XIV. Een slot dat door iedereen wordt toegejuicht.
Reading edition
Het tooneelstuk dat den even nieuwen als aantrekkelijken titel voerde van De Roovers van het Zwarte woud, was een alles behalve alledaagsch stuk. Het was gemaakt naar de klassieke regelen der dramatische kunst, met inachtneming der eenheid van plaats, van handeling en van tijd. In de inleiding werden de personen duidelijk geteekend; de knoop werd vervolgens kunstig gelegd; tenslotte had de ontknooping op verrassende wijze plaats, en ofschoon ieder voorzag hoe het af moest loopen, miste de oplossing niettemin hare machtige werking niet. Er ontbrak niets aan, ook niet datgene wat de strengste kunstrechters verlangen, want het heele stuk zat goed in elkaar.
Cesar Cascabel was er trouwens de man niet naar om te offeren aan den wansmaak van den dag, en allerlei bijzonderheden uit het familieleven, de meest kiesche niet uitgezonderd, op de planken te brengen, of stukken te vertoonen waarin òf de misdaad zegeviert, òf voor het minst, de deugd niet naar verdienste beloond wordt. In geenen deele. In het slot-tafereel van De Roovers van het Zwarte woud zag men de onschuld zoo schitterend bekroond, dat niemand er over in twijfel verkeeren kon, en de schuld gestraft op eene manier die indruk maken moest. Op het oogenblik dat alles verkeerd scheen te loopen kwamen de gendarmes, en als zij den verrader bij de kraag pakten en “in de wacht” sleepten, daverde het gebouw van toejuichingen.
Geen twijfel of dit drama zou ook in een krachtigen, eenvoudigen, taalkundig zuiveren stijl geschreven zijn, zonder bijmengsel van onverstaanbare uitdrukkingen en duistere wendingen, aan allerlei wetenschap ontleend, zooals de jongere tooneelschrijvers ze gaarne te pas brengen,—indien het namelijk een geschreven stuk was geweest. Maar het bestond niet in handschrift, want het was eene pantomime en als zoodanig kon het gespeeld worden op elk theater, in iedere plaats der oude en der nieuwe wereld. Dat is een groot gemak van zulke vertooningen in gebarentaal, waarbij nog komt dat het op die manier niet mogelijk is, eene enkele fout tegen de regelen der taal- of stijlleer te maken.
Ook hierop was van toepassing wat wij zooeven gezegd hebben: Cesar Cascabel was er de man niet naar om zulke fouten toetelaten, want niemand anders dan hij was de maker van het meesterstuk. Een meesterstuk mocht het wel genoemd worden. In de onderscheidene werelddeelen had het reeds drieduizend eenhonderdzeventig opvoeringen achter den rug. Er bestaat maar één stuk, De Beer en de Schildwacht, van het circus-Franconi, dat een hooger cijfer behaald heeft. Dit is dan ook het hoogste getal dat van eenige dramatische schepping geboekstaafd is, maar in letterkundige waarde staat dit paardenspeldrama buiten eenigen twijfel ver beneden De Roovers van het Zwarte woud.
Dit stuk was bovendien bepaaldelijk gemaakt om de onderscheidene talenten van den troep van Cascabel te doen uitkomen, en die talenten waren zoo degelijk en zoo veelzijdig, dat er geen tweede voorbeeld te vinden zou zijn van een dergelijk samenspel van zulke kunstenaars, door welken impresario ook, in vaste of in blijvende theaters aan het publiek voorgesteld.
De leermeesters der dramatische kunst gaan zeer terecht van dit beginsel uit: Laat de toeschouwers lachen of schreien, indien gij niet wilt dat zij gapen. Indien dit de grondslag is van alle tooneelpoëzie, dan verdient De Roovers van het Zwarte woud ook in dit opzicht ten volle den naam van meesterstuk. Er worden tranen in gelachen en er wordt in geschreid—ook al met heete tranen. Er komt niet één tafereel, niet één stukje van een tafereel in voor, waarin de stugste toekijker een oogenblik behoefte krijgt om zijnen mond open te doen en te geeuwen. Of in het bijna ondenkbare geval dat hij daar lust in mocht hebben, als gevolg misschien van eene slechte spijsvertering, zou zijn geeuw aanstonds overgaan in eenen snik van ontroering of in eenen lach van pleizier.
De handeling was, even als in ieder welgebouwd stuk het geval is, duidelijk; er zat gang in: het was eenvoudig gedacht en geleidelijk uitgewerkt. Alles volgde logisch op elkander, zoo natuurlijk en geregeld, dat ieder denken moest dat het “waar gebeurd” was.
Om dit te doen beseffen, laten wij hier een overzicht volgen, dat alle verslaggevers wèl zullen doen zich tot voorbeeld te stellen.
Het behelsde de zeer treffende lotgevallen van twee jongelieden die smoorlijk op elkaar verliefd waren. Teneinde beter verstaan te worden, merken wij op dat Napoleona voor het meisje en Sander voor den verliefden jongeling speelde. Ongelukkig is Sander arm, en de moeder van Napoleona, de hoovaardige Cornelia, wil van hun huwelijk niets weten.
Er komt iets bij, dat nog nooit in eenig stuk vertoond is geworden, namelijk dat de liefde van deze twee gedwarsboomd wordt door een grooten lummel, Kruidnagel, rijk aan goed, maar arm naar den geest. Deze brandt van liefde voor Napoleona en wil haar trouwen. En de moeder—is dit niet vernuftig bedacht?—die geducht op de duiten is, verlangt niets liever dan den lummel de hand van hare dochter te geven.
Het is niet mogelijk eene verwikkeling op kunstiger manier inteleiden, noch haar belangwekkender te maken. Onnoodig te zeggen dat het uilskuiken van een Kruidnagel den mond niet open kan doen zonder iets zots te zeggen. Hij ziet er bespottelijk uit, opgeschikt als een gek, met een ellenlangen neus dien hij overal in steekt waar hij niet in noodig heeft. Als hij met zijne bruiloftsgeschenken aan komt dragen, waarbij John Bull, de aap, hem aangrijnst en Jako, de papegaai—de eenige persoon in het stuk die praat—hem uitscheldt, dan houdt ieder zijn buik vast van het lachen.
Maar dit lachen verstomt als men de diepe smart ziet van de twee jongelieden, die elkaar niet anders ontmoeten kunnen dan ter sluiks, met andere woorden: bij nacht en ontijden.
Juist is de dag aangebroken waarop het huwelijk voltrokken staat te worden, waar Cornelia haar kind gedwongen heeft in toe te stemmen. Napoleona heeft hare fraaiste kleederen aangetrokken, maar met een bloedend hart, de wanhoop in het gemoed. Is het niet iets verschrikkelijks, dit mooie meisje de prooi te zien worden van zoo’n hatelijken vogelverschrikker?
Al het hier verhaalde wordt vertoond vóór de deur der dorpskerk. De klok luidt, de deuren staan open, ieder kan binnen komen. Maar Sander is neergeknield op de trappen van het kerkportaal. Slechts over zijn lichaam heen zal de stoet het altaar kunnen bereiken. De toeschouwers snikken van aandoening.
Op eens—en ziehier weder eene wending, waarvan de wedergade in de dramatische letterkunde te vergeefs gezocht wordt—op eens verschijnt er een jong krijgsman, wiens stap het achterdoek doet sidderen. Dat is Jan, de vleeschelijke broeder van de jonge bruid. Hij komt terug van den oorlog, waarin hij de vijanden verslagen heeft, welke vijanden verschillend van landaard kunnen zijn naar gelang van het land waar de vertooning gegeven wordt. Het kunnen in Amerika engelschen, in Duitschland franschen, in Turkije russen zijn, enz. enz.
De dappere en ridderlijke Jan is op het juiste oogenblik gekomen. Wat hij wil zal geschieden, en niets anders. Hij heeft vernomen dat Sander Napoleona liefheeft en dat Napoleona Sander bemint. Met zijn geweldigen arm stoot hij eerst Kruidnagel van het altaar af en vervolgens daagt hij hem uit, waar die bloodaard zoo doodelijk van verschrikt dat hij op staanden voet van het huwelijk afziet.
Ieder moet erkennen dat dit drama vernuftig bedacht is en dat alles sluit als een bus. Maar het is nog niet uit.
Terwijl zij bezig zijn Cornelia te zoeken, aan wie Kruidnagel haar woord terug wil geven, komt er iets heel onverwachts. Cornelia is nergens te vinden. Allen loopen door elkaar, maar zij laat zich niet meer zien!
Daar hoort men op eens een hulpgeschrei weerklinken in de diepte van het nabijgelegen woud. Sander herkent de stem van moeder Cascabel, en al is het ook maar zijne toekomstige schoonmama, toch aarzelt hij geen oogenblik, maar vliegt haar te hulp. Er is geen twijfel aan: de heerschzuchtige dame is geschaakt door de rooverbende van Fracassar, misschien wel door Fracassar in eigen persoon, den beruchtsten bandiet die ooit het Zwarte Woud onveilig maakte.
Dit is ook werkelijk het geval. Terwijl Jan bij zijne zuster blijft om deze tegen mogelijk gevaar te beschermen, luidt Kruidnagel de alarmklok en roept om hulp. Daar valt een schot.... Het publiek hijgt van spanning. Geweldiger ontroering kan door eene vertooning op het tooneel onmogelijk teweeg worden gebracht.
Op dat oogenblik vertoont zich Cascabel, in het kostuum van een Calabreeschen struikroover, als de vreeselijke Fracassar, met zijne bende, in wier midden Cornelia, ondanks haren tegenstand, wordt voortgesleept. Maar nu komt de dappere verliefde held weer op de proppen, vergezeld van eenen troep marechaussées, met laarzen aan die hun tot het middel reiken. Hij bevrijdt zijne dierbare schoonmoeder, de roovers worden gevangen genomen en de edelmoedige Sander trouwt met Napoleona, zijne teedere bruid.
Wij moeten hierbij nog opmerken, dat aangezien het personeel van den troep niet talrijk genoeg is, zoo min de roovers als de marechaussées zich op het tooneel vertoonen. De taak om achter de schermen hun geschreeuw en andere geluiden te doen hooren, even alsof ze er werkelijk zijn, is aan Kruidnagel opgedragen, en deze kwijt zich voortreffelijk daarvan. Daar er echter niemand anders meer over is, moet Cascabel de moeite nemen om zichzelf, als Fracassar, de handboeien aan te doen. Doch wij kunnen niet genoeg herhalen dat de ontknooping, door deze eenvoudige en duidelijke hulpmiddelen voorgesteld, een machtigen indruk teweeg brengt.
Dit is het getrouwe verslag van het tooneelgewrocht, uit Cascabel’s hersenen voortgekomen, dat in het circus te Perm vertoond stond te worden. Er behoefde niet aan getwijfeld te worden of het stuk zou denzelfden bijval vinden als anders, indien de vertooners slechts op de hoogte van hunne taak waren.
Dit liet in den regel niets te wenschen over. Cascabel was erg woest, Cornelia toonde zich heel ijdel op hare geboorte en rijkdommen; Jan verscheen als een ridder zonder vrees of blaam; Sander als een jonge verliefde met wien ieder te doen had en Napoleona’s ongelukken persten tranen uit de ongevoeligste oogen. Het was in dit stuk zooals meer voorkomt: de rollen hieven de spelers omhoog. Maar het viel niet te ontkennen dat het gezelschap voor de thans op handen zijnde vertooning niet best gestemd was. Allen hadden treurige gedachten in hun hoofd, en was het oogenblik van optreden eenmaal dáár, dan zouden zij zeker niet op hun dreef zijn. De uitdrukking hunner gelaatstrekken, waar in eene pantomime zooveel op aankomt, zou minder duidelijk zijn dan anders; de gebaren zouden niet met de noodige juistheid op elkaar slaan. Alleen daar waar er tranen gestort moesten worden zouden zij goed in hunne rol wezen, want allen stond het schreien nader dan het lachen. Maar de vroolijke tafereelen, die zouden stellig in het water vallen.
Toen allen tegen het middaguur aan tafel plaats namen, maar de plaats van Sergius ledig bleef, hetgeen als het ware een voorteeken was van de op handen zijnde scheiding, werd de algemeene treurigheid nog grooter. Niemand had trek in eten, niemand had lust in drinken. Het was akelig om te zien.
Dat verdroot den directeur van het gezelschap en hij besloot er een stokje voor te steken. Wat hemzelf betreft, hij at voor vier. En toen hij zijne portie op had, nam hij de dischgenooten onder handen.
—Hoe heb ik het? vroeg hij. Is dat gezeur haast uit? Ik zie allemaal gezichten van eene el lang, te beginnen met Cornelia, als de oudste, en te eindigen met Napoleona, de jongste. Kruidnagel is waarachtig de eenige die er ten naastenbij toonbaar uitziet. Voor den drommel kinderen, dat staat mij in het geheel niet aan. Ik zeg u allen dat wij vroolijk moeten zijn, dat er met een vroolijk hart gespeeld moet worden en dat ieder zijn beste beentje voor moet zetten, zóó dat het publiek op de banken pleizier heeft in hetgeen er in de manége vertoond wordt. Zoo moet het zijn en zoo zal het wezen, of je zult me zoo nijdig zien als een razende spin.
Dit was eene uitdrukking die Cascabel slechts in den uitersten nood gebruikte, maar als hij dit onwaarschijnlijke beeld van zichzelf had opgehangen, dan wist ook ieder dat hij gehoorzaamd wilde worden—en gehoorzaamd werd hij.
Buitendien was er in zijn vernuftig brein alweder een gansch buitengewoon plan opgekomen, wat trouwens bij hem het geval was in alle ernstige omstandigheden van zijn leven. Hij had besloten eene nieuwe en verbeterde uitgaaf van zijn drama optevoeren, of om juister te spreken, er meer handelende personen in te doen optreden. Wij zullen dadelijk vertellen hoe hij dat aan wilde leggen.
Wij hebben reeds gezegd, dat uithoofde van het niet aanwezig zijn van de noodige figuranten, er nog nooit struikroovers of gendarmes op het tooneel verschenen waren. Nu vertegenwoordigde Cesar wel in eigen persoon den heelen bandietentroep, maar hij zag toch heel goed in dat het eene veel grooter uitwerking hebben zou wanneer er bij de ontknooping eene wezenlijke rooverbende present was.
Daarom was hij op het denkbeeld gekomen om voor deze voorstelling eenige helpers te huren. Dit lag te eerder voor de hand dewijl hij Ortik en Kirschef reeds tot zijne beschikking had, want die twee brave zeelui zouden zeker niet weigeren hem te helpen.
Toen het middagmaal afgeloopen was, bracht Cascabel Ortik dan ook op de hoogte van den toestand, waarna hij hem vroeg:
—Zoudt gij mij het genoegen willen doen als figuranten bij de voorstelling mede te werken? Gij zoudt mij daarmede een grooten dienst bewijzen, als goede vrienden.
—Wel zeker, antwoordde Ortik. Kirschef zoowel als ik, wij verlangen niets liever dan u van dienst te kunnen zijn.
Beider belang bracht mede dat zij op den besten voet met de familie Cascabel bleven, zoodat het wel te begrijpen was dat zij het voorstel bereidwillig aannamen.
—Uitstekend, mijne vrienden. Alles wat gij te doen hebt, is dat gij te gelijk met mij op het tooneel verschijnt, dat is dus tegen het einde van het stuk. Alles wat ik doe, moet gij nadoen, gij moet evenals ik, uwe oogen laten rollen, dezelfde gebaren maken en schuimbekken van woede, zooals ik ook doe. Gij zult zien dat het niets moeielijk is en ik sta er voor in dat gij beiden warm toegejuicht zult worden.
Hij dacht eenige oogenblikken na en ging toen voort:
—Maar nu ik er aan denk, maakt gij met u tweeën toch maar één paar roovers. Dat is toch eigenlijk nog niet genoeg. Fracassar heeft een heele rooverbende onder zijne benden, en als ik nog een stuk of zes mannen behalve u krijgen kon, zou het nog veel mooier zijn. Zoudt gij hier in de stad niet een half dozijn heeren kunnen vinden, die op het oogenblik niets anders om handen hebben en met eene flesch vodka en een halven roebel gediend zouden wezen? Na eenen blik met Kirschef gewisseld te hebben, antwoordde Ortik:
—Dat treft bijzonder goed, mijnheer Cascabel. Wij hebben gisteren in de herberg juist kennis gemaakt met een stuk of zes flinke kerels...
—Zooveel moeten wij er net hebben, Ortik. Breng hen van middag hier en dan sta ik er voor in dat alles goed afloopt.
—Dat is dus afgesproken, mijnheer Cascabel.
—Uitstekend. Wat zullen wij een prachtig slot hebben en wat zal het publiek staan kijken.
Maar nadat de twee matrozen heengegaan waren, kreeg Cascabel zulk een vervaarlijke lachbui, dat zijn gordel op zijn buik hing te schudden, zoodat Cornelia bang begon te worden dat hij een toeval zou krijgen.
—Pas op Cesar, zeide zij, het is gevaarlijk zoo te lachen met een volle maag, terwijl ge pas ontbeten hebt.
—Denkt ge soms dat ik pret heb, vrouw? Het heeft er nog al wat van! Ik doe maar alsof ik lach, maar ik meen er niets van. In den grond van mijn hart ben ik erg bedroefd, want het is nu al één uur en onze goede vriend, mijnheer Sergius, is nog niet eens hier. Hij zal dus niet voor het eerst als goochelaar voor het publiek zijne kunsten kunnen vertoonen. Wat is dat jammer!
Cornelia ging weer aan den arbeid om de kostuums klaar te maken en hijzelf wandelde de stad in om eenige noodzakelijke boodschappen te doen, zooals hij zeide.
De voorstelling zou te vier uur beginnen, zoodat er geene verlichting noodig was, want die liet in het circus te Perm veel te wenschen over. Trouwens de blozende Napoleona zag er frisch genoeg uit en ook de welgedane Cornelia was knap genoeg van persoon om zich in het volle daglicht te laten kijken.
Het aanplakbiljet van Cesar Cascabel had heel wat bekijks in de stad gehad, en bovendien liep Kruidnagel sedert een uur overal rond, op de trom roffelende uit al zijne macht. De slaperigste en onverschilligste rus was wakker geworden van dat lawaai.
Het gevolg daarvan was dat er tegen het bepaalde uur een groote toeloop van menschen in den omtrek van het circus was. Men zag er den gouverneur van Perm met vrouw en kinderen, verscheidene ambtenaren en officieren, eenige gezeten burgerlui en een aantal reizende kooplieden die voor hunne zaken de kermis kwamen bezoeken, en eindelijk de gewone menigte nieuwsgierigen die bij zulke gelegenheden, als er wat bijzonders te zien is, er op afkomen.
Voor de deur stond het orkest opgesteld, bestaande uit Sander, Napoleona en Kruidnagel, met den klephoorn, de schuiftrompet en de trom, benevens Cornelia in vleeschkleurig tricot gekleed, met rose rokken, die met hare krachtige handen op de turksche trom beukte. Dat alles maakte een geweld van de andere wereld, waar al de moujiks versteld van stonden.
Cascabel stond er naast en riep met eene stentorstem in het russisch, zoodat ieder hem verstond:
—Komt binnen maar! Komt binnen maar, mijneheeren en dames, iedere plaats kost niet meer dan veertig kopeken op alle rangen. Laat je niet nooden, dames en heeren!
Het liep spoedig vol en zoodra de heeren en dames op de banken van het circus plaats hadden genomen, ging het orkest naar binnen, ten einde met de voorstelling te kunnen beginnen.
Het eerste gedeelte van het programma liep voortreffelijk van stapel. Napoleona danste op het gespannen koord. Sander vertoonde zijne mooiste gymnastische toeren. John Bull, de aap, Jako, de papegaai en de gedresseerde honden traden beurt om beurt op; vader en moeder Cascabel lieten hunne spierkracht en behendigheid bewonderen en allen werden om het zeerst toegejuicht. Ook Jan, die gewoonlijk niet de minste onder al deze kunstenaars van den eersten rang was, vond bijval, niettegenstaande zijne handen wel eens trilden en zijne kunsten als equilibrist misschien niet zoo netjes gedaan werden als anders. Hij dacht aan heel andere dingen, maar het publiek bemerkte daar niet veel van en alleen het oog van een kenner had kunnen zien dat er soms iets aan haperde.
De menschen-pyramide, het slotstuk vóór de groote pauze, werd op algemeen verlangen der toeschouwers nog eens overgedaan.
Wat Cesar Cascabel persoonlijk aangaat, nog nooit was deze buitengewone man zoo goed op zijn dreef geweest als bij deze gelegenheid. Wat hij al voor grappen en aardigheden bedacht en uithaalde, telkens wanneer hij een zijner artisten binnenleidde en aan het publiek voorstelde! Wie geweten had wat er bij hem omging, had zijne zelfbeheersching moeten bewonderen. Aan hem in de eerste plaats was het te danken dat de naam der Cascabels met eer uit deze beproeving te voorschijn trad en dat alle russen, zoolang de herinnering aan deze kermis te Perm bewaard blijft, met bewondering over hen zullen spreken.
Met belangstelling was dus het eerste gedeelte van het programma gezien, maar dit beteekende nog niets vergeleken met de nieuwsgierigheid, waarmede het tweede verwacht werd. Gedurende de pauze spraken de bezoekers over niets anders.
De pauze duurde tien minuten. Ieder ging een luchtje scheppen, maar spoedig stroomde het weder naar binnen zoodat er geene plaats onbezet bleef.
Een uur geleden waren Ortik en Kirschef reeds van hunne boodschap teruggekomen, vergezeld van een half dozijn vrienden. Wij behoeven niet te zeggen dat dit dezelfde kerels waren met wie zij in den bergpas hunne afspraak gemaakt hadden en die hen naar Perm gevolgd waren.
Cascabel nam dezen figurantentroep van het hoofd tot de voeten op.
—Knappe kerels! zeide hij goedkeurend. Mooie koppen en ferme lijven! Zij zien er misschien een beetje te fatsoenlijk uit om struikroovers voortestellen, maar met een groote pruik en een geweldigen baard is er van hen wel wat goeds te maken.
Cascabel zelf behoefde eerst tegen het einde van de pantomime op te treden en had dus tijd om zijne figuranten de noodige aanwijzingen te geven, en hen zoo toe te takelen dat zij behoorlijk als bandieten voor den dag konden komen.
Intusschen had Kruidnagel de gebruikelijke drie slagen op de trom doen hooren.
In eenen goed ingerichten schouwburg ware dit het sein geweest dat het orkest op moest houden met spelen en het gordijn omhoog ging. Hier ging er niets omhoog, om de eenvoudige reden dat er in de manége van een paardenspel geen gordijn te vinden is, ook niet wanneer die voor tooneel dienst doet.
Hier moet nu echter niemand uit afleiden dat er geen decoraties waren, of ten minste niet het een en ander dat daarvoor dienst deed. Links zag men eene kast, waar een kruis op geschilderd was, hetgeen eene kerk, of liever eene kapel moest voorstellen, waarvan de klok achter de schermen geluid werd. De ruimte van de manége, netjes aangeveegd, was zooveel als het kerkplein. Aan de rechterzijde stonden eenige planten en heesters in potten, welke met zooveel overleg daar neergezet waren, dat het heel veel van het Zwarte Woud had.
Onder diepe stilte nam de vertooning eenen aanvang. Napoleona zag er allerliefst uit, al waren hare gestreepte rokjes op de reis ook een weinig verschoten; met een aardig mutsje op hare blonde lokken, maar vooral met haar vriendelijk en onschuldig gezichtje. Sander, de jeugdige minnaar, in een oranjekleurig riddergewaad dat op de naden ook al min of meer verkleurd was, toonde zijne liefde met zulke hartstochtelijke gebaren, dat hij zich met woorden onmogelijk meer verstaanbaar had kunnen uitdrukken. Kruidnagel maakte een allerpotsierlijksten indruk toen hij optrad, met een geweldige peenkleurige pruik boven zijn domme gezicht, met zijne spillebeenen waarmede hij stapte als een ooievaar, met een ontzaglijke bril op zijn neus, terwijl de aap hem in den weg liep en tegen hem grijnsde, en de papegaai hem uitjouwde. Zoo’n potsenmaker zou bij ieder kermispubliek opgeld doen.
Daar verschijnt Cornelia, eene geweldige vrouw, die nog veel geweldiger belooft te zijn als zij eenmaal tot schoonmoeder bevorderd zal wezen. Zij verkiest aan Sander de hand van Napoleona niet te geven, en geen mensch twijfelt er aan of deze middeleeuwsche burchtvrouw is iemand, met wie niet te spotten valt.
Met toejuichingen wordt ook Jan begroet, gekleed als een Italiaansche karabinier. Hij is bleek en melancholiek; hij zou wel zoo lief de rol van Sander in de werkelijkheid spelen; hij zou Kayette naar het bruidsaltaar willen leiden en voor altijd met haar vereenigd zijn. Dat hij hier zijnen tijd verbeuzelen moet met deze pantomime, terwijl zij nog maar zoo kort bij elkaar kunnen zijn!
Maar de dramatische spanning was zóó sterk dat zij den acteur tegen wil en dank medesleepte. In eene rol als deze kan het niet anders of iemand moet talent hebben. Denk eens aan, een broeder die uit den oorlog komt en een karabinierspak draagt, en die de partij van zijne zuster opneemt tegen de tirannie eener hoovaardige moeder en tegen het bespottelijke aanzoek van een zot!
De twist tusschen Jan en Kruidnagel ging dan ook alles behalve goedmoedig toe. Kruidnagel sidderde van angst, zijne tanden klapperden, wild draaiden zijne oogen in hunne kassen, hoe langer hoe spitser werd zijn neus, alsof het de punt van eene dolk was, die door zijn hersenpan heen, midden in zijn gezicht naar buiten stak.
Daar klinken kreten achter de schermen, die al weer iets anders aanduiden. Sander, de minnaar, met ontembaren moed, misschien wel met het plan om zich dood te vechten dewijl het leven hem toch tot een last is, verdwijnt in de diepte van het woud, te midden der potplanten. Er wordt zeker verschrikkelijk gevochten, er valt een schot ...

In een oogwenk werden Ortik en Kirschef met de andere spitsboeven aangepakt. (Zie blz. 207.)
Nog een oogenblik van spanning en Fracassar, het hoofd der bandieten, treedt te voorschijn. Hij ziet er uit om bang van te worden, in een tricot-pak dat bijna wit en met een baard die bijna rood is. Heel een schelmentroep vergezelt hem, met groote drukte. Ortik en Kirschef, door een pruik en een rooverspak onkenbaar, bevinden zich te midden der anderen. Cornelia, belaagd in hare eer, wordt door het rooverhoofd om haar middel gegrepen. Sander snelt toe om haar te verdedigen, maar het leek wel alsof ditmaal de ontknooping, waarmede anders het stuk eindigde, niet zou kunnen plaats hebben, want de toestand was heelemaal anders geworden.
Bij gewone voorstellingen toch, vertegenwoordigde Cesar Cascabel alleen de geheele rooverbende van het Zwarte Woud, zoodat Jan met Sander, hunne moeder, hunne zuster en Kruidnagel met hun allen mans genoeg waren om den bandiet zoo lang als noodig was in bedwang te houden totdat de gendarmes, wier nadering achter het tooneel aangekondigd werd, konden aanrukken. Thans echter stond daar Fracassar aan het hoofd van acht heuselijke struikroovers, kerels van vleesch en bloed, die zich niet als lammeren zouden laten wegvoeren. Hoe moest dit afloopen zonder dat het voor de toeschouwers al te onwaarschijnlijk werd?
Maar zie! daar verschijnt plotseling een detachement kozakken in de manége. Op zoo iets was geen mensch voorbereid.
Cascabel had niets achterwege gelaten om aan deze voorstelling een buitengewonen luister bij te zetten. Zijn figurantentroep was kompleet en schitterend. Dat er geen gendarmes maar kozakken waren, deed er niets toe. In een oogwenk werden Ortik en Kirschef met de andere zes spitsboeven aangepakt, op den grond geworpen en gekneveld, hetgeen zooveel te gemakkelijker ging dewijl zij niet beter wisten of het kwam zoo in hunne rol te pas, zoodat zij zich in het geheel niet verweerden.
Te midden dezer vertooning, wordt er op eens iets anders geroepen.
—Ik niet, mijn brave kozakken! Met die anderen moogt ge doen wat ge wilt. Ik doe maar voor de grap meê.
Wie is het die dit zegt? Niemand anders dan Fracassar, of liever Cesar Cascabel. Ongedeerd, als een vrij man, heeft hij zich opgericht, terwijl de figuranten, terdege gekneveld, door de kozakken worden vastgehouden.
Dat was dus het groote plan, door Cascabel bedacht! Eerst had hij Ortik en de andere schavuiten gevraagd om voor bandieten te spelen, en vervolgens had hij de politie te Perm gewaarschuwd dat zij in de gelegenheid was een mooien slag te slaan. Dientengevolge was het peloton kozakken juist ter rechter tijd, bij de ontknooping van het stuk, opgedaagd.
De list was gelukt, meesterlijk gelukt. Ortik en zijne maats waren door de politiemannen “geknipt”.
Intusschen was Ortik een weinig van den eersten schrik bekomen. Hij wees met den vinger op Cascabel en zeide tegen den aanvoerder der kozakken:
—Dien man moet gij ook gevangen nemen. Hij heeft een staatkundigen veroordeelde in Rusland teruggebracht. Vervloekte koorddanser, nu gij mij verklapt hebt, verklap ik u op mijne beurt!
—Klap maar toe, goede vriend, antwoordde Cascabel op goedmoedigen toon.
—En die staatkundige veroordeelde, dien hij hierheen gebracht heeft, is graaf Narkine, indertijd uit de vesting Jakoetsk ontvlucht.
—Dat spreek ik volstrekt niet tegen, Ortik.
Cornelia en hare kinderen, evenals Kayette die aan was komen snellen, stonden verstomd van verbazing.
Op de banken der toeschouwers was iemand opgestaan. Dit was graaf Narkine in eigen persoon.
—Daar is hij! riep Ortik.
—Ja, ik ben graaf Narkine, bevestigde Sergius bedaard.
—Maar graaf Narkine, die amnestie gekregen heeft en wien niemand iets maken kan, riep Cascabel, terwijl hij in eenen schaterlach uitbarstte.
Welk eene uitwerking dit alles op de toeschouwers teweegbracht, is niet gemakkelijk te beschrijven. De slimsten onder het publiek waren niet in staat wijs te worden uit deze verwarring van werkelijke met verzonnen gebeurtenissen. Niet weinigen bleven het er voor houden dat het zóó in het drama De Roovers van het Zwarte Woud te pas kwam en dat het zoo en niet anders af moest loopen.
Voor onze lezers zal eene korte opheldering voldoende wezen.

Daar is hij! riep Ortik. (Zie blz. 208.)
Sedert het oogenblik waarop graaf Narkine op de grens van Alaska door de familie Cascabel opgenomen was, waren er dertien maanden verloopen, waarin hij volstrekt geen bericht uit Rusland gekregen had. Zoo min bij de Youkon-Indianen als bij de inboorlingen van den Liakhoff-archipel worden er dagbladen uitgegeven of telegrammen overgebracht. Hij had er dus niets van vernomen dat er, nu zes maanden geleden, door Czaar Alexander II eene ukaze was uitgevaardigd, waarin aan alle staatkundige veroordeelden, die in dezelfde omstandigheden verkeerden als graaf Narkine, amnestie verleend werd. Zijn vader, de prins, had naar Amerika geschreven om zijnen zoon te doen weten dat hij terug kon komen en hij hem met ongeduld verwachtte; maar de graaf was toen reeds op reis en de brief was, als onbestelbaar, op het kasteel Walska terug bezorgd. Ieder kan begrijpen hoe ongerust prins Narkine zich begon te maken toen de eene maand na de andere voorbij ging zonder dat hij iets van zijnen zoon vernam. Hij dacht niet anders of hij was in ballingschap gestorven. De gezondheid van den grijsaard was niet tegen dit verdriet bestand, en hij was zeer lijdende toen Sergius eindelijk op het kasteel terugkwam. Zooveel te grooter was nu de vreugde van prins Narkine, die niet had durven hopen dat hij hem ooit terug zou zien. Nu was zijn zoon bovendien vrij; nu had hij van de russische politie niet het minste meer te vreezen. Sergius kon dan ook niet besluiten zijnen vader, in den toestand waarin deze verkeerde, weder te verlaten; hij wilde hem ook niet, weinige uren nadat hij hem teruggezien had, eene poos alleen laten; daarom had hij Cascabel dien brief geschreven, waarin hij dezen van alles op de hoogte bracht. Hij gaf hem bovendien kennis dat hij hem in het circus te Perm, tegen het einde der voorstelling, zou komen opzoeken.
Na dit bericht ontvangen te hebben, was Cesar op den slimmen inval gekomen dien wij reeds kennen, en had hij zijne maatregelen genomen om Ortik en Kirschef, en met hen hunne heele bende, in handen van de politie over te leveren.
Toen het publiek te weten kwam hoe de vork in den steel zat, was de verrukking onbeschrijfelijk. Van alle kanten klonken daverende hoera’s, terwijl de kozakken de booswichten medevoerden, die zoo langen tijd in werkelijkheid de rol van struikroovers gespeeld hadden en daar nu ten laatste hunne gerechte straf voor zouden bekomen.
Ook Sergius werd van alles op de hoogte gebracht; op welke manier Kayette achter het tegen hem gesmede komplot gekomen was; hoe zij haar leven gewaagd had door des nachts van den 6den Juli de twee russische matrozen in het woud na te sluipen; hoe zij alles aan Cascabel verteld had; hoe deze er niemand iets van had willen zeggen, aan graaf Narkine niet, aan zijne vrouw niet....
—Schaamt gij u niet Cesar, dat gij iets voor mij geheim gehouden hebt? vroeg moeder Cascabel op verwijtenden toon.
—Het was mijn eerste geheim Cornelia, en het zal het laatste wezen!
Cornelia was al niet boos meer. Zij kon zich echter niet inhouden, maar riep buiten zichzelve van opgewondenheid:
—Mijnheer Sergius, ik moet u aan mijn hart drukken! Maar terstond daarna liet zij er verlegen op volgen:
—Neem mij niet kwalijk, mijnheer de graaf, wil ik zeggen....
—Neen mijne vrienden, voor u allen ben en blijf ik Sergius. En ook voor u mijne dochter, voegde hij er bij, terwijl hij Kayette in zijne armen sloot.