Elfde Zang.
H. J. Boeken translation
Vervolg van den zesden ommegang.
In dezen zang geeft Virgilius eene indeeling en overzicht van de nu nog volgende drie ommegangen, en een terugblik op de reeds doorloopene zes Ommegangen.
1 Op het uiterste van eenen hoogen rand, welken groote steen-brokken in eenen cirkel maakten, kwamen wij boven wreeder (gemartelde) lading.
4 En daar, wegens de gruwelijke overmaat van stank, welken de diepe afgrond opzendt, drongen wij ons terug tegen eenen deksel
7 van eenen grooten grafkuil, waarop ik een opschrift zag, hetwelk zeide: „Ik bevat Paus Anastatius, denwelken Photinus van den rechten weg aftrok.”
10 „Ons afdalen voegt het traag te zijn, zoodat de reuk eerst een weinig wenne aan den naren wasem: en men er daarna geen acht meer op slaat.”
13 Aldus de Meester: en ik: „Vind,” zeide ik tot hem: „eenige schadeloos-stelling dat de tijd niet verloren voorbij ga.” En hij: „Gij ziet dat ik daaraan denk.
16 Zoon mijn, (ingesloten) binnen deze rotsen,” begon hij voorts te zeggen: „zijn drie kleinere cirkels van trap tot trap, gelijk diegene, welke gij verlaat.
19 Allen zijn vol van gemaledijde geesten: maar omdat hierna het gezicht u voldoen zal, begrijp hoe en waarom zij in de benauwenis zijn.
22 Van alle kwaadwilligheid, welke haat in den hemel oogst, is onrecht het einde, en alle zoodanig einde bedroeft een ander òf door geweld òf door bedrog.
25 Maar omdat bedrog het eigenaardig kwaad is van den mensch, misvalt het te meer aan God; en daarom bevinden zich de bedriegelijken onderaan en bespringt te meer pijn ze.
28 Van gewelddadigen is de eerste cirkel gansch; maar omdat geweld gepleegd wordt tegen drie personen, is hij in drie onder-cirkels verdeeld en (daaruit) opgebouwd.
31 Geweld kan men plegen tegen God, tegen zich-zelven, en tegen zijnen naasten; ik zeg tegen hen-zelven en tegen het hun toebehoorende, gelijk gij hooren zult met openbare redeneering.
34 Door geweld geeft men zijnen naasten (zelven) dood en smartelijke wonden, en zijnen bezittingen verwoesting, brandstichting en schadelijken roof.
37 Vandaar zijn het moordenaars en ieder die uit slechtheid doodt, verwoesters en roovers, welken allen de eerste ondercirkel martelt in verscheidene scharen.
40 Gewelddadige hand kan de mensch hebben tegen zich-zelven en tegen zijne goederen: en daarom past het dat in den tweeden ondercirkel berouw zonder bate heeft
43 al wie zich van (het leven in) uw wereld berooft, en al wie zijn vermogen verspeelt en verkwist, en weent daar waar hij vroolijk moet zijn.
46 Men kan geweld plegen tegen de Godheid, die in het hart ontkennend en vervloekend, en de natuur en hare goedheid niet waardeerende.
49 En daarom merkt de (nog) kleinere cirkel met zijn merk èn Sodom en Cahors en al wie praat, God in het hart minachtend.
52 Het bedrog, waardoor alle geweten gebeten wordt, kan de mensch gebruiken tegen hem, die vertrouwt en tegen dengene, die geen vertrouwen (voor goede munt) opsteekt.
55 Deze laatstgenoemde wijze blijkt het dat toch dien (algemeenen) band van liefde doodt, welken de natuur maakt: vandaar dat zich in den tweeden cirkel nestelt
58 huichelarij, vleierij en wie behekst, valschheid, rooverij en Simonie, koppelaars, omkoopelingen en dusdanig vuil.
61 Door de andere manier wordt die liefde vergeten, welke de natuur maakt en die welke daar voorts aan wordt toegevoegd, uit welke het bijzondere vertrouwen geboren wordt:
64 en daarom is het dat in den kleinsten cirkel, waar het middelpunt des Heelals is, en op hetwelk Dis gelegen is, al wie verraadt ten eeuwigen dage, verteerd wordt.”
67 En ik: „Meester zeer helder gaat uwe redeneering voort, en zeer goed verdeelt zij dezen afgrond en het volk, hetwelk hij in-heeft.
70 Maar zeg mij: genen van den dikken poel, en die welken de wind drijft en die welken de regen slaat, en die welke elkanderen gemoeten met zoo scherpe bewoordingen,
73 waarom worden zij niet binnen de roode stad gestraft, als God ze in zijnen toorn heeft? en als hij ze niet daarin heeft, waarom zijn zij in zulk eenen staat?”
76 En hij tot mij: „Waarom doolt zóó verre,” zeide hij: „uwe ingeborenheid af van den weg dien zij pleegt te gaan? of wel ziet uw geest elders henen?
79 Herinnert gij u niet die woorden, met de welke uwe Ethica de drie neigingen behandelt, welke de Hemel niet wil,
82 de oningetogenheid, de kwaadwilligheid en de overgegeven beestachtigheid? en hoe oningetogenheid God minder krenkt en zich minder blaam op den hals haalt?
85 Indien gij die uitspraak goed beschouwt, en u voor den geest haalt wie degenen zijn welken daar-boven en daar-buiten boete-doening onderhouden,
88 dan zult gij zien waarom zij van deze kwaadaardigen zijn afgescheiden, en waarom minder vertoornd de goddelijke rechtvaardigheid ze hamert.”
91 „O Zon, die alle verduisterde gezicht geneest, gij bevredigt mij zoo zeer wanneer gij mijne twijfelingen oplost, dat, niet minder dan het weten, het twijfelen mij gevalt.
94 Wendt u nog weer een weinig terug,” zeide ik „daarheen, waar gij zeidet dat woeker de goddelijke goedheid beleedigt, en ontwar mij die knoop.”
97 „De Filosofie,” zeide hij: „merkt voor hem, die haar verstaat, niet maar in een deel alleen op hoe de natuur haren loop neemt
100 uit het goddelijk verstand en uit diens kunst: en indien gij wèl uwe Physica merkt, dan zult gij vinden, niet na vele bladzijden,
103 dat uwe kunst zoo veel zij kan, gene volgt, gelijk de leerling den meester doet, zoodat uwe kunst van God als het ware het kleinkind is.
106 Uit deze beiden, indien gij u Genesis over het begin (der wereld) wèl voor den geest haalt, voegt het het levens-onderhoud te trekken, en de menschen voort te teelen.
109 En omdat de woekeraar eenen anderen weg houdt, smaadt hij de natuur zoowel in haar zelve als in haren volgeling, omdat hij op iets anders zijne hoop bouwt.
112 Maar volg mij als nu, daar het gaan mij gevalt; want de Visschen schieten op aan den horizont, en de Wagen ligt gansch boven het Noord-Oosten; en de helling daalt nog ver ginds-henen.