← Table of contents
Cesar Cascabel, Deel 2

XI. Het Oeral-gebergte

Reading edition

Het Oeral-gebergte is voor reizigers op zijn minst even belangwekkend als de Pyreneën of de Alpen. Het woord Oeral beteekent in het tartaarsch “gordel” en inderdaad is het een gordel die zich uitstrekt van de Kaspische tot de Noordelijke IJszee, over eene lengte van tweeduizend negenhonderd mijlen, een gordel met edelgesteenten ingelegd en met kostbare metalen, zooals goud, zilver en platina opgesierd. Deze gordel maakt de scheiding uit tusschen de twee werelddeelen Azië en Europa. Het is een uitgestrekt bergland, waarvan de wateren, welke bij het smelten der sneeuw op de hooge toppen ontstaan, in de rivieren de Oeral, de Kara, de Petchora, de Kama en nog een aantal kleinere stroomen wegvloeien. Het is een geweldige muur van graniet en basalt, die zijne punten en naalden opheft tot eene hoogte van tweeduizend driehonderd meters boven den zeespiegel.

—Dat zijn nu de echte “russische bergen”, merkte Cascabel gekscherende op. Maar men glijdt er niet van zelf af, even als van de montagnes russes, die ze op de kermissen en elders vertoonen.

Neen waarlijk niet, ze zouden er niet van zelf afglijden!

Een eerste bezwaar bij het trekken door het gebergte, was dat zij de stadjes en dorpjes, zavodijs genaamd, niet zouden kunnen mijden, die er in grooten getale tusschen verspreid liggen en welke er ontstaan zijn door de vestiging, in vroeger jaren, van mijnwerkers die bij het ontginnen der mijnen gebruikt werden. Cascabel koesterde echter nu niet zooveel vrees meer voor eene ontmoeting met politie- of militaire posten, want zijne papieren waren in orde. Daarom zou er dan ook geen bezwaar bestaan hebben om het Oeral-gebergte meer op het midden over te trekken, waar zij den fraaien straatweg van Jekaterinburg hadden kunnen volgen, welke een der drukst bezochte bergpaden is, en die hen in het gouvernement Jekaterinburg zou hebben doen aankomen. Maar Ortik had hen meer naar het Noorden geleid en nu konden zij niet beter doen dan den Petchora-pas volgen en van daar naar Perm zuidwaarts trekken.

Hier zouden zij den volgenden dag eenen aanvang mede maken.

Bij het aanbreken van den ochtend konden zij eerst terdege zien welk een ontzaglijk aantal wolven er geweest waren. Waren die in de Schoone Zwerfster binnengedrongen, geen twijfel of allen die zich daar bevonden zouden door de vraatlustige dieren zijn omgebracht.

Een vijftigtal wolven lagen ontzield op den grond. Ze behoorden tot de grootste soort, de gevaarlijkste vijanden der reizigers in de steppe. De anderen waren spoorloos verdwenen en hadden het op een loopen gezet alsof ze met een vlammend zwaard waren weggejaagd—eene vergelijking welke op dit geval volkomen van toepassing was. De twee in brand gestoken wolven werden op een honderdtal schreden buiten de open plek in het bosch gevonden.

Nu was er echter eene andere moeielijkheid. Hier aan den ingang van den Petchora-pas, was de Schoone Zwerfster op grooten afstand van eenig bewoond oord, want op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte worden geen dorpen aangetroffen.

—Wat moeten wij aanvangen, zeide Jan, nu onze trekdieren op den loop gegaan zijn?

—Waren zij alleen maar op den loop, antwoordde Cascabel, dan zouden wij ze misschien kunnen terugvinden. Maar naar alle waarschijnlijkheid zijn onze rendieren door de wolven verslonden.

—Arme beesten, zeide Napoleona, ik hield al evenveel van ze als van Vermout en Gladiator.

—Die zouden stellig ook door de wolven opgevreten zijn, als ze daarginder niet verdronken waren, voegde Sander er bij.

—Helaas ja, dat zou zeker gebeurd zijn, stemde Cascabel met een diepen zucht toe. Maar hoe komen wij nu aan een ander middel van vervoer?

—Ik zal mij naar het naastbij gelegen dorp begeven waar ik mij tot elken prijs paarden zal verschaffen, zeide Sergius. Als Ortik mede wil gaan om mij den weg te wijzen.....

Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz. 154.)
Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz. 154.)

Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz. 154.)

—Ik ben tot uwen dienst zoodra gij op weg wilt gaan, antwoordde Ortik.

—Ik geloof ook dat dit het beste is wat wij doen kunnen, hernam Cascabel.

Dat zou dan ook dienzelfden dag gebeurd zijn, maar tot aller verbazing zagen zij tegen een uur of acht twee van de rendieren uit het bosch weder te voorschijn komen.

Sander kreeg ze het eerst in het oog.

—Vader! vader! riep hij. Daar zijn ze! Ze komen terug!

—Levend en wel?

—Die twee zien er ten minste niet uit alsof ze opgegeten zijn, want ze loopen hierheen.

—Ten minste, merkte Kruidnagel op, als ze niet straks weer neervallen.

—O die lieve beesten, riep Napoleona, ik ga ze dadelijk goeden morgen zeggen.

De kleine meid sloeg hare armen om den hals van een der dieren en gaf het een zoen.

Twee rendieren zouden echter niet bij machte geweest zijn de Schoone Zwerfster tegen den berg op te trekken. Gelukkig kwamen er langzamerhand nog andere opdagen en binnen een uur waren er, van de twintig welke zij van de Liakhoff-eilanden medegenomen hadden, weer veertien bijeen.

—Hoera voor de rendieren! schreeuwde Sander opgewonden, maar de goede beesten trokken zich van zijne verrukking niet veel aan.

Er waren dus maar zes van de kudde verloren gegaan, die door de wolven overvallen waren voordat ze tijd gehad hadden zich los te rukken. De veertien anderen hadden het dadelijk op een loopen gezet, de wolven hadden ze niet kunnen inhalen en toen het gevaar voorbij was, waren de vluchtelingen bij instinct naar hun nachtkwartier teruggekeerd.

Men kan zich licht voorstellen welk eene blijdschap dit teweegbracht. Veertien rendieren waren genoeg om den tocht door den bergpas voort te zetten. Voor zoover hunne krachten te kort schoten op de steile hellingen, konden de mannen den wagen helpen voortduwen en de kans op een triomfantelijken intocht te Perm was dus nog niet geheel verkeken.

Het eenige wat Cascabel speet, was dat de Schoone Zwerfster er niet meer zoo schitterend als vroeger uitzag. De wanden en paneelen van den wagen waren door de tanden en de klauwen der wolven vol krassen en scheuren gekomen, en reeds vóór dien tijd had hij door weer en wind, en ten gevolge van allerlei ongevallen op de lange en avontuurlijke reis, zijnen glans bijna geheel verloren. Het mooie naambord der Cascabels was onder de sneeuwstormen zoo goed als onleesbaar geworden. Er zou heel wat geschilderd en gevernist moeten worden om de Schoone Zwerfster haren naam weer waardig te maken en al het boenen en schrobben van Cornelia en Kruidnagel was niet in staat dit te verhelpen.

Te tien uur werden de rendieren voorgespannen en hervatten zij hunnen tocht. Het ging dadelijk vrij steil bergopwaarts en de mannen wandelden dus naast den wagen.

Het was mooi weder en hier in het bergland was ook de warmte niet hinderlijk. Telkens moest echter de wagen met kracht van schouders en armen voortgeholpen, of moesten de wielen, als die tot aan hunne assen in eene scheur gezakt waren, opgebeurd worden. Bij iederen scherpen hoek dien de weg maakte, moesten zij bij de hand zijn om te voorkomen dat de Schoone Zwerfster aan den voor- of achterkant met de rotsen aan weerszijden in aanraking kwam.

De passen door het Oeral-gebergte zijn niet door menschenhand gemaakt, maar gebaand door de natuur zelve, ten einde aan het water, dat met vele bochten van de hoogte komt stroomen, eenen uitweg te verschaffen. Een riviertje, dat zich later in de Sosva stort, stroomt langs den pas, en laat op sommige plaatsen slechts een smal pad vrij, dat zigzagsgewijs naar boven gaat. Loodrecht rijst op die plekken de bergwand omhoog, die bekleed is met een gordijn van mos- en klimplanten, tusschen welke het grauwe gesteente zich echter duidelijk zien laat. Waar de wanden minder steil zijn, komen kleine vlakten voor, begroeid met pijn- en denneboomen, met berken en lorken, en met andere gewassen die in de noordelijke streken inheemsch zijn. In de verte, half verscholen te midden der wolken, vertoonen zich de besneeuwde bergtoppen, van waar het water afvloeit dat de beken en riviertjes doet ontstaan.

Op dezen eersten dag kwam de karavaan geen mensch tegen. De bergpas werd blijkbaar weinig bereisd, maar Ortik en Kirschef schenen er vrij goed bekend te wezen. Een paar keeren, op plaatsen waar verscheidene kloven samenliepen en de weg zich dus in verschillende richtingen splitste, schenen zij te aarzelen. Zij lieten den wagen dan een oogenblik stil houden en overlegden samen op fluisterenden toon, hetgeen niemands achterdocht kon wekken want er bestond niet de geringste reden om hen niet te vertrouwen.

Kayette alleen kon niet nalaten het oog op hen te houden, waar de twee russen echter niets van merkten. Zij bespeurde wel dat beiden nu en dan ter sluiks met elkander praatten of elkaar geheimzinnige blikken toewierpen. Dit alles versterkte haar in het wantrouwen dat zij onwillekeurig koesterde, maar de booswichten vermoedden dit volstrekt niet.

Tegen den avond was er aan den oever van het riviertje halt gemaakt en nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, belastten Cascabel, Kruidnagel en Kirschef zich met de taak om gedurende den nacht de wacht te houden. Dit was noodzakelijk, maar het kostte hun toch moeite, na zulk een vermoeienden dag en na den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht hadden, opnieuw wakker te blijven.

Den volgenden ochtend werd de tocht voortgezet door den steeds steiler en nauwer wordenden bergpas. Het was dezelfde vermoeiende arbeid als den vorigen dag, en zij vorderden op dezen dagmarsch niet meer dan twee of drie mijlen. Dit viel hun echter niet bijzonder tegen, want zij hadden op eenig oponthoud gedurende hunnen tocht door het gebergte gerekend.

Verscheidene malen kwam het voor dat Sergius en Jan gelegenheid hadden een prachtig stuk wild, in de valleien en kloven welke in den pas uitkwamen, onder schot te krijgen. Dikwijls zagen zij de elanden, de herten en de hazen bij troepen voorbijrennen en Cornelia zou met een stuk versch gebraad niet weinig in haar schik geweest zijn; maar helaas, al het kruit en lood was op de wolven verschoten en vóor dat zij aan eene bewoonde plaats kwamen, was er geene gelegenheid om den voorraad aan te vullen. Er kon dus geen schot gedaan worden en het was grappig om te zien hoe verbaasd Wagram telkens zijnen baas aankeek, als wilde hij vragen:

—Hoe is het, wordt er in het geheel niet meer gejaagd?

Bij eene andere gelegenheid zouden zij hunne wapens nog beter hebben kunnen gebruiken.

Dat was tegen drie uur des middags, terwijl de Schoone Zwerfster tegen de steenachtige helling langzaam vooruitkwam. Aan den anderen kant van het riviertje liet zich op eens een groote beer zien, die door de honden met een woedend geblaf begroet werd. Het beest stond op zijne achterpooten overeind en schudde met zijn grooten kop, als dacht hij er over na wat dat voor eene vreemde vertooning was die hem in zijne eenzaamheid kwam storen.

Had hij kwade bedoelingen? Was het alleen uit nieuwsgierigheid, of kwam er schrokkigheid bij, dat hij de karavaan zoo nauwkeurig stond optenemen?

Jan had de honden tot zwijgen gebracht en hield ze vast, want het was geen zaak zulk een geduchten vijand, ongewapend als zij waren, noodeloos in het harnas te jagen. Het riviertje had hij gemakkelijk kunnen overkomen, en het was veiliger hem geen aanleiding te geven om de plek te verlaten waar hij zich bevond.

De twee partijen keken elkaar dus rustig aan doch lieten elkander ongemoeid, even als twee reizigers wier pad zich kruist. Echter kon Cascabel niet nalaten te zeggen:

—Hoe jammer dat wij dezen bruinen vriend uit het Oeral-gebergte niet mêe kunnen nemen! Wat zou hij een prachtig figuur bij den troep maken!

Er was echter geen gelegenheid om den beer een engagement in den troep aantebieden. Het beest gaf trouwens blijkbaar aan zijn zwervend bestaan in de bosschen de voorkeur boven het reizen op kermissen. Hij schudde nog een paar keer zijn grooten kop en verdween toen op een drafje tusschen de boomen.

Sander kon hem zóó niet laten gaan en nam onderdanig zijn hoed voor hem af, maar Jan zou hem vrij wat liever een geweerkogel achterna gestuurd hebben.

Tegen zes uur ’s avonds werd er ongeveer onder dezelfde omstandigheden als den vorigen avond halt gehouden. Den volgenden ochtend werd de bezwaarlijke tocht te vijf uur hervat. Het ging op dezelfde manier voort: veel vermoeienis maar geen ongelukken.

Zij hadden nu echter het ergste achter den rug, want zij waren met de Schoone Zwerfster op het hoogste punt gekomen, daar waar de pas den bergketen snijdt. Van hier af ging het bijna voortdurend naar beneden, altijd in westelijke richting, tot dat zij aan den kant van Europa in de vlakte zouden aanlanden.

Dit was op den avond van den 6den Juli. De trekbeesten waren dood-af en konden niet verder. Er werd halt gehouden aan den ingang eener bochtige kloof, die ter rechterzijde door een dicht woud begrensd werd.

Het was den geheelen dag drukkend warm geweest. In het Oosten hing eene dikke wolkenmassa, aan den benedenkant als met een mes afgesneden, wier donkere tint scherp afstak tegen eene lichtgrijze streep aan den gezichteinder.

—Het ziet er uit alsof wij onweder zullen krijgen, merkte Jan op.

—Dat is onpleizierig genoeg, antwoordde Ortik, want hier in het Oeral-gebergte valt er met de onweders niet te spotten.

—Welnu, dan moeten wij ergens zien te schuilen, zeide Cascabel. Ik ben minder bang voor een onweder dan voor wolven.

—Kayette, vroeg Napoleona aan het Indiaansche meisje, zijt ge bang voor den donder?

De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz. 159.)
De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz. 159.)

De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz. 159.)

—Wel neen, meidlief, antwoordde Kayette.

—Daar heeft Kayette groot gelijk in, zeide Jan. Het is dwaas, daar bang voor te zijn.

—Je hebt goed praten, hernam Napoleona terwijl zij hare schouders ophaalde. Wat zal men er aan doen als men bang is?

—Kijk zoo’n bange meid eens! riep Sander. Maar uilskuiken, er is niets geen verschil tusschen het rollen van den donder en dat van de ballen bij het kegelen.

—Jawel, maar het lijken wel ballen van vuur, die u naar het hoofd geslingerd worden, zeide het kind en kneep hare oogen toe voor een fellen bliksemstraal.

Zoo haastig mogelijk werd alles voor den nacht in gereedheid gebracht, zoodat zij vóór dat het begon te stortregenen allen onder dak waren. Toen de avondmaaltijd afgeloopen was, werd er afgesproken dat de mannen, evenals in de voorafgaande nachten, om beurten de wacht zouden houden.

Sergius wilde de eerste wacht doen, maar Ortik kwam hem voor door te vragen:

—Vindt gij het goed dat wij samen, Kirschef en ik, dezen nacht beginnen?

—Zooals gij wilt, antwoordde Sergius. Te middernacht zullen Jan en ik u komen aflossen.

—Dat is dus afgesproken, mijnheer Sergius, zeide Ortik.

Hier scheen niets achter te kunnen steken, maar toch vertrouwde Kayette de zaak niet. Zonder zich van haar vermoeden rekenschap te kunnen geven, was het haar alsof de twee matrozen iets kwaads in den zin hadden.

Het onweder was nu in volle hevigheid losgebarsten. Tusschen het bladerendak der boomen lichtte ieder oogenblik de bliksem; hoog boven hunne hoofden ratelde de donder, die door de bergwanden in alle richtingen honderdvoudig herhaald werd.

Napoleona was reeds in haar bed gekropen en stopte hare oogen en ooren onder de lakens. Ieder volgde spoedig haar voorbeeld en tegen negen uur verkeerde alles in de Schoone Zwerfster in diepe rust, ondanks het geraas der donderslagen en het gehuil van den storm.

Kayette kon echter den slaap niet vatten. Zij had zich niet uitgekleed en ofschoon zij zeer moede was, bleef zij wakker liggen. De gedachte dat hun aller veiligheid was toevertrouwd aan die twee russen, liet haar geen oogenblik met rust. Na zich een uur lang slapeloos op haar bed te hebben rondgewenteld, besloot zij zich te overtuigen wat die twee uitvoerden. Zij lichtte het gordijntje van het raampje boven hare slaapplaats op en keek bij het licht der bliksemstralen naar buiten.

Zij zag dat Ortik en Kirschef samen stonden te praten. Op eens hielden zij echter stil en deden een pas of wat in de richting van de kloof, waar op dit oogenblik een man zich tusschen de boomen vertoonde.

Ortik gaf door een teeken den onbekende te verstaan dat hij niet dichter bij moest komen om de honden niet wakker te maken. Dat Wagram en Marengo niet reeds aangeslagen hadden, kwam door dat zij binnen de Schoone Zwerfster voor het noodweder waren komen schuilen.

Ortik en Kirschef gingen den vreemdeling tegemoet en wisselden eenige woorden met hem. Toen zag Kayette dat zij met hun drieën onder de boomen verder gingen.

Wat kon dat voor een kerel zijn? Wat hadden de twee matrozen met hem te bepraten? Tot elken prijs wilde Kayette daar achter komen.

Het meisje liet zich uit hare slaapplaats glijden, zachtkens, zoodat niemand er wakker van werd. Op het oogenblik toen zij voorbij Jan kwam, hoorde zij hem haren naam noemen.

Zou hij haar gezien hebben?

Neen, hij droomde.... hij droomde van Kayette!

Zij sloop naar de deur, opende die en sloot haar zachtkens achter zich toe, steeds zorg dragende dat zij geen leven maakte.

Eenmaal buiten zijnde scheen zij te aarzelen, maar het duurde slechts een oogenblik.

—Komaan! zeide zij halfluid.

Hare vrees had niet langer dan eene sekonde geduurd. Zij wist dat zij haar leven op het spel zette, dat de twee booswichten haar niet zouden sparen indien zij bespeurden dat zij bespied werden. Maar zij was moedig en vastberaden.

Kayette sloop voort tusschen de boomen, waaronder het donker was zoo lang een bliksemstraal niet alles met een rossen gloed overgoot. Zij liep gebukt voort onder het kreupelhout en tusschen het hooge gras, totdat zij achter den stam van een zwaren lorkeboom bleef staan. Een twintigtal schreden van zich af hoorde zij eenige mannen praten.

Zij waren met hun zevenen. Ortik en Kirschef voegden zich juist bij hen. Zij stonden in een troepje bij elkaar onder de boomen.

Het gesprek werd in het russisch gevoerd. Kayette had dus geen moeite om alles wat zij zeiden te verstaan.

Zij waren met hun zevenen. (Zie blz 162.)
Zij waren met hun zevenen. (Zie blz 162.)

Zij waren met hun zevenen. (Zie blz 162.)

—Het doet mij pleizier, begon Ortik, dat ik den Petchora-pas de voorkeur gegeven heb. Ik dacht wel dat ik hier kennissen vinden zou. Niet waar Rostof?

Rostof was de kerel, dien Kayette het eerst in de nabijheid van den wagen gezien had.

—Sedert twee dagen volgen wij den wagen, antwoordde Rostof, maar wij passen op dat niemand ons in het oog krijgt. Wij hebben u en Kirschef terstond herkend en dachten dus wel dat er een goede slag te slaan zou zijn.

—Eén zeker, zeide Ortik, en misschien wel twee.

—Maar waar komt gij van daan? vroeg Rostof.

—Uit het hartje van Amerika, waar wij een heelen tijd bij de bende van Karnof geweest zijn.

—Wat zijn dat voor lieden daar gij nu bij zijt?

—Dat zijn fransche kunstenmakers, eene zekere familie Cascabel die op reis is naar Europa. Wij zullen u later wel alles vertellen wat wij ondervonden hebben. Thans is er geen tijd om veel te praten.

—Is er geld in den wagen? vroeg een van de andere roovers.

—Nog twee- of drieduizend roebels ongeveer.

—Waarom hebt gij nog geen hartelijk afscheid van die brave menschen genomen? vroeg Rostof op spottenden toon.

—Daar hadden wij goede redenen voor, want er valt nog vrij wat meer te verdienen dan dit armzalige sommetje. Maar om dàt te kunnen doen, hebben wij hulp noodig.

—Wat is dat voor een buitenkansje?

—Dat zal ik u zeggen, vrienden, hernam Ortik. Dat Kirschef en ik zonder bezwaar door Siberië heengetrokken en hier op de russische grens gekomen zijn, hebben wij aan die Cascabels te danken. Maar er is nog iemand in het gezelschap die hetzelfde gedaan heeft, wel wetende dat geen sterveling hem onder eenen troep koorddansers zou zoeken. Dat is een rus, wien het evenmin als ons vergund is in zijn land terug te komen, maar om andere redenen, want het is een staatkundige veroordeelde van voorname familie, een schatrijk heer. Cascabel en zijne vrouw zijn de eenigen die weten wie hij is, maar wij tweeën zijn er ook achter gekomen.

—Hoe hebt gij dat ontdekt?

—Op eenen avond te Mouji, waar wij een gesprek tusschen Cascabel en den rus hebben afgeluisterd.

—Wie is het dan eigenlijk?

—Mijnheer Sergius wordt hij door ieder genoemd, maar hij heet graaf Narkine. Wordt hij op russisch grondgebied ontdekt, dan kan het hem zijn leven kosten.

—Wacht even, zeide Rostof. Die graaf Narkine, kan dat niet een zoon zijn van Prins Narkine, die een jaar of wat geleden naar Siberië verbannen en van daar ontvlucht is? Dat geval heeft destijds een heele opschudding gemaakt.

—Diezelfde is het, bevestigde Ortik. Welnu, die graaf Narkine heeft, behalve zijn leven, heel wat millioenen voor het verliezen en hij zal er ons wel één van willen afstaan als dat het eenige middel is om niet aan de politie verklapt te worden.

—Dat is niet kwaad bedacht, Ortik. Maar waartoe hebt gij onze hulp noodig om dat plan ten uitvoer te brengen?

—Omdat het noodzakelijk is, dat Kirschef en ik ons niet in die geschiedenis van Sergius mengen, wanneer wij, indien dit plan mislukken mocht, nog eenige kans willen overhouden om den anderen slag te slaan. Teneinde ons van het geld en van den reiswagen der Cascabel’s, met alles wat daar in is, te kunnen meester maken, moeten zij niet beter weten of wij zijn twee russische schipbreukelingen, die aan hen hunne redding te danken hebben. Wij willen dus den heelen troep naar de andere wereld helpen. Daarna kunnen wij veilig overal heentrekken waar wij willen, zonder dat de politie vermoeden kan dat wij iets anders zijn dan reizende kunstenmakers.

—Vindt gij het goed, Ortik, dat wij nog dezen nacht den wagen overvallen en ons van graaf Narkine meester maken om hem te doen weten op welke voorwaarden wij hem hier in Rusland met rust willen laten?

—Geduld wat! antwoordde Ortik, Graaf Narkine is van plan naar Perm te gaan om zijn ouden vader op te zoeken. Laat hem dus eerst dáár wezen, en eenmaal te Perm zullen wij hem eene boodschap doen toekomen, een klein briefje, waarin hij wegens dringende redenen verzocht wordt ons een onderhoud toe te staan. Op die manier zult ge daar het voorrecht hebben van kennis met hem te maken.

—Dus valt er op het oogenblik niets te doen?

—Volstrekt niets, zeide Ortik. Zorgt gij maar dat ge een weinig vóór ons te Perm komt, zóó dat ge ons daar af kunt wachten.

—Dat blijft afgesproken, antwoordde Rostof.

De booswichten gingen hierna uiteen zonder dat iemand van hen vermoedde dat hun gesprek was afgeluisterd.

Eenige oogenblikken nadat Kayette weder in den wagen was gegaan, kwamen ook Ortik en Kirschef daar terug. Zij hadden er niets van bemerkt dat iemand hen bespied had.

Kayette kende dus nu het plan der onverlaten, en tegelijk was zij te weten gekomen dat Sergius, haar beschermer, graaf Narkine heette en dat zijn leven, evenals dat van al zijne reisgenooten, van de twee booswichten afhing. Stond hij niet een deel van zijn vermogen aan de roovers af, dan zouden zij hem verraden.

Geheel van haar stuk gebracht door alles wat zij vernomen had, moest Kayette eenigen tijd nadenken vóór dat zij tot een vast plan komen kon. Zij was besloten Ortik’s voornemen te verijdelen, maar moest een middel bedenken om daarin te slagen. Zij bracht een slapeloozen nacht door met het beramen van allerlei plannen en twijfelde dikwijls nog of alles wat haar door het hoofd ging werkelijkheid en niet maar een benauwde droom was.

Het was echter maar al te waar en zij behoefde daar niet langer aan te twijfelen, toen zij den volgenden ochtend, nadat het ontbijt afgeloopen was, Ortik tegen Cascabel hoorde zeggen:

—Gij weet dat Kirschef en ik voornemens zijn geweest, zoodra wij het Oeral-gebergte overgetrokken waren, onzen eigen weg te gaan en ons rechtstreeks naar Riga te begeven. Maar bij nader inzien lijkt het ons beter dat wij ook naar Perm gaan en den gouverneur daar verzoeken ons de middelen te verschaffen om naar onze woonplaats terug te keeren. Hebt gij er niet tegen dat wij de reis met u voortzetten?

—Met alle genoegen, mijne vrienden, was Cascabel’s antwoord. Als men zoo’n eind samen gereisd heeft, moet men niet vóór dat het noodig is uit elkander gaan, want het oogenblik van scheiden komt altijd nog te vroeg.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings