IV.
Reading edition
Beneden haar woelde de roezemoes van lichte toiletjes, de heeren in rok, zwart en gestrakt als kellners, de claque in de hand. Enkele uniformen schitterden met zachte gloeiing van gouden vangsnoeren tusschen de zwarte rokken en kleurige baltoiletjes.
Mevrouw Van Weelen kon nog niet onderscheiden, zag niet anders nog dan damp uitstralenden gloed van licht, hoorde den feestroes op haar aangonzen; en onophoudelijk bleef ze getroffen door de streelend zoete klanken van de zachte bedwelmende dansmuziek.
Toch zonder te zien persoon voor persoon, voelde ze met een trotsch zelfbewustzijn, dat haar Elly, haar mooie Elly daar tusschen die menschenwemeling een heel lieve figuur was.
Soms onder de lichtende voorbijzweving van dansende paren, meende ze even haar gezichtje te zien, of de fijne blankheid van haar kleedje. Maar dan plots zwierden weer nieuwe paren tusschen de plek, waar ze haar dochtertje meende gezien te hebben en haar in, tuurde ze met zoo groote inspanning, dat ze vermoeid en duizelig de oogen sloot. Dan hoorde ze weer de lokkende streelklanken; de zoete muziek begon in haar eigen ziel weer een zacht liedje van verlangen te zingen. Er koortste een heet gevoel in haar.
Als ze zich niet beheerschte zou ze zich wel dadelijk willen laten gaan, zou ze de galerij willen afstappen, zou ze zich storten in het gewoel der dansende paren.
Zoo zat ze, de oogen van vermoeienis gesloten, de lokkende dansmuziek in haar ooren, en voor haar weer het visioen van dien donkeren mooien man, haar eigen jeugd en verrukking den avond, toen ze de wereld met al haar wee en liefde voelde te kunnen omvatten te kunnen dragen.
Had ze ook nu geen recht, koortste het in haar gedachten, op geluk, op nieuwe ontroering. Was die rythmische dansmelodie om haar te roepen om mee te drijven in dien zaligen stroom van verrukking, die daar beneden haar uitging naar allen kant.
Moest zij dien zachten zwijmel van tonenpracht niet meer hooren en niet toegeven aan dat demonische verlangen om daar plots te gaan tusschen die dansende wereld aan haar voeten, die gloeiende wereld van weelde en uitbundigheid.
Ze huiverde, ze rilde van angst voor haar eigen opstandig gevoel, dat toch weer met smartelijk ingehouden drang moest sterven in haar eigen ziel.
Ze voelde geweldige hartbonsingen en een benauwing die haar als deed stikken.
O dat die duivelsche muziek zweeg, dat het orkest wegstortte uit de zaal, dat ze niets meer kon hooren, niets meer kon zien, en dat toch in haar ophield dat jubelend verlangen naar nieuw geluk en nieuw leven.
Plotseling, overweldigd door een smartgevoel, zich niet langer kunnende bedwingen, schreide ze zacht, opende ze haar oogen.
Nu merkte ze, dat meer menschen op de galerij hadden plaats genomen. Ze schrok bij het denkbeeld dat anderen haar ontroering hadden gezien, haar ook misschien hadden bekeken terwijl zij weende.
Was ze nu weer vergeten waarom ze eigenlijk hier bleef? Toch alleen om Elly te chaperonneeren. Hoe kon ze nu zoo doen, zich zoo laten kwellen en martelen door een innerlijken strijd, waarin ze toch zelf altijd de nederlaag moest lijden.
’t Soesde weer om haar heen, ’t geraas en geroezemoes.
’t Lang alleen zijn en het turen op de wemelende paren begon haar te kwellen.
Waarom kwam Elly haar toch niet eventjes aanspreken?
Weer bleef ze een poos in stomme onbewustheid staren met achter haar hoofd de lokkende roepstem van haar eigen verleden.
Toen langzaam als uit een verdooving opklarend bemerkte ze, dat het in de zaal leeg was geworden.
Plotseling hoorde ze achter haar ’t lief luiende lachje van Elly.
—Moeder, mag ik u voorstellen?
Elly stond voor haar met een slanken heer, wiens naam ze niet goed gehoord had. Snel naar hem opkijkend voelde ze plotseling een schrik, een verstomming die haar verlamde.
Vlak voor haar stond de Varennes, ouder, ernstiger, maar met denzelfden hartstochtgloed in de donkere geheimzinnige oogen.
Hij bleef, niet merkend haar schrik, wat met haar praten, complimenteerde haar over Elly’s verrukkelijk walsen.
Terwijl hij sprak had ze haar zelfbeheersching herwonnen, deed ze niets dan beleefd glimlachen en ja knikken; ze voelde wel, dat ze er bleek moest uitzien.
Maar met haar sterkste wilsinspanning wou ze ontkomen aan lichtelijk argwaan-gekijk van Elly.
—Mag ik straks nog een dans van u hebben, freule?
Even vreugde-gloeiden Elly’s oogen.
—Al mijn dansen zijn besproken, maar wil u een extra?
—Heel, heel gaarne.
Toen boog hij voor moeder en dochter en ging heen.
Mevrouw van Weelen zag hoe Elly hem volgde met bewonderend en liefkoozend kijken. Ze wist zelf niet meer wat ze voelde: verbazing, schrik of angst. Plotseling merkte ze het liefkoozend handje van Elly die ook streelde met haar stemmetje.
—Nee moes, u mag nooit meer zoo alleen gaan zitten; ik heb aldoor aan u gedacht onder het dansen.
—Zoo lieveling, lispelde ze heel zacht.
—Ach moes, niet zoo ernstig kijken, dat maakt u oud.
—Dat ben ik tóch Elly. Jong zijn alleen zij, die zich jong voelen, ik voel me heel oud.