Jack Bobson's Poolreis.
Reading edition
„Though this be madness, Yet there's method in it.”
Des avonds, zoo vaak mij de ooren begonnen te tuiten van het rumoer der wereldstad, placht ik verademing te zoeken op eene der bruggen waar tol geheven werd, en waar dus weinig verkeer den begeerige naar stilte verstoorde.
Gelijk een visioen uit het Boek der Openbaring was hier de aanblik van de rivier en hare oevers—: „eene glazen zee, met vuur gemengd”. Duizenden waren de lampen in den nacht. Londen's diepe stem, gedempt, rolde dreunend over de wateren. En zeewaarts, met dof gebruis tegen de granieten bogen, gleed in de diepte de zwarte stroom, de lampen weerspiegelend met sidderende flikkerglansen. Dan daalde vaak, in de droeve maanden November en December, een grauwe mist uit de hoogte, en legde zich neder op Babylon. Zóó moet de chaos gelegen hebben, woest en ledig, vóór de Geest des Scheppers scheiding kwam maken tusschen het licht en tusschen de duisternis. De duizenden lampen waren als uitgebluscht; onzichtbaar geworden hare trillende schijnselen in het water; al de voorwerpen rondom, ook de brug zelve, aan mijn oog onttrokken, als weggesmolten in het niet. Maar de hemel was vervuld van eenen valen gloed, waarover matte schaduwgestalten schenen heen te trekken in spokenden optocht. En de doffe stem van Londen dreunde voort, als uit eindeloozen afstand. En het doffe bruisen der rivier steeg opwaarts, als uit peillooze diepte. Een gonzen en een schemeren—anders niets.
Ik toefde ook dán nog op de brug. Maar niet lang. Geen mensch weerstaat den somberen invloed van zulk weder te Londen. Elk zoekt eenen haard, al is het zijn eigen niet; elk wil voort uit den geelgrauwen damp, die erger is dan duisternis, wijl zelfs het licht, dat hij verslindt, machteloos is tegen hem.
Zóó ook ik.
Gewoonlijk, na zulk eene melancholieke wandeling, ging ik mij wat opfleuren in zeker behaaglijk ale-huis, gelegen in eene stille zijstraat nabij de zuidzijde der brug. Het was eene kleine, doch kalme en in zekeren zin deftige inrichting. Geen verblindende lichtglans straalde den voorbijganger er uit tegen; geene verdachte heeren en verleidelijke schenksters aan het buffet. De dikke kastelein of zijne stemmige dochter bediende. Men dronk er zijn bier, echt nationaal, uit blinkende tinnen kannen—Engelsch brouwsel uit Engelsch metaal. In de ouderwetsche, met zand bestrooide parlour knapperde steeds in den open haard een vroolijk vuur, terwijl op de eiken tafels versche pijpen geschaard lagen, die den gast op het overredendst noodigden tot toeven. Alles was er, zooals men het eer op het gemoedelijke platteland, dan te Londen zoeken zou. Ook de gasten. Hier kwamen bejaarde huisvaders uit de buurt hunne courant lezen, of murmureeren over de slechte tijden. Doch het liep er nooit druk. Dikwijls, als ik vroeg gekomen was, zat ik er alleen—of met nog éénen persoon, die nu juist bestemd was de held te zijn van deze geschiedenis.
Hij mag een zestiger zijn geweest. Allereerst trok hij de aandacht door eene dikke muts van glimmend zwart berevel, die hem niet van het hoofd ging. Voorts verrieden gelaatskleur, kleeding en manieren hem dadelijk als eenen oud-zeeman: en toch had hij in zijn doen niets van het hoekige, zoomin als van het vrijmoedige of zelfgenoegzame, dat oude varenslieden veelal kenmerkt. Zijne forsche gestalte was gebogen; de zware grijze knevelbaard hing hem ongerept over lippen en borst; diepe rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Hij scheen lichamelijk veel geleden te hebben, of in den geest veel getobd. Altoos zat hij in denzelfden hoek, geweldig rookend, half verscholen achter zijne courant. Met niemand sprak hij; doch des te drokker scheen hij bezig met zichzelven. Vaak schudde hij geërgerd het hoofd, of liet, met omlaag turenden blik, de kin op de borst rusten. Blijkbaar had de man eene grief, die hem geheel vervulde. Hij maalde over iets.
Ook met mij, hoe dikwijls ik met hem samen geweest was in de stille gelagkamer, had hij nooit een woord gewisseld. Mijn „goeden avond!” bij het binnentreden beantwoordde hij werktuigelijk; verder was er tusschen ons geen geluid gegeven.
Men kan zich daarom mijne verwondering denken, als op zekeren namiddag (ik had pas den omtrek der dokken bezocht en mijn hoofd opgevuld met bonte beelden uit de vijf werelddeelen) de geheimzinnige man plotseling opstond, zich over mij plaatste aan de tafel, en met doordringenden blik mij in de oogen begon te staren.
Ik wil bekennen dat ik eene seconde sterken aandrang voelde om den kastelein te schellen. Doch dit angstige gevoel, van alleen te zijn met eenen krankzinnige, was even snel geweken, toen de zonderling, weemoedig glimlachend, als om mij gerust te stellen, met diepe, gedempte stem tot mij de vraag richtte, of ik niet vreemdeling was.—„I thought so”, hernam hij op mijn bevestigend bescheid. En als reden voor die meening, liet hij er op volgen: „You have not the look of an Englishman: you have a look as if you could believe an honest fellow.” Daarna weer, na eene korte pauze, en terwijl hij mij een artikel aanwees in de Daily Telegraph: „Have you read this?”—Hierop, heftiger: „They are at it again, the lying rogues—and yet I told them how it is!”—En ten slotte, met eenen donderenden vuistslag op de tafel: „Curse them, Sir, they have buried me first—and now they won't believe me!”
Hij sprong op in zijne volle lengte; en ik, nu volkomen zeker van met eenen razende te doen te hebben, strekte nogmaals de hand uit naar de tafelschel. Maar dadelijk, als verschrikt door zijne heftigheid, zonk hij weer in zijnen stoel, schudde het hoofd, en hield zacht mijnen arm terug. „You take me for a madman, haha!” lachte hij droevig. „Perhaps you are right. But never mind my fits. I will tell you a great secret. And you will believe me. Won't you?”
Aan mijnen stoel gekluisterd door bevreemding, knikte ik toestemmend. Ik luisterde toen naar het volgende verhaal, dat de man met de zwarte muts mij deed, soms met levendige gebaren van aandoening, en dan weer mompelend voor zich heen, als iemand die eene honderdmaal herhaalde les opzegt. Hij had daarbij eenen stijl en vaak eene woordenkeus, die, zonder juist keurig te mogen heeten, toch eene zekere mate van beschaving en verbeeldingskracht verrieden.
„Ja! ze hebben mij begraven. Ze meenden dat Jack Bobson dood was. Maar Jack heeft ze allen overleefd!—Ik ben het, die hier tegenover u zit. Ik ben Jack Bobson—en de arme Sir John had geen knapper ijsmeester op zijn schip.
„Van Jack Bobson hebt ge zeker nooit gehoord. Maar wel van Sir John—Sir John Franklin?—Nu, ik voer met hem mee op de Erebus, in het jaar '45.
„'t Ging alles best tot het Beechey-eiland, waar we dien eersten winter ons kwartier opsloegen. Doch toen de zon weer uit haar nest gekropen was, in Mei, of Juni, ging Jack Bobson te kooi liggen met eene vreemde ziekte, die bij hem in de familie zat, en deed alsof hij stierf. Dit was stom van Jack. Maar nog stommer was het van de kameraden, dat ze hem den tijd niet gunden om weer tot zijnen adem te komen, en hem wegstopten onder eenen hoop keien, alsof er haast bij was. De éénige, die bij deze gelegenheid zijn verstand gebruikte, was de witte beer die Jack opgroef, en hem wakker schudde met eenen knauw, en van schrik aan den haal ging, toen Jack hem bedankte met eenen opstopper tegen zijnen kouden neus. Goed maar, dat er in de gauwigheid geen doodkist op had kunnen overschieten voor Jack. En de kameraads schenen inderdaad geduchte haast te hebben gehad om verder te trekken. Zij waren gevlogen met hunne schepen, toen Jack door den beer was bijgeholpen. Gevlogen!—Arme kerels! Arme Sir John!—Waren ze maar gebleven! dan zaten ze hier warm als ik, en we hadden samen de Pool ontdekt, en, curse me, Sir! als men ons dán niet zou gelooven!—Hier gaan ze! Op hunne eeuwige glorie!
„Ik was alleen”, ging de verteller voort, na eene teug genomen te hebben uit zijne kroes. „Ik was alleen. Bij geluk had Sir John op het Beechey-eiland in eene cairn eenen ruimen voorraad achtergelaten van levensmiddelen en allerhande benoodigdheden; ook eene stevige sloep met toebehooren. Nu moet ge bovendien weten, dat die ziekte van mij eene bijzonder vreemdsoortige ziekte was geweest. Mijn vader had ze vóór mij gehad, en had drie weken op het kerkhof te Plymouth gelegen. Toen hij weer levend werd, had hij met een enkel zetsel het deksel van zijne kist gewipt, en het handjevol zand van het deksel: want hij was uit het armhuis begraven—ofschoon hij een gentleman was, Sir, die een aardig fortuintje tot den laatsten stuiver verspilde—gek die hij was—met het zoeken naar eene machine om de zonnestralen vloeibaar te maken en op te bottelen...... Well, but that's neither here nor there!—Die ziekte, wou ik maar zeggen, was zooveel als eene schijndoodziekte. De dokters verklaren dat zij maar ééns in de honderd jaren voorkomt. Ontwaakt men er uit, en heeft men maar een goed maal eten gehad, dan voelt men zich versch man, rap en levenslustig als drie. Zoo dan, nadat ik de cairn opengebroken en mij behoorlijk met spijs en drank versterkt had, was ik weer als een borst van achttien jaren.
„Daar rees in mij eene stoute gedachte. „Jack Bobson”, sprak eene stem in mijn binnenste: „gij kunt een beroemd man worden, zoo beroemd als de grootsten van oud-Engeland's helden. Uwe makkers ontdekken de Noordwest-passage. Gij, Jack, ontdekt de Pool!”...... Ei ja! waarom zou ik niet?—Ik wist den weg; niets ontbrak mij tot de reis; 't was zomerdag; de zee lag open, en er woei eene vaste bries uit het Zuiden. Voorwaarts, Jack Bobson! voorwaarts!
„Fluks maakte ik de sloep ree met zeil en riemen, roer en tuig, en met eenen overvloed van mondkost en kleeren, wapens en kruit. Het was de handigste kleine expeditie, die ooit naar het Noorden den boeg wendde. Maar één ding vergat ik. Ik ezel! dat ik verzuimde mijn kloek plan neer te schrijven op een stuk papier, en dit stuk te teekenen met mijnen naam, en het weg te bergen in de cairn! Dan hadden zij mij moeten gelooven. Ik ezel!”——Hij sloeg zich wild tegen het voorhoofd. „Zeg, Sir”, voer hij eensklaps tegen mij uit: „gelooft gij me, tot dusver?”—Een oogenblik later hervatte hij rustig zijn verhaal:
„De vaart liep prachtig. Eerst oostwaarts door Straat Lancaster. Daarna noordwaarts door de Smith-sound en het Kennedy-kanaal. En van ijs geen spoor, dan langs de verre kusten, waar de bergspitsen zoo blauw zagen als kopervitriool. En aanhoudend die mooie zuiderbries, die mij warmde en voortdreef. In dertig dagen, juist geteld, was ik waar ze nu zeggen dat Kane geweest is met zijne Yankees—aan de open Poolzee.
„Maar—look here now! Als de Yankee Kane werkelijk zóó ver geweest is, dan had hij verder moeten gaan: en als hij gezien heeft wat hij vertelt, dan had hij méér moeten zien. Curse me, Sir! ware Kane de Yankee geen lafaard geweest, zoo stond Jack Bobson thans niet geboekt als een leugenaar!
„Kane vond eene open zee en eene hooge temperatuur. Hij vond gras aan de oevers, en kudden muskusossen, en zwermen watervogels. Hij vond, terwijl zuidwaarts alles ijs was en bijtende vorst, milde regenwolken en nevel in het Noorden. Welnu! ik zeg u dat hij verder had moeten gaan en méér had moeten vinden. Achter dien nevel lag nog iets beters.
„Dát heb ik gezien, Jack Bobson, die hier zijn bier met u drinkt. Ik drong heen door den mist, niet meer zeilend, maar roeiend, over eene zee die door geen zuchtje werd gerimpeld. De nevel werd al dichter—en lauwer; bloedroode flikkeringen doorgloeiden hem soms. Dagen lang, terwijl ik voortroeide met koortsig verlangen naar het einde der reis, naar de geheimzinnige oorzaak van dat lichten en van de steeds toenemende warmte—dagen lang zag ik niets om mij heen, dan dien grijzen, lauw vochtigen damp. Vaak was hij zóó dik, dat ik zelfs het roerlooze water niet onderscheiden kon, waarin mijn riemslag ploegde—ja, mijne hand niet, op armslengte uitgestoken. Ik zat als geblinddoekt; de adem werd mij zwaar; en ware er niet af en toe een snuiven hoorbaar geweest van den eenen of anderen visch in mijne nabijheid, of de wiekslag van onzichtbare vogels boven mijn hoofd—zoo hadde ik mij kunnen verbeelden voor eeuwig verloren te zijn in het rijk van de schaduwen des doods.... Eindelijk echter werd het ijler. Ik bespeurde een groenachtig schemeren in de verte. Daar brak het zonlicht door——en ik zag.... Maar gij moet me gelooven! Zult ge?——
„Ik zag eene grasgroene watervlakte, spiegelglad gespreid onder een wit betrokken zwerk. En midden uit dien groenen plas, op eenen afstand van twaalf of veertien mijlen, rees een enkele, ontzaglijke kegelberg, twintigduizend voet hoog, naar ik gis. Aan den voet was hij met welig groen bewassen; topwaarts werd hij eene grauwe rotsmassa; en uit zijne kruin steeg, nogmaals duizenden voeten hoog, loodrecht eene dikke zuil van witten damp, die aan haar zenith zich uitspreidde naar alle kanten. In breede stroomen trok de damp door het luchtruim, om langzaam neer te dalen op de zee, en den wal van nevel te vormen, dien ik had doorboord. Het was een gewelf, een onmetelijke koepeldom van nevel, met de zuil, die te rusten scheen op den berg, in het midden, en met zijne fundamenten rondom op de wateren. Nu en dan schoten er vreeselijke vuurstralen uit den bergkrater, die de dampzuil deden gloeien, en gansch den dom van nevel in het rond verlichtten. En daaronder lag de groene zee—glad, peilloos diep, naar de kleur en helderheid te oordeelen—maar niet levenloos. Hier krielde het van walvisschen, die speelden met hunne jongen; het ruischte van hun geblaas; boven den wijden waterspiegel dansten alom de fonteinen uit hunne neusgaten. Ook bespeurde ik, terwijl ik den berg naderde, andere monsters, van ijselijker gestalten: monsters zooals ik later afgebeeld vond in boeken, met harde Latijnsche namen gedoopt—monsters van vóór den Zondvloed, zeggen de geleerden. De groote zeeslang stak in de verte zijnen gehoornden kop een vijftien ellen boven water; van verbazende salamanders werden de ruggen zichtbaar, als omgeslagen scheepsrompen; en toen ik dicht genoeg nabij den berg was, kon ik aan den oever leguanen bespieden met lange vogelhalzen en bekken als snoeischaren—en kaaimans, Sir! naast wie de kerels in de Zuid-Amerikaansche rivieren als babies zouden zijn.
„Hoe ik den moed had dit alles nog zoo op te nemen, begreep ik later zelf niet. Zeker had ik hem te danken aan het fiere bewustzijn, dat mij toen doortintelde van het hoofd tot de voeten. Want, Sir!—hier was ik, Jack Bobson, van aangezicht tot aangezicht met de Noordpool. Die ontzaggelijke vulkaan (nooit vergeet ik zijnen aanblik vol eenzame majesteit) die ontzaggelijke vulkaan was het toppunt van de wereld, het uiterste eindje van het hooge Noorden. Door zijn ruggemerg moest de as loopen, om welke de aardkloot zich wentelt. De gloed zijner uitbarstingen was het Noorderlicht. De heete waterdamp uit zijnen krater was oorzaak van de warmte die het ijs verdrong, tweehonderd mijlen in den omtrek. En deze groene zee was de lang gezochte kraamzaal der walvisschen—de wijkplaats van de laatste nakomelingen der gedrochten, die toekijkers waren bij het van stapel loopen der arke Noach's—zoo zeggen de geleerden. Zie, Sir!—en dit alles had ik gevonden en ontdekt—ik, Jack Bobson, een eenvoudig ijsmeester van de Erebus, geheel alleen—Jack Bobson, Sir, die hier aan deze tafel met u zit!——Gelooft ge mij?
„De monsters deden mij geen kwaad. Nu en dan gluurde er een met een oog als eene scheepslantaarn mij aan; maar geen sperde er zijnen muil open om mij en mijne boot op te slokken. Blijkbaar begrepen zij niets van ons beiden. Alleen de groote zeeslang, die een bereisd monster is, en de menschen en hunne boosheid kennen moet, zou mij bij eene ontmoeting waarschijnlijk belet hebben van mijn avontuur iets na te vertellen. Ik sidderde bij de gedachte—en het werd mij zoo bang, zoo bang, dat ik met alle macht begon weerom te roeien naar de nevelzee. Eene sterke strooming, die om den berg scheen heen te loopen, kwam mij te hulp. Haar noordwaartsche tak had mij heengevoerd naar de Pool; haar zuidwaartsche voerde mij terug er van. Ik boorde weer door den nevel. Weldra was de glasgroene zee, was de machtige vulkaan onttrokken aan mijnen blik. Alleen het roode flikkeren vergezelde mij nog, flauwer en flauwer, naarmate de damp weer dikker werd. Nogmaals dagen lang dreef ik zoo blindelings voort. De koude nam allengs toe. Straks ontmoette ik weer ijs. De horizon helderde weer op in het Zuiden. Ik zag land: bergen, met sneeuw bedekt. De strooming wierp mij tegen de kust. Eskimo's snelden toe, die mij vriendelijk opnamen, en die ik rijk maakte met de schatten in mijne boot.
„Wel, ik leefde dertien jaren onder dezen stam, vóór Mac Clinton met de Fox mij terugbracht naar Engeland. En nu eerst begon mijn lijden. Ze vertelden mij van Sir John's jammerlijk uiteinde. Hoe ik geschreid heb om hem en de arme kameraden!—Maar toen ik hun verhaalde dat ik zelf de Pool ontdekt had, en wat ik gezien had dáár—toen geloofden ze mij niet. Ze zeiden dat de kou mijne hersens moest hebben doen bevriezen, of dat de traan der Eskimo's mij naar het hoofd moest geslagen zijn. Ze zeiden dat ik gek was. Ze geloofden mij niet!
„Ik kwam hier, te Londen. Mijne betrekkingen waren alle gestorven—en vreemden kenden mij niet meer. Ze wisten wel dat er een Jack Bobson was geweest op de Erebus. Maar die Jack Bobson moest omgekomen zijn als de rest. En ik, met mijne groote ontdekking—ik was een bedrieger, een dronkaard, een krankzinnige!—Ze geloofden mij niet!
„Ik schreef aan de bladen. Ik sprak met de penny-a-liners van deze schurkachtige Daily Telegraph, die nu weer zotteklap verkondigt over eene Pool van eeuwigdurend ijs. Ze lachten mij uit! Ze wezen mij de deur!—Ze geloofden mij niet!
„En hier zit ik nu, Sir—ik, Jack Bobson—met de grootste ontdekking na Columbus in mijne hand——en, curse them, Sir! They won't believe me! They won't believe me!”.................
Kermend had mijn verteller zijnen laatsten klaagtoon uitgestooten. Zijn gerimpeld gelaat vertrok zich als tot schreien. Ik had medelijden met hem.
Toch ben ik nooit na dien avond teruggekeerd in het rustige ale-huis nabij de Waterloo-brug. Ik had het hart niet, Jack Bobson onder de oogen te treden, en hem te zeggen of te toonen dat ook ik hem niet geloofde.