XI. Sitka.
Reading edition
Sitka, of Nieuw-Archangel, ligt op het eiland Baranow op de westkust van Amerika. Het is niet alleen de hoofdplaats van dit eiland, maar de hoofdstad der geheele provincie welke nu aan de regeering der Vereenigde Staten afgestaan was. Het is tevens de eenige stad van eenigen omvang in dit gewest, waar voor het overige niets dan vlekken, of onbeduidende dorpen, op grooten afstand van elkander worden aangetroffen. Eigenlijk zouden deze nederzettingen beter factorijen of posten genoemd worden, want het zijn meerendeels kantoren van amerikaansche handelsvennootschappen of van de engelsche Hudsonsbaai-compagnie. Het is dus licht te begrijpen dat de middelen van gemeenschap tusschen deze posten veel te wenschen overlaten, vooral in den winter wanneer Alaska door hevige stormen geteisterd wordt.
Eenige jaren geleden was ook Sitka nog eene weinig bezochte handelsplaats, waar eene russisch-amerikaansche handelsvereeniging zich van bontwerk en pelterijen voorzag. Langzamerhand is echter de geheele provincie meer bekend geworden bij de reizigers, die hunne onderzoekingen uitstrekken tot in de poolstreek, waar het land aan grenst. Onder haar tegenwoordig bestuur zal de stad ongetwijfeld spoedig eene eervolle plaats gaan innemen onder de hoofdsteden van de Staten der amerikaansche Unie.
Toenmaals vond men te Sitka reeds eenige gebouwen, die eene plaats het karakter van eene stad geven. Er was eene luthersche kerk, een eenvoudig gebouw, maar dat uitwendig toch eenige vertooning maakte; eene grieksche kerk met een koepeldak, dat eenigszins zonderling afstak tegen de grauwe wolken die gewoonlijk het zwerk bedekten, geheel andere dan in het Oosten waar deze gebouwen thuis behooren; verder eene club en eene openbare wandelplaats, waar inwoners en vreemdelingen tevens koffiehuis hielden, verschillende hotels en gaarkeukens, kegelbanen en andere plaatsen van bijeenkomst, nog eene club voor ongetrouwde heeren alleen, eene school en een hospitaal, benevens verscheidene aanzienlijke huizen en buitenplaatsen die op en tusschen de heuvels in den omtrek verstrooid lagen. De stad wordt omsloten door een woud van denneboomen, waarin zij als tusschen een kleed van altijd durend groen verscholen ligt. In de verte steken de spitsen van hooge bergen daarboven uit. De meest bekende is de berg Edgecumbe op het eiland Crouze, noordelijk van Baranow, waarvan de kruin zich ongeveer achtduizend voeten boven het vlak der zee verheft.
De weersgesteldheid is te Sitka niet bijzonder ruw. De thermometer daalt er zelden beneden de zeven of acht graden Celsius, hetgeen zeker niet koud is als men in aanmerking neemt dat de stad op 56 graden noorderbreedte ligt. Daarentegen zou zij gevoegelijk eene »waterstad” genoemd kunnen worden, want het regent er bijna altijd, alleen afgewisseld door sneeuw. Het was dus niets bijzonders dat onze karavaan, na met paarden en al in de veerpont te zijn overgezet, onder eene slagregen haren intocht te Sitka hield. Daarover klaagde Cascabel echter niet. Hij was veel te blijde dat hij, na zoo lang in de nabijheid van het beloofde land te zijn opgehouden, er nu zonder paspoort of formaliteit in mocht.
—Ik heb al meer dan eens in mijn leven een buitenkansje gehad, zeide hij; maar zoo iets buitengewoons is mij nog nooit overkomen. Daar stonden wij voor eene deur die wij niet open konden krijgen, en zie, op eens heeft zij zich van zelve voor ons geopend!
Het was zeker wel toevallig dat het tractaat, waarbij Alaska in andere handen was overgegaan, juist op het geschikte oogenblik geteekend was om de Schoone Zwerfster toe te laten, ongehinderd over de grens te komen. Aan deze zijde daarvan vond zij nu niet meer van die onhandelbare ambtenaren of zulk eenen overvloed van formaliteiten, door welke de russische overheid berucht is.
Het zou nu het eenvoudigste zijn den gewonden rus naar het hospitaal ter verdere verpleging te vervoeren of naar een logement, waar hij geneeskundige hulp had kunnen krijgen. Maar toen Cascabel hem dit voorstelde, had hij er geen zin in.
—Ik voel mij volmaakt wel, mijn vriend, zeide hij. Als ik u dus geen overlast aandoe.....
—Overlast? vroeg Cornelia, wat bedoelt gij daarmede, mijnheer?
—Gij zijt bij ons zoo goed als of gij thuis waart, voegde haar man er bij, en als gij meent.....
—Wel, ik ben van meening dat het voor mij het beste is te blijven bij de lieden aan wier zorgen ik mijn leven te danken heb.....
—Spreek daar niet van, mijnheer, hernam Cascabel. Maar het zou toch wenschelijk zijn dat er spoedig een dokter naar u kwam kijken.....
—Zou die niet hier kunnen komen?
—Wel zeker. Ik zal er terstond op uitgaan om te vernemen, wie de knapste dokter in de stad is.
De Schoone Zwerfster had dicht bij de eerste huizen van Sitka, aan het einde eener met boomen beplante wandelplaats die uitloopt op een uitgestrekt woud, halt gehouden. Daar kwam dokter Harry, dien Cesar als de voornaamste in de stad had hooren noemen, den rus bezoeken.
Na de wond nauwkeurig onderzocht te hebben, zeide de arts dat zij niet bijzonder gevaarlijk was geweest, daar het dolkmes op eene ribbe was afgestuit zoodat er geen van de voornaamste levensorganen getroffen was. Dank zij de compressen met koud water en de kruiden die het Indiaansche meisje had doen trekken, had het litteeken zich goed gevormd en zou de genezing spoedig zoo ver gevorderd wezen dat de lijder na eenige dagen weder zou mogen opstaan. Zijn toestand was dus zoo gunstig mogelijk. Reeds nu begonnen zijne krachten, door het versterkende voedsel dat hij gebruikte, weder aan te komen. Maar dit nam niet weg dat als Kayette hem niet had vinden liggen en moeder Cascabel door hare goede zorgen het verdere bloedverlies niet voorkomen had, hij binnen weinige uren nadat de aanslag op hem gepleegd was, den geest gegeven zou hebben.
Dokter Harry hield het er voor dat deze moord het werk moest wezen van booswichten, behoorende tot de rooverbende van Karnof of van Karnof zelven, die in het oostelijke gedeelte der provincie rondzwierf. Dit was een boosdoener uit Rusland, of juister uit Siberië afkomstig, die over eenen troep deserteurs het bevel voerde, zooals er overal in de russische bezittingen in Azië en Amerika worden aangetroffen. De politie had te vergeefs hare beste speurhonden op hen afgestuurd en groote belooningen uitgeloofd voor ieder die de benden wist te vatten. De vermetele schurken waren het nog altijd ontkomen en verspreidden door de diefstallen en moorden die zij pleegden, schrik in het geheele land, voornamelijk op de zuidelijke grens der provincie. De veiligheid van het verkeer, de ruilhandel in pelterijen, alles werd door deze roovers gestoord en aan hen moest zonder twijfel ook de aanslag op de beide reizigers worden toegeschreven.
Het bezoek van den arts gaf dus aan de familie Cascabel alle reden tot tevredenheid over den toestand van haar zieken gast.
Cascabel was altijd van plan geweest te Sitka eenige dagen rust te nemen, want de karavaan had daar, na eenen tocht van bijna zevenhonderd mijlen van de Sierra Nevada af, groote behoefte aan. Bovendien hoopte hij in deze stad een twee- of drietal vertooningen te geven, waarvan de opbrengst hem weder goed te stade zou komen.
—Wij zijn nu niet meer in Engeland, zeide hij, maar in Amerika. Voor Amerikanen, kinderen, mogen wij weer toonen wat wij kunnen.
Mijnheer Cascabel twijfelde geen oogenblik of de roem van zijnen naam moest tot de bevolking van Alaska doorgedrongen zijn. Ieder te Sitka had zeker reeds tot zijnen buurman gezegd:
—De familie Cascabel bevindt zich in ons midden!
In deze plannen werd echter eenige verandering gebracht tengevolge van een gesprek dat Cascabel twee dagen later met den vreemdeling voerde. Eenige dagen rust bleven, na de vermoeiende reis die zij achter den rug hadden, onontbeerlijk. De russische heer, die in de oogen van Cornelia voor niets minder dan een prins doorging, had nu vernomen dat de brave lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was, slechts arme kermisreizigers waren. Alle leden van het gezin waren aan hem voorgesteld, evenals Kayette, de Indiaansche, zijne redster.
Op eenen avond toen de geheele familie bijeen was, vertelde hij hun van zijne levensgeschiedenis zooveel als voor het oogenblik noodig was dat zij wisten. Hij drukte zich met veel gemak in het fransch uit, bijna alsof het zijne moedertaal was, alleen liet hij zijne r’s een weinig vallen, hetgeen aan het fransch, zooals het door russen gesproken wordt, iets krachtigs en nadrukkelijks geeft waardoor het oor niet onaangenaam wordt aangedaan.
Wat hij te verhalen had, was zeer eenvoudig en er liep weinig avontuurlijks of van romanesken aard onder.
De naam van den rus was Sergius Wassiolowitch, en voortaan noemden allen hem, met zijne toestemming, Mijnheer Sergius. Hij had geen andere bloedverwanten dan zijn vader, die in het gouvernement Perm, niet ver van de stad van dien naam, woonachtig was. Gedreven door reislust en door liefhebberij voor aardrijkskundige ontdekkingen en onderzoekingen, had mijnheer Sergius drie jaar geleden zijn vaderland verlaten. Hij had de landen in den omtrek der Hudsonsbaai doorreisd en was thans voornemens eenen tocht door Alaska te doen, langs de Youkon-rivier tot aan de Poolzee. De omstandigheden onder welke hij door roovers overvallen werd, waren de volgende.
Hij en zijn knecht Iwan hadden des avonds van den 4den Juni een nachtkwartier bij de grens gezocht, toen zij in hun eersten slaap door moordenaars overvallen werden. Twee mannen wierpen zich op hen; zij ontwaakten, sprongen overeind en poogden zich te verdedigen, maar de ongelukkige Iwan stortte bijna terstond ter aarde, door eenen kogel in het hoofd getroffen.
—Het was een trouwe en eerlijke bediende, voegde mijnheer Sergius er bij. Sedert tien jaren leefden wij te samen, hij hield veel van mij en ik betreur in hem een oprechten vriend.
Mijnheer Sergius deed geene moeite om zijne aandoening te verbergen en zoo dikwijls hij over Iwan sprak, kon men aan zijne vochtige oogen zien dat zijne smart niet voorbijgaand van aard was.
Hij verhaalde verder dat hij zelf in de borst verwond geworden en zijn bewustzijn kwijt geraakt was. Van hetgeen er verder gebeurd was, wist hij niets tot op het oogenblik toen hij, weder bij kennis komende, niet had kunnen begrijpen waar hij zich bevond, maar alleen dat hij met vriendelijke en medelijdende menschen te doen had.
Cascabel verhaalde hem dat de aanslag voor het werk gehouden werd van Karnof of van een paar kerels zijner bende. Dit achtte mijnheer Sergius ook waarschijnlijk, want hij had reeds vroeger hooren zeggen dat die roovers de grensstreek onveilig maakten.
—Zooals gij ziet, dus eindigde hij, is er niet veel bijzonders aan mijne lotgevallen en zeker minder dan aan de uwe. Na mijne onderzoekingsreis door Alaska volbracht te hebben, was ik voornemens naar Rusland en mijnen vader terug te keeren en het ouderlijke huis nooit meer te verlaten. Maar vertel mij nu ook eens iets van uwe geschiedenis, en in de eerste plaats hoe het komt dat een gezelschap fransche reizigers hier in dit afgelegen gedeelte van Amerika komt te zwerven?
—Kermiskunstenaars, mijnheer Sergius, trekken immers overal heen, antwoordde Cascabel.
—Ja, dit weet ik wel, maar ik ben er toch over verbaasd dat ik u hier aan het andere einde der wereld aantref!
—Jan, hervatte Cascabel, vertel gij maar eens aan mijnheer Sergius hoe het komt dat wij hier zijn en hoe wij ons reisplan naar Europa gemaakt hebben.
Jan verhaalde nu alles wat aan de bewoners der Schoone Zwerfster overkomen was sedert hun vertrek uit Sacramento. Teneinde ook door Kayette verstaan te worden, sprak hij Engelsch, dat mijnheer Sergius zooveel noodig aanvulde met eenige woorden in de Chinouksche taal. Het indiaansche meisje luisterde met de meeste aandacht. Zij kwam nu te weten wie de familie Cascabel was, aan welke zij zich reeds zeer gehecht voelde. Jan verhaalde hoe de reizigers van al hun geld bestolen waren in een der bergpassen van de Sierra Nevada, dien zij doortrokken om naar de kuststreek van den Atlantischen Oceaan koers te zetten. Hoe zij, de middelen niet meer hebbende om hunne plannen ten uitvoer te brengen, besloten hadden in de richting naar het Oosten denzelfden tocht te doen, dien zij naar het Westen hadden willen volbrengen. Hoe zij den voorkant hunner rollende woning naar het Oosten gewend hadden en den Staat Californië, Oregon, het Washington-territorium en Britsch-Columbia doorgetrokken, maar op de grens van Alaska, tot staan gebracht waren. Hoe de russische grensbewakers hun onverbiddelijk den toegang geweigerd hadden, hetgeen echter door de uitkomst eene gelukkige omstandigheid gebleken was, dewijl zij tengevolge van dit oponthoud in de gelegenheid geweest waren mijnheer Sergius te hulp te komen. Hoe het dus kwam dat fransche kermisreizigers, en wel Normandiërs, indien men hen naar het hoofd van het gezin mocht noemen, zich nu te Sitka bevonden, waar alleen de inlijving van Alaska bij de Vereenigde Staten het hun mogelijk gemaakt had te komen.
Mijnheer Sergius vernam met groote belangstelling alles wat hem verteld werd, maar hij kon zijne verwondering niet verbergen toen hij te weten kwam dat zij plan hadden met de Karavaan geheel Siberië door te trekken, teneinde langs dien weg in het Oosten van Europa aan te landen. De anderen begrepen echter niet waarom hij zich daarover verbaasde.
—Alzoo, mijne vrienden, begon hij, toen Jan uitgesproken had, is het uwe bedoeling, als gij Sitka verlaat, uwen weg naar de Behringstraat te nemen?
—Gewis mijnheer Sergius, antwoordde Jan, en zoodra die zeeëngte toegevroren zal zijn, trekken wij haar over.
—Dat is een lange en bezwaarlijke tocht dien gij ondernemen gaat, mijnheer Cascabel.
—Lang is hij zeker, mijnheer Sergius, en bezwaarlijk zal hij ook wel wezen. Maar wat zullen wij doen? Wij hebben geen keus. Wij kunstenmakers geven voor het overige niet om wat moeite en zijn gewoon in de geheele wereld rond te zweven.
—Ik vermoed, dat gij er niet op rekent om op die manier dit jaar nog in Rusland te komen?
—Dat kan niet, antwoordde Jan, want de Behringstraat kunnen wij niet over vóór de eerste dagen van October.
—In elk geval, hernam Sergius, is het een avontuurlijk en stoutmoedig plan.
—Dat is mogelijk, zeide Cascabel, maar er was geen ander te bedenken. Gij moet weten, mijnheer Sergius, dat wij allen aan heimwee lijden. Wij willen en zullen naar Frankrijk terug! Onze weg voert langs Nisjni en langs Perm, in den tijd dat daar kermis gehouden wordt, en wij zullen ons best doen om er geen kwaad figuur te maken.
—Maar welke middelen hebt gij tot uwe beschikking?
—Wij hebben op weg hierheen reeds iets verdiend en hier te Sitka, waar wij eenige voorstellingen hopen te geven, denken wij onze spaarpot weder te zien aangroeien. Er is juist feest ter eere van de inlijving bij Amerika en ik houd het er voor, dat het geëerde publiek over de familie Cascabel te vreden zal zijn.
—Gaarne zoude ik mijne beurs met u deelen, antwoordde de rus, wanneer ik ook niet bestolen was...
—Maar dat zijt ge niet, mijnheer Sergius, viel Cornelia hem in de rede.
—Zij hebben u geen halven roebel afgenomen, voegde Cesar er bij.
Hij verwijderde zich een oogenblik en kwam terug met den gordel, waarin al het geld was dat de gewonde bij zich had gehad.
—Nu het zoo gelegen is, mijne vrienden, wilt gij toch wel eenig geld van mij wilt aannemen.....
—In geenen deele, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel. Ik wil volstrekt niet, dat gij ons helpt ten koste misschien van u zelven.
—Verkiest gij dus niet met mij te deelen?
—Zoo stellig mogelijk: neen!
—Gij zijt echte Franschen! zeide Sergius, terwijl hij hen hartelijk de hand drukte.
—Leve Rusland! riep de kleine Sander.
—En leve Frankrijk! antwoordde Sergius.
Het was zeker voor het eerst, dat die dubbele uitroep in dit afgelegen gedeelte van Amerika vernomen werd.
—Maar nu hebt gij genoeg gepraat, kwam Cornelia tusschen beide. Mijnheer Sergius, de dokter heeft u bevolen u kalm en rustig te houden en een zieke mag nooit verzuimen te doen wat zijn geneesheer zegt.
Ik wil mij gaarne aan u onderwerpen; mevrouw Cascabel, antwoordde de rus. Maar ééne vraag, of liever één verzoek heb ik nog te doen.
—Zeg ons wat gij verlangt, mijnheer Sergius.
—Ik heb u zelfs eene gunst te vragen....
—Welke gunst?
—Gij begeeft u dus naar de Behringstraat. Wilt gij mij vergunnen u tot daar te vergezellen?
—Verlangt gij met ons te reizen?
—Ja, ik was immers voornemens geheel Alaska in oostelijke richting door te trekken.
—Nu wij kunnen niet anders zeggen, dan dat het ons groot genoegen zal doen, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel.
—Op ééne voorwaarde echter, zeide Cornelia.
—Wat is dat?
—Dat gij alles doen zult om heelemaal beter te worden, en zonder tegen te spartelen.
—Ook ik heb nog eene voorwaarde, namelijk, dat als ik met u mede ga, ik ook mijn deel in de reiskosten zal betalen.
—Daarmede kunt gij doen zooals gij verkiest, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel.
Alles was nu tot wederzijdsch genoegen geschikt, maar het hoofd van den troep meende niet af te mogen zien van zijn voornemen om op de groote markt te Sitka eenige voorstellingen te geven. Hij hoopte daarmede eer en voordeel te behalen, want in de geheele provincie heerschte eene feestelijke stemming, tengevolge der inlijving en de Schoone Zwerfster had op geen gunstiger oogenblik in de hoofdstad kunnen komen.
Zooals van zelf sprak, had Cascabel van den moord-aanslag op den rus en diens bediende aangifte bij de politie gedaan. Het gevolg hiervan was dat er terstond bevelen gegeven werden om de bende van Karnof op de grens van Britsch-Columbia nog ijveriger te vervolgen.
Den zeventienden Juni mocht Sergius voor de eerste maal uit. Hij voelde zich veel beter en dank zij de zorgen van dokter Harry was zijne wond zoo goed als genezen.

Den zeventienden Juni mocht Sergius voor het eerst uit. (Zie bladz. 126).
Hij maakte nu ook kennis met de andere leden van het gezelschap, met de honden die vroolijk tegen hem opsprongen, met Jako, wien Sander geleerd had: »Hoe vaart mijnheer Sergius?» te zeggen, en met John Bull, die zijn vriendelijksten grijns tegen hem trok. Ook de twee trouwe oude paarden, Vermout en Gladiator, hinnikten van pleizier toen hij ze op een stuk suiker trakteerde. Sergius was nu voorgoed in het gezin opgenomen even als Kayette. Hij had reeds het degelijke karakter, het goede verstand en het streven naar kundigheden boven zijnen stand opgemerkt, waar de oudste zoon zich door onderscheidde. Sander en Napoleona had hij lief om hunne vroolijkheid. Kruidnagel, goedhartig en dom als die was, mocht hij gaarne lijden. Voor mijnheer Cascabel en zijne vrouw koesterde hij eene oprechte hoogachting, want hij had hen als brave lieden leeren kennen.
Intusschen hielden zij zich ijverig bezig met de toebereidselen voor hun aanstaand vertrek. Er mocht niets verzuimd worden om den goeden uitslag van hunne reis, over eene uitgestrektheid van vijfhonderd mijlen tot aan de Behringstraat, te verzekeren. Het land, ofschoon weinig bekend, was niet onveilig. Wilde beesten of kwaadwillige Indianen, hetzij zwervende of vast gevestigde, werden er niet gevonden. Zonder eenig bezwaar konden zij in de verschillende factorijen, waar de beambten der pelterij-compagnieën verblijf hielden, de noodige rust nemen. Het voornaamste was dat zij zich van alle noodzakelijke levensbehoeften voorzagen op eene reis door een land waar zoo goed als niets te krijgen was, behalve hetgeen de jacht hen opleverde.
Over al deze punten werd dus op zekeren dag, in tegenwoordigheid van Sergius, beraadslaagd.
—In de eerste plaats, begon Cascabel, hebben wij in aanmerking te nemen dat wij niet gedurende het ruwste gedeelte van het jaar onzen tocht ondernemen.
—Dat is gelukkig ook, merkte Sergius op, want hier in Alaska, zoo dicht bij den poolcirkel, zijn de winters niet om mede te spotten.
—Bovendien gaan wij niet blindelings op weg, zeide Jan, vooral niet nu wij zulk een bekwaam aardrijkskundige als mijnheer Sergius bij ons hebben.
—Nu, wat dat betreft, antwoordde Sergius, een aardrijkskundige is niet slimmer dan een ander mensch, wanneer hij zijnen weg heeft te zoeken in een land waar hij niet bekend is. Met ons beiden echter, Jan, en met behulp van uwe kaarten, waar gij zoo goed thuis op zijt, zullen wij ons wel redden. Bovendien heb ik nog een plan waar ik u later wel eens over zal spreken....
Als Sergius een plan had, kon het niet anders dan goed wezen. Daarvan hielden allen zich overtuigd en zij lieten hem dus met rust om er op zijn gemak over te kunnen denken.
Zij hadden nu geld genoeg bijeen en Cascabel deed een goeden voorraad op van meel, reuzel, rijst, tabak en vooral thee, welke in Alaska in verbazende hoeveelheid gebruikt wordt. Ook kocht hij hammen, vleesch in blikken, beschuit en eenige potten ingelegd vleesch van eene russisch-amerikaansche maatschappij. Aan water behoefden zij geen gebrek te hebben als zij de Youkon-rivier en hare zijtakken volgden, maar om het smakelijker te maken voorzagen zij zich van suiker en cognac, of eigenlijk Vodka, eene soort van brandewijn dien de russen drinken en die bij hen voor eene lekkernij doorgaat. In de bossen konden zij brandhout genoeg vinden, maar toch werd de Schoone Zwerfster beladen met eene ton beste Vancouver-kolen. Meer dan eene ton mocht niet, want het was zaak den wagen niet al te zwaar te belasten.
Intusschen hadden zij in het tweede vertrek van het rijtuig eene tijdelijke slaapplaats ingericht, waar Sergius gebruik van zou maken, met goed beddegoed er in. Er werden ook de noodige dekens gekocht even als hazenvellen, die de Indianen des winters gebruiken om zich te verwarmen. Voor het geval dat zij onderweg nog in de noodzakelijkheid mochten komen om het een en ander aan te koopen, nam Sergius een kleinen voorraad glazen sieraden, katoenen stoffen en goedkoope messen en scharen meê, waar de ruilhandel met de inboorlingen mede gedreven wordt.
Voor de jacht was het vooruitzicht gunstig, want er is in dit land overvloed van grof wild, zooals herten en rendieren, en van kleiner, zooals hazen, korhoenders, patrijzen en wilde ganzen. Kruit en lood werden dus naar behoefte ingeslagen en Sergius kocht bovendien nog twee geweren en eene karabijn, waarmede het arsenaal van de Schoone Zwerfster verrijkt werd. Hij zelf was een ervaren schutter en stelde er zich veel van voor, gezamenlijk met zijnen vriend Jan op de jacht te kunnen gaan.
Dit was te meer nuttig dewijl in den omtrek van Sitka het land misschien onveilig werd gemaakt door de bende van Karnof en het dus te pas kon komen dat zij in staat waren die roovers naar verdienste te onthalen.
—Als die schavuiten, wier voornaamste eigenschap het niet is bescheiden te zijn, ons het een of ander komen vragen, merkte Cascabel op, weet ik geen beter antwoord dan een kogel in hun ribbenkast....
—Of het moest zijn in hun hersenpan, voegde Kruidnagel er zeer bedachtzaam bij.
Om kort te gaan, onze reizigers waren in de gelegenheid in de hoofdstad van Alaska, waar een drukke handel gedreven werd met verschillende steden in Columbia en met de zeehavens aan den Stillen Oceaan, zich van alles te voorzien wat zij voor eene langdurige reis in een schaars bewoond land noodig konden hebben, en dat wel zonder buitensporige prijzen te betalen.
Eerst in de voorlaatste week van juni waren al deze toebereidselen afgeloopen. Het vertrek werd bepaald op den 26sten. Vóórdat de Behringstraat geheel toegevroren lag, kon er aan geen overtocht gedacht worden, zoodat zij al den tijd hadden om de reis te ondernemen. Maar er moest ook gerekend worden op onvoorziene hinderpalen en oorzaken van oponthoud, zoodat het beter was een weinig te vroeg op te breken dan te laat. Te Port-Clarence, gelegen aan het strand der zeeëngte, konden zij desnoods rust houden en het geschikte oogenblik afwachten om naar de Aziatische kust over te steken.
Wat voerde intusschen het Indiaansche meisje uit? Dat is spoedig genoeg te vertellen: zij hielp met overleg moeder Cascabel bij alles wat zij voor den tocht in orde te brengen had. De brave vrouw had voor de vreemdelinge eene genegenheid opgevat alsof zij hare dochter was; zij hield bijna even veel van haar als van Napoleona en voelde iederen dag hare gehechtheid sterker worden. Zij hadden trouwens allen Kayette hartelijk lief en dit goede kind smaakte zonder twijfel een geluk dat zij nooit gekend had zoolang zij met haren stam rondzwierf. Het oogenblik dat zij van de familie Cascabel gescheiden zou worden, werd dus door ieder met leedwezen tegemoet gezien. Toch kon dat niet anders. Zij stond alleen op de wereld en was naar Sitka gekomen met het plan daar eene plaats als dienstbode te zoeken om, misschien onder treurige omstandigheden, haar brood te verdienen.
—Daarom, zeide Cascabel nu en dan, heb ik mij wel eens afgevraagd of onze Kayette,—ik zou haar wel mijn vogeltje willen noemen—als zij lust en aanleg had om dansen te leeren, niet wat beters kon beginnen. Wat zou zij eene knappe balletdanseres kunnen worden! Of indien zij smaak had in paardrijden, wat zou zij een goed figuur maken in een paardenspel! Ik ben zeker dat zij te paard zou zitten als een Centaurus!
Mijnheer Cascabel geloofde in allen ernst dat de centaurussen mannen te paard waren geweest en niemand had hem dat uit zijn hoofd kunnen praten.
Maar Jan schudde het hoofd als hij zijnen vader zoo hoorde praten en Sergius begreep wel dat de bedachtzame en stille knaap heel anders dan zijn vader dacht over de genoegens en voordeelen van koorddansen, paardrijden en andere kermiskunsten.
Er werd dus veel over Kayette gedacht en gesproken, over hare toekomst en over hetgeen haar te Sitka te wachten stond. Dit baarde hen allen veel zorg, maar den avond vóór hun vertrek kwam Sergius, met het Indiaansche meisje aan de hand, in den kring van het gezin.
—Mijne vrienden, zeide hij, ik heb geene kinderen, maar nu bezit ik tenminste eene aangenomen dochter. Kayette heeft er niets tegen, mij als haar vader te beschouwen en ik kom voor haar een plaatsje vragen in de Schoone Zwerfster.
Met vreugdekreten werd dit nieuws begroet en het »vogeltje” werd met liefkozingen overladen. Het meisje had met dankbaarheid het aanbod van Sergius aangenomen, en mijnheer Cascabel kon niet nalaten, terwijl zijne stem van ontroering trilde, te zeggen:
—Mijnheer Sergius, dat is braaf van u!
—Wat is er voor bijzonders aan? vroeg de rus. Gij hebt toch niet vergeten hoeveel verplichting ik aan Kayette heb? Zonder haar was ik niet meer in leven; wat is dus natuurlijker dan dat ik haar als kind aanneem?
—Welnu, hernam Cascabel, laat ons dan samen deelen. Wees gij haar vader mijnheer Sergius; maar ik ben haar oom!