← Table of contents
Chiaroscuro

Alpengloeien.

Reading edition

Het stond bij het brugje, dat den bruisenden bergstroom overspant. Een paal, manshoog; en daar op een houten hokje of nisje, zoo ruim als twee handen saamgebogen; en daar in een madonna-beeldje, zoo groot als een pink—een tinnen popje zoowaar, geen zier kunstiger of kostbaarder dan de soldaatjes, waarvan er een heel bataljon zich kazerneeren laat in eene spanen doos. 't Was het kinderachtigste wat ik ooit ontmoet heb van dien aard.

Glimlachend hielden wij even er bij stil. „Hoe 't mogelijk is!” zweefde ons beiden op de lippen. „Hoe 't mogelijk is, voor zóó iets te gaan knielen in een land, waar de Schepper als met eigene hand de zegeteekenen van zijne grootheid uit de aarde oprijzen deed!”

En wij slenterden verder, opklimmende naar het doel van onze wandeling.

Toen wij boven waren, en ons nederlieten op de mosbank onder de sparren, prijkte bij dalenden avond het Alpenland in volle heerlijkheid. Diep in het dal was reeds de schemering begonnen haar floers te spreiden. Purpere dauw zweefde over de akkers. Donker legerden zich de wouden langs de hellingen. Maar omhoog baadde nog alles zich in stralenglorie. Sneeuwtop bij sneeuwtop stond nog te glanzen in den kring—zonnig verlicht, zilverhel, zoo koel en kuisch zich spitsend tegen het diepe blauw des hemels.

Wonderbeelden, voor hem die getreden komt uit de drassigheid der polderstreek, uit het kille slib der venen. Wonderbeelden, welker pracht de stoute phantasie dan eindelijk rusten doet, verwonnen, ontvleugeld door de stoutere werkelijkheid!—Het oog staart ze aan, opgetogen—hetzij een woeste nevel ze omkleedt met ontzetting, of een zonnestraal ze pralen doet in milde majesteit. En de herinnering neemt ze in zich op, om zich er aan te verlustigen na jaren nog, wanneer des wandelaars leden stram worden en zijne middagen grauw.

Wonderbeelden!... Wij tuurden rond en opwaarts. Wij blikten elkander in de oogen;—wij vonden geen woord te zeggen. Maar stil in die heilige stilte bad vurig en innig ons hart.

Och, dat eene ure als deze wat toeven wilde! De macht van eenen Jozua, om te gebieden: zonne, sta stil! Om den avondstond te doen luisteren naar het smeeken: „Verweile doch! du bist so schön!”

Maar de tijd weet van geen talmen. Of pijn u slapeloos woelen doet op uw leger—de slinger schommelt er niet sneller om. Of gij voor 't eerst arm in arm gaat met de geliefde—niet trager bewegen de wijzers zich over de plaat. Zelfs niet voor zaligen staken de seconden hare vlucht.

Aldus was ook de weelde van het alpengloeien, zoo zeldzaam, zoo onbeschrijfbaar heerlijk, slechts weinige oogenblikken ons gegund. Het zilver der sneeuwspitsen zagen wij goud worden. In vuur ontstoken, blonken de toppen ons toe: een vuur, dat weldra verglommen was—vergrauwd, door karmijn en purper heen, tot doffe, looden kleurloosheid. Hooger en hooger klom het duister uit de diepte. De laatste landelijke klanken van het dal verstierven: het laatste getingel van het stalwaarts gedreven rund, het laatste gejodel van den zangerig gestemden herder. De nacht brak aan, in welken geene stem gehoord zou worden, dan die van de stortende wateren.

Wij daalden afwaarts. En zie! wat kwam daar aangestrompeld over het brugje?

Een vrouwtje, eindeloos oud—een bundeltje knoken en lompen—met eene vracht gesprokkelde takken op den krommen rug. Van onder den rooden hoofddoek golfden hare witte lokken te voorschijn, zilver als het schuim der beek. Tokke, tokke, ging haar stokje; loom sloften hare schreden elkander na over de planken. Zij leek wel moe, tot stervens moe. Moe van het sprokkelen? Moe van het leven?—Ik weet het niet. De bergen zag zij niet aan, noch de rozeroode wolkjes, noch den wild voortschietenden stroom, noch de zwarte wouden rechts en links. Maar bij het madonna-popje richtte zij het hoofd op, liet den takkebos zich van de schouders zakken, en knielde neder in het stof, ongezien, zoo meende zij, behalve van God en van Maria.

Ook zij aanbad. Ook zij stortte daar, stil in de heilige stilte, vurig en innig hare ziel uit voor het Hoogere.

Kort, moedertje! maak het kort, opdat het duister niet te ver van huis u verrasse. Een kruis geslagen, den last u weer opgeladen—en verder het oude lichaam opgezeuld tegen het steile bergpad.

Doch Maria de Maagd had er een wonder verricht aan deze grootmoeder van vele kinderen. Want trots het klimmen, was des oudjes tred veerkrachtiger geworden. Rechter droeg zij het grijze hoofd; minder zwaar scheen de vracht haar te drukken. En ik zeg u: daar speelde een trekje van jeugd om haren mond, daar lichtte een vonkje van blijmoedigheid in hare half gebroken oogen, als zij op zijde stapte om voor ons ruimte te maken op het smalle pad, ons nazendend de vrome begroeting van vóór duizend jaren: „Grüss Gott, Herrschaften! Grüss Gott!”

Wij hebben niet geglimlacht, toen wij wederom voorbij het popje gingen over de brug.

Gij Eeuwige, leer ons wormen elkander begrijpen!—Wat raakt het, welk het teeken zij, waarin wij U erkennen?—Zou een sneeuwberg ook méér zijn in Uw oog, dan de boersche beeltenis eener kinderdragende vrouw?—Wat raakt het: Montblanc of een tinnen figuurtje—indien slechts de gedachte er door gewekt wordt, die loutert en sterkt en opheft?

Gij Eeuwige, leer ons elkander verstaan!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings