Note 5 — Ritters Hans. (continued 2)
Reading edition
“Weet je,” had de man weder gezegd: “mijn grootvader heeft den zijne gekend toen hij net zooveel had als er nu op m’n hand leit. Wat deed ie?.... Van werken en sjouwen had ie duiten appart geleid, en, toen ie tien gulden bij mekaar gekoejoneerd had, toen ging ie naar de Deventersche paardenmarkt, en kocht er ’en afgedankte kerresier, die ook al voor de dillejans had geloopen. Hoe hij ’t aanlee wist grootvader niet best, maar dat ie krooi en rooi en soms laat nog aan ’t varen5 was, dat had ie zelf wel gezien. De eenige deern van Scholte Dikkers had ie eens toevallig opgelaajen, hoe, en waar, en wat, dat wist ie ook niet, maar zie je, ze wier olik naar hem, en, toen het eindelik zou en moest, toen kreeg hij ze binnen ook. Weet je, mijn grootvader zei altijd: “dat heeft hem de kerresier gevaren,” en, spaarde eiges altijd zooveel als ie kon, maar as ’t maar ’en gulden of drie liep dan kwam er ’n kink in de kabel en—op ging het weer.”