← Table of contents
Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap

De vriend van den huize.

Reading edition

“Heel lief, Suus, speel maar gerust door; ik hoor je best al praat ik. De Reeverie hé? Allerliefst!”

“Neen, de Waanzinnige wals!”

“Ah juist, de Waanzinnige wals; die andere is, als je zoo gauw met de vingers moet tikkelen, precies! Ja wel, ik hoor je heel goed.—Wat ik ook zeggen wilde mijnheer.... er is weinig bijzonders op die verkooping; de burgemeester schijnt geen liefhebber van mooie boeken te zijn geweest. Eenige Grieksche, Latijnsche, Hebreeuwsche, Fransche en Duitsche werken, maar vuil, weinig werken van smaak. ’k Had zoo gehoopt dat de werkjes van.... och!? er compleet zouden zijn, dezelfde van wien ik u laatst “De min” heb voorgedragen, toen u allemaal zoo moest lachen.—Suze, als ik om moet slaan, roep me dan maar.—Neen, die goeje man heeft weinig met de “letterituur” op gehad.—Och! op een dorp! Behalve hier en nog een paar families, heb ik volstrekt geen liefhebberijen gevonden.—Er was beeldig porselein mevrouw, lange leizen, zes merken. O wacht Suze.... Zie zoo!”

De persoon, die van de piano, waar hij voor het spelende meisje ’t muziekblad had omgeslagen, naar zijn stoel bij den warmen haard terugkeerde, heette Barend Flitz, en was de eenige zoon van mijnheer Flitz en mejuffrouw Flitz, geboren.... dat weet ik niet.

Wat mijnheer Flitz Senior in vroegere dagen geweest was, ’t zij stukadoor of metselaar, of wat ook; sommigen waren wel zeer nieuwsgierig geweest om daarvan het rechte te weten, doch, nadat de heer Flitz Junior, op Vredelust bij den rijken heer Gliekke vriendschappelijk werd ontvangen, overtuigd als deze was dat de heer Flitz Senior fatsoenlijk rentenierde, en zijn zoon—candidaat-notaris, eenmaal ook notaris zou worden, hield men het in ’t dorp ook voor vast, dat de candidaat Flitz, die op ’t kantoor van Van Saffelen “in de leer was,” de zoon van fatsoenlijke lieden moest zijn.

Wij zullen u, waarde lezer, niet langer met de Flitzen bezig houden, maar alleen den jongen candidaat wat nader beschouwen, om daarna den slappen draad van het gesprek weer op te vatten.

Barend was acht en twintig jaren oud, zijn gelaat, niet onaangenaam van uitdrukking, bezat echter niets, ’t welk het een of ander deed verwachten. Wilt gij zijn signalement?

Voorhoofd, rond; oogen, bruin; neus, ordinair; mond, dito; kin, ovaal; haar bruin; baard ros; (collier d’amour); merkbare teekenen.... Ja, merkbare teekenen, dat was voor den steller van Barends reispas, toen deze weinige jaren geleden, een Duitsch reisje—naar Cleef—maakte, een moeielijke taak geweest om in te vullen, want om te zetten: “een bult” dat was wat erg, “een hooge rug” dat stond zoo vreemd, en, als hadde hij dat merkbare teeken niet bemerkt, zette hij, tot Barends overgroote vreugde zoo’n krommige streep, zoodat de candidaat toen tot de volle overtuiging kwam, dat.... de menschen ’t niet eens zagen.

Barends karakter?—’t Woord in den zin van hoedanigheden, want Barend kon niet precies een man van karakter genoemd worden,—zijn karakter was werkelijk niet slecht. De jonge Flitz was beleefd, goedgeefsch, kerksch, netjes op zijn kleeren. Of hij eenmaal van veel talenten rekenschap zou hebben af te leggen, dat gelooven we niet, maar toch, Barend sprak veel over zijn talenten. Ten eerste speelde, of liever blies hij de fluit, zonder zich evenwel machtig veel om al die vreemde poespas van woorden te bekreunen, waar een muziekstuk doorgaans “mee gelardeerd is.” ’t Woord Andante vond hij nog steeds een vreemde meisjesnaam, en dat Suze den jonkman volstrekt niet begrepen had toen hij eens op de woorden Andante con Expressione wijzende, lachende had aangemerkt, dat dit alweer een stuk expres voor Andante was, valt licht te begrijpen, doch,.... waar is de jonge dame, die een jonkman een aardigheid hoort debiteeren waarom hij zelf lacht, en vragen durft: “Wat meent u?” Men maakt niet gaarne een mal figuur.

Enfin, Barend was een fluitist, en een “resitateur,” zooals hij ’t noemde, zoogoed als de beste rederijker. ’t Schip van Klaassens kon hij verschrikkelijk doen krakken, en terwijl zijn hoofd een brandende lont scheen, in de lucht doen bersten dat men er koud van werd—waarbij de beide handen dan aantoonden dat de lucht boven het hoofd was.

Dichten?—Ja, een dichter, daar wilde hij zich “niet zoozeer voor uitgeven.” Maar een versje, om, “onder de roos voor te dragen,” ja dat wou hij niet ontveinzen. Onder anderen één, over de wolken, waar hij, heel aardig, de plaats van den ouden heer, een buitentje in de provincie Holland dat Wolkensteijn heette, in had te pas kunnen brengen, doch welk Wolkensteijn hem drie slapelooze nachten had gekost, dewijl er in de heele Dictionnaire geen rijmwoord voor “Steijn” was te vinden geweest. De grootste dichters zouden er voor gestaan, of zooals Flitz zeide “op gezeten” hebben. Had de plaats Wolkenstijn geheeten, dan had “vader Rijn“groote dienst kunnen doen, of Wolkenstein, dan had “klein” een geschikt rijmwoord kunnen worden, maar met die ongelukkige eij was er geen licht gekomen, zoodat hij—wel jammer—Wolkensteijn uit de wolken had moeten laten. Soms viel Barend—volgens eigen verklaring—en wel bij “perferentie,” in ’t komieke. In ’t soort pas genoemd, had hij iets over kraamvisites gemaakt, waar hij alles in te pas had gebracht tot....

“Een suikre muis, In kluis.”

Waarlijk, de aspirant-notaris was niet kwaad, niet onaardig, en kon nog al doorslaan. De notaris Van Saffelen beweerde, dat hij heerlijk mooi kopieerde, en, in ’t omberen was Barend van zessen klaar. Misschien dat de heer Gliekke daarom de conversatie met den jongen Flitz zoo bijzonder aangenaam vond; althans drie malen in de week was ’t vast dat Barend op Vredelust ging dineeren om daarna wat te musiseeren, te résiteeren, te praten, en ten slotte—dat heet van halfacht tot halfelf—een partijtje te maken.

Barend was in Holland geboren, en kwam op zijn vijftiende jaar naar het Geldersche dorp B., om er van den genoemden notaris, die in de Haarlemsche Courant een jongeling ter opleiding had gevraagd, die opleiding te ontvangen.

Dertien jaren woonde hij alzoo in het vreedzame dorp, en, was Barend in de weinige fatsoenlijke huizen—dat wil zeggen, de huizen waarin tapijten liggen en voor welks ramen meubelgordijnen hangen—tamelijk reçu, ’t heette algemeen dat hij op Vredelust de huisvriend was, en, niet alleen dat het zoo heette, maar ’t was ook zoo.

Ofschoon wij beloofden, na een nadere beschouwing van den heer Flitz Jr., terstond weer den draad van het gesprek te zullen opvatten, zoo nemen wij toch de vrijheid—’t gaat geregelder in eens door—om nog met een paar woorden van de leden te spreken, die te zamen het gezin uitmaken waarvan Barend de huisvriend is.

Mijnheer Gliekke had nog al aardig “gekoopmand”; hij moest er, na al wat men zag en hoorde, warmpjes inzitten. Een zwakke gezondheid, zoo beweerde men, had den man doen besluiten het werkzame vermoeiende stadsleven met het stille gezonde Geldersche dorpsleven te gaan verwisselen, doch de plattelands-heelmeester verzekerde, dat hij in de zes jaren dat Gliekke te B.... woonde, geen tien gulden aan hem verdiende, zoodat hij de goede, vroegere bewoonster van Vredelust, die altijd zoo schrikkelijk sukkelde, wel tienmaal daags uit Holland terugwenschte; terwijl de dorps-apotheker telkens met een vuistslag beweerde, dat het een schandaal van ’t gouvernement was, dat er geen belasting op die ellendige huis-apotheekjes bestond, wanneer ze althans van elders werden meegebracht.

Mijnheer Gliekke was.... mijnheer Gliekke. De man, die een werkzaam leven geleid heeft, kan zich moeielijk aan lediggang gewennen, maar ’t gaat toch beter dan dat een lediglooper zich aan drukken arbeid gewent, althans mijnheer Gliekke klaagde nooit over zijn tegenwoordigen staat. ’t Moet echter ook gezegd worden, dat hij nog altijd werkzaam was. ’s Zomers vischte hij, en liep de spergebedden af; als ’t herfst werd ging hij geregeld driemalen daags de geheele plaats door om de lijsterstrikken na te zien en, kwam de jacht open, dan jaagde hij, trots den wankelenden staat zijner gezondheid, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, ten minste hij liep met ’t geweer; en ’s winters, ja, dan las hij, en knoopte netten, en ontving visites, maar was dán eerst recht op zijn dreef, wanneer hij met Flitz en mama aan ’t ombertje zat.

Mama was, evenals haar echtvriend, een heel best mensch. Ze schikte zich buiten heel goed. De komedies en concerten in stad betreurde ze niet, want daar had ze genoeg van, en och! daar zat het geluk toch niet in. Ze leefde voor haar huis; maar veel conversatie, dáár hield ze ook niet van.

Suze! Ha! denkt de lezer, daar krijgen wij weer gitzwarte oogen, en golvende lokken, en albasten boezems, en krijtwitte handjes en. satijnen kleedjes, en poppenvoetjes, die er onder uitkomen.

Verschooning, ditmaal niet. Wij kunnen op ’t oogenblik dien romantoon niet vatten, en willen omtrent Suze alleen onzen Barend hooren zooals hij zich over haar aan een vriend der kinderjaren uitliet, toen die vriend hem te B.... kwam bezoeken.

“’En aardige meid,” zei Flitz: “z’ Is niet groot, maar ook lang niet klein; al sloeg je me dood, dan zou ’k niet weten hoe d’r haar is.... blond!.... bruin!.... neen toch blond!.... afin! ’t doet er ook niet toe; donker blond weet je; aardige oogjes, ze kan je d’r zoo mee aanzien, en de muziek leest ze d’r mee van ’t blad, net als jij of ik de krant; ’t neusje is nog veel kleiner dan dat van d’r mama,”—de vriend had mama nooit gezien—“en ’t mooiste van alles is nog d’r mond; jongens, daar heeft ze zulke weergasche mooie tanden in, zoo blank,”—Flitz werd poëtisch—“zoo blank als een zieltje! En als ze dan d’r nieuwe blauwe aan heeft, met zoo’n open lijf, met sjemizetjes, weet je, sakkerloot, kerel!”—Flitz geraakte in vuur—“dan heb je werk om je kontanance te houden. ’t Is tusschen ons heel familiaar: Suze en Barend, weet je. O! hé zoolang al; nog vóór dat ik ’t candidaats gedaan had.—’k Heb maar te zeggen: Suze dit of dat, dan is ’t dadelijk klaar, bij voorbeeld met piano spelen; ’k kan alles van d’r gedaan krijgen. Waarachtig kerel—maar, onder de roos hoor je—z’ is zoo gek naar me als ’t wezen kan, en ’t moet je nooit verwonderen weet je,”—Flitz viel in ’t komieke—“als je t’ eeniger tijd de namen, Flitz en Gliekke nog eens in de krant boven elkaar ziet staan.”

Zóó had Barend Flitz zich in vertrouwen uitgelaten, en wanneer Suze, die weldra twintig jaren zou zijn, ook eens in vertrouwen tot een vriendin had kunnen spreken,—maar helaas! ze had er te B. geen gevonden, en aan eene moeder kan men toch ook niet altijd zoo alles en alles zeggen—had ze kunnen spreken, dan gelooven wij dat Suze zoo omtrent het volgende zou hebben meegedeeld:

“’k vind het altijd maar prettig wanneer Flitz komt, dan hooren we ten minste nog eens ’t een en ander, en komt mama daardoor ook tot zitten, terwijl dan in ieder geval het onophoudelijk gehaspel over de booien een einde neemt. ’t Is juist geen overvlieger, en van de muziek gevoelt hij zooveel als zijn fluit, terwijl ik zijn réciteeren niet zoo bijzonder kan vinden; maar als ze zeggen een bult, dát is nietwaar; hij moet als kind veel voorover hebben gezeten, en nu nog dat onophoudelijk schrijven, nietwaar....? Mama vindt, dat zijn oogen zoo groot, ze zegt kalfachtig zijn—maar dat vind ik in ’t geheel niet. Hij heeft waarlijk iets liefs in de oogen; en altijd is ie zoo netjes; en geen leelijke baard ook; en zoo voorkomend. Wanneer hij naar stad gaat, wil ie alles voor me meebrengen. Laatst nog stramien en wol; hoe precies had hij al die kleuren uitgezocht. Ik zelve zou ’t misschien niet zóó gedaan hebben. Garen en band, en—vin’je ’t gek?—tot een korsetveter toe; och, alles! en altijd met evenveel pleizier.—’t Is waarlijk een goeje jongen, en bijna de eenige, dien we op Vredelust te zien krijgen. Vroeger in Amsterdam, o, hé! dat was heel wat anders; toen kwamen er veel heeren en dames bij ons aan huis; maar ’k herinner ze mij niet best. ’k Was veertien jaar toen ik hier kwam, dus kun je nagaan.—De neven Gliekke en Vos, die soms komen logéren, praten altijd over zaken en politiek; da’s vervelend. Neen, Barend is meegaande; en wie zal zeggen dat hij niet evengoed als Van Saffelen eenmaal verkoopingen zal kunnen houden en testamenten maken; wel zeker, evengoed; en het meisje beklagen dat zijne vrouw wordt.... neen, dat zal ik in ’t geheel niet.”

Wij gelooven vast dat Suze zóó zou gesproken hebben; en ofschoon dwalen menschelijk is, wij hebben toch eenigen grond voor onze meening, want daden zeggen veelal meer dan woorden; en wáár was het, dat de aanvallige brunette altijd, als ze thee schonk, in Barends kopje een lepeltje suiker meer deed—want, van zoet hield hij machtig veel—en, wáár was het ook, dat ze altijd lachte, wanneer ze uit de verte hoorde, dat Barend een vôle gedéclareerd had.

“Zie zoo,” zei Flitz, toen hij, na ’t muziekblad te hebben omgeslagen, in zijn armstoel neerviel, en de niet zeer lange beenen over elkander sloeg: “ik sprak van lange leizen.... of wel, van liefhebberijen; ja, ’t zal me eens benieuwen of er met een nieuwen burgemeester niet wat meer leven in B.... zal komen; ’en cassinootje zooals ze in E.... hebben, moet heel aardig zijn; of ’en rederijkerskamer; dan kan ik met De min beginnen; een dansje na, Suze desnoods op de piano, en ik op de fluit.”

De aanstaande Rederijker, die vooral met den laatsten zin zoo’n schoone proeve zijner welsprekendheid gaf, had, toen hij van den nieuwen burgemeester gewaagde, iets in zijn blik dat Suze indien zij ’t had kunnen opmerken, misschien wel aardig zou genoemd hebben. De heer Gliekke, die half aan de Waanzinnige wals en half aan zijn gast behoorde, vraagde na een kleine pauze:

“Al iets gehoord van den nieuwe, Flitz?”

“Burgemeester?” vraagde de candidaat notaris. Mijnheer Gliekke knikte, terwijl zijn wijsvinger een orkeststokje geleek waarmee de Waanzinnige wals moest worden in stuur gehouden.

Flitz zette een Zondagsgezicht en terwijl hij den pook nam om ’t vuur te.... maltraiteeren—dat woord gebruikte mevrouw Gliekke altijd wanneer haar kooltjes, voor den doofpot geschikt, onbarmhartig werden stukgewerkt—zei hij heftig: “Ja, h’m! niets gehoord....! ’t Zal me eens benieuwen!”

Gliekke kon niet denken dat hij zoo nabij een nederigen “zolisitant” was gezeten, en hernam dus nog altijd maatslaande:

“Je weet er zeker meer van.—Haspels....? Meijer toch niet....?”

“’k Weet er niets van, volstrekt niets,” zei het Zondagsgezicht; en, dat hij op Vredelust thuis was, bewees zijn getrommel op de speeltafel, waarmee hij Suzes bevallig en welluidend spel, tamelijk onwelluidend accompagneerde.

Vijf weken zijn er ongeveer verloopen.

De candidaat-notaris heeft weer bij den ex-koopman gedineerd. ’t Was een eenvoudig haasje; heel smakelijk—wezenlijk door den gastheer zelf geschoten!

Wanneer het haasje de geschiedenis zijner laatste levensdagen had kunnen vertellen, dan zou er misschien een volgend aandoenlijk verhaal aan ’t licht zijn gekomen: Verschrikt opgevlogen,.... een knal,.... nog een knal,.... een pijnlijk gevoel in den rechter achterpoot,.... en akelige loop van meer dan een uur lang, met een ander viervoetig wezen achter zich;.... ’en sprong over een sloot,.... te kort,.... een val in ’t lies; geen macht om zich op te heffen,.... ’en viervoetig wezen, dat over hem heen vliegt en met den klauw ’t puntje van zijn rechterlepel aanraakt, zonder zijn prooi te bemerken.—Onrust,..... Avondschemering,..... nacht!————Nieuw daglicht,.... veel pijn,.... gescharrel,.... gerucht in de verte,.... gepraat,.... hondengeblaf;.... ’en nieuwe poging om te ontvluchten,.... vergeefs,.... ’en verschrikkelijk lang monster, met een jas aan en een hoed op, loopende op de achterpooten, een langwerpig ding—dat wel van hout en ijzer schijnt te wezen—in de voorpooten geklemd,.... ’en vreeselijk bedwelmenden slag op het hoofd,.... een blik om genade naar boven.—Gepraat,... een dreunende knal!... ijselijke pijn!!... ’en duizeling tot besluit.

Arm haasje! Maar ’t had lekker gesmaakt, en den jager was door den huisvriend een toost gebracht, waarbij deze weer in ’t komieke was gevallen, met de verklaring: dat de dischgenooten den edelen jager eigenlijk een dienst hadden bewezen door zijn prooi een eerlijke begrafenis te bezorgen.

’t Was na het dessert, terwijl papa Gliekke, misschien nog vermoeid van zijn jachttochten, de knoopjes van zijn vest scheen te beschouwen, en telkens zijn kin in de stropdas deed zinken, en mama Gliekke haar turfkooltjes inrekende—dat Barend Flitz zeer nabij juffrouw Suze stond, en haar iets toefluisterde, ’t welk hij tot hiertoe als een diep geheim in zijn boezem bewaarde, maar dat hem op den duur te benauwd werd. Hij fluisterde van een “rekest” dat hij in zee stuurde, naar Den Haag, zonder er iemand over te spreken, een rekest om het burgemeesterschap te B.... ’t Duurde lang eer die groote heeren tot een besluit kwamen; met iederen dag die er verliep, werd hij ook “meer kurieuser,” zoodat hij ’t nu maar aan Suze zei, maar heilig! ze moest er niet van spreken, hij wou ’t volstrekt niet weten. Als ’t goed uitviel dan zou ’t heel wat opzien geven, en zijn laatste woorden waren:

“Suze wat denk je?”

Suze wist niet wat ze denken moest, maar zei:

“’t Idee alleen!” en ze lachte hardop, zóó hard dat Papa Gliekke eensklaps uit zijn stropdas verrees, en vraagde wat er gebeurde, en Mevrouw Gliekke in ernst verzekerde dat Suze haar deed ontstellen.

Och! het geheim brandde den goeden candidaat heden namiddag toch verschrikkelijk, verschrikkelijk! op het hart. Eerst verzekerde hij dat het malligheid van Suze was, en toen dat het niets was, en daarna dat hij eigenlijk te veel vriendschap genoot om geheimen te hebben, en dat het tóch uit moest komen, en ten slotte, dat hij ’t dan maar zeggen zou.

Mijnheer Gliekke, pas uit den dut gekomen, en mevrouw uit eene huishoudelijke berekening opgewekt, ze waren niet op de hoogte om de beteekenis van die geheimzinnige woorden terstond te vatten, zoodat mijnheer vraagde, of er gevaar bij was, en mevrouw op het denkbeeld kwam of Barend iets van Suze bedoelde.... men kon niet weten?

“Brand? De hemel beware!” zei Flitz: “Neen hoort, maar heilig onder ons..... Ik heb....” doch terzelfder tijd trad de huisknecht binnen en overhandigde het pakje met couranten en brieven, ’t welk de bode uit de stad had meegebracht.

Een paar brieven, die de belangstelling van den heer des huizes opwekten, deden hem een oogenblik het geheim van Barend vergeten, en, daar de laatste door de komst van het pakje de aandacht verdeeld zag, zoo nam hij als naar gewoonte haastig het Handelsblad en zocht.... naar het “Binnenland,” en vond.... en las....:

“Z. M. heeft benoemd tot burgemeester der gemeente B.... c. a., den heer Mr. A. D. Van Bavik.”

“Van Bavik! Mr. A. D. Van Bavik. Ja waarlijk het stond er; te B.... c. a.; en achter dat B.... c. a. stond: Van Bavik en niet: den Heer B. Flitz.

Lezer, als gij meelijdende van aard zijt, dan hebt ge ook zeker een weinig medelijden met onzen vriend, die eerst vuurrood en daarna doodsbleek is geworden, en, nog altijd op die twee regels turende, dat Mr. A. D. Van Bavik beschouwt, alsof het nog mogelijk zou zijn om daaruit: B. Flitz te lezen. Ja hij tuurde nog steeds in het rampzalige nieuwsblad, maar zóó, dat zijn gelaat er achter verborgen was, en terwijl papa de brieven, mama de Haarlemmer en Suze het Kampertje inzagen, dansten de letters onzen Flitz voor de oogen, en speelden hem al de heerlijke beelden door het brein, die hij zich zoovele weken geschept had.

Verwondering door ’t heele dorp,.... visites,.... kaartjes,.... gelukwenschen!.... De leden van den raad allen bij hem op de koffie,....zelfs de heeren Van Saffelen, Haspels, Meijer en Dominee Van Beem. De blijdschap van Suze!.... Misschien een fiat op het groote vraagstuk!.... De beide veldwachters, nu zoo bokkig: zijne veldwachters! Edel Achtbare! hij—Flitz—Edel Achtbare!.... Cassinootje, Rederijkerskamer! alles tot stand brengen,.... overal de eerste viool spelen!.... Mijnheer de burgemeester, hoe vaar je? Dankje!.... hi, hi, hi!.... In de eerste week naar Den Haag, bedanken, ook oom Piet, de goudsmid, die werkte. Meteen naar Wolkensteijn. Va voor de moeite bedanken, die ook al WERKTE... Terugkomen in B...., met va en moe.—Eerebogen,... inhalen,... eerewacht te paard,.... muziek!.... Leve de burgemeester! hoezee! hoezee!... Overal vlaggen!.... ’En aanspraak van dominee,.... de kerkeraad, de gemeenteraad.... alles in ’t zondagspak.... Misschien wel ’s avonds ’en klein illuminatietje, of vuurwerkje,’t laatste stuk Egyptisch!.... Bengaalsch vuur, en—in een krans van blauw vuur, de namen: Barend Flitz!!.....

Ach! nogmaals ach!! daar stond Mr. A. D. Van Bavik, en.... alles was.... mis.

“En ’t geheim, Flitz?” riep eindelijk de heer Gliekke, nadat hij zijn brieven gelezen had.

Flitz was geen overvlieger, en de wijze waarop hij met een request aan den Koning(!) en twee brieven aan kruiwagens—Va en oom Piet—zonder verder iemand over de zaak te spreken of een voet buiten het dorp te zetten, solliciteerde, bewees genoeg dat Flitz een slecht bestuurder der gemeente zou geweest zijn, doch, zóó dom was hij niet om in ’t slijk te loopen wanneer hij op ’t droge paadje kon blijven, en zich plotseling herstellende, en bouwende op de stilzwijgendheid van Suze, aan wie hij een blik van verstandhouding had toegeworpen, antwoordde hij:

“Mijn geheim? Welnu, u kunt het zelf lezen.... zie.... daar staat hij, de nieuwe bur..ge..meester,” en de heer Gliekke las op de plaats waar Barends vinger wees, de gezegde benoeming.

Al zijn er heeren onvriendelijk genoeg om al de leden der lieve sekse van babbelzucht te beschuldigen—van nieuwsgierigheid willen we zelfs niet spreken,—wij rapen hier terstond den handschoen voor de aanvallige Suze op, en verklaren dat zij er een van de velen was, die desgevorderd kon zwijgen als.... men zegt, als een mof. Suze lachte—wel wat vreemd, maar zweeg, zweeg bijna den geheelen avond.

De benoeming van den nieuwen burgemeester bracht in Gliekkes huis de tongen in beweging, maar de teleurgestelde hield zich goed, hoewel hij aan ’t ombertje driemalen—ongehoord van Flitz—vraagde wat troef was, en tweemalen een opgelegde sans prendre verloor.

De benoeming ging den volgenden dag door ’t dorp van mond tot mond, en Flitz stemde Jan toe, dat het goed was dat er een jong mensch kwam om de slapers eens wakker te schudden, want met de bestrating en de dorpsverlichting zag het er bedroefd uit; maar gaf met een luid: “Waarachtig!” later ook aan Klaas gelijk, dat het een schandaal was, zooals de jonge Mr-tjes, die van toeten noch blazen wisten, een gemeente, waar ze nooit geweest waren, werden binnengeschopt, alsof er in die gemeente zelve geen bekwame en geschikte mannen zouden te vinden zijn!—“Waarom jij of ik niet even zoogoed?” had Klaas besloten.

“Waarachtig! misschien honderdmaal beter dan jij of ik,” had de teleurgestelde na zijn eerste: “waarachtig!” in vergissing er bijgevoegd.

Maar of ze in B.... de benoeming goed of niet goed keurden, de nieuwe burgemeester zou toch verschijnen.

Eenige dagen na de benoeming verzekerden de schooljongens dat ze een vreemd heer bij den dominee hadden zien binnengaan, en wisten sommigen van de notabelen zeker dat burgemeester er geweest was. Bij eenigen had hij visites gemaakt; bij den notaris-wethouder Van Saffelen had hij den familiaren pot voor lief genomen,—hoewel mevrouw Van Saffelen hemel en aarde bewogen had, om op ’t nippertje wat extra’s van den slager te krijgen, en van mevrouw Meijer, op Bij-zicht een fleschje ingemaakte postelein leende, daar ze zelve dien inmaak vergat. De nieuwe burgemeester had bij den notaris gegeten, en deze verzekerde den volgenden morgen aan Flitz, toen hij op ’t kantoor kwam, dat Van Bavik een ferme jongen scheen; een geestig ventje, lang geen druiloor; wel geschikt,—hij wreef zich in de handen—ja, wel geschikt; ’en kereltje waar men mee ploegen en eggen zou; waar men heel wat anders mee zou uitvoeren dan met den ouden burgemeester Haller was mogelijk geweest. ’t Was iemand, die op de hoogte van zijn tijd stond, die dadelijk had gevraagd of er geen schapenmarkten in B.... werden gehouden. Schapenmarkten! zie, waar hij—Van Saffelen—altijd zoo mee gedweept had, maar ’t geen door Haller steeds was tegengewerkt. Een jong, maar ’en aardig burgemeestertje, waar de gemeente pleizier van zou hebben.

Dat zei de notaris, en toen mevrouw Van Saffelen, om koffietijd eens op ’t kantoor kwam, betuigde ze ook, dat men wel zien kon dat de nieuwe burgemeester studentje geweest was. Zoo vroolijk zoo aardig in ’t spreken; hij deed aan de muziek, hij reciteerde,—alsof Flitz niet even zoogoed aan beide deed!—hij had een paar allerliefste kneveltjes—alsof Flitz ook geen kneveltjes kon laten staan, al waren ze dan zoo zwart niet.—“In één woord,” betuigde mevrouw ten slotte: “een goed voorbeeld voor onze dorpsjongeheeren; zoo heel en al Fransch.”

’t Woord Fransch had voor de notarisvrouw een bijzondere beteekenis; alles wat ze goed en niet alledaags vond, heette Fransch! misschien omdat alle nieuwe modes van Fransche origine zijn; misschien omdat ze ’t Fransch iets boven haar verheven rekende, daar ze de taal zelve niet verstond. Fransch, waren de nieuwe Engelsche paarden van den baron van S.... uit het naburige G.... Fransch, was het tapijt dat manlief uit de Deventer fabriek, in ’t voorjaar had laten komen; Fransch, was zelfs de ingemaakte postelein van Bij-zicht in een tijd zooals deze, dat men zuurkool en andijvie at; en Fransch—wij hoorden het—was ook de nieuwe burgemeester. Hij was op een kijkje in B.... geweest, en kort daarna kwam hij er weder voor een dagje, en huurde drie kamers in Het Wapen van Gelderland, één vóór- en twee achterkamers.

Meubelen—waaronder een mooie schrijftafel—kwamen, in gezelschap van kisten en manden, met den vrachtwagen successivelijk mee, en, met primo Februari waren alle hoofden in B.... c.a. ongeschikt voor eenigen arbeid. Dien dag was het dat de vlaggen ontrold, de beste kleeren aangetrokken, de oranjelinten omgedaan, de paarden voor de eerewacht bestemd, vroegtijdig in orde werden gebracht, en alles geredderd moest worden om den nieuwen burgemeester aan den tol te gaan afhalen, binnen zijn gemeente te voeren, en plechtig te ontvangen.

Ja, ’t was een buitengewone drukte in ’t dorp. Zoo iets had er nog nooit plaats gehad. Stompe Griet zei, dat alevel voor ’en koning niet meer kon gedaan worden. Evert “de klomp” oordeelde, dat ze den man gek zouden maken. Hent “de vuist,” begreep dat het wijzer zou geweest zijn indien ze de centen in den zak hadden gehouden. Geurt “de wipneus,” berekende, dat voor al de onkosten samen, zij met ’r allen—hij bedoelde de bedeelden—den heelen winter vrij brood zouden gehad hebben.... zonder een hand er voor uit te steken. De kastelein uit Het Wapen van Gelderland en verder al de heeren tappers in de gemeente, benevens de jongelieden, de leden der eerewacht, die zoo druk aan ’t vlechten van de paardenstaarten waren, ze vonden, in spijt van al ’t gepruttel, dat het een aardig dagje zou geven, en, oude Doris “de fillisoof” zei, dat ’en mensch ’en aap was, en iederman as de okkasie ’t toegaf, wel eens koningske zou willen zijn, en, omdat ieder man toch geen koningske werd, iederman al blij was, as ie d’r maar eens naast had gezeten of bijgeloopen.

In ’t Wapen van Gelderland zou de ontvangst plaats hebben en de eerewacht van daar uitrijden. De ruiters, met hun twee aanvoerders aan ’t hoofd—de pikeur uit stad en Hendrik Snor, die in vroegere jaren bij de “kerresiers” had gediend—waren gereed om met de geleende koets van den baron S.... uit G.... naar den tol te vertrekken, maar nog altijd wachtte de trein op de komst van den heer Barend Flitz die Nº. drie zou rijden, en als Nº. drie dan ook de voorloopige exercities had meegemaakt.

“Willem, als de weerga loop er eens heen!” riep de pikeur, die op een schrale manége-klant gezeten, van tijd tot tijd in zijne handen blies, daar ’t vinnig koud was.

De knecht uit het logement liep “als de weerga,” maar dewijl hij niet als de weerga terugkwam, ontstond er veel gepruttel. Al tien minuten over den tijd,.... te laat komen,.... vervelend wachten,.... koud,.... zeker verslapen,.... schande op zoo’n dag! En, Gijs de veldwachter werd door Hendrik Snor vriendelijk verzocht om eens “als de wind” te gaan kijken of Willem de boodschap wel had overgebracht.

De wachter van ’t veld, die trouwens gedurende Hallers leven weinig meer dan zijn boodschaplooper geweest was, liep, edoch wat minder vlug dan de wind, en dewijl er nu weer eenige minuten verstreken zonder dat de gewachtwordende Flitz verscheen, mompelde men van: slaapkop, treuzelaar en lamme bult, en riep de pikeur eindelijk:

“Heeren!”—gij hadt die gezichten der boerenknapen eens moeten zien—“Heeren! wachten is goed, maar te laat komen daar passen we voor; ’t is ’en kwartier over den tijd. Allons, we moeten vooruit! Mijnheer Meijer, s’il vous plait.”

Mijnheer Meijer Jr., de oudste zoon van den heer Meijer, die als notabele van ’t dorp reeds een paar malen genoemd werd, de heer Meijer Jr., die behalve de aanvoerders der beide secties, Nº. één was, en aan een breed oranjelint een koperen hoorn droeg, zette het instrument aan den mond en blies het signaal voor den aftocht.

De paarden, die hoogst waarschijnlijk geen begrip van al die gekheid hadden, en—alweder hoogst waarschijnlijk, hun eigen bazen niet hadden herkend toen dezen belint en besjerpt hun de insgelijks belinte hoofdstellen hadden aangedaan, ze zouden op het geluid van dien hoorn, geen poot verzet hebben, zoo niet hunne berijders, de één met een smakkend mondgeluid, de ander met een: vort Bles, of Piet, de derde met een ruk aan den toom, en eenigen door een hakstomp in de ribben, hun kleppers hadden beduid dat zij den huppelenden “Inkomperabel” van den pikeur moesten volgen.

De stoet vertrok.

Of Barend Flitz zich inderdaad had verslapen, of wat er anders aan haperde dat hij een achterblijver werd,—misschien ook omdat hij wat lang met zijn kleeding was bezig geweest, of dat Harmen van Laubour hem ’t paard te laat had gebracht—wij hebben geen tijd zulks te onderzoeken, want zie, terwijl de stoet daar juist achter het schoolhuis verdwijnt, komt om den kerkhoek de bedoelde persoon te voorschijn, en nadert, in een aardig drafje, het dorpslogement.

Indien wij ons ’t gelaat van Barend te binnen brengen, zooals hij op zijn gemak in den leunstoel bij Gliekkes haard zat, dan zouden we haast meenen dat hij zich op den rug van dien bruine minder te huis gevoelt. Harmen van Laubour had gezegd dat de Let wat hoog draafde. ’t Zij hoe ’t zij, Flitz komt toch vooruit. Zie, hij nadert met zijn bruin de plaats waar gewoonlijk de voerbakken van Het Geldersche Wapen staan, doch die heden in den stal zijn gezet. De Let schijnt Het Wapen te kennen of wel aan de voerbakken te denken; zij draait links af op het huis aan. De kastelein—ook in zijn Zondagspak—in de groengemaakte deur staande, roept:

“Vooruit mijnheer! Je haalt ze wel in.”

Barend Flitz, hoort het, en rukt rechts aan den toom; maar de Let hoort er niets van, en geeft om dat toomgeruk geen zier.—Hier krijgt zij gewoonlijk een emmer water, of neemt Laubour ’en dropje,

“Huup Let! Vort Let! Alla!”—Maar ja wel, de Let laat zich niet door vreemden ringelooren; hier wil ze wezen, hier, en terwijl zij een raren zijsprong maakt, roept Barend: “O jé!” en klets! daar valt hij naast de Let voor de versierde deur van de herberg neder.

Heeft hij zich erg bezeerd? Wij gelooven ja, want hij trekt alles behalve gezichten, die in overeenstemming zijn met de vlaggen, die uit de dakvensters van ’t logement wapperen; maar gebroken heeft hij niets, al kwam hij dan ook vrij onzacht op de straatsteenen neder.

Door den kastelein geholpen, staat hij op, en treedt voetje voor voetje de versierde deur binnen. ’t Is misschien van de pijn, dat hij zoo’n leelijken blik op die dennen en palmenloovers werpt, waarin witte en roode papieren rozen gehecht zijn, en tevens zijn gemoed lucht geeft met schelden op de wilde Let, die als een lam voor de deur op den emmer water te wachten staat.

We zouden van uw geduld zeker te veel vergen waarde lezer, indien we u verder den loop der zaken, op dien voor B... c.a. zoo belangrijken dag, gingen schetsen. Voorzeker hebt ge zulke inhaalpartijen—ze zijn aan de orde van den dag—meermalen bijgewoond, zoo ge niet misschien zelf voor koning daarbij gefungeerd hebt, en stelt er dus geen belang in. Maar ’t is ook mogelijk dat ge ’t nooit gezien hebt, welnu, lees dan aandachtig de courant, merk op, de benoemingen van dorps-burgemeesters, of wel de ondertrouw-aankondigingen van zonen of dochteren van hen, die op de dorpen ’t meeste geld of den grootsten titel hebben; informeer nauwkeurig wanneer het de intreedag der eersten of de trouwdag der laatsten zal zijn, en ga dan, en zie, want ge kunt er zeker van zijn, er zal gevlagd, er zal gereden, er zal vuurwerk worden afgestoken, omdat.... omdat de menschen in ’t algemeen zoo gaarne iedere gelegenheid aangrijpen om pret te maken en,—omdat de boeren in ’t bijzonder, bij overlevering of bij ondervinding weten, dat er voor hun gevlag en gerij, later een “vette mond” te halen is.

Foei! wat ’en donker tafreel!

Is het te zwart; zijn wij onbillijk?—’t Zij dan, opdat die koninkjes zich niet al te veel illusies zullen maken.

“’En aardig mensch die Van Bavik,” zei de heer Gliekke tot zijn huisvriend, eenige dagen nadat de nieuwe burgemeester zoo feestelijk werd ingehaald: “’k heb met plezier zijn kennis gemaakt; ’t zal een heele aanwinst zijn.”

“Zoo,” zei Flitz, en, na ’t kluwen van Suze, dat van de tafel viel, te hebben opgeraapt, voegde hij er bij:

“Hebt u hem al zoo spoedig bezocht?”

“Gistermorgen; ’t was ’en helder luchtje; ik wandelde toch, en ’t logement voorbijgaande, dacht ik, kom, we zullen ons Edel-Achtbaar heertje eens opzoeken; en ja, ’k moet zeggen, ’t is me nog danig meegevallen.”

“Zóó!” herhaalde Flitz: “Maar tamelijk pedant hé?”

“In ’t geheel niet,” hernam de heer Gliekke: “Bescheiden, heel beleefd en zeer goed op zijn standpunt. ’k Zei natuurlijk: Hoe vaar je burgemeester, en verder telkens burgemeester; maar bij ’t afscheid werd mij vriendelijk verzocht dat “burgemeester” maar achterwege te laten. Ik heet Van Bavik, mijnheer Gliekke, zei hij. Waarlijk ’en hupsche jongen!”

“Zóó!” zei Flitz weder, en vraagde daarna aan Suze, terwijl hij op de piano wees, of ze niet eens een tikkeltje zou maken? Suze had er niets op tegen; en nadat Flitz bij de piano alles in orde had gebracht en naar zijn zetel terugkeerde—hij liep nog wel zoo’n beetje trekkebeenig—hervatte de heer des huizes:

“En ijselijk meegaande ook; hij informeerde zelfs naar jou Flitz; hij vernam dat je gevallen waart; hij zou je al hebben opgezocht zoo drukke bezigheden hem niet verhinderd hadden.”

“Zóó!” zei Flitz nog eens, en voegde er bij: “Och, op die vreemde visites ben ik zoo fel niet. Hij schijnt dan ook niet best de regels der “etiekette” te kennen, want ik moet hem immers ’t eerste...?”

“Nu, ja Flitz,” riep Suze, die nog aan ’t zoeken naar een geschikt muziekstuk was en naar ’t gesprek had geluisterd: “uit belangstelling; dat vind ik wel aardig.”

“Zóó!” klonk het uit Barends mond voor de laatste maal, want de knecht kwam binnen en vraagde belet voor.... Mijnheer den burgemeester.

’t Sprak wel van zelf dat de knecht in last kreeg om den burgemeester binnen te laten, evenals het van zelf sprak, dat mevrouw Gliekke ijlings met de punten harer voeten naar de pantoffels snuffelde, die wel eens werden uitgeslierd omdat ze zoo graag met de kousen op haar stoofje zat. ’t Zal niemand verwonderen dat Suze haastig de pianomuziek ter zijde schoof, het instrument dichtsloeg, naar hare plaats wipte en,—niet de straks verlaten breikous, maar een borduurwerkje uit haar doos nam. ’t Zal geen bevreemding wekken dat mijnheer Gliekke zijn stropdas een weinig naar boven trok; de vijftand in zijn kuif zette, evenmin als de lezer zich erg bezorgd zal maken voor Barends gezondheid, daar hij den goeden jongen nog al erg bleek ziet worden.

De burgemeester treedt binnen.

Waarlijk, ze hebben recht gehad: ’t is een knap ventje. Niet bijzonder groot, maar ’en allerinnemendst voorkomen. Fraai zwart haar, een helder voorhoofd, geestige en toch vriendelijke oogen, ’en kleine rechte neus; ’en fijn besneden mond, waarboven, o dames!—wij bedoelen natuurlijk de jonge dames die van natuurschoon houden—waarboven een paar kneveltjes zetelen—volgens Flitz staan ze—zóó modest, zóó zwart, zóó egaal, rond en aardig met spitse puntjes naar boven, dat wij, al behooren we niet tot uw sekse, er toch pleizier in hebben. Een knap ventje, goed gevormd, deftig in ’t zwart, met ’en wit vest.... Maar, van den geheelen persoon zag Barend Flitz in de eerste oogenblikken niets dan zijn “kinderachtige” voeten—kleine voeten vond Barend kinderachtig—in verlakt lederen schoenen staken.

De heer burgemeester Van Bavik kon niet manqueeren.... en mevrouw Gliekke was het hoogst aangenaam.... en mijnheer Gliekke vond het van “Van Bavik” zeer hupsch dat hij al zoo spoedig eens aankwam; en Suze.... Suze vond niets, daar ze ’t nog niet gewaagd had een blik op den EdelAchtbare te slaan, terwijl Flitz een: “Om u te dienen,” antwoordde, toen Van Bavik ook aan hem voorgesteld—met veel bonhomie gevraagd had, of mijnheer geen restes van den val had, waarvan hij hoorde en ’t geen hem bijzonder leed was geweest.

Of ’t bij vergissing of wel voordacht was dat de heer des huizes den leunstoel ter rechterzijde van den haard, waarin Flitz zooeven gezeten had, vatte en den bezoeker aanbood, wij weten het niet, maar zeker is het dat Van Bavik, zonder te denken dat die zetel een ander had toebehoord, daarop plaats nam, en Flitz, na Gliekkes woorden: “Neem een stoel kerel,” een stoel nam, en zich op een afstand van het vuur plaatste, alsof hij bang voor de warmte, of wel.... bang voor iets anders was.

’t Behoeft geen vermelding dat er over en weer werd verzekerd dat het buiten koud was, en dat een helder vuurtje goed deed. De heer des huizes verklaarde, dat de avonduren de gezelligste van een winterdag waren.

Mevrouw Gliekke betuigde, dat de geheele gemeente uiterst met de benoeming “van u” was ingenomen, en dat het ook wel bij mijnheers intrede gebleken was; dat er dien avond een beeldig vuurwerkje was afgestoken; juist niet zoo mooi ... bij lange na niet als de vuurwerken die ze in stad zag,—er was bij mevrouw maar één stad, de stad van Amsterdam—maar aardig toch, en zoo geheel en al door de gemeentenaren bekostigd: “Ieder zoo naar vermogen,” besloot zij, en ze glimlachte hoofdknikkend, alsof ze zeggen wilde: “Wij.... u begrijpt wel?”

Aan Suze was het theeblad gebracht, en Suze had thee gezet; en Suze wist zoogoed als ze ’t zelf wisten, dat papa en mama suiker dronken, en dat Barend veel suiker dronk, maar ze zei toch heel zacht: “Ma,.... suiker? Pa....?” in de hoop dat ma wel verder ’t woord zou doen. Maar ’t was mis, want ma zei zeer beleefd:

“Als ik verzoeken mag,” en pa: “Zeker Suze,” zoodat ze toch tot een: “En u mijnheer?” tot Van Bavik werd genoodzaakt, waarop deze beleefd voor ’t zoete bedankte, terwijl de candidaat-notaris, die, na het: “Om u te dienen,” nog geen woord gesproken had, eens toonde hoe hij hier thuis was, en tamelijk hard een: “’k Wél Suus,” deed hooren.

Wij zullen ’t gesprek niet op den voet volgen, het gesprek dat in den aanvang zeer onbeduidend was, doch allengs meer ziel bekwam door de onderhoudende wijze waarop de jonge burgemeester—die ook in ’t komieke maar ook in ’t ernstige viel—van zijn studiejaren, en later van een Noorweegsche reis verhaalde, welke hij, in ’t gezelschap van twee zijner vrienden, den afgeloopen zomer gemaakt had.

Mijnheers aandacht was onverdeeld, zoo zelfs dat hij al meer en meer zijn stoel verschuivende—om den spreker recht in ’t oog te hebben—niet bedacht dat Barend Flitz hoe langer zoo meer zijn rug te zien kreeg.

Mevrouw zat, en luisterde met een aandacht, zooals ze nooit—zelfs in de komedie nooit—gehad had. Treurspelen waren ook al te akelig, tooneelspelen en drama’s al te langdradig en te onnatuurlijk, en blijspelen al te laf; maar ’t geen ze nu hoorde was zoo afwisselend, nu eens dat ze hardop moest lachen en dan weer dat ze haast de tranen in de oogen kreeg...., zoo raar; ze wist zelve niet hoe. Mevrouw wist het niet. Waarom? Omdat ze nooit een humorist ontmoette.

Suze....? Ja, ze borduurde wel van tijd tot tijd een schulpje en een moesje, maar toch, ze kon niet aanhoudend naar beneden kijken. Neen, onwillekeurig hief ze telkens het hoofdje op, en onwillekeurig liet ze eindelijk de naald geheel rusten, en wierp ze niet meer nu en dan een schuchteren blik op den nieuwen burgemeester, maar vestigde haar lieve oogen strak op den jongeling, die zoo aardig, zoo mooi, neen, zoo aandoenlijk sprak—vooral toen hij verhaalde van het arme blinde meisje, dat in het gebergte tusschen Lessoe en Romsdal zulke schoone liederen zong,—om slechts dan met eenige verwarring opnieuw haar boord te bezien, wanneer de spreker meer bepaald haar aanzag—en zulks gebeurde in waarheid niet zelden—of, ’t woord tot haar scheen te richten.

En Flitz? Gedurig kuchte hij, omdat hij “’t beroerd” vond dat Gliekke hem den rug toedraaide en al de warmte van ’t vuur benam, alleen om naar “zoo’n vreemden poespas te luisteren.” Die studenten-aardigheden waren ijselijk laf, en van dat Noorwegen, wat had je d’r aan als je d’r nooit geweest waart! Als ’t dan gewed was, dan kon hij van Kleef ook wel vertellen; van die jongens, die je om centen naliepen, en zoo blauw van de boschbessen zagen, of van ’t afwaaien van zijn hoed, toen ze door een dal, dat eigenlijk vol water was, met een schuitje naar Mouwriesgraf—Flitz had niet recht begrepen dat hij de grafplaats van Prins Maurits van Nassau bezichtigde—waren geroeid, daar ze veel behei van maakten, doch dat op niemendal uitliep.

Flitz vond het alles behalve wellevend om zoo “door te klessen.” en dan die vraag of hij—Flitz—ook gestudeerd had, waarop hij in de gauwigheid: “neen” had geantwoord, maar eigenlijk: “wel zeker,” had moeten zeggen, verbeelll!..... alsof hij op zijn candidaats niet even zoogoed had moeten blokken—ja misschien nog harder dan die Bavik op het zijne. En dán tegen Suus zoo den heelen tijd het woord te richten! Wat meende ie wel!—Hoor, alweer:... “Waarlijk juffrouw Gliekke, men gevoelt daar eerst levendig dat de Schepper oneindig in macht en de mensch maar ’en heel klein lievenheersbeestje is.” Och! hé, den dominee uithangen! Tegen Suus....! ’en lievenheersbeestje, hoe kinderachtig! En telkens wou Flitz iets zeggen, omdat ie zoo nooit gewoon was te zwijgen, en ook gevoelde wat oudere en betere brieven te hebben, maar telkens smoorde hij ’t geen hem op de lippen kwam, totdat zijn gelaat een purperkleur verkreeg, en hij, met den sleutelbos in den zak rammelende, zijn—door ’t lange zwijgen eenigszins schorre stem deed hooren, en luide vroeg:

“Suze, hoe is ’t, hooren wij van avond in ’t geheel niets?”

Suze, zoo onverwacht door Barend aangesproken, en, in presentie van dien jongen burgemeester tot spelen uitgenoodigd—’t geen ze voor hem in ’t geheel niet durfde—kreeg ook een kleur en zei:

“Wel neen Flitz,” en had er gaarne bijgevoegd: We zitten zoo prettig!

De heer des huizes bespeurde nu eerst dat Flitz zijn rug te zien had, en wendde zich links, met een: “Pardon vriendje.” Doch de heer burgemeester stond schier gelijktijdig van zijn zetel op met de verontschuldiging, dat hij volgens gewoonte wat te lang gepraat had, en niet hoopte de familie gedérangeerd te hebben. Met groot genoegen was door hem de kennis der familie gemaakt, terwijl hij zich ten zeerste aanbeval, en besloot met de woorden:

“Een vriendschappelijke omgang met de beschaafde ingezetenen van B.... zal mij, zoo ik hoop, ’t afzijn vergoeden van lieve betrekkingen en trouwe vrienden.”

“Hé, blijf familiaar een boterhammetje eten!” riep de heer des huizes: “Nietwaar Betsy? Niet voor niet wonen we zes jaren in Gelderland.—Is ’t niet Betsy, de Geldersche gastvrijheid woont ook op Vredelust?”

Betsy, die bij ’t woord “boterhammetje,” iets zuurs in ’t gezicht had gekregen—misschien omdat haar voet de pantoffel niet vinden kon, die ze in Noorwegen verloren had—ze trok bij het: “Nietwaar, Betsy?” een gastvrij gelaat, en sprak van een hoofdkaasje en ’en stukje rookvleesch, terwijl Suze heel zacht, alleen voor mama en Barend verstaanbaar, iets van “de ossetong” fluisterde, ’t geen den laatste de kramp in de vingers veroorzaakte, dewijl Suus aan tafel, toen hij van de tong sprak, gezegd had: “’t Is altijd geen vetpot.” En nu.... voor dien snoeshaan!

De burgemeester Van Bavik zou echter dien avond noch hoofdkaas noch ossetong op Vredelust gebruiken, want hij moest noodzakelijk aan iemand schrijven; gaarne zou hij ’t hervatten, en hoewel, na die openbaring van ’t vaste besluit, de verzoeken dringender werden, en zelfs Suze iets prevelde van: “Uw kamer zal koud zijn,” de burgemeester bedankte nogmaals vriendelijk, en maakte zijn compliment.

De heer Gliekke verzocht zijn huisvriend of deze zoo goed wou zijn om Van Bavik eens uit te laten,” en Van Bavik werd door Flitz uitgelaten, en verzekerde nog in de gang, dat hij ook Flitz veel hoopte te zien, en vooral in den lieven kring der Gliekkes, en zijne laatste woorden waren: “A revoir!” en Barend zei ook: “A revwaar.”

Toen de aspirant-notaris in de huiskamer terugkwam, vond hij het gesprek zoo levendig alsof er “partij” was. ’t Spreekt van zelf dat het over den nieuwen burgemeester liep. De heer Gliekke vroeg gedurig op triomfanten toon, wat of hij gezegd had!? Mevrouw betuigde, dat ze nooit zoo iemand ontmoette, iemand die zoo alles in zich vereenigde, dat ze graag de tong had opgezet, ofschoon z’m anders voor den 18den had willen bewaren, en dat ze er sterk vóór was dat de heer Van Bavik dan ook zou verzocht worden.

Flitz viel op dit laatste gezegde met de verklaring in, dat het toch anders “sjenant” was, ’en vreemde op ’en jaarfeest te hebben, en nog wel op het jaarfeest van Suus, en besloot met de vraag: “Wat jij Suus?”

Neen, in waarheid, Suze vond er niets geen bezwaar ia. Ze moest ronduit zeggen dat burgemeester iets heel aardigs en heel liefs had; ’t kon haar wel niet schelen of hij den 18den kwam, neen, er op gesteld was ze in ’t geheel niet, maar, ’t zou toch wel aardig wezen. Pa en ma moesten het weten, hoewel, als Barend het naar vond, zijn komst haar onverschillig was.

Tot vervelens toe liep verder—volgens Flitz—het gesprek over dien snoeshaan; nu eens stelde de heer Gliekke dat heertje ten voorbeeld, en herhaalde mevrouw ’t een of ander wat Van Bavik zeide, of herdacht Suze de boeiende wijze, waarop hij van het woeste maar trotsche Noorwegen gewaagd had; en Flitz was verheugd dat het tijd werd van heengaan, want dat “gezanik” verveelde hem bovenmate. Suze had niet, zooals anders, op de piano gespeeld toen hij er van sprak—anders kon ie immers alles van d’r gedaan krijgen. Van een partijtje was niet eens gesproken, en de ossetong was voor hem niet verschenen.

’t Was alsof de heer des huizes bij ’t afscheid veel flauwer zijn hand drukte; alsof mevrouw veel zachter “Nacht Flitz” zei; en Suze, toen hij haar een “Wel te ruste” wenschte, veel mooier dan gewoonlijk was, maar, ook heel anders dan anders “Wel thuis” ten bescheid gaf.

Alleen kwam Barend thee drinken, maar in gezelschap keerde hij naar zijne kamers in ’t dorp terug. In een naar, een akelig, een leelijk gezelschap. In ’t gezelschap van een sarrend duiveltje, het duiveltje dat jaloezie heet.

Een paar dagen nadat wij Van Bavik een bezoek op Vredelust zagen afleggen, vinden wij hem in een zijner gehuurde vertrekken voor zijn schrijftafel weder, terwijl hij er de pen vlug over het papier doet glijden.

’t Ziet er in die kamer waarlijk zeer comfortable uit. De inscheping van Willem den Vijfde, en De heldendood van Van Speyk met een groote vochtvlak er op, de beide platen, die hier eertijds aan den wand prijkten, zijn er niet meer, maar zijn vervangen door een aantal schoone gravures, waarvan La prière du soir boven de schrijftafel hangt.

De stoelen staan niet geregeld langs de wanden, de tafel staat niet precies in ’t midden der kamer, en de kleine sofa bevindt zich zelfs geheel in een afgedraaide richting; maar toch, ’t is netjes in de zitkamer van den jongen burgemeester.—Een fraai boekenhangertje! Mooie bandjes! ’t Zijn zeker werken van smaak, want de boekenkast in het achtervertrek bevat de Latijnen en Grieken.—Laat zien: Jean Paul, Claudius, Hildebrands Camera Obscura.... en.... wat ligt dáár? Dat boek, langwerpig, in groen leeren band?—Ha! ’t is een dagboek.

’t Is onbescheiden zegt gij, om zonder verlof, schrift te doorsnuffelen, en vooral den blik in een dagboek te slaan; immers de geheimen van ’t hart zijn er in opgeteekend.

Als particulier, zouden we zeker voor die kolossale onbescheidenheid terugdeinzen, maar, we voeren u als novellist de kamer binnen, en in die kwaliteit is het ons vergund overal te zien, overal te luisteren en alles te lezen, mits.... we er nimmer een slecht gebruik van maken.

Alzoo, we nemen het dagboek zonder blikken of blozen, en lezen wat ons goeddunkt, ofschoon we zeer zeker niet zullen meedeelen wat verborgen moet blijven.

Bladz. 40—1 Januari 18.3.

“Gisteren was het oudejaarsdag, en heden is het nieuwjaarsdag. Gisteren zag er alles zoo oud en zoo eerwaardig uit, en heden schijnt het mij toe alsof alles een nieuw pak heeft aangekregen; ’t is zelfs alsof die oude grauwe kerkmuur, waarop ik uit mijn venster het oog heb, er nieuwjaarsachtig uitziet. Alles!.... En—hoe zou ’t er uitzien in ’t hart van de menschen.... ik meen in ’t hart van den schrijver: A. D. V. B.?”

Bladz. 44—6 Maart 18.3.

“Gisteravond hebben wij feest op Ysbrands kamer gevierd. ’k Ging er om zeven uur alleen heen, maar ben zonder mij zelven weer thuis gekomen.... hoe laat weet ik niet. ’k Heb mijn morgengebed maar binnengehouden. Hoe meer geest naar binnen, hoe meer geest naar buiten....? Maar,—zou ’t wel de geest zijn van Hem...., ’k wil heden Zijn naam niet noemen, ’k ben te katterig.... ’k ga eens wandelen.”

Bladz. 46—15 Maart 18.3.

“Doctor!—Mr. in de beide rechten!—Professoren; Paranimfen; m’n huisploert, de nachtwachts, tot zelfs de krolsche katten, die me ’s nachts zoo ergeren, ’k zou ze wel aan ’t hart willen drukken. Ik doctor! Ik Mr. in de beide rechten! ’k Zou alles wel om den hals willen vliegen.... tot jou toe, ouwe trouwe taaie waterkaraf, die me vooral in de laatste dagen zoo dikwijls met je dierbaren inhoud hebt afgekoeld. Na ’t eten dadelijk weer naar de socie! halzen genoeg om te omhelzen, en halzen in den kelder van den kastelein.... Hola! zou ’t niet beter zijn in de armen van mijn goeden vader en—ja! ja!! aan den hals van mijn lieve moeder....?”

Bladz. 51—10 Mei 18.3.

“De advocaat Mr. A. D. Van Bavik heeft consult gegeven.—Daar liggen ze voor me de zes schellingen. ’k Heb nooit geweten dat zes en dertig stuivers zoo’n som was. Verdiend! Eerlijk verdiend!—Eerlijk verdienen!—Recht en gerechtigheid!—Ik zal me voor die eerste zes schellingen het kleine Themis-beeldje koopen. ’t Kan nooit geen kwaad.”

Bladz. 52—28 Mei 18.3.

“Opgestaan; courant gelezen; aangekleed; bij Van Mees koffie gedronken; twee visites;... goed gedineerd in de Lion d’or.... een aardig avondje bij Prings; fideel geomberd.... slaap!.... nog ’en kopje thee, dan naar bed.—Zeg! geest van den grooten Luther, je bent al zoolang naar BOVEN verhuisd, al staat je gipsen beeld me onbeweeglijk aan te staren, zeg, lezen ze daar waar je nou woont, ook couranten, kleeden z’er zich, drinken z’er koffie, maken z’er visites, dineeren en omberen z’er ook, en gaan ze dan slapen na ’t gebruik van ’en kopje thee? zeg?”

Bladz. 68—5 September 18.3.

““Bid en gij zult ontvangen!””—Is ’t waarheid?—Z’ is dood, al zes dagen dood, die lieve, die trouwe, die engelachtige moeder; en heb ik niet gebeden, heb ik niet ieder uur gebeden: God bewaar ze; behoed die lieve?—Was mijn gansche denken niet zelfs één biddende gedachte: Almachtige Hemelvader, spaar mij de dierbare moeder?—Zou ’t niet blijken of dat woord leugen of waarheid bevatte. Besloot ik niet Hem lief te hebben wanneer Hij ’t gebed verhoorde?—Ik heb gebeden en—zij is gestorven.

“Z’ is dood, de moeder, die mij als kind geen schaatsen wou laten rijden toen ik zoo hoestte, en me niet uit bed wou nemen toen men zei dat ik de mazelen had. Z’ is dood, die me lief had en trouw voor mij zorgde. God heeft haar niet behouden. Behouden?.... Is zij verloren? Voor eeuwig verloren? Neen, God zij gedankt! neen, ze leeft. Vader! wees mij genadig. Die bidt zal ontvangen, zeker ontvangen: een nieuw, een heerlijker leven in een der vele woningen van het oneindige Vaderhuis.”

Bladz. 93—3 Mei 18.4.

“Arme Marie! wat ben je toch leelijk! Rood haar; sproetels, ontelbaar als de starren aan den hemel of de schelpjes aan ’t strand; ’en neus, die met alle recht bij den toren van Libanon mag vergeleken worden; ’en mond van ’en Enaks-kind, waarvoor de soeplepels mij nog te klein schijnen; ’en stem, bij lang na zoo lief niet als de stem van mijn trouwen Fik, en een paar armen, zoo lang en schraal als de winter. Arme Marie! ik zat naast haar in ’t kattebakje toen we gisteren naar buiten reden. Ze had óók blondes en bloemen in haar hoed, ze had óók witte glacé handschoenen aan. Ze vond dat bedelmeisje met die bruine oogjes en dat fijne gezichtje, óók zoo ongelukkig; ze had óók medelijden met den bultenaar die, met een mooi gekleeden aap op zijn rug, het rijtuig naliep; ze vond broodjes met zalm lekkerder dan broodjes met kaas, en zei ook—precies als al de anderen—dat een dansje in ’t groen wel aardig zou wezen.

“Arme Marie! wat ben je toch leelijk, en wat was je gisteren verschrikkelijk leelijk toen je, evenals al die blondjes en bruintjes, je hoedje hadt afgezet. Maar neen.... zoo heel leelijk was je toch niet, toen je door niemand ten dans geleid, met een vroolijk gelaat ons allen stond gade te slaan. Marie, waarlijk je bent affreus leelijk, maar ’k vond je zoo ijselijk leelijk toch niet, toen er een lachje om je grooten mond kwam spelen, nadat de meeste hijgende snoepertjes zaten, en ik—aan ’t kattebakje denkende—mij over je ontfermen kwam. Marie, gelukkig dat je niet zaagt hoe Betsy achter je lachte toen ’k je mijn arm bood, en ’t bijna uitproestte, toen je met je hoogen rug aan ’t huppelen waart, en ik er op verdacht moest zijn om niet door je groote passen uit de maat te raken.

“Arme Marie....! Zou je later DAARBOVEN ook zoo leelijk zijn? Zou Betsy je DAAR ook uitlachen?”

Bladz. 98—6 Juni 18.4.

“Wel aardig! ’t is de gansche stad door: Van Bavik geëngageerd.—Geëngageerd met eene freule Van Hes + drie ton.—Och! die vurig begeerde tonnen ze rammelen zoo, ze wegen zoo zwaar, en ze zijn dikwijls zoo slecht bekuipt bovendien. Geëngageerd! Ik met de freule Van Hes.—Welke....? De oudste die ’k laatst bij Prings ontmoette, of de jongste wier zakdoek ik in ’t bosch opraapte? Wie zou ’t wezen? De eerste verklaarde bij Prings, dat ze verzen, van welken aard ook, vervelend en saai vond, terwijl ik de jongste, op ’t concert te midden der zachtvloeiende violonceltonen, hoorde goechelen, dat het kattengemauw was.—Ja, vader Tollens, ’k zal aanstonds voor FIK JE HONDENTROUW nog eens opsnijen, en dan de gitaar nemen en het lieve VATER UNSER nog eens luchten, da’s meteen ’t avondgebed, en—dan kunnen ze in stad, de freules Van Hes, in, of op, of met d’r tonnetjes rollen, precies waar ze ’t goed zullen vinden.”

Bladz. 115—29 November 18.4.

“Advocaten zonder praktijk zijn volle schotels zonder hongerige gasten.—Ongebruikte spijzen bederven.—Bederven!! Foei! dan beter anderen, die honger hebben, opgezocht.—Wis en zeker ’k solliciteer naar B.... c. a.”

Bladz. 116—2 December 18.4.

“Zonder kruiwagens verkruit men het zand niet. Zonder kruiwagens wordt geen student minister. ’t Is een groot voorrecht dat mijn Engel, de trouwe moeder, familiezwak had en neef uit A.... altijd zoo vriendelijk ontving wanneer hij bij ons in stad kwam, terwijl ze hem na ’t eten trouw een kop koffie schonk. Die goede! ze wist toen niet dat neef minister zou worden, en haar Alexander, omdat hij liever iets dan niets wil wezen, en om een andere reden nog, naar B.... c. a. zou solliciteeren; ze wist niet dat neef mij kruien zou naar B... c.a. Zou mij die kruiwagen ook benijd worden....? Aardig! Ieder begeert zoo’n eenrad om van A naar B, en van B naar C, met winst te worden vervoerd, en—den eenigen den GROOTEN.... die wil overbrengen naar de plaats, ENGEL, waar gij zijt, Hij wordt zoo telkens veracht en met voeten geschopt. ’k Heb hem heden ook ván mij gestooten toen ik aan Smit verzekerde, dat ik geen kruiwagens noodig had. Ik dacht niet aan U, ik loog, ’k was ’n uil.”

Bladz. 123—10 Januari 18.5.

“Fik heeft me vreeselijk onnoozel aangekeken toen ik hem dezen middag, plechtstatig mijne benoeming als burgemeester bekend maakte. ’t Scheen alsof ie bang was dat hij mijn secretaris zou moeten wezen, en ’t gul moest bekennen dat ie geen A voor een B kon. Goeje Fik! nou leg je te snorken, maar toen keek je verschrikkelijk dom. Brand heeft me wel eens gezegd, dat Fik sprekend op mij lijkt. Als ik maar niet op Fik gelijk zooals hij mij straks aankeek, wanneer ik te B. voor ’t eerst den gemeenteraad moet presideeren.”

Bladz. 130—1 Februari 18.5.

“’t Is al één uur na middernacht. ’k Heb niets geen slaap. ’k Bezag mij daar straks in den spiegel. Zie ik er deftiger uit? Wat eerbewijzen; wat verzekeringen van warme toegenegenheid! Die aanspraak aan mij.... aan Sandertje, die nog geen twee jaar geleden de eer genoot om op een soireetje, door den burgemeester, een straatschender genoemd te worden. Een straatschender! hoewel hij in gemoede kon verzekeren dat, op den avond waarvan sprake was, geen schel, dan zijn eigen tafelschel, door hem werd aangeraakt.—’k Ben een Edel-Achtbaar persoon; ’k moet de voetstappen drukken van een man, dien ik nooit gekend heb. “De gansche gemeente is met blijdschap vervuld,” verblijd over de komst van mij, van iemand, dien zij volstrekt niet kent; en ten slotte is het “één stem in de gemeente: Leve onze nieuwe burgemeester!”

Hoe belangstellend! Er is machtig veel goud- en zilverpapier voor al die rosetten verknipt. ’t Zal me eens benieuwen hoe die eerebogen er zullen uitzien als ze van ’t dennengroen en van ’t vlaggedoek zullen ontdaan zijn. Aardig, die bekentenis van den tweeden aanvoerder der eerewacht: dat hij die kale plekken van zijn vosje eens handig met lintwerk bedekte. Wat werd het eensklaps donker, toen die groote pekton had uitgebrand; maar.... de starren hernamen hun recht.—Een pekton voor mij alleen, en toen, millioenen van glanzende werelden voor allen.... ’k Word zoo verward; ’k zie alles en niets.... ’k Zal nog een oogenblikje met Fik gaan spelen en zien of ie weer niezen moet als ie op eens in ’t lamplicht kijkt.”

Bladz. 133—15 Februari 18.5.

“De kale plek van ’t vosje heb ik duidelijk gezien, evengoed als ’t muizengat dáár in ’t behangsel, waarvoor den eersten dag van mijn hierzijn, die groote roset zoo’n aardig effect maakte. Och wat ’en kale plek toen de linten er af waren! ’t zag er zelfs rauw en bloederig uit, en niets er op om te bedekken. Wat zal dat vliegensteken lastig zijn! Arm dier! Maar toch, de vlieg steekt omdat hij voedsel wil, en niet uit lust tot kwellen.”

“Zou mijnheer Flitz wellicht gesolliciteerd hebben? ’t Spijt mij waarlijk dat hij van ’t paard viel.”

Bladz. 134—16 Februari 18.5.

’En stil dorp zonder wrijving, is ’en groote kabeljauwdrogerij!—Stokvisschen!—Maar, die stokken in bossen! ze zijn zoo slecht niet, als ze maar krachtig gebeukt en flink geweekt zijn. Altijd wat stokkerig maar goed van smaak.

“Vredelust ligt nog al bezijden de drogerij, misschien dat de visch er daarom nog niet zoo hard is; wellicht ook is zij eerst later aangevoerd. ’t Kloppen en weeken zal daar niet zoo zwaar vallen. Ik zal.... Neen.... ik zal het 6de vers van het 62ste gezang nog eens nalezen en dan naar bed gaan.”

Lezer, daar hebt gij nu een brok en een hap uit dat groen lederen dagboek. Wat niet gelezen mocht worden daar hebben zelfs wij geen oog in geslagen.

Kent gij den nieuwen burgemeester nu?

Niet?.... Dat spijt me voor u en voor hem.

Nog schrijft Van Bavik; en Fik, die tot nu toe door ons onopgemerkt in zijn nest achter de kachel sliep, Fik begint te knorren want, de deur wordt geopend; de kasteleinsche treedt binnen, en brengt de boodschap van den knecht van Vredelust over: “En komplement en of burgemeester plezier had om morgen tegen vijf uren familiaar bij mijnheer Gliekke te komen dineeren om verder ook familiaar het avondje te passeeren?”

“Morgen om vijf uren?” antwoordt Van Bavik: “Compliment, juffrouw Kamp, dat ik met genoegen zal komen.”

“Maar.... maar....” herneemt de kasteleinsche, terwijl ze ook een “Koest!” tot Fik richt, die nog niet aan haar vreemde tronie gewend is.

“Watblief?” vraagt de burgemeester.

“’k Zal dan voor mijnheer den burgemeester niet behoeven te koken?” zegt de dame weder.

“’k Heb maar één maag, juffrouw Kamp,” antwoordt Van Bavik.

“A ja, ja wel,” herneemt de hospita: “maar van wegens de betaling, weet u. Eten of niet eten.... weet u....”

“Tóch betalen!” roept Van Bavik, zóó luid, dat Fik blaffende opvliegt, en juffrouw Kamp met een: “Dus complement en ja wel;” haastig vertrekt om den knecht van Vredelust te boodschappen, dat mijnheer de burgemeester, die ’en best man is maar ’en “vuilen” hond heeft, de eer zou aandoen van met plezier te komen.

Den 18den was er op Vredelust ’en heele drukte. Suze was jarig, en had behalve de geschenken der ouders en drie brieven van nichtjes Gliekke en Vos, met—stalen zonder waarde er in,—al vroegtijdig een pakje ontvangen ’t welk, zooals er buiten op stond—een nécessaire bevatte, en waarin zich: kam, haarborstel, tandenschuier, schaar, nagelborsteltje, haarspelden, een stuk polka-zeep, met nog een aantal andere noodwendigheden bevonden, waaronder een echt Engelsch likdoornsnijdertje nog vermelding verdient. Door wien dat alleraardigste cadeau werd verzonden, bleef der jarige niet duister, dewijl er mede in die nécessaire een papier lag, dat vier bladzijden poëzie bevatte en, keurig geschreven, met de namen: Barend Flitz was onderteekend.

Indien we geduld hadden dan zouden wij den poëtischen heilwensch van den candidaat-notaris zeker hebben afgeschreven, want Suze is er niet geheim mee, doch daar ons ’t geduld ontbreekt, geven wij alleen de verzekering, dat de vier bladzijden te zamen honderd en twintig regels telden, waarvan de eerste met: “Ik zal,” de derde met: “Ik zou,” de vijfde met: “Ik wil,” de zevende met: “Ik heb,” de negende met: “Ik hoop,” en de elfde met! “Ik voel dus Suus,” aanving. Een van de kunstigste passages uit het stuk was die, waarin de dichter al de artikelen uit de nécessaire, niet zoozeer bezong als wel der jarige nuttig en onontbeerlijk voor den geest bracht. Op bladzijde twee, hoorde de verrukte poëet—let wel den 18den Februari—’t gezang der nachtegalen, en sprak hij iets verder zoo liefelijk van filomeel en gekweel, dat het ons niet zou verwonderen indien hij in zijn bibliotheek “een werkje van smaak” heeft bezeten. Op bladzijde drie gaf hij de conditioneele verzekering:

“Ik kom met ijslijk veel pleizier Als w’ onder ons zijn met zijn vier.”

Iets lager viel hij in ’t komieke met de verklaring:

“Ik ben een mensch als allemaal En ben niet vies van goed onthaal.”

Op bladzijde vier sloeg hij een blik in ’t verleden, en las in het boek der toekomst met de woorden:

“Ik zag je ’t eerst met pijpjes aan Nu denk je allicht aan trouwen gaan.”

Weer verder eischte hij plechtig eene verklaring van den teedersten aard, aldus uitgedrukt:

“Ik hoop te hooren uit je mond Da’ j’ die Van Bavik aklig vond.”

terwijl het gedicht met het kunstmatige rijm besloot:

“Ik ben hetgeen je misschien gist Hij die zich noemt, vriend Barend Flitz.”

Vrouwengeduld! Engelachtig geduld! Suze wij bewonderen het uwe. Eerst laast ge ’t vers voor u zelve, en daarna hardop voor uw ouders, zonder een enkele maal te geeuwen of zelfs te zuchten.

Vrouwenoordeel! Engelachtig zacht! Suze, gij vondt het vers lief, en zelfs die regels, á propos van den jongen burgemeester, gij veroordeelt er Flitz niet om, hoewel de zachtheid van uw oordeel evenmin toelaat die uitgedrukte hoop te vervullen.

Vrouwelijke tevredenheid! Bewonderenswaardig! Ze vindt het van Flitz toch attent, toch hupsch. In dat lederen doosje is zoo alles bijeen; neen, al bezit ze alle mogelijke reinigingsmiddelen van ’t beste soort, al zegt papa, dat Flitz niet zeer kiesch in de keuze van zijn attentie is geweest, en al voegt mama er spijtig bij, dat het eigenlijk een affront is, waar zij in haar tijd den gever mee om de ooren zou hebben gegooid, al was er ook een vers van honderd bladzijden bij geweest,—Suze oordeelde toch, dat het uit een goed hart kwam!

Papa Gliekke door de verontwaardiging zijner gade ook meer verontwaardigd dan hij anders zou geweest zijn, verzocht vriendelijk dat zijn dochter geen woord van het ontvangene tegen Flitz zou reppen,—hij moest het voelen, en Suze zei, dat ze ’t naar voor hem vond, en eigenlijk ook naar dat burgemeester toch kwam, omdat Flitz zoo vast scheen te denken dat het “onder ons” zou zijn.

Er was veel drukte op Vredelust, want mijnheer en mevrouw Gliekke hadden volgehouden, dat de jaardag van Suze eene geschikte gelegenheid was om Van Bavik te eten te hebben; ’t zou nog wat vroolijkheid bijzetten, want de Van Saffelens hadden bedankt omdat de notaris ongesteld was, hoewel het daarom toch niet zooals Flitz dacht, “onder ons” zou blijven, want, de Meijers kwamen, en dominee en Saartje, en juffrouw Haspels ook. Al was mevrouw Gliekke machtig ver in ’t rekenen, ze was daarom in geenen deele wat men gierig zou kunnen noemen. Neen, bij een jaarfeest van het eenige Suusje, was er zelfs weinig te goed om niet voor den dag gehaald, en weinig te lekker om niet te worden opgedischt.

We zullen geen kans wagen om u te doen watertanden, door u een menu te schenken van de gerechten, die Gliekkes gasten werden voorgezet. Ge hebt meermalen fijne dineetjes bijgewoond, en herinnert u zeker de schotels die u het best bevielen. Welnu, kies het fijnste wanneer ge trek hebt. Er is op Vredelust te kust en te keur, en, meer dan genoeg blijft er over, want Flitz, op wien mevrouw nog al rekende, eet bedroefd weinig, maar.... hij drinkt een glaasje te meer, en de wijn is goed.

De heer burgemeester is tusschen de gastvrouw en de jarige dochter des huizes geplaatst. Flitz zit aan Suzes linkerzijde en de oogen doen hem zeer van de “helkleurige” bloemen die, tot een “stijven” ruiker saamgevat, naast Suzes bord liggen en waarmee die burgemeester, haar, met ’en “lamme” aanspraak, was te gemoet gekomen toen hij binnentrad.

Aan de andere zijde van Flitz werd juffrouw Haspels geplaatst, een jonge dame van 28 jaren of daaromtrent, wier hoedanigheden wij onaangeroerd zullen laten, aangezien we niet de eer hebben juffrouw Haspels—meer bepaald Doortje of Dorothea Haspels—bijzonder te kennen, en wier uitwendigheden te alledaagsch zijn, om ze der vermelding waardig te keuren. Zooveel is zeker, Flitz vindt er niets aan, en zei: “Ajakkes” toen hij op het servet aan zijn vanderhandschen kant het plaatskaartje met den naam der gezegde juffrouw ontwaarde; en, zóóveel is óók zeker, dat de jonge heer Meijer—Nº. één van de eerewacht, behalve de chefs—die Doortje als zijn rechterdame nu en dan moest toespreken, totdat het dessert werd gediend, nog niets gehoord had dan: hi hi, ja wel, of, hi hi, neen; maar bij gebruik van het ijs à la vanille de verzekering bekwam, dat het hi hi, zoo koud door de keel gleed, terwijl de knecht achter haar, op de vraag: Marasquin? “’k Ben nog voorzien, hi hi,” ten bescheid kreeg.

De heer Meijer Jr. schijnt ons een fiksche jongen te zijn: hij eet goed, hij drinkt goed, en praat over ossen en hooiduurte en stalmesting en draineeringen met kennis, maar merkt het niet op, dat eenigen van ’t gezelschap, en vooral de jarige dame heimelijk lachen, nu hij den kleinen waschkom van fraai porselein ter hand neemt, en den, tot zuivering van mond en vingertoppen bestemden inhoud, in drie klokken naar binnen zendt, met de bewering: dat, op een goeden slok water, de wijn van nieuws aan smaken zal.

De heer Meijer en dominee Van Beem maken met hun wederhelften en dominees oudste dochter Saartje, het overige gedeelte van Gliekkes dischgezelschap uit.

De hoofden der schepping voeren grootendeels het woord. ’t Komt den heer Meijer voor,—zooals het zijn vader, die ruim dertig jaren dood is, ook voorkwam—dat het pauperisme hand over hand toeneemt, en dat er alom, zelfs hier ten plattelande, veel gebrek wordt geleden.

Dominee meent in gemoede te kunnen verzekeren dat de zedelooze tabaksbouw, alsook de zedelooze aardappelenteelt, alsook de zedelooze jeneverstokerijen, de meer en meer veldwinnende verzwakking ter eener, en de toenemende armoede ter anderer krachtig bevorderden; en wipt, terwijl hij met de linkerhand de verderfelijkheid der jeneverstokerijen verduidelijkt, met de rechter zijn glaasje Marasquin naar binnen, omdat.... het goed op het ijs valt.

De heer Gliekke is van oordeel dat het beweren van dominee wat streng is; van de jeneverstokerijen of aardappelenteelt wil hij niet spreken, want, jenever gebruikt hij zelden, of ’t moet op de jacht een beetje bitter zijn om een haas te overluiden; en, aardappelen daar zou hij zich ook gaarne van passeeren, aangezien hij veel liever groenten eet, maar, de zedeloosheid van den tabaksbouw te willen staande houden, dat schijnt hem wat kras toe: hij wil gaarne alles laten, maar zijn pijp en sigaartje daar is hij een liefhebber van.

Dominee houdt vol dat de tabaksplant een zedelooze plant is, aangezien hij bij eigen ervaring weet, welke heillooze effecten zij op de verbruikers teweegbrengt. Honderdmaal heeft hij het rooken beproefd, omdat de collega’s hem sterk animeerden, maar telkens was het—en dominee trekt een leelijk gezicht.

“Aardappelen!” roept de heer Meijer Jr.: “Neen dominee, daar moet je ons afblijven, vooral tegenwoordig; we hielden niet minder dan twintig zakken voor winterprovisie, nietwaar moeder? en dan tachtig mud aan de markt à vier min ’en kwart, behalve de pooters en varkensaardappelen, ’t geeft rekening, hoor je....” en ’t is waarschijnlijk dat de heer Meijer Jr. dat laatste “hoor je!” tot zijn rechterdame sprak, want zij lacht: “Hi hi!” en zegt: “Dat dunkt me!”

’t Schijnt dat de jonge burgemeester dezen middag meer van luisteren dan wel van spreken houdt: hij zegt, wanneer men hem vraagt, bescheiden zijn oordeel over dit of dat, en ziet—volgens Barends bepeinzing—nu eens den een en dan weder den ander, tot zelfs de dames in kluis—dat laatste woordje was Flitz getrouw—zoo vreemdsoortig aan alsof ie “wat van d’r hebben moest.” Misschien zag Van Bavik inderdaad, zonder het te willen of te weten, nu eens den één, en dan den ander, tot zelfs de dames in kluis, wat scherper aan dan volkomen wellevend was, maar zeker beschouwde hij de heeren met bevreemding, toen reeds de tweede compote aan ’t wandelen was, en nog niemand het woord had gevraagd om de heldin van den dag te gedenken.

Neen, ’t was niet om als hoofd der gemeente aan dezen disch een zeker recht te doen gelden, en evenmin om zijne gaven van welsprekendheid aan ’t licht te brengen, dat hij eindelijk den gastheer beleefd om het woord vroeg, en na bekomen verlof met een welluidende stem het volgende sprak:

“Droefheid en Blijdschap, ziedaar de zusters die den mensch afwisselend door ’t leven vergezellen.

’k Noemde haar ’t eerst, de Droefheid, dewijl haar leven vol ernst is.

Hij, die haar niet kent, vreest en schuwt ze, en noemt haar de vijandin der schoone bloeiende maagd, die hém ter zijde staat....”

Flitz werpt bij deze woorden een glurenden blik op den spreker, terwijl er iets leelijks, iets onderzoekends in den tweeden blik is, welken hij op “de maagd” werpt, die links naast hém, en rechts naast Van Bavik gezeten is.

“Die haar kent,” vervolgt de spreker: “weet echter dat zij hare schoone zuster hartelijk is genegen, en noode toetreedt om haar te vervangen. Hij bespeurt—ofschoon de eerste bij de tweede verre in schoonheid en lieftalligheid ten achter staat—in beider trekken toch de afkomst van denzelfden, den Grooten den Eeuwigen Stamvader.

Liefde schonk ze beiden het leven.

De Droefheid ziet de gevolgen van ’t booze, en snelt toe, en plaagt niet, maar troost.

De Blijdschap ziet welvaart en genieting, zij huppelt er heen en lacht met ze mee.”

Flitz kijkt zoo zwart als de nacht, maar begrijpt er eigenlijk “geen stom woord van.”

“Weldadige, vriendelijke zusters! wie ontvangt ze niet gaarne?” vervolgt de spreker: “De Droefheid schenkt tranen, weldadige tranen, en weert den wrevel.

De Blijdschap schenkt lachjes en stemt tot danken. Wie ook de eerste niet kenne en daarom minachte, de tweede zal hij gaarne, met mij, welkom in deze woning heeten. Zij heeft zich gelegerd in de harten van een dankbaar oud’renpaar; zij lacht ons toe uit de oogen eener lieftallige dochter....”

Van Bavik neemt het glas, ziet eerst de oudelui Gliekke en daarna het jarige meisje aan. Flitz komt weer op de hoogte; bijt zich op de lippen, en grijpt bij abuis het glas van Doortje, dat hij in één teug ledigt. Een intermezzo klinkt; “Hi hi hi! da’s mijn glas.” De spreker heeft gezien en gehoord; wacht een oogenblik, maar herneemt, na een vriendelijk knikje van mevrouw Gliekke, terwijl hij de jarige Suze bepaald aanziet:

“De vroolijk lachende Blijdschap heeft hier hare bloemen gebracht, en, bid ik, dat de zachte Droefheid u trooste zoo ’t leed eens mocht dagen, vuriger bid ik, dat de Blijdschap u voere door ’t leven, tot aan ’t graf—in de verte.”

Van Bavik zwijgt, en ziet met verrukking dat de dankbare Blijdschap, die uit de oogen der jarige straalt, twee heldere parels naar buiten werpt; hij ziet het met verrukking, dewijl de toon door hem aangeslagen, ondanks hem zelven wat hoog werd, en hij vreesde niet door haar te zullen verstaan zijn tot wie hij inzonderheid sprak. ’t Is een heele toer, lezer, om voor de vuist in “’t ernstige te vallen”—zoo wij ’t niet, poëtisch proza durven noemen—om zóó, of liever in dien geest, voor de vuist te spreken tot een dischgezelschap waarvan de meeste leden—als echte voddenkrabbers—met hun dessertmesjes in de appel- en druivenschellen,—ja druiven waren er ook geweest—amandelbasten, rozijnenpitten en ulevellen-deviezen zitten te schommelen, alsof ze nog honger hadden. ’t Is waarlijk zoo gemakkelijk niet om de juiste woorden te kiezen, en verre van “’t bombast” te blijven, indien men telkens door een leelijk gezicht wordt afgeleid, of wel, door een: “Hi hi hi! da’s mijn glas,” tot den climax wordt aangemoedigd.

’t Is zeker een heele toer, en voor Van Bavik was het waarlijk een razende toer geweest, zoo onvoorbereid en in den waan dat wellicht al de heeren vóór hem ’t woord zouden hebben opgevat, of dominee althans. Maar hij had gesproken, en in de oogen der jarige blonken werkelijk een paar tranen, en mijnheer Gliekke riep dat het briljant was, en mevrouw Gliekke betuigde dat het allerliefst was, en dominee zei: “Ja, ja,” alsof hij meende: hetzelfde zeg ik zoo dikwijls; en de overige leden van het gezelschap vonden precies wat de heer Meijer Jr. vond, namelijk, dat ze daarop eens moesten drinken, behalve de heer Barend Flitz die—hoewel niet luide—vond dat het “een lam gezanik” geweest was, en “’en vervl...te padanterie.” En, hoe de lezer het vond, weten we niet, maar hij bedenke, dat een toost altijd een stuk blijft zoo niet beneden alle critiek, dan vast toch een stuk dat niet behoort gecritiseerd te worden.

De burgemeester had gesproken; er was gedronken, en dominee herleest juist voor de zevende maal een ulevellendevies om den tijd te korten, dien hij broeiende op een toost doorbrengt, toen aan Suzes linkerzijde een mes zóó krachtig tegen een fijn champagneglas werd geslagen, dat het, tot zichtbare ontsteltenis van mevrouw Gliekke, in scherven naast de jarige nedervalt.

“Hi hi! kapot!” roept Doortje!

Flitz zegt: “’t Spijt me; ’k wou ook eens het woord.”

De gastheer roept Frederik, die, van al ’t schenken achter tafel zoo waterig uit de oogen ziet; gelast hem een ander glas aan den heer Flitz te geven, en nadat het gevraagde voor de scherven in plaats is gesteld, geeft hij met genoegen het woord aan Flitz, die met een vuurroode kleur opstaat, en met het ten boorde toe gevulde glas in handen, een paar maal ziegzaagt, zoodat een: “Voorzichtig!” hem ’t rechteroor treft, en vangt eindelijk aan:

“Praatjes zijn praatjes, afin, maar ik hou er van om te zeggen, wat ik denk. ’k Heb voor Suus een vers van vier bladzijden, zoo maar weg gemaakt.” Niemand nog zei den armen Flitz een vleiend woord van zijn dichtstuk, zelfs Suze had nog niets dan een zacht: “Dankje voor je lieve attentie,” kunnen of durven uitbrengen.

“Afin, da’s ’t zelfde,” vervolgt Flitz: “Ik zeg het niet om er van te spreken, daar hou ik niet van, maar afin, ik weet wat ik weet, en dat Suus vandaag, op den 18den Februari jarig is, dat wist ik al toen ze nog als ’en meisje van veertien jaren op m’n knie zat.... Weet je wel Suus? Afin, ik ben hier al zoolang bekend als de familie hier is, en ’k drink dan ’t welzijn van dezen huize! Afin Suus, daar ga je....!”

En Suus ging, of wel de inhoud van het voorwerp, waarmede Flitz de jarige dame telkens bedreigd had, gleed binnen ter plaatse waarvoor het bestemd was, doch, waar het nederkwam als olie in ’t vuur.

Wij zouden ten opzichte van Flitz zeer onrechtvaardig zijn, indien we niet getuigden, dat hij het welzijn van dien huize hartelijk meende. Hij had er blijken van gegeven, want, niet slechts dat hij gedurende de zes jaren dat de Gliekkes te B. woonden, op de drie jaarlijksche feesten der huisgenooten—en Flitz woonde ze trouw bij—telkens dat welzijn gedronken had, hij toonde ook dat het welzijn hem werkelijk ter harte ging: eens met dien brand in den schoorsteen, en eens met waken toen mijnheer Gliekke de koorts had.

De toost van den heer Flitz, ofschoon—maar neen, we zeiden dat toosten niet gecritiseerd behooren te worden—de toost maakte opgang, en zelfs Doortje begreep dat het: “hi hi, ’t welzijn van dezen huize was.”

Aan alle zittingen komt een einde, en ook hier stond het gezelschap ten laatste op; de dames om in ’t nabijzijnde vertrek voor de koffie te zorgen, de heeren—dominee uitgezonderd—om trots de zedeloosheid der tabaksplant een sigaartje te rooken.

Wat werd er verder van den avond?

Als ’t u lust, kom dan straks wanneer de koffie gedronken en de sigaartjes gerookt zijn, mede naar de tweede salon, waar de kroon met brandende bougies in ’t midden hangt en de bougies op de lusters ook zijn aangestoken; ziet er het gezelschap, eerst met een pousse-café, daarna met fijn porselein in de handen, en later onder ’t genot van punch of bisschop of rooden wijn met gebakjes, en luistert eerst hier en dan bij een ander groepje, en later naar datgene waar het gansche gezelschap in deelen zal.

“Onder ons,” zegt de gastheer zachtjes, terwijl hij met de handen op den rug naar het turfvuur gekeerd staat: “’t is ’en beste jongen, geen kwaad zit er in, maar, zonder betrekking! Suze is mijn eenig kind, en hoe goed hij ook zijn moge, al is hij geen buitengewoon vernuft, je begrijpt: een schip in zee zonder bestemming, daar heeft de reeder geen vrede mee.”

“A juist,” zegt Van Bavik, terwijl hij een blik in zee stuurt.

“Van weinig familie,” herneemt de gastheer: “maar toch fatsoenlijk, en nog al fortuin, althans hij leeft hier goed en verteert zijn geld zonder verdiensten.”

“A zoo,” zegt de jonge burgemeester, en beschouwt de bloemen van het Deventer tapijt waarmee de vloer bedekt is.

“Entre nous—geen mensch weet er van,” herneemt de vertrouwelijke vader nog zachter: “Als de jongen een post had, een postje, begrijp je—van ’t notariaat wil ik niet spreken—’k zou zeggen: fiat vriend, maar zie je, een mensch als ik, die al mijn leven gewerkt heb, ik weet bij ondervinding dat niets om handen hebben een treurig lot is. De vrouw heeft geen krediet voor den man, die geen betrekking in de maatschappij bekleedt; hij wordt een janhen en zij is er de dupe van.... hoe vaar je....?”

“Dankje,” zegt Van Bavik tot Frederik, die hem voor de vierde maal een glas punch presenteerde, en de gastheer herneemt, terwijl Frederik juffrouw Doortje nadert: “Maar je spreekt er niet van, want ik hou me alsof ik van den prins geen kwaad weet.”

“Wat een mooie preek hield die mijnheer de burgemeester,” zegt Saartje van den dominee tot Doortje die bisschop gebruikt.

“’En toost meen je!” lacht Doortje.

“En zoo uit het hoofd!” herneemt Saartje: “Va leest ze altijd.”

“Zou er gedanst worden?” lacht Doortje: “Me dunkt hij moet wel prettig galoppeeren; ’k zal ’t eens aan Suze vragen.... al was ’t in de gang!”

Doortje ziet naar de jarige om, maar ontdekt haar niet, en vermoedt evenmin, dat deze staat, waar zij,—Doortje—wel graag een dansje zou willen maken.

Ja, Suze staat in de gang, ze houdt zich aan de leuning van de trap vast, en Barend Flitz staat vóór haar.

“Suze, ik wil het bepaald van je weten, hoor! van avond nog, op ’t oogenblik!” zegt Barend.

“Maar Flitz hoe zal ik, hoe kan ik?” spreekt Suze stamelende.

“Zullen en kunnen!” herneemt de jongeling, die, volgens de keuken-verklaring van Frederik, wel drie flesschen op heeft en “poes kaffé en pons” ook: “Zullen en kunnen da’s malle praat Suze, zie je, ik wou het weerga’s graag weten, ik heb er mijn reden voor; ik zeg dat ik allemachtig verliefd ben, dat zeg ik, en dat va niet arm is dat zeg ik ook. Of heb je andere plannen, spreek?”

’t Is niet bijzonder licht bij de trap, en we kunnen derhalve niet zien, welke de uitdrukking van Barends gelaat bij dat “spreek” is, evenmin als we in Suzes kijkers kunnen lezen wat er in hare ziel omgaat, maar meenen een geluid te hooren alsof dat “spreek” bij het meisje iets anders dan woorden heeft uitgelokt, en vernemen wat later heel duidelijk dat de jarige schreit.

“Suus.... neen Suus, zoo meen ik het niet. Suze schei uit, dat vind ik nu akelig!” fluistert Barend op een geheel anderen toon dan dien, waarop hij zoo pas heeft gesproken: “Je voelt immers dat ik je liefheb. Och Suze, ik heb je zoo lief, en ik dacht dat het van daag de dag moest wezen waarop ik het zeggen kon. Suze als ik je leed doe, zeg het dan maar. ’k Wil alles voor je doen. In den nacht zelfs wil ik naar stad loopen om breikatoen of wol voor je te halen. Suus, lieve Suze, schei toch uit met huilen, als je pa het merkt! Zeg, ben je boos, of hou je toch van me? Suus, als je huilt, daar word ik zoo naar van. Zeg dan, wat zal ik doen? Wát wil je hebben?”

Een oogenblik stilte, alleen een nokkend geluid.

“Toe zeg dan, toe spreek toch?”

“Och, laat me.... dan.... nú.... met vrede Barend,” is Suzes antwoord, door ’t schreien belemmerd, en op hetzelfde oogenblik klinkt het in de gang:

“Suze, waar ben je?” en het meisje, dat de stem der danslustige Dorothea herkent, grijpt Flitz bij de hand; schuift hem de roepende te gemoet, en snelt zelve de donkere gang in.

Ongeveer een halfuur later bevindt ons gezelschap zich opnieuw vereenigd in het salon; de dames staan of zitten bij de piano, die voor deze gelegenheid uit de woonkamer naar ’t salon werd overgebracht, en waarvoor Suze is gezeten die, werkelijk lief, de reeds vroeger genoemde Rêverie speelt. Flitz staat aan hare zijde, tuurt tamelijk dof op het muziekblad en heeft reeds een paar malen: “O jé,” gezegd, daar Suze ’t blad omsloeg terwijl hij nog slechts ter halverwege gekomen was.

Op algemeen vereerend verzoek, draagt Saartje van den dominee vervolgens De Kalif van Bagdad voor, en speelt Flitz daarna een paar walsjes van Strauss bij wijze van obligaat op zijn fluit—hij voor een verrassing in den zak stak—zoo charmant in de maat, dat Doortje met haar gewoon: hi hi hi, aanmerkt: “Ik galoppeer al.”

Of de heer burgemeester ook aan de muziek doet....?

Een weinig aan den zang. De gitaar voor accompagnement: hij laat zich niet gaarne bidden en zal daarom beproeven om zich, bij gebreke van zijn instrument, met de piano te accompagneeren.

Waarom Van Bavik zijn eerste voornemen zoo spoedig laat varen, om de gevoelvolle Romance: “La bénediction d’un père” te zingen, weten wij niet, maar zeker is het, dat hij na het instrument eenige smeltende akkoorden te hebben ontlokt, den: “Afscheidsgroet aan het Vaderland” aankondigt, en met een onverklaarbaar gevoelvolle stem de regelen zingt, die wij ter eere van den dichter hier laten volgen:

Vaarwel, mijn Vaderland,

Het schip doorklieft de baren,

En ’t oostlijk windgebruis

Fluit hevig door het want,

Mijn oog kan nauwlijks meer

Uw blinkend duin ontwaren;

Gij hoort mijn stem niet meer, } bis.

Ze hebben het allen gehoord; wat meer zegt, ze hebben het allen verstaan. De herhaling der beide laatste regels, zoo ontegenzeggelijk roerend, zoowel door het melancholische hunner beteekenis als door het wegsleepende van muziek en voordracht, ze hebben zulk een indruk op de hoorders gemaakt, dat zelfs Doortje niet lacht, en Flitz—wellicht niet wetende wat hij doet—insgelijks als betooverd, met de heeren instemt, die in een uitbundig Bravo! bravo! losbarsten.

Misschien, lezer, kent gij menschen—wellicht één zelfs van zeer nabij—wier zenuwen spoedig in beweging zijn te brengen, of althans somwijlen in een stemming verkeeren, dat zij—gij verstaat de uitdrukking—“niet zóóveel noodig hebben om geheel van streek te geraken.”

Suze was er zóó eene. De dag van heden had haar in overvloed stof tot nadenken opgeleverd; verschillende omstandigheden werkten nu eens vroolijk dan weder geheel anders op haar prikkelbaar gemoed; en nu, zich ter nauwernood, als met geweld van het onverwacht en zoo vreemd gevoerde gesprek met Barend Flitz hersteld hebbende,—had zij zich, op verzoek, terstond aan de piano gezet, in de hoop dat de sporen van haar tranen in dien tusschentijd geheel zouden verdwijnen. Ze had gespeeld en zich goed gehouden, hoewel ze duidelijk bemerkte dat Barend zoo raar deed. Ze had naar de Kalif geluisterd met de oogen zoo strak op de stijve vingers der speelster gevestigd, alsof ze haar de kunst wilde afzien, en.... was zij beverig geworden toen bij het einde van het eerste couplet de stem van den zanger gevoelvol het vaderland een smeltend “Vaarwel” toezong, zij trilde zichtbaar toen in het tweede couplet die stem nog welluidender klonk,—maar, toen nu ten laatste nogmaals die woorden:

“Vaarwel, vaar eeuwig wel, Mijn dier-baar va-der-land!”

als wegstierven, en zich in eenige klagende piano-akkoorden oplosten, toen barstte zij in een hevig snikken uit, juist op het oogenblik dat ten tweeden male een luid “Bravo! bravo!” het salon vervulde.

Gij lacht, oude zee-kapitein, die vijf en twintig of meerdere jaren op de Oost of West hebt gevaren, en nu “vol kou en ongemak” met uw voeten in ’t vilt! uw tijd moet slijten met onze beuzelverhaaltjes te lezen.

Gij haalt de schouders op, grijze snorbaard, die u niet herinnert een traan te hebben gestort, dan toen ge in ’t jaar twaalf, zoo droevig in de richting van ’t vaderland, moest terugtrekken, en zelfs die tranen niet heet bleven, omdat de vorst, die des winters méér dan een keizer te zeggen heeft, ze spoedig op uw kaken tot ijsparels stolde.

Ge zegt, onnatuurlijk! oude juffrouw, die liever trappen schuren dan muziek hoort, en slechts gevoel voor uw kat hebt.

Ge zegt, flauw! respectable mijnheer of mevrouw, die tranen hebt gestort in zware beproevingen, bij smartelijke verliezen, maar ’t hoofd hebt gebeurd dewijl uw plicht vorderde dat ge werkzaam zoudt blijven.

Of gij lacht, of gij de schouders ophaalt, of gij ’t onnatuurlijk of flauw vindt, Suze kan ’t waarlijk niet helpen, zij kan niet helpen, dat hare zenuwen—mijne heeren en dames!—niet gelijk aan uwe zenuwen zijn: ze kan niet helpen dat ze nog zoo weinig in het leven ondervond, ze kan niet helpen dat ze, bij een zang zooals zij dien nimmer hoorde, in snikken uitbarst, ze deed zich meer geweld aan dan gij zoudt meenen, en wij, wij kunnen ’t niet helpen indien gij geen meisje kent, dat in de plaats van Suze, evenals zij, niet zóóveel zou hebben noodig gehad om heden in de war te geraken.

Door mama Gliekke en mevrouw Meijer ondersteund verlaat de jarige weldra het vertrek. Van Bavik maakt eenigermate ontsteld zijne excuses tot den gastheer, dat hij misschien een pijnlijke snaar heeft aangeroerd, dat misschien lieve betrekkingen vroeger dit land verlieten of wel.......... Maar de gastheer verzekert, dat het niets dan een gevolg van de warmte is, en schudt den zanger met verrukking de hand, en betuigt, dat hij in stad—alweer de groote koopstad—nooit zóó iets gehoord heeft, en dat nog wel in ’t Hollandsch!

Dominee zelfs, die anders ronduit moet verklaren dat hij weinig met die kunstmatige zangerij opheeft,—zeker dewijl het kerkgezang zoo weinig kunstmatig is—steekt den burgemeester met een: “Ik dank u, ik dank u,” zijn hand toe. De heeren Meijer, vader en zoon, zien met zekeren eerbied naar den jongen burgervader, die zóó’n stem heeft, en houden evenmin hunne handen terug.

Handen geven is dorpsgebruik, vooral na nutslezingen, dáár evenwel zonder onderscheid of men heeft geluisterd en voldaan is, of wel heeft gegeeuwd en ’t vervelend vond.

De beide jonge dames die in ’t vertrek bleven, zeiden.... niets, omdat ze niet recht wisten of zulks wel paste, en ook, omdat ze nieuwsgierig waren te weten wat Suze zoo opeens aan ’t huilen had gebracht. Wat den candidaat-notaris betreft, hij keek verbazend wonderlijk naar de deur door welke Suze het salon verliet, maar bleef op zijn stoel zitten, en draaide, nadat hij opnieuw een glas bisschop geledigd had, zoo raar met de oogen, maar toch...... hij bleef op zijn stoel zitten.

De heeren aan den haard spreken intusschen nog over verschillende onderwerpen voort, zonder dat Gliekke zijn huisvriend mist, die steeds op zijn stoel zit. Na verloop van een half uur komen de twee oude dames met eene verontschuldiging der jarige terug, die, volstrekt weer binnen wilde komen doch door haar geraden werd liever rustig boven te blijven, aangezien het binnen warm en zij nogal zenuwachtig was. Een kwartier later, staat Frederik in de gang met een geopende hand, en verlaten acht personen de woning, waarvan de achterste nog al moeite met de stoeptreden heeft.

“De heer Flitz schijnt alleen de achterhoede te willen uitmaken,” zegt Van Bavik. “Neem niet kwalijk,.... dames! dominee! Ik zal eens zien.... Dank voor uw aangenaam gezelschap.... Tot weerzien, wel thuis.”

Eenige stemmen: “Bonsoir burgemeester,” en nog eenige zachtere stemmen alleen: “Burgemeester!”

De drie heeren, ieder met een dame aan den arm, stappen door, en Van Bavik treedt terug, en tuurt in de duisternis naar den persoon, die zoo’n werk met de stoeptreden had.

Ruim tien weken zijn er sedert den dag verloopen waarop het jaarfeest van Suze Gliekke gevierd werd, en tien weken ook sedert Van Bavik den heer, die beter op zijn stoel zat dan dat hij ter been was, aanbood om hem naar huis te vergezellen. Ofschoon dit aanbod met weinig kiesche en niet zeer vleiende woorden gedurig was afgeslagen, was het niettemin gaandeweg zoo noodig geworden, dat Flitz aan dat geleide zijn behouden tehuiskomst heeft te danken gehad.

Veel is er in dien tijd veranderd. Ontegenzeggelijk veel. In stede van naakte takken alleen, draagt eik en beuk en al wat boom mag genoemd worden, thans een frisch en jeugdig groen, waarop de oogen, die nog schemeren van zooveel sneeuwtooneeltjes, met wellust blijven rusten. Wat is er sedert de koude Februari-maand, die er plezier in had om de ijsbloemen zoo vast tegen de vensterruiten te drukken en ontelbare leiboomen zoowel op Vredelust als overal den dood te berokkenen, wat is er sedert dien tijd een leven in de groote brouwerij gekomen. De vogels vooral, schijnen uitgelaten. Ze beginnen reeds wanneer een ander ternauwernood de eerste helft der nachtrust genoten heeft. Wat spektakel op het dak, wat lawaai in de linde voor het raam; wat een getjilp en gefluit! Luister! ’t is zoo onaardig niet, ja zelfs wel lief, en ze schijnen machtig veel pret te hebben. Aardig volkje! Wat zijt ge vroolijk. Wat roept gij helder: “Ten bedde uit luiaard! Zie naar buiten, de zon gaat ook voor ú op. Kom! zoo ge althans niet komen zult om wreedaardig ons echtheil te verwoesten en onze kindertjes te rooven!”

Wat zijn er velen helaas, die dat roepen wel aardig vinden, en er een poosje naar luisteren, doch daarna zich nog eventjes omdraaien, om eerst voor goed wakker te blijven, wanneer die knaapjes daar buiten al moede van ’t roepen zijn.

Veel, zeer veel is er in de natuur veranderd; de weiden, die zoo droevig dor lagen, zijn met een donker groen bekleed, waarin het rundvee dartelt; het landvolk kniest niet langer bij den poveren haard; het spit en zaait en egt; ja, er is veel veranderd, er kwam bepaald leven in de groote brouwerij.

Leven! En toch niet alle veranderingen die er in en om B.... hebben plaats gegrepen, getuigen dat er leven voor doodsslaap kwam. Wij zullen u een woning binnenvoeren waarin de Mei niet lacht—omdat er de luiken gesloten zijn, omdat de doodsslaap er het aardsche leven verving.

Hier die trap op; rechts in die kamer moet gij wezen.... Zie, daar staat een mooie stevige eikenhouten kist met acht blank geschuurde handvatsels er aan. Er is veel zorg aan die kist besteed. Waarom....? Omdat de wormen niet meenen zullen dat er een arbeider of een van de diaconie in te slapen ligt; of wel, omdat die slapende een dagje langer onder de zoden zal liggen eer er niets meer dan wat beenderen van hem te vinden zullen zijn.

’En mooie kist! Gelukkig dat wij ’t bemerken, anders zouden de nijvere mannen, die er hun nachtrust aan wijdden, weinig voldoening van hun arbeid hebben. Geen woord van tevredenheid werd hun betuigd. Mevrouw heeft dadelijk den zakdoek voor de oogen gedrukt toen ze die kist er staan zag, en de meiden zijn angstig naar de keuken gevlucht toen ze haar de woning zagen binnendragen. ’En mooie kist! Wilt ge nog naderbij komen om haar beter te beschouwen en zien wie het is die er in ligt?—’t Is het stof van den man, die weleer aan menig sterfhuis verscheen om de goederen, welke een gestorvene maar luttel tijds in leen hield, weder tegen contante betaling aan de levenden te gunnen; de man die heel wat testamenten maakte, en weinige weken geleden, toen hij een belangrijk stuk onderteekende, weinig vermoedde dat die naam J. V. Saffelen voor ’t laatst door hem geschreven werd.

’t Was een belangrijke gebeurtenis, een gewichtige verandering in B....—De notaris Van Saffelen had, terwijl alles een nieuw leven bekwam, zijn leven met den dood verruild.—Ja....? Arme Van Saffelen, dan hebben wij diep medelijden met u en uw treurende weduwe; maar neen, we hopen en wij vertrouwen dat gij reeds in een nieuwe lente zijt overgebracht; dat ook gij leeft, leeft in een reinere, een betere wereld waar geen scheiden meer wezen zal.

De weduwe had veel beklag, en ondervond veel deelneming; en Flitz, die zijn gansche notarieele vorming—al was die vorming dan ook eenigermate aan zijn figuur gelijk—aan den kundigen en geduldigen notaris was verschuldigd; Flitz die inderdaad in Van Saffelens ziekte zich met kracht had aangegrepen, opdat de werkzaamheden haren loop zouden hebben, en ook trouw in ’t waken geweest was, hij had zijne tranen niet kunnen bedwingen toen zijn leermeester en vriend, zooals dominee zeide: “het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld,” en, zooals hij zeide: “nooit geen aktes meer passeeren, en nooit aan de overzij van den lessenaar meer zitten zou.”

Flitz! waarlijk ge hebt toch geen kwaad hart, al sist er een leelijk slangetje in uwe borst. Waarlijk, wij billijken het oordeel der bedroefde notaris-weduwe, die u een engel van goedheid noemt. Ten haren opzichte ja. Maar een engel, neen Flitz daar ontbreekt veel aan, en, vooral dat slangetje hindert vreeselijk, dat leelijke, dat foei zwarte slangetje!

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings