← Table of contents
Betuwsche novellen, en Een reisgezelschap

Eene zoogmoeder (continued 2)

Reading edition

Vreemd... ja, zeer vreemd staarde de hijgende komenij-man voor zich uit, terwijl hij op den drempel der slagerij staan bleef, toen hij den dikken Hak, met de rozen op de bolle wangen, het blanke mes tusschen de ribben van een zijner slachtoffers zag drijven. Het was alsof de grond hem onder de voeten wegzonk, toen hij den beminden, aanstaanden en zoo teringachtigen schoonzoon, geheel vervuld met de kunstsnijdingen welke hij verrichtte, zonder zijn komst te bemerken, een vroolijk: “Jan toerelesoer” hoorde aanheffen, en—den blik ter zijde wendende, den slagersjongen ontwaarde, die een knip-oogje met den knecht wisselde, en daarop in een schaterend gelach losbarstte.

“Maar hoe!... Maar wat!... Maar Hak! Je bent!” stotterde Schorel: “Ik kan toch niet denken dat...”

“Wat... blief..?” riep de spekslager, en zich verrast omwendende en zijn bezoeker herkennende, zette hij een gezicht nog vreemdsoortiger van uitdrukking dan dat ’t welk hem zoodanig verraste; terwijl de knecht, ten bewijze dat hij niets hoorde en niets begreep, het aangeheven lied van zijn meester vervolgde en doorzong: “Ma belle! ma belle,” en zijn liefelijk gezang met het hakmes accompagneerde.

Jan de knecht was niets nieuwsgierig, en Frits de jongen evenmin, maar beiden hadden toevallig iets op den achtergrond te verrichten, toen een luidruchtig gesprek, dat tusschen den baas en meester Schorel in de achterkamer gevoerd werd, hun in de ooren klonk. Alles konden zij niet verstaan, want de baas die de teringachtige koorts had, sprak somwijlen zeer zacht, maar zij verstonden toch duidelijk, hoe Hak zeide:

“Denk jij dat ik een vrouw met een leege hand zou nemen?” Waarop het antwoord van Schorel klonk:

“Maar je wist immers dat ik geen geld, volstrekt geen geld heb.” En weder des spekslagers uitval:

“Zou ik gek genoeg zijn om die kleeren en alles wat het mijne is, aan een schepsel te geven dat geen duit mee ten huwelijk bracht?” En Schorels bescheid:

“Maar ’t was immers.... om in den winkel.... een hulp.... een toezicht....” totdat eindelijk de woorden dermate kruisten en als dooréén vlogen, dat Haks bedienden, die trouwens genoeg vernamen, verder vruchteloos hun gehoor scherpten, en eindelijk terwijl ze een luider “Jan toerelesoer” aanhieven, meester Schorel op zijn magere beenen den winkel zagen uitstappen, met een paar oogen flikkerende als dolken.

Hij keerde huiswaarts, de teleurgestelde komenij-man, de onvoorzichtigheid verwenschende, die hem, wie weet hoe dikwijls reeds, had doen vertellen dat zijn dochter met Hak den slager ging trouwen zonder dat zij een duit behoefde ten huwelijk te brengen; zich de onnoozelheid verwijtende, die hem in Hak niets anders dan een trouwlustige had doen zien, terwijl alles in orde zou zijn gebleven indien hij meer “dipplematisch” zijn mond had gehouden, en eerst na de trouw zijn onvermogen had aan ’t licht gebracht.

’t Kookte den komenij-man van binnen. De teleurstelling was bitter en groot, en ’t was met een ontzettend: “Wat wou je? hé...?” dat hij bij ’t binnentreden van zijn winkel, vrouw Geertje begroette, die, juist aangekomen, met de beminde van haren Frans sprak, met Thilde, die niet vermoedde dat het nu reeds beslist was dat het heden niet de eerste bruidsdag zou zijn.

Vrouw Geertje, die evenmin de waarheid bevroedde, was in den aanvang door de barsche vraag wel eenigermate uit het veld geslagen, doch, op zulk een onthaal niet geheel onvoorbereid, verzocht zij in de zachtst mogelijke bewoordingen, om meester Schorel, al was ’t maar een paar minuten alleen te mogen spreken, in ’t belang van haar jongen, en in ’t belang van hem-zelven.... hem-zelven, want Geertje begreep toch niet ten onrechte dat het wezenlijk geluk van een kind den vader ter harte moet gaan.

De uitval van Mathildes vader was weinig in harmonie met den zachten toon daareven door vrouw Willems aangeslagen. ’t Was, volgens zijn bitse verklaring, wel een gunstig gekozen tijdstip om over een ondankbaren dief te komen spreken! Ei, over zijn eigen belangen....? Nu dat ze dan maar spoedig voor den dag moest komen, daar hij het hoofd vol had met het beramen der middelen waardoor hij dien nietswaardigen Hak zijn beleediging en zijn eervergeten gedrag omtrent Mathilde zou betaald zetten; den huichelaar, die vast beloofde Thilde te zullen huwen en nu schandelijk zijn woord gebroken had.

’t Valt gemakkelijk te beseffen hoezeer vrouw Geertje, maar vooral ook het angstig vreezende meisje, verrast stond over het zoo even gehoorde.

Terwijl de eerste zich niet had durven vleien om voor het bedreigde kind iets méér dan voorloopig uitstel te zullen bewerken, en de tweede, zelfs aan den goeden uitslag van die bemoeiing had gewanhoopt, zoo moest de overwinning—op welke wijze dan ook behaald—haar beiden wel ten zeerste verbazen en verblijden; maar zij gevoelden tevens dat het den overwonnene tot den hevigsten toorn zou voeren, indien zij hare vreugde openbaar maakten; en, terwijl vrouw Geertje, met den blik op Thilde gevestigd, slechts een “Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald!” liet hooren, viel Schorel, na de woorden zijner dochter: “Ach! vader, ik dacht wel dat Hak de rechte niet was!” met een woordenvloed in, waarbij hij der weduwvrouw de—voor Mathilde zoo streelende verzekering gaf, dat het een kruis was kinderen te hebben, en bepaaldelijk dochters; dat ze tot niets nut waren, en dat men ze voor anderen groot bracht, terwijl die anderen dan nog wel meenden dat de grootbrenger van zijn armoede, alsof er geen opkomen aan was, een deel zou medegeven!—onder welk verslag de weduwvrouw had opgemerkt dat meester Schorel drie malen Gods zegen en vijf malen de straffe der verdoemenis over zijn grijze kruin had afgesmeekt!

Met recht begreep vrouw Geertje dat het noodeloos woord- en tijdverspillen zou wezen, om den zoozeer ontstemden man nogmaals over de belangen van haar jongen te spreken; wellicht zou zij later, in kalmer oogenblikken, met meer voordeel die zaak kunnen bepleiten; en na Thilde hartelijk de hand te hebben gedrukt, welke handdruk met een bijzonder vuur werd beantwoord, groette vrouw Willems den komenij-man vriendelijk, maar vertrok zonder een antwoord op hare vraag: of zij later nog eens terug mocht komen om over Frans—hij wist wel—te spreken?

Ongeveer twee dagen nadat Willem Van Male in zijn ellendigen toestand door vrouw Geertje en haar zoon werd gevonden, kwam hij tegen den avond voor de eerste maal tot eenig bewustzijn.

Het hoofd naar de zijde wendende waar de gordijnen waren geopend, beschouwde hij met strakken doch doffen blik langdurig de vreemde vrouw, die naast zijn ledikant was gezeten en die, verdiept in haar arbeid, het niet bemerkte dat de lijder haar gadesloeg.

Werkelijk ontstelde Geertje toen de stilte die er in het vertrek heerschte—want Frans deed een boodschap—eensklaps werd afgebroken, en zij de krachtelooze stem uit het ledikant vernam, met de vraag:

“Wie ben je?”

In den aanvang wist Geertje niet wát te antwoorden.

Zij had den lijder reeds zoo dikwerf, maar ijlende, op een geheel anderen toon hooren spreken, en ook natuurlijk tot hém gesproken, hem nu eens tot rust vermanende, terwijl zij dan weder, hoewel te vergeefs getracht had zich aan hem bekend te maken. Niet zonder eenige verwarring uitte zij dus de wedervraag: of mijnheer waarlijk wakker was?

“Maar wie ben je toch, en waarom zit je hier?” klonk het weder dof: “Ik ken je niet.”

“Ach! God zij gedankt!” sprak Geertje, terwijl zij haar werk liet varen en met de beide handen de vermagerde hand van den lijder vatte, waarmee hij bij de laatste vragen met een machtelooze beweging gepoogd had de gordijnen wat meer open te schuiven. “God zij dank! hij is dan weer bij kennis. Ach, Wimpje.... mijnheer Willem....! Neen, u kent mij zeker niet meer? Neen! nietwaar? Of zou Geertje nog niet te veel verouderd zijn? Och! u waart nog maar even tien jaren toen zij van u heenging. Och Wimpje! zie eens, zie eens, kent u mij nog....?”

“Maar zeg dan wie je bent!” sprak de doffe stem weder, en ’t scheen wel of dat telkens vragen hem vermoeide of verveelde.

“Geertje!—Geertje Willems!” klonk nu haastig het antwoord der vrouw: “Och! dat ik u zoo naar en zoo zwak moest wedervinden! Maar tóch dank ik God dat ik u nog levend terugvond! En zoudt u waarlijk iets beter zijn?” liet zij er spoedig op volgen, terwijl het op haar gelaat te lezen stond hoezeer haar een “ja” zou verblijden.

“Ik ken je niet! Neen. En beter ben ik ook niet.... hoewel ik niet ziek ben,” klonk het doffe antwoord van den ongelukkigen jongeling, en, ofschoon hij niet beproefde de hand, die vrouw Geertje nog in de hare hield, terug te trekken, wendde hij toch het hoofd af en sloot de oogen.

’t Was een bittere teleurstelling voor Geertje dat ze die woorden moest hooren uit den mond van hem, voor wien haar gevoelig hart zoo warm en zoo teeder klopte. Neen, ze vermocht geen woord uit te brengen, maar met een gelaat waarop de smart die ze ondervond zoo duidelijk was te lezen, bleef ze op den armen Willem nederzien, en drukte nog steeds zijn hand, als hoopte zij dat die taal beter zou verstaan worden.

Zie, daar wendde hij opnieuw het hoofd naar de zij waar Geertje stond, en terwijl de matte oogen zich nogmaals op haar vestigden, sprak hij langzaam:

“Maar ben je dan de vrouw waarvan ik gedurig droomde,—ook in dezen nacht die zoolang heeft geduurd? Ben jij het met wie ik nog onlangs heb geworsteld, zóó sterk.... hé?” en de jongeling rilde: “dat ik niet ontkomen zou zijn, indien niet hij....!” Maar eensklaps rukte Van Male de hand welke Geertje nog vasthield, los, en recht voor zich uit wijzende, terwijl zijn blik zich mede in de aangewezen richting vestigde, vervolgde hij dof maar gejaagd:

“Hij die daar staat!—Weg, weg!—Hij was het,—ja, hij—die mij losrukte en meenam naar het huis waar ik kokende olie moest drinken.—Nog brandt het hier binnen—gloeiende kokende olie.—Pijn! pijn!—Waar een kleine slang, zoo fraai van vorm en kleuren, en zoo hel van oogen, mij aanstaarde.—O! weg, weg!” gilde hij sterker, en wierp, terwijl Geertje het angstzweet uitbrak, met de beide handen de dekens ten deele van zich af: “Weg! help! zij steekt mij in ’t hart.—Pijn! pijn!—”

Zóó akelig had vrouw Geertje hem nog niet gezien. Die arme jongen!

“Wees voorzichtig!—Voorzichtig! Hij staat dáár!—met die zwarte knevels en dat hooge voorhoofd.—Weet je wat achter dat hooge voorhoofd zit?—ik zag het straks!—Zie, hij lacht! hij lacht!—help! help!!”

Machteloos en buiten kennis zonk de ongelukkige, die zich bij de laatste woorden overeind had gericht, in zijne kussens terug, en roerloos bleef hij totdat de dokter verscheen, die door de ontstelde vrouw in allerijl was ontboden.

Wij zouden te veel van het geduld vergen, indien wij een breedvoerig verslag gaven van ’t geen er verder gedurende eenige dagen in het rijk gestoffeerde vertrek der ellende voorviel. Genoeg zij ’t te melden dat er geen belangrijke verandering in die dagen plaats greep, en hoewel Van Male niet weder in zulke hevige uitvallen verviel, bleek het toch, zoo vaak men hem bij kennis waande, dat de vrees voor een verstandsverbijstering nog niet als ijdel kon beschouwd worden. Telkens was hij op het punt om Geertje of den speelmakker zijner kinderjaren te herkennen, maar telkens ook werd dit gewenschte uitzicht weder verijdeld.

Eindelijk echter viel der trouwe zoogmoeder het geluk dier vurig gewenschte herkenning ten deel. Met een blos der innigste verrukking hoorde zij op zekeren morgen uit den mond des jongelings, dien zij sluimerende dacht, de verblijdende woorden:

“Ja, ik weet het wel, dat je de goede moeder Geertje bent.”

Van dat oogenblik af week de vrees van den dokter, en werd Willem Van Male, ofschoon ellendig en zwak, weer van de ketenen verlost die zijn rede hielden gekluisterd. ’t Is nu, in den Voltaire gezeten, met het hoofd aan vrouw Geertjes boezem geleund, dat wij hem wedervinden.

“En zou dat mogelijk zijn Geertje?” vraagt de zwakke, terwijl hij de oogen tot de vrouw opheft, die vertroostende woorden tot hem sprak.

“Mogelijk, Willem?” antwoordt de zoogmoeder: “Het is een vaste en zekere waarheid! Je hebt immers gehoord wat er geschreven staat, namelijk dat hij die gedoopt is en gelooft, de zaligheid zal beërven.”

Willem zwijgt een poos, maar eindelijk slaakt hij een zucht, en zegt:

“Maar Geertje, ik heb niet geloofd.... zelfs heb ik maar zelden aan God gedacht. Alleen deed ik zulks wanneer ik mij de woorden herinnerde, die mij bij ’t afscheid op “Land-heil” uit uw mond naklonken: “Wees braaf! God, die u altijd ziet, heeft de brave kinderen lief!” Die woorden zijn altijd in mijn geheugen gebleven. Onwillekeurig kwamen ze mij, soms in de luidruchtigste gezelschappen of te midden der bedwelmendste genietingen, voor den geest; maar, hoewel ze mij deden ontroeren, vooral toen ik pas begon de wereldsche, mij vreemde genoegens te kennen, dat denkbeeld zelf leerde ik hoe langer zoo meer verdragen; ik was toch geen kind meer, ik was man geworden! hij—hij zeide het mij meermalen. O Geertje, zeg, ben ik niet vreeselijk ellendig? Zou dat woord, straks door u gesproken, ook mij kunnen redden? Gelooven! alléén gelooven?—Neen, neen, ’t is onmogelijk, je hebt ook andere woorden gelezen Geertje! “Daar zal zijn weening en knersing der tanden.” Geertje! och! houd mij wat vaster—ik word weer zoo vreeselijk koud; ik beef zoo—Geertje! neen, het is onmogelijk!”

Maar neen! het was niet onmogelijk. De trouwe zoogmoeder zou er voor waken.

Aandoenlijk was het, de goede vrouw daar met den ongelukkigen Willem te hooren spreken, en hoe zij, bij al wat te vergeefs werd aangewend om de krachten van het lichaam te herstellen, de vonken van ’t leven des geestes in hem aanvuurde, zoodat hij na verloop van weinige dagen, een blij ontwaken aan gene zijde van het graf voor mogelijk hield. Ja, al gevoelde hij ook dat er in een der vele woningen waar hij den blik zou opheffen, de smart over het hier bedreven kwaad hem de vreugd zou verbitteren, hij vertrouwde toch op de genadige ontferming des Scheppers, op de liefde van Hem, die—volgens de meening der goede eenvoudige vrouw—met vele, maar ook met weinige slagen zal slaan.

Nu, Gode zij dank! al waren zijn leden ook slap en zijn vermagerde handen koud, hij rilde niet meer, maar voelde zich sterk met zijn hoop op een betere wereld. Hij vreesde den man niet meer die, zooals Claudius zegt: “er zelfs vriendelijk zal uitzien indien men hem lang aankijkt.” Neen, hij sidderde op zijn aanblik maar zelden, en toch—toch stond vriend Hein steeds vóór hem. Lag de arme jongen in zijn ledikant, dan trad de sikkelvoerder uit de gordijnplooien te voorschijn, en trok de kakebeenen tot een lach, een vriendelijken lach, alsof hij zeggen wilde: “’t Gaat goed mijn jongen! niet als een vijand maar als een vriend zal ik u de hand reiken.” Zat hij voor het bed in den gemakkelijken leunstoel, dan stond de ontvleesde man als naar gewoonte bezijden de prachtig gevulde étagère en lachte alweder, maar immer vriendelijk, en ’t was alsof hij fluisterde: “Ik wacht slechts totdat ge uw reisgoed bijeen hebt.”

Ja, Willem zag hem zonder vrees; maar toch werd hij droevig, wanneer hij hem langdurig beschouwd had en, vermoeid zijne oogen sluitende, in de duisternis die hem omgaf toch alweder het beeld van den levensmaaier ontwaarde, en aan diens zijde een fraaien blonden knaap, een knaap—met de rozen op de lachende wangen, een ruiker van de schoonste bloemen op de borst, en in zijn hand een krachtig wapen, waarmede hij een aantal zwarte wezens, die aan zijn voeten kropen, dreigde te vernietigen. Ja, de lach van dien knaap bedroefde hem meer dan de lach der ontvleesde kaken; een wijle toch was het hem als herkende hij in dien knaap zijn eigen wezen; als werd hij één met hem; als stond hij in zijne plaats; als—maar plotseling weder ontwakende lag hij als vroeger machteloos neder, en zag hoe hij meer naar hém geleek, die naast de étagère stond, en dan—dan blonken er een paar tranen in de oogen, die maar kort meer het zonlicht zouden opvangen. Zóóals die knaap was, had hij moeten zijn, en nu—o God!—en nog zoo jong!

Was het vreemd dat de jonge Van Male, zelfs nadat hij uit de geestverdooving ontwaakte, niet van hem sprak, noch hem wenschte weder te zien, aan wiens hand hij “zijn jeugd” had genoten? Was het vreemd dat, zoodra het beeld van Joost Van Meerle zich aan zijn geest vertoonde, er zich een nog pijnlijker trek dan gewoonlijk over zijn gelaat verspreidde?

Vreemd? Evenmin als het vreemd is dat de wandelaar, die in het vriendelijke morgenlicht zijn weg vervolgt, den nacht niet terugwenscht, die hem belette de gevaarlijke punten op zijn pad te ontwijken.

Vreemd? Niet vreemder dan dat een donkere schaduw het aardrijk grauwt wanneer een zwarte wolk den zonneglans verduistert.

Willem vraagde niet naar den voogd, en verscheidene weken verliepen er eer Joost Van Meerle,—wiens toestand, vooral na de amputatie van zijn rechterbeen, niet zonder zorg te wekken geweest was,—een briefje van den volgenden inhoud aan zijn pupil deed toekomen:

“Willem!

’t Is nu ruim acht weken geleden dat ik op dien verwenschten avond mijn poot brak. Verscheidene malen heb ik mijn oppasser naar je toe gezonden, om te hooren wat je toch scheelde, maar telkens zond je lamme huisploert de boodschap terug: dat mijnheer erg zwak was, en dat de pil had verboden iemand bij je toe te laten.

Dat ik beroerd ben behoef ik je niet te zeggen: ’en houten poot om zoo’n ellendige meid! Ik kan dol worden als ik in mijn spion tuur en de flauwste kerels vrij en vlug over straat zie loopen. Je moet wel heel beroerd zijn Willem! anders zou je mij niet zoo alleen laten liggen, want nog altijd bromt de Chir.-Maj., dat ik rust moet houden. Wanneer je nu maar eenigszins kunt, smijt dan de medicijnflesch weg, en kom mij bezoeken. Geloof maar dat ik er vrij wat erger aan toe ben dan jij het wezen zult. Je bent een goeje kerel maar te hyp van natuur. Als je van avond komt, dan zul je een heerlijk glas punch hebben; Schudhiel komt ook—een prettige kerel, die me heel wat opvroolijkt.—Hij beloofde keurige platen te zullen meebrengen, die hij te Parijs heeft opgedaan; ik geloof vijf cahiers, onder den titel: “Délices,” in ’t genre van Alexander V. H., maar zonder doodkisten en flauwe zedepreken er bij; enfin, nous verrons! Laat je door geen doktergelamenteer terughouden. ’t Weer is wel wat guur, maar, zoo ’t een kou is die je vatte, moet je aan ’t spreekwoord denken: “breng de kou waar j’m haalde.” Enfin, ik ben er lam aan toe, en had al eerder geschreven, zoo ik niet onbeweeglijk stil had moeten liggen, en nú nog schrijf ik in een liggende houding.—V........ ongelukkig, vind je niet! Soit! ’en been is maar ’en been. Als je soms later eens uit wilt, dan zal Schudhiel je man zijn.

Bonjour Willem!—geef antwoord aan brenger dezes.

t. à. t. J. Van Meerle.”

Juist op het oogenblik dat Willems dokter de trap wilde opgaan, om zijn patiënt te bezoeken, hoorde hij de stem van Van Meerles oppasser achter zich, die aan de dienstmeid den brief overhandigde, met de woorden:

“Van den luitenant Van Meerrle, voor mijnheerrr boven.—Bescheid as je blieft.”

De dokter keerde terug, en verzekerde den knecht dat de lijder te zwak was om brieven, van wie zij ook kwamen, te lezen, terwijl hij er bijvoegde: volgaarne den luitenant, zoo hij zulks verkoos, van den toestand zijns pupils te komen verslag doen, dewijl het dezen mede onmogelijk was om een letter bescheid te geven.

“Zeerrr wél!” klonk het antwoord, en de oppasser maakte rechts-om-keer.

Wat er in de ziel van den luitenant omging toen de brave arts—die, bij al hetgeen voor oogen was, toch den helschen toeleg van den voogd niet vermoedde—hem den zeer bedenkelijken toestand van den jongen patiënt had meegedeeld...? wij laten de beantwoording dier vraag aan den denkenden lezer over, maar verklaren toch, dat wij met den geneesheer, op het verbleekte gelaat van den luitenant een trek ontwaarden alsof—alsof een zegevierende lach met geweld door hem onderdrukt werd, en verzekeren tevens, dat hij van dat oogenblik af aan, met belangstelling (?) twee malen daags door zijn oppasser naar den welstand van zijn jongen vriend deed “informeeren.”

En Geertje hield bij haar zoogkind de wacht.

Met trouwe en moederlijke bezorgdheid voorkwam zij zijn geringste wenschen, en sprak—wanneer zij zulks voor zijn welzijn niet nadeelig oordeelde—niet zelden over zijn hoogere belangen. Over het verledene repte zij geen woord; over het verledene in zooverre het aan zijn zondige leefwijze kon herinneren; maar wel sprak Geertje haar voedsterzoon over dat ver verleden, toen hij als kind vroolijk en blij het leven te gemoet huppelde; en o, het was hem zoo goed die tijden te herdenken, en in den geest nogmaals die onschuldige kinderjaren te doorleven. Ja, ook somwijlen moest zij verhalen van ’t geen haar zelve weervoer sedert zij naar hare geboorteplaats uit de haar zoo dierbaar geworden omgeving vertrokken was; en wanneer Frans,—die op Willems uitdrukkelijk verlangen, tegen een ruime belooning de boodschappen deed—zich mede in het vertrek bevond, dan verlangde Willem niet zelden dat de zoogbroeder zich aan zijn zijde zou nederzetten. En wanneer hij dan somtijds zijn hand vatte, dan zag hij hem met zijn doffe oogen zoolang en zóó veelbeteekenend aan, dat Frans er verlegen van werd en een kleur kreeg, totdat de lijder eindelijk het hoofd afwendde en dan gewoonlijk zuchtte: “Een moeder! Een goede moeder! God nam de mijne, maar Frans, de uwe heeft Hij mij wedergegeven!” O! en wanneer er dan een dankbare lach om Willems lippen speelde, en Frans ook opgewekt en met een blij gelaat zijn moeder toeknikte, dan juichte Geertje in stilte: “God, ik dank U!” want dan zag zij weer een lach van overeenstemming op die beide aangezichten, de lach der broeders van denzelfden—van haren boezem.

Slechts weinig sprak Willem, doch gaarne luisterde hij naar Geertje, en, wekte het zijn belangstelling háár levensloop te vernemen, evenzeer was hij verlangend naar hetgeen er sedert hun afscheid van Landheil, met Frans gebeurde. Hij was er verlangend naar, en toch had hij tot nu toe dat verlangen niet bekend gemaakt.

Omdat hij doorgaans dof en uiterst zwak was, dacht Geertje dat Willem niet op het denkbeeld kwam er naar te vragen; doch, vermoedelijk zijn wij der waarheid meer nabij, zoo we ons den ongelukkige aarzelende voorstellen om weder van een ontmoeting te gewagen, die hem de wreede rol van verloochenaar deed spelen. Intusschen—zoo ons vermoeden gegrond is—dan behaalde Willems belangstelling de zegepraal over zijn verschoonbaar aarzelen, en na vergiffenis voor het leed te hebben gevraagd, ’t welk hij Frans bij de eerste ontmoeting in de G....steeg moest veroorzaakt hebben, vernam hij, met de eenvoudige en weinig belangrijks bevattende geschiedenis van den jongen, ook de pijnlijke reden waarom hij verstooten was, en thans door allen gewantrouwd werd, alsmede hoe zijn hoop werd vernietigd om eenmaal aan Mathildes zijde gelukkig te worden.

Dankbare vreugde straalde er uit de blikken van Frans en zijne moeder, toen de zwakke stem van Willem de waarheid betreffende het muntbiljet aan ’t licht bracht. Goddank! hij was het dan waarlijk! De valsche beschuldiger kon gelogenstraft worden, indien God den lijder, zooals hij zelf smeekte, daartoe de krachten nog sparen wilde.

’t Was Zondagmorgen. Willem lag te bed. Frans was beneden om goedwillig een kleinen dienst aan den eigenaar der woning te bewijzen, en Geertje trad met een bord, waarop een paar beschuiten lagen, naar het ledikant.

“’t Is Zondag, nietwaar moeder Geertje?” vroeg Willem toen hij haar ontwaarde.

“Ja, Willem, ’t is Zondag,” antwoordde de vrouw.

“En je zult zeker met Frans naar de kerk gaan?”

“Neen, dat kan niet. Frans zal gaan, maar ik blijf te huis; je kunt me noodig hebben.”

“Ga gerust Geertje,” hernam de knaap: “ik heb je heusch niet noodig. Waarlijk, gaat beiden. ’t Is immers goed naar de kerk te gaan?”

“Ja, mijn goede Willem,” hernam Geertje: “doch wij kunnen van déze kamer óók de kerk maken, indien ik je een gebed, een kapittel uit den Bijbel, en een der mooiste gezangen voorlees.”

“Lieve Geertje! hoor eens....”

“Welnu Willem...?”

“Je doet me graag genoegen, nietwaar?”

“Willem! je twijfelt toch niet?”

“Neen Geertje; maar zie je, dan moest je dezen morgen met Frans naar de kerk gaan. Dan kun je me vertellen wat de dominee preekte. Wat jij mocht vergeten, zal Frans wel onthouden, en wat hém ontging zal jou in ’t geheugen zijn gebleven. Zeg, zul je ’t doen?”

“Maar Willem, waarom toch?”

“Om mij genoegen te doen, wie weet hoe kort je ’t nog maar doen kunt!”

Vrouw Geertje wischte een traan weg, en zei: dat het toch beter was te blijven, want dat juffrouw beneden óók ging, en slechts mijnheer en de meid te huis bleven.—Willem gaf evenwel nogmaals zóó dringend zijn verlangen te kennen, dat zij eindelijk beloofde aan het verzoek te zullen voldoen. Werkelijk stapte zij dan ook een half uur later, na de kamer in orde te hebben gebracht, met een hartelijken groet ter deure uit, terwijl zij beneden nog aan de meid verzocht om van tijd tot tijd eens te luisteren of mijnheer boven ook soms iets noodig had.

Willem lag nog rustig te bed toen hij de voordeur achter vrouw Geertje en haar zoon hoorde toedoen.

Zie, daar heft hij langzaam het hoofd omhoog; klemt zijn schier doorzichtige vingeren om den beddekwast; schuift met de grootste inspanning de beenen vooruit over de zijplank van het ledikant, en glijdt eindelijk, terwijl hij nu de gordijnen tot steunsel vat, langzaam langs die zijplank tot voor het bed neder. Blijkbaar heeft hem deze verrichting ten zeerste vermoeid, want hij blijft op het vloerkleed liggen, roerloos; Hemel! alsof—doch neen, zie, daar opent hij weder de oogen, en zijn hand grijpt den poot van den nabijstaanden voltaire. Een poging om zich op te richten is vruchteloos.—Nog eene, tevergeefs. Wat zucht hij treurig! Zie een laatste, een geweldige krachtsinspanning.—Ha! zij is hem gelukt.—Nóg een pijnlijk pogen, nóg een krampachtig vastklemmen, en, ja—amechtig zit hij in den grooten leunstoel. Weder duurt het ettelijke minuten eer Van Male blijken geeft dat het leven nog in hem is; maar eindelijk, zie, alles aanvattende wat in staat is weerstand te bieden, schuift hij zich met den voltaire, waaronder kleine raderen zijn—vooruit, na alvorens een deken tot deksel van het ledikant te hebben getrokken. Zie, tot bij de secretaire in gindschen hoek rolt hij zich langzaam voort;—een verborgen zijlade trekt hij open, en neemt er den ring uit die zijne sleutels verbindt.—De secretaire wordt geopend, en—’t is met een gil van ontzetting dat Willem in den leuningstoel terugzinkt, want—in het kleine spiegelglas binnen dat meubel, heeft hij het beeld weergezien van hem, die zich zoo dikwijls aan zijn geest vertoonde,—het beeld van den beenigen sikkelvoerder, maar nu volmaakt gelijkende op hem—den arme zelven.

De naburige torenklok slaat tien. Reeds meer dan een half uur is er van den tijd verstreken, dien Willem den zijne rekent. Zie, weder heft hij zich op; schuift den stoel ter zijde, zoodat hij schuins voor den lessenaar zit; neemt vervolgens een blad papier uit een lade, en doopt de pen, welke hij ter hand nam, in den bijna verdroogden inkt.

’t Is ook lang geleden dat hij voor de laatste maal schreef. Aan wie....? Hij rilt; misschien bij de gedachte aan de laaggezonkene, die de laatste letters van hem ontving. De pen beeft hem in de hand, maar toch hij schrijft—doch slechts een luttel tal woorden.

Het blad wordt tot een brief gevouwen en met een ouwel verzegeld. Nu schrijft hij een kort adres, en—ruim een kwartier later ligt Willem als straks op zijn legerstede, doch weet zelf niet hoe het hem gelukte haar in dien ellendigen toestand weder te bereiken.

Halfelf bromt de torenklok. Met een zenuwachtigen schok grijpt Van Male de tafelschel, die vrouw Geertje op het nachttafeltje bezijden het bed plaatste, en schelt krachtig, één—twee—drie malen.

’t Duurt niet lang of de dienstmeid steekt haar hoofd binnen de kamer, en vraagt met een onthutst gelaat: of mijnheer iets noodig heeft?

“Jane, dit briefje moet terstond bezorgd worden,” zegt de jonkman met zwakke stem.

De meid treedt binnen, en met zekeren schroom nader komende, neemt zij het briefje, belooft het terstond te zullen bezorgen én verzekert dat ze zeer goed weet waar het wezen moet; dicht in de buurt, circa tien deuren ver, op het groote bovenhuis.

Mogen er onder de jonge vrouwelijke dienstboden maar weinigen zijn die zedig, trouw en eerlijk kunnen genoemd worden;—hoewel de beide laatste hoedanigheden schier in alle getuigschriften vermeld staan,—zeer zeker behoort het tot de groote zeldzaamheden een dienstmeid te bezitten, die—vlug boodschappen doet; doch, eere wie eere toekomt; Jane was niet alleen zedig, trouw en eerlijk, maar ook de laatstgenoemde onschatbare deugd betrachtte zij steeds met nauwgezetheid, en ’t scheen den wachtenden lijder—wachten valt altijd lang—slechts een verloop van weinige minuten te zijn geweest, waarin het meisje den haar opgedragen last volbracht, zoodat hij haar goedkeurend en vriendelijk toeknikte toen zij de boodschap gaf: dat mijnheer oogenblikkelijk verschijnen zou.

’t Was een lang heer die werkelijk na verloop van eenige minuten de trap opklom en aan Van Males kamerdeur tikte.

“Binnen!” klonk het zacht. De heer trad de kamer in, en na eenige voor ons onverstaanbare woorden van den lijder, waarvan het laatste “sluiten,” kan geweest zijn, wordt de kamerdeur van binnen in het slot gedraaid, en hooren wij—niets.

Kort slechts had het onderhoud geduurd toen de lange heer weer de kamer en straks de woning verliet.

Elf slaat het buiten, en de huisschel roept de dienstmeid naar voren, die daarop nogmaals den langen heer—’t moet zeker een vriend of een schuldeischer van den lijder zijn—met nog twee andere vrienden of schuldeischers—binnen laat, welke nu achtereenvolgend de trap beklimmen, en na een: tikken, en “Binnen!” te zamen Willems kamer intreden, terwijl de deur opnieuw terstond in het slot wordt gedraaid.

Tien minuten later verlaat het driemanschap—wij meenen met tevreden aangezichten—de woning, en Willem ligt akelig roerloos in het ledikant, en heeft een ontzettende gelijkenis met den man, die weder in de plooien der bedgordijnen staat, en nu eene groote schrede voorwaarts doet.

Halftwaalf had de torenklok geslagen toen Geertje, uit de kerk terugkomende, de ziekenkamer weder binnentrad.

Frans bekwam van zijn moeder verlof om den vroeger door Willem geuiten wensch aan baas Schorel te gaan bekendmaken, dat deze tegen den avond—daar het toch Zondag was—eens bij hem zou komen, ten einde—hij moest niets méér zeggen—een belangrijk nieuws te vernemen. Alleen het denkbeeld, de woning weder te zullen betreden, waarbinnen de dierbare Thilde zich bevond, had Frans reeds ’t bloed naar ’t voorhoofd gedreven, en hoe hij er dus uitzag toen hij werkelijk den hem zoogoed bekenden winkel binnentrad, zal geen vermelding behoeven.

Intusschen laten wij Frans—die aan zijne moeder beloofde spoedig te zullen wederkeeren, dewijl hij haar bij ’t verhalen van de preek moest behulpzaam zijn—zijn bezoek in de G....steeg afleggen, en vinden vrouw Geertje in de grootste onrust bij Willems legerstede terug, met ongeduld op de komst van den dokter wachtende, om wien zij bij haar tehuiskomst terstond gezonden had.

“Och Willem, Willem! waarom heb ik je verlaten!” riep de goede vrouw telkens, terwijl zij alles beproefde om haar zoogkind tot bewustzijn terug te roepen, en daarin al spoedig werd bijgestaan door de eigenaars van het huis, die op haar geroep met Jane waren toegesneld.

’t Was de geneesheer eindelijk, die, na den patiënt nauwkeurig te hebben onderzocht, de hulpvaardige lieden verzocht in stilte te vertrekken, en der bezorgde vrouw Geertje verzekerde dat Van Male slechts in een flauwte lag, zoodat men voor ’t oogenblik niets te vreezen had.

Voor ’t oogenblik, neen, want inderdaad ontwaakte Willem tegen den middag uit die lange, zeer lange bezwijming.

Hemel, wat is die blik droevig en mat! Diep schokt hij de vrouw die haar kind—ja, háár kind was hij weder—geen oogenblik uit het oog had verloren.

“Willem! zie je mij niet meer?” spreekt zij zacht.

Er verloopen eenige seconden eer de jongeling een “Ja,” doet hooren.

Weder ligt hij roerloos; opnieuw heeft een flauwte hem vermeesterd, en het daglicht heeft reeds uitgeschenen eer de zoogmoeder hem in de oogen ziet, in de oogen, die haar treffend de oogen van haar echtvriend herinneren, toen zij die sloot nadat hij gestorven was.

“Willem! zeg, wil je iets? Kan Geertje iets voor je doen? Zie, ik sta hier bij je.... Je ziet me immers wel? En hier is Frans.—Willem! Ben je koud dat je zoo huivert?” Zoo spreekt en vraagt de bewogen vrouw; maar ze wendt daarna het hoofd, want ze wil niet dat hare tranen hem zullen bedroeven. En Frans, hij wordt ook zoo heel akelig; hij kan het niet goed aanzien, en fluistert: “Moeder zal ik naar den dokter gaan?” En Geertje knikt; en Frans verwijdert zich snel om weder den arts te halen.—Ach! alsof een geneesheer den mensch in ’t leven behouden kon!

“Geertje!” steunt eensklaps de jongeling, die zóó nabij de poorte van het eeuwige Godshuis staat: “Gelooven—is—het—niet...?”

“Ja, gelooven Willem! O! vast gelooven Willem!” zegt vrouw Geertje haastig, en brengt haar oor nader bij den spreker, vreezende dat één klank haar ontsnappen zal.

“Geertje! dank!—Frans! dank!” klinkt het weder, en ofschoon Frans er niet is, zoo spreekt Geertje niet, want ze heeft moeite een luid snikken te weerhouden, maar ze vat de hand, die zich op het dekkleed roert, drukt die, voor haar zelve en voor haar zoon, en hoort een nog flauwer: “Bidden!—Vader!—vergeef—gelijk—wij,”—en terwijl de linkerhand een wending naar de andere zijde van het bed maakt, klinkt het nogmaals: “Dank!” waarna de laatste levenskracht wordt aangewend om der vrouw een papier toe te reiken dat zij werktuiglijk aanneemt.

En toen—toen deed de rammelende man, die zoolang in de plooien der gordijnen stond, nog een schrede voorwaarts, drukte de hand zachtjes op de borst van zijn vriend, en de laatste ademtocht vlood “naar het Huis des Eeuwigen Vaders, naar het eeuwige Huis waarin vele woningen zijn.”

De taak, die de zoogmoeder op zich nam, was volbracht. Willem, de goede maar verwaarloosde jongen was gestorven.—De dokter verklaarde dat de kunst was te kort geschoten.—Geertje schreide bitter. Frans staarde strak op het lijk van den zoogbroeder. De heer des huizes kwam boven, ook zijne vrouw, benevens Jane die den boezelaar voor de oogen had, en de oppasser van den luitenant Van Meerle bracht zijn meester de tijding:

“Complement en dat de jonge heer overleden is?”

“Kerel! wat zeg je?” riep Van Meerle, toen zijn dienaar de boodschap had overgebracht: “Is de jongeheer Van Male werkelijk dood?”

“Om u te dienen luitenant!”

“Dienen, dienen!” herhaalde Van Meerle in gedachten, terwijl er op zijn gelaat een vreemdsoortige uitdrukking te lezen stond.

“Dat is te zeggen,” antwoordde de oppasser eenigszins onthutst: “dat ik den luitenant condoleer. Nog iets van uwe orders...?” liet hij er op volgen, en bracht te gelijk de voorste vingers der rechterhand aan den slaap van zijn hoofd.

“Ben je nog niet te weten gekomen Albert, wie mijn neef verzorgde?”

“Eene vrouw, om u te dienen luitenant!”

“Dienen! Maar welke vrouw, voor den d.....? Hoe heet zij?”

“A ja, ik informeerrrde,” klonk het antwoord, terwijl de spreker een gezicht zette alsof hij den naam uit het vloerkleed wilde halen: “Een vóórnaam, luitenant! een vóórnaam, weet u, met sen er achter. A juist, Janssen! om u te dienen.”

“Alleen?”

“Dat is te zeggen, ik geloof ja luitenant! behalve een meid van den boekverkooper, ’en preutsch ding, om u te dienen!”

“Zwijg! Over een halfuur terug, geen minuut later.”

“Nog iets van uwe orderrrs?”

“Vertrek! Neen, wacht.... Geef die cassette. Zóó, hier!—“Nadat de oppasser eindelijk vertrokken is, verspreidt er zich een helsche lach over Van Meerles gelaat, en ijlings zet hij zich aan ’t schrijven.

Het halve uur ternauwernood verloopen zijnde, keert de oppasser terug, en krijgt in last om den brief voor Gelderland terstond te bezorgen, en de andere commissies—de advertentie voor ’t “Handelsblad,” en de vigilante bij den sleeper vooral niet te vergeten.

Nog dien zelfden avond kwam Joost Van Meerle, ondanks het streng verbod van zijn medicus en de pijn, die hij door de ongewone beweging te verduren had, in persoon naar het sterfhuis, om—een oog in ’t zeil te houden, en er te blijven totdat zijn vader zou zijn gekomen of procuratie zou hebben overgemaakt.

Bij de droefheid, welke Geertje vervulde, was het alsof een adder haar in den boezem stak, toen in het late avonduur, de deur van het doodsvertrek werd geopend, en een man—in wien zij terstond haar beleediger van nu tien jaar geleden, Willems verderfelijken voogd Van Meerle herkende—op den arm van een soldaat geleund, binnenstrompelde.

De lezer zal het ons zeker ten goede houden, dat wij hem in dit stille doodsvertrek niet de woorden van den man doen hooren, die de helaas onstrafbare moordenaar van het hem toevertrouwde kind was geworden. Neen, wij laten Joost Van Meerle niet spreken in de tegenwoordigheid van Willems stoffelijk overschot. Gij zijt gelukkig, koud lijk! dat ge uw voormaligen opvoeder evenmin zult hooren. Maar, arme Geertje! goede, brave, trouwe, godvruchtige Geertje! met ú gevoelen wij het diepste medelijden, daar u alras de bitterste en beleedigendste woorden zullen worden toegevoegd.

En, zij bleef bedaard; zij sprak van een dierbaren en heiligen plicht dien zij vervulde. God was zij dankbaar, die haar zóó geleid had, dat zij het woord, eenmaal aan een vader gegeven, had kunnen gestand doen. Neen waarlijk, zij beoogde geen winst. Waarlijk, geen stuiver had zij begeerd of genoten boven het loon, ’t welk haar in staat stelde om de noodigste behoeften en de huur van haar eigen kamertje te betalen.—Inderdaad, alles was hier gebleven zooals zij het op die kamers gevonden had.

Maar dat papier....? dát papier—’t welk immers werktuiglijk door haar in den zak gestoken, nu uit hare kleeding te voorschijn kwam....? Zij weet niet—het is—zij ziet.... Hemel! kan zij haar oogen gelooven!? Die woorden: “Eenige en algeheele erfgename....” Zij herhaalt ze luide;—het duizelt haar; en—zij hoort het gebrul dat de kamer vervult: zij staat roerloos; verneemt woorden en vervloekingen, die haar ’t hart doen krimpen; en terwijl zij op een kalmen en waardigen toon zegt: “Zie dan hoe snood en boosaardig mijn opzet was,” scheurt ze het blad in verscbeidene stukken, juist op het oogenblik dat Joost Van Meerle, die, zijn eigen ellendigen toestand geheel vergetende, uit zijn zetel was opgesprongen, met een pijnlijken kreet op den grond en voor hare voeten nedervalt.

Brave Geertje! gij hebt liefgehad; wat gij gemeend hebt dat verloren was, hebt gij behouden; aan uw arm verdoold zoogkind hebt gij den vrede op het sterfbed en de hoop op een betere toekomst geschonken; toen ge u reeds op aarde een schitterend loon zaagt bereid, toen hebt ge geweigerd, en, weinig ervaren in die zaken, hebt ge het bewijs dier belooning vernietigd, omdat gij uw loon in den hemel bewaard wist.—Maar toch, trouwe zoogmoeder! het laatste werk van uw Willem was een wél doordacht werk, ofschoon het hem nader tot zijn einde voerde. Geertje! wettig zijt gij Van Males erfgename; want het wettige testament berust in handen van den langen notaris.

En ja—wat ook verdonkerd of verbrast werd: Van Males nalatenschap, uit de handen zijner bloedverwanten gered, mocht, althans voor haar, de arme, een schitterende erfenis genoemd worden. De Wet stelde die in hare handen, en de wet der Natuur—de liefde voor haren Frans—deed Geertje eindelijk besluiten die dankbaar te aanvaarden. ’t Smartte haar niet dat ze geen enkel bewijs van dank ontving voor de aanzienlijke som, welke zij aan de Van Meerles afstond,—neen, maar biddende beval zij Gode den armen zondaar aan, die door zijn laatsten val nog ellendiger werd, en—met pensioen, een gebrekkig lichaam moest omdragen.

En Schorel. Op dien Zondagmorgen had hij met bitse woorden den goeden Frans de deur gewezen; maar, zeven of acht Zondagen later, zat hij met een bijzonder vriendelijk gelaat in een net huisje op de P....gracht, ’t welk door de weduwe Willems bewoond werd; en hij verklaarde, dat Frans steeds een beste jongen geweest was, en dat een mensch zich in drift wel vergissen kan; en dat vrouw Geertje goed had gedaan, voor haar zoon die kruidenierszaak in de W....straat te koopen; en, dat hij blijde was, dat Thilde niet de vrouw van een ouden en vrekkigen spekslager geworden was, maar, het vrouwtje van den goeden braven Frans zou wezen.

Dankbaar sloot Frans zijn Thilde aan ’t hart; dankbaar legde hij in ’t Godshuis zijn hand in de hare; dankbaar voerde hij haar naar zijne woning, en dankbaar legde hij, twee jaren later, het kind van Thilde en hem, grootmoeder Geertje op den schoot, en—het dierbare kleinkind beschouwende, kwamen de beide gezichtjes van Willem en Frans,—toen ze nog even klein en rond waren—vrouw Geertje voor den geest, en zij zag ze weder in haar verbeelding lachen.... lachen—zooals zij vurig bad, dat ze lachen zouden indien zij elkander in reiner oorden eenmaal mochten wederzien.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings