← Table of contents
Cesar Cascabel, Deel 2

XIII. Een lange dag.

Reading edition

Het gouvernement Perm strekt zich uit aan beide kanten van het Oeral-gebergte: het staat met eenen voet als het ware in Azië en met den anderen in Europa. Het wordt begrensd door het gouvernement Vologdia in het Noord-Westen, door het gouvernement Tobolsk in het Oosten, door het gouvernement Viatka in het Westen en door het gouvernement Orenburg in het Zuiden. Tengevolge dezer ligging vertoont de bevolking een zonderling mengsel van aziatische en europeesche volkenrassen.

Perm, de hoofdstad, met eene bevolking van zes duizend inwoners, ligt aan de Kama en is eene belangrijke handelsplaats, in metalen vooral. Tot korten tijd vóór het begin der 18e eeuw was het een onbeduidend gehucht, maar in 1723 werd er eene kopermijn in de nabijheid ontdekt, die eene bron van welvaart werd, en in 1781 werd het dorp tot eene stad verheven.

Intusschen verdient de plaats nog nauwelijks dien naam. Men vindt er geen gebouwen van eenige beteekenis, de straten zijn meerendeels nauw en smerig; de huizen zijn over het algemeen ongeriefelijk en wat de logementen aangaat, heeft nog nooit een reiziger in dat opzicht den lof van Perm gezongen.

Hoe de stad er uitzag, was echter de familie Cascabel tamelijk onverschillig. Zij had immers haar huis op wielen, dat haar beter aanstond dan het prachtigste logement en dat zij niet had willen verruilen voor het hotel St. Nikolas te New York of voor het Hotel Continental te Parijs.

—Denk eens aan, blufte Cesar Cascabel. Onze Schoone Zwerfster is heelemaal van Sacramento naar Perm gekomen. Dat is geen kleinigheid, zou ik denken? Welk hotel in Parijs, in Londen, in Weenen of in New York is ooit daartoe in staat geweest?

Dat was een argument, waar geen mensch ter wereld iets tegen had kunnen inbrengen.

Dien dag was de stad Perm dus een “huis” rijker geworden, dat eene plaats op de groote markt had ingenomen, met toestemming van den burgerlijken gouverneur, wiens waardigheid overeenkomt met die van hoofd eener provincie of van een departement in andere landen. Deze hooggeplaatste beambte had de papieren van de familie Cascabel nagezien, en er niets verdachts aan opgemerkt.

De Schoone Zwerfster had terstond bij hare aankomst niet weinig de nieuwsgierigheid gaande gemaakt. Een reiswagen, bespannen met eene kudde rendieren, komende uit het hart van Amerika en met eenen troep fransche kunstenmakers er in, zoo iets had nog nooit iemand beleefd. De slimme directeur begreep terstond dat hij van deze omstandigheden een voordeelig gebruik moest maken.

De kermis te Perm was juist in vollen gang en zou nog verscheidene dagen duren. Zonder eenigen twijfel viel er dus geld te verdienen. Maar dat was ook noodzakelijk, want hier te Perm en later te Nisjni moesten zij het vereischte geld zien bijeen te krijgen om de reis naar Frankrijk voort te zetten. Daar eenmaal aangekomen, zouden zij hun verdere lot maar weder aan Gods goedheid toevertrouwen, die hen trouwens nog nooit bedrogen had doen uitkomen.

Den volgenden dag, bij het krieken van den ochtend, toog ieder dus aan het werk. Jan, Sander, Kruidnagel en de twee matrozen hielden zich ijverig bezig met de toebereidselen voor de groote voorstelling. Sergius was nog niet terug, niettegenstaande hij beloofd had spoedig te komen, hetgeen Ortik alles behalve aanstond en waarover ook Cascabel zich eenigszins ongerust begon te maken.

Zoodra zij aangekomen waren was de voorstelling aangekondigd door middel van een aanplakbiljet, dat Sergius opgesteld had en waarop met groote, sierlijke letters het volgende te lezen stond:

Aanplakbiljet van de familie Cascabel. (Zie blz. 195.)
Aanplakbiljet van de familie Cascabel. (Zie blz. 195.)

Aanplakbiljet van de familie Cascabel. (Zie blz. 195.)

DE FAMILIE CASCABEL.

FRANSCHE KUNSTENAARS. PAS AANGEKOMEN UIT AMERIKA.

Gymnastiek, groote toeren op de gespannen en de slappe koord, equilibristen, athleten, dansers en danseressen.

De heer CASCABEL, eerste athleet in alle vakken.

Mevrouw CASCABEL, de vrouwelijke Hercules, eerste prijs op den internationalen worstelstrijd te Chicago.

De heer JAN, equilibrist in alle vakken.

De heer SANDER, gymnastische toeren van allerlei aard.

De jongejuffrouw NAPOLEONA, eerste danseres in alle vakken.

De heer KRUIDNAGEL, eerste paljas in alle vakken.

JAKO, papegaai, in alle vakken.

JOHN BULL, aap, in alle vakken.

WAGRAM en MARENGO, geleerde honden, in alle vakken.

HET WONDER DER KUNST:

DE ROOVERS VAN HET ZWARTE WOUD,

pantomime met bruiloft en huwelijk, verrassing en ontknooping. Met uitbundigen bijval drieduizend zeventig maal opgevoerd in alle steden van Europa en andere werelddeelen.

MEN GELIEVE WEL ACHT TE GEVEN dat aangezien er in deze pantomime in het geheel niet gesproken, en het gesproken woord vervangen wordt door duidelijk verstaanbare gebaren, dit meesterstuk van dramatische kunst door iedereen genoten kan worden, zelfs door personen die aan ongeneeslijke doofheid lijden.

Teneinde het publiek niet lastig te vallen kan ieder zonder te betalen binnenkomen en zal het entreegeld voor elke plaats eerst opgehaald worden nadat alle toeschouwers gezeten zijn.

Prijs op alle rangen: 40 Kopeken de persoon.

In gewone omstandigheden gaf Cascabel zijne voorstellingen in de open lucht, waartoe er vóór de Schoone Zwerfster een zeil gespannen werd dat eene cirkelvormige ruimte omsloot. Toevallig echter stond er op de groote markt te Perm een houten circus, waar anders paardrijders hunne vertooningen gaven. In bijzonder gaven staat bevond dit getimmerte zich niet, het had van weer en wind geleden en het dak boven de zitplaatsen was niet waterdicht; maar het zat nog stevig in elkaar en kon een paar honderd of misschien tweehonderd vijftig personen bevatten.

Zooals het was vond Cascabel dit gebouw beter voor zijne vertooning geschikt dan zijne zeildoeksche tent; hij vroeg dus den burgemeester verlof om er gedurende zijn verblijf te Perm gebruik van te maken en dit verzoek werd met groote welwillendheid toegestaan.

Om deze en andere redenen vond Cascabel de russen in het algemeen lieden waarmede hij heel goed om kon gaan, al maakten dan ook Ortik en andere bandieten van zijn slag deel van deze natie uit. Onder welk volk treft men geen gemeene sujetten aan? Wat het circus betreft, zeker zou dit door eene voorstelling van den troep van Cascabel niet onteerd worden; ook was er maar één ding dat den directeur van den troep speet, namelijk dat zijne Majesteit Czaar Alexander II zich niet bij toeval in de stad bevond want deze potentaat zou stellig niet verzuimd hebben voor de eerste representatie eenige plaatsen te nemen.

Ook in een ander opzicht was Cesar niet volkomen op zijn gemak: hij vreesde namelijk dat zijn personeel in het dansen, duikelen, balanceeren en andere kunstverrichtingen een weinig achteruit gegaan zou zijn. Van het oogenblik af dat zij den tocht over het Oeralgebergte aangevangen hadden, waren er geen oefeningen meer gehouden, want ook nadat zij den bergpas door waren, was er niet van gekomen. Maar hij stelde zich gerust met de gedachte dat kunstenaars van den echten stempel, zooals de zijne, ieder oogenblik klaar moeten staan om het beste te geven wat zij kunnen.

Eene repetitie van de pantomime was volkomen overbodig. Zij hadden die reeds ontelbare malen gespeeld zonder dat er een souffleur bij te pas kwam, en ieder wist wat hij te doen had.

Intusschen liet Ortik niet onduidelijk merken hoe weinig het hem aanstond dat Sergius zooveel langer uitbleef dan hij gedacht had. Reeds den vorigen avond had de ontmoeting, waarbij de bandieten Sergius in den valstrik hadden willen laten loopen, plaats moeten hebben; daar was echter niets van kunnen komen en Ortik had aan de anderen doen weten dat de uitvoering van het plan vierentwintig uren uitgesteld moest worden. Hij begreep niet hoe het kwam dat Sergius nog niet terug was, niettegenstaande Cascabel hem reeds denzelfden avond verwacht had. Zou hij op het kasteel Walska gebleven zijn? Dit was het meest waarschijnlijk, want het stond vast dat hij er heengegaan was. Ortik had zijn ongeduld niet zoo moeten laten blijken, maar de ongerustheid werd hem te sterk en hij vroeg aan Cascabel of deze niet eenig bericht ontvangen had.

—Niet het minste, antwoordde Cesar.

—Maar ik dacht dat gij mijnheer Sergius gisteravond reeds terug had gewacht.

—Dat deed ik ook en ik kan niet anders denken dan dat hij de eene of andere verhindering gekregen heeft. Het zou erg jammer zijn indien hij onze eerste voorstelling niet bij kon wonen, want gij zult zien, Ortik, dat die prachtig wezen zal.

Cascabel hield zich alsof hij zich in het geheel niet ongerust maakte, maar in den grond van zijn hart was dit alles behalve het geval.

Den vorigen avond, vóór dat Sergius naar het kasteel van zijnen vader vertrok, had hij hem beloofd dienzelfden nacht terug te komen. De afstand was maar zes wersten heen en even zooveel terug: dat had dus niets te beteekenen. Nu hij niet teruggekeerd was, bestonden er drie mogelijkheden: Sergius kon aangehouden zijn vóór dat hij op het kasteel kwam; hij kon er gebleven zijn omdat hij zijnen vader in zulk eenen staat gevonden had dat hij hem niet weder verlaten kon; of hij was weder vertrokken en op den terugweg in handen der politie gevallen. Te veronderstellen dat de medeplichtigen van Ortik hem in eene hinderlaag gelokt hadden, was niet aantenemen, want, antwoordde Cascabel, toen Kayette hem vroeg of dit niet het geval kon zijn:

—Die schavuit van een Ortik zou niet zoo blijkbaar ongerust geweest zijn indien er zoo iets gebeurd was. Waarom zou hij mij naar mijnheer Sergius gevraagd hebben indien zijne maats hem in hunne macht gehad hadden? O die schurk! Zoo lang ik hem niet met zijnen vriend Kirschef aan eene galg heb zien bengelen, zal er iets aan mijn geluk op deze wereld blijven ontbreken.

Cascabel had dus moeite om de anderen niets van zijne bezorgdheid te laten merken, zoodat Cornelia, die ook niet over het uitblijven van Sergius op haar gemak was, het noodig vond tegen hem te zeggen:

—Komaan Cesar, maak nu toch zoo’n opschudding niet! Gij moet toonen dat ge een verstandig man zijt.

—Iemand is niet verstandiger dan hij zijn kan Cornelia, en ieder redeneert naarmate hij eene zaak inziet. Eén ding is zeker: mijnheer Sergius had reeds lang weder hier kunnen zijn, en wij kijken nog altijd naar hem uit.

—Nu ja Cesar, maar niemand vermoedt immers dat hij graaf Narkine is.

—Neen, dat is zoo... ten minste...

—Wat wilt ge zeggen met uw ten minste? Gaat ge nu praten evenals Kruidnagel? Wat bedoelt ge daarmeê? Er is niemand anders dan gij en ik die weten wie mijnheer Sergius is. Denkt ge soms dat ik dat aan iemand verteld heb?

—De hemel beware mij Cornelia! En ik evenmin.

—Welnu, wat kan er dan gebeurd zijn?

—Er kan gebeurd zijn dat er zich te Perm lieden bevinden die graaf Narkine vroeger gekend hebben en hem nu herkennen. Zij zullen het immers al iets ongewoons vinden dat er een rus bij onzen troep is. Kortom Cornelia, het is mogelijk dat ik mij de dingen erger voorstel dan ze zijn, maar ik houd zooveel van mijnheer Sergius dat ik niet kan nalaten mij ongerust over hem te maken. Daarom kan ik ook niet kalm blijven zitten en ben ik voortdurend in beweging.

—Pas dan maar op, Cesar, dat gij zelf geen aanleiding geeft tot kwade vermoedens, waarschuwde Cornelia zeer terecht. Maak geen slapende honden wakker en loop niet met onvoorzichtige vragen bij allerlei menschen rond. Ik vind het ook onaangenaam dat mijnheer Sergius niet terugkomt en wilde wel dat hij reeds hier was, maar ik denk niet aanstonds het ergste en houd het er eerder voor dat hij op het kasteel Walska bij zijnen vader, prins Narkine, gebleven zal zijn. Op klaarlichten dag durft hij niet terug te komen, dat is dood natuurlijk; maar van avond of van nacht zullen wij hem wel zien opdagen. Doe dus geen domme streken Cesar; maar houd u bedaard en denk er liever om dat ge weer spoedig zult moeten optreden in de rol van Fracassar, waarmede gij zoo dikwijls zulk eenen schat van lauweren ingeoogst hebt.

Het gezonde verstand van deze kloeke vrouw bleek weder duidelijk uit die woorden, en het was bijna onbegrijpelijk dat haar man haar niet van alles op de hoogte bracht; maar toch was het misschien beter dat hij zijn mond bleef houden. Cornelia was, bij al haar kloekheid, toch kort aangebonden, en indien zij geweten had wat Ortik en Kirschef in hun schild voerden en op het punt stonden uit te voeren, wie weet of zij zich dan wel bedaard had kunnen houden.

Cascabel trad dus niet in verdere uitleggingen en ging naar het circus om een oog te laten gaan over de toebereidselen die daar gemaakt werden. Ook Cornelia had druk werk met de kostuums, de pruiken en baarden en alles wat verder bij de voorstelling te pas kwam in orde te brengen, waarbij Kayette en Napoleona haar trouw hielpen.

Al dien tijd brachten de twee russen door, zooals zij zeiden, met de politie de noodige inlichtingen te geven over de schipbreuk die zij geleden hadden en over hetgeen zij nu voornemens waren te doen. Hiervoor moesten zij herhaaldelijk allerlei boodschappen verrichten.

Terwijl Cascabel met Kruidnagel druk bezig was de stoffige banken van het circus schoon te maken en de manége, waar de kunsten vertoond moesten worden, aantevegen, versjouwden Jan en Sander alles wat bij de vertooning noodig was, muziekinstrumenten, werktuigen, enz., uit den wagen naar het gebouw. Toen dit afgeloopen was gingen zij allen aan het werk om datgene wat in hunne kermistaal “de schitterende, geheel nieuwe decoratiën” genoemd werd, gereed te zetten teneinde eene waardige omlijsting te vormen bij “de luisterrijke opvoering van het beroemde drama-pantomime De Roovers van het Zwarte Woud.”

Jan was en bleef droevig gestemd. Hij wist nog niet dat Sergius graaf Narkine heette en dat deze een staatkundig veroordeelde was, die onmogelijk in zijn vaderland kon blijven; hij hield hem voor een rijk grondbezitter, die weder op zijne goederen teruggekomen was en daar blijven wilde, met zijne aangenomen dochter bij zich. Zeker zou hij veel minder verdriet gehad hebben, indien het hem bekend was geweest dat Sergius niet in het Russische rijk mocht blijven; dat zijn eenige doel was prins Narkine, zijnen vader, een bezoek te brengen; dat hij voornemens was daarna weder te vertrekken en bij voorkeur in Frankrijk eene schuilplaats te gaan zoeken, en dat hij Kayette daarheen mede wilde nemen. Er moesten dus nog ettelijke weken verloopen eer er van eene scheiding sprake behoefde te zijn, en wat zijn ettelijke weken niet een lang vooruitzicht voor twee jongelieden die elkaar liefhebben!

—Helaas neen! zeide Jan aanhoudend bij zichzelven, mijnheer Sergius zal hier te Perm blijven en Kayette bij zich houden. Nog slechts weinige dagen en wij gaan van hier, en dan zal ik haar nimmer terugzien. Mijne lieve Kayette zal zeker gelukkig wezen in het huis van mijnheer Sergius... en toch... wie weet...

Als de arme jongen aan dit alles dacht, kostte het hem moeite zich voor de anderen nog eenigszins goed te houden.

Te negen uur was Sergius nog niet in de Schoone Zwerfster terug. Cornelia had wel voorspeld dat hij niet vóór den nacht of in elk geval laat in den avond zich op straat zou wagen, als niemand hem herkennen kon; maar het was toch alweer laat genoeg om aan zijne komst te gaan twijfelen.

—Hij zal dus niet eens onze eerste voorstelling met zijne tegenwoordigheid opluisteren, zeide Cascabel bij zichzelf. Nu, voor mijn part laat hij wegblijven... ik heb er geen spijt van. Het zal wat moois zijn, die langverwachte debuut-voorstelling van de familie Cascabel op de kermis te Perm. Met alles wat ik in mijn hoofd heb, zal er van mijne rol niets terecht komen, en die prachtige figuur van Fracassar, die zoo dikwijls mijn grootste triomf geweest is, zal nu niets dan een groot fiasco wezen. En dan Cornelia, die zich wel groot houdt, maar toch ook onder een hoedje te vangen is! En Jan, die aan niets denkt dan aan zijne Kayette! En Sander en Napoleona, wier gezicht meer naar schreien dan naar lachen staat, als zij aan het afscheid denken! Wat moet er, met al die narigheid, van ons terecht komen? Per slot van rekening is Kruidnagel de eenige die de eer van den troep moet ophouden!

Cascabel was niet in staat ergens rust te vinden en ging dus de stad in om te zien of hij niets te weten komen kon. Perm was zoo groot niet of als er iets bijzonders voorviel, moest het spoedig bekend wezen. De familie Narkine was algemeen geacht, indien dus Sergius in handen van de politie gevallen was, zou ieder daar den mond vol van hebben. De een of de ander zou wel weten te vertellen of de gevangene reeds in het fort opgesloten of ergens anders heengebracht was.

Hij liet dus aan Kruidnagel de zorg over om het circus verder geheel in orde te brengen en ging zelf eene wandeling in de stad doen, langs de Kama-rivier, waar de schuitenvoerders aan hunne gewone werkzaamheden bezig waren. Ook in de boven- en de benedenstad viel niets bijzonders optemerken. Cesar maakte op onderscheidene plaatsen een praatje en luisterde of hij nergens iets op kon vangen, maar wat er ook gepraat en verteld werd, over graaf Narkine geen woord.

Dit stelde hem echter nog niet gerust. Hij wandelde den weg van Perm naar het dorp Walska op, waarlangs Sergius teruggebracht moest worden als de politie de hand op hem gelegd had. Telkens als hij in de verte een troepje voorbijgangers zag aankomen, verbeeldde hij zich dat hij den gevangene reeds, door eene kozakkenpatrouille begeleid, in het oog kreeg.

Er was maar één ding waar Cascabel op het oogenblik aan dacht. Over zichzelf, over zijne vrouw en kinderen, die aan het grootste gevaar blootgesteld konden wezen indien graaf Narkine ontdekt was, bekommerde hij zich in het minst niet. Toch kon het niet anders of de politie moest er spoedig achter komen op welke manier Sergius op russisch grondgebied teruggekeerd was en wie hem daarbij behulpzaam geweest waren. Kwam zij dat te weten, dan kon de familie Cascabel er leelijk afkomen.

Met al dat heen en weer dwalen van Cascabel en met zijn voortdurend uitkijken op den straatweg naar Walska, was het den volgenden ochtend tien uur geworden en bevond hij zich niet in het circus toen daar een man naar hem kwam vragen.

Kruidnagel was er op dat oogenblik alleen, nog druk bezig te midden van de stofwolken die hij boven zijn hoofd deed opgaan. Hij kwam daaruit te voorschijn om den man te woord te staan, die eenvoudig een moujik bleek te zijn. Nu verstond Kruidnagel evenmin de taal van den moujik als de moujik de taal van Kruidnagel verstond, zoodat zij volstrekt niets van elkaar begrepen. Kruidnagel bleef hem dus met open mond aanstaren, terwijl de ander hem aan het verstand trachtte te brengen dat hij zijnen patroon wenschte te spreken, en dat hij dien in het circus kwam opzoeken dewijl hij begrepen had dat hij in de Schoone Zwerfster niet te vinden zou zijn. Daarna eerst deed de moujik datgene, waarmede hij eigenlijk had moeten beginnen en overhandigde hij eenen brief aan het adres van mijnheer Cascabel.

Ditmaal begreep Kruidnagel er alles van. Een brief met den doorluchtigen naam van Cascabel er op, kon voor niemand anders bestemd wezen dan voor het hoofd van het gezin... ten minste als hij niet aan juffrouw Cornelia, aan den jongeheer Jan, den jongeheer Sander of de jongejuffrouw Napoleona gericht was.

Hij nam dus den brief aan en gaf door teekenen te verstaan dat hij dien aan den patroon zou bezorgen, Vervolgens nam hij met veel zwier van den moujik afscheid, zonder er iets van begrepen te hebben waar deze van daan kwam of wie hem zond.

Een kwartier uur later, toen Kruidnagel op het punt stond zich naar de Schoone Zwerfster te begeven, vertoonde Cascabel zich aan de deur van het circus, altijd nog uit zijn humeur en ongerust.

—Patroon, patroon! begon Kruidnagel met een gewichtig gezicht.

—Nu, wat is er?

—Ik heb een brief gekregen.

—Wat voor een brief?

—Ja, een brief die hier bezorgd is.

—Voor mij?

—Ja, voor u.

—Wie heeft hem gebracht?

—Een moujik.

—Wat weet jij van een moujik?

—Ten minste, als het niet iemand anders dan een moujik was.

De moujik overhandigde eenen brief aan het adres van mijnheer Cascabel. (Zie blz. 191.)
De moujik overhandigde eenen brief aan het adres van mijnheer Cascabel. (Zie blz. 191.)

De moujik overhandigde eenen brief aan het adres van mijnheer Cascabel. (Zie blz. 191.)

Cascabel greep naar den brief dien Kruidnagel hem toereikte, en toen hij op het adres de hand van Sergius herkende, werd hij plotseling zoo bleek, dat zijn trouwe dienaar uitriep:

—Mijnheer Cascabel, wat scheelt er aan?

—Niemendal scheelt er aan!

Niemendal? Maar het had er veel van alsof de krachtige man in Kruidnagel’s armen in zwijm zou vallen.

—Wat kon Sergius hem medetedeelen hebben? Waarom schreef hij? Het kon niet anders zijn dan om hem de oorzaak te melden die hem belet had den vorigen dag en nacht te Perm terug te komen.... Zou hij misschien toch in de gevangenis zitten?

Cascabel scheurde den brief open, veegde eerst zijn rechter- en daarna zijn linkeroog uit en overzag toen met eenen oogopslag wat er in te lezen stond.

De schreeuw, dien hij toen gaf, was een geluid, zooals alleen uit eene half toegeknepen keel kan komen. Met verwrongen gelaatstrekken, starende oogen en heelemaal buiten zichzelven, trachtte hij iets te zeggen, maar was niet in staat een woord uittebrengen.

Kruidnagel begon bang te worden dat zijn patroon stikken zou en maakte zijne das los.

Maar Cascabel sprong op van den stoel waarop hij neergevallen was en gaf dien een schop, zoodat hij tusschen de voorste banken van het circus terecht kwam. Als een dolle begon hij daarna in het rond te loopen en plotseling, in de nabijheid van Kruidnagel komende, gaf hij dezen een trap tegen zijn achterste, zooals hij bij de voorstellingen gewoon was te krijgen, doch die, dewijl hij er ditmaal volstrekt niet op rekende, behoorlijk in het vleesch terecht kwam....

Was de patroon misschien gek geworden?

—Heidaar, mijnheer Cascabel, riep de paljas, het is geen parade-voorstelling.

—Wat? Geen parade-voorstelling? schreeuwde Cesar. Of het! Een parade-voorstelling zooals er nog nooit eene geweest is, op geen van onze grrrroote rrrrreprrrresentatiën!

Dit was een antwoord, waar Kruidnagel niets op wist te zeggen. Hij berustte er dus in, maar voelde nog naar de plek waar de trap aangekomen was, want het was terdege een parade-trap geweest!

Nu echter had Cascabel zijne bedaardheid teruggekregen en op geheimzinnigen toon fluisterde hij hem in het oor:

—Kruidnagel, kan ik je iets toevertrouwen?

—Stellig patroon. Ik heb nog nooit een geheim, dat iemand mij gezegd had, verraden.... ten minste....

—Houd je mond! Zie je dezen brief?

Kruidnagel, kan ik je iets toevertrouwen? (Zie blz. 193.)
Kruidnagel, kan ik je iets toevertrouwen? (Zie blz. 193.)

Kruidnagel, kan ik je iets toevertrouwen? (Zie blz. 193.)

—Den brief van den moujik?

—Denzelfde. Als het je overkomt dat je aan iemand ter wereld vertelt dat ik dien gekregen heb...

—Nu, wat dan?

—Aan Jan, aan Sander, of aan Napoleona...

—Jawel, wat dan?

—Of vooral aan mijne vrouw Cornelia, dan zweer ik dat ik je laat opzetten...

—Levend en wel?

—Levend en wel, anders doet het geen pijn, ezel!

Dit was een dreigement, dat Kruidnagel eene rilling deed gaan door al zijne leden.

Toen legde Cascabel de hand op zijnen schouder en fluisterde hem in, op den toon van een fat van de ergste soort:

—Je moet weten, dat Cornelia erg jaloersch is. En zie je, Kruidnagel, iemand is een knap man, of hij is het niet. Er is hier eene betooverende vrouw, eene echte russische prinses.... Nu begrijp je er alles van. Die brief is van haar; zij vraagt mij om bij haar te komen.... Zoo iets zal jou nooit overkomen, met zoo’n neus als jij er op na houdt.

—Ten minste... dat wil zeggen... begon Kruidnagel; maar wat hij daarmede eigenlijk zeggen wilde, begreep hijzelf niet en iemand anders nog veel minder.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings