De Jonkvrouw van Hillegersberg.
Reading edition
Sage, Gij lieflijke, Oud van den beginne, Jong totaan het einde— Verjong ons met uwe jeugd!
I.
Hillegersberg is een Zuidhollandsch dorp, een uur gaans ongeveer van Rotterdam gelegen. Om er te komen, volgt men den Schie-stroom totaan de buurtschap de Heul, wijd berucht wegens hare eigenaardige wijze van Pinksterviering. Vervolgens slaat men rechtsaf eenen straatweg in, die—hooge zeldzaamheid in dit gedeelte van ons vaderland—beplant is met boomen, wel is waar vlijtig verminkt, maar toch nog niet gansch afgemaakt. Onder het schrale lommer beweegt men zich afwisselend langs groene weiden, groene slooten, groene moestuinen, en talrijke, aan weerszijden tusschen groen verscholen buitenplaatsjes. Aldus kuiert de duffe stadbewoner het vriendelijke dorpje binnen, genoegelijk gestemd over het bijeentreffen van zóóveel groenigheden binnen zoo luttelen afstand van winkel of kantoor.
Mijne beminde stadgenooten, de Rotterdammers, hebben deze toelichting niet van noode: want voor de deftigen onder hen is „den Berg” eene gezochte begraafplaats; en voor de niet-deftigen is het een uitverkoren ontspanningsoord. Zij allen rijden er dus heen op hunne beurt—de rijken stom en stapvoets en met groote staatsie, om er zich te laten bijzetten—de arme drommels (die na hunnen dood den zinkput in het Crooswijksche veen voor lief moeten nemen) jolend en tierend, holderdebolder in breukige kalessen en volgepropte omnibussen, om er in eenen theetuin zich te verhitten met schommelen en slechten drank.
Voor andere bewoners van Nederland echter, in de Maasstad en omstreken vreemdelingen, was de bovenstaande mededeeling misschien niet overbodig. Ter inlichting van dezen ook meen ik hier nog te moeten aanstippen, dat de gemeente Hillegersberg niet slechts boogt op een aristocratisch kerkhof en eenen plebejischen theetuin, maar bovendien op eenen heuvel, eene ruïne en eene legende. Deze drie laatste eigenhoorigheden zijn voor een dorp in het proza-land bij uitnemendheid, het ingedeukte, boomlooze, van koemest en spoeling doorweekte Schieland, iets zóó ongewoons, dat ik waarlijk wel een woordje méér er over zeggen mag.
Den heuvel, het is zeker, zou een wandelaar, die er niet opzettelijk aandachtig op werd gemaakt, allicht voorbijloopen zonder iets van zijne aanwezigheid te bespeuren;—ik geef hem vermoedelijk méér dan zijn rechtmatig deel, wanneer ik hem eene hoogte toeschrijf van wel twaalf voet boven de omliggende poldervlakte. Nochtans is hij, gelet op zijne herkomst, met vollere waarheid iets ontzagwekkends, iets kolossaals, iets titanisch te noemen, dan bij voorbeeld het Matterhorn of de Dhawalaghiri, van welke men toch beweren mag dat zij, louter als bergen beschouwd, heel wat méér te beteekenen hebben. Het Matterhorn en de Dhawalaghiri zijn namelijk voortbrengsels van natuurkrachten—terwijl de berg van Hillegersberg....
Maar stil, mijne heeren! dempen wij onze luidruchtigheid! Want hier verschijnt, gegord met mos, met eiloofranken kuisch gesluierd, de sage op ons tooneel.
In een zeer grijs verleden (de oudste menschen van Hillegersberg herinneren zich er niets meer van) woonden er in deze landstreek zonen en dochteren Anak's, zeer vreeselijk om aan te zien: geweldige creaturen, wier grootte evenveel vademen bedroeg, als duimen de grootte van de kinderen der menschen. Hunne voetzolen waren op de aarde; maar hunne hoofden boorden in de wolken. Riepen zij elkander toe, dan was er donder in de hemelen; wandelden zij, dan dreunde de bodem als van den tred van vele heirscharen; en als zij zich nederlegden om te slapen aan het boord der meiren, zoo steigerden gelijk strijdrossen de golven bij het geronk uit hunne neusgaten.
En het geschiedde eens op eenen dag, dat eene jonge maagd uit dit geslacht, Hildegarde, die rijzig en schoon was boven alle hare zusteren, van het fijnste zand begeerde, opdat zij daarmede haar aangezicht blank mocht schuren—blank en blinkend in de oogen van Ubbo den Bruine, den jongeling dien zij liefhad. Zij dan sprak tot haren vader, Twikko den Grauwe: „Mijn vader, waar vinde ik zand zoo rein als goud, zoo fijn als water, zoo wit als melk?”
Twikko de Grauwe antwoordde, zeggende: „Ga naar het strand der zilte zee, en schep er wat zacht als eiderdons is onder uwe voeten.”
„Mijn vader”, hernam de maagd, „geef mij uwen helm van koper, opdat ik het daarin drage, dat zand.”
Maar Twikko de Grauwe ontstak in toorn, en riep haar toe: „Wat vraagt gij mijnen helm van koper, mijnen heldenhelm van glanzend metaal! Hebt gij den korf niet, den korf van popelstammen, dien Fikko de Roode u vlocht, uw bruidegom?”
Toen schoten er bliksems uit Hildegarde's oogen. „Vervloekt!” schreeuwde zij: „vervloekt zij Fikko tot in de wortels van zijne roode haren! Het is Ubbo de Bruine, dien ik min! Eer zal de aarde mij verzwelgen, eer kies ik de diepe zee mij tot bruidsbed, vóór Fikko de Roode met eene nagelspits mij beroert!”
„Ha, bastaard van eene teef!” zóó brullend sprong de oude op: „Ha, voetwisch van mijne knechten! dezen avond nog zult gij uw Ubbo's nieren mij opdragen als gebraad en zijn hartebloed als mee in mijnen gouden beker!...”
Hildegarde gaat. Weinige schreden brengen haar aan het zeestrand. Zij gaart eene blonde duin of wat in haar schortekleed; zóó beladen ijlt zij huiswaarts heen, diep bezorgd wegens den bruinen Ubbo. En als zij Twikko's haardstede nadert, zoo waait de landwind den reuk van een slagveld in hare neusgaten, en vóór haar uit speurt zij de wolken rood van bloedwalm. Haar zoekend oog doolt langs den horizon, of het de strijdenden niet ontwaart. Maar al voortsnellende stoot zij haren voet tegen het gevest van een in den grond gestoken zwaard. Zij struikelt—en ligt over het lijk van Ubbo den Bruine.
En met eenen smartkreet, dien de raven herhaald hebben tot in Nibelheim, hief zij den beminde aan hare borst. En zij droeg hem naar het strand der zilte zee. En in de branding stappend, met den dooden lief in hare armen, waadde zij verder en verder, tot de bruisende wateren zich sloten boven haar hoofd.—
Kent gij de witte krijtklippen aan den overkant der zee?—Het zijn de gebleekte beenderen van het jonge reuzenpaar, door de golven opgeworpen tegen Albion's kust. Dáár echter, waar Hildegarde struikelde, en het noodlottige duinzand in haar voorschoot werd uitgestort over den bodem—dáár welft zich sedert een heuvel boven het drassige weideveld: de heuvel van Hildegarde: Hildegard's berg.
Dus luidt de sage. Men vindt door de windvaan op het gemeentehuis en door het fraai gebeitelde dorpswapen in den gevel van dit gebouw nog ten huidigen dage Hildegarde's ongeluk in dankbaar aandenken gehouden.
Inderdaad, van dankbaarheid mag hier wel sprake wezen. Want aan dit voorhistorische treurspel hebben de Hillegersbergers alles te danken.
In de eerste plaats hunnen berg;—zonder die scheur in dat schortekleed immers zouden er kikkers kwaken ter plekke waar thans de gasten uit de stad een vergezicht komen genieten. In de tweede plaats hunne sage;—de berg baarde de sage, gelijk het schortekleed den berg baarde. In de derde plaats hunne ruïne;—want vermits die ruïne boven op den berg staat, zoo moet men wel aannemen dat het juist alweer de berg was, die den bouwmeester der ruïne uitlokte om dáár en niet elders te bouwen. In de vierde plaats hun zeer begunstigd kerkhof, dat mede op den berg en om de ruïne gelegen is;—de aanzienlijke Rotterdammers toch, die zich hier laten begraven, maakten voor het meerendeel hun fortuin in koffieboonen of in metallieken; en juist voor dezulken is het zoet en eervol, den laatsten slaap te sluimeren op eene verhevenheid uit den sagen-tijd, onder eene ruïne uit de dagen der kruistochten. In de vijfde plaats....
Doch waartoe deze opsomming nog voortgezet? Het is klaar als kristal, dat Hillegersberg nooit geworden zou zijn wat het is, zonder den berg van Hildegarde. En evenzoo duidelijk is het, dat de berg van Hildegarde er nooit zou gekomen zijn zonder den ontijdig opgevlamden hartstocht van Hildegarde de reuzin voor Ubbo den reus, bijgenaamd de Bruine.
II.
Een vierde van eene eeuw geleden woonde er in dit dorp een jeugdig ondermeester, die van zijnen vader den onbezoedelden geslachtsnaam Eykendaal, van zijne moeder den welluidenden persoonsnaam Justus, en van hen beiden te zamen een gezond en welgevormd lichaam benevens een helder hoofd en een gevoelig hart ontvangen had. Meer dan die vijf dingen lieten zijne vroeg gestorven ouders den knaap niet na; maar hij, wel verre van hun een verwijt daarvan te maken, vond dat het reeds veel was. Ware hij als Klaas Klomp of als Kees Kuit dit ondermaansche ingestuurd, toegerust met eenen bochel en eene borstkwaal, en behept met eene Judas-geaardheid—hij had er mee al niets tegen kunnen doen, begreep hij. Dit in aanmerking nemende—alsmede dat eene krachtige maag een zegen heeten mag, zelfs al kan men haar in den regel niet vullen met wildbraad of pastei, en dat welgeschapen leden ook onder een schamel jasje eenen jongen man niet misstaan—meende Justus dat voor eenen spruit van eenen plattelands-brievengaarder het ouderlijke erfdeel heel wat kariger had kunnen uitvallen. Hieruit blijkt dat Justus, zonder het zelf te weten, van zijne ouders ook nog redelijkheid en tevredenheid had geërfd.
Te zeggen dat Justus Eykendaal arm was, is trouwens even onnoodig als de verzekering dat eene stortbui nat maakt, of dat vuur verbrandt. Wie heeft er ooit gehoord van eenen drogen regen, van eene koude vlam, van eenen bemiddelden ondermeester?—Tegenwoordig zelfs, nu de paedagoog als plechtanker van het heil der menschheid in de plaats getreden is van den Heidelbergschen catechismus, en zijne werkplaats, de school, de dame is om wier gunst de geduchtste strijders in Kerk en Staat elkander bekampen—tegenwoordig zelfs baadt de Nederlandsche hulponderwijzer zich zelden in weelde. Maar voor vijf-en-twintig jaren was het toch iets anders nog. Er liepen toen geene menschen rond, zelfs geene luitenants, die de kunst van glimlachend hongerlijden en het verduurzamen van afgesleten jasjes met taaiere volharding beoefenden, dan de adjudanten van den school-monarch. Achtenswaardige jongelingen! Hunne opleiding in de universiteit der beproeving was grondig. Indien zij naar onze hedendaagsche begrippen wat haastig waren met kastijden, schrijven wij het hieraan toe, dat ook hun het leven de plak en de roede niet kwijtschold voorwaar.
Justus Eykendaal evenwel mocht, waar het plak en roede gold, als eene uitzondering doorgaan op den toenmaligen regel. Lag het aan zijn zachtaardig temperament, aan zijne sympathieke gemoedsstemming, of aan een noodlot dat hem eenen menschenleeftijd te vroeg in de wereld zond—zóóveel is zeker, dat de toenmalige schooltucht in dezen jonkman geenen aanhanger vond. Hij wist niet hoe het kwam—maar tot beuken op kinderhoofdjes en kinderrugjes stonden nu eenmaal zijne handen niet; en van alle schoolmeesterlijke geniepigheid, als daar zijn knepen in ooren, porren met leien, kneukel-tikken met linialen, koesterde hij kortweg eenen afkeer. Hem scheen kindervleesch, inzonderheid het vleesch van kleine meisjes, iets zóó teeders toe, dat hij het wèl streelen kon, maar niet martelen. Trouwens, met zijne toonrijke stem en sprekende oogen wist hij zich door het jonge goed heel wat beter te doen gehoorzamen, dan hij ooit vermocht zou hebben met ranselen en bulderen.
Ziedaar mijnen ondermeester. Hing de jeugd om zijne minzaamheid hem aan—ik moet tot mijn leedwezen er bijvoegen dat zijn superieur, de bovenmeester Van Meppen, hem er niet best om lijden mocht. Dit feit vordert, ter wille eener juiste waardeering van den Hillegersberger magister, eene nadere uiteenzetting.
Meester Pieter Van Meppen liep om en bij de vijftig. Voor eenen onderwijzer is dit de schoonste leeftijd. Hij heeft dan nog een aardig eind weegs voor de borst (geen sterft er, zooals men weet, onder de tachtig), en toch is hij oud genoeg om gekomen te zijn tot het vol en rustig besef van zijne majesteit. Hij staat in de volheid zijner rijpheid, op het toppunt zijner macht!—Wie (zegt het spreekwoord) op zijn dertigste jaar niet sterk is, op zijn veertigste niet verstandig, en op zijn vijftigste niet rijk, die kan het er gerust voor houden dat hij zijn leven lang nooit sterk of verstandig of rijk zal worden. Nu, groote lichaamssterkte kwam den heer Van Meppen bij zijnen omgang met schoolkinderen beneden de twaalf jaren niet bijzonder te pas. Boven het streven naar rijkdom had hij, op het voetspoor van Diogenes en andere groote wijsgeeren die de druiven zuur verklaarden, zich steeds verheven geacht. Maar verstand—ja! van verstand had meester Van Meppen in zijn vijftigste levensjaar zich zijn billijk deel vergaard—althans naar zijne eigene schatting, welke immers op dit stuk oneindig vertrouwbaarder is dan de schatting van anderen!—Want wat baat het mij of mijne buren mij al voor eenen Salomo houden, indien ik mijzelven ken als eenen ezel? En wat schaadt het mij of anderen mij al voor eenen ezel verslijten, indien ik mijzelven maar op den waren prijs stel als eenen Salomo?—De heer Van Meppen wist zelf het best wat er in hem stak. Ronduit gesproken, hij was, in alle nederigheid, hier op aarde zijnen betere nog niet tegen het lijf geloopen. Deze waarheid stond te allen tijde op zijn gelaat te lezen. Daarom ook zou eene ontmoeting met hem een wezenlijk fortuintje zijn geweest voor eenen schilder, die toevallig zoekende was naar eenen model-kop voor een beeld der nooit weifelende zelfgenoegzaamheid.
De heer Pieter van Meppen had zich eene lijfspreuk verkoren, die de leidende gedachte bij zijne methode van onderwijs als formuleerde:—„het boompje dient jong gebogen.” Dit klinkt bijna wreedaardig, niet waar?—En toch, lezer, toch bid ik u, rangschik mij om dezen stelregel mijnen bovenmeester niet aanstonds onder dat slag van antieke kinderbeulen, voor wie Dante verzuimde in zijnen Inferno eene afzonderlijke verdieping in te ruimen: nietige inquisiteurs, kleine vivisectoren, kruisingen van kat en ezel, die in hun ledig brein, onder het magistrale pruikje, de valschheid en het leedvermaak van het eene schepsel geämalgameerd hadden met de balkende deftigheid van het andere. Neen toch! Wacht u wèl voor dergelijke overijling!—Meester Van Meppen was volstrekt geen laffe aterling van die soort. Meester Van Meppen had veeleer eenen hekel dan eenen lust aan lijfstraffelijke rechtspleging: maar hij beschouwde deze als een onvermijdelijk kwaad—„necessitas naturae”, evenals bakers, dienstmeiden, en vrouwvolk in het algemeen. Meermalen had men in de societeit, als het gesprek op zaken van onderwijs verzeilde, hem dit met klem van redenen hooren uiteenzetten. Hij wist wel dat enkele jongere collega's zich den schijn gaven alsof zij het zonder slaan konden kroppen. Doch deze schijn leek hem ten hoogste bedriegelijk. „Ik voor mij”, riep hij, tuk op elke gelegenheid tot het uitkramen van zijn bijeengesprokkeld Latijn: „Ik voor mij houd mij aan het reeds door de oude Romeinen met zoo schitterend gevolg in praktijk gebrachte „Fortiter in modo, suaviter in rebus!””—waarmee hij zich verbeeldde onweerlegbaar te hebben betoogd, dat het straffen aan den lijve hem maar al te vaak werd opgelegd als eenen smartelijken, doch onvermijdelijken plicht. En zoo ging er geen dag voorbij, waarop hij geen klappen uitgedeeld had links en rechts—zuiver uit plichtbesef—louter uit kracht van een met overtuiging toegepast beginsel. Van Meppen geloofde heilig in de weldadige werking van eene dracht slagen. „Het boompje moet jong gebogen!”—Teekende zijn eigen gemoed tegen die leer soms verzet aan: zag men soms, gelijk bij Van Alphen's even hardhandigen als weekhartigen papa, tranen glinsteren in zijne oogen wanneer hij Hieronymusjen op de broek gaf—dan verweet hij zich dit als zwakheid. De roede zwaaiend, verstaalde hij zijne ingewanden tegen het gejank der getuchtigden door het aanhalen van nog een ander gulden woord der vaderen: „Zachte meesters maken stinkende wonden!”—Om kort te gaan, meester Pieter van Meppen was nog een onderwijzer van den ouden stempel, en koesterde omtrent de opkweeking der jeugd zoo zijne ouderwetsche en onwankelbare begrippen.
Welnu dan—was het vreemd, dat het den man hinderde, die begrippen gekleinacht, ja, zwijgend maar met de daad te schande gemaakt te zien door eenen aankomenden kwâjongen? Lag er voor den bovenmeester, als verantwoordelijk opperheer in de school, in des ondermeesters meerdere en zuiver zedelijke macht niet iets krenkends? Schuilde daarachter tevens niet een opstaan tegen zekere, door de eeuwen geijkte, denkwijzen, gebruiken en instellingen—iets eigenzinnigs, iets weerbarstigs, iets revolutionnairs?.... Revolutie! Gerechte hemel! Het woord al zou den meester een kruis hebben doen slaan, ware hij niet zoo rechtzinnig gereformeerd geweest.
Ten overvloede had Van Meppen tegen Justus Eykendaal nog eene andere en meer ernstige grief. Hij meende namelijk in den jongeling eene aanwassende neiging te bespeuren tot—hoe zou hij het noemen?—tot vreemddoenerij, sentimentaliteit, romanziekigheid, kluisjes bouwen in den maneschijn—: eene neiging, die den stijven, dorren, met de kerkelijke witkalk dik bestreken man vervulde van dien gerechten weerzin, welken menschen als hij plegen te koesteren tegen alle zóódanige aandoeningen, waarvan zij zelven nu eenmaal geen tittel of jota meegevoelen.
Onder deze omstandigheden zou hij zeker al lang zich eenen anderen ondermeester hebben aangeschaft, indien niet twee beweegredenen hem daarvan hadden teruggehouden. Vooreerst zijn gevoel van recht: Justus, hoe zonderling ook, deed immers trouw zijn werk. Ten tweede zijn welbegrepen eigenbelang: want nergens zou hij eenen helper treffen, die hem knapper zijne taak verlichtte, en aan wien hij geruster heel het schoolbewind kon overlaten, wanneer hij op mooie zomerochtenden met den dominee er eens uit wou op het verschalken van een zootje waterbaars.
III.
Hoe de heer Pieter Van Meppen op dien romanesken trek, waarvan hij zoo huiverig was, zijnen ondermeester het eerst recht tastbaar—in fragrante delicto, gelijk hij zich uitdrukte—betrapt had?—
Ja zie—dat gebeurde heel bij toeval. En zonder dit toeval, vrees ik, zou de man er niet licht achter gekomen zijn, wat het dan toch voor heidensche grillen waren, die zijnen assistent soms zoo wonderlijk deden doen—zoo geheel anders dan alle andere jeugdige Hillegersbergenaren.
Vooraf dient men te vernemen dat meester Van Meppen een éénig stuk kroost bezat: een dochtertje, Marieken geheeten. Als een Zuidhollandsch burgerkind, Maria gedoopt, had het meisje eigenlijk een Mietje moeten wezen; doch hare moeder, die uit het Geldersche, of eigenlijk uit het land van Cleve was, en de taal harer kindsheid maar niet verleeren kon, had de kleine altoos genoemd bij den naam dien zij zelve gedragen had: Mariechen. Wel—Mariechen (of Marieken op zijn Hollandsch) klonk ook wèl zoo aardig tusschen al die Mietjes in, waarvan het wemelde te Hillegersberg. Dat vond een ieder.
Een stil en vroegrijp wijfje, dit Marieken—zooals éénige kinderen, die vroeg de moeder derven moeten, veelal worden. Flink uit de kluiten geschoten, met haar ernstig gezichtje en mijmerende oogen, kon zij in haar dertiende jaar wel haast voor vijftien doorgaan. Maar den blijden stoeilust, den overmoedigen lach van de kalverjaren zocht men bij haar vergeefs. Hoe zou zij ook vroolijk zijn geworden?—Spelen had zij nooit geleerd; huismoederlijk zorgen des te spoediger. En met wie zou zij gelachen hebben?—Hare moeder, lang ziekelijk, ontviel haar vroeg, na haar al in hare eerste jeugd te hebben doen meeproeven uit den kelk van pijn en lijden. De dorpskinderen ontweken des schoolmeesters weinig aanlokkelijke woning. En de éénige die haar overbleef, haar strenge, stijve vader—ach! hij stond zoo ver van haar. Zij rilde van zijne klappen; zij schrok van zijne bijbelteksten en zijn deurwaarders-latijn; zij deinsde terug voor zijne in haar oog alomvattende geleerdheid. Van zijnen kant ook geene toenadering tot haar. Wel hield hij van zijn kind—niet minder al dan het gros der vaders, die niet kortweg onmenschen zijn. Maar dóórdringen in het jonge gemoed, meeleven met het jonge leven—de man had er nooit aan gedacht; en wie hem dit onder het oog zou hebben gebracht als eene tekortkoming, die zou Hebreeuwsch tot hem gesproken hebben. Marieken was een goed kind, meende hij; maar daarvoor had Marieken het dan ook goed. Marieken deed als kind haren plicht, door haren vader gehoorzaam te zijn, en te zorgen dat haar vaders rok netjes geschuierd, haar vaders pijp luchtig gestopt, haar vaders koffie warm ingeschonken werd. Daarvoor genoot Marieken de gastvrijheid van het vaderlijke dak, de vaderlijke bescherming, het vaderlijk onderwijs, de vaderlijke opleiding tot orthodoxe deugd, en—de vaderlijke liefde.... Voor dezen man, tusschen kinderen vergrijsd, met kinder-adempjes als gevoederd, was het hartje van zijn eigen kind nog als het boek met de zeven zegelen.
Jammer voor hem! Want in dat boek—in dat hartje wil ik zeggen—had hij zooveel liefs kunnen lezen; en om de zegelen er van te ontsluiten, was ook geen wonderdier noodig met zeven hoornen en zeven oogen. Och neen! Een eenvoudige ondermeester had ze verbroken. Justus Eykendaal kende bladzijde bij bladzijde van buiten. Niets van hetgeen daar geschreven stond (het was zoo veel niet trouwens: wat stille behoefte maar om lief te hebben, wat geloof en wat gevoel en wat ingeborene verbeeldingsgave)—niets van het schrijfsel in dit boek was den jongeling geheim. En evenzoo—maar dit vermoedde Justus, van zijne hoogte als man en ondermeester zelf zoo niet—evenzoo lagen voor het kind de roerselen bloot van het gemoed des jongelings.
Justus, na in zijn twaalfde jaar ouderloos te zijn geworden, was bij meester Van Meppen als kweekeling op school gekomen. Marieken was toen even negen. Destijds leefde ook juffrouw Van Meppen nog; en daar die brave vrouw met de moeder van Justus heel bevriend was geweest, zoo had het schoolmeesterlijke echtpaar den jongen in huis genomen. De vrouw zag daarin jegens den wees eene liefdedaad, terwijl de man de schikking beschouwde als voor het ondermeestertje heilzaam uit een zedelijk en paedagogisch oogpunt, en tevens (nademaal een Indische oom zich verbonden had tot het uitkeeren van een billijk kostgeld) voor hemzelven niet onvoordeelig met betrekking tot het huishoudelijke budget. Dus dakgenooten geworden, bleven toch aanvankelijk, zoolang juffrouw Van Meppen leefde, de knaap en het meisje elkander innerlijk vreemd; want nog ontbrak de band, die hunne schuwe naturen tot elkander brengen kon. Eerst een paar jaren later, na den dood van des schoolmeesters vrouw, was hierin snel verandering gekomen. Marieken, in hare verlatenheid, was tot Justus—en Justus, in zijne deelneming, was tot Marieken genaderd. Samen hadden zij de moederlijke doode betreurd; samen hadden zij haar graf bezocht op den heuvel; samen—eerst aarzelend, maar weldra vol uit het hart—hadden zij gepraat over hunne eenzaamheid in deze groote en wreede wereld, van wier grootheid en wreedheid zij toch op hun dorpje pas zulk een klein en zwak denkbeeld zich hadden kunnen vormen. Elkander troosten, elkander aanvullen, was de grondslag geweest van hunne vriendschap; dit alvast had uit hunne jonge harten de kiem van bitterheid geweerd, die binnensluipen moet in elk zieltje dat in geene enkele andere borst den weerklank verneemt van zijn zuchten en van zijn lachen. En allengs—naar gelang het meisje zich mee ontwikkelde, zoodat het verschil in leeftijd al minder en minder eene belemmering werd voor hunnen innerlijken omgang—allengs was er op dien grondslag voor hen beiden een heerlijk lustslot verrezen, waarin zij samen woonden als prins en prinses: een lustslot met gouden zuilen en torens van kristal: de koene, hooge burcht der phantasie.
Om het zakelijker uit te drukken: Justus en Marieken waren samen aan het lezen, aan het wandelen en aan het droomen gegaan.
Het lezen .... och heilige onnoozelheid! De hedendaagsche collega's van mijnen vriend zouden meewarig geglimlacht hebben, indien zij zijnen boekenschat bijeen hadden gezien. De Nederlandsche ondermeester in die donkere, langvervlogene dagen was nog niet de verbazend geleerde kop van tegenwoordig: de jonge wijsgeer, die van alle de vruchten in den boomgaard der kennis geproefd, en de meesten derzelve wrang bevonden heeft. Och hemel, neen! Een professor was destijds een professor, en een ondermeester was een ondermeester. Er stond eene maat tot de kennis die men vergde voor de somma van twee-honderd-en-vijftig gulden 's jaars. Zoo bij voorbeeld zou Justus, indien hij pedant ware geweest en bluf had willen slaan, onder zijne ranggenooten bij de paedagogiek zich gemakkelijk hebben kunnen doen huldigen als een genie, omdat hij, behalve goed lezen, net schrijven, vlug cijferen en eene tamelijke dosis aardrijkskunde en geschiedenis, zich aardig wat Duitsch had eigen gemaakt: de taal die hem uit juffrouw Van Meppen's mond zoo zacht, zoo „heimlich” geklonken had, en in welke hij den rijksten schat wist te kunnen vinden van zijne lievelings-lectuur: sprookjes en sagen, balladen, liederen, overleveringen.....
Naïef, niet waar?—Ja, dat was heel iets anders dan Vogt en Büchner, Douwes Dekker en Stuart Mill, en meer van die klokspijs, waarmede onze huidige, zoo oneindig degelijker onderlegde jeugd zich de hersenen voedt! Inderdaad, dat was heel iets anders!....
En dit malle goed, dit zotte, zoete gephantaseer van bijgeloovig volk en onnoozele dwepers, dat leerde de jongen nu ook Marieken lezen. In de Palmblätter van Herder of in de Märchen van Grimm—om maar iets te noemen—konden die twee te zamen zich dermate verdiepen, dat er zoo eenen ganschen zondag-achtermiddag geene school en geene schoolmeesterij, geen Hillegersberg en geen tredmolen voor hen op de wereld waren. Justus las voor; hij las goed, heb ik reeds gezegd. Marieken luisterde. En het een en ander was te genotrijker, omdat het contrabande was, aangezien meester Van Meppen (van wiens boekenrek na den dood zijner vrouw zelfs Maurits Lijnslager verwijderd was als een loszinnige, en Zschokke's Alamontade als ijdelheid der ijdelheden) er volstrekt niets van bespeuren mocht. Des winters moesten de jongelui hunne kans waarnemen bij eene vetkaars in de school, terwijl Van Meppen zijn uiltje knapte na het eten; of in de huiskamer, wanneer de geduchte zijn societeit-avondje genoot. Des zomers kropen zij weg in de ruïne op het kerkhof. Justus had aan een der afgebrokkelde stukken muur eene soort van trap gevonden, die naar eene nis leidde, een voet of acht boven den grond. Hier zaten zij verholen te lezen en te babbelen in het avondlicht, van aangezicht tot aangezicht met den ouden kerktoren, die aandachtig scheen mee te luisteren naar de verhalen van feeën en eenjers, nixen en dwergen en roovers en ridders, als waarden er echo's om hem henen van liederen uit zijne eigene jeugd. Hier ook was het, dat Justus aan Marieken de geschiedenis verteld had van Hildegarde en Ubbo. Het duurde een heel poosje, vóór Marieken zich uit het hoofd kon zetten dat de beide Delftsche torens, van deze verhevenheid juist zichtbaar als twee donkere staken waarachter het westen glom, niet Twikko en Fikko waren, de bloedige reuzen, uittrekkende op maagdenroof!
Dan het wandelen!.... De meesten mijner lezers zouden van die tochten door de Schielandsche dreven ras genoeg hebben gehad; maar enkelen hunner—bedenkende dat het blauw des hemels en het wit der wolken en het groen der velden heerlijk zijn alom, en dat zelfs eene wandeling door eenen polder beter is dan in het geheel geene wandeling—zouden lustig hebben meegestapt door dik en dun, blijde al dat zij den zuiveren wind hadden om in te happen, en den vrijen, wijden horizon om hunnen blik er langs te laten dwalen. Men vergete ook niet, dat Justus en Marieken nooit eene andere natuur gekend hadden dan deze; de Duitsche wouden, de Zwitsersche bergen mocht hunne phantasie hun voorspiegelen, gelijk zij hun ook beelden maalde van het hemelsche paradijs; maar die wouden te doorkruisen, die bergen te beklimmen—de mogelijkheid van zoo iets kwam niet in hen op, laat staan de begeerte er naar. En eindelijk herinnere men zich hoe elke natuur ons sympathiek wordt, in welke wij ons bewegen als kinderen: in welke wij het eerst de vleugelen leeren uitslaan van onze verbeelding, het eerst de voor het jong gemoed zoo onuitsprekelijk aangrijpende indrukken ontvangen van de grootheid en de majesteit der Schepping, het eerst de zaligheid leeren smaken van bewonderen, van twijfelloos, critiekloos aanbidden.
Zoo wandelden de jongelieden, telkens als hun een vrije zaterdag-middag of een schoone zomer-avond gegund was, frisch er op los; ver langs de eenzame boorden van de Rotte, rondom de golvende, van wilgen en biezen omzoomde plassen, dwars door de velden naar een dorp in den omtrek—samen zingend in den wind met den rietvink, kruiden lezend, sproken dichtend, droomen droomend, muziek vernemend en wonderen speurend, waar de zinnen van anderen niets zouden opgemerkt hebben dan kaalheid en platheid—vunzig water en drassig veen.
IV.
Dit lezen en wandelen en droomen....
Maar ik zou vermelden op wat wijze de heer Van Meppen de volle maat te meten kwam van het ontuig, dat zijnen ondermeester door het brein spookte, en hoe hij tevens tot de wetenschap geraakte van hetgeen die jonge snuiter en Marieken dan toch zoo samen altoos te verhandelen hadden. Ik ga nu zonder verderen omhaal daartoe over.
Justus was tot eenen flinken zeventienjarigen borst, Marieken tot eene stemmige veldbloem van vijftien opgegroeid.
Eens op eenen warmen Juni-avond hadden onze jeugdige vriend en zijn vriendinnetje zich de weelde veroorloofd van een watertochtje. Na bij „Vrouw Romein” (ook bij de huidige Rotterdamsche jonkheid nog welbekend en veelgeliefd) een schuitje te hebben gehuurd, waren zij den plas opgedobberd, en hadden door het spelende briesje zich laten heendrijven in eene kleine kreek, die door twee smalle, met dicht elzenhout begroeide landtongen bijna geheel omsloten werd. Hier had Justus de riemen binnen boord getrokken, en uit zijn jasje een klein boekdeel voor den dag gehaald, welks genummerde rug en beduimelde omslag deszelfs afkomst vermoeden deden van een der stalletjes, die zoo lang het standbeeld van Desiderius Erasmus omschansten als met een bolwerk van geleerdheid. Dit boeksken was de Undine van De la Motte Fouqué.
„Wat nieuws en wat moois!” zeide de ondermeester op geheimzinnigen toon. „De historie van eene waternimf. Zullen we een hoofdstuk snoepen?”
„Graag! o graag!” riep Marieken; en meteen stak zij, het nijvere kind, de naald met roode zijde in het fluweelen calotje, dat zij werkte voor haar vaders verjaardag. Nu begon Justus met zachte stem te lezen, hoe de ridder tot den visscher kwam:—
„Es mögen nun wohl schon viele hundert Jahre her sein, da gab es einmal einen alten guten Fischer; der sass eines schönen Abends vor der Thür, und flickte seine Netze. Er wohnte aber in einer überaus anmuthigen Gegend. Der grüne Boden worauf seine Hütte gebaut war, streckte sich weit in einen grossen Landsee hinaus; und es schien eben so wohl, die Erdzunge habe sich aus Liebe zu der bläulich-klaren wunderhellen Fluth in diese hineingedrängt, als auch das Wasser habe mit verliebten Armen nach der schönen Aue gegriffen, nach ihren hochschwänkenden Gräsern und Blumen und nach dem erquicklichen Schatten ihrer Bäume. Eins ging bei dem andern zu Gaste, und eben desshalb war jegliches so schön. Von Menschen freilich war an dieser hübschen Stelle wenig oder gar nichts an zu treffen, den Fischer und seine Hausleute ausgenommen. Denn hinter der Erdzunge lag ein sehr wilder Wald”....
En zoo verder, tot het hoofdstuk uit was. Toen sloot hij het boekje, en zei dat het voor heden genoeg was: want met zulk een litterarisch banket moest men spaarzaam wezen, meende hij, als wijze kinderen met hun Sint-Nikolaas-lekkers. Niet alles opeens; dagelijks een brokje; dan duurde de vreugd het langst.
„Kijk!” riep hij, bij wijze van nabetrachting: „het heeft er hier wel iets van. Hier is óók een meer, en eene landtong, op welke wij een huisje zouden kunnen bouwen.”
„Om er met ons beidjes in te wonen, niet waar?” viel Marieken hem in de rede. „Zoo heel alleen met ons beidjes!”
„Zeker, kind! En daarachter zouden we boomen kunnen planten, die bosch zouden geworden zijn tegen dat we oude luidjes waren.”
„O heerlijk! heerlijk! Hoe gezellig!—En den kost zouden we verdienen met visschen, niet waar?”
Justus moest lachen. „Met visschen?—De paling is schaarsch in den Bergschen plas; en dat de baars en de voren er elkaar niet in den weg zwemmen, daarvoor zorgen je vader en de dominee en de liefhebbers uit de stad wel! Dat visschen zou ons een mager kostje opbrengen, Marieken!”
„Nu ja! maar we zouden zoo zuinig kunnen leven!” riep het meisje. „En als er dan eens zoo'n ridder kwam....”
„Een ridder, haha!—Ik vrees eer dat Hannes de diender komen zou, om ons te callanzeeren!.... Er zijn tegenwoordig zoo geen ridders meer, Marieken.”
„Ook geen betooverde wouden meer?”
„O, die zeker niet!”
„Ook geen waternimfen?”
„'k Zou denken van neen .... ofschoon .... in de zee, en in heel diepe meren .... wie weet 't! Er is zoo véél dat we niet zien kunnen....”
Dit stukje philosophie bracht beiden aan het mijmeren. Marieken stikte naarstig voort aan haar calotje; maar hare gedachten toefden in het visschershutje op de groene landtong. Justus pelde met zijn zakmes den bast van een wilgetakje: maar zijn geest zweefde ver weg over de diepe blauwe wateren, in welke de blanke nixen met de gulden haren nog wel wonen mochten. Hij zag in zijne verbeelding zijnen koensten wensch vervuld. Hij zeilde mee op een der groote schepen, die daar gemeerd lagen aan den rivierkant voor de stad. De wimpels flapten in den wind, de zeilen zwollen, de golven bruisten, gekapt met sprankelend schuim. Zeemonsters doken blazend op langs den boeg. Aan de kimme doemden blauwe bergen. Bij een zonnig eiland viel het anker. Justus wandelde onder de palmen van Taprobane, over welks wonderen hij kort tevoren gelezen had in het boek van vader Haafner.
Middelerwijl deed rondom den droomenden jongeling de wereld der werkelijkheid al haar best om in liefelijkheid de wereld der verbeelding te evenaren. Het was bladstil geworden, zoodat de gouden baan, die de neigende zon over den waterspiegel wierp, haast door geen rimpeltje verbroken werd. Om het bootje heen wipten de dartele vischjes uit het nat, met eene flikkering en een plompje. In de verte riep de koekoek. Vlak bij in het elzenhout kweelde de boerennachtegaal. Hoog in de bleekblauwe lucht kruisten tjilpend de zwaluwen.
Marieken had haar borduurwerk ter zijde gelegd. Haar ééne handje rustte in haren schoot; haar andere hing over den kant van het schuitje, de vingertoppen gedoopt in het groene water. Zij tuurde met groote oogen over den plas naar den weerhaan op den kerktoren, die blonk als eene ster boven het geboomte.
„Justus!” sprak zij plotseling.
„Wel?” vroeg de ondermeester, in zijnen droom van het wondereiland nog verzonken.
„Zouden ze er wel ooit geweest zijn?”
„Wat? De boschduivels en de dolle olifanten?—O zeker!”
„Neen!—de ridders, wou ik zeggen.”
Justus ontwaakte. „Aha, de ridders!—Ridders, kind? of die er wel ooit geweest zijn?.... Mooie vraag!—Heele legers van ridders!—En onze ruïne dan, die eens een groot en sterk kasteel was? Wie zou dat gebouwd hebben, als er geen ridders waren geweest?”
„En had elke ridder zoo zijne jonkvrouw?”
„Elke ridder had zijne eigene jonkvrouw, zoo mooi als de avondzon, voor wie hij den ganschen dag verzen opzei, en lanzen brak in het steekspel, en andere ridders bevocht.”
„En .... Justus....”
„Nu?”
„Wie zou jij wel kiezen tot je jonkvrouw?”
„Ik!” lachte Justus:—„maar ik ben immers geen ridder! Ik ben maar een arme ondermeester. Voor mij komen geene jonkvrouwen te pas!”
„Goed! Maar als je nu eens een ridder waart? Wie zou je dan kiezen om mee te wonen in je kasteel?”
„Dan?.... jou, Marieken, jou.... Ik houd immers van niemand zoo veel!”
Marieken's oogen glinsterden; er vloog een lach over haar gelaat, die het bleeke kopje waarlijk schoon maakte. Na een kort zwijgen sprak zij verder:
„Justus, we hebben nu al heel wat sproken en legenden zoo samen gelezen. Maar de mooiste vind ik nog altoos die, welke ik 't eerst van je hoorde: de sage van Hildegarde en Ubbo.”
„En waarom dat?”
„Omdat zij zoo trouw was, die arme reuzin. En”—liet zij met ingehouden geestdrift er op volgen—„zal ik je eens wat zeggen?.... Ik zou het net zóó gedaan hebben!”
„Wat, mal kind?”
„Wel .... als ze mij den ridder niet hadden willen geven, van wien ik hield .... dan .... dan zou ik zijn weggeloopen .... dan zou ik in de zee gesprongen zijn.... O, ik zou hem hebben aangehangen tot in den dood. Al zouden er vijf-en-twintig reuzen gekomen zijn om mij te dwingen, of driehonderd draken met vurige muilen....”
Daar deed in het elzenboschje een verdacht gerucht zich hooren. Eerst een ritselen: daarna een gekraak en rumoer in het gebladerte, alsof een hongerige beer of een verbolgen everzwijn zich onstuimig eenen weg er doorheen brak. Justus dacht aan Hannes den koddebeier;—Marieken aan Twikko en Fikko. Maar ziet! vóór zij zelven eigenlijk wisten wat zij dachten, vóór zij tijd hadden om het schuitje van den wal te duwen en het ruime sop te kiezen .... ziet! de twijgen openden zich, en tegenover de vervaarde blikken der kinderen stond .... geen reus, geen vuurspuwende griffioen, geen al te ijverige dienaar der plattelandsche gerechtigheid .... edoch, omstuwd door eene wolk van opgejaagde muggen, bezaaid met groene houtluizen, de hengelroede in de hand, den vischkorf op den rug, den pierenbak voor den buik, meester Petrus van Meppen, zeer rood in het aangezicht van wegen inspanning en grooten toorn. Hij had, aan de andere zijde van de landtong gezeten om een baarsje te snappen, woord voor woord afgeluisterd wat de jongelieden in het bootje hadden gelezen en gepraat.
„Zoo, zoo, juffertje!” siste hij tusschen de tanden, met eenen centenaar nadruk op elke lettergreep: „Zoo, zoo .... vijf-en-twintig reuzen! driehonderd draken! wegloopen! in zee springen!—zoo, zoo! zou je dat?.... Ik moet zeggen, je bent een snugger nest voor je jaren! Je meester heeft pleizier van zijn onderricht!.... Hier! zeg ik. Aan wal! Oogenblikkelijk!”
Vervolgens zich tot Justus wendende, terwijl de hengel in zijne hand met vreeselijke slagen dood en verderf spreidde onder de muggen in het rond, bulderde hij met heel de kracht zijner longen, zoodat er eene siddering voer door de biezen aan den kant:
„En jij, aap van een jongen! Is dát de manier waarop jij je hooge roeping als onderwijzer der jeugd opvat?—Dit Dit onschuldige kind in hoeken en holen te vergiftigen met heidenschen zotteklap, onchristelijke bakerpraatjes, zedebedervend gebazel?—Haha! Loon je mij zóó al mijne goedheid en zorg en de gastvrijheid van mijn huis?—Serpent, dat ik aan mijnen boezem gekoesterd heb .... ik .... ik .... ik verban je uit mijne school, uit mijne woning!.... Ga weg van onder mijn oog! Vade mecum, Satanas! Vade mecum!”
Dit was de banvloek van meester Petrus van Meppen, tegen Justus Eykendaal door hem uitgesproken in de meest dramatische stonde zijns levens.
De verschrikte zon dook dien avond in haar golvenbed veel haastiger onder, dan zij van den almanak permissie had. De koekoek liet af van slaan. Het boerennachtegaaltje verstomde. En de nacht, de alvertrooster, spoedde zich om onder zijne vleugelen de deerlijk ontstelde schepping vergetelheid te doen vinden van zóóveel ontzettends.
V.
Zijn interdictum tegen den ongelukkigen ondermeester geslingerd hebbende, aanvaardde met opgegeven hoofd, brieschende neusgaten en den tred eens veldmaarschalks, de heer Pieter van Meppen den terugtocht door het elzenboschje, zijn dochtertje met ijzeren greep nà zich sleepende.
Justus bleef dus alleen in het schuitje—alleen met zijne grimmigheid. Hij zag den handkus niet, dien Marieken hem toewierp terwijl zij tusschen het gebladerte verdween. Niets zag hij, dan den hoon hem aangedaan. Hij balde de vuisten, hij rolde wild met de oogen. Toen, over de riemen zich buigend als een galeislaaf, deed hij het onzalige pleiziervaartuigje heenscheren naar de overzijde van den plas, waar hij het aan den eigenaar terug te bezorgen en de huur er voor nog te betalen had.... Ziet hem roeien! Hoe zweepten de spanen het water tot schuim! Te drommel, wie had er achter den stillen jongen zóóveel spierkracht vermoed en zóóveel vuur?.... Maar hij was dan ook door en door boos. Het kookte hem in zijn binnenste, minder, weet ge, om Van Meppen's redeloos uitvallen tegen hemzelven, dan wel om de lastertaal, ja, de blasphemie van dien man tegen Undine, Hildegarde en heel de Germaansche dichter- en sprokenwereld. Ha! smaad op hemzelven deerde hem minder. Maar dit schimpen op zijn heiligdom, dát was te veel geweest!—Dienzelfden avond nog wilde hij zijne gansche wereldsche have zich op den nek laden, en elders eerst een nachtverblijf, vervolgens eene betrekking gaan zoeken.
Met dit voornemen bezield, kwam hij thuis, waar Marieken hem over den drempel te gemoet ijlde. Zij hunkerde naar hem. Haar vader was op de societeit zijne verontwaardiging wat gaan verzetten. Nu konden zij vrijuit praten.
„Justus!” begon het meisje, hem hare handen op de schouders leggende: „Justus, je zult niet gaan!”
„Toch, kind, toch! toch!” antwoordde de jongeling met gemaakte kalmte: „Toch, Marieken, ik zal wèl gaan. En dit heden avond nog: op staanden voet. Ik kom mijn boeltje inpakken, en afscheid van je nemen.”
„Justus! je raast. Wààr zou je heen kunnen? En waaróm zou je gaan?”
„Waaróm!” barstte Justus los. „Waaróm!” riep hij met trillende lippen, geweldige moeite doende om zijne tranen te bedwingen. „Kun je dát nog vragen—jij, die ik meende dat mij begreep, dat met mij sympathiseerde!... Waaróm! Hahaha! Maar heb je dan niet gehoord wat je vader tot mij gezegd heeft?—Ik schiet hier immers uit hoeken en holen als eene slang....”
„Justus!”
„Om zijn onschuldig kind te vergiftigen!”
„O! stil toch!”
„Te vergiftigen, jawel! met heidenschen zotteklap, en onchristelijke bakerpraatjes, en—en wat zei hij ook nog meer?—zedebedervend gebazel, ja juist!... Zie je, Marieken, dat mag zoo niet langer duren. 't Is duidelijk: daar moet een eind aan komen. Zedebedervers en serpenten mogen hier niet langer met zóóveel vroomheid en onschuld onder één dak wonen!—Laat mij! Laat mij naar boven gaan, om mijne boeken en mijne kleeren bijeen te rapen. Ik wil weg! Satanas wil weg van hier!”
Marieken echter, in stee van hem door te laten, trad hem vlak voor den voet, en keek hem een poosje met hare groote blauwe oogen strak in de zijne. Hij sloeg de wimpers neder voor dien stil verwijtenden blik: want in die twee heldere zielespiegels had hij weerkaatst gezien hoe bitter en onbillijk hij daareven geweest was:—hoe voor één driftig woord, hem in het oor geworpen, zijn hart er twintig uitgebroed, zijn mond er twintig weergegeven had. De storm in zijn gemoed ging liggen onder dien blik.
„En zou je dan”, sprak het meisje zacht, maar met eenen nadruk die haar uit het diepste van haar zieltje welde: „zou je dan, Justus, zoo kunnen heengaan?”—
Kunnen?.... De knaap was veel te groen in de diplomatie, om met voordacht het antwoord op eene vraag te ontwijken. Wij moeten dus aannemen dat hij geen flauw besef had, wat teederheid, half kinderlijk nog, half vrouwelijk reeds, er tot hem sprak uit dat ééne woord. Och och! er trillen toontjes in maagdeboezems, wier fijne, zoete klank aan een zeventienjarig jongensoor even verspild is, als een strijkquartet van Mozart aan een gezelschap Kaffers. Oudere ooren, die ze wèl vernemen kunnen—voor die, helaas, zijn zij niet meer bestemd.
„Kunnen?” riep dus Justus, hoorende doof: „Er is immers geen sprake van kunnen! Ik moet immers wel. Je vader heeft me immers weggejaagd!”
„Dwaasheid!” hernam Marieken: „Je kent vader wel beter. Je weet wel dat hij niet alles meent wat hij in zijne drift zich zoo ontvallen laat. Je weet ook wel dat hij je niet graag missen zou op school.”
„'t Kan zijn. Maar wie zou hier dan de minste moeten wezen?—Zou ik soms moeten vragen om te mogen blijven? .... ik .... ik die”.... Hij begon weer op te bruisen, bij de gedachte aan al de grieven van dien avondstond.
„Tut, tut!” suste hem Marieken: „laat dat aan mij maar over! Voor het vragen zorg ik!”
„Lief kind!” zeide Justus, terwijl hij hare hand vatte.... „Hoor eens—ik was buiten mijzelven daareven. Ik had ongelijk. Maar toch, in alle kalmte nu—'t is beter, geloof ik, dat ik heenga, Marieken. Je vader en ik kunnen tóch op den duur met elkaar niet overweg. Wij zijn contrasten, water en vuur, tot zelfs in onze opvatting van de schooltaak. Mijne boeken, die ik zoo liefheb, hij zou ze verbranden, als hij durfde. Mijne idealen, waarmee ik zoo dweep, en waarin ik zoo opga, omdat ze mij als mijn adem zijn—hij zou er den spot mee drijven, als hij ze kende. Wat mij eene openbaring is, dat is hem zoo veel als praat uit het dolhuis, nog goddeloos op den koop toe. Ik ben voor hem een ingebeelde droomer. Hij is voor mij een bekrompen schoolvos. Zeg zelf—hoe zal dit langer samen passen?”
Daar biggelden twee groote tranen Marieken langs de wangen. Het was zoo waar, wat zij hooren moest; en juist dáárom was 't zoo hard het te moeten hooren. Justus' drift had zij gemakkelijk vermeesterd; tegen zijne rede wist zij niets in te brengen.
„Och!” snikte zij, met haren witten boezelaar voor hare oogen: „wij waren zoo gelukkig samen!”....
Zacht trok hij haar naar zich toe, bewogen, meer dan half verwonnen reeds. Wanneer men nog geen twintig zomers telt, dan kan men het grootste gelijk willen hebben tegen drie dozijn professoren—het argument van meisjestranen weerstaat men niet licht. Hij legde haren arm in den zijnen, en, zonder zelf te bedenken waarheen zij gingen, slenterden zij samen het aan de school grenzende heuveltje op—de kerk voorbij—het oude pad op tusschen de graven.
Het was donker geworden, zoo donker het namelijk in eenen helderen Juni-nacht worden kan, als des nachtegaals avondlied en des leeuweriks morgenzang elkander opvolgen gelijk adagio en scherzo eener symphonie; als de sterren den tijd nauw vinden om even te flonkeren tusschen de schemering die ze ontsteekt en de schemering die ze doet verbleeken; als het amber aan de westerkimme even pas vergrauwd is, of ziet—Auroor begint in het oosten den sluier al weg te schuiven van haar rozig aangezicht!
De maan bovendien.... Ei ja, lezer, sta ook mij toe van dit hemellichaam een passend gebruik te maken ter illuminatie van deze mijne vertelling. Ik geef u mijn woord, dat ik aan de vergunning mij niet zal te buiten gaan. Het is trouwens een feit, het is historisch boven allen twijfel verheven, dat in Juni van den jare 1858 verscheidene nachten achtereenvolgens de satelliet van onzen aardbol ook het dorpje Hillegersberg en omstreken met zijn zilveren licht bestraald heeft.
De maan alzoo, juist boven den lindenkrans rondom het kerkhof verrezen, dreef met het landschap haar welbekend goochelspel. Aan vlakheid leende zij diepte, aan dofheid glans, aan schaduwen lichaam. Den kerktoren herschiep zij in eenen wachter met metalen helm en pantserkraag; het boschje in eenen zuilentempel; het grasperk onder de boomen in wemelend mozaïek; den dauw, die wijd gestrekt lag over Schieland's velden, in eene zee van ongepeilde diepte, bezaaid met dreigende klippen, die koebeesten, en met geheimzinnige eilanden, die boerenhofsteden waren. Doch dit alles haalde nog niet bij hetgeen zij aan de ruïne tooverde. Ruïnen en de maan (die zelve een oude puinhoop is) zijn van eeuwen her boezemvrienden geweest; vandaar dat men een oud stuk muur zoo bijzonder indrukwekkend vindt bij maneschijn, en dat men de maan zoo op haar minnelijkst ziet lonken door een kijkgat in een oud stuk muur. De ruïne van Hillegersberg dus was méér dan schoon dien avond. Zij scheen hooger en ranker geworden, jonkvrouwelijk haast van gestalte. Haar rood gesteente leek doortinteld van eenen warmen goudglans; de schaduw aan haren voet was als een sleep van zwart fluweel; op hare kruin glom het natte mos als smaragden, en vonkten de bedrupte graspluimen als brillanten, gestengeld op eenen diadeem.
Onze jonge lieden, naast elkander gezeten op eene hooge zerk, op welke een groot bronzen blazoen prijkte, hadden eene pooslang al peinzend meegezwegen met de roerlooze stilte om hen heen. Justus brak eindelijk het mijmeren af:
„Is het niet als een sprookje?.... En dat er menschen zijn, die voor zoo iets niet het geringste gevoel hebben! Die er niets in zien kunnen, dan eene gelegenheid om olie te besparen in de straatlantarens! Ha ha ha!”
Een zucht was Marieken's éénig antwoord op deze sarcastische overdenking.
Beiden zwegen weer eene wijle.
„Die lieve maan!” sprak Justus toen: „Hoe vaak heeft zij ons getroost hier op dit heuveltje!”
„Al menigmaal—ja, Justus!”
„En als ze nu wéér vol is—wie weet hoe ver ik dan al weg ben van hier!”
Marieken zeide niets.
„Ken je 't nog?” hernam hij, na weder eene pauze: „dat schoone lied van Staring”:
Toon ons uw luister, o zilveren Maan, Rijs uit het meer. Lach den zwervenden schepeling aan, Straal op 's wandelaars donkere baan In uw lieflijkheid neer.
„O ja”, zeide het meisje—„ik ken het nog”:
Waar zonder hoop de verlatene smacht, Scheemre uw gloor. Waar, na troostlooze afscheidsklacht, Blij hereenen de minnenden wacht....
Een snik belette haar voort te gaan; hare oogen schoten vol; in hare handen verborg zij haar gelaat.
„Marieken!” riep Justus, terwijl hij haar áán zich drukte zooals hij nog nooit tevoren gedaan had: „Kind! waarom schrei je nu zoo?”
„Omdat ik”, kreet zij, „omdat ik hier zoo verlaten zal zitten, als je heengaat!”
„Marieken, mijn lief zusje—nu dan, ik ga niet weg! wij scheiden niet!—Wat maal ik ook om je vader, zoolang jij er nog bent!—Ik blijf, hoor! en we zullen samen nog menig mooi vers lezen. Toe, schei nu maar uit!”
Zij zag hem aan, lachend door hare tranen heen. „Och ja”, zei ze.—„Je moet bij ons blijven, Just! Het was ook mijne éénige vreugde, dat lezen en praten met je. Als je wist hoe ook ik er in opga, in onze boeken!.... Maar wat is het mooiste boek, wanneer men het alléén moet lezen? Niet waar?”
Justus echter sloeg geene acht meer op hare woorden. Hij was opgestaan. Het scheen of hij een visioen had, of dat hij uit de schaduw achter het muurwerk eene demonische verschijning zag opdoemen, die hij bannen wou. Met gefronste wenkbrauwen, de armen over de borst gekruist, blikte hij naar de ruïne.
„Marieken”, sprak hij plechtig: „was je dat ernst, wat je zeide toen we in het schuitje zaten?—Dat je doen zoudt als Hildegarde de reuzin: liever in zee springen, dan verloochenen wat je dierbaar is?”
„Zeker, Justus!” antwoordde Marieken: „dat was mij heilige ernst.”
„Hoor dan!” voer de ondermeester voort. „Wij staan allebei alleen op de wereld; wij hebben niemand die deel neemt aan ons denken en voelen, dan elkander. Daarom moeten wij elkander houw en trouw blijven. Laat ons eenen eed zweren!”
„Eenen eed, Justus?”
„Eenen eed, ja! bij dien bouwval daar, die gewijd is door de eeuwen—bij Hildegarde's berg hier—bij de goede dichters en de schoone geniën die onze troosters zijn. Eenen eed: dat wij elkaar de hand zullen reiken, elkaar zullen bijspringen in nood, als trouwe vrienden en geestverwanten—nu, en later ook, levenslang, al loopen misschien onze wegen uiteen. Zweer je dat?”
„Ik zweer het, Justus!” sprak Marieken, zacht maar vast.
„En ons parool, als 't er op aankomt, zal Hildegarde wezen.”
„Hildegarde”, herhaalde Marieken: „Hildegarde zal ons parool zijn.”
Het moet eene gril der verbeelding zijn geweest, of het spel van eene voorbijdrijvende wolk, dat Justus en Marieken op dit oogenblik de maan verduisterd zagen, en over de nevelen-zee westwaarts heenglijdende eene ontzaggelijke schaduw, die de gestalte had van eene vrouw.
VI.
Het liep zooals Marieken voorzien had. Nadat de heer Pieter van Meppen de zon had laten ondergaan en opkomen over zijnen toorn, voelde hij dien aanmerkelijk bekoeld, en was hij innerlijk zeer verblijd, toen hij, den volgenden ochtend de school binnentredende, Justus als naar gewoonte reeds bezig vond met de kinders den gebruikelijken lofzang uit te blaten ter inwijding van den nieuwen dag. De meester deed wel zijn best om uitermate grimmig te kijken, zoodat menig wichtje zijne ooren al voelde tintelen—maar overigens toonde hij door taal noch teeken dat er tusschen hem en zijnen trawant iets ongewoons was voorgevallen. Wat Justus betreft, ook hij hield zich voortreffelijk in zijne rol. Met onbevangen blik stond hij daar achter zijnen lessenaar, de maat slaande met zijne lange liniaal, en uit volle borst meezingende:
Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid, Waarmee 'k tot God genake, Als 't morgenlicht zijn stralen spreidt En ik verkwikt ontwake.
Intusschen, terwijl aldus de ééne helft van het banvonnis over Justus stilzwijgend herroepen werd, kwam de andere des te onverbiddelijker tot voltrekking. Het jonge mensch mocht blijven in de school—doch moest opdoeken uit de woning van Marieken's vader. Zóó was—en wijselijk—door Van Meppen besloten. De bedachtzame man oordeelde dat het méér dan tijd was om tusschen zijnen romanesken ondermeester en zijn sentimenteel dochtertje eenen scheidsmuur te stellen. „Waar het moederoog ontbreekt, daar past den vader dubbele waakzaamheid”—aldus bepleitte hij in de societeit dezen, van zijn standpunt trouwens volmaakt verdedigbaren, maatregel. Eene week daarna zag men dus Justus Eykendaal gepakt en gezakt een achterkamertje betrekken bij eene weduwvrouw, wier huisje even buiten de kom van het dorp aan den straatweg gelegen was.
Met deze schikking had Van Meppen juist bereikt wat hij beoogde: dit namelijk, dat er bij den dichterlijk-broederlijken omgang tusschen Justus en Marieken ééns voor goed een stokje was gestoken. Justus ging voortaan van zijn kamertje naar de school, en van de school naar zijn kamertje, waar hij blokte voor zijn examen. De twee zagen elkaar dus weinig meer; en het samen lezen, het samen wandelen, het samen droomen—'t was uit er mee! Uit als met het schuitjevaren en het stoeien in het groen: uit als met de lieve, onnadenkende vertrouwelijkheid!
Viel den jongeling deze scheiding aanvankelijk bitter, aan den anderen kant smaakte hem de pas verworvene zelfstandigheid als het manneken in het versje de perzik. Hij behield ook altoos zijne beminde boeken nog naast zich. Hij kon afleiding zoeken in het verkeer met anderen. Hij was jong en sterk, vol zelfvertrouwen—hij voelde zich man worden, en zag de wereld voor zich opengaan, veel wijder nog dan het land der sprookjes, veel rijker nog dan al de tooverpaleizen van Sheherezade. Wie treurt er lang, om wat ook, wanneer hem het eerste dons begint te krullen om de lippen?
Doch met Marieken was het anders. Voor haar was met den vriend alles uit de vreugdelooze vaderlijke woning heengegaan. Voor haar geene vrijheid, maar eene steeds enger wordende gevangenschap; geene verstrooiing, maar immer strengere ontzegging van genot. Geene toekomst die haar vleide, geen horizon die zich haar ontsloot. Integendeel: de wondertuin der phantasie, welken zij aan Justus' hand was binnengetreden, scheen haar thans een verloren paradijs, dat verder en verder van haar terugweek. Sleur was haar heden, sleur zou haar morgen zijn. Gansch haar leven was haar eene leegte geworden.
Gij jonge heeren der schepping, die onbelemmerd uwe wieken rept—in aether, in modder, al naar het u behaagt—hoort toe! Als gij genoeg naar hartelust gefladderd hebt, laat dan uwe oogen vallen op een braaf burgerkind, en neemt haar eerlijk tot uwe vrouw, en maakt haar recht gelukkig! Tien tegen één, dat gij eene slavin verlost zult hebben uit eenen kerker. Let op hoe dankbaar zij u wezen zal, wanneer gij ook haar eens laat meeproeven uit den beker der jeugd: wanneer gij ook haar vergunt de arme, zoo lang geknotte vleugels eens uit te slaan in de vrije, frissche wereld!
Justus, zeide ik, was druk aan het blokken getogen voor zijn onderwijzers-examen; en daar hij vlug van leeren was, zoo vorderde hij aardig hiermede. Nog veel vlugger evenwel, dan in Strootman en Baudet, schoot hij op in eene kunst, die haren beoefenaars nooit anders dan verdriet gebaard heeft: het bekladden namelijk van goed papier met slechte verzen—en wel (wat de zaak niet beter maakt) verzen van zeer beslist erotischen aard. Justus, in wien waarlijk een dichter stak, zoolang hij maar geen poëet wilde wezen—Justus was „in 't rijm vergaan”! Justus schreef minnezangen!
Dit mocht voorzeker treurig heeten. Edoch, mijne vrienden! wie uwer, in eigen boezem getast hebbende, durft deswege den eersten steen werpen op mijn ondermeesterken? Wie zelfs kan, met de hand op het hart, betuigen dat hij behoed bleef voor een nog veel grooter kwaad, aan hetwelk mijn bescheiden held zich althans niet bezondigde: het neerschrijven niet slechts, maar het aan den medemensen mee te slikken geven van de overkookselen zijner dichtaar?—
Die minnezangen nu—aan wie waren zij gericht?
Aan Marieken?—
Helaas! neen. Terwijl Marieken zoo heel veel dacht aan Justus, was Justus al minder en minder gaan denken aan Marieken, en al meer en meer....
AAN MARY. Licht van mijn oogen, Ster in mijn nacht, Vlam van mijn leven, 'k Zing van uw pracht. Bleek wordt Aurora, Kleurloos en mat, Treedt gij naar buiten, Zon op mijn pad! Lustig als Zefir Zweeft er uw tred: Bloemen ontluiken Waar gij hem zet. Frisscher geen dauwdrup, Slanker geen ree, Blanker geen parel. Diepst uit de zee. Goud zijn uw tressen, Glans is uw oog, Stralend als Venus Mild van omhoog. Rozen uw lippen, Leliën uw hals, Golven uw boezem, Zwoegend en malsch. Jaagt mij uw aanblik Vuur door het bloed, Steekt mij uw lonken Laai in een gloed— Ziedend verlangen! Zalige pijn! Jonkvrouw, erbarm u! Mary, wees mijn!—
Ziedaar van Justus' minneliederen de eersteling. De talloos vele die er volgden, in alle maten en op alle voeten—ik spaar ze mijnen lezer. Dit ééne staaltje kan intusschen doen blijken, dat de hartstocht van onzen vriend niet juist een platonisch karakter droeg, en dat hij al terstond als met den stormpas op Amor's duursten prijs afwilde. Er zijn ridders die zich reeds den hemel te rijk voelen, wanneer Dulcinea de weergalooze hun veroorlooft eenen handschoen voor haar van den grond te rapen, of hen begenadigt met een hoofdknikje ten antwoord op hunnen nederigsten groet. Van deze stroopbloedige soort had Justus Eykendaal tot vervelens gelezen; maar hij behoorde tot haar geenszins. Veeleer mocht hij vergeleken worden bij die Orlando Furioso's onder Ero's vanen, wier leuze luidt: „alles of niets!”—Trouwens, het uiterlijke wezen der schoone Mary mocht wèl in eenen bewonderaar eenig ongeduld rechtvaardigen. Zelfs de bezadigde blik, dien wij uit dezen afstand van jaren (zij moet thans de vijftig naderen) op de jonge dame werpen willen, zal ons dit doen erkennen.
Mary was de éénige dochter van een bemiddeld Hillegersbergsch wethouder en notaris, wiens buitengoed slechts door eene smalle sloot gescheiden was van het erf der weduwe, Justus' hospita. Herlezen wij de hierboven aangehaalde coupletten, dan vinden wij de oogen der maagd gecatalogiseerd als avondstarren, en haren tressen als klinkklaar goud. In waarheid prijkte zij met mooi blond haar en met een paar heldere bruine kijkers. De vergelijking van hare lippen met rozen, van haren hals met leliën en van haar welig ontwikkeld bovenlijf met de golven der zee, kon insgelijks, hoe weinig oorspronkelijk ook, er tamelijk wel mee door. Alleenlijk ware er tegen den versregel „slanker geen ree” eenige critische bedenking te opperen geweest. En gaan wij terug tot de derde strophe, dan moet ik zeer stellig protest aanteekenen tegen het beweren des dichters, dat er bloemen ontloken ter plaatse waar Mary hare voetjes zette. Magna est veritas et proclamavit! zooals meester Pieter van Meppen zou hebben gezegd. Het strookt veeleer met de nuchtere veritas, dat elk bloempje reddeloos geknakt en verpletterd den geest moet gegeven hebben, na het geluk te hebben gesmaakt van met den onderkant dier voetjes in aanraking gekomen te zijn. Want mocht Mary's tred eenen minzieken jonkman zwevende gelijken—een zefir was Mary niet. Integendeel: het stoffelijk gewicht van haar bevallig kopje en mollige schouders, van hare ronde armen en rijzige gestalte—kortom van hare bekoorlijkheden gezamenlijk, moet lang niet onaanzienlijk zijn geweest. Zoo wij dus onzen poëet hier betrappen op eene verregaande dichterlijke onnauwkeurigheid—over het geheel kunnen wij hem nageven dat hij flink uit de oogen had gekeken, en dat zijne gevleugelde beschrijving van het meisje in menig opzicht der werkelijkheid getrouw was. Mary mocht inderdaad een toonbeeld heeten van die weelderige blondinen—blanke, bloedrijke dochteren van den zeewind en de vochtige aarde—, met welke het aan frissche vrouwen zoo vruchtbaar Nederland den palm behaalt boven zijne nabuurlanden. Half steedsch en half boersch, half fier en half lokkend, met eenen gullen, ietwat dartelen lach steeds gereed om de rijpe lippen en in de vroolijke oogen, was zij juist het slag van schoone, waarvoor een gezonde achttienjarige jonkman in eenen draf zijn zieleheil zou hebben willen verspelen. Dat zij, strikt berekend, vier jaren en zes maanden vroeger dan hij het levenslicht aanschouwde, gold natuurlijk in Justus' oog als eene aantrekkelijkheid te meer slechts. Eene eerste liefde heeft ook dit éénige, dat de knaap, onbewust, in de aangebedene nog iets terug wil vinden van zijne moeder.
En thans, nu gij mejuffrouw Mary geschetst zaagt in rijm en in onrijm, met de bezielde ganzeveder van den aanbidder, en met de koel ontledende stalen pen van den geschiedschrijver—kan het thans u wonderen, lezer, dat mijn ondermeester, die in sage en kroniek zooveel sterke ridders had zien zwichten voor Cupido's dwingelandij—dat Justus, zeg ik, zelf door het godje deerlijk aangeschoten, niet sterker poogde te zijn dan al die helden in het staal, maar weerstandloos zich aan zijnen hartstocht prijsgaf?—Werd ook zijne vlam niet onophoudelijk gevoed en aangewakkerd? Zag hij niet elken ochtend, vóór hij schoolwaarts ging, terwijl hij aan zijn venstertje over zijne vierkantsvergelijkingen zat te broeden—zag hij de hemelsche niet door den tuin trippelen, om hare witte eendjes in den vijver mee te laten eten van hare boterham? Was zij niet verleidelijk als Venus dan, in haar lichtgeel ochtendgewaad met bessensapkleurige moesjes, de voeten in roode muiltjes gestoken, de gulden lokkenschat tegen regen of zonnesteken beschut door eene hemelsblauwe parasol?—En 's avonds, als zij met haar borduurwerk in het priëel kwam zitten aan den waterkant, blijkbaar om welgevallig te luisteren naar de zoet verliefde nachtegaal-tonen, die Justus ontlokte aan zijne klarinet (want Justus, ik vergat nog het mee te deelen, beoefende naast de dichtkunst ook de toonkunst: hij bespeelde het kerkorgel voor den hemel, en blies de klarinet voor de aarde)—'s avonds dan, als zij daar meemijmerde in de stille schemering, een enkel maal zelfs—o, hij had zich niet vergist!—dankbaar opblikkend naar het van wijnloof omkranste venster, waaruit de zachte melodieën haar zoo schuchter tegentrilden—was zij niet nóg bekoorlijker dan, zoo mogelijk?—
Zotte vragen!—Alsof mijn held het antwoord er op zou hebben afgewacht! Alsof hij niet veeleer geloofd zou hebben dat er champagner voor water stroomde door de Rotte, dan dat Mary minder schoon dan de schoonste, Mary minder engelachtig dan de engelen was! Een schilder mocht haar voor een model van de uit zeeschuim verrezene wat te plomp van voet en wat te rossig van wangen geoordeeld hebben; een menschenkenner mocht met eenen oogopslag zijnen blik hebben geboord in de leegte van haar brein en in de ijdelheid van haar hart—: voor Justus was Mary Aphrodite—voor Justus was Mary Madonna.
VII.
Ik wil niemand vervelen (allerminst mijzelven) met een relaas van al het hopen en vertwijfelen, al de verzuchtingen en versmachtingen eens tot over de ooren verliefden ondermeesters. Ik moet de gebeurtenissen samenvatten. Snel als de veldslagen van den grooten Napoleon volgden zij van nu af elkander op den voet.
Ruim een jaar was er vervlogen sedert de ure van den grooten eed, den heiligen eed van bondgenootschap, dien Justus en Marieken elkander zwoeren tusschen de graven, onder het schijnsel van de volle Juni-maan.
September had hare intree gehouden met eenen snikheeten dag: eenen kostelijken dag voor den Hillegersbergschen theetuin;—want in eenen theetuin moet het tropisch wezen, anders vlot maar half het kozen in priëeltjes, het dolle gestoei der jeugd, het welbehaaglijke suffen van den ouderdom. Eerst de avond schonk wat verademing, zoodat, terwijl de schemering daalde, alle dorpelingen in hunne tuintjes of op hunne stoepen al koutend en rookend zich zaten te laven aan de verkwikkelijke koelte. Dit was eene heerlijkheid! En wie er eene frissche teug wijn bij bekostigen kon, die vergat zorgen en muggen tegader.
Ook Marieken was voor de deur van de schoolmeesterswoning aan het scheppen van wat koele lucht. Maar geen gezellig woord, noch huiselijk gerinkel van theegoed, noch gemoedelijk smakken aan eene goudsche pijp deed zich naast haar vernemen;—zoo levendig het daar beneden onder de pretmakers toeging, zoo stil was het hier op het bergje van de dooden. Zij zat alleen, gebogen over een handwerk. Nu en dan sloeg zij de oogen peinzend op. Het laatste avondgloren achter de twee Delftsche torens legde over hare wangen zijnen weerglans van karmijn.
Opeens hoorde zij eenen voetstap naderen. Een jonge man trad behoedzaam om den hoek van den kerkhofmuur heen. Justus Eykendaal stond vóór haar.
Wanneer men eenzaam zit, en een goed oud vriend....
Maar hoe nu! Wat deed er Marieken zoo van kleur verschieten? Wat zette er haar hartje zoo aan het bonzen, dat zij hare hand zich in de zijde moest drukken?.... Was Justus Eykendaal temet haar goede vriend niet langer? Kon hij haar vreemd geworden zijn, wellicht?—
Vreemd?—ja en neen. Vreemd van aangezicht, neen: want dagelijks nog zag zij hem komen en gaan. Maar vreemd van hart, ja. Hij had haar ontweken, sinds maanden al. Hij had vermeden wat hij vroeger zocht: zamen met haar te zijn, haar zijn gemoed te openen, met haar te praten over alles wat hem lief was of verdroot. En waaróm dit?—Wist zij het niet? Ha! van den beginne af had zij het geweten. Eer ontgaat den diamantklover een smetje in eenen kostbaren steen, dan dat de vrouw eene vreemde minne niet speurt in het hart van den man dien zij liefheeft.
Thans dus—nu hij voor het eerst sedert lang haar opzocht terwijl zij alleen was—thans, Marieken voelde het, moest hij haar wel iets zeer gewichtigs te zeggen hebben. Het kon haar niets nieuws wezen. Toch beefde zij om het te hooren.
„Is je vader uit?” fluisterde Justus; en hij blikte daarbij zóó geheimzinnig rond, dat het meisje van ontsteldheid geen geluid kon geven.
Zij knikte slechts bevestigend.
„Kom mee dan!” hernam de ondermeester, haast gebiedend.
Zwijgend rees zij van haren stoel. Justus liep haastig vooruit, het kerkhof op, en verdween achter de ruïne. Marieken achter hem, wat langzamer. Eerst toen hij bij den hoogen grafsteen was—den bewusten, met het bronzen geslachtswapen er op—hield hij stil.
„Marieken!” sprak hij gejaagd, en hij greep wild haar bij de hand: „ben je mijne zus nog? mijne vriendin?”
„Zeker, Justus. Ik .... ik ben nooit anders geweest.”
„Kan ik nog altijd op je rekenen?”
„Dat weet je wel.”
„Ook als ik .... Marieken—ik mag geene geheimen voor je hebben. Ik ben.... Er is eene jonge dame, aan wie ik iets te schrijven heb: iets dat mijn levensgeluk betreft, mijne dierbaarste wenschen. Wil je dezen brief voor mij bezorgen, aan .... aan het adres?”—Hij hield haar een met lak verzegeld briefje voor, en zij las.
Had zij uit tienduizend moeten raden, zij zou geen ommezien in onzekerheid verkeerd hebben of die naam, en geen andere, moest er geschreven staan op het couvert van dien brief. Toch werd zij gloeiend rood, en terstond daarop doodelijk wit. Hare anders zoo zachte oogen bliksemden.
„Neen!” riep zij, en op de zerk stampend, die hol klonk onder haren voet: „neen, Justus! dát doe ik niet!”
„Waarom niet?”
„Omdat .... omdat ik weet wat er staat in dien brief.”
„Dát is licht te gissen, na hetgeen ik je gezegd heb.”
„En omdat ik niet wil meehelpen om je ongelukkig te maken!”
„Ongelukkig? .... ik? .... met die engel, die .... ken je haar dan?”
„Ongelukkig, zeg ik. Ik ken die vrouw, ja. Die vrouw heeft je niet lief.”
Nu was het zijne beurt om met den voet op de zerk te stampen. „Dit is te gek!” riep hij. „Hoe zou jij dat weten!”..... Inderdaad, wèl mocht Justus het vragen: Hoe zou Marieken nu kunnen weten wie er Justus liefhad, en wie niet!—
„Ik heb haar waargenomen al sinds maanden—sinds ik merkte dat je hart aan haar hing”, voer het meisje voort: „Zij is coquet en valsch. Zij spot maar wat met je.”
„Spotten!—Maar ik zeg je dat ze mij toegelachen heeft, dat ik in hare oogen gelezen heb wat ze voor mij voelt! En ik zeg je dat die oogen niet kunnen liegen, en dat er geen reiner engel leeft op heel Gods aardbodem!”
Zij glimlachte pijnlijk. Zij voelde dat zij niets te antwoorden had. Justus zou er haar trouwens den tijd niet toe hebben gelaten.
„Kom”, zoo draafde hij door: „al dat kibbelen dient tot niets. Marieken—ik heb haar zóó lief, zóó lief, dat ik dol zal worden als ik het haar langer verzwijgen moet.
Ik kan niet zonder haar leven!—en ik sterf, ik maak me van kant, als ik het haar niet zeggen mag. O, kind! je kunt niet begrijpen wat dát is, zóó'n liefde, zóó'n liefde——neen! van zóó eene liefde kun je niets begrijpen!—En als jij nu dien brief niet bezorgen wilt .... kijk! hem zelf haar geven, kan ik niet; ik durf niet—ik heb haar nog nooit aangesproken—ik ben zoo bang haar te beleedigen. Met de post gaat het óók niet: want vooreerst kent Jaap de bode mijn schrift; en bovendien, wat per post komt, blijft geen geheim. Jij, Marieken, jij bent de éénige die ik met den brief belasten kan: de éénige die hem zóó haar in de hand kan stoppen, dat niemand er iets van merkt. Toe! pak hem aan, en breng hem haar! Marieken, ik zou voor jou door het vuur loopen!—en weiger jij me nu zoo'n kleinigheid?—Toe! doe het toch! Ik smeek het je!”—
Zijne spanning, zijn hartstocht roerden haar. Zij beet zich op de lip—maar zij stak de vingers niet uit om den brief te nemen. „Ik mag niet, Justus!” sprak zij stellig: „ik houd te veel .... ik denk te goed over je, om je zóó'n slechten dienst te willen bewijzen. Ik mag niet!”
„Maar je moet!” riep hij, eensklaps veranderd van houding en toon.
Weer plooide die smartelijke glimlach hare wangen. „Ik moet?—Ben ik dan je dienstmaagd temet?”
„Je moet, ja!—Je hebt het gezworen.”
Zij verbleekte.
„Hier, hier op deze eigen plek heb je het gezworen, dat je mij helpen zoudt als ik het noodig had—levenslang, al liepen onze wegen nóg zoo ver uiteen. Bij al wat ons lief en heilig was, heb je mij dat gezworen, Marieken!—Is het niet?”
Zonder te antwoorden, staarde zij strak op den grond.
„En ons parool zou wezen: Hildegarde. Zou het niet?”
Zij knikte met het hoofd, nog altoos bleek en stom.
„Welnu dan—eenen eed breekt men niet. Dit is het oogenblik!—Ik zeg: Hildegarde, Marieken!—Bij Hildegarde vraag ik je: wil je mij helpen?”—
Nu eerst hief zij de oogen op. Zij zag hem aan met eenen blik vol fierheid en vol smart.—„Geef den brief maar hier, Justus,” sprak zij kalm: „Van avond nog zal juffrouw Mary hem lezen.”
Daarop, zonder groet, wendde zij zich om en ging heen. Maar zij had geen zes stappen gedaan, of zij keerde zich nogmaals tot hem, en met fonkelenden blik en opgeheven arm, in eenen stand en op eenen toon die men veeleer van eene Ristori verwacht zou hebben dan van een eenvoudig schoolmeesterskind, riep zij den verbaasden jongeling toe:
„Hildegarde, Justus!—Denk er aan, als de beurt aan mij komt: het parool is Hildegarde!”
De volgende dag was een zondag. Meester Van Meppen had zich de ontspanning veroorloofd van een bezoek bij Sa Majesté son très-cher frère den schoolmonarch van Berkel en Rodenrijs. Bij gevolg was Justus Eykendaal de aangewezen persoon om bij ochtend- en middagbeurt in de kerk het orgel te bedienen.
Altoos was hij trotsch geweest op het vervullen van die taak. Hij speelde gaarne; en algemeen zeide men immers dat hij veel mooier preludeerde en wel tweemaal meer tonen uit het oude instrument wist te halen, dan zijn superieur. Maar ditmaal—ha! ditmaal zou hij voor de mijnen van Golconda, voor den troon van den Beheerscher der Geloovigen het baantje van vice-organist zich niet uit de handen hebben laten nemen. Want men wete het, wijl het niet langer een geheim kan wezen: hij had aan zijn schrijven aan mejuffrouw Mary een postscriptum toegevoegd, waarin hij haar bad, of zij, ten teeken dat zij niet verstoord was over zijnen brief—neen, dat zij hem wel een sprankje wilde geven van hoop—den volgenden dag in de kerk wou komen, en dan, terstond nadat het eerste gezang zou gezongen wezen, even wou opzien naar het orgel, en even haar kerkboekje brengen aan haren mond. Zonder dit teeken zou voor hem alles verloren zijn.
Men begrijpt dus: hadde Justus dien ochtend beide zijne beenen gebroken, dan zou hij zich naar het orgel hebben doen dragen.
Bij den ochtenddienst evenwel, geene Mary;—en, wat iets werkelijk ongehoords was: ook Marieken's stoel, vlak onder het bord met de tien geboden, bleef ledig staan. Justus speelde dien morgen zóó lam en lusteloos, dat de gemeente tot tweemaal toe van de wijs geraakte.
Hoe hij zich heensleepte door de uren tusschen ochtenddienst en middagdienst, zou hij u zelf niet hebben kunnen zeggen. Eindelijk echter had de schare het Hillegersbergsche bedehuis weder gevuld. De dominee was al in den kansel, het gebed al uitgesproken—en nog, nog stonden er twee plaatsen ledig: ééne onder het bord met de tien geboden, de andere in het hoekje van de damesbank: Mary's hoekje!..... Maar of de noten al schemerden voor Justus' oogen, het opgegeven gezang moest gespeeld worden. Voor de gemeente duurde het ongeveer zes minuten; voor den organist hield het langer aan dan het duizendjarige Miserere der zielen in het vagevuur. Toch kwam er een einde aan. En als Justus nu zijn groen gordijntje wilde dichtschuiven, om in het donker zijne wanhoop uit te schreien .... o God! daar zat zij!—daar zag hij haar vlak in het schuin opgeheven gelaat, vlak in de heerlijk opziende oogen!—daar rees hare blanke hand zachtkens uit haren schoot!—daar beroerden hare rozelippen als met eenen gloeienden kus haar kerkboekje met de twee gouden sloten!..... Justus speelde dien namiddag zóó woest en wereldsch, dat de vromen meenden, de baarlijke duivel voer door de pijpen; en dat de dominee 's avonds bij Van Meppen klaagde: hij vreesde dat de kwâjongen zoowaar vóór kerktijd een bittertje gedronken had!
Maar Justus—, wat deerden hem orgelpijpen en vromen en dominees en bovenmeesters!—Hij stoof naar buiten, zoekende wáár zich te verbergen, zich en zijn geluk. Hij had het willen uitschreeuwen: „Mary! Mary! Zij gaf mij het teeken! Zij geeft mij te hopen! Zij mint mij, mint mij weer!”..... Op eenen draf liep hij een paar polders om. Maar de eenzaamste paden waren hem nog te bevolkt: want hadden niet alle boomen en vogelen en bloemen en golfjes, hadden zij niet allen stemmen, die hem jubelend toezongen: Zij mint u, zij mint u weer!..... Hij liep en liep, zorgvuldig den straatweg vermijdend: want hij voelde wel, als hij haar ontmoet had, dan zou hij zich niet hebben kunnen intoomen: dan zou hij haar te voet gevallen zijn, om haar te danken voor hare genade. Hij liep en hij liep—tot de schemering daalde. Toen, vreezend dat de menschen zijn zalig geheim hem lezen zouden op het gelaat, sloop hij als een dief naar het dorp terug, om Marieken op te zoeken, Marieken te verpletteren onder zijnen triomf—zij, die getwijfeld had aan het hart van zijne engel!—
Marieken echter was nergens te vinden. Marieken .... het leek wel of zij pruilde. Zou zij .... voor het eerst vloog het Justus door zijn brein ... zou zij jaloersch wezen bij geval?... Och wat! zij was immers zijn zusje!...
Doch ook daaraan dacht Justus niet lang. Hij dacht aan dat ééne slechts: aan zijn geluk. Hij was er vol van: hij meende dat het zijne slagaderen zou doen springen, zijn hoofd zou doen uiteenbarsten. En daar hij het voor de levenden niet uitstorten mocht, zoo wilde hij het toevertrouwen aan de dooden. Hij trad het kerkhof binnen, en koelde zich de bonzende slapen aan het gesteente van de oude ruïne. Tegen het muurbrok, geplant in eenen grond die doorweekt is met tranen, tegen het eeuwenheugende muurbrok had nooit tevoren misschien de wild jagende polsslag geklopt van menschelijke blijdschap.
VIII.
Alvorens met de geschiedenis van dezen onstuimigst bewogenen zondag in de jeugd van Justus Eykendaal voort te gaan, moet ik met juistheid het tijdstip bepalen, waartoe wij thans gevorderd zijn. De tweelingwijzer van de Hillegersbergsche torenklok hield ongeveer het midden tusschen de cijfers zeven en acht. Op die avondure pleegt het in het begin van September niet meer licht te zijn, maar ook nog niet donker.
Terwijl dan onze jongeling daar zoo stond, zijne zaligheid toefluisterend aan de verweerde baksteenen, hoorde hij van de andere zijde van den lagen muur, die de begraafplaats omsingelt, een helder lachen klinken. Hij spitste de ooren als een schichtig paard. Want die lach—hij droomde het niet—was Mary's lach!—Eer zou een kapelmeester zich vergist hebben in den klank van de trombone en van de dwarsfluit, eer zou de tortel het krassen van de schorre kraai gehouden hebben voor de roepstem van zijn gaaiken, dan dat Justus dien lach verward had met den lach van éénig ander schepsel op aarde. Zóó immers kon slechts Mary lachen. Welluidender muziek kende Justus niet—neen! niet onder al wat er gecomponeerd was voor het orgel en voor de klarinet. Toch was het op dit oogenblik—hij kon zich geene rekenschap geven waaróm—of dat lachen hem meer pijnlijk aandeed dan liefelijk.
Hij sloop zachtkens naar den muur, om te zien. Pas echter had hij het eerste woord vernomen, dat vrij luide gesproken werd, of hij bleef als aan den grond genageld—om te luisteren. Justus Eykendaal was de ridderlijkheid in persoon;—toch kuchte hij niet, noch snoot hij zijnen neus. Er zijn van die gelegenheden, bij welke een ridder precies doet als een lakei. Bayard zelfs zou zijn oor niet hebben teruggetrokken van een sleutelgat, wanneer hij er door had opgevangen hoe de dame van zijn hart bezig was critiek te leveren op eenen minnebrief van hem.
„Eene declaratie, jawel!” zeide de jonge dame: „In optima forma, hoor!”
„Wat je zegt!” antwoordde de tweede stem, die Justus mede herkende. Zij behoorde namelijk aan eenen neef van juffrouw Mary, den zoon van een Rotterdamsch wijnhandelaar. Men had Justus vroeger eens verzekerd dat de dochter van den notaris en dit vaalkleurige individu wel een paar zouden worden; doch de zeldzaamheid van 's heertjes bezoeken en zijne onverschillige houding tegenover het meisje hadden spoedig alle bezorgdheid op dit stuk uit het gemoed van den ondermeester verdreven.
„Wat je zegt!” riep het fatje: „En van een schoolvos?”
„Een schoolvos zonder school, wel te verstaan!—Een stuk van een kweekeling, moet je begrijpen, bij dat oude monster van een Van Meppen!”
„Onbetaalbaar!—Op schrift, hoop ik?”
„Op rozerood postpapier, en in een pootje of het gedrukt was!.... Als je niet zoo'n onbarmhartige spotvogel waart, neef Edmund, dan zou ik haast lust hebben het document je voor te lezen.”
„O toe! ik bid je! Lees op! Dát zal me nu eens een waar feest zijn!”
„Nu dan”, hernam het meisje. „Maar stil eens .... kan geen mensch ons hier beluisteren?”
„De heeren en dames dáár misschien!” grinnikte de snaak, met een handgebaar naar het kerkhof. „Haha! Die zullen er toch niet veel van navertellen!”—
Justus hoorde het frommelen van papier, en daarop Mary met koddige deftigheid lezende als volgt:
Mejuffrouw!
Sinds ruim een jaar leefde er op twintig passen afstand van uwe woning een mensch, wiens zoetste lust het geweest is de lucht in te ademen, die hem kwam toegewaaid uit uwe nabijheid.
„Goed! waarachtig goed!” verklaarde de heer Edmund: „A propos, waar woont het ventje?”
„Wel, vlak naast ons, rechts”, antwoordde Mary. „Zoo is 't gekomen, begrijp je? Hij kon uit zijn raampje precies in onzen tuin kijken; en van die gelegenheid schijnt hij méér gebruik te hebben gemaakt, dan wel te pas kwam. Onder ons gezegd, Edmund, hij moet me nog al eens en négligé hebben gezien, als ik zoo 's ochtends de eenden voederde—”
„De gelukkige!”
„En 's avonds verveelde hij me gruwelijk met zijne klarinet. Lieve hemel! die klarinet heeft me wat dikwijls zenuwachtig gemaakt. De zeurigste, lamentabelste deunen.... Maar hoor verder”:
Zijn naam werd misschien nooit genoemd in uwe tegenwoordigheid; want hij behoort niet tot diegenen die van zich spreken doen in de wereld. Maar zijn kunstloos klarinetspel, zoo durft hij zich vleien, was menigmaal uw oor niet ongevallig—
„Nota bene! Azor de hond sloeg er soms van aan het janken!”
„Haha!”
—en méér dan eens, als gij minzaam zijnen bescheiden groet beantwoorddet, bescheen de glans van uwe oogen zijn aangezicht, gelijk een vluchtige zonnestraal heenglijdt over donkere wateren.
„Bravo! Maar dat is waarachtig een poëet, die knul!” riep de heer Edmund.
Mary vervolgde:
Dit u te herinneren, mag u onkiesch dunken—
„Wel een beetje!”
—Zoo ja, vergeef het mijnen hartstocht. Want o, mejuffrouw....
„Nu zal je 't hebben!”
„Stil toch!”
—Want o, mejuffrouw—ik bemin u!
„We zijn er, komaan!”
—Sedert veertien maanden bemin en aanbid ik u, zooals nog nooit op aarde eene vrouw door eenen man bemind en aangebeden werd.
„Ah bah!” critiseerde weer de neef van Mary: „Neen! die is oudbakken! Die moet hij uit De volleerde briefschrijver gestolen hebben!—Lees voort, schoone nicht!”
Hoe ik den moed vind om u dit te schrijven—Amor alleen weet het, die helden maakt uit lammeren.
„Uit kalveren! had er moeten staan.”
Want wie ben ik?
„Een verliefde ezel!”
—Een arme ondermeester. Wat kan ik u bieden?—
„Eene plak en een dozijn griffels.”
Niets immers; terwijl gij, met alles toegerust: met alle deugden die een hart versieren kunnen, met lieftalligheid zonder weerga, met eene schoonheid, eene schoonheid .... o, mejuffrouw! Mary! indien gij wist hoe schoon gij zijt!—
„Nu wordt hij al familiaar ook! Maar dàt moet ik zeggen, het kereltje heeft eenen goeden smaak. Want mooi ben je, nichtje!—zóó mooi, dat ik haast niet laten kan....”
„Malle kwibus!” riep Mary; en Justus hoorde hoe zij hem eenen tik gaf op zijne hand.—„Wil je me nu laten uitlezen?—Waar bleef ik ook weer—ahem—”
Doch ja! uit mijnen hartstocht, uit mijne maatlooze liefde voor u put ik mijnen moed. Mary! ik ben arm, ik ben niets nog—het is waar. Maar door u begunstigd, met het uitzicht op uwe wederliefde als mijne rijzende morgenzon in het verschiet—
„Alle duivels! wat neemt hij me daar eene vaart!”
—kan ik alles nog worden. Ik kan werken, door bergen heen.
„Van rijstebrij!”
Ik kan wachten, langen tijd, zoo noodig. Geen zwoegen zal mij verdrieten. Geene jaren zullen den gloed doen bekoelen, waarmede—of gij hem tot u opheft, of dat gij hem vàn u stoot, Mary!—eeuwig trouw u aan zal hangen, hij die zich teekent
Uw dienaar tot in den dood,
JUSTUS EYKENDAAL.
„Bravissimo!” schreeuwde de zoon van den wijnhandelaar. „Ik maak je mijn compliment, nichtje! Zoo'n partij doet zich niet alle dagen voor!—Ik begrijp dan ook levendig, dat voor mij, rampzalige, de kans nu wel verkeken zal zijn!”
„St!” riep Mary: „Ik ben er nog niet. Er is nog een postscriptum”:—
Indien mijne stoutheid u niet vertoornt; indien mijne overmoedige liefde eenen kleinen, kleinen weerklank gevonden heeft in uw hart—zie dan morgen, wanneer gij ter kerk komt, na afloop van het eerste gezang even op naar het orgel, en breng uw kerkboekje even aan uwe lippen. Aan dien blik, aan dat gebaar hangt mijne zaligheid.
„Je moet namelijk weten”, voegde de lieve lezeres er toelichtend bij, „dat hij wel eens voor Van Meppen het orgel bespeelt onder kerktijd.”
De heer Edmund hinnikte het uit van plezier, en sloeg op zijne dij dat het klapte. „Heb ik ooit van mijn leven! Zoo'n romaneske aap!—En jij, nichtje, wat heb je wel gedaan?—Natuurlijk de kerk aan de boeren overgelaten?”
„Integendeel”, antwoordde Mary, met schampere waardigheid: „Ik heb den vlegel voor zijne onbeschaamdheid willen straffen. Daarom ben ik behoorlijk mijn preekje gaan knappen. En toen het eerste gezang uit was, heb ik heel betooverend opgekeken naar de orgelpijpen, en mijn nieuw testamentje heel vurig gekust. Durft hij nu van avond of morgen mij nabij te komen, dan zal ik hem zóó zijn vet geven, dat hij er ineens genoeg van heeft!”
„Kostelijk! hihihi!” kraaide de andere. „O! maar hij is onbetaalbaar!—Mary! ik moet je verklaren dat ik je admireer. Je hebt een tact over je, een savoir faire, die op mijn woord van eer niet van de poes zijn. Dat mag ik graag in eene vrouw. Ja waarachtig! als we onze oudjes nu nog dat groote pleizier doen, en onze duitjes bij elkaar leggen, en samen er mee in het bootje stappen—ik aan het roer, en jij op de riemen....”
Wat het heertje verder snapte, ging voor den luisteraar verloren, daar het tweetal langs den muur zich verwijderde. Justus had echter, ook zonder dit, volop genoeg gehoord. Geen woord te weinig. Misschien ook geen woord te veel.
Eene pooslang zat hij roerloos, als wezenloos, op eene grafzerk. Daarna rees hij op, en waggelde naar de ruïne, tegen welke hij kreunend zich aanleunde.
Toen legde zich eene hand op zijnen schouder; en er klonk eene stem in zijn oor, zoo zacht, zoo hemelsch na het schaterlachen van die twee demonen:—„Justus, heb ik je dan niet lief?”
Zijne zenuwen ontspanden zich; zijne oogen schoten vol; in heftig snikken brak hij los. Maar opeens hield hij zich in bedwang.—„'t Is niets, Marieken!” stootte hij uit: „Breek je om mij het hoofd niet, kind!—Vaarwel! Vergeet mij!..... Er is goddank nog water in de zee!”
Met dien uitroep drukte hij zich de vuisten tegen het gelaat—en weg was hij: het hek uit, den heuvel af, den kant op naar de stad.
IX.
Eerst, na den schok van het ongeluk, de verdooving die maar half beseft. Dan het volle bewustzijn van wat er gebeurde: de pijn, het deerlijke medelijden met zichzelven—de tranenvloed. Vervolgens de terugsprong van het geplette weerstands-vermogen: de wrok, de toorn, de lust tot verzet, de dorst naar vergelding. Eindelijk het ergste van alles: het cynisme—het zelfbedrog.
Justus Eykendaal's gemoedsstemming verkeerde in de derde van die drie stadiën, terwijl hij het dorp den rug toewendde en snel den weg stadwaarts insloeg.
Waar wilde hij heen? Wat ging hij doen?—Hij wist het niet. Het raakte hem niet. Mits hij maar voort was van deze plek zijner vernedering, waar de lucht hem als pestdamp, zijn hemel hem eene hel geworden was.
Woedende gedachten doorjoegen zijn brein. Gelijk de schandletters in het voorhoofd van den boef, zoo stonden hem in het hart gebrand al de smalende woorden, door haar, door zijne Mary hem toegedacht. Ha, zoo! Was hij een schoolvos zonder school, een onbeschaamde vlegel! Verveelde hij haar zoo gruwelijk met zijn klarinetspel, waarnaar zij toch zoo vaak en zoo lang met schijnbaar genoegen had zitten luisteren—de heks, de slang, de....
Stil! neen!—schelden kon hij haar toch niet, die hij pas een uur tevoren nog aangebeden had. En wilde zij hem nu beleedigen—zóó beleedigen, dat hij zijne oogen niet meer zou durven opslaan tot haar?.... O! maar dat behoefde immers niet meer! Dat had zij immers al gedaan, grievender dan zij het ooit bedoeld kon hebben!.... Dit echter, dit was niets. Smaad had hij van haar kunnen dulden. Als zij maar zichzelve niet zoo had gesmaad en beleedigd en verlaagd!—Hadde zij hem weggestooten met haren voet, het zou zijnen hartstocht voor haar slechts opgezweept hebben. Fier mocht, fier moest de jonkvrouw zich gedragen, die zijner ridderlijke min waardig zou wezen. Doch deze valschheid, dit kleine, lage, platte gemoed, vreemd aan alle begrip van geestdrift, aan alle mededoogen, aan alle vrouwelijk eergevoel zelfs.... o foei! foei!—Hij kon haar nog begeeren, dat schoone schepsel:—ja, wonderlijk! het begeeren, waaraan hij tot heden nooit rechtstreeks had durven denken, was opeens sterk geworden over hem. Maar zijne teedere achting, zijnen innigen eerbied voor haar—als twee lentebloemen had haar giftig spotten ze gedood.
Onder zulke overpeinzingen valt den wandelaar het loopen niet lang. Leed is een even knappe weg-bekorter als vreugde.
Justus kwam voorbij Vrouw Romein, waar hij op dien achtermiddag, verleden zomer, toen zijne ziel nog kalm was als gindsche plas onder den avondnevel, het roeibootje gehuurd had met Marieken. Arm, lief, heilig kind! Hij dacht aan haar. Hij dacht aan dat laatste woord van haar tot hem: „heb ik je dan niet lief?”—en zijn hart verweet hem bitter dat hij haar alleen en ongetroost had laten staan daar op het kerkhof. Ja! déze had hem waarlijk lief!... Maar juist dáárom immers was het voor haar ook beter, dat hij heenging en haar nooit terugzag. Hij zou haar immers nooit hare liefde kunnen vergelden.
Een kwartier verder—daar lag Pax Intrantibus aan den weg, destijds het Tivoli der gegoede Rotterdammenaren—later.... O Pax! Pax Intrantibus! wat is er van u geworden!—Hic jacet gloria mundi! zou meester Van Meppen thans u toeroepen, ware hij nog onder de levenden om Latijn te radbraken.... Oude heeren zaten in het duister lange pijpen te smoken achter hunne flesschen wijn. Paartjes kuierden fluisterend door de lanen. De schommels kraakten onder de vrachten van gillende jonge maagden.... Justus grijnslachte. Hoevele Mary's waren er onder die engelen van melk en bloed?—
Voorwaarts!—Straks was de stad bereikt.
Hier, te midden van het gewoel der duizenden, die elk hun eigen pak van zorg en leed te dragen hadden, ademde de vluchteling vrijer. Hier voor 't minst kende hem niemand, en zou niemand hem op het gelaat lezen wat razernij er ziedde in zijn binnenste.
Hij liep straat in, straat uit. Het drokke gewemel en de lichtglans der winkels deden hem goed; zij verstrooiden hem, meende hij; althans zij hielpen hem in eene soort van roes, in welke hij zichzelven en zijne bitterheid minder voelde. Om zijnen dorst te lesschen, liep hij een koffiehuis binnen, en dronk er een glas bier; en daar het bier hem smaakte, zoo ledigde hij er een tweede. Eene behaaglijke warmte begon hem te doortintelen. Zijne matheid verdween. Half met weerzin, half met genot, voelde hij eenen lust in zich opkomen om te lachen. Ha ha ha!—zulk een lach klonk schor en wrang—maar beter toch nog zulk een lach, zoo maakte hij zichzelven wijs, dan het hopelooze, vruchtelooze tandenknarsen van daareven. Wat zou hij voor haar, voor die onwaardige, zich zijn jonge leven tot eene foltering maken? de hand aan zichzelven slaan misschien? Zou hij haar die voldoening nog gunnen?.... Hij zag de deernen aan, die er zwierden langs het trottoir:—en hij zag dat er mooie onder waren—even mooi haast als Mary!
Al dolende, onverschillig waarheen, belandde hij in den omtrek van de St. Laurens-kerk bij een gebouw, waaruit het tjingelen van eene piano en eene gillende vrouwestem naar buiten drongen. Hij kende die inrichting, al was ze pas jong te Rotterdam; want vrienden hadden hem van haar verteld. Het was een der eerste cafés-chantants in ons vaderland: een der eerste van die, sedert zoo snel in bloei en aantal toegenomen tempelen Babylon's, waar men te gelijk met den mensch ook nog de kunst en de taal prostitueert. Holen, in welke onze Hollandsche jongelingen, ja al meer en meer ook onze Hollandsche werklui, hunne vrije avonden zijn gaan slijten, om er gezellig, onder eene sigaar en een grogje, zich hart en verbeelding te zitten bevuilen met het aanhooren van liederlijkheden in de drie moderne talen.
Gisteren nog zou Justus er eer aan gedacht hebben zich in eene kroeg te gaan bedrinken aan jenever, dan hier binnen te treden. Maar wat was gisteren voor hem! Aan gisteren bond hem immers niets meer! Met gisteren had hij voor altoos immers afgedaan!—En heden wilde hij óók eens zien wat zoovele anderen zagen, die er toch niets minder om geacht werden in de wereld! Bah! wat had zijne ingetogenheid, wat hadden zijne brave en reine beginselen hem gebaat!—Deugd, poëzie?—valsche droombeelden, die u eeuwig lieten grijpen in het ledige! Genot alléén was tastbaar en loonde wie het zochten!.... Om kort te gaan, hij rukte de deur open, en was er binnen vóór hij het eigenlijk wist.
In hetzelfde oogenblik voelde een diender, die daar op en neer drentelde voor de deur, zich schuchter bij de mouw getrokken.
„Meneer”, fluisterde eene donkere gestalte hem toe: „wat is dat daar voor een huis?”
De man keek de verschijning gramstorig aan: hij scheen eerst te vermoeden dat er eene hem wat voor het lapje wou houden. Maar het „meneer” had hem in zijn zwak getast, en aan stem en kleeding merkte hij wel dat de vraag te goeder trouw moest wezen.
„Dat”, zeide hij—„wel, dat is zoo'n gelegenheid waar ze muziek maken. Niet veel bijzonders, voor de rest, dat vrouwvolk dat daar zingt!”
„Zou ik er binnen kunnen gaan?” vroeg weer de gemantelde.
„Kwalijk alléén, hoor juffrouwtje—kwalijk alléén, als je een fatsoenlijk mans kind wilt heeten. Wat zou je er ook doen?—Ah maar, temet zit er een kennis van je verzeild?—Nu, die komt er wel weer uit. En wie daar hun plezier zoeken, die zijn meest toch ook niet waard dat je ze naloopt. Kom”, vermaande de man, „ik ging naar huis als ik u was. Warempel, als ik u was, dan ging ik stil naar huis.”
't Was een gemoedelijke diender, naar men ziet. Och, zoo loopen er mee al onder den hoop door.
Eene duffe, heete lucht sloeg Justus in het gelaat. Hij zag, door den tabakswalm heen, vele gasvlammen, vele tafeltjes met rookende en lachende gasten, en aan het einde van de smalle, lage zaal een half dozijn zwierig gekleede vrouwen op een klein tooneel gezeten.
Een oogenblik stond hij bedremmeld:—hij vreesde dat al die menschen zouden omzien, en met een honend lachje hem als toeroepen zouden: „Zoo, Eykendaal, brave jongen! kom je óók eens naar de dames kijken?”—Doch niemand wijdde hem de geringste aandacht. Aller blikken waren op het tooneel gericht, waar juist, terwijl de pianist een vroolijk ritornel oprammelde, eene der vrouwen van haren stoel rees, voor het klappende en trappelende publiek zich lachend neeg, en met eene brutale, hoewel nog frissche en zuivere altstem eenen deun aanhief van het allerlichtste allooi.
Justus moest zich vastgrijpen aan eenen stoel.... Was dit tooverij? Had de Booze hem nú reeds in zijne netten verstrikt?.... Mary! Mary stond daar!—Dat was Mary, die daar zong! Mary in al hare valsche, duivelsche schoonheid!
Neen. Mary uit Hillegersberg was dit wel niet; die zat op dit tijdstip eerbaar onder de vleugelen van papa en mama te giggelen met haren neef Edmund. Maar gewis, voor een ietwat beneveld oog mocht de gelijkenis treffend schijnen tusschen de jonge dame en die mamsel daar. Dezelfde rijzige en weelderige bouw; dezelfde blonde krullen; dezelfde lokkende oogopslag; dezelfde wufte lach om de volle, half geopende lippen. Alleen verving op de wangen van déze hier een verfje den voor goed gevloden blos, en was in hare bruine oogen het fonkelen van behaagzucht al lang geweken voor den phosphor-glans der schaamteloosheid. Doch dat deze vrouw eenmaal als Mary geweest was, en dat Mary eenmaal als deze vrouw zou kunnen worden—dit was wel zeker.
Middelerwijl was Justus, bleek van ontroering, onafgebroken starend naar die vrouw die daar zong, tot vlak onder het tooneel gedrongen, en had hij, zonder het zich recht bewust te zijn, plaats genomen op eene bank in het voorste gelid. Het lied was uit; het ruwe refrein en het handgeklap verstomden; de zangster zat weer op haren stoel. Daar trof haar blik des jongelings gretig oog—en aan het purper dat zijne wangen overgoot, erkende zij terstond de prooi op welke deze harpijen bij voorkeur zich werpen. Zij glimlachte hem toe.... Wee hem! Had ook Mary niet zóó hem toegelachen, dienzelfden namiddag, toen zij opblikte naar het kerkorgel!
Van nu af was hij in hare macht. Hij voelde het!—maar bovenal, hij wilde het!—Onder den invloed van den drank dien hij dronk, van de wulpsche muziek die hij hoorde, van de blikken en de lonken dier vrouw, begon eene brandende drift zich van hem meester te maken—half begeerte, half wraakzucht. Het scheen hem dat hij zich aan Mary wreken zou, door naar zijn welgevallen te doen met dit haar vernederd evenbeeld. Gene had hem verachtelijk weggestooten—déze hier boeleerde om zijne gunst.... Geld zou zij eischen. Welnu, geld had hij, méér misschien dan één der heertjes die er brasten om hem heen. De arme ondermeester was rijk dien avond. Want het toeval wilde, dat hij de som bij zich droeg, die hij sinds een jaar opgespaard had, gulden bij gulden, om er eene Sint-Nikolaas verrassing mee te koopen voor haar. Dat geld nu—het denkbeeld prikkelde hem nog te meer—dat geld zou voor haar niet wezen, maar voor deze andere, die even bekoorlijk, en stellig niet zoo valsch en koud en hardvochtig was als zij. Ging Magdalena de zondares niet boven Herodias?—Hij dacht aan Maria Stuart: hoe zwak zij was en hoe teeder. Hij dacht aan koningin Elisabeth: hoe kuisch zij was en hoe wreed. Al de schoone gestalten uit zijne sprookjeswereld, vroeger hem zoo engelrein: de burchtvrouwen met sleepend gewaad, de nixen met gouden tressen, de peri's en hoeri's met lokkenmantels en gazelle-oogen—zij verrezen voor zijne koortsige verbeelding als losbandige sirenen. „Geniet!” fluisterden zij hem toe: „Doe als wij allen—geniet! Alle ontzegging is nuttelooze pijniging! Geniet!”
Ja! Eén nacht van wilden zwijmel! Eén nacht van gloeienden lust!—En dan een schip gezocht! Gevlucht! De wijde wereld voor het enge schoolhok!... Ha! er was water genoeg in de zee, om de smet van dien éénen nacht af te wasschen!
Het had middernacht geslagen van den grijzen Sint-Laurens-toren, die statig het hoofd gericht houdt naar de sterren, onbewogen om al wat er struikelt en zondigt aan zijnen voet—als wist hij wel dat alles omlaag voorbijgaat, en dat het oordeel aan God is in den hooge.
De zaal die wij kennen was ontruimd. Twee personen slechts, behalve de stommelende bedienden, toefden er nog bij het licht van de reeds half neergedraaide gasvlammen. Straks traden ook die twee laatsten naar buiten:—Justus Eykendaal en de blonde deerne, Mary's evenbeeld.