← Table of contents
De kinderen van Kapitein Grant, derde deel (van 3)

JULES VERNE. (continued 2)

Reading edition

"Zeker, waarde lord! en dan nog zal het jaren duren, voor de Maori's het zeelandsche vleesch ontwend zijn, dat ze boven alles verkiezen; want de zoons zullen lang beminnen wat hun vaders bemind hebben. Volgens hun zeggen heeft dat vleesch den smaak van varkensvleesch, maar met meer wildsmaak. Op blank vleesch zijn ze minder verlekkerd, omdat de blanken zout in hun eten doen, hetgeen hun een bijzondere geur heeft, die bij de lekkerbekken niet zeer getrokken is."

"Ze zijn nog al moeijelijk te voldoen!" zeide de majoor. "Maar eten ze dat blanke of zwarte vleesch raauw of gebraden?"

"Waar ge al niet naar vraagt, mijnheer Mac Nabbs!" riep Robert.

"Wel, mijn jongen!" antwoordde de majoor ernstig, "als ik ooit tot spijs moet strekken aan een menscheneter, zou ik liefst gebraden worden!"

"Waarom?"

"Om zeker te zijn, dat ik niet levend verslonden werd!"

"Goed, majoor!" hernam Paganel; "maar als gij nu eens levend gebraden werd?"

"In ieder geval," antwoordde de majoor, "zou ik het niet graag in mijn keus hebben."

"Dat mag wezen zooals het wil, Mac Nabbs! maar als het u genoegen doet," antwoordde Paganel, "weet dan, dat de Nieuw-Zeelanders het vleesch alleen gebraden of gerookt eten. Het zijn goed onderwezen menschen, die wel weten wat lekker smaakt. Maar wat mij aangaat, ik vind de gedachte van opgegeten te worden hoogst onaangenaam! Zijn leven te eindigen in de maag van een wilde, foei!"

"Het slot van dit alles is," zeide John Mangles, "dat wij niet in hun handen moeten vallen. Ook willen wij maar hopen, dat het christendom eenmaal die ijselijke gewoonten zal afschaffen."

"Ja, dat moeten wij hopen," antwoordde Paganel; "maar, geloof mij, een wilde, die menachenvleesch geproefd heeft, zal er niet ligt van afzien. Gij kunt er zelven over oordeelen uit deze twee feiten."

"Vertel ons die feiten, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Het eerste wordt medegedeeld in de Verslagen der Jezuïten-orde in Brazilië. Een portugeesch zendeling ontmoette eens een oude zeer zieke braziliaansche vrouw. Zij had nog maar weinige dagen te leven. De Jezuït onderrigtte haar in de waarheden van het christendom, die de stervende zonder tegenspraak aannam. Na het zielevoedsel dacht hij ook aan het voedsel des ligchaams, en bood der boetelinge eenige europeesche versnaperingen aan. "Helaas!" antwoordde de oude, "mijn maag kan volstrekt geen voedsel meer verdragen. Er is nog maar één ding, waarin ik trek zou hebben, maar bij ongeluk kan hier niemand het mij bezorgen."—"Wat is dat dan?" vroeg de Jezuït.—"Ach, mijn zoon! het is de hand van een jongentje! Ik verbeeld mij, dat ik die beentjes met smaak zou afkluiven!"

"Zoo! zoo! maar is dat dan goed?" vroeg Robert.

"Mijn tweede geschiedenis zal u het antwoord geven, mijn jongen!" hernam Paganel. "Eens verweet een zendeling aan een menscheneter die afgrijselijke gewoonte om menschenvleesch te eten, die strijdt met de goddelijke wetten. "En dus moet het slecht zijn," voegde hij er bij.—"Ach! vader!" antwoordde de wilde, terwijl hij een begeerigen blik op den zendeling sloeg, "zeg, dat God het verbiedt! Maar zeg niet, dat het slecht is! Als gij het maar eens gegeten hadt!..."

VII.

Eindelijk bereiken zij het land, dat zij moesten ontvlieden.

De feiten, door Paganel medegedeeld, waren ontegensprekelijk. De wreedheid der Nieuw-Zeelanders was aan geen twijfel onderhevig. Aan land gaan was dus met gevaar gepaard. Maar al was dat gevaar nog honderdmaal grooter geweest, men moest het tarten. John Mangles gevoelde de noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk een schip te verlaten, dat aan een zekeren ondergang was gewijd. Geen aarzeling was mogelijk bij de keus tusschen twee gevaren, waarvan het eene zeker, het andere slechts waarschijnlijk was.

En op de kans van door een schip opgenomen te worden viel eigenlijk niet te rekenen. De Macquarie lag niet op den weg der schepen, die naar Nieuw-Zeeland stevenen. Zij gaan óf noordelijker naar Auckland óf zuidelijker naar Nieuw-Plymouth. De schipbreuk had juist tusschen die twee punten plaats gehad, op het onbewoonde gedeelte der kust van Ika-Na-Maoeï. Die kust stond in een slechten reuk. De schepen doen hun uiterste best om ze te mijden, en zoo de wind hen er heenvoert, om zich zoo spoedig mogelijk er van te verwijderen.

"Wanneer zullen wij vertrekken?" vroeg Glenarvan.

"Morgen ochtend om tien ure," antwoordde John Mangles. "Dan komt de vloed opzetten, die ons aan land zal brengen."

Daags daaraan, den 5den Februarij, ten acht ure, was het vlot afgetimmerd. John had de uiterste zorg besteed aan het want. De voormars, die voor het uitbrengen der ankers gediend had, was niet toereikend om reizigers en levensmiddelen over te voeren. Een stevig vaartuig, dat bestuurd kon worden en in staat was om gedurende een overtogt van negen mijlen zee te bouwen, was een volstrekte behoefte. Het scheepswant alleen kon de noodige bouwstoffen daartoe opleveren.

Wilson en Mulrady waren aan het werk gegaan. Het tuig werd afgekapt en na een aantal bijlslagen viel de groote mast, die van onderen aangevallen werd, aan stuurboord over de verschansing, die onder zijn val kraakte. De Macquarie was nu zoo kaal als een pont.

De ondermast, de fokkesteng en de bramsteng werden doorgezaagd en gescheiden. Nu dreven de voornaamste stukken van het vlot. Zij werden met de overblijfselen van den fokkemast vereenigd en deze sparren stevig met elkander verbonden. John zorgde, dat er in de tusschenruimten een half dozijn leege vaten geplaatst werden, die het geheel boven water moesten houden.

Toen deze onderlaag goed vast was, had Wilson er een soort van openen vloer over gelegd, gemaakt van de roosters van het schip. De golven konden dus op het vlot breken zonder er op te blijven, en de reizigers waren beveiligd tegen nat worden. Ook vormden eenige stevig vastgezette watervaten een soort van cirkelvormig schanskleed en beschermden het vlot tegen de zware golven.

Toen John zag, dat de wind dien morgen gunstig was, liet hij midden op het vlot de bramra zetten bij wijze van een mast. Zij werd met touwen vastgemaakt en van een noodzeil voorzien. Een groote riem met een breed blad, die achter werd aangebragt, stelde hem in staat om het vlot te sturen, wanneer de wind het genoeg snelheid verleende.

Zoo kon dit goed zamengestelde vlot de deining weerstaan. Maar zou het naar het roer luisteren, zou het de kust bereiken, wanneer de wind eens omliep? dat was de vraag.

Ten negen ure begon men het te laden.

Eerst werden er genoeg levensmiddelen opgebragt om tot Auckland te strekken; want er viel niet te rekenen op de voortbrengselen van dien ondankbaren bodem.

Olbinett had nog wat over van het verduurzaamde vleesch, het overschot van de levensmiddelen, die voor de reis met de Macquarie waren aangekocht. Het beteekende echter niet veel. Men moest zich vergenoegen met den groven scheepskost, wat middelmatige scheepsbeschuit en twee vaatjes gezouten visch. De hofmeester schaamde zich de oogen uit het hoofd.

Deze levensmiddelen werden in luchtdigte, gestopte en voor het zeewater ondoordringbare kisten gedaan, vervolgens op het vlot gebragt en met sterke krabbers aan den voet van den noodmast vastgesjord. De wapenen en het kruid werden op een veilige drooge plaats gelegd. Gelukkig waren de reizigers goed gewapend met karabijnen en revolvers.

Ook een werpanker werd medegenomen, in geval John niet met één getij het land kon bereiken en dus in zee zou moeten ankeren.

Ten tien ure werd de vloed merkbaar. De wind was noordwest, wel zwak, maar gunstig. De oppervlakte der zee stond een weinig hol.

"Zijt gij gereed?" vroeg John Mangles.

"Alles in orde, kapitein!" antwoordde Wilson.

"Valt!" riep John.

Lady Helena en Mary Grant klommen een ruwe touwladder af en gingen aan den voet van den mast op de kisten met levensmiddelen zitten; haar reisgenooten omringden haar. Wilson greep het roer. John plaatste zich bij de geitouwen, en Mulrady hakte het sjortouw door, waarmede het vlot naast het schip vast lag.

Het zeil werd losgemaakt, en door tij en wind voortgestuwd zette het vlot koers naar de kust.

Het land was negen mijlen van hen af, een middelmatige afstand, dien een sloep met goede roeijers bemand in drie uren zou afgelegd hebben. Maar met het vlot zou het langer duren. Bleef de wind in dien hoek, dan kon men misschien in één getij de kust bereiken. Maar ging de wind liggen, dan zou de eb het doen afdrijven, en men zou ten anker moeten gaan om den volgenden vloed af te wachten. Dat was zeer bedenkelijk, en John Mangles maakte zich er ook wel ongerust over.

Toch gaf hij den moed niet op. De wind werd sterker. De vloed was om tien ure begonnen, en derhalve moesten zij ten drie ure landen, op straffe van het anker te moeten werpen of door het vallende water weer naar zee te worden gedreven.

Het begin van den overtogt was zeer gelukkig. Langzamerhand bedekten de vloedgolven de zwarte toppen der riffen en het gele tapijt der banken. Groote oplettendheid en buitengewone bekwaamheid waren noodig om die overstroomde ondiepten te mijden en een vaartuig te besturen, dat slecht naar het roer luisterde en ligt uit den koers dreef.

Om twaalf ure was het nog vijf mijlen van de kust. De tamelijk heldere lucht veroorloofde om het afwisselende voorkomen van den grond te onderscheiden. In het noord-oosten verhief zich een twee duizend vijf honderd voet hooge berg. Hij teekende zich op een vreemde wijze tegen den gezigteinder af, en zijn schaduwbeeld vertoonde den grijnzenden kop van een aap van ter zijde gezien, met den nek van boven. Het was de Pirongia, die volgens de kaart juist op acht en dertig graden breedte ligt.

Om half een wees Paganel, dat alle klippen onder het wassende water verdwenen waren.

"Op ééne na," antwoordde lady Helena.

"Welke, mevrouw?" vroeg Paganel.

"Daar," antwoordde lady Helena op een zwarte stip wijzende een mijl voor hen uit.

"Zoo waar," antwoordde Paganel. "Wij dienen ze goed in het oog te houden om er niet op te stooten; want de vloed zal ze weldra overdekken."

"Ze ligt juist voor den noordelijken top van den berg," zeide John Mangles. "Wilson! draag zorg, dat wij ze ter zijde laten liggen."

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, die met zijn geheele zwaarte op het ruwe roer ging liggen. In een half uur vorderden zij een halve mijl. Maar, wat vreemd was, de zwarte stip bleef maar altijd boven water.

John bezag ze naauwkeurig, en om ze nog beter waar te nemen, leende hij den kijker van Paganel.

"Dat is geen rif," zeide hij na een kort onderzoek, "dat is een drijvend voorwerp, dat met de golven op en neergaat."

"Is het soms een stuk van de masten der Macquarie?" vroeg lady Helena.

"Neen!" antwoordde Glenarvan, "geen stuk van het wrak heeft zoo ver kunnen afdrijven."

"Wacht eens!" riep John Mangles, "ik zie wat het is, het is de sloep!"

"De sloep van de brik!" riep Glenarvan.

"Ja, mylord! De sloep van de brik het onderst boven!"

"Die ongelukkigen!" riep lady Helena. "Zij zijn stellig verdronken!"

"Ja, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "en zij moesten verdrinken; want in deze branding op een holle zee, in dien duisteren nacht, liepen zij het verderf in den mond!"

"De hemel zij hun genadig!" mompelde Mary Grant. De passagiers zwegen eenige oogenblikken. Zij beschouwden het ranke bootje, dat al meer naderde. Het was zeker op vier mijlen van het land gestrand, en ongetwijfeld was geen een van de opvarenden gered.

"Maar die boot kan ons van dienst zijn," zeide Glenarvan.

"Dat is zoo," antwoordde John Mangles. "Zet den koers daarheen, Wilson!"

De rigting van het vlot werd eenigzins veranderd; maar de koelte begon te minderen, en eerst om twee ure waren ze bij het bootje.

Mulrady, die voorop stond, keerde den schok, en de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.

"Ledig?" vroeg John Mangles.

"Ja, kapitein!" antwoordde de matroos, "de boot is leeg en haar boordplanken zijn open. Wij hebben er dus niets aan."

... de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.

... de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.
... de gestrande jol werd op zijde van het vlot gehaald.

"Kunnen wij er niets mee uitvoeren?" vroeg Mac Nabbs.

"Niets," antwoordde John Mangles. "Het is goed brandhout."

"Dat spijt me," zeide Paganel; "want die jol had ons te Auckland kunnen brengen."

"Wij moeten ons er in schikken, mijnheer Paganel!" antwoordde John Mangles. "Op een zoo onstuimige zee verkies ik ook ons vlot nog boven dit zwakke bootje. Een ligte schok is genoeg geweest om het te verbrijzelen! Wij hebben hier dus niet langer noodig, mylord!"

"Zooals gij goedvindt, John!" zeide Glenarvan.

"Vooruit, Wilson!" hernam de jonge kapitein; "en regt op de kust aan!"

De vloed zou nog omtrent een uur duren. Men vorderde nog een paar mijlen. Maar toen ging de wind bijna geheel liggen, en scheen hij een landwind te willen worden. Het vlot bleef onbewegelijk. Weldra begon het zelfs met de ebbe zee in te drijven.

John kon geen seconde aarzelen. "Laat vallen 't anker!" riep hij.

Mulrady, die dit bevel wel verwacht had, liet het anker op vijf vaam water vallen. Het vlot week een weinig terug, zoover het sterk gespannen ankertouw toeliet, en bleef met het voorste gedeelte naar de kust gekeerd. Het noodzeil werd opgegeid, en de noodige maatregelen genomen voor een vrij lang oponthoud.

Het zou toch wel 's avonds negen ure worden, voor de vloed weer kwam opzetten, en daar John Mangles volstrekt geen lust had om 's nachts te varen, bleef hij tot 's morgens vijf ure ten anker. Het land was drie mijlen verder zigtbaar.

De zee stond zeer bol en scheen voortdurend op de kust te staan. Daarom vroeg Glenarvan ook, toen hij vernam, dat zij den gebeelen nacht daar blijven zouden, waarom John van dien stroom geen gebruik maakte om digter bij de kust te komen.

"Uwe oogen misleiden u, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein. "Hoewel de golven schijnen vooruit te gaan is het toch zoo niet. Het is slechts een schommeling der waterdeeltjes, anders niet. Werp maar een stuk hout op die golven, en gij zult het op dezelfde plaats zien blijven, zoolang de eb zich niet doet gevoelen. Er zit dus niets anders op dan geduld te oefenen."

"En te gaan eten," voegde de majoor er bij.

Olbinett haalde uit een kist met levensmiddelen eenige stukken gedroogd vleesch en een dozijn beschuiten. De hofmeester schaamde zich, dat hij zijn meester zulk een schralen kost moest voorzetten. Maar een ieder was er mee te vreden, zelfs de dames, die echter weinig trek hadden ten gevolge van de slingerende beweging van het vlot.

Die schokken van het vlot en de rukken van het kabeltouw, waaraan het vastlag, waren onuitstaanbaar. Onophoudelijk geslingerd op korte en dansende golven, kon het niet harder stooten op de scherpe punten eener blinde klip. Soms scheen het, dat het aan den grond raakte. Het ankertouw schuurde hevig en om het half uur vierde John er een vaâm van uit, om het te vernieuwen. Zonder die voorzorg zou het stellig gebroken zijn en dan moest het vlot, aan zich zelf overgelaten, zeker in zee drijven en vergaan.

Men kan dus ligt begrijpen, hoe beangst John was. Het touw kon breken of het anker slippen, en in beide gevallen was hij verloren.

Het werd nacht. Reeds dook de zonneschijf, door de straalbreking vergroot, bloedrood onder de kim. De laatste strepen water blonken in het westen en fonkelden als stroomen gesmolten zilver. Aan dien kant was alles lucht en water, op één scherp begrensd punt na, de romp van de Macquarie, die onbewegelijk op de bank vastzat.

Het werd nacht.

Het werd nacht.
Het werd nacht.

De kortstondige schemering maakte bijna geen scheiding tusschen nacht en dag, en spoedig werd het land ten oosten en ten noorden onzigtbaar.

Die schipbreukelingen verkeerden op dat bekrompene vlot in die zwarte duisternis waarlijk in geen benijdbaren toestand! Sommigen vielen in een angstige en door benaauwde droomen afgebroken sluimering, anderen konden geen uur slapen. Toen de zon opging waren allen afgemat door de vermoeienissen van dien nacht.

Met den vloed stak ook de zeewind weer op. Het was 's morgens vier ure. De tijd drong. John maakte zich gereed om onder zeil te gaan. Hij gaf bevel om het anker te ligten. Maar de ankertanden waren door de rukken van het touw diep in het zand gewoeld. Zonder braadspil was het niet los te krijgen, ook niet met de talies, die Wilson gebruikte.

Een half uur verliep met vergeefsche pogingen. In zijn ongeduld om onder zeil te gaan liet John den kabel kappen, waarbij hij natuurlijk zijn anker verspeelde en zich de mogelijkheid benam om, als de nood het eischte, wanneer soms die vloed niet toereikend was om hen aan wal te brengen, te ankeren. Maar hij wilde niet langer wachten, en een houw met de bijl leverde het vlot over aan de genade van den wind en van een stroom van twee knoopen in het uur.

Het zeil werd losgemaakt. Langzaam dreven zij naar het land, dat zich als een graauwe massa voordeed tegen den achtergrond des hemels, dien de opgaande zon verlichtte. Met veel beleid werden de riffen vermeden en omgevaren. Maar met dien zwakken zeewind scheen het vlot maar niet te vorderen. Wat al moeite kostte het om dat Nieuw-Zeeland te bereiken, waar een landing zoo gevaarlijk was.

Om zeven ure waren zij echter nog maar een mijl van het land af. De branding was vreeselijk, de kust zeer steil. Men moest een geschikte landingsplaats zoeken. De wind verzwakte allengs en ging eindelijk geheel liggen. Het slappe zeil klapperde tegen den mast. John liet het opgeijen. De vloed alleen dreef het vlot naar de kust; maar aan besturen viel niet meer te denken, en ontzaggelijke wierplanten vertraagden nog zijn vaart.

Ten acht ure zag John, dat zij zoo goed als stil bleven liggen, drie kabellengten van den oever af. Hij had geen anker meer. Zou de eb hem dan misschien weer naar zee meevoeren? Met gebalde vuisten, inwendig door onrust verteerd, sloeg John een woesten blik op dat ongenaakbare land.

Gelukkig,—ditmaal althans gelukkig,—had er een schok plaats. Het vlot lag stil. Het was gestrand op een zandbank vijf en twintig vaam van de kust af.

Glenarvan, Robert, Wilson en Mulrady sprongen in zee. Van de eene hand in de andere overgaande, kwamen de dames aan land, zonder een plooi van haar kleedjes nat gemaakt te hebben, en weldra zetten allen, met wapens en levensmiddelen, den voet op die geduchte kust van Nieuw-Zeeland.

De dames van de eene hand in de andere overgaand.

De dames van de eene hand in de andere overgaand.
De dames van de eene hand in de andere overgaand.

VIII.

Tegenwoordige toestand van dat land.

Glenarvan had terstond langs de kust naar Auckland willen gaan. Maar dien morgen was de lucht zwaar bewolkt, en tegen tien ure, na de ontscheping, verdigtten de dampen zich tot een geweldige regenbui. Derhalve was het onmogelijk om op reis te gaan en dwong de nood hen een schuilplaats te zoeken.

Wilson ontdekte zeer van pas een grot, die de zee in de basaltrotsen aan de kust had uitgehold. De reizigers vlugtten er in met hun wapens en levensmiddelen. Daar lag een groote hoop gedroogd zeegras, dat de golven er hadden ingespoeld. Men was zeer tevreden met die natuurlijke legerstede, enige stukken hout werden aan den ingang der grot opgestapeld en vervolgens aangestoken, en nu trachtten allen zich bij dat vuur te droogen.

John hoopte, dat de duur van dien stortregen in omgekeerde verhouding staan zou tot zijn hevigheid. Maar dat was zoo niet. Het eene uur na het andere verliep, zonder dat er verandering kwam in den toestand der lucht. Tegen elf ure begon het harder te waaijen en nog erger te regenen. Die tegenspoed zou den geduldigsten mensch ongeduldig gemaakt hebben. Maar wat er aan te doen? Het zou dwaasheid geweest zijn om zonder voertuig zulk een storm te tarten. Ook kon men in weinige dagen Auckland bereiken, en dus kwam het op een oponthoud van twaalf uren niet aan, althans wanneer de inboorlingen niet opdaagden.

Gedurende die gedwongen rust liep het gesprek over de voorvallen van den oorlog, waarvan Nieuw-Zeeland toen het tooneel was. Maar om het gewigt der omstandigheden goed te begrijpen, waarin de schipbreukelingen der Macquarie verkeerden, moet men de geschiedenis dier worsteling kennen, die het eiland Ika-Na-Maoeï van bloed deed stroomen.

Gesprek in de grot.

Gesprek in de grot.
Gesprek in de grot.

Sedert de komst van Abel Tasman in de Cook-straat, den 18den December 1642, waren de Nieuw-Zeelanders wel dikwijls door europeesche schepen bezocht, maar toch vrij gebleven op hun onafhankelijke eilanden. Geen enkele europeesche mogendheid dacht er aan om zich van dien archipel meester te maken, die de Stille Zuidzee beheerscht. De zendelingen, op verschillende punten gevestigd, waren de eenigen, die aan deze nieuwe landstreken de weldaden der christelijke beschaving bragten. Sommigen hunner, en voornamelijk de anglikaansche, bereidden de zeelandsche opperhoofden er echter op voor om zich te krommen onder het engelsche juk. Zij wisten dezen zoo slim om den tuin te leiden, dit zij een brief teekenden aan koningin Victoria gerigt om haar bescherming in te roepen. Maar de schrandersten onder hen voelden de dwaasheid van dien stap, en een hunner liet, na op den brief een afbeelding van de figuren, waarmee hij getatoeëerd was, gedrukt te hebben, deze profetische woorden hooren: "Wij hebben ons land verloren; voortaan behoort het ons niet meer; weldra zal de vreemdeling zich er meester van komen maken en wij zullen zijn slaven zijn."

Werkelijk kwam den 29sten Januarij 1840 de korvet Herald in de Eilanden-baai, in het noorden van Ika-Na-Maoeï. De scheepskapitein Hobson landde bij het dorp Korora-Reka. De inwoners werden uitgenoodigd een volksvergadering in de protestantsche kerk bij te wonen. Daar werden hun de regten voorgelezen, die kapitein Hobson van de koningin van Engeland had verkregen.

Den 5den Februarij daaraanvolgenden werden de voornaamste zeelandsche opperhoofden bij den engelschen resident in het dorp Païa geroepen. Kapitein Hobson trachtte hun onderwerping te verkrijgen, zeggende, dat de koningin troepen en schepen zou zenden om hen te beschermen, dat hun regten gewaarborgd bleven, dat hun vrijheid onaangerand zou blijven. Hun eigendommen echter zouden aan koningin Victoria toebehooren, aan wie zij verpligt waren ze te verkoopen.

De meeste opperhoofden vonden die bescherming wat duur en weigerden ze aan te nemen. Maar de beloften en geschenken vermogten meer op die onbeschaafde gemoederen dan de groote woorden van kapitein Hobson, en de inbezitneming werd bekrachtigd.

Maar wat was er voorgevallen van dat jaar 1840 af tot den dag toe, waarop de Duncan de golf van Clyde verliet? Jacques Paganel wist alles, en was bereid om zijn reisgenooten alles mede te deelen.

"Mevrouw!" antwoordde hij op de vragen van lady Helena, "ik herhaal, wat ik vroeger reeds gezegd heb, dat de Nieuw-Zeelanders een moedig volk zijn, dat na een oogenblik toegegeven te hebben, zijn land voet voor voet betwist aan de engelsche indringers. De stammen der Maori's zijn op dezelfde leest geschoeid als de oude schotsche clans. Het zijn eigenlijk groote famieljes, die een opperhoofd erkennen, welke streng staat op volslagen onderwerping aan zijn gezag. De mannen van dit ras zijn fier en dapper; sommigen zijn groot en hebben gladde haren, gelijk de Maltezers of de joden uit Bagdad, en maken den heerschenden stand uit; anderen zijn kleiner en ineengedrongen, evenals de Mulatten; maar allen zijn sterk, trotsch en oorlogzuchtig. Zij hebben een beroemd opperhoofd gehad, Hibi geheeten, een echte Vercingetorix. Het behoeft u dus niet te verwonderen, dat de oorlog met de Engelschen eindeloos duurt op Ika-Na-Maoeï, want daar woont de vermaarde stam der Waikato's, die William Thompson tot verdediging van den grond in het gevecht brengt."

"Maar zijn de Engelschen geen meesters van de voornaamste punten vau Nieuw-Zeeland?" vroeg John Mangles.

"Zonder twijfel, waarde John!" antwoordde Paganel. "Na de inbezitneming door kapitein Hobson, later gouverneur van het eiland, zijn er allengs van 1840 tot 62 negen koloniën gesticht op de voordeeligste plaatsen. Zij vormen negen provinciën; vier op het noordelijke eiland: de provinciën Auckland, Taranaki, Wellington en Hawkesbay; vijf op het zuidelijke eiland: de provinciën Nelson, Marlborough, Otago en Southland; de geheele bevolking dier negen provinciën bedroeg den 8sten Junij 1864 honderd tachtig duizend driehonderd zes en veertig inwoners. Allerwegen zijn belangrijke koopsteden verrezen. Wanneer wij te Auckland komen, zult gij genoodzaakt zijn onvoorwaardelijk de ligging te bewonderen van dat Corinthe van het zuiden, dat de naauwe landengte beheerscht, die als een brug over de Stille Zuidzee is geslagen, en reeds twaalf duizend zielen telt. Nieuw-Plymouth in het westen. Ahuhiri in het oosten, Wellington in het zuiden zijn reeds bloeijende steden vol vertier. Op het eiland Tavai-Poenamoe zoudt gij verlegen zijn in de keus tusschen Nelson, het Montpellier der tegenvoeters, den tuin van Nieuw Zeeland, Picton aan de Cooks-straat, Christchurch, Invercargill en Dunedin, in de rijke provincie Otago, waar de goudzoekers van heinde en ver heenstroomen. En merk op, dat hier niet bedoeld wordt een verzameling van eenige hutten, een opeenhooping van wilde gezinnen, maar wel echte steden, met havens, kerken, banken, dokken, kruidtuinen, museums van natuurlijke historie, acclimatatietuinen, dagbladen, hospitalen, inrigtingen van liefdadigheid, hoogescholen, vrijmetselaars-loges, clubs, zangverenigingen, schouwburgen en gebouwen voor wereldtentoonstellingen, niet meer noch minder dan te Londen of te Parijs! En als mijn geheugen mij geen parten speelt, zijn in 1865, in dit jaar, en misschien terwijl ik met u spreek, de voortbrengselen der nijverheid van de geheele aarde tentoongesteld in een land van menscheneters!"

"Hoe! ondanks den oorlog met de inboorlingen?" vroeg lady Helena.

"De Engelschen geven ook wat om een oorlog, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Zij vechten en houden tentoonstellingen te gelijk. Dat hindert hen niet. Zij leggen zelfs spoorwegen aan onder bet bereik van de kogels der Nieuw-Zeelanders. In de provincie Auckland loopen de spoorweg van Drury en die van Mere-Mere door de voornaamste punten, welke de opstandelingen bezet houden. Ik wil wedden, dat de werklieden geweerschoten wisselen van de locomotief."

"Maar hoe staat het thans met dien eindeloozen oorlog?" vroeg John Mangles.

"Het is nu reeds meer dan zes maanden geleden, dat wij Europa verlaten hebben," antwoordde Paganel; "dus kan ik niet weten, wat er sedert ons vertrek voorgevallen is, op eenige feiten echter na, die ik op onze reis door Australië in de Maryborougsche en Seymoursche kranten gelezen heb. Maar toen werd er hard gevochten op het eiland Ika-Na-Maoeï."

"En wanneer is die oorlog begonnen?" zeide Mary Grant.

"Gij wilt zeggen "weder begonnen", lieve miss!" antwoordde Paganel, "want de eerste opstand had in 1845 plaats. Tegen het einde van 1863; maar reeds lang te voren maakten de Maori's zich gereed om het juk der engelsche heerschappij af te schudden. De nationale partij onder de inboorlingen deed haar uiterste best om de verkiezing van een maori opperhoofd te bewerken. Zij wilde den ouden Potatau koning, en van zijn dorp, tusschen de Waikato en de Waipa gelegen, de hoofdstad van het nieuwe koningrijk maken. Die Potatau was een meer sluwe dan stoute grijsaard; maar hij had een krachtvollen en schranderen eersten minister, een afstammeling van den stam dier Ngatihahua's, die voor den inval der vreemdelingen de landengte van Auckland bewoonden. Die minister, William Thompson geheeten, werd de ziel van dien onafhankelijkheidsoorlog. Hij bragt de troepen der Maori's op een zeer goeden voet. Op zijn aansporing vereenigde een opperhoofd van Taranaki de verstrooide stammen tot een zelfde doel; een ander opperhoofd van de Waikato's vormde het "landverbond," een echt verbond voor het algemeene welzijn, dat zich voorstelt de inboorlingen te verhinderen hun landerijen aan de engelsche regeering te verkoopen; er werden maaltijden gehouden, evenals in beschaafde landen, waar een omwenteling op het punt staat van uit te barsten. De engelsche dagbladen begonnen die onrustbarende voorteekenen mede te deelen, en de regeering werd ernstig ongerust over dat drijven van het "landverbond." Kortom, de gemoederen waren opgewonden, de mijn gereed om te springen. Er was maar een vonk noodig of liever de botsing van twee belangen om ze voort te brengen."

"En die botsing?..." vroeg Glenarvan.

"Had in 1860 plaats," antwoordde Paganel, "in de provincie Taranaki, op de zuidwestkust van Ika-Na-Maoeï. Een inlander bezat drie honderd bunders land in de nabijheid van Nieuw-Plymouth. Hij verkocht ze aan het engelsch bestuur. Maar toen de landmeters kwamen om den verkochten grond op te meten, verzette zich het opperhoofd Kingi, en in de maand Maart legde hij op de betwiste drie honderd bunders een met palissaden versterkte legerplaats aan. Eenige dagen later nam kolonel Gold aan bet hoofd zijner troepen dat kamp in, en dienzelfden dag werd het eerste schot in den volksoorlog gelost."

"Zijn de Maori's talrijk?" vroeg John Mangles.

"De inlandsche bevolking is in een eeuw sterk verminderd," antwoordde de aardrijkskundige. "In 1769 schatte Cook ze op vier honderd duizend inwoners. Volgens de opgave van het Inlandsch Beschermheerschap bedroeg ze in 1845 honderd negen duizend. De beschavende moorden, de ziekten en het vuurwater hebben ze gedund; maar op de twee eilanden blijven nog negentig duizend inboorlingen over, waaronder dertig duizend krijgslieden, die de europeesche troepen lang werk zullen geven."

"Is de opstand tot nog toe gelukt?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! en de Engelschen zelven hebben dikwijls den moed der Nieuw-Zeelenders bewonderd. Zij voeren een partijgangers-oorlog, wagen schermutselingen, overvallen kleine afdeelingen, plunderen de hoeven der kolonisten. Generaal Cameron was niet op zijn gemak in die velden, waarvan hij alle struiken moest laten doorzoeken. Na een langdurige en moorddadige worsteling hadden de Maori's in 1863 een groote versterkte stelling ingenomen aan de Boven-Waikato, aan de uitloopers van een steile heuvelketen, door drie verdedigings-liniën gedekt. Profeten riepen de geheele inlandsche bevolking op tot verdediging van den vaderlandschen grond en beloofden de verdelging der "pakeka's," dat wil zeggen van de blanken. Drie duizend man trokken op onder bevel van generaal Cameron en gaven den Maori's geen kwartier meer, na den barbaarschen moord op kapitein Sprent gepleegd. Bloedige slagen werden geleverd. Sommige duurden twaalf uren, zonder dat de Maori's voor de europeesche kanonnen weken. De strijdhaftige stam der Waikato's onder bevel van William Thompson vormde de kern der strijders voor de onafhankelijkheid. Die inlandsche veldheer had eerst derdehalf, later acht duizend krijgslieden onder zijn bevel. De onderdanen van Shongi en Heki, twee geduchte opperhoofden, kwamen hem te hulp. In dien heiligen oorlog deelden de vrouwen in de zwaarste vermoeienissen. Maar het regt zegeviert niet altijd. Na moorddadige gevechten gelukte het generaal Cameron het district Waikato te onderwerpen, een ledig en ontvolkt district, want de Maori's ontvlugtten naar alle zijden. Er hadden bewonderenswaardige wapenfeiten plaats. Vier honderd Maori's, in de vesting Orakan opgesloten en door duizend Engelschen onder bevel van den brigadier-generaal Carey belegerd, weigerden zich over te geven, hoewel honger en dorst hen kwelden. En op klaarlichten dag baanden zij zich een weg door het verzwakte 40ste regiment en redden zich over de moerassen."

"En heeft de onderwerping van het district Waikato een eind gemaakt aan dien bloedigen oorlog?" vroeg John Mangles.

"Neen, mijn vriend!" antwoordde Paganel. "De Engelschen hebben het voornemen om in de provincie Taranaki binnen te rukken en Mataitawa, de vesting van William Thompson, te belegeren. Maar zij zullen ze niet zonder aanmerkelijke verliezen innemen. Toen ik gereed stond Parijs te verlaten, vernam ik, dat de gouverneur en de generaal de onderwerping der Tarangastammen aangenomen en hun drievierden hunner landerijen gelaten hebben. Er was ook sprake van, dat de hoofdaanvoerder van den opstand, William Thompson, er aan dacht om zich over te geven; maar de australische dagbladen hebben die tijding niet bevestigd; het tegendeel is veeleer waar. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat men zich thans met kracht gereedmaakt voor den strijd."

"En naar uwe meening, Paganel!" zeide Glenarvan, "zouden de provinciën Taranaki en Auckland het tooneel dier worsteling zijn?"

"Dat denk ik."

"Diezelfde provincie, waar de schipbreuk der Macquarie ons heeft doen aankomen?"

"Juist. Wij zijn geland eenige mijlen benoorden de haven Kawhia, waar de nationale vlag der Maori's nog moet wapperen."

"Dan zal het geraden zijn, dat wij noordwaarts trekken," zeide Glenarvan.

"Dat is waarlijk hoog noodig," antwoordde Paganel. "De Nieuw-Zeelanders zijn razend op de Europeanen en vooral op de Engelschen. Wij mogen dus wel zorgen niet in hun handen te vallen."

"Misschien zullen wij wel een afdeeling europeesche troepen ontmoeten," zeide lady Helena. "Dat zou een buitenkansje zijn."

"Misschien, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik reken er niet op. De afzonderlijke afdeelingen zijn niet gaarne in het open veld, wanneer de geringste struik, het nietigste kreupelhout een bekwamen schutter verbergt. Ik reken dus niet op een geleide van de soldaten van het 40ste regiment. Maar er zijn eenige zendingsposten gevestigd op de westkust, die wij langs moeten, en wij kunnen ze gemakkelijk allen aandoen tot Auckland toe. Ik denk er zelfs aan om den weg te nemen, dien de heer Von Hochstetter gevolgd is, namelijk den loop van de Waikato."

"Was dat een reiziger, mijnheer Paganel?" vroeg Robert Grant.

"Ja, mijn jongen! een lid der wetenschappelijke commissie, die met het oostenrijksche fregat de Novara in 1858 de reis om de wereld medemaakte."

"Mijnheer Paganel!" hernam Robert, wiens oogen fonkelden bij de gedachte aan groote aardrijkskundige togten, "heeft Nieuw-Zeeland beroemde reizigers gehad, zooals Burke en Stuart in Australië?"

"Eenige, mijn kind! zooals dokter Hooker, professor Brizard, de natuurkundigen Dieffenbach en Julius Haast; maar ofschoon verscheidene hunner met hun leven geboet hebben voor hun zucht naar avonturen, zijn zij toch minder beroemd dan de australische of afrikaansche reizigers...."

"En kent gij hun geschiedenis?" vroeg de jonge Grant.

"Dat zou ik denken, mijn jongen! en daar ik zie dat gij brandt van verlangen om er evenveel van te weten als ik, zal ik ze u vertellen."

"Ik dank u, mijnheer Paganel! ik luister al!"

"En wij luisteren ook," zeide lady Helena, "Het is niet voor het eerst, dat het slechte weder ons dwingt om wat te leeren. Spreek voor ons allen, mijnbeer Paganel!"

"Ik ben tot uw bevelen, mevrouw!" antwoordde de aardrijkskundige; "maar mijn verhaal zal kort zijn. Er is hier geen sprake van die stoute ontdekkers, die man tegen man met den australischen minotaurus worstelden. Nieuw-Zeeland is te klein om zich te verzetten tegen de nasporingen van den mensch. Mijn helden zijn dan ook geen eigenlijk gezegde reizigers geweest, maar eenvoudige pleizier-reizigers, die het offer werden van de meest dagelijksche voorvallen."

"En zij heeten?..." vroeg Mary Grant.

"De wiskunstenaar Witcombe en Charlton Howitt, dezelfde die het overblijfsel van Burke heeft teruggevonden op dien merkwaardigen togt, dien ik u verhaald heb bij ons vertoef aan de oevers der Wimerra. Witcombe en Howitt bestuurden elk een onderzoekingstogt op het eiland Tawaï-Poe-namoe. Beiden vertrokken van Christchurch in het begin van 1863, om verschillende wegen over de noordelijke bergen der provincie Canterbury op te zoeken. Howitt trok op de noordelijke grens der provincie over de keten en sloeg zijn hoofdkwartier op aan het meer Brunner. Witcombe daarentegen vond in het dal van de Rakaia een weg, die op het oostelijke gedeelte van den Tyndall-berg uitliep. Witcombe had een medgezel, Jacob Louper, die in de Lyttelton-Times het verhaal van de reis en de ramp heeft openbaar gemaakt. Zooveel ik mij herinner waren de twee onderzoekers den 22sten April 1863 aan den voet van een gletscher, waar de Bakaia uit ontspringt. Zij beklommen den bergtop en gingen nieuwe paden opzoeken. Den volgenden dag bragten Witcombe en Louper, uitgeput van vermoeijenis en koude, onder een zware sneeuwbui ter hoogte van vier duizend voet boven den zeespiegel door. Zeven dagen lang dwaalden zij in het gebergte rond, in dalen, wier loodregte wanden geen uitgang verleenden, dikwijls zonder vuur, soms zonder voedsel, hun suiker veranderde in stroop, hun beschuit in nat deeg, hun kleeren en dekens dropen van water, insecten wondden hen, soms maakten zij groote dagreizen van drie mijlen en dan weer vorderden zij op een dag nog geen twee honderd el. Den 29sten April troffen zij eindelijk een hut van Maori's aan, en in een tuin eenige handenvol aardappelen. Dit was de laatste maaltijd, dien de beide vrienden zamen deelden. 's Avonds bereikten zij de zeekust, nabij den mond der Taramakau. Nu kwam het er op aan om op den regteroever over te gaan, ten einde noordwaarts de rivier de Grey te bereiken. De Taramakau was diep en breed. Na een uur zoekens vond Louper twee beschadigde bootjes, die hij zoo goed mogelijk herstelde en aan elkander bond. Tegen den avond gingen de twee reizigers scheep. Maar pas waren zij in het midden van den stroom, toen de bootjes vol water liepen. Witcombe sprong in het water en zwom naar den linkeroever terug. Jacob Louper, die niet zwemmen kon, hield zich aan het bootje vast. Dit redde hem, maar niet zonder dat hij veel angst moest uitstaan. De ongelukkige dreef naar de branding. De eerste golf slingerde hem in de diepte. De tweede bragt hem aan de oppervlakte terug. Hij werd tegen de rotsen geslagen. De nacht was vreeselijk donker. Het stortregende. Zoo werd Louper met een bloedend en door het zeewater opgezet ligchaam verscheidene uren heen en weêr geslingerd. Eindelijk stiet het bootje tegen den wal, en de schipbreukeling werd bewusteloos op de kust geworpen. Toen de zon den volgenden morgen opging, sleepte hij zich naar een bron en bemerkte, dat de stroom hem een mijl van de plaats had afgevoerd, waar hij den overtogt over de rivier had beproefd. Hij stond op, volgde de kust en vond weldra den ongelukkigen Witcombe, wiens hoofd en geheele ligchaam onder den modder begraven was. Hij was dood. Louper groef met zijn handen een kuil in het zand en begroef het lijk van zijn makker. Twee dagen daarna werd hij, stervende van honger, door gastvrije Maori's opgenomen,—er zijn er wel enkele,—en den 4den Mei bereikte hij het meer Brunner en de legerplaats van Charlton Howitt, die zes weken later hetzelfde lot onderging als de ongelukkige Witcombe."

Jacob Louper hield zich aan het bootje vast.

Jacob Louper hield zich aan het bootje vast.
Jacob Louper hield zich aan het bootje vast.

"Ja!" zeide John Mangles, "het schijnt, dat die rampen zich aaneenschakelen, dat een noodlottige band de reizigers onderling verbindt, en dat zij allen sterven, wanneer die band verbroken wordt."

"Gij hebt gelijk, vriend John!" antwoordde Paganel, "en ik heb dikwijls diezelfde opmerking gemaakt. Door welk noodzakelijk verband Howitt bijna onder dezelfde omstandigheden moest omkomen, kan men niet zeggen. Charlton Howitt was door den heer Wyde, chef der landswerken, aangenomen om een voor paarden bruikbaren weg aan te leggen van de vlakten van Hurunuï tot aan den mond der Taramakau. Hij vertrok den 1en Januarij 1863 met vijf man. Hij kweet zich uitstekend van zijn last, en een weg van veertig mijlen werd in orde gebragt tot aan een onoverkomelijk punt van de Taramakau. Howitt keerde nu naar Christchurch terug, en in weerwil van den naderenden winter verzocht hij zijn werk te mogen voortzetten. De heer Wyde gaf hem daartoe verlof. Howitt vertrok weer met de noodige levensmiddelen om het slechte jaargetijde in zijn legerplaats door te brengen. Omstreeks dien tijd kwam Jacob Louper bij hem. Den 27sten Junij verliet Howitt met twee man, Robert Little en Henry Mullis, de legerplaats. Zij staken het meer Brunner over. Sedert heeft men hen nooit terug gezien. Hun rank en laag op het water liggend bootje werd op de kust, waar het gestrand was, teruggevonden. Negen weken lang heeft men te vergeefs naar hen gezocht, en het is duidelijk, dat die ongelukkigen, welke niet konden zwemmen, in de golven van het meer verdronken zijn."

"Maar zouden zij niet ongedeerd bij een zeelandschen stam kunnen zijn?" zeide lady Helena. "Men mag toch altijd nog aan hun dood twijfelen."

"Helaas neen! mevrouw!" antwoordde Paganel, "want in de maand Augustus 1865, een jaar na de ramp, waren zij nog niet terug ... en," mompelde hij zachtjes, "wanneer men in geen jaar in dat Nieuw-Zeeland te voorschijn komt, dan is het alleen, omdat men reddeloos verloren is."

IX.

Dertig mijlen noordelijker.

Den 7den Februarij, 's morgens ten zes ure, gaf Glenarvan het sein om te vertrekken. De regen had dien nacht opgehouden. Graauwe wolkjes, die ter hoogte van drie mijlen boven den grond zweefden, hielden de zonnestralen tegen. De matige warmte liet toe, dat men de vermoeijenissen van de reis overdag trotseerde.

Paganel had op de kaart een afstand van tachtig mijlen tusschen hoek Cahua en Auckland gemeten; dat was tegen tien mijlen per dag een reis van acht dagen. Maar in plaats van de bogtige zeekust te volgen, achtte hij het beter om op een afstand van dertig mijlen de samenvloeijing der Waikato en Waipa, bij het dorp Ngarnavahia te bereiken. Daar gaat de postweg over, of beter gezegd een voor rijtuigen bruikbaar pad, dat een groot gedeelte van het eiland Napier van de Hawkes-baai tot Auckland doorsnijdt. Dan zou het gemakkelijk zijn Drury te bereiken en er in een uitmuntend logement uit te rusten, dat de natuurkundige Hochstetter aanbeveelt.

De reizigers belastten zich elk met een gedeelte der mondbehoeften en volgden den oever der baai van Aotea. Uit voorzigtigheid verwijderden zij zich niet van elkander en hadden zij hun karabijnen geladen, terwijl zij uit instinct de golvende vlakten in het oosten gadesloegen. Met zijn uitstekende kaart in de hand vond Paganel er het genoegen van een kunstenaar in om de naauwkeurigheid van de geringste daarop aangeteekende bijzonderheden te onderzoeken.

Een gedeelte van den dag betrad het kleine gezelschap een zandgrond, bestaande uit overblijfselen van tweekleppige schelpen en graten van den inktvisch, sterk vermengd met over-oxyde en eerste ijzer-oxyde. Een magneet, dien men digt bij den grond hield, zou terstond met schitterende kristallen bedekt zijn geworden.

Op den oever, dien het wassende water allengs bespoelde, dartelden eenige zeedieren, die volstrekt geen haast maakten om te vlugten. De robben met hun ronde koppen, hun breed en gebogen voorhoofd, hun sprekende oogen, hadden een zacht, zelfs een innemend voorkomen. Men kon het ligt begrijpen, dat de fabel, die zonderlinge waterbewoners op hare wijze in een dichterlijk waas hullende, er betooverende sirenen van gemaakt had, hoewel hun stem niets anders is dan een onwelluidend geknor. Op de kusten van Nieuw-Zeeland zijn die talrijke dieren het voorwerp van een levendigen handel. Zij worden gevangen om hun traan en hun vel.

De robben met hun ronde koppen....

De robben met hun ronde koppen....
De robben met hun ronde koppen....

Onder hen merkte men drie of vier zee-olifanten op, blaauwachtig grijs en vijf en twintig tot dertig voet lang. Die ontzaggelijke vierpootige zoogdieren lagen lui op dikke bedden reusachtig zeegras, staken hun snuit in de hoogte en schudden grijnzend de grove haren van hun lange en ineengedraaide knevels, echte kurketrekkers, die gekruld waren als de baard van een saletjonker. Robert keek met genoegen naar dat belangwekkend schouwspel, toen hij op eens zeer verbaasd uitriep:

"Kijk eens! die robben eten keisteenen!"

En waarlijk slikten verscheidene van deze dieren met gulzigheid de steenen in die op het strand lagen.

"Drommels! het feit is waar!" antwoordde Paganel. "Men kan niet ontkennen, dat deze dieren hun maag met strandkeitjes vullen."

"Een vreemd voedsel," zeide Robert, "dat moeijelijk te verteren zal zijn!"

"Die zeedieren slikken geen steenen in om zich te voeden, mijn jongen! maar om zich te ballasten. Het is een middel om hun soortelijk gewigt te vermeerderen en gemakkelijker te zinken. Zoodra zij weer aan land zijn, zullen ze die steenen wel zonder verteren omslag overgeven. Gij zult zien, dat dezen te water gaan."

Zoo was het ook. Een half dozijn robben, die voldoenden ballast hadden ingenomen, kropen weldra met veel moeite langs het strand en verdwenen in hun vochtig element. Maar Glenarvan kon geen kostbaren tijd verspillen met op hun terugkomst te wachten, teneinde gade te slaan hoe zij hun ballast weer opruimden en tot groote spijt van Paganel werd de afgebroken marsch weder hervat.

Ten tien ure hield men stil om te ontbijten aan den voet van groote basalt-rotsen, die als celtische dolmens aan den zeekant lagen. Een oesterbank leverde een groot aantal van die weekdieren op. Die oesters waren klein en niet lekker. Maar op raad van Paganel braadde Olbinett ze op gloeijende kolen en zoo toebereid werden ze bij dozijnen gedurende dien maaltijd gebruikt.

Toen de rusttijd om was, zette men den togt langs den oever der baai voort. Op de getande rotsen, op de kruin dier klippen, waren een menigte zeevogels gevlugt, fregatvogels, domme zeezwaluwen, zeemeeuwen, en groote albatrossen, die onbewegelijk op den top der scherpe pieken zaten. 's Namiddags ten vier ure had men tien mijlen afgelegd zonder hinderpalen ontmoet te hebben of vermoeid te zijn. De dames verzochten de reis tot den avond toe voort te zetten. Nu moest de rigting van den weg veranderd worden; om den voet van eenige bergen heen, die zich in het noorden vertoonden, moest men het dal van de Waipa in.

In de verte vertoonde de bodem onafzienbare grasvlakten, waarop men makkelijk zou voortkunnen. Maar toen de reizigers aan den rand dier groene velden kwamen, waren zij bitter teleurgesteld. Het gras werd vervangen door een kreupelbosch van heesters met kleine witte bloemen, vermengd met die hooge en tallooze varens, die zoo menigvuldig voorkomen op de gronden van Nieuw-Zeeland. Men moest zich door die houtachtige stengels een weg banen, hetgeen zeer moeijelijk ging. Echter was men 's avonds ten acht ure om de eerste ruggen der Hakarihoata-Ranges heengekomen, en nu sloeg men terstond de legerplaats op.

Na een togt van veertien mijlen hadden zij waarlijk aanspraak op rust. Daar zij geen wagen noch tent hadden, zocht ieder aan den voet van prachtige norfolksche dennen een goede ligplaats. Aan dekens was geen gebrek, zij werden als bedden uitgespreid.

Glenarvan nam duchtige voorzorgmaatregelen voor den nacht. Twee aan twee zouden hij en zijn reisgenooten tot zonsopgang behoorlijk gewapend de wacht houden. Vuur werd niet aangelegd. Die brandende slagboomen zijn goed tegen wilde beesten; maar Nieuw-Zeeland heeft tijgers, leeuwen, beeren noch andere verscheurende dieren: trouwens de Nieuw-Zeelanders vervangen genoegzaam hun plaats. En een vuur zou alleen gediend hebben om die tweevoetige tijgerkatten te lokken.

Kortom, de nacht was goed, op eenige zandvliegen na, in de landtaal "ngamu" genoemd, wier steek zeer lastig is, en een vermetele rattensoort, die wakker knaagde aan de zakken met mondvoorraad.

Toen Paganel den volgenden dag, den 8sten Februarij, ontwaakte, was hij vol moed en bijna met het land verzoend. De Maori's, die hij vooral duchtte, waren niet opgedaagd, en die wreede menscheneters bedreigden hem niet eens in zijn droomen. Hij deelde zijn blijdschap daarover aan Glenarvan mede.

"Ik denk dus," zeide hij, "dat deze kleine wandeling goed zal afloopen. Dezen avond zullen wij de samenvloeijing der Waipa en Waikato bereikt hebben, en zijn wij daar voorbij, dan behoeven wij niet bang te zijn voor een ontmoeting met de inboorlingen op den weg naar Auckland."

"Hoe ver moeten wij gaan," vroeg Glenarvan, "om de samenvloeijing der Waipa en Waikato te bereiken?"

"Vijftien mijlen, zoo wat even ver, als wij gisteren gegaan zijn."

"Maar het zal ons heel wat oponthoud veroorzaken, als dat eindelooze kreupelhout de paden blijft versperren."

"Neen," antwoordde Paganel, "wij zullen de Waipa langs gaan, en daar geen hinderpalen meer vinden, maar integendeel een gemakkelijken weg."

"Vooruit dan!" beval Glenarvan, die zag dat de dames gereed waren om te vertrekken.

Gedurende de eerste uren van dien dag maakte het digte kreupelbosch het gaan nog zeer lastig. Wagen noch paarden hadden er kunnen doordringen; zij beklaagden zich daarom niet sterk over het gemis van hun australisch voertuig. Zoo lang geen voor wagens berijdbare wegen door die bosschen van planten zijn gebaand, zal Nieuw-Zeeland alleen door voetgangers bereisd kunnen worden. De varens, wier soorten hier ontelbaar zijn, werken even onverzettelijk als de Maori's mede tot verdediging van den vaderlandschen bodem.

Het kleine gezelschap ondervond dus duizend bezwaren bij het overtrekken der vlakten, waar de heuvels van Hakarihoata zich verheffen. Maar voor twaalf ure bereikte het de oevers der Waipa en rigtte het zich zonder moeite noordwaarts langs de steile oevers der rivier.

Het was een liefelijk dal, doorsneden met frissche en heldere stroompjes, die zich vrolijk tusschen de struiken kronkelden. Volgens den kruidkundige Hooker heeft Nieuw-Zeeland tot nog toe twee duizend plantensoorten opgeleverd, waarvan er vijf honderd daar alleen te huis behooren. Bloemen vindt men er weinig, en er is bijna geen verscheidenheid in haar kleuren. Er is bijna volslagen gebrek aan eenjarige planten, maar een overvloed van varenkruiden, grassoorten en schermbloemen.

Buiten de eerste donkergroene plekken verhieven zich hier en daar eenige groote boomen, ijzermirten met scharlakenroode bloemen, norfolksche denneboomen, levensboomen met loodregt opgaande takken, en een cypresseboom, de "rimu," niet minder treurig dan zijn europeesche broederen; al die stammen waren letterlijk begroeid met talrijke verscheidenheden van varens.

Tusschen de takken der groote boomen en boven de struiken fladderden en babbelden eenige kakatoes, de groene "kakariki," met een gele streep onder de keel, de "taupo," pronkende met een mooi paar zwarte knevels, en een papegaai, zoo groot als een eend, met rood gevederte, dat vooral onder de vleugels zeer schitterde en dien de natuurkundigen den "Nestor van het zuiden" hebben bijgenaamd.

Zonder zich van hun makkers te verwijderen konden de majoor en Robert eenige watersnippen en patrijzen schieten, die onder het lage struikgewas der vlakten nestelden. Om tijd te winnen plukte Olbinett ze onderweg.

Paganel, die minder ophad met de voedende eigenschappen van het wild, had liever een vogel meester willen worden, die uitsluitend op Nieuw-Zeeland te huis behoort. De weetgierigheid van den natuurkundige bragt in hem den eetlust van den reiziger tot zwijgen. Bedroog zijn geheugen hem niet, dan bragt het hem de vreemde manieren van den "twi" der inlanders te binnen, die nu eens om zijn onophoudelijk hoongelach "spotvogel" genoemd wordt en dan weer "pastoor," omdat hij op zijn gevederte, dat zoo zwart is als een priesterrok, een witten kraag draagt.

"Die twi," zeide Paganel tot den majoor, "wordt 's winters zoo vet, dat hij er ziek van is. Hij kan niet meer vliegen. Dan rijt hij zich met zijn snavel de borst open, om zich van zijn vet te ontlasten en zich ligter te maken. Vindt gij dat niet vreemd, Mac Nabbs?"

"Zoo vreemd," antwoordde de majoor, "dat ik er geen woord van geloof!"

Tot zijn groote spijt kon Paganel geen enkelen van die vogels in handen krijgen om aan den ongeloovigen majoor de bloedige inkervingen in hun borst te laten zien.

Maar het geluk diende hem beter met een zonderling dier, dat door menschen, katten en honden vervolgd, naar de onbewoonde streken gevlugt is en gevaar loopt uit de zeelandsche dierenwereld te verdwijnen. Robert die als een echte speurhond rondsnuffelde, ontdekte in een nest van gevlochten wortels een paar ongevleugelde en staartlooze hoenders, met vier teenen aan de pooten, een langen bek als een snip en witte op haar gelijkende vederen over het geheele ligchaam. Vreemde dieren, die den schakel schenen uit te maken tusschen de eijerleggende dieren en de zoogdieren.

Het was de zeelandsche "kiwi," de "apterix australis" der natuurkundigen, die zich al naar het valt voedt met maskers, insecten, wormen of zaden. Deze vogel is aan dit land eigen. Met moeite heeft men hem kunnen overbrengen in de dierentuinen van Europa. Zijn half afgewerkte vormen, zijn lachwekkende bewegingen, hebben altijd de aandacht der reizigers getrokken, en op de groote ontdekkingsreis in Oceanië van de Astrolabe en de Zélée, kreeg Dumont d'Urville uitdrukkelijk last van de Akademie van Wetenschappen om een van die zonderlinge vogels mede te brengen. Maar ondanks de belooningen, die hij aan de inlanders uitloofde, kon hij geen enkelen levenden kiwi krijgen.

Het was de zeelandsche "kiwi."

Het was de zeelandsche "kiwi."
Het was de zeelandsche "kiwi."

Paganel, die regt blijde was met dit buitenkansje, bond zijn twee hoenders aan elkander en nam ze vol vreugde mede, daar hij voornemens was ze aan den Plantentuin te Parijs te vereeren "Geschenk van den heer Jacques Paganel," dat verleidelijke opschrift las hij reeds op de schoonste kooi in die verzameling, die ligtgeloovige aardrijkskundige!

Inmiddels zakte het kleine gezelschap zonder veel vermoeijenis de oevers der Waipa af. De streek was verlaten, geen spoor van inboorlingen, geen pad was er te zien, dat de aanwezigheid van den mensch in deze vlakten verried. Het water der rivier stroomde tusschen hooge struiken door of kabbelde een eind weegs over den vlakken zandigen oever. Dan had men een vrijgezigt tot op de bergjes, die het dal in het oosten begrensden. Met hun vreemde vormen en hun toppen, die in een bedriegelijken nevel waren gehuld, geleken zij op reusachtige dieren uit de voorwereld. Men zou wanen, een heele school walvischachtige dieren te zien, die op eens versteend waren. Die dooreen geworpen massa's droegen den stempel van een echt vulkanisch karakter. Nieuw-Zeeland is dan ook niets anders dan een jong voortbrengsel van een plutonische werking. Gestadig rijst het hooger boven den zeespiegel. Sommige punten zijn in twintig jaar wel een vaam gestegen. Het vuur blaakt nog in zijn binnenste, schudt het, doet het trillen, en ontsnapt op menige plaats door den mond der heete bronnen en den krater der vuurspuwende bergen.

's Namiddags ten vier ure had men in opgeruimde stemming negen mijlen afgelegd. Volgens de kaart, die Paganel onophoudelijk raadpleegde, lag de zamenvloeijing der Waipa en Waikato nog bijna vijf mijlen verder. Daar liep de weg naar Auckland; daar zou men dien nacht verblijven. Wat de vijftig mijlen aangaat, die hen van de hoofdstad scheidden, die kon men in twee of drie dagen afleggen, en in hoogstens acht uren, wanneer Glenarvan den postwagen aantrof, die tweemaal in de maand van Auckland naar de Hawkes-baai vice versa rijdt.

"Dus zullen wij nog dezen nacht in de open lucht moeten slapen?" vroeg Glenarvan.

"Ja," antwoordde Paganel; "maar voor het laatst, hoop ik."

"Des te beter; want het wil wat zeggen voor lady Helena en Mary Grant."

"En zij verdragen het geduldig," voegde John Mangles er bij. "Maar, vergis ik mij niet, mijnheer Paganel! dan hadt gij van een dorp aan de zamenvloeijing der beide rivieren gesproken."

"Ja," antwoordde de aardrijkskundige, "hier staat het op de kaart van Johnston. Het is Ngarnavahia, omtrent twee mijlen beneden de zamenvloeijing."

"Welnu! zouden wij daar van nacht niet kunnen slapen? Lady Helena en miss Grant zouden gaarne nog een paar mijlen loopen om een redelijk logement te vinden."

"Een logement!" riep Paganel, "een logement in een maoridorp! niet eens een herberg of een kroeg! Dat dorp is niets anders dan een verzameling van hutten van inlanders, en wel verre van er een schuilplaats te zoeken, raad ik aan het voorzigtig te vermijden."

"Wat zijt gij altijd bang, Paganel!" zeide Glenarvan.

"Waarde lord! wantrouwen kan minder kwaad dan vertrouwen bij die Maori's. Ik weet niet, op welken voet zij met de Engelschen staan, of de opstand gedempt is of zegepraalt, of wij niet midden in den oorlog komen. En wij mogen zonder aanmatiging zeggen, dat lieden van onzen rang goede gevangenen zouden zijn, en ik ben er volstrekt niet op gesteld om tegen wil en dank kennis te maken met de zeelandsche gastvrijheid. Daarom oordeel ik het best, dat wij dat dorp Ngarnavahia vermijden, het omreizen, alle ontmoeting met de inlanders ontwijken. Zijn wij eens te Drury, dan verandert de zaak, en dan kunnen onze wakkere medereizigsters op haar gemak uitrusten van de vermoeienissen der reis."

Het gevoelen van Paganel behield de overhand. Lady Helena wilde liever nog een nacht in de open lucht doorbrengen dan haar medgezellen in gevaar brengen. Mary Grant vroeg evenmin als zij om stil te houden, en dus zetten zij den togt langs den rivieroever voort.

Twee uren later daalde de eerste avondschemering van de bergen. Voor de zon in het westen onder de kimmen zonk, had zij gebruik gemaakt van een onverwachte opening in de wolkengordijn om nog eenige late stralen te schieten. De laatste zonneschijn gaf aan de verwijderde toppen in het oosten een purperglans. Het was als het ware een laatste groet aan de reizigers.

Glenarvan en de zijnen verhaastten hun tred. Zij wisten, hoe kort de avondschemering, op deze reeds vrij hooge breedte duurde, en hoe spoedig de duisternis inviel. Zij dienden de zamenvloeijing der twee rivieren te bereiken, voor het geheel donker werd. Maar er steeg een zware mist uit den grond op en deze maakte het zeer moeijelijk om den weg te onderscheiden.

Gelukkig verving het oor het door de duisternis nuttelooze oog. Weldra verkondigde een duidelijker gemurmel des waters de vereeniging der twee rivieren in hetzelfde bed. Ten acht ure bereikte het kleine gezelschap het punt, waar de Waipa zich met eenig gedruisch in de Waikato stort.

"Daar is de Waikato!" riep Paganel, "en de weg naar Auckland loopt langs den regteroever."

"Morgen zullen wij hem zien," antwoordde de majoor. "Wij blijven hier. Mij dunkt, dat die donkerder schaduwen afkomstig zijn van een klein boschje, dat daar met opzet gegroeid is om ons te beschutten. Laten wij eten en slapen."

"Eten, dat is goed!" zeide Paganel; "maar beschuit en droog vleesch, andere niet, zonder een vuur aan te leggen. Wij zijn hier onbekend gekomen; wij moeten ons best doen ook onbekend heen te gaan! Gelukkig maakt die mist ons onzigtbaar."

Het boschje werd bereikt, en allen hielden zich stipt aan de strenge voorschriften van den aardrijkskundige. Het koude avondeten werd in alle stilte genuttigd, en weldra vielen de reizigers, die zeer vermoeid waren door een marsch van vijftien mijlen, in een diepen slaap.

X.

De nationale stroom.

Toen de zon den volgenden morgen opging hing een vrij dikke mist zwaar op het water der rivier. Een deel van de dampen, waarmee de lucht vol was, had de afkoeling verdigt, zoodat ze nu de oppervlakte des waters met een digte wolk bedekten. Maar de stralen der zon boorden spoedig door die waterbellen heen, welke barstten, nu de dagvorstin ze bescheen. De in nevel gehulde oevers werden zigtbaar, en de Waikato vertoonde zich in al de schoonheid van den morgen.

Ter plaatse, waar de twee stroomen ineenliepen, stak de scherpe punt van een met struiken bedekte landtong in het water uit. Het onstuimige water der Waipa stuwde dat van de Waikato wel een kwartmijl weg, voor het zich er mede vereenigde; maar de magtige en kalme stroom bragt de bruischende rivier weldra ten onder, en sleepte haar rustig mede in zijn loop tot aan het bekken der Stille Zuidzee.

Toen de damp optrok, kon men een boot de Waikato stroomopwaarts zien roeijen. Het was een kano van zeventig voet lang, vijf breed en drie diep, met een hoogen voorsteven als een venetiaansche gondel en geheel vervaardigd van den stam van een kahikatea-denneboom. De bodem was belegd met een bed van drooge varens. Acht roeijers, die voorin zaten, deden ze over de oppervlakte des waters vliegen, terwijl een man, die achteraan zat, ze met een beweegbare pagaai bestuurde.

Het was een kano van zeventig voet lang.

Het was een kano van zeventig voet lang.
Het was een kano van zeventig voet lang.

Die man was een lange inboorling, omstreeks vijf en veertig jaar oud, met een breede borst, gespierde leden, en forsche handen en voeten. Zijn gewelfd en met diepe rimpels beploegd voorhoofd, zijn onvriendelijke blik, zijn onheilspellend gelaat, boezemden schrik voor hem in.

Het was een maori-opperhoofd van hoogen rang. Dat bleek uit de fijne en digte figuren, waarmede zijn ligchaam en aangezigt getatoeëerd waren. Van de vleugels van zijn arendsneus liepen twee zwarte kromme lijnen, die om zijn gele oogen zich slingerden, op zijn voorhoofd bijeen kwamen en onder zijn prachtig hoofdhaar verdwenen. Zijn mond met sneeuwwitte tanden en zijn kin verdwenen onder regelmatige bonte lijnen welker sierlijke krullen zich door elkander slingerden tot op zijn sterke borst.

Het tatoeëeren, het "moko" der Nieuw-Zeelanders, is een bewijs van hoog aanzien. Hij alleen is die eervolle kringen waardig, die zich in een aantal gevechten door zijn dapperheid heeft onderscheiden. De slaven en de heffe des volks hebben er geen aanspraak op. De beroemde opperhoofden zijn kenbaar aan het uitgewerkte, de juistheid en den aard der teekening, die dikwijls afbeeldingen van dieren op hun ligchaam voorstelt. Sommigen ondergaan tot vijfmaal toe de zeer smartelijke bewerking van het moko. Hoe beroemder men is, des te meer wordt men opgeschikt in dat Nieuw-Zeeland.

Dumont d'Urville heeft wetenswaardige bijzonderheden aangaande dat gebruik medegedeeld. Hij heeft teregt opgemerkt, dat het moko de plaats dier wapens vervangt, waarop in Europa sommige geslachten zich zoo veel laten voorstaan. Maar hij merkt een verschil op tusschen die twee teekenen van onderscheiding: namelijk, dat de wapens der Europeanen dikwijls alleen het bewijs zijn van de persoonlijke verdienste desgenen, die ze het allereerst verwierf, zonder dat men daaruit tot de verdienste zijner kinderen mag besluiten; terwijl de persoonlijke wapens der Nieuw-Zeelanders een wettig bewijs zijn, dat zij een buitengewonen persoonlijken moed aan den dag hebben moeten leggen om het regt te verkrijgen ze te dragen.

Ook is het niet te ontkennen, dat het tatoeëeren der Maori's, nog daargelaten het aanzien, waarin het staat, ontegenzeggelijk zijn nut heeft. Het geeft aan de huid meerdere dikte, waardoor ze in staat is weerstand te bieden aan de guurheid des weders en aan de onophoudelijke steken der muskieten.

Bij het opperhoofd, die het vaartuig stuurde, was geen twijfel aan zijn beroemdheid mogelijk. Het scherpe albatros-been, dat de maori tatoeëerders gebruiken, had zijn gezigt vijf maal doorkorven met digte en diepe lijnen. Hij had de vijfde uitgave reeds beleefd, hetgeen wel te zien was aan zijn trotsch voorkomen.

Zijn ligchaam, bedekt met een groot stuk doek van nieuw-zeelandsch vlas gevoerd met hondenvellen, was omgord met een schaamteschort, dat in de laatste gevechten met bloed was bemorst. Aan zijn uitgerekte oorlellen prijkten hangers van groenen niersteen, en om den hals droeg hij kettingen van "poenamoes," gewijde steenen, waaraan de Zeelanders eenige bijgeloovige denkbeelden verbinden. Naast hem lag een geweer van engelsen maaksel, en een "patoe-patoe," een soort van tweesnijdende, smaragdkleurige, achttien duim lange bijl.

Negen krijgslieden van minderen rang, maar gewapend en met een woest uiterlijk, waarvan enkelen nog leden aan versche wonden, zaten in hun linnen mantels gewikkeld onbewegelijk bij hem. Aan hun voeten lagen drie geduchte honden. De acht roeijers voorin schenen dienaren of slaven van het opperhoofd te zijn. Zij roeiden stevig door, zoodat het bootje met groote snelheid tegen den juist niet veel beteekenenden stroom der Waikato opvoer.

In het midden van dat lange vaartuig stonden tien europeesche gevangenen, alleen aan hun voeten gekluisterd, digt bij elkander.

Het waren Glenarvan en lady Helena, Mary Grant, Robert, Paganel, de majoor, John Mangles, de hofmeester en de twee matrozen.

Door den digten nevel misleid, was het kleine gezelschap den vorigen avond onder een talrijken troep inlanders vervallen. Omstreeks het midden van den nacht werden de reizigers in hun slaap overvallen, gevangen genomen en vervolgens naar het vaartuig gebragt. Zij hadden nog geen mishandelingen ondergaan: maar tegenstand zou hun niets gebaat hebben. Hun wapenen en kruid waren in de handen der wilden, en hun eigen kogels zouden spoedig een eind aan hun leven gemaakt hebben.

Zij vernamen spoedig uit eenige engelsche woorden, waarvan de inlanders zich bedienden, dat dezen, teruggedreven en geslagen door de britsche troepen, na groote verliezen ondergaan te hebben naar de streken aan de Boven-Waikato terugtrokken. Het maori-opperhoofd, wiens voornaamste strijders na een hardnekkigen tegenstand door de soldaten van het 42ste regiment gedood waren, ging een nieuwe oproeping doen aan de stammen van den stroom, om den onbedwingbaren William Thompson te hulp te snellen, die nog altijd met de veroveraars worstelde. Dat opperhoofd heette "Kai-Koemoe," een vreeselijke naam, die in de volkstaal beteekent "degene, die de ledematen van zijn vijand opeet." Hij was dapper en vermetel; maar zijn wreedheid evenaarde zijn moed. Geen medelijden was van hem te wachten. Zijn naam was welbekend bij de engelsche soldaten, en de gouverneur van Nieuw-Zeeland had een prijs op zijn hoofd gesteld.

Die vreeselijke slag had lord Glenarvan juist getroffen, toen hij de zoo gewenschte haven van Auckland bijna bereikt had, waar hij scheepsgelegenheid naar Europa hoopte te vinden. Op zijn koud en bedaard gelaat afgaande, zou men echter niet hebben kunnen gissen, dat een vreeselijke angst hem kwelde. Want in ernstige omstandigheden toonde Glenarvan steeds, dat het ongeluk hem niet kon ter nederslaan. Hij gevoelde, dat hij, de echtgenoot, het hoofd, zijn vrouw en zijn reisgenooten tot steun en voorbeeld zijn moest; maar tevens was hij bereid om, indien de omstandigheden het vorderden, het eerst voor aller redding te sterven. Innig vroom zijnde, wilde hij, met het oog op de heiligheid zijner onderneming, niet twijfelen aan Gods regtvaardigheid, en ondanks de tallooze gevaren op den weg, dien hij betrad, had hij nog geen oogenblik spijt van de edelmoedige opwelling, die hem naar die onbeschaafde landen gevoerd had.

Zijn makkers waren zijner waardig, zij dachten even edel als hij, en wie hun rustig en fier gelaat had beschouwd, zou niet geloofd hebben, dat zij een zekeren ondergang te gemoet gingen. Met algemeen goedvinden hadden zij op raad van Glenarvan besloten, een trotsche onverschilligheid voor de inlanders te veinzen. Dat was het eenige middel om dien woestaards ontzag in te boezemen. De wilden in het algemeen en de Maori's in het bijzonder hebben een zeker gevoel van waardigheid, dat zij nooit verloochenen. Zij achten dengenen, die door koelbloedigheid en moed achting inboezemt. Glenarvan wist, dat hij door zoo te handelen zijn makkers en zichzelven noodelooze mishandelingen bespaarde.

Sedert het verlaten van de legerplaats hadden de inlanders, weinig spraakzaam evenals alle wilden, hen ter naauwernood toegesproken. Uit eenige woorden, die zij wisselden, maakte Glenarvan echter op, dat zij met het engelsch bekend waren. Hij besloot dus het zeelandsche opperhoofd te vragen, wat hij met hen voor had. Zich tot Kai-Koemoe rigtende, vroeg hij met rustige stem:

"Waar brengt gij ons heen, opperhoofd?"

Kai-Koemoe zag hem koel aan zonder te antwoorden.

"Wat zijt gij voornemens met ons te doen?" hernam Glenarvan.

Voor een poos flikkerden de oogen van Kai-Koemoe, en hij antwoordde op ernstigen toon:

"U uitwisselen, wanneer de uwen u terug willen hebben, u dooden, als zij weigeren."

Glenarvan vroeg niets meer, maar voelde de hoop in zijn hart herleven. Zonder twijfel waren eenige opperhoofden van het leger der Maori's in handen van de Engelschen gevallen, en wilden de inboorlingen beproeven hen door uitwisseling terug te krijgen. Dat was dus een kans op redding, en hun toestand nog niet hopeloos.

Inmiddels vorderde het vaartuig snel tegen den stroom op. Paganel, wiens bewegelijk karakter hem ligt van het eene uiterste tot het andere deed overslaan, was weer vol moed. Hij zeide bij zichzelven, dat de Maori's hun de moeite bespaarden om naar de engelsche voorposten te gaan, en dat was zooveel gewonnen. Volkomen berustend in zijn lot, ging hij op zijn kaart den loop der Waikato door de vlakten en dalen der provincie na. Lady Helena en Mary Grant bedwongen haar vrees en spraken zacht met Glenarvan, en de bekwaamste gelaatskenner onder de inlanders had op haar aangezigten den angst niet kunnen opmerken, die haar boezem benaauwde.

De Waikato is de nationale stroom van Nieuw-Zeeland. De Maori's zijn er even trotsch en jaloersch op, als de Duitschers op den Rijn en de Slaven op den Donau. In zijn twee honderd mijlen langen loop besproeit hij de schoonste streken van het noordelijke eiland, van de provincie Wellington af tot de provincie Auckland toe. Hij heeft zijn naam gegeven aan al die stammen op zijn oevers, die onoverwinbaar en onoverwonnen, als één man tegen de overheerschers zijn opgestaan.

Het water van dien stroom is nog bijna nooit door een vreemd schip gekliefd. Alleen de praauwen der eilanders bevaren hem. Met moeite heeft het een enkelen moedigen reiziger mogen gelukken tusschen die gewijde oevers door te stevenen. De toegang tot de Boven-Waikato schijnt aan de ongewijde Europeanen verboden te zijn.

Paganel was bekend met den eerbied, welken de inboorlingen voor die groote slagader van Zeeland koesteren. Hij wist, dat de engelsche en duitsche natuurkundigen ze niet verder bevaren hadden dan tot haar vereeniging met de Waipa. Hoever zou de willekeur van Kai-Koemoe zijn gevangenen medeslepen? Dat had hij niet kunnen gissen, indien het woord "Taupo," dat hij bij herhaling van het opperhoofd en diens manschappen hoorde, zijn aandacht niet gewekt had.

Hij raadpleegde zijn kaart en zag, dat die naam Taupo gegeven werd aan een meer, dat beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde, en in het bergachtigste gedeelte des eilands ligt, aan de zuidelijke grens der provincie Auckland. De Waikato verlaat dat meer na het in zijn volle breedte doorloopen te hebben. Van het vereenigingspunt af tot aan het meer stroomt de rivier over een lengte van omtrent honderd twintig mijlen.

Paganel sprak John Mangles in het fransch aan, om niet door de wilden verstaan te worden en verzocht hem de snelheid van het vaartuig te schatten. John berekende ze op omtrent drie mijlen in het uur.

"Dan zal," zeide de aardrijkskundige, "wanneer wij des nachts stilliggen, onze reis tot het meer bijna vier dagen duren."

"Maar waar bevinden zich de engelsche posten?" vroeg Glenarvan.

"Dat is moeijelijk te zeggen," antwoordde Paganel. "Echter zal de oorlog wel in de provincie Taranaki overgebragt zijn, en naar alle waarschijnlijkheid bevindt de hoofdmagt der troepen zich bij het meer, aan de afhelling van het gebergte, waar het brandpunt van den opstand is."

"God geve het!" zuchtte lady Helena.

Glenarvan sloeg een treurigen blik op zijn jeugdige gade en op Mary Grant, die overgeleverd waren aan de genade dier woeste inboorlingen en ver weggesleept in een onbeschaafd land, van alle menschelijke hulp verstoken. Maar hij zag, dat Kai-Koemoe hem in het oog hield, en daar hij uit voorzigtigheid hem niet wilde doen gissen, dat eene der gevangenen zijn vrouw was, hield hij zijn gedachten in zijn binnenste besloten en sloeg hij met volmaakte onverschilligheid de oevers van den stroom gade.

Een halve mijl boven de zamenvloeijing was het vaartuig zonder aan te leggen de vroegere woonplaats van koning Potatau voorbijgeroeid. Geen andere boot was op de rivier te zien. Eenige ver van elkander gelegene hutten op de oevers bewezen door haar bouwvalligheid, dat de oorlog daar pas zijn verwoestingen had uitgeoefend. De streken langs de oevers schenen verlaten, de boorden van den stroom onbewoond. Het treurige landschap werd alleen verlevendigd door eenige vertegenwoordigers van de familie der watervogels. Nu eens vlugtte de "taparunga," een steltlooper met zwarte vleugels, witten buik en rooden snavel, zoo snel zijn lange pooten hem wilden dragen. Dan weer keken driederlei reigers, de aschgraauwe "matuku," een soort van roerdomp met een dom uitzigt, en de prachtige "kotuku," met witte vederen, gelen snavel en zwarte pooten, bedaard naar het voorbijvarende inlandsche vaartuig. Waar de glooijende oevers een zekere diepte van het water aanduidden, loerde de duikerkoning, de "kotare" der Maori's, op die kleine palingen, die bij millioenen in de zeelandsche rivieren rondzwemmen. Waar de struiken over den stroom hingen, maakten zeer aardige hoppen, riet- en purperhoenders hun morgentoilet in de eerste stralen der zon. Al die gevleugelde dieren smaakten de rust, die het afwezen der menschen, welke de oorlog verjaagd of gedood had, hun schonk.

Gedurende dit eerste gedeelte van haar loop door groote vlakten had de Waikato een aanzienlijke breedte. Maar hoogerop werd het dal, waar ze haar bedding in had uitgehold, vernaauwd, eerst door heuvels, later door bergen. Tien mijlen boven de vereeniging wees de kaart van Paganel op den linkeroever het dorp Kirikiriroa, dat er ook lag. Kai-Koemoe legde er niet aan. Hij liet aan de gevangenen hun eigen levensmiddelen uitreiken, die bij de plundering van de legerplaats waren medegenomen. Hij, zijn krijgslieden en zijn slaven vergenoegden zich met het gewone voedsel der inlanders, eetbare varens, de "pteris esculenta" der kruidkundigen, in den oven gekookte wortels, en "kapanas," aardappelen, die op de beide eilanden overvloedig geteeld worden. Geen dierlijk voedsel kwam bij hun maaltijd voor, en het drooge vleesch der gevangenen scheen hun verlangen niet gaande te maken.

Ten drie ure verrezen er eenige bergen op den regter oever, de Pokaroa-Ranges, die veel hadden van een ontmantelde vesting. Op sommige loodregte spitsen verhieven zich verwoeste "pah," oude verschansingen, die de maori krijgsbouwkundigen in onneembare stellingen hadden opgeworpen. Men zou ze voor groote arendsnesten aangezien hebben.

De zon verdween haast onder de kimmen, toen het vaartuig op den steilen oever aanhield, bezaaid met puimsteenen, welke de Waikato, op vuurspuwende bergen ontsprongen, in haar loop medevoert. Daar groeiden eenige boomen, die geschikt schenen om een legerplaats te beschutten. Kai-Koemoe liet zijn gevangenen ontschepen; de handen der mannen werden geboeid, de vrouwen bleven vrij, en allen werden in het midden van de legerplaats gebragt, die door groote vuren met een onoverkomelijken muur van vlammen werd omgeven.

Voor Kai-Koemoe aan zijn gevangenen zijn voornemen had te kennen gegeven om hen uit te wisselen, hadden Glenarvan en John Mangles de middelen besproken om hun vrijheid terug te krijgen. Wat zij in het vaartuig niet konden beproeven, wilden zij, als hun bewakers sliepen, onder begunstiging van het nachtelijk duister wagen.

Maar na het gesprek van Glenarvan met het zeelandsch opperhoofd scheen het verstandiger dit niet te doen. Men moest geduld hebben. Dat was het voorzigtigste. De uitwisseling bood kansen op redding aan, die niet verbonden waren aan een gewapenden aanval of aan een vlugt door die onbekende streken. Voorzeker konden er gebeurtenissen voorvallen, die zulk een onderhandeling vertraagden, zelfs beletten, maar het beste was nog haar uitslag af te wachten. En wat konden eigenlijk ook een tiental ongewapenden uitrigten tegen een dertigtal goed gewapende wilden? Ook vermoedde Glenarvan, dat de stam van Kai-Koemoe een opperhoofd van groot aanzien verloren had, dien hij gaarne terughad, en hij vergiste zich niet.

Den volgenden morgen voer het vaartuig met nieuwe snelheid den stroom op. Ten tien ure vertoefde het even aan de zamenvloeijing met de Pohaiwhenna, een riviertje, dat kronkelend door de vlakten op den regteroever liep.

Daar voegde zich een boot met tien inboorlingen bemand bij het vaartuig van Kai-Koemoe. De krijgslieden wisselden ter naauwernood den welkomstgroet, het "aïre mai ra," dat zeggen wil: "komt hier in goede gezondheid," en de beide booten voeren gezamenlijk verder. De nieuwaangekomenen hadden eerst onlangs de engelsche troepen bestreden. Dat zag men aan hun gescheurde kleeren, aan hun bebloede wapens, aan de wonden, die nog onder hun lompen gaapten. Zij waren somber en zwijgend. Met de aan alle wilde volken eigen onverschilligheid sloegen zij volstrekt geen acht op de Europeanen.

Tegen den middag vertoonden zich in het westen de toppen van den Maungatotari. Het dal van de Waikato werd al naauwer. Tusschen hooge oevers besloten schoot de stroom voort met de snelheid van een val. Maar de ligchaamskracht der inboorlingen, verdobbeld en geregeld door een gezang, dat de maat aangaf voor de beweging der riemen, voerde het vaartuig over het schuimende water. Zonder letsel kwam men over den val heen, en de Waikato stroomde weer even langzaam als vroeger, daar van mijl tot mijl de uitstekende hoeken harer oevers haar snelheid braken.

Tegen den avond legde Kai-Koemoe aan bij den voet der bergen, wier voorloopers zich loodregt op de smalle oevers verhieven. Daar maakten een twintigtal inboorlingen, die hun booten verlaten hadden, zich gereed om den nacht door te brengen. Vuren brandden onder de boomen. Een even aanzienlijk opperhoofd als Kai-Koemoe naderde met afgemeten schreden, en zijn neus wrijvende tegen dien van Kai-Koemoe, gaf hij hem den vriendengroet, "chongui" genaamd. De gevangenen werden in het midden van de legerplaats gebragt en met groote strengheid bewaakt.

Den volgenden morgen werd de lange reis op de Waikato weder voortgezet. Van de kleine zijstroompjes van de rivier kwamen andere booten afzakken. Er waren nu zoo wat zestig krijgslieden bijeen, stellig vlugtelingen van den laatsten opstand, en die, meer of min gehavend door de engelsche kogels, de bergstreken weder opzochten. Soms werd er een gezang aangeheven in de vaartuigen, die in een regte lijn elkander volgden. Een inlander zette het volkslied van den geheimzinnigen "Pihe" in:

Papa ra ti wati tidi I dounga nei....

den strijdzang, die de Maori's tot den onafhankelijkheidsoorlog aanvuurt. De volle en welluidende stem des zangers werd door de echo's van het gebergte nagebaauwd, en na ieder couplet herhaalden de inboorlingen in koor het oorlogzuchtig refrein, waarbij zij op hun borst sloegen, die als een trom klonk. Dan werden de riemen weer met nieuwe krachten aangevat, de vaartuigen roeiden tegen den stroom op en vlogen over den waterspiegel.

De vaart op de rivier werd dien dag gekenmerkt door een zonderling verschijnsel. Tegen vier ure stoof het vaartuig zonder aarzelen, zonder zijn loop te vertragen, door de vaste hand van het opperhoofd bestuurd, door een eng dal. Woedend brak de branding op de talrijke eilandjes, die ligt aanleiding tot ongelukken geven. Zoo ooit op dien buitengewonen togt op de Waikato, moest men thans zorgen niet om te slaan, want haar oevers leverden volstrekt geen toevlugtsoord op. Wie den voet op het kokende slijk der oevers gezet had, zou onfeilbaar verloren zijn geweest.

De stroom toch vloeide nu tusschen die warme bronnen door, welke ten allen tijde de nieuwsgierigheid der reizigers hebben gaande gemaakt. Het ijzeroxyde kleurde het slijk der oevers helderrood, waarop de voet geen vaam stevigen grond zou kunnen vinden. De dampkring was verzadigd met een zeer doordringende zwavellucht. De inboorlingen hadden er geen hinder van; maar de gevangenen werden ernstig ongesteld door de pestdampen, die uit de spleten van den grond opstegen, en door de blaasjes, welke de spankracht der daarin bevatte gassen deed bersten. Maar gewende de reuk zich moeijelijk aan die uitwasemingen, het oog kon niet nalaten dat ontzagwekkend schouwspel te bewonderen.

De stroom vloeide tusschen de warme bronnen door.

De stroom vloeide tusschen de warme bronnen door.
De stroom vloeide tusschen de warme bronnen door.

De vaartuigen waagden zich in een digte wolk van witte dampen. Haar oogverblindende kronkelingen stegen koepelsgewijs boven den stroom. Op zijn oevers bragten een honderdtal heete bronnen, waarvan sommigen massa's dampen opwierpen en anderen waterzuilen uitspoten, een even afwisselende vertooning teweeg, als de waterstralen en watervallen van een bekken, die de hand der menschen te voorschijn roept. Men zou gezegd hebben, dat een machinist naar welgevallen de afwisselende verschijnselen dier bronnen bestuurde. Het water en de dampen vermengden zich in de lucht en vertoonden door de zon beschenen al de kleuren van den regenboog.

Te dezer plaatse liep de Waikato over een bewegelijke bedding, die door de werking van het onderaardsche vuur onophoudelijk kookt. Niet ver van daar, naar den kant van het meer Rotorua in het oosten loeiden de warme bronnen en de rookende watervallen van den Rotomohana en den Tetarata, in wier nabijheid sommige stoute reizigers zich gewaagd hebben. Deze geheele streek is doorboord van heete springbronnen, kraters en zwavelgroeven. Daar ontsnapt het overtollige gas, dat geen uitweg heeft kunnen vinden door de ontoereikende veiligheidskleppen van den Tongariro en den Wakari, de twee eenige werkzame vuurspuwende bergen van Nieuw-Zeeland.

Twee mijlen ver voeren de booten der inboorlingen onder dat gewelf van dampen door, besloten in de warme wolkjes, die over den waterspiegel heendreven; vervolgens trok de zwaveldamp op, en de benaauwde borst ademde weer een zuivere lucht in, een gevolg van de snelheid van den stroom. Men was de streek der bronnen voorbij.

Voor het einde van den dag voerden de krachtige riemslagen der wilden hen weer over de twee stroomversnellingen van Hipapatua en Tamates. 's Avonds legde Kai-Koemoe op honderd mijlen van de zamenvloeijing van de Waipa en Waikato aan. De stroom, die zich naar het oosten had gewend, rigtte zich nu weer zuidwaarts naar het meer Taupo, gelijk een ontzaggelijke waterstraal, die in een bekken valt.

Toen Jacques Paganel den volgenden morgen de kaart raadpleegde, herkende hij op den regteroever den berg Taubara, die tot een hoogte van drie duizend voet oprijst.

Ten twaalf ure voer de geheele vloot door een zijtak van den stroom het meer Taupo binnen, en begroetten de inlanders met luidruchtige gebaren een stuk doek, dat in den wind wapperde op het dak eener hut. Het was de vaderlandsche vlag.

's Middags voer de geheele vloot het Taupo meer op.

's Middags voer de geheele vloot het Taupo meer op.
's Middags voer de geheele vloot het Taupo meer op.

XI.

Het meer Taupo.

Lang voor de historische tijden heeft zich door de instorting van holen in de trachietlava op het midden des eilands een onpeilbare kolk gevormd, lang vijf en twintig, breed twintig mijlen. Het water, dat van de omliggende bergtoppen stortte, heeft die ontzettende holte gevuld. De kolk is een meer geworden, maar nog altijd een afgrond gebleven, en het dieplood heeft er de diepte nog niet van kunnen meten.

Dat is het vreemde meer Taupo, dat twaalf honderd vijftig voet boven den zeespiegel en tusschen een kring van bergen in ligt, die derdehalf duizend voet hoog zijn. Die uitgestrekte watervlakte, wier hevige stormen bijna te vergelijken zijn met de kringvormige stormen op den oceaan, wordt heerlijk ingesloten, ten westen door hooge loodregte rotsen, ten noorden, door eenige verwijderde en met boschjes bekroonde toppen, ten oosten door een breed strand, waarover een weg loopt en dat met puimsteenen versierd is, die tusschen de bladeren der struiken heen blinken, en ten zuiden, door vulkanische kegelbergen, aan den zoom van een woud gelegen.

Die geheele streek kookt als een ontzaggelijke waterketel, hangende over de onderaardsche vlammen. De grond beeft onder de liefkozingen van het inwendige vuur. Op vele plaatsen stijgt een heete damp op. De aardkorst scheurt en barst als een koek, die te sterk rijst, en ongetwijfeld zou die geheele hoogvlakte in een gloeijenden oven wegzinken, wanneer de gevangen dampen niet twaalf mijlen verder een uitweg vonden door de kraters van den Tongariro.

Van den noordelijken oever gezien, schenen vederbossen van rook en vlammen boven dien vulkaan, door kleine vuurspuwende bergen omringd, te wapperen. De Tongariro scheen in verband te staan met een vrij ingewikkeld bergstelsel. Achter hem verborg de afgezonderd in de vlakte staande Ruapohoe zijn met sneeuw bedekte kruin ter hoogte van negen duizend voet in de lucht. Geen sterveling heeft nog den voet gezet op zijn ongenaakbaren kegel; het menschelijk oog heeft nooit de diepte van zijn krater gepeild, terwijl tot driemalen toe in twintig jaar de heeren Bidwill en Dyson, en laatst Von Hochstetter de toegankelijker toppen van den Tongariro hebben gemeten.

Aan die vuurspuwende bergen zijn legenden verbonden, en bij iedere andere gelegenheid zou Paganel ze zeker aan zijn makkers verteld hebben. Hij zou hun medegedeeld hebben, hoe er eens over een vrouw twist ontstond tusschen den Tongariro en den Taranaki, die toen zijn buurman en vriend was. De Tongariro, die wat heethoofdig is, zooals alle vulkanen, werd zoo driftig, dat hij den Taranaki sloeg. Geslagen en vernederd vlugtte deze door het Whanganni-dal, liet onderweg twee brokken van bergen vallen, en bereikte de zeekust, waar hij nu eenzaam staat onder den naam van den Egmont.

Maar Paganel had even weinig lust om te vertellen, als zijn vrienden om toe te luisteren. Zij sloegen zwijgend den noordoostelijken oever van het Taupo-meer gade, waar hun ongelukkig gesternte hen heenvoerde. De zendingspost door den eerwaarden Grace te Pukawa op den westelijken oever van het meer gesticht, bestond niet meer. De oorlog had den leeraar ver weggedreven van het voornaamste brandpunt van den opstand. De gevangenen waren alleen, overgelaten aan de willekeur van wraakzuchtige Maori's, en juist in dat onbeschaafde gedeelte des eilands, waar het christendom nooit doorgedrongen is.

Toen Kai-Koemoe de Waikato verlaten had, stak hij de kleine kreek over, die tot uitwatering van den stroom dient, voer om een spits voorgebergte en landde op den oostelijken oever van het meer, aan den voet van den Mauga-berg, die een hoogte van achttien honderd voet bereikt. Daar breidden zich akkers uit met het kostbare nieuw-zeelandsche vlas. De inboorlingen noemen het "harakeke." Al wat die nuttige plant oplevert, is bruikbaar. Haar bloemen verschaffen een soort van uitmuntenden honig, haar stam brengt een gomachtige zelfstandigheid voort, die de plaats van was of stijfsel vervangt; haar nog nuttiger blad leent zich tot allerlei gedaanteverwisselingen; versch, gebruikt men het als papier; gedroogd, levert het een uitstekende zwam; gekorven, verandert het in koord, kabeltouw en draad; uitgeplozen en gevlochten wordt het deken of mantel, mat of schaamteschort, en rood of zwart geverfd kleedt het de deftigste Maori's.

Dat kostbare vlas wordt dan ook allerwege op de twee eilanden gevonden, aan de zeekust zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Hier bedekten zijn in het wild groeijende struiken geheele akkers; zijn bruinroode op de aloë gelijkende bloemen ontloken overal buiten zijn digte en lange bladeren, die een zegeteeken van scherpe zwaarden vormden. Liefelijke vogels, de honigvogels, de gewone bezoekers der vlasakkers, vlogen in groote troepen rond en vergastten zich op het honigsap der bloemen.

In het water van het meer plasten troepen eenden, met een kakelbont gevederte, van zwartachtige, grijze en groene pennen, en die zich gemakkelijk tam laten maken.

Een kwart mijl verder verrees op een steilte van den berg in een onneembare stelling een "pah" of verschansing. De gevangenen werden één voor één aan land gebragt, ontboeid en door de krijgslieden daarheen geleid. Een pad, dat op de verschansing uitkwam, liep door vlasakkers en een boschje schoone boomen, bestaande uit "kaikatea's," met blijvende bladeren en roode bessen, "dracenas australis," de "ti" der inboorlingen, wier kruin zeer goed de palmkool vervangen kan, en "huious," waarvan men zich bedient om de stoffen zwart te verwen. Groote duiven met een metaalglans, aschgraauwe lappenvogels en een menigte spreeuwen met roodachtige lellen vlogen weg bij de nadering der inboorlingen.

Na een vrij langen omweg kwamen Glenarvan, lady Helena, Mary Grant en de overigen in de sterkte.

Glenarvan en zijn gezellen komen aan in de sterkte.

Glenarvan en zijn gezellen komen aan in de sterkte.
Glenarvan en zijn gezellen komen aan in de sterkte.

Deze vesting werd verdedigd door een eerste omheining van stevige, vijftien voet hooge palissaden; een tweede linie van palen en daarna een schutting van gevlochten wilgentakken met schietgaten voorzien omgaven den anderen omtrek, dat is het hoogste gedeelte der vesting, waarop versterkingen waren aangelegd en een veertigtal hutten ordelijk bij elkander stonden.

Daar komende maakte het gezigt der hoofden, waarmede de palen der tweede omwalling versierd waren, een vreeselijken indruk op de gevangenen. Lady Helena en Mary Grant wendden de oogen af, meer nog uit walging dan van schrik. Die hoofden hadden toebehoord aan vijandelijke opperhoofden, die in den strijd gesneuveld waren en wier ligchamen den overwinnaars tot spijs hadden gediend. De aardrijkskundige herkende ze terstond aan hun holle en ledige oogkassen.

Het oog der opperhoofden wordt namelijk verslonden en het hoofd op inlandsche manier toebereid. De hersens worden er uit gehaald, de huid er afgestroopt, de neus met kleine plankjes vastgezet, de neusgaten met vlas gestopt, en mond en oogleden digtgenaaid. Daarna wordt het in den oven gelegd en dertig uren gerookt. Zoo toebereid blijft het zeer lang onveranderd en ongerimpeld, en vormt zegeteekenen.

Dikwijls bewaren de Maori's het hoofd hunner eigen opperhoofden; maar in dat geval blijft het oog in de holte en staart de voorbijgangers aan. De Nieuw-Zeelanders vertoonen die overblijfselen met trots; zij laten ze door de jonge krijgslieden bewonderen en brengen hun de schatting hunner hulde door plegtige feesten.

Maar in de vesting van Kai-Koemoe versierden alleen hoofden van vijanden dit afschuwelijk museum, en ongetwijfeld vermeerderde meer dan één Engelschman met ledige oogholte de verzameling van het opperhoofd der Maori's.

Achter in de vesting, voor een groote opene plek gronds, die Europeanen het "slagveld" zouden genoemd hebben, stak de woning van Kai-Koemoe boven verscheidene geringere hutten uit. Die woning was opgetrokken van palen met een vlechtwerk van takken onderling verbonden en van binnen bekleed met linnen. Zij was twintig voet lang, vijftien breed en tien hoog, en had dus een inhoud van drie duizend kubieke voeten. Meer ruimte heeft een zeelandsch opperhoofd niet noodig.

Er was maar eene opening, die toegang tot de hut verleende; een digt weefsel van plantenvezels, dat opgehaald kon worden, diende voor deur. Het dak stak er overheen bij wijze van een goot. Eenige figuren in het uiteinde der sparren gebeiteld versierden de hut, en het "wharepuni" of portaal vertoonde aan de bewondering der bezoekers bladeren, zinnebeeldige figuren, monsters, lofwerk, kortom een vreemd mengelmoes, het voortbrengsel van den beitel der inlandsche kunstenaars.

Binnen in de hut lag de vloer, van vastgetrapte aarde gemaakt, een halven voet boven den beganen grond. Eenige teenen horden en matrassen van drooge varens, bedekt met een mat uit de lange en buigzame bladeren van den "typha" gevlochten, dienden tot bedden. In het midden was de vuurhaard, een gemetseld gat, en in het dak was een ander gat, dat tot schoorsteen diende. Wanneer de rook zwaar genoeg was, vond hij eindelijk goed dien uitweg te gebruiken, maar niet voor hij op de wanden der woning een heerlijk zwart vernis had aangebragt.

Naast de hut stonden de pakhuizen met den voorraad van het opperhoofd, zijn oogst van vlas, pataten, taro's, eetbare varens, en de ovens, waarin al die spijzen op heete steenen geroosterd worden. In kleine omheinde plaatsen weidden wat verder eenige zwijnen en geiten, de schaarsche afstammelingen der nuttige dieren, welke kapitein Cook hier had ingevoerd. Hier en daar liepen honden om hun sober maal op te zoeken. Zij werden vrij slecht onderhouden voor dieren, met wier behulp de Maori dagelijks zijn voedsel moet zoeken.

Glenarvan en zijn lotgenooten hadden dit alles met een oogopslag overzien. Bij een ledige hut wachtten zij af, wat het opperhoofd over hen zou beschikken, en hadden veel te lijden van de beleedigingen van een troep oude vrouwen. Die bende harpijen omringde hen, dreigde hen met vuisten, huilde en vloekte. Eenige engelsche woorden kwamen over haar dikke lippen, waaruit duidelijk bleek, dat zij onmiddellijk om wraak riepen.

Onder al die verwenschingen en bedreigingen toonde lady Helena, uiterlijk bedaard, een gerustheid, die toch niet in haar wonen kon. Om lord Glenarvan zijn koelbloedigheid niet te doen verliezen, deed die moedige vrouw heldhaftige pogingen om zich te bedwingen. De arme Mary Grant voelde, dat haar krachten haar begaven, en John Mangles ondersteunde haar, bereid om haar tot het uiterste toe te verdedigen. Die vloed van verwenschingen werd door zijn makkers in zeer verschillende stemming aangehoord, sommigen, zooals de majoor, bleven er kalm onder, anderen, zooals Paganel, waren ten prooi aan een steeds toenemende verbittering.

Daar hij lady Helena wilde behoeden voor de vuisten dier grijze hellevegen, ging Glenarvan regelregt op Kai-Koemoe af, en zeide, op dien afzigtelijken hoop wijzende: "Jaag ze weg!"

Het maori opperhoofd zag zijn gevangene stijf aan zonder hem te antwoorden; vervolgens bragt hij met een wenk die huilende horde tot zwijgen. Glenarvan boog om hem te bedanken, en keerde weder langzaam naar zijn plaats in het midden der zijnen terug.

Er waren nu zoowat honderd Nieuw-Zeelanders, grijsaards, volwassenen en jongelieden, in het fort bijeen; sommigen wachtten bedaard maar droefgeestig de bevelen van Kai-Koemoe af, anderen gaven zich over aan al de vervoeringen eener hevige smart; enkelen beweenden hun bloedverwanten of vrienden, die in de laatste gevechten gevallen waren.

Van al de opperhoofden, die op de roepstem van William Thompson waren toegesneld, was Kai-Koemoe de eenige, die in de aan het meer gelegen streken terugkeerde, en hij was de eerste, die aan zijn stam de nederlaag verhaalde, die de opstandelingen in de vlakten van de Beneden-Waikato geleden hadden. Van de twee honderd krijgslieden, die onder zijn bevel tot verdediging van den vaderlandschen grond waren uitgetrokken, ontbraken er honderd vijftig bij de terugkomst. Sommigen waren door de overwinnaars gevangen genomen; maar de meeste hadden op het slagveld den dood gevonden en zouden het land hunner vaderen nimmer terugzien!

Hieruit was de diepe droefheid te verklaren, die de komst van Kai-Koemoe bij zijn stam had opgewekt. Er was nog niets van de laatste nederlaag uitgelekt, en die noodlottige tijding was pas ruchtbaar geworden.

Bij de wilden openbaart zich de zielsdroefheid altijd door uiterlijke teekenen. De bloedverwanten en vrienden der gesneuvelde krijgslieden, vooral de vrouwen, reten hun gelaat en schouders met scherpe schelpen open. Het bloed stroomde uit de wonden en vermengde zich met hun tranen. De grootte der wanhoop was af te meten naar de diepte der inkervingen. De bloedende en razende nieuw-zeelandsche vrouwen waren vreeselijk om te zien.

Een andere, in de oogen der inlanders zeer gewigtige oorzaak, vergrootte nog hun wanhoop. Niet alleen was de bloedverwant, de vriend, dien zij beweenden, niet meer; maar zijn gebeente zou niet in het familiegraf rusten. Het bezit nu van dat overschot wordt in de godsdienst der Maori's als onmisbaar voor het lot in het eeuwige leven beschouwd; niet het vergankelijke vleesch, maar de beenderen, die zorgvuldig worden bijeengezameld, gereinigd, afgekrabd, gepolijst, ja zelfs gevernist; ten slotte worden zij in het "oedoepa" gelegd, dat wil zeggen "het huis des roems." Die graven zijn met houten beelden versierd, die met volkomen juistheid de tatoeëering des overledenen voorstellen. Maar nu zouden die graven ledig blijven, de godsdienstige plegtigheden niet volbragt worden, en de beenderen, welke de tand der wilde honden mogt sparen, onbegraven verbleeken op het slagveld.

Toen verdubbelden de teekenen der smart. Op de bedreigingen der vrouwen volgden de vervloekingen der mannen tegen de Europeanen. Scheldwoorden werden uitgebraakt, de gebaren heviger. Op het geschreeuw zouden daden van geweld volgen.

Kai-Koemoe vreesde, dat de dweepers onder zijn stamgenooten hem te magtig zouden worden, en liet daarom zijn gevangenen naar een gewijde plaats brengen, die aan het andere einde der verschansing op een steilen bergtop lag. Die hut leunde tegen een rotswand, die honderd voet boven haar uitstak, en aan die zijde van het fort een vrij steile helling vormde.

In dit "wareatoea," heilig huis, predikten de priesters of ariki's aan de Zeelanders een god in drie personen, den vader, den zoon, en den vogel of geest. De ruime en goed gesloten hut bevatte het gewijde en uitgezochte voedsel, dat Maoeï-Ranga-Ranguï eet met den mond zijner priesters.

Daar gingen de gevangenen, voorloopig beveiligd tegen de woede der inlanders, op matten van vlas liggen. Lady Helena, wier krachten uitgeput, wier geestkracht overwonnen was, viel in de armen van haar echtgenoot. Glenarvan klemde haar aan zijn borst en herhaalde: "Houd moed, lieve Helena! de Hemel zal ons niet verlaten!"

Pas was Robert opgesloten, of hij klom op Wilsons schouder, en slaagde er in zijn hoofd door een opening tusschen het dak en den muur te steken, waaraan snoeren amuletten hingen. Van daar kon hij de geheele vesting overzien tot aan de hut van Kai-Koemoe.

Robert klom op de schouders van Wilson.

Robert klom op de schouders van Wilson.
Robert klom op de schouders van Wilson.

"Zij zijn om het opperhoofd vereenigd," fluisterde hij.... "Zij zwaaijen met hun armen.... Zij brullen.... Kai-Koemoe wil spreken...."

De knaap zweeg een poos en hervatte toen:

"Kai-Koemoe spreekt.... De wilden komen tot rust.... Zij luisteren naar hem...."

"Zeker heeft dat opperhoofd er persoonlijk belang bij om ons te beschermen," zeide de majoor. "Hij wil zijn gevangenen tegen opperhoofden van zijn stam uitwisselen! Maar zullen zijn krijgslieden er in bewilligen?"

"Ja!... Zij luisteren naar hem...." hervatte Robert. "Zij gaan uiteen.... Enkelen keeren naar hun hutten terug.... Anderen verlaten de verschansing...."

"Zegt gij de waarheid?" riep de majoor.

"Ja, mijnheer Mac Nabbs!" antwoordde de knaap. "Kai-Koemoe is alleen gebleven met de manschappen, die in zijn boot waren.... Ha! daar komt er een naar onze hut...."

"Kom af, Robert!" gebood Glenarvan.

Nu vatte lady Helena, die weer bijgekomen was, den arm van haar echtgenoot.

"Edward!" sprak zij op vasten toon, "Mary Grant en ik moeten niet levend in de handen der wilden vallen!"

Dit zeggende overhandigde zij aan Glenarvan een geladen revolver.

"Een wapen!" riep Glenarvan, wiens oogen met een plotselingen glans schitterden.

"Ja! de Maori's onderzoeken hun vrouwelijke gevangenen niet! Maar dit wapen is voor ons, Edward! niet voor hen!..."

"Glenarvan!" zeide de majoor snel, "verberg dien revolver! Het is nog geen tijd...."

De revolver verdween onder de kleeren van den lord. De mat, waarmede de ingang der hut gesloten was, werd opgeligt. Een inlander verscheen.

Hij gaf den gevangenen een wenk om hem te volgen. Digt aaneengesloten stapten Glenarvan en de zijnen voort en bleven eindelijk voor Kai-Koemoe staan.

Rondom dit opperhoofd waren de voornaamste krijgslieden van zijn stam vereenigd. Onder hen was ook die Maori, wiens boot zich bij die van Kai-Koemoe had gevoegd, ter plaatse waar de Pohainhenna in de Waikato valt. Het was een gespierd man van veertig jaar, en met een woest en wreed voorkomen. Hij heette Kara-Tete, dat wil zeggen "de opvliegende." Kai-Koemoe behandelde hem met zekere achting; aan de fijnheid zijner tatoeëering kon men zien, dat Kara-Tete een hoogen rang in zijn stam bekleedde. Toch had een scherp waarnemer kunnen zien, dat er een zekere naijver tusschen die twee opperhoofden bestond. De majoor merkte op, dat de invloed van Kara-Tete Kai-Koemoe hinderde. Zij heerschten beiden over de belangrijke stammen aan de Waikato en met gelijke magt. Bij dit onderhoud mogt Kai-Koemoe dan al glimlagchen, diepe haat straalde uit zijn oogen.

Kai-Koemoe ondervroeg Glenarvan, en zeide:

"Zijt gij een Engelschman?"

"Ja!" antwoordde de lord zonder aarzelen; want dit zou een uitwisseling gemakkelijker maken.

"En uw medgezellen?" zeide Kai-Koemoe.

"Zijn Engelschen evenals ik. Wij zijn reizigers, schipbreukelingen. Maar, als gij het weten wilt, wij hebben geen deel genomen aan den strijd."

"Dat raakt mij niet!" antwoordde de onbeschofte Kara-Tete. "Elke Engelschman is onze vijand. De uwen hebben ons eiland bemagtigd! Zij hebben onze akkers gestolen! Zij hebben onze dorpen verbrand!"

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings