XIII. Een inval van Cornelia Cascabel.
Reading edition
Dit gedeelte der reis tusschen de forten Selkirk en Youkon had de Schoone Zwerfster op den rechteroever der rivier afgelegd. Zij waren echter op ongelijken afstand van den waterkant gebleven, teneinde niet al de talrijke bochten, welke de rivier maakt en die soms door onbegaanbare moerassen omgeven worden, te moeten omtrekken. Dit laatste is alleen het geval aan deze zijde, want op den linkeroever verheffen zich eenige heuvelrijen van matige hoogte, die naar het noordwesten uitloopen. In een anderen tijd van het jaar hadden zij moeite kunnen hebben om sommige zijtakken van de Youkon over te komen, zooals de Stewart-rivier, waar geen overzetveer op onderhouden wordt. Maar in den zomer staat er op de droogste plekken zoo weinig water dat deze kleine stroomen doorwaad kunnen worden. Toch zouden zij nog dikwijls in verlegenheid verkeerd hebben als zij Kayette niet bij zich gehad hadden, die in de vallei goed thuis was en hun de doorwaadbare plaatsen aan wist te wijzen.
Het was dus waarlijk gelukkig voor hen dat het Indiaansche meisje als gids dienst kon doen. Zij was zelve blijde als zij hare vrienden op de eene of andere wijze nuttig kon zijn; zij voelde zich tevreden te midden dier lieden die als het ware hare bloedverwanten vervangen hadden, en boven alles was de moederlijke zorg, die Cornelia haar toonde en die het arme meisje zoo lang gemist had, haar onuitsprekelijk veel waard.
Het land was hier en daar nog met bosschen bedekt en op verschillende plaatsen heuvelachtig. Maar over het algemeen vertoonde het landschap zich reeds anders dan in den omtrek van Sitka.
De weersgesteldheid, die gedurende acht maanden van het jaar met den winter der poollanden gelijk staat, is oorzaak dat de plantengroei hier niet tot groote ontwikkeling komen kan. Behalve hier en daar eenige populieren, waarvan de toppen boogvormig gekromd zijn, behooren er in deze landstreek geene andere soorten van boomen thuis dan dennen en berken. Wat er voor het overige nog gevonden wordt, zijn armoedige wilgeboomen, schraal van loof en fletsch van kleur, die door de scherpe winden, welke over de IJszee komen aangieren, vroegtijdig van hunne bladeren beroofd worden.
Op de reis van fort Selkirk naar fort Youkon had de jacht voortdurend zooveel opgeleverd dat het niet noodig was geweest den voorraad ingemaakte voedingsmiddelen aan te roeren om dagelijks de tafel van het noodige te voorzien. Er werden zooveel hazen geschoten dat onze reizigers er eindelijk bijna beu van werden, al werd de hazenpeper, de hazensoep, de gebraden haas en de hazenpastei ook nu en dan afgewisseld door eenden en ganzen, en door de eieren dier vogels, welke Sander en Napoleona goed slag hadden om uit de holten, waarin ze verstopt lagen, te voorschijn te halen. Cornelia was eene volleerde keukenprinses in het op verschillende wijze klaarmaken van eieren en andere dagelijks voorkomende spijzen, en liet zich daarop heel wat voorstaan. Aan eetlust was bovendien nooit gebrek.
—Dit is nu toch eens een goed land om in te leven! riep Kruidnagel bij zekere gelegenheid uit, toen hij aan het afkluiven van eene overheerlijke ganzenbout was. Jammer dat het niet meer in het midden van Europa of Amerika ligt.
—Lag het tusschen bewoonde landen, merkte Sergius op, dan zou er vermoedelijk zooveel wild niet zijn.
—Ten minste.... wilde Kruidnagel antwoorden.
Een blik van Cesar legde hem het zwijgen op en deed hem begrijpen dat hetgeen hij zeggen ging, onzin was.
Was het land wildrijk, in de beken en riviertjes die zich in de Youkon uitstortten, wemelde het van visschen. Sander en Kruidnagel hengelden ijverig en brachten menig heerlijk zoodje thuis, vooral snoeken van de beste soort. Zij mochten vrij den hengel uitwerpen waar zij goedvonden, want naar eene visch-akte kwam niemand hen vragen, zoodat het hen niets kostte dan de moeite van het vangen.
Voor kosten maken was trouwens de kleine Sander minder bevreesd dan iemand anders. Hij hield zich overtuigd dat, dank zij hem, de toekomst der familie Cascabel voor altijd verzekerd was. Hij bezat immers dien geweldigen klomp goud, dien hij in de Caribou-vallei opgeraapt en zorgvuldig in eenen hoek van den wagen verstopt had, verzekerd als hij was dat het een steen was van onschatbare waarde. Hij had zijn geheim zorgvuldig bewaard en wachtte geduldig het oogenblik af waarop hij zijnen schat in klinkende munt zou kunnen omwisselen. Wat een vreugde zou dat geven als hij plotseling zóó rijk werd! Niet voor zichzelf: de goedhartige knaap dacht er niet aan, het geld voor zich te houden. Zijnen vader en zijne moeder wilde hij er gelukkig mede maken en hen op die manier ruimschoots schadeloos stellen voor den laaghartigen diefstal, waar zij de slachtoffers van waren.
Toen de Schoone Zwerfster na ettelijke smoorheete dagen eindelijk te Youkon aankwam, waren al de reizigers uitgeput van vermoeienis. Er werd dus besloten dat zij hier niet minder dan eene week vertoeven zouden.
—Gij kunt dat te geruster doen, zeide Sergius, dewijl dit fort slechts op een paar honderd mijlen afstands van Port-Clarence ligt. Het is van daag eerst de 27ste Juli, en niet dan over twee of misschien drie maanden kan het ijs in de Behringstraat sterk genoeg wezen om den wagen te dragen.
—Dat is zoo klaar als de dag, stemde Cascabel toe. Wij hebben dus den tijd om eene poos uit te blazen.
Dit was een welkom bericht, zoowel voor het tweehandige als voor het viervoetige personeel der Schoone Zwerfster.
Het fort Youkon is in het jaar 1847 opgericht. Het is de meest westelijke vestiging van de Hudsonsbaai-compagnie en ligt bijna op den poolcirkel. Dewijl het fort tot het grondgebied van Alaska behoort, is de Hudsonsbaai-compagnie verplicht jaarlijks eene schadeloosstelling te betalen aan de concurreerende vennootschap, de Russisch-Amerikaansche handelsvereeniging.
Niet vóór 1864 werden de gebouwen gezet waar de vestiging thans uit bestaat. Zij werden met eene palissadeering omringd en waren juist gereed gekomen toen de troep van Cascabel in het fort aankwam, met het voornemen er eenige dagen te vertoeven.
De beambten boden hun gastvrij een verblijf binnen het fort aan, want in de loodsen en pakhuizen was plaats genoeg om hen te herbergen; maar Cascabel bedankte met eenige sierlijke en klinkende volzinnen voor hunne uitnoodiging. Hij was aan de geriefelijkheden van de Schoone Zwerfster gewend en wilde die niet missen.
De bevolking van het fort bestond uit een twintigtal beambten der compagnie, meerendeels amerikanen, met eenige indiaansche bedienden. In de nabijheid van het fort waren echter ettelijke honderden inboorlingen gelegerd.
De oorzaak daarvan was dat het fort Youkon de voornaamste verzamelplaats in Alaska is voor den handel in bontwerk en pelterijen. Daar komen al de inlandsche stammen van het gewest bijeen, de Kotch-à-Koutchins, de An-Koutchins, de Tatantchoks, de Tananas en voornamelijk de talrijkste aller stammen, de Co-Youkons, die het meest in de nabijheid der groote rivier gevestigd zijn.
Het fort is bijzonder gunstig voor dezen ruilhandel gelegen, want het is gebouwd in eenen hoek, dien de Youkon bij hare samenvloeiing met de Porcupine maakt. De rivier splitst zich op deze hoogte in vijf armen, langs welke de handelaars gemakkelijk tot in het binnenland kunnen doordringen en zelfs over de Mackenzie-rivier met de Eskimo’s in aanraking kunnen komen om met deze handel te drijven.
Dit net van waterwegen is dan ook vol vaartuigen die zich voor den stroom laten afdrijven of er tegen oproeien. Dit zijn vooral de zoogenaamde baïdarres, lichte sloepjes van geöliede beestenvellen gemaakt, die op de naden met vet worden bestreken om ze beter waterdicht te maken. Met deze broze vaartuigen zien de Indianen niet tegen groote watertochten op, terwijl zij hunne schuitjes uit het water nemen en op hunnen rug verder dragen zoodra het varen door stroomversnellingen of watervallen onmogelijk wordt gemaakt.
Intusschen is het vervoer te water slechts gedurende drie maanden van het jaar open, want al de overige maanden liggen de wateren met eene dikke ijskorst bedekt. De baïdarre verandert dan van bestemming en wordt eene slede. Het voertuig, van voren uitloopend in eene omgebogen punt als de voorsteven eener schuit, wordt met riemen van elandenvel bijeengehouden; een span honden of rendieren trekt het en het vliegt met groote snelheid voort. Voetgangers met hunne lange sneeuwschoenen aan de voeten, komen echter nog vlugger vooruit.
Cesar Cascabel mocht weder van geluk spreken! Hij kwam juist op het geschikte tijdstip te fort Youkon, terwijl de pelterijenhandel het levendigst was. De Indianen hadden bij honderden in den omtrek der factory hun kamp opgeslagen.
—De drommel moge mij halen, riep Cesar uit, als wij daar niet een voordeeltje van hebben. Het is hier eene echte kermis; wij zijn kermiskunstenaars; wat is dus natuurlijker dan dat wij onze kunsten eens vertoonen? Wat zegt gij er van, mijnheer Sergius?

Eene baïdarre, of sloep van geoliede beestenvellen. Zie bl. 149.
—Ik heb er niets tegen mijn vriend, maar ik twijfel of de opbrengst veel te beteekenen zal nebben.
—In elk geval maken wij toch onze kosten goed, want die bedragen niemendal.
—Dat moge waar zijn, antwoordde Sergius, maar ik zou toch wel eens van u willen hooren hoe die eenvoudige inlanders hunne plaats moeten betalen, want zij hebben evenmin Amerikaansch als Russisch geld.
—Welnu dan betalen zij met muskusrattenvellen, met beverhuiden, weet ik het, met alles wat zij hebben! In het ergste geval zullen deze vertooningen het goede gevolg hebben dat wij er onze spieren weder eens mede uitrekken, want ik ben altijd maar bang dat onze ledematen door gebrek aan oefening zullen achteruitgaan. Wij moeten nog voorstellingen geven, te Perm, te Nisjni en op andere plaatsen en ik verkies geen dwaas figuur met mijnen troep te maken als wij op uw geboortegrond komen werken. Zoo iets zou ik niet overleven mijnheer Sergius, ik verzeker u dat ik er dood van zou gaan!
Het fort Youkon is de voornaamste nederzetting in deze streek en op een ruim terrein aan den rechteroever der rivier gelegen. Het heeft de gedaante van een langwerpigen vierhoek, op de hoeken versterkt door vierkante torens, die vrij veel overeenkomst hebben met de molens op een bewegelijk bovenstuk, zooals die in het Noorden van Europa worden aangetroffen. Binnen het fort staan verscheidene gebouwen, dienende tot woonplaatsen voor de beambten der compagnie en hunne gezinnen; verder twee groote afgesloten loodsen, die als bergplaatsen dienen voor pelterijen en waar altijd een voorraad huiden van marters, bevers en zwarte of zilvergrijze vossen gevonden wordt, benevens verschillende vellen van minder waarde.
Het is niet alleen een eentonig, maar ook een treurig leven dat door de bewoners van het fort geleid wordt. Hun voornaamste voedsel is elandenvleesch, gebraden, geroosterd, gekookt of gestoofd, eene enkele maal afgewisseld door rendierenvleesch. Alle andere benoodigdheden moeten zij doen komen uit de factorij York, aan de Hudsonsbaai, op zes of zevenhonderd mijlen afstands gelegen. Het spreekt dus van zelf dat de gemeenschap met die afgelegen plaats niet druk is.
In den namiddag nadat zij de Schoone Zwerfster onder dak gebracht hadden, ging Cascabel met zijn gezin een bezoek brengen aan de tusschen de Youkon en de Porcupine gelegerde Indianen.
De tijdelijke woningen waarin deze inboorlingen verblijf hielden, verschilden naarmate van den stam waartoe zij behoorden. Het waren hutten van boomschors of van dierenvellen, steunende op palen en met bladeren overdekt; of tenten van eene katoenen stof die door de Indianen geweven wordt; of ook planken loodsen die in en uit elkaar genomen kunnen worden naarmate het noodig is.
Wat eene vermakelijke verscheidenheid ook in de kleederen! Sommigen droegen ze van dierenvellen, anderen van lijnwaad; als hoofddeksel gebruikten zij allen eenen krans van bladeren, tevens een voorbehoedmiddel tegen de muggenbeten. De vrouwen droegen eene wijde jurk en sieraden van schelpen aan neus, lippen en ooren. De mannen pronkten met eene soort van nestels, waarvan de naalden dienden om des winters hun lange overjas van elandenvel, met het bont binnenwaarts gekeerd, vast te maken. Mannen en vrouwen waren bovendien niet weinig trotsch op hunne snoeren valsche paarlen, die meer op prijs gesteld worden naarmate ze grooter zijn. Onder de verschillende stammen waren de Tananas gemakkelijk te onderscheiden aan hunne met allerlei kleuren beschilderde gezichten, en aan de vederen die zij op hun hoofd droegen en die met stukken roode klei overeind gehouden werden. Zij hadden een lederen vest en een broek van rendierenvel aan, waren met vuursteengeweren gewapend en voorzien van kruithoorns, die zij met veel smaak weten uit te snijden en te versieren.
Bij wijze van geld gebruiken deze Indianen schelpen van eene soort, dentalium geheeten, die ook bij de stammen op Vancouver-eiland in gebruik zijn. Zij dragen die bevestigd aan het kraakbeen van hun neus en nemen er zooveel af als noodig is als zij iets te betalen hebben.
—Dat is een goedkoope portemonnaie, merkte Cornelia op, en zij loopen geen gevaar die te verliezen.
—Ten minste als hun neus niet afvalt, meende de snuggere Kruidnagel.
—Als het ’s winters erg koud is, kon dat wel eens gebeuren, antwoordde Cascabel.
De legerplaats der Indianen gaf een zonderling en woelig tafereel te zien.
Onnoodig te zeggen dat Cascabel spoedig een gesprek met eenige inboorlingen had aangeknoopt. Hunne taal, die veel overeenkomst met het chinouk heeft, verstond hij ten naastenbij en Sergius die russisch met hen sprak, diende voor zooveel noodig als tolk.
De eerste dagen werd er tusschen de inlandsche kooplieden en de beambten der russische compagnie druk handel gedreven, en de troep van Cascabel vond toen geene gelegenheid om eene voorstelling voor het publiek te geven.
De Indianen waren intusschen te weten gekomen dat zij eenen troep fransche kunstenmakers in hun midden hadden, die een grooten naam hadden wegens hunne vlugheid en hunne behendigheid in het koorddansen en duikelen. Iederen avond kwamen zij in grooten getale de Schoone Zwerfster aangapen. Nog nooit hadden zij zulk een prachtig beschilderd rijtuig onder de oogen gehad. Wat zij er vooral aardig aan vonden, was dat het zulk eene gemakkelijk verplaatsbare verblijfplaats was, want bij het nomadenleven dat zij leidden, moest hun dit bijzonder geriefelijk voorkomen. Wie weet of ook de Indianen nog niet eens op de gedachte zullen komen om hunne hutten op wielen te zetten. Dat zullen dan geen rollende woningen, maar rijdende dorpen wezen!
Onder deze omstandigheden voelde Cascabel zich hoe langer hoe meer geprikkeld om eene buitengewone voorstelling te geven. Er werd dus afgesproken dat de vertooning zou plaats hebben »op algemeen en vereerend verlangen der Indianen van het fort Youkon”!
Een van de inboorlingen waarmede Cascabel terstond na zijne aankomst kennis gemaakt had, was een tyhi, dat wil zeggen het opperhoofd van eenen stam. Dit was een man met een knap uiterlijk, een jaar of vijftig oud, snugger en zelfs met iets geslepens in zijne trekken. Meermalen was hij in de Schoone Zwerfster te gast geweest en telkens had hij te kennen gegeven dat de lieden van zijnen stam uiterst benieuwd waren om den franschen troep aan het werk te zien.
Gewoonlijk had de tyhi een Indiaan van een dertig jaren bij zich, Fir-Fu genaamd, met een fijn en innemend gelaat. Dit was de toovenaar van den stam, een behendig goochelaar, die overal in den omtrek van de Youkon wegens deze eigenschappen bekend was.
—Dat is dus een broeder in de kunst, zeide Cascabel toen de tyhi hem zijnen vriend voorstelde.
Zij bezegelden hunne kennismaking met een hartelijken dronk en rookten toen met hun drieën de vriendschapspijp.
Na verschillende gesprekken waarin de tyhi telkens er op aangedrongen had dat de Cascabels eene voorstelling zouden geven, werd die bepaald op den 3den Augustus. Zij spraken ook af dat de Indianen daarbij zouden medewerken, want deze waren er op gesteld te doen zien dat zij voor geen europeanen in sterkte, behendigheid en vlugheid onderdeden.
Dit is licht te begrijpen wanneer men weet dat de Indianen in Alaska en overal in het verre Westen groote liefhebbers zijn van lichaamsoefeningen en van kunstenmaken, waarbij zij allerlei grappen en potsen verkoopen.
Op den bepaalden dag en uur was er een talrijk publiek saamgestroomd en kwamen er ook een half dozijn Indianen voor den dag, die groote houten maskers met afschuwelijke monstergezichten voor hadden. Mond en oogen dier maskers konden door middel van draden bewogen worden, zoodat het was alsof de leelijke tronies leefden. De meeste gezichten liepen uit in eene punt als de snavel van eenen vogel en men kan zich nauwelijks voorstellen hoe ontzettend zij grijnsden. John Bull, de aap, had bij hen in de leer kunnen gaan.
Het spreekt van zelf dat vader en moeder Cascabel, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel voor deze plechtige gelegenheid zich in hunne kermispakken gestoken hadden.
De plaats der voorstelling was een groot weiland, met boomen omringd en de Schoone Zwerfster op den achtergrond, alsof er eene tooneelvertooning gegeven moest worden. Op de voorste plaatsen zaten de europeesche beambten van het fort met hunne vrouwen en kinderen. Aan weerszijden waren eenige honderden Indiaansche mannen en vrouwen in een halven kring geschaard. Er werd menige pijp gerookt in afwachting dat de voorstelling beginnen zou.
De gemaskerde inboorlingen, die ook hunne kunst zouden vertoonen, stonden op eenigen afstand.
Toen het oogenblik daar was, vertoonde Kruidnagel zich op het plat van den reiswagen en hield zijne gebruikelijke aanspraak tot het »geëerd publiek”.
—Mijneheeren Indianen en Indiaansche dames, nu zult gij komen te zien wat er te kijken is....
Maar Kruidnagel sprak de taal der Indianen niet, zoodat er alle waarschijnlijkheid bestond dat zijne welsprekendheid te eenenmale hare werking miste.
Wat echter ieder begreep, dat waren de muilperen die hij als naar gewoonte van zijnen patroon opliep en de schoppen tegen zijn achterste welke hij, mede als naar gewoonte, in ontvangst nam met de gelatenheid van een hansworst, wiens bestemming het is zich daarvoor te laten gebruiken.
Toen Kruidnagel uitgesproken had, nam Cesar het woord.
Hij maakte eene buiging voor het publiek en gaf het kommando: De beesten op het appèl!
De twee honden, Wagram en Marengo, werden op de opene plaats vóór den wagen gebracht en vertoonden hunne kunsten, tot groot vermaak der Indianen die nog nooit zulke proeven van dressuur gezien hadden. Daarna kwam John Bull, de aap, over den rug van den windhond en den poedel buitelen, wat hij zoo vlug en met zulke malle bewegingen deed, dat het ernstige Indiaansche publiek schudde van lachen.
Al dien tijd blies Sander met de volle kracht zijner longen in de klephoorn, roffelde Cornelia op de kleine en Kruidnagel op de groote trom. Als de inboorlingen door deze muziek geen juist denkbeeld gekregen hebben van een europeesch orkest, heeft het alleen aan hun muzikaal gehoor gelegen.
De gemaskerde Indianen zagen dit alles aan zonder een vin te verroeren. Klaarblijkelijk achtten zij het oogenblik nog niet gekomen om handelend op te treden en bewaarden zij hunne krachten.
—De jongejuffrouw Napoleona op de gespannen koord! riep Kruidnagel door eenen roeper.
Door haren vader begeleid, maakte de kleine meid een sierlijk compliment voor de menigte.
Eerst danste zij op den grond, bevallig en vlug, tot groote tevredenheid der toeschouwers, die echter hunnen bijval niet toonden door in de handen te klappen maar door telkens goedkeurend met hunne hoofden te knikken. Dit verminderde niet toen zij op het koord sprong dat tusschen de twee bokken gespannen was en zij daarover huppelde, sprong en danste met eene lichtheid, die voornamelijk de bewondering der Indiaansche vrouwen opwekte.
—Nu is het mijne beurt! riep Sander toen zijn zusje gedaan had. Daar kwam hij aan, maakte eene buiging, buitelde over zijn hoofd, liep op zijne handen, duikelde weder, wrong zijne ledematen in allerlei bochten, zoodat nu eens zijne armen als beenen en dan weder zijne voeten als handen dienst deden, of zijn hoofd onder zijn bovenlijf door kwam kijken. Met een vervaarlijken luchtsprong bekroonde hij zijne vertooning.
Ook Sander vond bijval, zooals trouwens altijd het geval was. Maar hij had tenauwernood tijd gehad om het publiek te bedanken door zijn voorhoofd tot op den grond te doen nederbuigen, of daar kwam een Indiaansche knaap, van Sander’s leeftijd, uit het zestal te voorschijn. Zijn masker had hij afgezet.
Al de kunsten die de jonge Cascabel verricht had, deed de wilde hem na en dat met zulk eene vlugheid en zoo gemakkelijk dat de beste acrobaat het niet had kunnen verbeteren. Misschien deed hij het niet zoo bevallig als Sander, maar in geoefendheid stond hij zeker niet bij dezen achter. De toekijkende Indianen knikten dan ook met nog grooter ingenomenheid hunnen landsman toe.
Natuurlijk waren alle leden van den troep van Cascabel beleefd genoeg om hunne toejuichingen aan die van het publiek te paren. Maar hun aanvoerder wilde niet dat zij het onderspit zouden delven. Daarom gaf hij Jan een teeken om zijne kunsten te vertoonen waarin hij meende dat niemand hem kon overtreffen.
Jan begreep dat hij de eer der familie op te houden had. Aangemoedigd door een goedkeurend gebaar van Sergius en een vriendelijk knikje van Kayette, bracht hij achtereenvolgens zijne flesschen, borden, ballen, messen, schijven en stokjes op het tapijt. Door eerzucht geprikkeld, overtrof hij bij deze gelegenheid zichzelf.
Vader Cascabel kon niet nalaten de gemaskerde Indianen een uitdagenden en zelfvoldanen blik toe te werpen, als wilde hij hun toeroepen:
—Welnu, wat zegt ge daarvan? Doet dat eens na als ge kunt!”
Blijkbaar namen de gemaskerden het ook zoo op, want nadat de tyhi een teeken gegeven had, trad een hunner naar voren en wierp zijn masker af.
Dit was Fir-Fu, de toovenaar van den stam. Ook hij had zijnen naam op te houden en tevens de eer van het Indiaansche ras te handhaven.
Al de voorwerpen waarmede Jan gewerkt had, nam de Indiaan achtereenvolgens ter hand. De een na de ander deed hij al de kunsten van den jongen Cascabel na. Messen en flesschen, schijven en ringen, ballen en stokken, hij liet ze allen over en door elkaar buitelen dat het een lust was en het moest erkend worden dat hij het niet minder sierlijk, vlug en onberispelijk deed als Jan.
Kruidnagel, die niet gewoon was iemand anders te zien werken dan de leden der familie Cascabel, stond beteuterd. Wijd spalkte hij zijne oogen open en zijn mond bleef eindelijk geopend staan van verbazing.
Ditmaal was het alleen uit beleefdheid en om zich goed te houden, dat Cascabel hielp toejuichen.
—’t Is wat moois, mompelde hij, met die Roodhuiden. Wie had dat ooit kunnen denken! Waar hebben de kerels het geleerd? Maar wij mogen ons niet laten overbluffen!
In den grond van zijn hart zat hij deerlijk in de klem. Hier waar hij als een wonder dacht aangegaapt te zullen worden, vond hij mededingers die tegen hem opgewassen waren. En wat voor mededingers? Inboorlingen van Alaska, niet veel beter dan wilden! Wat eene vernedering voor zijne kunstenaars-ijdelheid! Men is kunstenmaker met hart en ziel, of men is het in het geheel niet!
—Komaan kinderen, riep hij met eene stentorstem, vooruit met de menschen-pyramide.

Fir-Fu, de Indiaansche kunstenmaker. Zie bl. 156.
In een oogwenk stormden zij allen naar hem toe en klommen tegen hem op. Hij had zijne voeten stevig op den grond gezet, wijdbeens, de lendenen strak, de borstkas zoo wijd mogelijk uitgezet. Vlug als een eekhoorn was Jan op zijnen rechterschouder gesprongen. Daar gaf hij de hand aan Kruidnagel, die op den linkerschouder post had gevat. Sander stond op het hoofd van zijnen vader en boven op Sander was Napoleona geklommen, die van deze verhevene standplaats kushanden aan de menigte toewierp.
Maar de fransche pyramide stond te nauwernood, of tegenover haar verrees de Indiaansche. Zonder hunne maskers af te leggen hadden de inboorlingen eenen toren van menschen gevormd, niet van vijf maar van zeven geledingen, zoodat zij met eene verdieping boven die der Cascabels uitstak. De eene pyramide tegenover de andere!
Ditmaal konden de toeschouwers zich niet inhouden, maar barstten zij in daverende toejuichingen ter eere hunner landslieden los. Het oude Europa was overwonnen door het jonge Amerika! En nog wel een jong Amerika van Co-Youkons, van Tananas en van Tatanchoks!
Cesar Cascabel zonk bijna door den grond van ergernis. Het scheelde weinig of eene onhandige beweging, die hij niet inhouden kon, had zijn geheelen menschenlast tegen den grond doen tuimelen.
—Die beroerde kerels! mompelde hij, nadat zijne pyramide weder afgetuigd was.
Tevergeefs poogde Sergius hem te troosten, door op te merken dat het de moeite niet waard was om het zich aan te trekken.
—De moeite niet waard? Ik kan wel merken dat gij geen kunstenaar zijt.
Toen wendde hij zich tot zijne vrouw.
—Komaan Cornelia, riep hij, laat hun eens zien wat voor klappen met de vlakke hand gij geven kunt! Het zal mij toch benieuwen of er onder die wilden een is die de »overwinnares van Chicago” aandurft.
Maar moeder Cascabel kwam niet van hare plaats.
—Welnu Cornelia?
—Neen Cesar!
—Wat, wilt gij die apen geen lesje geven en meteen de eer van onze familie weder herstellen?
—Die zal ik herstellen, antwoordde Cornelia bedaard. Laat mij maar begaan. Ik heb mijn plan in mijn hoofd.
Nu was het zoo gesteld, dat als deze buitengewone vrouw een plan had, men het best deed met zich daarmede in het geheel niet te bemoeien en alles stil aan haar over te laten. Het ergerde haar niet minder dan haar man dat de Indianen hen de baas waren, en als zij er kans toe zag zou zij zeker niet nalaten hen op hare manier dat in te peperen.

De fransche en de indiaansche pyramide. Zie bl. 158.
Zonder iets meer te zeggen was Cornelia in den reiswagen verdwenen. Ongerust en niet wetende wat hij er van denken moest, hoeveel vertrouwen hij ook in zijne vrouw stelde, oogde Cascabel haar na.
Na een oogenblik oponthoud kwam moeder Cascabel weer voor den dag. Zij plaatste zich tegenover de Indiaansche kunstenmakers, die zich in eene groep om haar heen schaarden.
Toen verzocht zij den voornaamsten beambte van het fort, hetgeen zij te zeggen had aan de inboorlingen te vertolken.
Ziehier hetgeen zij woord voor woord liet overbrengen in onberispelijke Alaska’sche taal:
—Indiaansche mannen en vrouwen, in de lichaamsoefeningen die kracht en vlugheid vereischen, hebt gij talenten aan den dag gelegd die niet onbeloond mogen blijven. Ik kom u uwe belooning aanbieden....
Het publiek luisterde met onverdeelde aandacht.
—Ziet hier mijne handen, vervolgde Cornelia. De hoogstgeplaatste personen in Europa hebben die meermalen gedrukt! Ziet hier mijne wangen. De machtigste souvereinen van de oude wereld hebben het zich eene eer gerekend die te mogen kussen! Welnu, deze handen, deze wangen, ik bied ze u aan! Indianen van Amerika, drukt en kust ze!
De inlanders lieten zich niet lang bidden. Eene gelegenheid als deze, om eene hand en eenen zoen te krijgen van zulk eene kranige vrouw, werd hun niet iederen dag geboden.
Een hunner, een knappe kerel van den Tanana-stam, wilde de hand, die Cornelia hem toestak, grijpen. Maar op dat oogenblik ontving hij eenen schok, die hem deed opspringen als eene veer. Hij gaf een schreeuw van ontzetting en deinsde terug.
—O Cornelia! riep Cascabel uit. Nu begrijp ik alles. Hoe kan ik u genoeg bewonderen!
Sergius, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel hielden zich den buik vast van het lachen over het koopje dat de slimme vrouw de wilden leverde.
—Komaan, hernam zij, terwijl zij hare armen weder uitgestrekt hield. Wie heeft er lust?
Maar de Indianen waren bang geworden. Zij geloofden dat er eene bovennatuurlijke macht in het spel was.
Na eene poos vatte echter de tyhi moed. Langzaam stapte hij op Cornelia toe, bleef op twee passen van haar af staan en nam hare indrukwekkende persoonlijkheid op met oogen, die van niets minder dan gerustheid getuigenis gaven.
—Komaan oude! riep Cesar Cascabel. Wees niet bang! Geef mijne vrouw een zoen! Ik verzeker u dat het niet moeilijk, maar heel pleizierig is!
De tyhi stak schuchter de hand uit en raakte even eenen vinger van de schoone Europeesche aan.
Ook hij kreeg een schok en viel bijna onderste boven. Hij brulde van schrik en het geheele publiek stond verbaasd. Indien het zoo gevaarlijk was de hand van Cornelia te beroeren, wat zou er dan niet gebeuren als iemand probeerde hare wangen aan te raken, »die de machtigste potentaten van Europa gekust hadden!”
Het duurde eene poos, maar eindelijk kwam er toch een die het wilde wagen. Dat was de toovenaar Fir-Fu. Als er iemand was die zich boven duivelskunstenarijen verheven mocht achten, dan was hij het. Onbeschroomd ging hij vlak tegenover Cornelia staan. Hij beschreef eenen kring om haar heen, liet zich door het geschreeuw der inboorlingen moed inspreken, vatte haar toen met zijne armen aan en gaf haar tegelijk midden op haar gelaat een zoen die klapte.
Maar ditmaal was het niet een, maar eene reeks buitelingen die de waaghals maakte. De toovenaar veranderde opeens in een acrobaat! Zonder er iets tegen te kunnen doen maakte hij een paar luchtsprongen en kwam te midden zijner ontzette landslieden terecht.
Dien raadselachtigen invloed oefende Cornelia op den toovenaar en op degenen, die hem voorgegaan waren, eenvoudig uit door op het knopje te drukken van eene kleine draagbare electrische batterij, die zij in hare zak verborgen had, en met behulp waarvan zij anders de »electrische vrouw” vertoonde.
—Vrouw, vrouw! riep haar man uit, terwijl hij voor de oogen der verbaasde Indianen haar in zijne armen sloot zonder dat het hem iets deerde. Hoe slim bedacht! Hoe....
—Even slim als electrisch! zeide Sergius.
De inboorlingen konden niet anders denken dan dat dit wonderdadige vrouwspersoon de macht had om den donder te doen gehoorzamen aan haren wil. Wie haar maar even aanraakte, werd immers tegen den grond geslagen! Blijkbaar kon zij niemand minder wezen dan de gemalin van den Grooten Geest, die zich verwaardigd had op de aarde af te dalen en mijnheer Cascabel voor tweeden man te nemen.