat is?"
"Mij van het eiland af te halen, dat ik niet heb kunnen verlaten."
Ayrton had voor alles een antwoord gereed. Hij opperde zelf de bezwaren, hij leverde zelf onwraakbare bewijsgronden tegen zich. Zooals men ziet, wilde hij "zijn zaak" met ontwijfelbare goede trouw behandelen. Het was onmogelijk zich met argeloozer vertrouwen over te leveren. En toch vond hij een middel om nog verder te gaan op den weg der onbaatzuchtigheid.
"Mylord en mijne heeren!" voegde hij er bij, "ik wil, dat gij volkomen overtuigd zult zijn, dat ik open kaart met u speel. Ik zoek u geenszins te misleiden en wil u een nieuw bewijs geven van mijn opregtheid in deze zaak. Ik ga rondborstig te werk, omdat ik zelf op uw regtschapenheid reken."
"Spreek op, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.
"Mylord! ik heb uw woord nog niet, dat gij in mijn voorstel bewilligt en toch aarzel ik niet u te zeggen, dat ik zeer weinig van Harry Grant af weet."
"Zeer weinig!" riep Paganel.
"Ja, mylord! De bijzonderheden, die ik in staat ben u mede te deelen, hebben betrekking op mij; zij gaan mij aan, en zullen u niet helpen het spoor terug te vinden dat gij verloren hebt."
Het gelaat van Glenarvan en den majoor teekende een levendige teleurstelling. Zij waanden hem in het bezit van een gewigtig geheim, en de bootsman bekende, dat zijn ontdekkingen niet veel om het lijf hadden. Wat Paganel aangaat, deze bleef even rustig.
Hoe het ook zij, deze bekentenis van Ayrton, die zich om zoo te zeggen op genade of ongenade overgaf, trof zijn hoorders zeer, vooral toen de bootsman er ten slotte bijvoegde:
"Nu weet gij het, mylord! De zaak zal voor u minder voordeelig zijn dan voor mij."
"Dat maakt niet uit," antwoordde Glenarvan. "Ik neem uw voorstel aan. Ayrton! Ik geef u mijn woord, dat gij op een der Zuidzee-eilanden aan land zult gezet worden."
"Goed, mylord!" antwoordde de bootsman.
Verheugde die zonderlinge man zich over dat besluit? Men mogt er aan twijfelen; want zijn strak gelaat verried niet de minste aandoening. Het scheen, dat hij voor een ander handelde, niet voor zich.
"Ik ben bereid om te antwoorden," sprak hij.
"Wij hebben niets te vragen," zeide Glenarvan. "Vertel ons wat gij weet, Ayrton! en zeg vooreerst maar wie gij zijt."
"Mijne heeren!" begon Ayrton, "ik ben werkelijk Tom Ayrton, de bootsman der Britannia. Ik heb den 12den Maart 1861 Glasgow verlaten op het schip van Harry Grant. Veertien maanden lang bevoeren wij samen de Stille Zuidzee om een gunstige plaats op te zoeken ten einde een schotsche kolonie te stichten. Harry Grant was er juist de man naar om groote dingen te doen; maar dikwijls hadden wij hooggaande twisten met elkander. Zijn karakter stond mij niet aan. Ik kan niet buigen; Harry Grant duldt geen verzet, mylord! wanneer zijn besluit genomen is; die man is van ijzer voor zich en voor anderen. Niettemin durfde ik te gaan muiten. Ik beproefde de bemanning ook tot muiterij over te halen en het schip te bemagtigen. Het doet hier weinig ter zake, of ik ongelijk had of niet. Hoe dat ook zij, Harry Grant weifelde niet, en zette mij den 8sten April 1862 op de westkust van Australië aan land."
"Ik ben werkelijk Tom Ayrton....

"Van Australië," zoo viel de majoor Ayrton in de rede, "dan hebt gij bij gevolg de Britannia verlaten, voor zij Callao heeft aangedaan, vanwaar de laatste tijdingen gedagteekend zijn?"
"Ja," antwoordde de bootsman; "want zoo lang ik aan boord was, is de Britannia nooit te Callao geweest. Dat ik op de hoeve van Paddy O'Moore van Callao sprak, kwam daar vandaan, dat ik die omstandigheid uit uw verhaal had vernomen."
"Ga voort, Ayrton!" zeide Glenarvan.
"Daar stond ik nu verlaten op een bijna woeste kust; doch slechts twintig mijlen van de strafgevangenis van Perth af, de hoofdstad van West-Australië. Langs de kust zwervende ontmoette ik een bende gedeporteerden, die pas ontsnapt waren. Ik voegde mij bij hen. Gij zult mij, mylord! wel het verhaal schenken van het leven, dat ik derdehalf jaar leidde. Weet alleen, dat ik onder den naam van Ben Joyce het hoofd der vlugtelingen werd. In de maand September 1864 vervoegde ik mij op de iersche hoeve. Daar werd ik als knecht in dienst genomen onder mijn waren naam Ayrton. Ik wachtte daar op een gelegenheid om een schip te bemagtigen. Dat was mijn hoogste doel. Twee maanden later kwam de Duncan. Bij uw bezoek op de hoeve, mylord! vertelde gij de geheele geschiedenis van kapitein Grant. Ik vernam toen, wat ik nog niet wist, het verblijf der Britannia te Callao, de laatste berigten van Junij 1862, twee maanden na mijn ontscheping, het voorval met het document, de stranding van het schip ergens op zeven en dertig graden, en eindelijk de gewigtige redenen, die gij hadt, om Harry Grant op het vastland van Australië te zoeken. Ik weifelde niet. Ik besloot de Duncan te bemagtigen, een uitstekend schip, dat de snelste zeilers der engelsche oorlogsvloot ontkomen kon. Maar ze had zware averij geleden, die hersteld moest worden. Ik liet ze dus naar Melbourne vertrekken, en deed mij bij u voor in mijn ware betrekking van bootsman, terwijl ik aanbood u naar het tooneel eener schipbreuk te geleiden, die naar ik u voorloog op de oostkust van Australië zou plaats gehad hebben. Zoo leidde ik, nu eens gevolgd dan weder voorafgegaan door mijn rooverbende, uw gezelschap door de provincie Victoria. Mijn manschappen begingen aan de Camdenbrug een noodelooze misdaad; want was de Duncan aan de kust dan kon ze mij niet ontgaan, en met dat jagt was ik meester op zee. Zoo voerde ik u, zonder uw wantrouwen op te wekken, tot aan de Sneeuw-rivier. Paarden en ossen werden één voor één met gastrolobium vergeven. Ik liet den wagen wegzakken in de moerassen der Sneeuw-rivier. Op mijn aandringen.... Maar gij weet het overige, mylord! en kunt er zeker van zijn, dat ik zonder de verstrooidheid van mijnbeer Paganel thans het bevel zou voeren op de Duncan. Ziedaar mijn geschiedenis, mylord! Mijne mededeelingen kunnen u helaas! niet op het spoor van Harry Grant brengen, en gij ziet, dat gij een slechten ruil gedaan hebt, door met mij te onderhandelen."
De bootsman zweeg, sloeg als naar gewoonte de armen over elkaar en wachtte. Glenarvan en zijn vrienden bewaarden het stilzwijgen. Zij gevoelden, dat die vreemde boosdoener de volle waarheid had gesproken. De overrompeling der Duncan was alleen mislukt door een omstandigheid onafhankelijk van zijn wil. Zijn medepligtigen waren aan de oevers der Twofold-baai gekomen, zooals het gevangenisbuis bewees, dat Glenarvan had gevonden. Daar hadden zij naar het bevel van hun aanvoerder op het jagt geloerd, en het wachten moede hadden zij zeker in de velden van Nieuw-Zuid-Wales hun bedrijf van plunderaars en brandstichters weder opgevat.
De majoor begon weder het verhoor om van de datums, die op de Britannia betrekking hadden, zeker te zijn.
"Dus," vroeg hij den bootsman, "zijt gij bepaald op den 8sten April 1862 op de westkust van Australië aan land gezet?"
"Juist," antwoordde Ayrton.
"En weet gij, welke voornemens Harry Grant toen had?"
"Ten naastebij."
"Spreek op, Ayrton!" zeide Glenarvan. "De geringste aanwijzing kan ons op den weg brengen."
"Ik kan niets anders zeggen dan dit, mylord!" antwoordde de bootsman, "Kapitein Grant was voornemens Nieuw-Zeeland te bezoeken. Dit gedeelte van zijn reisplan nu is niet uitgevoerd, terwijl ik aan boord was. Het zou dus niet onmogelijk zijn, dat de Britannia na haar vertrek van Callao Nieuw-Zeeland had aangedaan. Dat zou overeenkomen met den datum van 27 Junij 1862, waarop, volgens het document, de driemaster schipbreuk heeft geleden."
"Dat is zoo," zeide Paganel.
"Maar," hernam Glenarvan, "geen enkel woord, dat op het document bewaard is gebleven, is op Nieuw-Zeeland toepasselijk."
"Daarop kan ik niet antwoorden," zeide de bootsman.
"Goed, Ayrton!" zeide nu Glenarvan. "Gij hebt uw woord gehouden, ik zal het mijne houden. Wij zullen bepalen op welk eiland der Stille Zuidzee gij aan land zult gezet worden."
"O, dat komt er niet op aan, mylord!" antwoordde Ayrton.
"Keer naar uw hut terug," zeide Glenarvan, "en wacht ons besluit af."
De bootsman ging heen onder geleide van twee matrozen.
"Die schurk had een man kunnen zijn," zeide de majoor.
"Ja!" antwoordde Glenarvan. "Het is een sterke en schrandere kerel! Waarom heeft hij zijn vermogens misbruikt om kwaad te doen!"
"Maar Harry Grant?"
"Ik vrees zeer, dat hij reddeloos verloren is! Arme kinderen! wie zou hun kunnen zeggen waar hun vader is?"
"Ik!" antwoordde Paganel. "Ja, ik!"
Het zal wel niemand ontgaan zijn, dat de anders zoo praatzieke en ongeduldige aardrijkskundige naauwelijks een mond had opengedaan, zoo lang het verhoor van Ayrton duurde. Hij luisterde met den mond digt. Maar dat laatste woord, dat hij sprak, woog tegen vele andere op, en deed Glenarvan driftig opspringen.
"Gij!" riep hij, "weet gij, Paganel! waar kapitein Grant is!"
"Ja, voor zooverre men dat althans weten kan," antwoordde de aardrijkskundige.
"En door wien weet gij det?"
"Door dat eeuwige document."
"Zoo!" riep de majoor op een toon van volslagen ongeloof.
"Luister eerst, Mac Nabbs!" zeide Paganel, "later moogt gij de schouders ophalen. Ik heb vroeger niet gesproken, omdat gij mij toch niet geloofd zoudt hebben. Later was het onnoodig. Maar dat ik nu er toe besluit is, omdat Ayrtons meening juist de mijne ondersteunt."
"Dus Nieuw-Zeeland?..." vroeg Glenarvan.
"Luistert en oordeelt," antwoordde Paganel. "Het is niet zonder reden, of liever het is niet zonder "eene reden," dat ik de dwaling beging, die ons gered heeft. Toen ik dien brief schreef, welken Glenarvan mij voorzeide, maalde het woord "Zeeland" mij door het hoofd. Ziehier waarom. Gij herinnert u, dat wij in den wagen waren. Mac Nabbs had aan lady Helena de geschiedenis der roovers verteld; hij had haar het nummer der Australische en Nieuw-Zeelandsche courant ter hand gesteld, die het verhaal bevatte van de ramp aan de Camdenbrug. Terwijl ik schreef, lag het dagblad op den grond, zoo gevouwen, dat er maar twee lettergrepen van den titel zigtbaar waren. Die twee lettergrepen waren aland. Daar ging een licht voor mij op! Aland was juist een woord uit het engelsche document, een woord, dat wij altijd vertaald hadden door aan land, en dat de uitgang zijn moest van den eigennaam Zealand."
"Wat ge zegt!" riep Glenarvan.
"Ja!" hernam Paganel innig overtuigd, "die uitlegging was mij ontgaan, en weet gij waarom? omdat mijn onderzoek natuurlijk het fransche document betrof, dat vollediger is dan de andere, en waarin dit belangrijke woord ontbreekt."
"Ho! ho!" zeide de majoor, "nu gaat uw verbeeldingskracht wat te ver, Paganel! en vergeet gij al te gemakkelijk uw vroegere afleidingen."
"Ga voort, majoor! ik ben bereid u te antwoorden."
"Waar blijft dan uw woord austra?" hernam Mac Nabbs.
"Dat verandert niet. Het beteekent eenvoudig de zuidelijke streken."
"Goed. En die lettergreep indi, die eerst de wortel van indianen en later de wortel van inboorlingen geweest is?"
"Welnu! voor de derde en laatste maal," antwoordde Paganel, "zal zij de eerste lettergreep zijn van het woord indigence (nood)!"
"En contin!" riep Mac Nabbs, "beteekent dat nog continent (vastland)?"
"Neen! omdat Nieuw-Zeeland maar een eiland is."
"Bij gevolg?..." vroeg Mac Nabbs.
"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik zal het document vertalen volgens mijn derde uitlegging, dan kunt gij oordeelen. Maar twee opmerkingen vooraf: 1°. vergeet zooveel mogelijk de vroegere uitleggingen en maakt uw geest los van elke vroeger opgevatte meening; 2°. sommige gedeelten zult gij "gewrongen" vinden, en het is mogelijk, dat ik ze slecht vertaal; maar zij zijn van geen belang, onder anderen het woord agonie, waarmee ik verlegen zit, maar dat ik niet anders verklaren kan. Ook is het 't fransche document, dat tot grondslag dient voor mijn vertolking, en vergeet niet, dat het door een Engelschman is geschreven, die welligt niet goed bekend was met het fransche taaleigen. Na deze voorafspraak begin ik."
En Paganel las langzaam en met nadruk het volgende:
"Den 27 Junij 1864 is de driemaster Britannia, van Glasgow, na een langen doodstrijd in de zuidelijke zeeën op de kusten van Nieuw-Zeeland vergaan,—in het engelsch Zealand.—Twee matrozen en de kapitein Grant zijn aan land gespoeld. Daar, steeds ter prooi aan een nijpenden nood, hebben zij dit document in zee geworpen op ... lengte en 37°11' breedte. Komt hun te hulp of zij zijn verloren."
Paganel zweeg. Zijn vertaling was aannemelijk. Maar juist omdat zij even waarschijnlijk scheen als de vorige, kon zij ook verkeerd wezen. Glenarvan en de majoor legden er dus niets tegen in. Daar echter het spoor der Britannia evenmin teruggevonden was op de kust van Patagonië als op die van Australië, ter plaatse waar de zeven en dertigste graad die twee landen snijdt, waren de kansen voor Nieuw-Zeeland gunstig.
Deze opmerking, welke Paganel maakte, trof vooral zijn vrienden.
"Zeg mij nu eens, Paganel!" sprak Glenarvan, "waarom gij deze verklaring omtrent twee maanden voor u hebt gehouden?"
"Omdat ik u met geen ijdele hoop vleijen wilde. Ook gingen wij naar Auckland, dat juist op de breedte ligt, welke het document aangeeft."
"Maar waarom hebt gij later niet gesproken, toen wij van dien weg afgeraakt waren?"
"Omdat die vertolking, hoe juist zij ook moge zijn, niets kan bijdragen tot redding van den kapitein."
"Om welke reden, Paganel?"
"Omdat, aangenomen dat kapitein Harry Grant op Nieuw-Zeeland gestrand is, hij na de schipbreuk of door de handen der Zeelanders omgekomen is, omdat hij in het tijdsverloop van twee jaren nog niet is komen opdagen."
"Dus houdt gij het er voor?..." vroeg Glenarvan.
"Dat men misschien eenige wrakken van de schipbreuk zou kunnen terugvinden; maar dat de schipbreukelingen der Britannia onherroepelijk verloren zijn!"
"Zwijgt over dit alles, vrienden!" zeide Glenarvan, "en laat mij het oogenblik kiezen om deze treurige tijding aan de kinderen van kapitein Grant mede te doelen!"
XX.
Een kreet in den nacht.
Weldra was het ruchtbaar onder het scheepsvolk, dat het geheim van het verblijf van kapitein Grant niet opgehelderd was door de mededeelingen van Ayrton. Er heerschte een diepe verslagenheid aan boord; want men had op den bootsman gerekend, en de bootsman wist niets, dat de Duncan op het spoor der Britannia had kunnen brengen.
Het jagt stevende dus in dezelfde rigting voort. Alleen moest nog het eiland uitgekozen worden, dat voortaan het verblijf van Ayrton zijn zou.
Paganel en John Mangles gingen de scheepskaarten na. Op zeven en dertig graden breedte troffen zij juist een eenzaam eilandje aan, bekend onder den naam van Maria Theresa, een verlaten rots in het midden der Stille Zuidzee, drie duizend vijf honderd mijlen van de amerikaansche kust en vijftien honderd van Nieuw-Zeeland gelegen. Ten noorden was het naaste land de Pomotoe-eilanden, onder fransche bescherming staande. Ten zuiden lag niets dan de onbewegelijk vaste ijsbanken aan de zuidpool. Geen enkel schip deed ooit dat eenzame eiland aan. Geen berigt ter wereld drong ooit zoo ver door. Alleen de stormvogels rustten er op hun lange togten uit, en vele kaarten vermeldden die rots niet eens, waartegen de golven der Zuidzee klotsen.
Wanneer er ergens een volstrekte afzondering op aarde te vinden is, dan moest het wel op dat eiland zijn, dat zoover buiten de wegen ligt, die de menschen bezoeken. Men gaf Ayrton hiervan kennis. Ayrton bewilligde er in om daar ver van de menschen verwijderd te leven, en de steven werd naar Maria Theresa gerigt. Thans zou een zuiver regte lijn door de as der Duncan, het eiland en de baai van Talcahuano gegaan zijn.
Twee dagen later, ten twee ure, seinde de uitkijk land aan den gezigteinder. Het was Maria Theresa, dat in de lengte uitgestrekt en zoo laag, dat het naauwelijks boven water uitstak, veel had van een ontzaggelijken walvisch. Dertig mijlen scheidden het nog van het jagt, welks steven de golven kliefde met een vaart van zestien knoopen in het uur.
Langzamerhand werd het eilandje duidelijker zigtbaar. De zon, die naar het westen neigde, bescheen het helder, waardoor het een onregelmatige schaduw wierp. Eenige lage toppen vertoonden zich hier en daar, naarmate de stralen der dagvorstin er op vielen.
Ten vijf ure meende Mangles een ligten rook te bespeuren, die omhoog steeg.
"Is dat een vulkaan?" vroeg hij aan Paganel, die met den kijker voor de oogen dat nieuwe land beschouwde.
"Ik weet niet, wat ik er van denken moet," antwoordde de aardrijkskundige. "Maria Therera is een weinig bekende plek. Echter zou het niet te verwonderen zijn, wanneer het zijn ontstaan te danken had aan een opheffing van den zeebodem en het bijgevolg vulkanisch was."
"Maar," zeide Glenarvan, "wanneer een uitbarsting het heeft voortgebragt, staat het dan niet te vreezen, dat een uitbarsting het ook weer vernietigt?"
"Dat is niet zeer waarschijnlijk," antwoordde Paganel. "Sedert eenwen is men reeds met zijn bestaan bekend, en dat is een waarborg. Wanneer een nieuw eiland, bij voorbeeld het eiland Julia, uit de Middellandsche zee oprees, bleef het niet lang boven water en verdween weinige maanden na zijn ontstaan."
"Goed," zeide Glenarvan. "Denkt gij, dat wij voor den nacht aan wal kunnen gaan, John?"
"Neen, Uwe Edelheid! Ik mag de Duncan niet in de duisternis op een mij onbekende kust wagen. Ik zal zachtjes aan op en neer blijven houden, en morgen zenden wij met het krieken van den dag een boot naar den wal."
's Avonds ten acht ure scheen Maria Theresa, hoewel op vijf mijlen onder den wind, nog maar een lange, pas zigtbare schaduw. De Duncan kwam steeds nader.
Ten negen ure verdreef een vrij helder schijnsel, een vuur, de duisternis. Het bleef op dezelfde plaats en brandde voort.
"Daaruit zou haast volgen, dat het een vuurspuwende berg is," zeide Paganel, die het aandachtig gadesloeg.
"Maar dan moesten wij," antwoordde John Mangles, "op dezen afstand het leven hooren, dat altijd met een uitbarsting gepaard gaat, en de oostewind voert niet het minste geraas naar ons toe."
"Inderdaad," zeide Paganel, "die vulkaan flikkert maar spreekt niet. Ook zou men zeggen, dat hij tusschenpoozen heeft gelijk een draailicht.
"Gij hebt gelijk," hernam John Mangles, "en toch zijn het geen vuurtorens op deze kust. Ha!" riep hij uit, "weer een licht! En nu op het strand! Zie eens! Het beweegt zich! het verandert van plaats!"
John bedroog zich niet. Er was een nieuw vuur bijgekomen, dat soms scheen uit te gaan en dan weer aanwakkerde.
"Is het eiland dan bewoond?" vroeg Glenarvan.
"Zeker door wilden," antwoordde Paganel.
"Maar dan kunnen wij den bootsman hier niet afzetten."
"Neen!" antwoordde de majoor; "dat zou een al te leelijk geschenk zijn, zelfs voor wilden."
"Wij zullen een ander onbewoond eiland zoeken," zeide Glenarvan, die een glimlach niet kon onderdrukken over "de teerhartigheid" van Mac Nabbs. "Ik heb beloofd, dat Ayrtons leven zou gespaard worden, en wil mijn belofte houden."
"Wij moeten althans op onze hoede zijn," voegde Paganel er bij. "De Zeelanders hebben de barbaarsche gewoonte de schepen in den val te lokken met beweegbare vuren, evenals voorheen de bewoners van Cornwallis. De inlanders op Maria Theresa kennen misschien ook dat kunstje."
"Houd een streek af!" beval John den matroos aan het roer. "Zoodra morgen de zon opgaat, zullen wij de zaak onderzoeken."
Ten elf ure keerden de passagiers en John Mangles in hun hutten terug. Op het voorschip ging de wacht op en neer. Op het achterschip was alleen de roerganger op zijn post.
Nu beklommen Mary Grant en Robert de kampanje.
Over het hek leunende zagen de beide kinderen van den kapitein bedroefd naar de lichtgevende zee en het fonkelende zog der Duncan. Mary dacht aan de toekomst van Robert; Robert dacht aan de toekomst zijner zuster. Beiden dachten aan hun vader. Leefde die aangebeden vader nog? moest men de hoop opgeven?... Maar neen, wat zou het leven zijn zonder hem? Wat zou er van hen geworden zijn zonder lord Glenarvan, zonder lady Helena?
De beide kinderen van den kapitein keken bedroefd naar de lichtgevende zee....

De knaap, door den tegenspoed gerijpt, giste welke gedachten zijn zuster verontrustten. Hij legde haar hand in de zijne.
"Mary!" zoo sprak hij haar aan, "wij moeten nooit wanhopen. Herinner u de lessen, die vader ons gaf: "De moed vervangt op aarde alles," zeide hij. Laten wij dan ook dien onwankelbaren moed hebben, die hem boven alles verheven maakte. Tot nog toe hebt gij voor mij gewerkt, zusterlief! ik wil op mijn beurt voor u werken."
"Lieve Robert!" antwoordde het meisje.
"Ik moet u wat zeggen," hernam Robert. "Maar zult gij niet boos worden, Mary?"
"Waarom zou ik boos worden, lieve?"
"En solt gij mij laten begaan?"
"Wat bedoelt gij?" vroeg Mary angstig.
"Zuster! Ik wil zeeman worden...."
"Wilt gij mij verlaten, Robert!" riep het meisje, terwijl zij de hand haars broeders drukte.
"Ja, zuster! ik wil zeeman worden zooals vader, zeeman zooals kapitein John! Mary! lieve Mary! kapitein John heeft nog niet alle hoop verloren! Gij zult evenveel vertrouwen stellen in zijn verkleefdheid als ik! Hij heeft mij beloofd van mij een goed, misschien een groot zeeman te maken, en dan gaan wij vader samen zoeken! Zeg, dat gij het goed vindt, zuster! Wat vader voor ons gedaan zou hebben, zijn wij, ik ten minste, verpligt voor hem te doen! Mijn leven is geheel aan een doel gewijd: hem, die ons nooit een van beiden verlaten zou hebben, te zoeken, altijd te zoeken! Lieve Mary! wat was vader toch goed!"
"En zoo edelaardig, zoo grootmoedig!" hernam Mary. "Weet gij, Robert! dat ons land reeds roem op hem droeg en hem onder zijn groote mannen zou gesteld hebben, indien het lot hem niet in zijn voortgang had gestuit?"
"Of ik het weet!" zeide Robert.
Mary Grant drukte Robert aan haar hart. De knaap voelde haar tranen over zijn voorhoofd vloeijen.
"Mary! Mary!" riep hij uit, "of onze vrienden zwijgen of spreken, ik hoop nog en zal altijd hopen! Een man zooals vader sterft niet voor hij zijn taak heeft volbragt!"
Mary Grant kon niet spreken. Tranen verstikten haar stem. Duizenderlei gevoelens kruisten elkander in haar ziel bij de gedachte, dat er nieuwe pogingen gedaan zouden worden om Harry Grant terug te vinden, en dat de verknochtheid van den jongen kapitein grenzeloos was!
"Hoopt mijnheer John nog altijd?" vroeg zij.
"Ja!" antwoordde Robert. "Hij is een broeder, die ons nooit zal verlaten. Ik zal zeeman worden, niet waar, zuster? een zeeman, om vader met hem te zoeken! Wilt gij dat wel!"
"Of ik het wil!" antwoordde Mary. "Maar scheiden!" mompelde het meisje.
"Gij zult niet alleen zijn, Mary! Dat weet ik! Vriend John heeft het mij gezegd. Mevrouw Helena zal u niet laten vertrekken. Gij zijt een vrouw; dus kunt en moet gij haar weldaden aannemen. Ze te weigeren zou ondankbaarheid wezen! Maar een man, dat heeft vader mij honderdmaal gezegd, een man moet zich door de wereld heenslaan!"
"Maar hoe zal het dan met ons lief huis te Dundee gaan, waaraan zooveel herinneringen verbonden zijn?"
"Dat houden we, zusje! Dat alles is geschikt en goed geschikt ook door vriend John en ook door lord Glenarvan. Hij zal u op het kasteel Malcolm houden, alsof gij zijn dochter waart! Dat heeft de lord aan vriend John gezegd, en vriend John heeft het mij verteld. Daar zult gij te huis zijn, en iemand hebben om over vader te spreken, in afwachting dat John en ik hem eens terugbrengen! Ach! wat een blijde dag zal dat zijn!" riep Robert, wiens gelaat van geestdrift blonk.
"Mijn broeder! mijn jongen!" antwoordde Mary, "wat zou vader gelukkig zijn, als hij u hooren kon! Wat gelijkt gij toch, lieve Robert! op dien teergeliefden vader! Wanneer gij een man zijt, zult gij even zoo zijn als hij!"
"Dat geve God, Mary!" zeide Robert, die schaamrood werd van heiligen en kinderlijken trots.
"Maar hoe zullen wij onze schuld jegens lord en lady Glenarvan voldoen?" hernam Mary Grant.
"O, dat zal niet moeijelijk vallen!" riep Robert in zijn kinderlijk vertrouwen. "Men bemint ze, men eert ze, dat vertelt men hun, men omhelst ze teeder, en bij de eerste gelegenheid de beste laat men zich voor hen doodschieten!"
"Leef liever voor hen!" riep het meisje, terwijl zij het voorhoofd haars broeders met kussen bedekte. "Dat zullen zij liever hebben—en ik ook!"
In gepeins verzonken keken de twee kinderen van den kapitein elkander zwijgend aan bij het flaauwe licht der sterren. In gedachten spraken, vroegen en antwoordden zij elkander toch nog. De kalme zee golfde zacht, en de schroef deed de lichtende golven uiteenspatten.
Nu had er iets vreemds en inderdaad bovennatuurlijks plaats. Broeder en zuster ondervonden door die aantrekkingskracht, die op geheimzinnige wijze de zielen met elkander verbindt, tegelijk en op eens hetzelfde zinsbedrog.
Mary en Robert verbeeldden zich uit die afwisselend donkere en schitterende golven een stem te hooren opgaan, wier doffe en klagende toon al de vezelen van hun hart deed trillen.
"Help! help!" riep die stem.
"Hebt gij het gehoord?" zeide Robert, "gij hebt het gehoord!"
En over de verschansing leunende zagen beiden zoekend rond in den duisteren nacht.
Maar zij zagen niet dan de eindeloose schaduw, die zich voor hen uitstrekte.
"Robert!" zeide Mary, bleek van ontsteltenis, "ik heb gemeend.... Ja, ik heb gemeend evenals gij.... Wij hebben beiden de koorts, beste Robert!..."
Maar daar trof een nieuw geroep hun oor, en thans was de begoocheling zoo sterk, dat beiden te gelijk uitriepen:
"Vader! vader!..."
Dat was te veel voor Mary Grant. Door de aandoening geschokt, viel zij bewusteloos in Roberts armen.
"Help!" riep Robert. "Zuster! vader! help!"
De man aan het roer kwam aanloopen om het meisje op te helpen. De wachthebbende matrozen kwamen erbij, vervolgens John Mangles, lady Helena en Glenarvan, die verschrikt ontwaakt waren.
"Mijn zuster sterft en daar is vader!" riep Robert op de golven wijzende.
Men begreep niets van hetgeen hij zeide.
"Zeker!" herhaalde hij. "Daar is vader! Ik heb vaders stem gehoord! Mary heeft ze ook gehoord!"
Mary, die weer bijgekomen was, riep nu ook radeloos en waanzinnig uit:
"Vader! daar is vader!"
Het ongelukkige meisje stond op, bukte over de leuning en wilde in zee springen.
"Mylord! mevrouw Helena!" herhaalde zij met gevouwen handen, "ik zeg u dat vader daar is! Ik verzeker u, dat ik zijn stem uit de golven heb hooren opstijgen als een jammerklagt, als een laatst vaarwel!"
Nu overvielen het arme kind weder kramp en stuiptrekkingen. Zij sloeg wild in het rond. Zij moest naar haar hut worden gebragt, en lady Helena volgde haar om haar te verplegen, terwijl Robert altijd maar riep:
"Vader! daar is vader! Ik ben er zeker van, mylord!"
De getuigen van dit droevig tooneel begrepen eindelijk, dat de twee kinderen van den kapitein de speelbal waren geweest van een verstandsverbijstering. Maar hoe kon men hun zoo fel geschokte zinnen weder tot rust brengen?
Glenarvan beproefde het echter. Hij vatte Robert bij de hand en zeide:
"Hebt gij uwe vaders stem gehoord, beste jongen?"
"Ja, mylord! Daar, in het midden der golven! Hij riep: Help! help!"
"En hebt gij die stem herkend?"
"Dat zou ik denken, mylord! O, ja! ik zweer het u! Mijn zuster heeft ze ook gehoord, ook herkend evenals ik! Hoe kunt gij zeggen, dat wij ons beiden bedrogen hebben? Mylord! laat ons vader gaan helpen! Een boot! een boot!"
Glenarvan zag wel, dat hij het den armen knaap niet uit het hoofd kon praten. Toch deed hij nog een laatste poging en riep den man aan het roer.
"Hawkins!" vroeg hij hem, "stondt gij aan het roer, toen miss Mary dat vreemde toeval kreeg?"
"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde Hawkins.
"En hebt gij niets gezien, niets gehoord?"
"Niets."
"Gij ziet het, Robert!"
"Als het de vader van Hawkins geweest was," antwoordde de knaap met ontembaar vuur, "zou Hawkins niet zeggen, dat hij niets gehoord had. Het was mijn vader, mylord! mijn vader! mijn vader!..."
Roberts stem werd door snikken gesmoord. Ook hij viel bleek en sprakeloos in zwijm.
Glenarvan liet Robert in zijn bed leggen, waar het kind, door aandoening uitgeput, in een diepe sluimering verzonk.
"Arme weezen!" zeide John Mangles, "God beproeft ben vreeselijk!"
"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de overmaat van smart zal bij beiden op hetzelfde oogenblik een gelijke verstandsverbijstering teweeg gebragt hebben."
"Bij beiden?" mompelde Paganel, "dat is vreemd! De zuivere wetenschap zou dat niet erkennen."
Vervolgens bukte Paganel op zijn beurt over de verschansing, en luisterde scherp toe, na allen een teeken gegeven te hebben om te zwijgen.
In het rond heerschte een ongestoorde stilte. Paganel praaide met luider stem. Hij kreeg geen antwoord.
"Dat is vreemd!" herhaalde de aardrijkskundige, terwijl hij naar zijn hut ging. "Een innige overeenstemming van gevoelens en smarten is niet voldoende om een natuurverschijnsel te verklaren!"
Den volgenden morgen, den 8sten Maart, waren ten vijf ure, toen de zon opging, al de passagiers, ook Robert en Mary, die men niet had kunnen tegenhouden, op het dek van de Duncan bijeen. Ieder wilde dat land onderzoeken, dat men den vorigen dag maar even gezien had.
De kijkers werden nieuwsgierig op de voornaamste punten des eilands gerigt. Het jagt stevende er op een mijl afstands langs. De geringste bijzonderheden waren zigtbaar.
Daar slaakte Robert op eens een kreet. De knaap beweerde twee mannen te zien heen en weer loopen en wenken, terwijl een derde een vlag zwaaide.
"De engelsche vlag!" riep John Mangles, die zijn kijker had genomen.
"Dat is waar!" riep Paganel zich driftig naar Robert wendende.
"Mylord!" zeide Robert bevend van aandoening, "mylord! indien gij niet wilt, dat ik naar het eiland zwem, zult gij een boot laten uitzetten. Ach, mylord! ik smeek u op mijn knieën, laat ik de eerste zijn, die aan land stap."
Niemand op het schip durfde spreken. Hoe! op dit eilandje onder dien zeven en dertigsten graad, drie mannen, schipbreukelingen, Engelschen! En elk herinnerde zich het gebeurde op den vorigen avond en die stem, welke Robert en Mary 's nachts gehoord hadden!... Hadden de kinderen zich misschien maar in één opzigt vergist? hadden zij werkelijk een stem gehoord, maar kon het de stem huns vaders zijn? neen, duizendmaal neen, helaas! En allen dachten aan de vreeselijke teleurstelling, die hen wachtte, vreesden, dat die nieuwe beproeving hun krachten zou te boven gaan! maar hoe hen te weerhouden? Lord Glenarvan had er den moed niet toe.
"In de boot!" beval hij.
In een minuut was de boot in zee. De twee kinderen van den kapitein, Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten er in, en ze stak snel van boord door zes matrozen voortbewogen, die hard roeiden.
Tien vademen van den oever af uitte Mary een hartverscheurenden kreet:
"Vader!"
Op de kust stond iemand tusschen twee andere mannen in. Zijn groote en sterke gestalte, zijn tegelijk zachtmoedig en vermetel gelaat, een duidelijk mengsel van de trekken van Mary en Robert Grant, bewezen genoeg, dat hij de man zijn moest, dien de twee kinderen zoo dikwijls hadden afgeschilderd. Hun hart had hen niet bedrogen! Het was hun vader, het was kapitein Grant.
Op de kust stond iemand....

De kapitein hoorde den uitroep van Mary, breidde de armen uit en viel als door den bliksem getroffen op het zand.
XXI.
Het eiland Tabor.
Men sterft niet van vreugde; want vader en kinderen waren reeds bijgekomen, nog voor men hen op het jagt had opgenomen. Wie zou dat tooneel kunnen schetsen? Woorden zijn daartoe onvermogend. De geheele bemanning weende op het gezigt dier drie wezens, die elkander sprakeloos omhelsden.
Zoodra Harry Grant het dek betrad, boog hij zijn knie. De vrome Schot wilde, nu hij als het ware op vaderlandschen bodem stond, voor alles God voor zijn verlossing danken.
Daarop wendde hij zich tot lady Helena, tot lord Glenarvan en allen, die hem omringden, om hen met een door aandoening gesmoorde stem te danken. In weinige woorden hadden zijn kinderen hem op den korten togt van het eiland naar het jagt de geheele geschiedenis der Duncan verhaald.
Welk een ontzettende schuld had hij aangegaan jegens die edele vrouw en haar reisgenooten! Hadden niet allen, van lord Glenarvan af tot den geringsten matroos toe, voor hem gestreden en geleden? Harry Grant uitte de gevoelens van dankbaarheid, waarmede zijn hart vervuld was, met zooveel eenvoudigheid en zielegrootheid; zijn mannelijk gelaat toonde zulk een zuivere en zachte ontroering, dat de geheele bemanning zich ruimschoots beloond achtte voor het doorgestane lijden. Zelfs in het oog van den koelen majoor welde een traan, dien hij niet kon wegdringen. En de waardige Paganel weende als een kind, dat er niet eens aan denkt om zijn tranen te verbergen.
Harry Grant werd niet moede zijn dochter aan te zien. Hij vond haar schoon, bekoorlijk! hij zeide het haar en herhaalde het luide, tevens lady Helena tot getuige nemende, als om zich te verzekeren, dat zijn vaderliefde hem niet misleidde. Daarop rigtte hij zich tot zijn zoon en riep verrukt uit:
"Wat is hij gegroeid! Hij is een heele kerel geworden!"
En hij deelde aan die twee dierbare wezens mildelijk de duizend kussen uit, die een afzijn van twee jaren in zijn hart had opgehoopt.
Robert stelde hem één voor één al zijn vrienden voor, en wist telkens zijn uitdrukkingen af te wisselen, hoewel hij van allen hetzelfde te zeggen had! Want de een zoowel als de andere, allen waren goed geweest voor de twee weezen. Toen de beurt aan John Mangles kwam om voorgesteld te worden, bloosde de kapitein als een meisje, en zijn stem beefde, toen hij den vader van Mary beantwoordde.
Lady Helena vertelde nu aan kapitein Grant de geheele reis en maakte hem trotsch op zijn zoon, trotsch op zijn dochter.
Harry Grant vernam de moedige daden van den jongen held, en hoe dit kind reeds een gedeelte der vaderlijke schuld bij lord Glenarvan had afbetaald. John Mangles sprak op zijn beurt over Mary op zulk een wijze, dat Harry Grant, die reeds van lady Helena vernomen had, hoe de zaken stonden, de band zijner dochter in de forsche hand van den jeugdigen kapitein legde, en zich tot lord en lady Glenarvan wendde met de woorden:
"Mylord! en gij, mevrouw! laten wij onze kinderen zegenen!"
Toen alles wel voor de duizendste maal verteld was, deelde Glenarvan aan Harry Grant de geheele toedragt van het gebeurde met Ayrton mede. Grant bevestigde de bekentenis van den bootsman betreffende diens ontscheping op de australische kust.
"Het is een schrandere en vermetele kerel," voegde hij er bij, "dien zijn hartstogten op een verkeerden weg hebben gebragt. Mogten nadenken en berouw hem tot betere inzigten leiden!"
Maar voor Ayrton naar het eiland Tabor werd overgebragt, wilde Harry Grant de eer zijner rots bij zijn nieuwe vrienden ophouden. Hij noodigde hen uit om zijn houten huis te bezoeken en zich neer te zetten aan de tafel van den oceanischen Robinson.
Glenarvan en zijn gasten namen dit verzoek bereidwillig aan. Robert en Mary Grant brandden van begeerte om die eenzame plekken te zien, waar de kapitein hen zoo menigmaal had beschreid.
Er werd een boot bemand, en de vader, de twee kinderen, lord en lady Glenarvan, de majoor, John Mangles en Paganel landden weldra op de kust des eilands.
In eenige uren had men het geheele gebied van Harry Grant doorkruist. Het was eigenlijk slechts de kruin van een klip, een vlak, bezaaid met basaltblokken en vulkanische uitwerpselen. Bij de wording der aarde was die berg door de werking van het onderaardsche vuur langzaam opgerezen uit de afgronden van de Stille Zuidzee; maar sedert eeuwen reeds was de vulkaan een rustige berg en zijn gedempte krater een door de golven bespoeld eiland geworden. Daarop ontstond er teelaarde; het plantenrijk maakte zich van dien nieuwen bodem meester; eenige walvischvaarders bragten er zeker huisdieren, geiten en varkens die in verwilderden toestand vermenigvuldigden, en de natuur werd door haar drie rijken vertegenwoordigd op dit eenzame eiland in het midden van den oceaan.
Toen de schipbreukelingen der Britannia er een toevlugtsoord hadden gevonden, bragt de hand des menschen orde en regelmaat in de pogingen der natuur. In derdehalf jaar veroorzaakten Harry Grant en zijn matrozen een geheele omkeering op hun eiland. Verscheidene zorgvuldig bebouwde akkers land bragten uitstekende groenten voort.
De bezoekers bereikten het door groene gomboomen beschaduwde huis; voor zijn vensters lag de prachtige zee, die in de stralen der zon schitterde. Harry Grant liet de tafel aanrigten in de schaduw der schoone boomen en allen plaatsten zich er om heen. Een geitebout, nardoibrood, melkspijs, twee of drie schotels wilde chicorei, zuiver en frisch water, ziedaar de geregten, waaruit dit eenvoudige echt herderlijk maal bestond.
Paganel was in de wolken. Zijn oude voorliefde om den Robinson te spelen kwam weer bij hem boven.
"Die schurk van een Ayrton zal niet te beklagen zijn!" riep hij in vervoering uit. "Dit eilandje is een paradijs."
"Ja!" antwoordde Harry Grant, "een paradijs voor drie arme schipbreukelingen, die de Hemel er in het leven houdt! maar het spijt mij, dat Maria Theresa niet een groot en vruchtbaar eiland is, met een rivier in plaats van een beek, en een haven in plaats van een inham, aan de zeewinden blootgesteld."
"Dit eilandje is een paradijs."

"En waarom, kapitein?" vroeg Glenarvan.
"Omdat ik er dan de volkplanting zou aangelegd hebben, waarmede ik Schotland in de Stille Zuidzee wil begiftigen."
"Ha, kapitein Grant!" zeide Glenarvan, "hebt gij dan bet denkbeeld niet opgegeven, dat u zoo geliefd heeft gemaakt in ons Oud-Schotland?"
"Neen, mylord! en God heeft mij door uwe hand alleen gered om mij gelegenheid te geven het uit te voeren. Onze arme broederen in Caledonië, allen die lijden, moeten op een nieuwen grond een schuilplaats vinden tegen de ellende! Ons dierbaar vaderland moet in deze zeeën een eigene kolonie bezitten, die het alleen toebehoort, waar het die onafhankelijkheid en die welvaart, welke het in Europa mist, eenigzins terugvindt!"
"Dat is goed gezegd, kapitein Grant!" antwoordde lady Helena. "Het is een mooi plan en een groot hart waardig! Maar dit eilandje?..."
"Neen, mevrouw! het is een rots, die hoogstens goed is om eenige kolonisten te voeden, terwijl wij een groot land noodig hebben, dat nog in het volle bezit zijner natuurschatten is!"
"Welnu, kapitein!" riep Glenarvan "de toekomst behoort ons, en dat land zullen wij zamen zoeken!"
Harry Grant en Glenarvan wisselden een warmen handdruk, als om die belofte te bezegelen.
Nu wilden allen nog op dit eiland, in dit nederige huis de geschiedenis van de schipbreukelingen der Britannia gedurende die twee lange jaren van verlatenheid hooren.
Harry Grant haastte zich om aan het verlangen zijner nieuwe vrienden te voldoen en verhaalde het volgende:
"Mijn geschiedenis is die van alle Robinsons, welke op een eiland worden geworpen, en die alleen op God en zichzelven kunnende rekenen, gevoelen, dat zij verpligt zijn hun leven aan de elementen te betwisten.
"In den nacht van den 26sten op den 27sten Junij 1862 verging de Britannia, door een zesdaagschen storm zwaar gehavend, op de rotsen van Maria Theresa. De zee was hoogst onstuimig, redding onmogelijk, en mijn geheele bemanning kwam ellendig om. Ik en mijn beide matrozen Bob Learce en Joe Bell waren de eenigen, die na twintig vruchtelooze pogingen de kust mogten bereiken!
"Het land, waar wij aanspoelden, was slechts een verlaten eilandje; twee mijlen breed en vijf lang, met een dertigtal boomen in het midden, eenige weiden en een bron van frisch water, die gelukkig nooit uitdroogde. Met mijn twee matrozen alleen in dezen uithoek der aarde, wanhoopte ik niet. Ik stelde mijn vertrouwen op God en maakte mij gereed tot een hardnekkige worsteling. Bob en Joe, mijn wakkere deelgenooten in het ongeluk, stonden mij krachtdadig bij.
"Wij begonnen, evenals de denkbeeldige Robinson van Daniel De Foe, ons voorbeeld, met het hout, dat van het schip aan den wal dreef, werktuigen, wat kruid, wapens en een zak kostbare zaden te verzamelen. De eerste dagen waren moeijelijk; maar weldra voorzagen jagt en vischvangst overvloedig in ons voedsel: want in het binnenland hielden zich een menigte wilde geiten op en de kusten wemelden van zeedieren. Langzamerhand rigtten wij ons behoorlijk in.
"Ik was naauwkeurig bekend met de ligging des eilands door mijn instrumenten, die ik uit de schipbreuk gered had. Daaruit bleek het ons, dat geen schepen hier zouden komen, en dat wij alleen door een goddelijke bestiering gered konden worden. Ofschoon denkende aan degenen, die mij dierbaar waren en die ik nooit terug meende te zien, onderwierp ik mij moedig aan die beproeving, en dagelijks sloot ik den naam mijner twee kinderen in mijn gebeden in.
"Intusschen werkten wij stevig door. Weldra waren verscheidene akkers lands met de zaden der Britannia bezaaid; aardappelen, chicorei en zuring leverden ons een gezond voedsel; later nog andere groenten. Wij vingen eenige geiten, die spoedig tam werden. Wij hadden melk en boter. De nardoi, die in de uitgedroogde kreken groeide, verschafte ons een vrij stevig brood, en de zorg voor onze ligchamelijke behoeften verontrustte ons niet.
"Wij hadden van het wrak der Britannia een houten huis gebouwd; het werd met goedgeteerde zeilen belegd, en onder dat stevige dak verliep de regentijd gelukkig. Daar werden heel wat plannen, heel wat droomen besproken, waarvan de beste verwezenlijkt is!
"Eerst dacht ik er aan om de zee te trotseeren met een boot, van het wrak van het schip gemaakt; maar vijftien honderd mijlen scheidden ons van het naaste land, dat is te zeggen van de Pomotoe-eilanden. Geen boot was tegen zulk een langen togt bestand. Ik zag er daarom van af en wachtte mijn redding alleen nog van goddelijke tusschenkomst.
"Ach, lieve kinderen! hoe menigmaal hebben wij op de rotsen staande naar schepen uitgezien! Zoo lang onze ballingschap duurde, vertoonden zich maar twee of drie zeilen aan den gezigteinder, die terstond weder verdwenen. Zoo verliepen derdehalf jaar. Wij hoopten niet meer, maar wanhoopten nog niet.
"Gisteren eindelijk had ik den hoogsten top des eilands beklommen, toen ik in het westen een ligten rook zag opstijgen. Hij werd al zwaarder. Weldra ontwaarde mijn oog een schip. Het scheen op ons aan te houden. Maar zou het dit eilandje niet vermijden, dat geen ankerplaats aanbood?
"Ach, welk een angstvolle dag! Het is te verwonderen dat mijn hart niet in mijn borst verpletterd is! Mijn makkers legden een vuur aan op een der rotstoppen van Maria Theresa. Het werd nacht, maar het jagt gaf geen enkel bewijs, dat het ons had opgemerkt! Toch lag onze redding daar! Zouden wij weder onze hoop zien verijdelen?"
"Ik aarzelde niet langer. De duisternis nam toe. Het vaartuig kon in den nacht het eiland omvaren. Ik sprong in zee en zwom er heen. De hoop verdriedubbelde mijne krachten. Met bovenmenschelijke inspanning kliefde ik de golven! Ik naderde het jagt en was er nog maar dertig vademen van af, toen het wendde!
"Toen hief ik dat noodgeschrei aan, dat mijn twee kinderen alleen konden hooren, en dat geen inbeelding is geweest.
"Daarop kwam ik weer aan land, uitgeput en krachteloos door aandoening en vermoeidheid. Mijn twee matrozen namen mij half dood op. Die laatste nacht, welken wij op het eiland doorbragten, was allervreeselijkst, en wij achtten ons reeds voor altijd verlaten, toen ik bij het aanbreken van den dag het jagt langzaam op en neer zag stoomen. Uw boot werd uitgezet.... Wij waren gered, en door Gods goedheid waren mijn kinderen er bij, die mij de armen toestaken!"
Het slot van het verhaal van Harry Grant werd door de kussen en liefkozingen van Mary en Robert telkens afgebroken. En nu eerst vernam de kapitein, dat hij zijn redding te danken had aan het tamelijk raadselachtig document, dat hij acht dagen na zijn schipbreuk in een flesch gedaan en aan de genade der golven toevertrouwd had.
Maar wat dacht Paganel wel bij dat verhaal van kapitein Grant? De waardige aardrijkskundige zette wel voor de duizendste maal de woorden van bet document in gedachten om! Hij peinsde weder over die drie opeenvolgende, alle drie valsche verklaringen! Hoe was het eiland Maria Theresa dan toch aangeduid op die door het zeewater beschadigde papieren?
Paganel kon het niet langer uithouden. Hij greep de hand van Harry Grant en riep:
"Zeg mij toch eens, kapitein! wat er wel op uw onleesbaar papier stond?"
Door deze vraag van den aardrijkskundige werd de algemeene nieuwsgierigheid opgewekt; want nu zou het raadsel, waartoe zij reeds negen maanden lang den sleutel zoekten, opgelost worden!
"Welnu, kapitein!" vroeg Paganel, "herinnert gij u den juisten inhoud van het document?"
"Zeker," antwoordde Harry Grant. "Geen dag verliep, zonder dat ik mij die woorden te binnen bragt, waarop al onze hoop was gevestigd."
"En welke waren het, kapitein?" vroeg Glenarvan. "Spreek! want onze eigenliefde is gekwetst."
"Ik ben gereed aan uw verlangen te voldoen," antwoordde Harry Grant; "maar gij weet, dat ik om de kansen op redding te vermeerderen, drie documenten in drie talen geschreven in de flesch heb gedaan. Welk verlangt gij nu te kennen?"
"Zijn ze dan niet gelijkluidend?" riep Paganel.
"Ja, op éénen naam na."
"Welnu! zeg dan het fransche document op," hernam Glenarvan. "De golven hebben dit het meest ontzien en daarom heeft het voornamelijk den grondslag onzer uitleggingen uitgemaakt."
"Mylord! het luidde woordelijk als volgt:" antwoordde Harry Grant,
"Den 29sten Junij 1862 is de driemaster Britannia van Glasgow vergaan op vijftien honderd uren van Patagonië, op het zuidelijk halfrond. Aan land gekomen, hebben twee matrozen en kapitein Grant bet eiland Tabor bereikt...."
"Wat blieft!" riep Paganel.
"Daar," hernam Harry Grant, "hebben zij, steeds ter prooi aan vreeselijk gebrek, dit document op 153° lengte en 37°11' breedte in zee geworpen. Kom hun te hulp of zij zijn verloren".
Op dien naam Tabor was Paganel driftig opgerezen; vervolgens riep hij, daar hij zich niet langer bedwingen kon:
"Hoe! het eiland Tabor! maar het is het eiland Maria Theresa!"
"Zeker, mijnheer Paganel!" antwoordde Harry Grant, "Maria Theresa op de engelsche en duitsche kaarten, maar Tabor op de fransche!"
Nu kreeg Paganel zoo'n geduchten vuistslag op den schouder, dat hij ineenkromp. De waarheid verpligt ons te zeggen, dat het de majoor was, die, thans voor het eerst zijn ernst en gewone wellevendheid verloochenende, hem zoo onzacht behandelde.
"Aardrijkskundige!" zeide Mac Nabbs op den toon der diepste verachting.
Maar Paganel had de hand van den majoor niet eens gevoeld. Wat beteekende dat, vergeleken bij de schande, die hem als aardrijkskundige trof!
Zoo was hij dan, gelijk hij aan kapitein Grant vertelde, langzamerhand digter bij de waarheid gekomen! Hij had het onverklaarbare document bijna geheel ontcijferd! Beurtelings waren de namen Patagonië, Australië, Nieuw-Zeeland hem als ontwijfelbaar juist voorgekomen. Contin, eerst continent (vastland), had allengs zijn ware beteekenis van continuel (steeds) gekregen. Indi had voor en na beteekend indiens (Indianen), indigènes (inboorlingen), ten slotte indigence (gebrek), zijn ware beteekenis. Alleen het beschadigde woord "abor" had de scherpzinnigheid van den aardrijkskundige te schande gemaakt! Paganel had er hardnekkig den stam van het werkwoord aborder (aanlanden) in gezien, terwijl het de eigennaam, de fransche naam was van het eiland Tabor, dat den schipbreukelingen der Britannia tot verblijfplaats strekte! Die dwaling was echter moeijelijk te vermijden; want de engelsche kaarten van de Duncan gaven aan dit eilandje den naam Maria Theresa.
"Dat maakt niet uit!" riep Paganel, zich de haren uit het hoofd trekkende, "ik had die dubbele benaming niet moeten vergeten! Dit is een onvergefelijke fout, een ongehoorde dwaling voor een secretaris der Maatschappij van aardrijkskunde! Ik ben onteerd."
"Matig toch uw droefheid, mijnheer Paganel!" zeide lady Helena.
"Neen, mevrouw! neen! ik ben een ezel!"
"Een geleerde ezel!" voegde de majoor er troostend bij.
Toen het maal afgeloopen was, bragt Harry Grant alles in zijn huis in orde. Hij nam niets mee; hij wilde dat de schuldige de rijkdommen van den braven man erven zou.
Men keerde naar boord terug. Glenarvan was voornemens nog dien dag te vertrekken en gaf de noodige bevelen om den bootsman aan land te brengen. Ayrton verscheen op de kampanje en stond voor Harry Grant.
"Ik ben het, Ayrton!" zeide Grant.
"Dat zie ik, kapitein!" antwoordde Ayrton zonder eenige verbazing aan den dag te leggen over het wedervinden van Harry Grant. "Welnu! het doet mij geen leed, dat ik u in welstand terugzie."
"Het schijnt, Ayrton! dat ik een fout heb begaan, toen ik u op een bewoonde kust aan land zette."
"Dat schijnt zoo, kapitein!"
"Gij zult mij op dat onbewoonde eiland vervangen. Moge de hemel u tot inkeer brengen!"
"Dat zij zoo!" antwoordde Ayrton bedaard.
Vervolgens sprak Glenarvan den bootsman aldus aan:
"Blijft gij bij uw verlangen, Ayrton! om aan wal te worden gebragt?"
"Ja, mylord!"
"Staat het eiland Tabor u aan?"
"Volmaakt."
"Luister dan naar mijn laatste woorden, Ayrton! Hier zult gij van de geheele aarde afgezonderd en buiten aanraking zijn met uw medemenschen. Wonderen zijn zeldzaam, en gij zult dit eilandje niet kunnen ontvlugten, waar de Duncan u achterlaat. Gij zult alleen zijn, onder het oog van een God, die tot op den bodem des harten leest; maar gij zult niet verloren noch onbekend zijn, zooals kapitein Grant was. Hoe zeer gij ook onwaardig zijt, dat iemand aan u denkt, zullen de menschen u toch niet vergeten. Ik weet waar gij zijt, Ayrton! Ik weet, waar ik u terugvinden kan, ik zal u niet vergeten."
"God behoede Uwe Edelheid!" was alles wat Ayrton antwoordde.
Dat waren de laatste woorden, die tusschen Glenarvan en den bootsman gewisseld warden. De boot was gereed. Ayrton stapte er in.
John Mangles had vooraf eenige kisten met verduurzaamde levensmiddelen, kleederen, gereedschappen, wapens, kruid en lood naar het eiland laten brengen. De bootsman kon dus door den arbeid herschapen worden, niets ontbrak hem, zelfs geen boeken, o.a. de Bijbel, die zoo dierbaar is aan de harten der Engelschen.
Het scheidensuur was geslagen. De bemanning en de passagiers stonden op het dek. Meer dan één voelde zijn hart wegkrimpen. Mary Grant en lady Helena konden haar aandoening niet verbergen.
"Is er niets aan te doen?" vroeg de jeugdige gade haren echtgenoot, "moet die ongelukkige verstooten worden?"
"Er is niets aan te doen, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Het is de boete!"
Nu stak de boot af onder bevel van John Mangles. Ayrton stond, kalm als altijd, overeind, nam den hoed af en groette deftig.
Glenarvan ontblootte met de geheele bemanning het hoofd, zooals men doet voor een stervende, en de boot voer in diepe stilte weg.
Zoodra Ayrton aan wal kwam, sprong hij op het strand, en keerde de boot naar het schip terug. Het was nu 's namiddags vier ure, en de passagiers konden op de kampanje zien, dat de bootsman met over elkander geslagen armen, zoo onbewegelijk als een standbeeld naar het schip staarde.
...de bootsman met over elkander geslagen armen, zoo onbewegelijk als een standbeeld....

"Vertrekken wij, mylord?" vroeg John Mangles.
"Ja, John!" antwoordde Glenarvan, meer ontroerd dan hij wilde laten blijken.
"Volle kracht!" beval John den machinist.
De stoom ontweek fluitend uit de stoompijp, de schroef beukte de golven, en ten acht ure verdwenen de laatste toppen van het eiland Tabor in de duisternis van den nacht.
XXII.
De laatste verstrooidheid van Jacques Paganel.
Elf dagen nadat zij van het eiland was vertrokken, den 18den Maart, kreeg de Duncan de amerikaansche kust in het gezigt, en den volgenden dag liet ze het anker vallen in de baai van Talcahuano.
Zij kwam daar terug na een reis van vijf maanden, gedurende welke zij, zonder afwijking den zeven en dertigsten breedtegraad volgende, de wereld was rondgereisd. De ondernemers van dien gedenkwaardigen togt, zonder wedergade in de jaarboeken der Reizigers club, hadden Chili, de Pampa's, de Argentijnsche republiek, den Atlantischen oceaan, de eilanden Tristan d'Acunha, de Indische zee, de eilanden Amsterdam, Australië, Nieuw-Zeeland, het eiland Tabor en de Stille Zuidzee bereisd. Hun pogen was niet ijdel geweest: zij bragten de schipbreukelingen der Britannia mede.
Niet een der wakkere Schotten, die op de stem van hun heer waren vertrokken, ontbrak bij de oproeping, allen keerden in hun Oud-Schotland terug, en deze reis had veel overeenkomst met den "tranenloozen" slag der oude geschiedenis.
Zoodra de Duncan nieuwen voorraad ingenomen had, stevende zij langs de kusten van Patagonië, voer om kaap Hoorn en stak den Atlantischen oceaan over.
Geen enkel meldenswaardig voorval had er op die reis plaats. Het jagt bevatte een geheele lading geluk. Er bestond geen geheim meer aan boord, niet eens de gevoelens, die John Mangles koesterde voor Mary Grant.
Ja toch, nog één. Mac Nabbs liep nog altijd met iets rond. Waarom hield Paganel toch altijd zoo stijf zijn kleeren gesloten, en verborg hij neus en ooren in een cache-nez? De majoor brandde van begeerte om de reden van die zonderlinge handelwijze te kennen. Maar het moet gezegd worden, Mac Nabbs mogt vragen, zinspelen, vermoedens koesteren, zooveel hij wilde, Paganel knoopte zijn jas niet los.
Zelfs niet toen de Duncan de linie passeerde en het pek tusschen de naden van het dek smolt onder een warmte van vijftig graden.
"Hij is zoo verstrooid, dat hij zich verbeeldt te St. Petersburg te zijn!" zeide de majoor, toen hij den aardrijkskundige zich in een ruimen winterjas zag wikkelen, alsof het kwik in den thermometer bevroren was.
Den 9den Mei eindelijk, drie en vijftig dagen na het vertrek uit Talcahuano, peilde John Mangles het kustlicht van kaap Clear. Het jagt voer het St. George-kanaal in, de Iersche zee door, en liep den 10den Mei de golf van Clyde binnen. Ten elf ure ankerde het te Dumbarton. 's Namiddags ten twee ure deden de reizigers hun intogt in het kasteel Malcolm onder het vreugdegejuich der Hooglanders.
De terugkeer op Malcolm Castle.

Het stond dus geschreven, dat Harry Grant en zijn twee medgezellen gered zouden worden, dat John Mangles met Mary Grant zou huwen in de oude hoofdkerk van St. Mungo, waar de eerwaarde Paxton, na negen maanden vroeger voor het behoud des vaders te hebben gebeden, nu het huwelijk der dochter met zijn redder inzegende. Het stond dus geschreven, dat Robert een zeeman zou zijn, gelijk Harry Grant, een zeeman, gelijk John Mangles, en dat hij met hen de grootsche plannen van den kapitein weder zou opvatten onder de hooge bescherming van lord Glenarvan.
Maar stond het ook geschreven, dat Jacques Paganel niet als een oude vrijer sterven zou? Waarschijnlijk niet.
Na zijn gevaarvollen togt kon het immers niet anders, of de faam moest den roem van den geleerden aardrijkskundige uitbazuinen. Zijn verstrooidheid deed opgeld in de groote wereld van Schotland. Men betwistte hem elkaar en zijn hoofd duizelde van al de beleefdheden, die men hem bewees.
En nu bragten de buitengewone lotgevallen van den aardrijkskundige een lieftallige dertigjarige dame, niemand minder dan de nicht van Mac Nabbs, die zelve wat wonderlijk, maar goed en aardig was, het hoofd zoo op hol, dat zij hem haar hand aanbood. Daar lag een millioen in, maar dat werd verzwegen.
Paganel was volstrekt niet ongevoelig voor miss Arabella; maar toch durfde hij zich niet te verklaren.
De majoor nam de taak op zich om twee harten, die voor elkander geschapen waren, tot één te brengen. Hij zeide zelfs tegen Paganel, dat het huwelijk de "laatste verstrooidheid" was, die hij zich mogt veroorloven.
Paganel werd daardoor sterk in het naauw gebragt; maar, hoe vreemd het ook moge klinken, het noodlottige woord kwam niet over zijn lippen.
"Staat miss Arabella u niet aan?" vroeg Mac Nabbs hem telkens.
"O, majoor! zij is bekoorlijk," riep Paganel, "duizendmaal te bekoorlijk, en om u de waarheid te zeggen zou ik wel wenschen, dat zij het wat minder was! Had zij ten minste maar één gebrek."
"Wees maar gerust!" antwoordde de majoor, "zij bezit er wel meer dan één! De volmaaktste vrouw is er altijd behoorlijk mede bedeeld. Is de zaak nageklonken, Paganel?"
"Ik durf niet," hernam Paganel.
"Kom aan, geleerde vriend! waarom aarzelt gij?"
"Ik ben miss Arabella onwaardig," bleef onveranderlijk het antwoord van den aardrijkskundige.
Hij riep maar niets anders.
Toen de onhandelbare majoor hem het vuur eens na aan de schoenen gelegd had, vertrouwde hij hem eindelijk onder het zegel der geheimhouding een bijzonderheid toe, waaraan hij altijd te herkennen zou zijn, wanneer de politie hem ooit achterna zat.
"Ba," riep de majoor.
"Het is zooals ik zeg!" antwoordde Paganel.
"Wat maakt dat uit, beste vriend?"
"Denkt gij dat?"
"Integendeel! Gij zijt er nog te zonderlinger door! Dat vermeerdert uw persoonlijke verdienste. Dat maakt u tot den man zonder wederga, waarvan Arabella altijd droomt."
De majoor verloochende ook nu zijn onverstoorbaren ernst niet. Paganel was aan de vreeselijkste ongerustheid ter prooi.
Er had een kort gesprek plaats tusschen Mac Nabbs en miss Arabella.
Veertien dagen daarna werd er met veel drukte een huwelijk gesloten in de kapel van het kasteel Malcolm. Paganel was prachtig gekleed, maar tot de kin toe vastgeknoopt, en miss Arabella om te stelen.
Veertien dagen daarna werd er met veel drukte een huwelijk gesloten.

En dat geheim van den aardrijkskundige zou altijd in de afgronden der onbekendheid begraven zijn gebleven, wanneer de majoor er niet van gesproken had tegen Glenarvan, die het niet voor lady Helena verborg, en deze gaf er een wenk van aan mistress Mangles. Ten laatste kwam dit geheim ook ter ooren van de vrouw van Olbinett, en nu werd het wereldkundig.
Gedurende zijn driedaagsche gevangenschap bij de Maori's was Jacques Paganel getatoeëerd, en wel van de voeten tot de schouders, en op de borst droeg hij het beeld van een wapenkundigen kiwi, met uitgespreide vlerken, die in zijn hart pikte.
Dat was het eenige voorval op zijn groote reis, waarover Paganel zich niet troostte, en dat hij nooit aan Nieuw-Zeeland vergaf. Daarom ook wilde hij, ondanks alle verzoeken en hoezeer hijzelf er naar verlangde, niet naar Frankrijk terug keeren. Hij zou gevreesd hebben de geheele Maatschappij van aardrijkskunde in zijn persoon bloot te stellen aan de aardigheden der teekenaars van spotprenten en der kleine dagbladen, wanneer hij haar een pas getatoeëerden secretaris te huis bragt.
De terugkomst van den kapitein in Schotland werd als een voor het geheele land gewigtige gebeurtenis begroet en Harry Grant de meest gevierde man van Oud-Caledonië. Zijn zoon Robert is een zeeman geworden, gelijk hij, een zeeman, gelijk kapitein John, en onder begunstiging van lord Glenarvan heeft bij het plan weder opgevat om in de Stille Zuidzee een schotsche volkplanting te stichten.
EINDE.
Lijst van illustraties
(Uit de oorspronkelijke 19de eeuwse Franse ed., door Riou.)
01. Het was een brik, de Macquarie geheeten. 02. Glenarvan gallopeerde de weg naar Eden op. 03. Hij werd hevig bestookt door zeven praauwen. 04. Den 6den October 1769 verscheen de vermaarde Cook. 05. Mulrady en Wilson legden meer dan eens het roer om. 06. ... vier matrozen, goede schutters.... 07. Glenarvan bleef op het dek. 08. De fokkemast kwam met al het tuig naar beneden. 09. Hen onderste gedeelte van de steven was in de modder gezakt. 10. zij lieten het anker een halve kabellengte van het schip af op tien vaam water vallen. 11. Men ging aan het werk. 12. De marteling van de eerwaarde Walkner. 13. ... de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald. 14. Het werd nacht. 15. De dames van de eene hand in de andere overgaand. 16. Gesprek in de grot. 17. Jacob Louper hield zich aan het bootje vast. 18. De robben met hun ronde koppen.... 19. Het was de zeelandsche "kiwi." 20. Het was een kano van zeventig voet lang. 21. De stroom vloeide tusschen de warme bronnen door. 22. 's Middags voer de geheele vloot het Taupo meer op. 23. Glenarvan en zijn gezellen komen aan in de sterkte. 24. Robert klom op de schouders van Wilson. 25. "Taboe! Taboe!" riep Kai-Koemoe. 26. Dat was het sein tot een tooneel van kannibalisme. 27. De zaamgevouwen lijken werden er op geplaatst. 28. Glenarvan en Lady Helena lieten zich afglijden. 29. Omstreeks vijf ure brak de dag aan. 30. "Ga toch zitten, mylord!" 31. De hofmeester viel van den schrik achterover. 32. De werklieden gebruikten eenige palen als hefboomen. 33. Een vuurstroom steeg met hevige losbrandingen hemelwaarts. 34. Zeer doorschijnende zoutbronnen. 35. Een kogel boorde de praauw in den grond. 36. De terugkomst aan boord van de Duncan. 37. "Nooit! nooit!" riep Paganel uit. 38. Ayrton betrad het dek met vasten stap. 39. De twee vrouwen bleven met den bootsman opgesloten. 40. Ayrton vergenoegde zich met de schouders op te halen. 41. "Ik ben werkelijk Tom Ayrton.... 42. De beide kinderen van den kapitein keken bedroefd naar de lichtgevende zee.... 43. Op de kust stond iemand.... 44. "Dit eilandje is een paradijs." 45. ...de bootsman met over elkander geslagen armen, zoo onbewegelijk als een standbeeld.... 46. De terugkeer op Malcolm Castle. 47. Veertien dagen daarna werd er met veel drukte een huwelijk gesloten.