Op de Horens genomen.
Reading edition
Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden, vind je dat niet raar? ’t Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in—eene koe. Gelukkig niet voor altijd, maar ’t was toch heel moeilijk, om weer eene fee te worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar van pure liefde een’ kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.
Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de koe wel vier keer op een’ dag en andere koeien worden toch maar twee keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een’ emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar—ze behoefde niet lang meer te zoeken. Pas maar eens op.
Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een’ jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, en dat is maar gelukkig ook.
Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!
Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich zelf. Tegen de bedienden van zijn’ vader sprak hij, alsof ze weinig meer dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief—ja, ’t is haast zonde om het te zeggen, maar ’t was, of hij zijn eigen ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. ’t Was, of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor hem waren. Nooit was het eten naar zijn’ zin, en dan stond hij altijd dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor zoo’n naren jongen.
Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze koe wel ooren voor. Nu—ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den eersten den besten dag stapte Gustaaf met een’ knecht een eind achter zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo’n gouden dingetje had een arme man wel een’ zak aardappelen kunnen koopen. Zóó rijk was Gustaaf—ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook wel zien doen.
Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett’en. ’t Was juist Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: “Nu moet ik eens goed oppassen, of dat heertje niet voor mij geschikt is.”
Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en bedelde: “Hè, laat mij eens zien! wat mooi!” Maar pas had het kind een’ vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op de handjes en riep: “Brutale jongen, dat zal je leeren ....” Verder kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij moest het gauw opgeven: zoo’n hollend dier kon hij toch niet inhalen.
Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een’ vader en eene moeder te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.
En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. ’t Was al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie, dat ze weer weg kwam.
Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de knieën bij Gustaaf neer. “Arm ventje,” zei ze, “hij slaapt!”—“’t Lijkt wel een jongetje van rijke menschen,” zei de heer, “maar ’t is, of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan de kinderen hier.”
“O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!” riep de kleine jongen.
En wezenlijk, nu voor ’t eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was genomen. “Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?” riep hij. “’t Is waar ook,” zei de mevrouw, “de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom, Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem.”
Nu moest Gustaaf aan ’t vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen Gustaaf den naam van zijn’ vader noemde, schudd’en de mijnheer en mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus wist hij er niets van.—Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had hem op de horens genomen en daar neergelegd. “Wat zijn dat nu voor praatjes?” zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. “Nu,” zei de mevrouw, “’t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo dikwijls alleen.”
“Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet,” zei Dolfs vader, “maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier.”—“Och, ja, Pa!” riep Dolf. “Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, Gustaaf!”—“Neen, mijn jongen,” zei de moeder, “’t is nu te laat, en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg, dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen.”
Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, toen haar daar zoo’n vreemde jongen gebracht werd. “Mijnheer en Mevrouw weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen,” bromde ze. “’t Is of ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo’n jongen te verzorgen, die hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het is!”—“Een bedelaarsjongen!” en dat te zeggen van ons fijn heertje Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! “Och! hou’ je stil! je weet niet, van wien je spreekt!” riep hij. “Wel zeker!” riep de kindermeid, “ik zou mij stil houden voor zoo’n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in te slapen. En nu in ’t vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht bekomen.” Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in ’t slot omdraaien.
Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas gespeeld had over de dienstboden van zijn’ vader. En die mijnheer en mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten op een grasveld had moeten slapen.
Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar—vroeg opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap bracht, bromde hij: “Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, ik heb nog geen’ zin om op te staan.”—“Zóó,” zei de kindermeid, “zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen, dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest het ook eens wagen, Dolf te laten wachten.” Met zette ze Gustaaf met zijne bloote voeten op den vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, ook als men er geen’ lust in heeft.
Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en dacht: hè, wat is het ’s morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.
Na ’t ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn’ verjaardag gekregen had. ’t Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar .... op eens zei Dolf: “O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?”—“Dat kun je begrijpen!” riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij hen. Die riep: “Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem toch!”—“Neen!” schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: “Ondankbare jongen!” riep ze. “Hier, je zult den riem geven.” En met geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.
Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven ook. “Ziezoo!” riep hij, “ik zal je leeren den baas te spelen over mijn goed!” en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.
Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. ’k Had hem zoo graag bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, wat voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens “heertje” af zijn.
Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een’ koopman, waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo’n paar balen legde ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. “Wil je wel eens gauw van mijne balen af, kleine deugniet!” riep hij. Maar Gustaaf, die door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen kneep bij ’t oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. “Och, Mijnheer, doe mij geen kwaad!” riep hij met gevouwen handen. “Ik ben niet op Uwe balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid.”—“Die koe?” riep de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus verschrikkelijk, dat iemand hem voor een’ leugenaar hield. Maar—het hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. “Wat praatjes wil je me nu op de mouw spelden?” riep de koopman. “Eene koe heeft je hier gebracht? En je hebt hier geen huis—je ouders wonen ver weg, en je kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal, en ik wil je wel houden. ’k Heb net een’ loopjongen noodig. Ga maar mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt.”
Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust zoo’n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen loopjongen, stemde ze toe. “Zie je,” zei de koopman, “hij lijkt nog al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, dat staat veel voornamer dan dat er zoo’n arme jongen met hem gaat.”
Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. “Kijk eens,” zei de vrouw, “wat heeft hij mooie dingen aan zijn’ horlogeketting hangen. En een echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo’n kleine aap er aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongen behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags mooi mee maken.”
Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem bij den arm en: “Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!” klonk hem in ’t oor. “Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan ’t werk.” Toen werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname zoontje van zoo’n rijken heer met een’ veger aan ’t werk! Wat voor een leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos, als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij ’t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. “Kom aan, kleine man,” zei hij, “zet maar niet zoo’n zuur gezicht. Ik ben ook als loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed, misschien zul je ’t dan ook nog wel eens zoo ver brengen.”
Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer in zijn bed. Maar—dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger; hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de vrouw van ’t huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden als zijne eigen moeder. Maar neen, ’t was maar: “haal mij dit!” en “breng mij dat!” en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, dat hij zelf vroeger ook op zoo’n toon tegen de dienstboden gesproken had. Nu kon hij ’t ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord, nooit deed ze iets aardigs voor hem.
Eens op een’ dag gaf ze Gustaaf een’ appel, die begon te rotten. Dat was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees—dat was het ergste. O, als hij ’s avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam, dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem vroeger onverschillig waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem van zijn’ vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.
Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem blijven. “Och,” zuchtte Gustaaf, “zoo liet ik vroeger mijn grooten bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe ’n nare jongen ik was.”
Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O, wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig kon wezen, omdat hij ’t nooit recht geprobeerd had.
Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar—hij moest nog veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: “Och, ik heb het toch wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter hebben!” Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.
Eens op een’ dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij, altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de stad liep. Hè, wat was het daar heerlijk frisch! ’t Was ook zoo’n kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; maar och, wat kon ’t hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom regelrecht op de koe af en zei: “Hier ben ik! als je lust hebt, mij weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu heb, niet.” De koe schudde den kop. “Nooit tevreden!” zei zij. “Als ik je ergens anders breng, zal je ’t eerder minder dan beter hebben, mijn jongen.”—“Dat kan me niet schelen!” riep Gustaaf. “Alles liever dan de knecht te wezen van dien naren Willem.” ’t Was of Gustaaf op eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op haren rug. “Nu toe maar,” zei hij. En de koe liep met kleine stappen verder. “Je loopt niet vlug,” zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe zich om een paar grassprietjes af te trekken.
“Neen,” zei de koe. “Ik heb geen’ haast. De plaats, waar ik je brengen wil, is niet ver van hier.”
“Ik heb van morgen nog niets gegeten,” zei Gustaaf. “’k Heb honger.” “Daar is mijne melk goed voor,” zei de koe. “Hè, ja!” en in een’ wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn’ mond loopen. Lekkere versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.
Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond het niet naar meer met de koe te reizen. “Och, als ze mij nu eens weer naar mijne ouders bracht,” dacht hij, en een traan rolde hem over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.
’t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. “Ziezoo, we zijn er,” zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om ’t hart. Bij ’t licht van de sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: eenzaam en stil lag het hutje daar. “We zijn er,” zei de koe nog eens, toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. “Hier?” riep Gustaaf, “dat kun je niet meenen, ’t is te leelijk!”
“Stap af, zeg ik je,” antwoordde de koe, “en ga binnen. Ik blijf bij je.”—“Ik blijf bij je,” dat was wel een troost; maar de gedachte in zoo’n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een’ zijsprong, en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: “Wat is dat hier toch, wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken.”

Op de horens genomen.
“Och,” zei Gustaaf, “och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?”
“Maak, dat je wegkomt; bedelaar,” riep de vrouw. “Wat meen je, dat mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi heertje daar vraagt, om bij ons te slapen.”
Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof hij hem wou bijten.
“Je moet hier blijven,” fluisterde de koe.
Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, ’t Was een groote dikke man, met booze oogen en een streng gezicht.
“Ik neem geen bedelaars in huis,” zei hij. “Maak, dat je wegkomt, jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen.”
“Je moet hier blijven,” zei de koe zonder zich aan de dreigementen van den boer te storen.
“Heb medelijden, beste Mijnheer,” .... smeekte Gustaaf. Voordat hij meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn’ leeftijd, maar veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. “Ik wil hem hier houden,” riep hij, “hij is een vriendje voor mij, hij zal bij ons wonen.” Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en—“nu, omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier,” zei de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje hooi stond te trekken.
Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter in schikken.
Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven, maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo’n eenvoudig hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af, vouwde het netjes op, en borg het in de kast. “Als je weer weggaat, kun je het terugkrijgen,” zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een paar klompen—alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat ook zijn, dachten ze.
Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in, en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.
Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet laten den neus een beetje op te trekken. ’t Was maar gelukkig, dat hij den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes toe was.
Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar—’t was er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets beters geven. Dat hij zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en vriendelijk aan. Hij viel ’s avonds dadelijk in slaap en was ’s morgens heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht, niet meer zoo’n verdriet—hij merkte, dat hij een betere jongen werd en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.
Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: “beste jongen!” ’t Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.
Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. ’t Was altijd “mijn jongen” vóór, “mijn jongen” na, zoodat Gustaaf haar wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij voor ’t eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.
De eenige, die hem ’t leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een stadsheertje praatte, en dan weer was het: “of hij niet liever in verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen.”—De boer en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het “mijnheertje van de koe” te noemen. En nu ging het maar elken dag: “Zeg, moet je nog niet eens weer een ritje maken?” In ’t eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen; want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens werden nu echte vrienden.
In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had, en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. “Kom aan,” zei hij, “je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!”
Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen, dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep: “Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je lief! daar dan!” Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een’ kus op den neus!....
Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de oogen wel dichtknijpen en—toen hij ze weer open deed—stond er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen—toen zag hij, dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo’n wijsneuzig, zoo’n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.
“Gelukkig!” riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, “je hebt ons beiden gered! Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in ongerustheid over je.”
’t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.
“Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was,” zei de moeder, en de tranen rolden haar over de wangen, “’t Is nu juist een jaar geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood was.” Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. “Hier, Moeder,” riep ze, “hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij verdient het.”
Te vertellen, hoe ’n gezicht de vader en de moeder zett’en en hoe gelukkig ze waren, ’k zou het niet kunnen. De moeder was dol van blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde handen van zijn’ jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens genomen werd, zat op een’ stoel bij de deur van blijdschap te schreien.
Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: “Maar wat heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?”
“Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf,” zei de fee lachend.
Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden, meende Zus.
Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij was—was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een flinken, aardigen jongen van hem te maken.—Eén ding alleen bleef hem altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.
Wie ook mee feestvierden?
Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een’ brief schreef, om—neen, meer zeg ik niet.