Ritters Hans. (continued 2)
Reading edition
In de levendigste kleuren was Ritter, en ook zijn voornamen bewaker, opnieuw datgene voor den geest gekomen, ’t geen zij beiden nooit vergeten, doch waaraan zij zoo gaarne—ofschoon om zeer verschillende beweegredenen—de herinnering zouden hebben verloren.
Ja, de weinige woorden die Brolet, na de herkenning, met den jager wisselde, zij verlevendigden in beider gemoed zoo krachtig ’t geen er omstreeks zeven en twintig jaar geleden was voorgevallen.
’t Was een stormachtige Octobermorgen. Door den mullen zandweg tusschen de Overijselsche plaatsjes Oldenzaal en Ootmarsum werd een fraaie reiskoets, door twee jonge paarden langzaam voortgetrokken. De heer en de dame daarin gezeten, wenschten nog vóór den nacht Bentheim te bereiken, alwaar ze eenige dagen dachten te vertoeven alvorens zich naar de plaats hunner bestemming—Westphalens hoofdstad—te begeven.
Ze hadden het zwaar genoeg die paarden! De Noordoosten wind, waartegen ze moesten opwerken, joeg hen het zand in de snuivende neusgaten. De koetsier liep naast het rijtuig, in de eene hand de teugels houdende, en met de andere aan den rand van zijn hoed. Ook de oude huisknecht had, door af te klimmen, den last der bruinen verlicht, en antwoordde, door het portierglas heen, gedurig op de vragen der meewarige dame, en stelde haar gerust,—de bruintjes zouden de reis wel goed maken.
Plasregens, die voor weinige dagen de zandwegen in stroomen herschiepen, hadden op sommige plaatsen gaten veroorzaakt, die den viervoetigen betreders reeds eenige malen een buitengewone kniebuiging hadden afgedwongen.
“Ho! ho!” had het eensklaps van de heizijde geklonken; doch de waarschuwende stem kwam te laat, want reeds lagen de beide paarden met de voorpooten in een gat ’t welk, met afgewaaide bladeren gevuld, hunne opmerkzaamheid had verschalkt. De man, die voor weinige minuten met zijn kruiwagen om plaggen te steken was uitgegaan en óók in de diepte van het gat was geraakt, bracht, dewijl zich geen andere hulp in den omtrek bevond, het zijne bij, om de paarden weer op de been te helpen. ’t Gelukte; doch Juno, de bijdehandsche, had den rechterpoot dermate verstuikt, dat hij den koetsier aanzag als wilde hij zeggen: “Hoe zal dat verder gaan?” De heer en de dame, die na het ongeval terstond het rijtuig hadden verlaten, vernamen van den koetsier, dat Juno “inkapabel” voor de reis was, en dat er raad moest geschaft worden zoo mijnheer en mevrouw Bentheim nog vóór den nacht wilden bereiken.
Terwijl de heer, aldus begeleid, naar Scholte Roerd was getrokken, om ter vervanging van Juno een van diens vierspan ter hulp te vragen, was mevrouw—na het arme paard te hebben gestreeld—op de plaats toegetreden waar “het schaap” lag. ’t Was een kind, dat nog maar weinige maanden oud scheen te zijn. Zij kreeg medelijden met het arme wicht, ’t welk een dot in het mondje had, waaruit de kracht—zoo die er in was geweest—reeds lang moest verdwenen zijn. ’t Was een aardig, ja zelfs een mooi kindje, en in weerwil dat de gure wind het gezichtje verkleumde, lachte het toch toen de dame het vriendelijk aanzag en ratada zei.
Ja, de voorname dame had erg medelijden met het arme kindje, en ze streelde het met haar mof in ’t gezichtje, en ’t kriebelde wel, maar toch, het lachte er van; en mevrouw kwam ook al eens met den vinger op ’t lijfje: kiesewiesewiet, en dan kraaide het, zoodat ze ’t hoe langer hoe akeliger vond om het wormpje daar op den kouden grond te laten liggen. Ja, ze had het schaapje opgenomen—hoewel ze van de vuile plunje wat vies was geweest—en had het met zich gedragen en in het rijtuig gelegd. Gretig had het bloedje de kruimels genuttigd, welke de dame het vervolgens had toegevoegd, en toen mevrouw eindelijk de trommel, waarin zich haar proviand bevond, had gesloten, omdat de kleine niet meer lustte, toen begon ze achter haar mof kiekeboe te spelen, en ’t kindje lachte alweer, en.... zij pinkte een traan weg.
De heer had den man, toen deze zijn verhaal had geëindigd, heel vriendelijk toegesproken, en gezegd, dat zoo’n kindje toch inderdaad een heele troost moest wezen, er bijvoegende, dat vele en zelfs voorname lieden, vruchteloos naar zulk een schat verlangden, hetgeen de man op zijne beurt allemaal best wou gelooven, maar ook opmerkte, dat ze dan niet in zijn geval moesten wezen, hij kon Hanske toch moeielijk mee naar stad nemen als ie de bezems en boenders ging brengen, zijne hut lag alleen, buurvrouwen waren er niet, en zie je, dan hing het schaap soms vier uren achtereen in den band aan ’en spijker, zoodat hij, terugkomende, ’t geschreeuw wel een kwartier ver over de hei hoorde klinken.
Toen de beide mannen al meer en meer de hoeve van den Scholte naderden, ving de heibewoner een ander gesprek aan, ’t welk ten doel had om den heer uit het rijtuig van de onnoemelijke schatten des Scholtens een denkbeeld te geven. Alles was van Scholte Roerd: die schaapskooi, die schapen, dat bosch, die landerijen, alles, alles wat de heer naast of vóór zich zag en,.... hoe was hij er aangekomen?
“En waarvoor wilde je grootvader sparen?” had de heer gevraagd, die gedurende het verhaal over iets anders gedacht, en slechts de laatste woorden verstaan had.
“Wel, hei’j dan geen ooren meer?” had de bezemman geantwoord: “ik zei immers, om ’en paard te krijgen, maar ’t is er nooit toegekomen weet ie, en m’n vader kon er ook niet bij, en ik—wat zou ik, hé! ’k ben al blij da’k het leven hou, en zoo’n schaap lust ook wel wat anders dan keisteenen.”
Scholte Roerd, wiens grootvader, zooals de overlevering zeide, door een paard—wij zouden zeggen door een meisje—rijk was geworden, had den vreemden heer vriendschappelijk ontvangen en te woord gestaan. Gaarne had hij zich bereid verklaard, den heer met een fraai span bruintjes, ’t welk binnenkort naar de markt zou, tot aan Bentheim te varen. Gaarne, want de Scholte was trotsch op de dieren, en ’t was hem de reis wel waard om ze eens in ’t heerentuig voor een mooi rijtuig te zien.
Nog wel een uur had de dame den tijd gehad om met de kleine in het rijtuig kiekeboe te spelen alvorens zij de karavane over de hei zag naderen.
Scholte Roerd had—toen men met het tweespan nabij de plaats des ongevals was gekomen—terstond met het oog eens kenners, de fraaie Juno onderzocht. Nu hij het paard eens liet loopen, had het kootgewricht zich niet—zooals zulks in den gezonden toestand het geval is—teruggebogen, zoodat het welzeker verstuikt moest wezen. Het gewricht zwol gaandeweg erger, terwijl het maar al te zichtbaar was, dat de minste drukking het arme dier een hevige smart veroorzaakte. “Dadelijk wasschen met keukenzout, water en azijn!” had Roerd gezegd, en de koetsier, die er toch ook verstand van meende te hebben, had van een mengsel klei met eau de goulard gesproken, om welken raad hij echter door den lompen boer—zooals hij den Scholte heimelijk noemde—werd uitgelachen. Wie vond er klei op de hei! en welke boer in den omtrek hield er o’ de goelaar op na!? Dat had de Scholte gevraagd, en wij vragen, wie dáár de domme was?
Terwijl men ook Diaan had afgespannen, en de Scholte, met behulp der mannen, de fraaie tuigen vergespte, ten einde ze voor Mieke en Treeske pasklaar te maken, en hij gedurig riep, wat of ze van z’n bruintjes zeiden, was de heer, half buiten half binnen het rijtuig, in een zacht maar belangrijk gesprek met de dame gewikkeld.
Weinige oogenblikken nadat de heer zich met haaste van het portier had verwijderd, heeft hij, op eenigen afstand van het rijtuig, een niet minder belangrijk onderhoud met den heibewoner gehad. Een glans van verrukking heeft zich over het gelaat van den armen man verspreid.—Een paard.... dát paard voor hem! En zijn schaap, zijn Hanske: een rijkeluiskind! O zeker, hij deed het,—wanneer de heer en mevrouw, op handslag beloofden, dat ze het goed zouden oppassen, en er altijd voor zorgen.
Ja,—zoowel de heer Brolet als de arme jager, hadden zich dat voorval op de heide met de meeste levendigheid herinnerd, en, dat de eigenaar van het rijtuig de eerstgenoemde, en de plaggensteker de man was, die nu bij zijn dooden Hans lag, zal men voorzeker reeds terstond vermoed hebben.
Toon Ritter had zijn “deerntje” nog eenige kussen gegeven, alvorens hij het portier zag sluiten. Scholte Roerd, naast den koetsier gezeten, had de zweep doen klinken; het rijtuig was van die plaats verdwenen, en Toon, die bij zijn kruiwagen met het mooie paard was achtergebleven, had het rijtuig nageoogd, totdat Diaan,—door den huisknecht, die in het bakje zat, bij den halster gehouden—om den hoek van het akkermaalshout, waar de weg zich kromde, verdwenen was.
In den aanvang had de arme Ritter zich rijker dan de rijkste Scholte gedroomd, en alles aangewend om de spoedige herstelling van het dier te bevorderen, waarvan hij zich zulke gouden bergen beloofde. Roerd was den volgenden morgen teruggekeerd, doch, zonder zijn bruintjes. De rijke heer had ze hem gaarne afgekocht, want waarlijk, ze pareerden best, en ze liepen als hazen! ’t Sprak van zelf, dat het voorval in den omtrek ruchtbaar werd, en naarmate zulks meer en meer het geval was, kreeg Ritter minder vrede met Juno, en dacht meer aan zijn Hanske, dat, de hemel wist waar, in de wijde wereld zat. Vooral de vrouwen uit den omtrek vielen hem danig hard, dat hij zoo’n bloedje, “z’n eigen vleesch toch,” had afgestaan, terwijl zij, die hem het meest benijdden, er zeker van waren, dat er op dat paard geen zegen zou rusten.
Ja, al mocht Toon Ritter, met den schrikkelijk gedegradeerden Juno, die, hoewel genezen, al spoedig de duidelijkste sporen van minder goede dagen vertoonde, wat meer verdienen dan hij het tot hiertoe gedaan had, hij vreesde hoe langer zoo meer dat de voorspelling bewaarheid, en Juno hem niet zou aanbrengen “wat de kerresier den grootvader van Roerd had gevaren.”
Somwijlen, wanneer Ritter des avonds aan zijn ontslapene Mie heeft gedacht, was hij angstig geworden, totdat hij eindelijk het plan had gevormd om, kostte wat het wilde, zijn Hanske op te zoeken.
Helaas! alle pogingen waren vruchteloos geweest, en, dewijl zelfs de naam van den heer met het rijtuig hem onbekend was gebleven, moest ten laatste de hoop wel verdwijnen om tot het gewenschte doel te geraken.
Nog drie jaren was Ritter, na die ontmoeting op de heide, in het oord gebleven, waar hij het eerste daglicht aanschouwde; maar toen ook was hij de plek, die hem gestadig aan “de zondige daad” herinnerde, plotseling en in stilte ontvloden. Met het paard, ’t welk hij den naam zijner verworpene kleine gaf, en waaraan hij hoe langer zoo meer de liefkozingen schonk, die hij thans zoo gaarne aan zijn kind had gegeven, trok hij op Holland aan: misschien dat daar.... Maar neen, God zou hem niet helpen, die zijn eigen bloed had verkocht; en het denkbeeld wortelde diep, dat die rampzalige daad hem de eeuwige pijn zou bezorgen.
Wat er verder van Ritter werd, is hoofdzakelijk reeds vermeld geworden. Eerst gedurig van domeingrond verdreven, bouwde hij—ruim vier en twintig jaren geleden—zijn ellendige woning op grond aan den ouden baron Tolenveld behoorende, en wij hoorden het reeds, hoe des barons, wel zeer natuurlijke sloopzucht, in ’t einde schipbreuk leed op de onoverwinlijke bouwzucht van den armen jager.
En wat gevoelde die, voor zijn tijd vergrijsde arme nu? Wij wagen het niet er een volledig antwoord op te geven; alleen weten wij, dat het hem was, alsof er een hamer gestadig in zijn gloeiend voorhoofd klopte, snel, onbegrijpelijk snel, en dat iedere bons hem den naam in de ooren dreunde van het gestorven dier, waarvoor een onbegrijpelijke liefde Gods hem het verstooten kind wilde terugschenken. Hij dankte gedurig den Groote, die alles kan, voor een zegen hem nog op aarde geschonken, terwijl de vreugde hem hier reeds bereid, zijn hoop deed kiemen—dat het “daarboven nog wel terecht komen zou.”
En zou de arme zich bedriegen? Had zijn berouw geen liefde gewekt? Was zijn hoop niet gebouwd op den Eenige, die almachtig is? Voorzeker!—Maar zie, de deur van het schuurtje wordt geopend, en zonder dat Toon haar bemerkt, treedt zij, die uit het korte verslag van Brolet, aan zijn gade gegeven, de ijselijkste waarheid vernam, het doode paard voorbij en op den lijder toe.
Zonderling! op dat gelaat, ’t welk ons straks de diepste verslagenheid teekende, lezen wij in dit oogenblik, behalve een uitdrukking, welke wij met den naam van medelijdend afgrijzen zouden bestempelen, eene fierheid, die het gevolg van een schitterende verwachting moet wezen. Ja, voorzeker, zij is zich immers altijd bewust geweest voor iets groots, iets edels geboren te zijn. En nu die plotselinge ontdekking, dat zij niet is de dochter van hen, die zich hare ouders noemden, maar, een aangenomen kind!—Ja, de hoop heeft haar namelooze smart gestild, de hoop, dat de roman, waarvan zij zich eensklaps tot heldin zag verheffen, schitterend zal ontknoopt worden. Een oogenblik staat zij bij den man stil, die, zonder de oogen te openen, verscheidene malen achtereen den naam noemt van haar, die zich zoo nabij hem bevindt.
“Je paard is dood, arme man!” zegt Jeannette, terwijl het geluid van haar eigen stem haar in dit oogenblik een huivering aanjaagt.
Ritter slaat de matte oogleden op, en staart het meisje onafgebroken aan, terwijl zijn mond weder gedurig den naam doet hooren, die hem in het hoofd dreunt.
“Daar ligt hij,” herneemt Jeannette, op het paard wijzende, maar voegt er als in eenen adem bij: “Spreek, goeje man, wat is er van het kind, dat je voor een dier hebt kunnen verruilen? Zeg, heb je bewijzen van haar afkomst? Spreek, zoo je herstelt, zal ik je schitterend beloonen.”
“Och, Hans! Hansje! Hans!” klinkt het als te voren. De grijze doffe oogen staren het meisje hoe langer zoo strakker aan, en terwijl Ritter een vruchtelooze poging waagt om zich op te heffen, en Jeannette ontsteld een schrede achterwaarts doet, roept hij akelig: “O God!—is zij—is zij—mijn Hans,—mijn Hanske,—mijn kind!?”
Nogmaals is het de trots die Jeannettes boezem doet jagen. Zij kan de ontzettende waarheid niet gelooven. Met haaste nadert zij weder den man, grijpt zijn magere hand, en zegt op gejaagden toon: “Ja, ja, ik ben het kind, waarvoor men je dat paard in ruil gaf; maar om Gods wil, verzwijg het niet: wie waren mijne ouders?.... Toe! zeg het; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken. Spreek dan! spreek! maak mij niet ongelukkig!”
De arme eenvoudige jager met het immer bonzende hoofd, geheel gevuld met die eene gedachte: God is mij genadig! hij had de bedoeling der vraag niet gevat. Hij had alleen gehoord: “Ik ben het kind; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken.” Ja, nogmaals wilde zij van hem hooren, dat hij werkelijk haar vader was; en met nog pijnlijker stem dan te voren, sprak hij, terwijl hij flauw de hand drukte die de zijne had gegrepen: “Hanske,—dame,—ja,—God zegt mij—dat je mijn kind, mijn Hanske bent. Hanske die ik verstiet.—Ik kan—niet spreken.—Als—wij—in den—hemel—elk—an—der weerzien—zal—ik je alles—ver—tellen; en dan—zal je me—ook verge—ven hé!—dan—zal ik je—de hand boven—’t hoofd houwen,—net als ik Hans, in de plaats—van jou dee.—God, ja God kan—alles—al—les!”
En toen—toen bleef zijn mond wel open, maar hij sprak niet meer; toen bleven de oogen wel opgespalkt, maar aardsche dingen aanschouwden ze niet langer, want de God, die alles kan, had het wonder gewrocht dat niemand een wonder noemt: Hij had den geest ontbonden van het stof; eene ziel overgebracht naar het huis waarin vele woningen zijn.
Hebt gij deernis met den overledene....? O! heb het niet; maar wél met haar, die op den arm des pleegvaders geleund,—want ook deze was ongezien van het sterven des jagers getuige geweest—met pijnlijk snikken het schuurtje verlaat, waar haar trots werd geknakt en—Gods almacht zoo treffend was verkondigd.
“Je komt te laat vrinden!” zei Leendert de huisknecht tot een meisje dat, door een jongeling begeleid, het hek van Water-zicht was binnengetreden, en gevraagd had, of ze Toon Ritter eens zien en spreken mocht.
“Te laat!” zeiden Grietje en Geurt—want zij waren het—schier te gelijk; en het meisje voegde er bij: “Maar zeg, hij is toch niet dood?”
Op een weinig kiesche wijze gaf Leendert een bevestigend antwoord; en Grietje, die wij veel verzwakt en vermagerd vinden, drukte het voorschoot voor hare oogen, en Geurt riep met innige bezorgdheid: “Och, Grietje, maak je nou niet van streek; ik zei immers wel dat het er om houwen zou!”
Of Geurt al beweerde, dat het haar te veel zou aandoen den gestorvene nog eens te zien, het weenende meisje bleef op dat verlangen aandringen. Al was hij dood, toch wilde zij hem nog eenmaal aanschouwen, die in den ellendigsten toestand niet had geaarzeld, haar van een wissen dood te redden. Geurt moest toegeven, en Grietje trad aan zijn zijde het schuurtje binnen, maar ontstelde minder dan Geurt zulks vermoed had, toen zij het lijk van den grijzen man, zoo nabij dat van zijn dooden makker zag liggen. Zij had hem voorheen ook meermalen nabij het paard zien slapen, maar dan, alsof lichaams- of zielesmart hem kwelde; en nu.... nu lag hij zoo kalm, zoo onbeweeglijk; en, starende op het lijk, drukte zij den arm van Geurt, en zei zacht: “Toon heeft het nu beter bij God. Wat was hij ongelukkig!”
Die woorden klonken vertroostend voor den jongeling in wiens binnenste gedurig eene stem sprak: Gij hebt den dood van Toon en zijn makker verhaast.—Ja Grietjes woorden verlichtten zijn gemoed, maar ook zij brachten hem tot het levendig bewustzijn, dat de zegen des Allerhoogsten niet rust op de ongeoorloofde middelen, waarmee men een goed doel meent te bereiken.
En ze gingen te zamen weer heen, Grietje en Geurt, en ze zeiden niets; en Grietje bracht de haring in ’t koolblad gewikkeld, aan hare moeder terug; een mootje zou Toon misschien verkwikt hebben; maar, Toon at geen haringen meer, en de werkvrouw vond het een ijselijkheid dat ze door Grietjes ziekte zoo niets had kunnen toebrengen om Toon te gerieven.
De gebeurtenis, welke de heer Brolet een toeval genoemd had, bracht een groote verandering in het vreedzame leven, maar ook in de gemoederen der bewoners van Water-zicht te weeg. Eene waarheid, zoo’n aantal jaren met de meeste zorg verborgen, voor wier aan ’t lichtkoming met vreeze was gewaakt, en welker ontdekking—door een huwelijk bedreigd—de schrandere diplomaat, nog weinige uren geleden, zeker meende te voorkomen, zie, een vreemd, een zeer vreemd, een ontzettend vreemd toeval, had haar op ’t onverwachtst aan ’t licht gebracht. Aan ’t volle licht; want, ondanks de verwijderingszorgen door Brolet genomen,—men herinnert zich die vertrapte klitsbladen en brandnetels juist onder het schuurraampje, waardoor het dienstpersoneel gegluurd heeft—ging het verhaal in den omtrek weldra van mond tot mond: “De juffrouw van de nieuwe lui op Water-zicht, is ’en eigen dochter van Toon Ritter! je weet wel, van den jager dien ze ook al de witte noemden, en die nu dood is.”
We zeiden, die gebeurtenis bracht verandering in het vreedzame leven. Ja, een ontzettende! want het kind der armoede, opgevoed in een stand die niet de hare was; voor wie men het gebod: “gij zult uw ouders eeren,” door haar zelfs niet met haar ware afkomst bekend te maken, had krachteloos gemaakt; wier liefde men had begeerd, en wie men een onbegrensde liefde had toegedragen,—een liefde welke zich echter niet had geopenbaard in een streven naar genezing van haar zielekwaal,—het hooghartige maar tevens beklagenswaardige meisje, was door het gebeurde op ’t allerhevigst geschokt geworden; de aanbrekende morgen vond haar in een onopwekbare dofheid; den middag bracht ze in koortsig ijlen door; en tegen den avond werkten haar sterk geschokte zenuwen dermate hevig, dat de geneesheer die ijlings was ontboden, ten zeerste voor een verstandsverbijstering beducht was.
En nu, zie ze daar zitten, de echtelieden, in weinige dagen zichtbaar verouderd. Zijn ze niet gestraft voor een daad, die een zedelijke roof mag genoemd worden? Een roof, want ja, ze hebben niet het kind eens armen opgevoed, maar zij hebben der armoede afgekocht wat God niet wil dat verkocht worden zal. Ze hebben wettig willen bezitten wat hun niet wettig kon toebehooren; ze hebben in stede van gelukkig dat kind der heide ongelukkig gemaakt.
Maar toch, heb medelijden! Zie, daar gaat de diplomaat met het hoofd ter neergebogen, door de lanen van zijn landgoed; voor weinige uren heeft hij een uiterst beleefden brief van den baron, zijn buurman ontvangen, waarin deze “om familie-omstandigheden als anderszins,” meent van de hand van mejuffrouw Brolet te moeten afzien, terwijl hij HEd. een spoedige herstelling toewenscht. Zie, hij staat daar stil, wendt den blik naar den achtergevel van zijn huis; staart eenige oogenblikken op het venster der kamer, waarbinnen de arme Jeannette door hare pleegmoeder met nog twee verzorgsters bewaakt wordt; wischt de tranen weg die langs zijn kaken biggelen, en terwijl hij daarna, schijnbaar toevallig, het oog op dat schuurtje aan ’t einde der laan doet rusten, is het alsof de laatste woorden, die er aan den mond des stervenden ontvloden, en hem sinds dien stond zoo gedurig het hoofd doorwoelden, opnieuw, maar krachtiger in de ooren klinken: “God kan alles!”—God kan alles!
Zie, Brolet loopt weder voort; staat later nog eens stil; werpt weder den blik naar het venster waar zij zich bevindt, die de vermogens der rede verloor: en zie hoe hij onder een tranenstroom de oogen naar hooger wendt, en hoor hem zuchten: “Maak haar gezond, en ik zal gelooven, God, dat Gij bestaat, en dat alles Uw werk is!”
Reeds hadden schrale nachtvorsten de heerlijk bloeiende dahlia’s verslapt en ontkleurd, en over ’t beukenloover een bruine tint verspreid, en nog altijd bleef Jeannettes rede in enge banden gekluisterd, en nog altijd weenden hare opvoeders. Maar, had de vrouwe reeds sinds lang vertrouwend den blik naar den Hemel gewend, ook de diplomaat zeide niet meer: “God, maak haar gezond en ik zal gelooven!” maar in stilte en luide: “God, Gij kunt alles! o! Almachtigste, o mocht het zoo wezen!”
En,—er was vreugde in den hemel, groote blijdschap. De zwakke mensch had zijn afhankelijkheid aan een hoogere macht in ootmoed beleden.
’t Was een schoone middag van een der laatste Octoberdagen. Jeannette op den arm harer pleegmoeder geleund, doorwandelde sprakeloos en met strakken blik, de slingerpaden achter het huis. Brolet ging aan haar andere zijde. Een hoek omslaande, stond eensklaps Leendert voor de zwijgende wandelaars, en verhaalde, naar den adem hijgende, dat hij overal naar de familie gezocht had, tot achter in de plaats bij den grooten vijver toe, want, dat er een heer was gekomen, die zijn naam niet wou zeggen, maar dien hij toch dadelijk had herkend, dezelfde uit Den Haag, die er in ’t voorjaar geweest was, en, Leendert dacht er bij: die uit verliefdheid z’n fooi vergat.
Brolet wenkte den knecht dat hij terug zou keeren, en nadat de pleegvader, achter den rug van het meisje om, een beteekenisvollen blik met zijn gade had gewisseld, gevoelde hij eensklaps zijn hand door Jeannette vatten, en zag, hoe zij den blik tot hem opsloeg, terwijl ze zachtkens zeide: “Oscar Halmon.”
Zie, zie, hoe geheel verschillende van den eersten blik, de tweede geweest is, welken de verbaasde echtelieden met elkander wisselden.
Ja, een onbeschrijfelijke verrukking maakte zich van hen meester. Voor de eerste maal na dien verschrikkelijken nacht, had zij het bewijs gegeven, dat haar rede nog vatbaar voor een gezonde werking was.
Ofschoon Oscar Halmon bitter teleurgesteld na zijn eerste bezoek op Water-zicht, in zijn woonplaats was wedergekeerd, ofschoon hij zich ten zeerste had verwonderd dat hij geen enkel woord van oom of tante vernam, daar hij toch eenige malen een vriendschappelijken brief had gezonden, toch was hij niet minder met belangstelling aan Water-zicht, en met innige liefde aan zijne nicht blijven denken, die, “zooals van zelf sprak,” evenmin eenig antwoord op zijn vluchtig geschreven briefje gezonden had.
Vervuld met het doel om hooger te klimmen ten einde zijn wensch te verwerven, had Oscar, door de loffelijkste middelen er naar getracht een voordeeliger post te bekomen. Voor weinige dagen was dat streven met een gewenschten uitslag bekroond geworden, en hij, die niets had vernomen van ’t geen er gedurende den zomer op Water-zicht voorviel, hij spoedde zich met zijne aanstelling naar het Stichtsche, om meer te verwerven:—de vrouw zijner keuze.
En ja, hij was het—de eenmaal verstooten en verloochende jongeling,—die de eerste vonken der wederkeerende rede mocht doen gloren.
Oscar, met alles bekend gemaakt, ontmoette denzelfden avond het meisje dat, door een indrukwekkende bleekheid, hem schooner toescheen dan te voren. Zij zag hem. Eerst bleef zij roerloos staan, beschouwde hem met een rustigen blik, doch, toen hij haar naam had genoemd, drukte zij eensklaps haar beide handen voor de oogen, en weende tranen, de eerste weldadige tranen na dien akeligen nacht.
Sedert twee jaren staat het buitengoed Water-zicht ledig. Oscar Halmon is met het herstelde pleegkind van oom en tante Brolet, Hanske Ritter, in den echt getreden. Zij wonen in een fraai huis te ’s Gravenhage, en de oudelui hebben een woning twee huizen verder.
Hansje Halmon, de gelukkige gade, zij was in een harde leerschool geweest, maar ja, zij had er geleerd, hoe God de hoovaardigen kan treffen, en met innigen dank voor hare redding, ondervindt zij het nu, hoe wezenlijke liefde in eenvoud des harten, veredelt en waarlijk gelukkig maakt.
Wel verre van te huiveren bij het herdenken van haar afkomst, eert zij de nagedachtenis van een vader, die om harentwille zooveel zielesmart had geleden; zij zegent Gods bestiering, die haar den vader deed hervinden, tot zijn eigen vrede, en tot welzijn van haar tijdelijk en eeuwig heil, en, nabij die plek waar eenmaal de hut van den grijsaard stond, kocht zij een kleine hoeve, waarin zij het paar gelukkig maakte, ’t welk dien armen vader had liefgehad.
En de diplomaat....? Hij heeft met zijn gade God gedankt. Hij gelooft, ja hij gelooft aan een hoogere Macht, al begrijpt hij de wereld en hare raadselen niet.
Ritters Hans stierf, maar Ritters Hanske leeft nog, en eenmaal hoopt ze haar arme ouders der aarde, rijk en zalig in den hemel weder te zien.