XII. Van Sitka tot het Fort Youkon.
Reading edition
Den 26sten Juni met het aanbreken van den dag »lichtte de zegekar der Cascabels haar anker.” Dit was eene soort van valsche beeldspraak waar haar aanvoerder zich niet zelden aan te buiten ging. In denzelfden trant had hij er nog bij kunnen voegen dat de wagen nu misschien »ging varen op eenen vulkaan.” En dit zou niet eens heelemaal onjuist geweest zijn, want niet alleen beloofde de weg moeilijk te zullen worden, maar ook zijn uitgedoofde of nog in werking zijnde vuurspuwende bergen aan de zuidkust van de Behringzee niet zeldzaam.
De Schoone Zwerfster liet de hoofdstad van Alaska achter zich, vergezeld van talrijke wenschen voor hare behouden reis en aankomst. Want zij had zich vele vrienden verworven, die niet karig waren geweest met hunne roebels en hunne toejuichingen zoolang de troep voor de poorten van Sitka verblijf had gehouden.
Dit woord »poorten” is juister dan men oppervlakkig denken zou. De geheele stad is omringd door een stevig rasterwerk van palen, waarbinnen slechts enkele openingen toegang geven, die iemand niet gemakkelijk zou doorkomen als het hem belet werd.
De russen hebben zich door deze voorzorgen moeten beveiligen tegen den aanhoudenden toevloed van Kaluche-Indianen, die gewoonlijk in de nabijheid van Nieuw-Archangel, tusschen de rivieren Stekine en Tchilcot, hunne legerplaats opslaan. Daar bouwen zij hunne hutten, die zoo eenvoudig mogelijk zijn ingericht. Eene lage deur geeft toegang tot een cirkelvormig vertrek, dat somtijds in twee afdeelingen gescheiden is, en alleen licht ontvangt door eene opening in het dak, welke tevens de rook uit de stookplaats gelegenheid geeft te ontsnappen. Deze buurt van Indiaansche hutten vormt eene soort van voorstad van Sitka, binnen welke stad geen enkele inboorling na zonsondergang verblijf mag houden. Dit verbod vindt zijnen grond in de somtijds alles behalve vriendschappelijke verhouding tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezichten.
Buiten Sitka moest de Schoone Zwerfster beginnen met eenige nauwe zeearmen in daartoe ingerichte ponten overtesteken alvorens zij eene uitstekende punt aan een bochtigen zeeboezem, Lyan-baai genaamd, bereikten.
Hier bevonden zij zich weder op het vasteland.
Het reisplan en de te volgen weg waren met zorg door Sergius en Jan vastgesteld op de uitvoerige kaarten welke zij zich zonder veel moeite in de club te Sitka hadden aangeschaft. Kayette, die met het land goed bekend was, vroegen zij bij deze gelegenheid om raad. Vlug van begrip als zij was, had zij spoedig genoeg wijs leeren worden uit de kaarten die zij haar te zien hadden gegeven. Zij sprak de inlandsche taal met Russisch vermengd, en veel van hetgeen zij wist te vertellen kwam bij het maken van de plannen goed te pas. Het was zaak niet uitsluitend den kortsten, maar ook den gemakkelijksten weg te zoeken om naar Port Clarence, dat op de oostkust van de Straat gelegen is, te komen. Zij kwamen daarom overeen dat de Schoone Zwerfster dadelijk op de groote Youkon-rivier aan zou houden, ter plaatse waar het fort gelegen is dat naar dien breeden stroom genoemd wordt. Dit was ongeveer halfweg, met andere woorden nagenoeg tweehonderdvijftig mijlen van Sitka af. Op deze manier ontweken zij de moeilijkheden welke zij ontmoet zouden hebben indien zij de kust dichter gevolgd hadden, dewijl deze voor een gedeelte met bergen bedekt is. Daarentegen loopt de Youkon-vallei in eene breede vlakte, tusschen eene verwarde reeks van bergketenen in het Westen en het Rotsachtige gebergte door, welk laatste de scheiding vormt tusschen Alaska en de Mackenzie-vallei eener- en Nieuw-Brittannië anderzijds.
Eenige dagen na hun vertrek verloren de reizigers in het zuidwesten de puntige bergspitsen aan de kust uit het oog. Het langst bleven de hooge bergen Fairweather en Elias in het zicht.

Buiten Sitka moest de Schoone Zwerfster eenige malen in ponten worden overgezet. (bladz. 133)
De eenmaal zorgvuldig vastgestelde indeeling der uren waarin gereden en die waarop gerust moest worden, werd streng in acht genomen. Er was niet ééne reden om haast te maken ten einde spoedig aan de Behringstraat te komen, en langzaam maar zeker mocht dus hunne leuze zijn. Vóór alles kwam het er op aan hunne paarden te ontzien, want kwamen die te bezwijken dan konden ze niet dan gebrekkig misschien vervangen worden door een span rendieren. Dat moest dus tot elken prijs voorkomen worden. Daarom werd er iederen middag, nadat zij te zes uur ’s morgens op weg gegaan waren, twee uren halt gehouden; vervolgens reden zij weder zes uren en daarna werd er den geheelen nacht gerust. Op die manier legden zij iederen dag gemiddeld vijf of zes mijlen af.
Hadden zij in den nacht willen doorreizen, dan ware hun dit gemakkelijk gevallen, want, zeide Cascabel, in Alaska bleef de zon niet langer dan noodig was in haar bed.
—Nauwelijks is zij ondergegaan of zij komt weer op, vervolgde hij. Drie en twintig uren in een etmaal is het hier licht en dat kost u niemendal!
Op deze hooge breedte namelijk en gedurende het tijdvak van den zonnestilstand of daaromtrent verdwijnt de zon des avonds te elf uur zeventien minuten en komt ze te elf uur negen en veertig minuten weder voor den dag, zoodat zij slechts gedurende twee en dertig minuten onzichtbaar blijft. De schemering na den zonsondergang vermengt zich dan ook zonder dat het duister wordt met die welke den zonsopgang voorafgaat.
De temperatuur was daarbij warm, dikwijls zelfs broeiig en in deze omstandigheden zou het erger dan onvoorzichtig geweest zijn indien zij gedurende de uren der grootste middaghitte niet halt gehouden hadden. Menschen en dieren hadden veel van deze geduchte warmte te lijden. Het is bijna niet te gelooven dat zoo dicht bij den poolcirkel, de thermometer somtijds tot dertig graden boven nul van de honderddeelige schaal rijst. Toch is dat het geval.
De reis vorderde dus geregeld en zonder bezwaren, maar Cornelia, die veel hinder van de brandende hitte had, klaagde daarover niet weinig.
—Geduld, vermaande haar Sergius. Er zal spoedig een tijd komen dat gij terugverlangt naar hetgeen u nu zoo hindert.
—Naar zulk eene warmte? vroeg zij. Dat nooit!
—Gij zult toch nog meer te lijden hebben van de koude, moeder, zeide Jan, als wij de Behringstraat over zijn en door de uitgestrekte vlakten van Siberië trekken.
—Ik twijfel niet aan hetgeen mijnheer Sergius zegt, hernam Cascabel, maar tegen de warmte valt hoegenaamd niets aan te vangen en tegen de koude kan men zich ten minste met vuur en warme kleederen wapenen.
—Dit is zoo mijn vriend, was het antwoord, en dat is gelukkig ook, want over weinige maanden zult gij het ondervinden hoe bitter koud het daar ginds is. Reken daar maar op!
Na een tijdlang haren weg vervolgd te hebben in de Canons, dat zijn passen welke met grillige bochten tusschen de heuvels van middelmatige hoogte, die het land bedekken, doorloopen, kreeg de Schoone Zwerfster eene onafzienbare vlakte tegenover zich, hier en daar alleen afgewisseld door bosschen van matigen omvang.
Dit was de 3de Juli. Dien dag trokken zij langs het kleine Dease-meer, waar de Lewis, een der hoofdtakken van de Youkon, in ontspringt.
Kayette was hier meer geweest en zeide:
—Jawel, dit is de Cargout, die in onze groote rivier uitkomt.
Zij legde aan Jan uit dat Cargout in de Alaskische taal wil zeggen »kleine rivier.”
Niemand moet denken dat de leden van den troep van Cascabel op dit gedeelte hunner reis, dat evenmin vermoeiend als bezwaarlijk was, verzuimden de lenigheid hunner ledematen, de kracht hunner spieren en de geoefendheid hunner handen door voortdurende oefeningen te onderhouden. Zoo dikwijls de hitte het niet geheel onmogelijk maakte, werd iederen avond hunne legerplaats veranderd in eene kermistent, waarin Sergius en Kayette de eenige toeschouwers waren. Zij sloegen beide de kunsten van het werkzame gezin belangstellend gade, Kayette niet zonder eenige verwondering, Sergius vriendelijk als altijd.
Cascabel en zijne vrouw oefenden zich beurtelings in het oplichten van gewichten en in het werken met de halters; Sander wrong zijn lichaam in allerlei bochten, eene kunst waarvoor hij vermaard was; Napoleona huppelde over het tusschen twee bokken gespannen koord en probeerde nieuwe passen; Kruidnagel verkocht al zijne grappen aan een publiek dat alleen in zijne verbeelding bestond.
Jan zou zeker liever bij zijn boeken gebleven zijn, of gepraat hebben met Sergius, van wien hij veel leeren kon, of Kayette eene les gegeven hebben in het fransch waarin zij snelle vorderingen maakte. Maar zijn vader stond er op dat hij zijne behendigheid als equilibrist niet mocht verliezen en om zijnentwil werkte hij dus met glazen, ringen, ballen, messen en stokjes, zoodat er niets op aan te merken viel. Maar in zijn hart dacht hij aan heel andere dingen.
Intusschen deed het hem genoegen dat er niets kon komen van de plannen zijns vaders om Kayette tot kunstenmaakster opteleiden. Nu het meisje als dochter aangenomen was door Sergius, een vermogend en beschaafd man die tot den deftigen stand behoorde, was hare toekomst verzekerd en behoefde zij niet te werken voor haar brood. Dat maakte den goeden Jan in zijn hart gelukkig, al kon hij er niet zonder smart aan denken dat Kayette nu ook, als zij aan de Behringstraat gekomen waren, afscheid van hen zou moeten nemen. Had zij deel van den troep uitgemaakt als balletdanseres, dan zou dit niet noodig geweest zijn.
Maar Jan hield te veel van haar om niet blijde te wezen dat Sergius zich met de zorg voor het meisje belast had. Hijzelf voelde immers ook eene levendige begeerte om van beroep te kunnen veranderen. Vol verlangen naar eene edeler bestemming, achtte hij zich weinig geschikt voor het beroep van kunstenmaker en niet zelden was het hem gebeurd dat hij zich inwendig schaamde over de toejuichingen, die hem op pleinen en markten om zijne groote behendigheid ten deel vielen.
Op zekeren avond met Sergius wandelende, maakte hij dezen deelgenoot van al zijne wenschen en van zijn heimelijk verdriet. Hij kwam er voor uit dat hij eene, naar het hem voorkwam, rechtmatige eerzucht koesterde om vooruit komen. Misschien zouden zijne ouders er in slagen, door de kermissen af te reizen en hun beroep van kunstenmakers te blijven uitoefenen, nog eenige clowns en andere sujetten aan zich te verbinden en mettertijd een klein fortuin te verzamelen. Maar als dat gebeuren mocht, zou het voor hem toch te laat wezen om eene meer eervolle loopbaan te zoeken.
—Ik schaam mij niet over mijne ouders, mijnheer Sergius. Ik zou ondankbaar zijn als dat het geval was. Zij zijn goed voor hunne kinderen en wat zij in de mogelijkheid waren voor mij te doen, hebben zij gedaan. Maar ik voel dat ik aanleg genoeg heb om eene fatsoenlijke betrekking met eer te vervullen, en ik zie geen kans iets anders te worden dan een arme kunstenmaker.
—Mijn vriend, antwoordde Sergius, ik begrijp volkomen uwe bedoeling. Laat mij u echter zeggen dat onverschillig welk beroep iemand uitoefent, het altijd lof verdient, als hij op eerlijke manier door de wereld komt. Kunt gij u braver lieden voorstellen dan uw vader en uwe moeder zijn?
—Zeker niet, mijnheer Sergius.
—Welnu, blijf hen dan hoogachten even als ik het doe. Het strekt u tot eer dat gij zulk eene loffelijke eerzucht koestert en wie weet wat er in de toekomst nog voor u kan zijn weggelegd. Houd moed mijn jongen en reken er op dat ik voor u doen zal wat ik kan. Gij kunt er van verzekerd zijn dat ik nimmer vergeten zal wat uwe ouders voor mij gedaan hebben. Indien ik er ooit toe in staat ben, dan zal ik ongetwijfeld..........

Houd moed mijn jongen! (bladz. 137.)
Terwijl Sergius zoo sprak, bemerkte Jan dat er als eene wolk over zijn gelaat trok en dat zijne stem eenigszins haperde. Het was alsof hijzelf niet gerust was over zijne toekomst. Beiden zwegen een oogenblik; toen hervatte Jan het gesprek.
—Nu wij toch samen den tocht naar Port-Clarence doen, mijnheer Sergius, begrijp ik niet waarom gij niet verder met ons medegaat? Gij hebt ons immers gezegd dat gij voornemens zijt naar Rusland en naar uwen vader terugtekeeren?
—Dat kan niet Jan, antwoordde Sergius. De onderzoekingen die ik in het verre Westen van Amerika heb aangevangen, zijn nog niet ten einde gebracht.
—En blijft Kayette dan bij u? vroeg de ander.
Dit zeide hij op zulk een treurigen toon dat Sergius er onwillekeurig door getroffen werd.
—Nu ik eenmaal de zorg voor hare toekomst op mij genomen heb, zeide hij, dient zij ook in mijne nabijheid te blijven.
—Als gij met ons medegingt, behoefde zij u niet te verlaten en eenmaal in uw vaderland......
—Mijne plannen zijn nog niet voorgoed vastgesteld. Meer kan ik u er op het oogenblik niet van zeggen. Te Port-Clarence zullen wij nader overleggen. Het is niet onmogelijk dat ik dan uw vader iets anders zal voorstellen en van zijn antwoord zal het afhangen wat er verder gebeurt.
Opnieuw bespeurde Jan dezelfde aarzeling in de woorden van den Rus. Hij wilde niet verder aandringen dewijl hij begreep dat hij dan onbescheiden zou worden, maar na dit gesprek ontstond er tusschen hen beiden eene nog vriendschappelijker verhouding. Sergius had het oprechte, degelijke en in alle opzichten voortreffelijke karakter van den flinken jongen op prijs leeren stellen. Hij spaarde dus geen moeite om hem te helpen in zijne studiën en hem den weg te wijzen dien de jonge man zoo gaarne op wilde. Wat vader en moeder Cascabel betreft, zij zagen met groote voldoening dat een man als Sergius hunnen zoon zooveel belangstelling waardig keurde.
Te midden van dit alles liet Jan het jagersbedrijf echter niet rusten. Sergius was een hartstochtelijk liefhebber en vergezelde hem gewoonlijk op zijne tochten. Dit gaf hun gelegenheid tot menig ernstig en leerzaam gesprek. Aan wild was in deze streek geen gebrek en er liepen hazen genoeg rond om tien karavanen als de hunne van het noodige te voorzien. Bovendien was dit wild niet alleen nuttig voor de keuken, maar ook in andere opzichten had het waarde.
—Kijk eens, zeide Cascabel, zulk een beest geeft ons een lekkeren schotel, maar bovendien loopt het rond met een bonten mantel, een mof, een boa of een deken aan zijn lijf.
—Daar hebt gij groot gelijk in, mijn vriend, antwoordde Sergius, want nadat zij eenmaal hun dienst aan onze maag bewezen hebben, kunnen zij met even veel voordeel in de kleerenkast gebruikt worden. Voor eene koude zooals gij in Siberië zult ondervinden kunt gij geen voorzorgen genoeg nemen.
De hazenvellen werden dus zorgvuldig bewaard en het vleesch, dat niet dadelijk verbruikt kon worden, werd ingezouten om te dienen in den winter, als het wild door de koude uit de poollanden wordt verjaagd.
Gebeurde het echter eene enkele maal dat de jagers geen haas of patrijs thuis brachten, dan ontzag Cornelia zich niet, op de manier der Indianen een kraai of een raaf in den ketel te doen. Zulk eene soep smaakte niet minder goed.
Nu en dan kwam Jan of Sergius ook wel van de jacht terug met een prachtig koppel korhoenders. Bij zulk eene gelegenheid maakten zij goede sier en werd er een waar feestmaal aangericht.
Er bestond dus niet het minste gevaar dat onze karavaan van honger zou omkomen, maar het was ook nog slechts het minst moeielijke gedeelte van de gevaarvolle reis welke zij ondernomen hadden, waar zij op het oogenblik aan bezig waren.
Een van de ongemakken die zij te verduren hadden, en dat wel een van de ergste soort, waren de steken der muskieten. Nu hij zich niet meer op engelschen grond bevond, verwenschte Cascabel dit hinderlijke gedierte uit den grond van zijn hart. De plaag zou inderdaad niet te verduren geweest zijn indien de zwaluwen niet zulk eene geweldige hoeveelheid muskieten verslonden hadden. Maar de zwaluwen zouden spoedig naar zuidelijker gelegen landen verhuizen, want in den omtrek der poollanden vertoeven zij slechts korten tijd.
Den 9den Juli kwam de Schoone Zwerfster aan de samenvloeiing van twee rivieren, waarvan de eene zich in de andere stort. Dit is de Lewis-rivier, wier linkeroever eerst eene wijde bocht beschrijft en vervolgens geheel in de Youkon overgaat. Kayette maakte hen opmerkzaam dat het bovengedeelte dezer rivier ook onder den naam van Pelly-rivier bekend is. Voorbij de plek waar de Lewis zich met haar vereenigt, keert de stroom zich recht naar het noordwesten. Een eind verder wordt zijne richting westelijk, waarna hij spoedig zijne wateren in een ruimen inham van de Behringzee uitstort.

Fort Selkirk. (bladz. 142).
Bij de samenvloeiing van de Lewis en de Youkon ligt weder eene factory, het fort Selkirk, dat echter van minder beteekenis is dan het fort Youkon. Dit laatste ligt ongeveer honderd mijlen verder naar beneden, op den rechteroever der rivier.
De jonge Indiaansche had aan de karavaan na het vertrek van Sitka goede diensten bewezen en zich bij menige gelegenheid een vertrouwbare gids getoond. Vroeger met haren stam in deze streek rondtrekkende, had zij aan de oevers van de grootste rivier in Alaska geruimen tijd doorgebracht. Sergius verlangde in bijzonderheden alles te weten wat op hare kindsheid betrekking had. Dit was grootendeels eene ware lijdensgeschiedenis, een leven vol ontbering en gevaar, terwijl de stam der Indgeletés eerst her en derwaarts trok, steeds kleiner werd en eindelijk geheel wegsmolt, zoodat er van haar familie ten laatste niemand meer overbleef. Het eenige wat zij toen nog kon beproeven, was zich als dienstbode te gaan verhuren bij den een of anderen ambtenaar of koopman te Sitka. Meer dan eens hoorde Jan haar dit treurige verhaal doen en telkens voelde hij het diepste medelijden met de arme verlatene.
In de nabijheid van het fort Selkirk, aan den oever van de Youkon-rivier, ontmoetten zij eenige zwervende Indianen, behoorende tot den stam der Birch-, of zooals Kayette het vertaalde, der Berk-indianen. Behalve de pijnboomen, de Douglas-dennen en de ahornboomen, worden er namelijk in het binnenland van Alaska ook vele berkenboomen gevonden, naar welke deze inboorlingen hunnen naam dragen.
Het fort Selkirk wordt bewoond door eenige beambten van de russisch-amerikaansche handelmaatschappij. Het is eigenlijk niets dan eene stapelplaats van bont en pelterijen, waar de kooplieden der kuststreek op vaste tijden hunne inkoopen komen doen.
Deze lieden waren blijde dat er eenige afwisseling in hun eentonig bestaan kwam en haalden dus de Schoone Zwerfster met groote ingenomenheid in. Cascabel was daarom te eerder geneigd hier een etmaal te vertoeven.
Zij besloten echter op dit punt den reiswagen naar de overzijde der rivier te doen brengen, dewijl anders de overtocht misschien op eene andere plek onder minder gunstige omstandigheden had moeten plaats hebben. De stroom wordt namelijk breeder en sneller naarmate hij eene meer westelijke richting neemt en dichter bij de monding komt.
Dit geschiedde op raad van Sergius, die den loop der Youkon op de kaart nagegaan en bevonden had dat zij op dit punt van hunne reis nog tweehonderd mijlen van Port Clarence verwijderd waren.
De Schoone Zwerfster werd dus met eene pont naar den rechteroever overgezet. Daarbij verleenden niet alleen de bewoners van het fort hunne hulp, maar ook de in den omtrek gelegerde Indianen die zich met de vischvangst op de rivier bezig houden.
De komst der karavaan was voor hen eene heugelijke gebeurtenis, want in ruil voor hunne hulp bij het overvaren, waren de reizigers in staat den Indiaanschen stam een gewichtigen dienst te bewijzen, waar zij niet weinig dankbaar voor waren.
Hun opperhoofd lag op dat oogenblik gevaarlijk ziek, ten minste het had er allen schijn van. Hij had echter geen andere geneeskundige hulp en geen medicijnen onder zijn bereik dan de geestenbezweerder van den stam en de middelen die bij deze soort van lieden sedert onheugelijke tijden in gebruik zijn. Sedert eenige dagen hadden zij het opperhoofd midden op het dorpsplein nedergelegd, waar dag en nacht een groot vuur brandende gehouden werd. De Indianen zaten in eenen kring rondom hem en zongen in koor een smeekgebed aan den grooten Manitou, hun oppersten god, terwijl de geestenbezweerder al zijne kunsten in het werk stelde om den boozen geest, die in het lichaam van den lijder gevaren was, daaruit te verjagen. Teneinde zekerder van zijne zaak te zijn, beproefde hij zelfs dien geest in zijn eigen lichaam te doen overgaan, maar het bleek een koppige geest te zijn, die zijne verblijfplaats niet verkoos te verlaten.
Gelukkig bezat Sergius eenige kennis van de geneeskunde. Door zijn hulp kwamen zij in het bezit van doeltreffende middelen om den zieke beter te maken.
Nadat Sergius den lijder onderzocht had, kwam hij er spoedig achter wat hem schortte. Uit de reisapotheek der Schoone Zwerfster haalde hij een krachtig braakmiddel, dat beter werkte dan al de bezweringen van een geestenbanner ooit hadden kunnen doen.
De waarheid was dat het Indiaansche opperhoofd zijne maag overladen had. De thee, die hij sedert twee dagen bij kommen vol inzwolg, was niet in staat geweest dit te verhelpen.
Tot groote voldoening van zijnen stam, schoot hij er dus het leven niet bij in. Dit beroofde de familie Cascabel van het schouwspel der plechtigheden, waarmede de begrafenis van een Indiaanschen potentaat vergezeld gaat. Het woord begrafenis is hier echter niet juist gekozen, want de Indianen zijn niet gewoon de lijken onder den grond te verbergen; maar hangen ze eenige voeten boven de aarde in de vrije lucht op. Teneinde hun hiernamaals van dienst te kunnen zijn, leggen zij in de doodkist de pijp van den overledene, zijnen boog, zijne pijlen, zijne sneeuwschoenen en de bonte kleedingstukken van meer of minder waarde die hij des winters gewoon was te dragen. Aldus toegerust wordt hij door den wind, gelijk een kind in zijne wieg, in den eeuwigen slaap heen en weder geschommeld.

Zij hadden het zieke opperhoofd op het dorpsplein nedergelegd waar dag en nacht een groot vuur brandende gehouden werd. (bladz. 143.)
Na een verblijf van vier-en-twintig uren te Selkirk namen de Cascabels weder afscheid van de bewoners en de Indianen. Hun eerste oponthoud aan den oever der rivier had hun niet kwaad bevallen. Zij moesten nu de Pelly-rivier langs trekken over eenen hobbeligen oever die het de paarden soms lastig genoeg maakte. Eindelijk den 27sten Juli, zeventien dagen na hun vertrek van fort Selkirk, kwam de Schoone Zwerfster in het fort Youkon aan.