Onder den Tooverboom.
Reading edition
’t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een’ vader en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en glaasjes. “Klaar! beginnen!” roept Frits en neemt al vast een grooten hap van zijne boterham. “Ho!” zegt Mina, “eerst moet ik zusjes broodje nog in kleine boterhammetjes snijden.” En “niet soppen Zus,” zegt ze “geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven.” Vader heeft de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje “boôm, boôm,” wat boterham beduiden moet.
Ja, ’t was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie’s huis. Maar waar was Nellie zelf? Ja—Nellie was er niet. Eén bordje stond te wachten, en dat was het bordje van Nellie. “Waar blijft Nellie?” vraagt Moeder. “Ik weet het niet,” zegt Clara, “ze is dadelijk na mij opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar beneden ging.”
“Waar zit ze dan weer,” bromde Vader verdrietig, “ga eens kijken.” “Nellie zoeken, Nellie zoeken!” kraaiden de jongens, en ze sprongen van den stoel op. “Neen, gekheid,” zei Moeder, “jullie blijft zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt, klaar of niet klaar.” Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje, ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en—een vertelselboek in de andere hand.
“Zoo,” knorde Vader, “moest jij weer boterham eten met Roodkapje of Kleinduimpje?”
“Kind, kind, weer gelezen?” zei Moeder, “wat is dat toch een verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden.”
Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn “boôm” wou hebben, weg en bromde tegen Clara: “Naar kind, waarom heb je me niet geroepen!” En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had.
Nu naar school. Maar—waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze ’t vergeten. Gauw! de anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even “Bij Saartje,” in haar tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu ’t andere boek in de linnenkast gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, was zoo mooi. ”’k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op dien berg vond, dat zoo klopte,” dacht ze. En—ik moet toch zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg.
De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen’ zin in. En wat deed ze nu? ’t Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: “Wat heb jij er uit, Nellie?”—“Twee honderd!” hoorde Nellie in de buurt fluisteren. “Twee honderd!” riep Nellie. “Wat twee honderd, waarvan twee honderd?” vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, riep: “Twee honderd vingers!” De geheele klasse barstte in lachen uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden, ’t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. “Kind, kind, waar heb je je gedachten weer,” zuchtte ze. “Kom eens hier bij mij staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor bent.” Nellie stond op. Plof! daar viel wat. “Breng eens hier, wat daar valt!” zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, ’t hoofd gebogen, stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. “Zoo,” zei de juffrouw, “wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, hoe is ’t mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten.”
Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. “Ik moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg,” dacht ze. Maar hoe? Er om vragen? Ze wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat dan? Ze zou zien, dat ze ’t stilletjes uit de linnenkast nam. Ze kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze ’t boek zien te krijgen.
Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. “Foei!” zei Moeder boos, “nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de linnenkast op slot doen?” En Moeder kreeg de tranen in de oogen.
Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot vriendinnetje hadden, als—als ze maar geen “mooi boek” had, zooals ze ’t noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze, Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze las. Dan dacht ze soms: “hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe was, maar een kind van een’ koning: een prinsesje! En als dan de koning mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!” En als Nellie dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam of zoo, dan dacht ze: “zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen wezen, en zóó zijn ze nu voor mij.” En als Moe eens zei: “Kind, kun je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?” dan deed Nellie haar best niet, om het boek eens een’ keer te laten liggen, maar dan dacht ze: “kijk, daar heb je ’t weer! Moe meent altijd, dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of roovers.—Als er roovers kwamen—ik zou ze allen in huis beschermen en redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen wel zeggen: ‘die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand dat ooit begrepen heeft.’” En Nellie kreeg de tranen in de oogen van medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.
Maar—er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon dus voor niemand iets doen, dan—dat ééne; maar daaraan dacht ze niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken, die ze las, en aan wat ze zou lezen en waar ze zou lezen. Waar, ja—daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: “O, daar heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?” Of Clara kwam er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, juist als ze aan zoo’n prachtig gedeelte was—o, neen, ze moest heel alleen wezen, dan las ze het prettigst.
Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En ’t mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was ’s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus ook niemand in den tuin. O, ’t was een heerlijk plekje daar: net een boom uit een groot diep bosch, uit zoo’n bosch, als er altijd in de vertellingen was, zoo’n tooverbosch. ”’t Zou je niet eens zooveel verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam zetten,” dacht Nellie wel eens.
Eens op een’ dag, of liever op een’ zomeravond zat Nellie ook weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, die haar weer beknord had over hare leeswoede. “Je zult het er nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit,” had Moeder gezegd. “Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je wilt.”—“Och, ja,” dacht Nellie met een’ zucht, “wie weet, of ik nu niet voor ’t laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou’ toch zoo dol veel van sprookjes. En—kwaad is er immers niet bij, anders zou de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik toch eigenlijk een ongelukkig kind.
“Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook gebleven? O, ja, ’k was juist met ‘De drie wenschen’ begonnen. Die malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als....” en Nellie sloeg de oogen uit het boek en keek droomend in ’t rond. Daar op eens werd het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, toen—stond er—neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat zilveren tooverstafje in de hand—dat was eene tooverfee!
Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene glasheldere stem haar aansprak:
“Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, spreek nu een’ wensch uit. Door een’ slag met mijn’ tooverstaf kan ik je geven, wat je hart begeert.”
Nellie, Nellie, pas op—nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een’ mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch zoo’n zin in taartjes, en net wou ze zich een’ schotel met taartjes wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich eene worst gewenscht had. Gelukkig—daar kreeg ze eene verstandige gedachte. “Machtige fee!” zei ze, “geef me, als ’t U blieft, Uw’ tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik uitspreek.”
Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem: “Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar—ik wil voor een jaar je zin doen—we zullen zien, of de staf je ’t geluk brengt, waarnaar je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb je maar met het staf je op den grond te slaan en—. je wensch is vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleen zichtbare dingen wenschen. En—mondje dicht—niemand mag weten, dat ik bij je geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb.” Toen de vriendelijke fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie’s oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg, maar—het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes dus—neen—ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had ’s middags zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. “Een chocolâpudding dan!” riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis te gaan; ’t werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.
In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. ’t Heele huisgezin zat, onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. “Kom, Nellie,” zei Clara, “hier is je bordje,” maar Nellie had geen’ lust meer in zure melk na ’t eten van den pudding: ze bedankte. “Hoe is ’t mogelijk,” riep Clara, “lust je geen zure melk, en ik meende nog wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!”—“Ik heb er van avond geen’ lust in,” zei Nellie. “Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij de eene of andere fee,” zei Theodoor. “Ja, jongetje,” dacht Nellie, “je moest ook maar eens weten, wat ik weet!”
Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. “Kom, Nellie,” zei Moeder, “help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!” Maar daar riepen al de kinderstemmetjes: “Niet met Nellie!”—“Ik met Clara!”—“Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden,” bromde Nellie. “Dat komt, doordat je ze bij ’t helpen nooit eens aardig aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,” zei Moeder.
Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu krijgen kon.
Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld, dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; maar nu—ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met haar tooverstafje op den grond. “Chocolade met beschuitjes!” riep ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan ’t smullen, toen het negen uur sloeg—de kop verdween gelukkig—de overige beschuitjes stopte ze in de schooltasch, en toen—ja toen ze de schooltasch zag, schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd kwam. Maar—daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleen zichtbare dingen—dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de feeën, die voor haar eigen gebruik een’ tooverstaf had, die dus veel machtiger was, dan alle groote menschen—nu moest diezelfde Nellie verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer wat wenschen en haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En het kwam—met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar, wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden, waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.
Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk vragen: “Hoe kom je aan die jurk?” of “hé, wat heb jij daar voor een’ hoed op?” Eens had ze zoo’n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar ze had er toch het rechte plezier niet van—ze was in voortdurenden angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was ’t misschien uit met de heerlijkheid. Ook—’t was zoo vervelend—Moeder merkte, dat ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan.
Soms—ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan begreep ze, dat er toch ook zooveel “onzichtbaars” was, dat ze zich wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan toe—ze had altijd een of ander boek te lezen, dat “zoo noodig” uit moest. Dan dacht ze wel eens: “ik wil toch ook beter leeren;” maar een oogenblik later was het weer: “och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later ook niet.” En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. ’t Was net, of ze niet zoo prettig en vrij meer met hen praten kon, en soms was ze maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo ongezellig gevonden.—Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.
Eens op een’ avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een zakmes. Zijn vriendje had er zoo’n mooi, hij wilde er zoo graag ook een. “Neen, mijn jongen,” zei Vader, “zakmessen koopen, dat gaat maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag.” En toen Frits een’ pruilmond zette, zei Vader: “Je moet ook ontberen leeren, ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat is maar goed ook. Anders zou je gauw ’t plezier van de mooie dingen af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven.” De kleur sloeg Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar—dat zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en—ja, wat niet al. En van dat alles niets te nemen, als je ’t maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!
Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar—dan zou Frits zeggen: “Hoe kom je aan dat mes?” en als Frits het niet deed, zouden Vader en Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen.
Eens op een’ Zaterdagavond—’t was juist Nellie’s beurt, om het brood naar ’t arme huisgezin te brengen—kwam ze niet ver van het arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en toen—ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje, dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en stopte den kleinen Jacob een’ gulden in de hand. “Ziezoo,” zei ze, met een trots-klinkend stemmetje, “arme jongen, dat is voor jou.”
“Voor mij?” vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde oogen aan.
“Ja,” zei Nellie, “daar kun je eens een prettigen dag voor hebben.”
“Hoera!” riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het brood op de straat viel.
Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. “Dat doe ik eens weer,” dacht ze. “Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen gelukkig maken.”
Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!
Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, ’t Was de vader van Jacob. “Ach, lieve Mevrouw,” zei hij, “U bent altijd zoo goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch een vriendelijk verzoek aan U. Als U ons weer zoo’n groot present in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij zelf. Jacob ....” meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon bitter te schreien.
“Ik begrijp U niet,” zei Nellie’s moeder, “een groot present in geld—en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!”
“Ja,” zei de man, “gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene van de jongejuffrouwen hem toch een’ gulden gegeven.”
“Dat kan niet waar wezen,” zei Nellie’s moeder, “zooveel geld zou ik niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef ik kinderen nooit zooveel geld op eens.”
“Dat is toch vreemd,” zei de man, “en Jacob vertelt het mij. En toen is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: ‘Weet je wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.’—‘Ja,’ zegt mijn jongen, ‘daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden eigenlijk ook gegeven.’ En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, Mevrouw, ’t is zonde van ’t geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, sigaren en zoo’n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De sigarenkoopman haalt er een’ agent bij en zegt: ‘Hoe zouden die jongens aan zooveel geld gekomen zijn!’ En toen, o, Mevrouw,” snikte de arme man, “toen werd me de jongen door een’ agent thuis gebracht, ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd is.” Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.
Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die arme Jacob voor een’ dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in ’t geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan—de fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar alleen een’ tooverstaf gegeven hebben, en in huis was ’t, of niemand haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed genoeg. “Maar—wat ben ik toch dom!” dacht Nellie op eens. “Ik kan mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen, die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar nu niet eerder aan gedacht heb! Maar—Moeder en Vader verlaten en al de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben—dat ze dan nog wel een beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken zullen, dat ze iets om mij geven.—Ik doe het—ik ga morgen een ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn.”—Met die gedachte ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder ’s avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging, om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een’ nachtkus te geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet aan ging doen. “Maar—kom,” dacht ze, “Moeder houdt nog kinderen genoeg over. Morgen—morgen zal er een heerlijk leventje beginnen.”
’t Was morgen—Nellie’s broertjes en zusjes gingen naar school—Nellie niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu, om onder den feeënboom te komen. “Ik moet gauw wezen,” dacht ze, “anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie blijft, en gaat Moeder mij zoeken.” Daar was ze gelukkig, waar ze wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en fluisterde met een kloppend, half bang hartje: “Ik wensch me een mooi plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan.”
Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter en dichter werd de mist, ’t was, of er een sluier voor Nellie’s oogen hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel—nu kon ze ook bijna niet meer hooren—ze wist niet meer, waar ze was en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst hoorde ze geluiden uit de verte—toen kon ze weer zien, en wat wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn—eene blauwe lucht, groene weiden, groene boomen en toen—o, dat was nog mooier, dan ze zich iets wenschen kon—vlak vóór haar aan ’t eind van de groene weide tusschen de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In ’t midden eene breede marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk, met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.
En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.—En dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moest blijven staan luisteren, of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan ’t bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja—van alles wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!—Maar Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! ’t Leek wel, of er eene prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd hoofdkussen en gordijnen—rozerood met witte lelietjes! Verder weer eene speelkamer met de snoezigste poppen.—Een verder allerlei mooi speelgoed. En—’t laatste ’t beste! Eene leeskamer met boekenkasten, vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes, om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn, dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze—lezen zooveel en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: “Zit je daar al weer met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!”
Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen in een kanapeetje aan ’t lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de vogels. Toen ’t middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed—o, wat een heerlijk bed! ’t Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar—ze viel toch ook gauw in slaap. Ze was moe van ’t genieten van al die heerlijkheden.
Den volgenden morgen ging ’t weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstem gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar—wat was ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie—daar stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren niets bang. “Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en Lena,” zeiden ze. En toen: “O, wat woon je hier mooi, laat ons toch gauw alles eens zien!” Toen liepen de meisjes met elkaar trap op, trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig zitten eten en lezen en spelen—o, ’t was een kostelijk leventje.
En zoo ging het nu dag aan dag! “Heerlijk!” riep Nellie. “Zoo zal het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen.” Neen, mooier leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar Moeder altijd aan gebreid wou hebben—geen onvriendelijk gezicht van Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen ’s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen om haar een’ nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo’n leventje van plezier, dan had Nellie geen’ tijd om aan iets anders te denken.
Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat nieuws wenschen, maar ’t eene was toch ook al weer even mooi, als ’t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: ”’t Is toch waar, wat Moeder wel eens zei,” dacht Nellie, “als je altijd lekker eet, proef je op ’t laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als je altijd mooi bent, zie je ’t op ’t laatst niet meer.” En Nellie dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals Vader het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu mocht ze ’t altijd, en nu verveelde ’t spelen haar wel eens.—En als er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in den winter—dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan ’s avonds om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels opgaf!—En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in ’t bosch voor zoo’n enkelen keer.—Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar ’t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen—en dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar ’s morgens in bed een’ krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf wenschen; maar—een cadeautje met liefde gegeven—dat vond Nellie toch heel wat anders.—En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het juist—Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, ’t Was net, of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo gelijk—Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was ’t weer vrede; maar nu was ’t altijd zoo saai lief en zoet. Soms—ja soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in haar klein eenvoudig huis—soms wenschte ze, eene gewone boterham thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.
Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en zusjes. Maar—heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen. Toen—ze wist het nog heel goed—toen vond ze ’t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje schuld hebben? Maar kom—ze had nu zoo’n mooi leventje—ze kon zooveel lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar ’t was raar, soms was ’t, of ze ’t lezen niet meer zoo prettig vond. Ze las nu ook zooveel. Maar—ze kon immers ook wel eens een handwerkje doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien, en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd in huis ook zoo weinig aan ’t breien en naaien gedaan. Als Moeder haar er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo’n lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht—ze zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen te maken! Maar—neen—’t was waar ook—dat kon niet—ze kon alleen zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren moest! Nu—ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou Vader in zijn’ schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter genoemd. Neen—handwerkjes maken, daar had Nellie geen’ zin meer in.—
Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met den gulden.
Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar wat dan? Och, Nellie wist het niet—ze wist alleen, dat ze in huis wou leven en nergens liever. Maar—hoe kan ze ooit weer in huis komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze geweest was? En—zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben, nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?
Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze—de fee.
“Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?” vroeg de fee.
“Neen, o, neen, beste fee,” riep Nellie. “Neem den tooverstaf terug, ik begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes.”
“Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee....”
“Niets wil ik meer, niets!” riep Nellie: “Als ik plezier zal hebben, wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen, die ik lief heb.”
Toen zwaaide de fee den tooverstaf: ’t was of er een hevig onweer opkwam, alles draaide om Nellie. ’t Was, of ze met kasteel en al in een’ afgrond stortte—ze hoorde en zag niets meer.....
Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze—in de lieve trouwe oogen van hare moeder.
“O, Moeder, lieve Moeder,” zei Nellie met een zwak stemmetje, “waar ben ik toch?”
“In je eigen bed, liefje,” zei de moeder, en ze streelde Nellie de heete wangen. “Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons zoo angstig gemaakt.”
“Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?”
“Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben je onder een’ boom gevonden in den tuin van den buurman met eene hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en een tooverstafje, en ik weet niet wat al.”
’t Was of Nellie een steen van ’t hart viel bij die woorden van Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de koorts had ze alles—gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest—o, hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had aangedaan.
Daar stak Theodoor zijn’ krullebol om den hoek van de deur en fluisterde: “Slaapt ze nog, Moeder?”
“Ze is wakker en al een beetje beter,” zei Moeder, “maar st! rustig blijven, hoor!”
Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang: “Nellie is wakker, Nellie is wat beter!”
Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: “Ben ik wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?”
“Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief,” zei Moeder. “Maar ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer.”
Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met den dokter binnen. “Kom,” zei de dokter, “eindelijk de oogen open. En wat kijk je vroolijk.” En toen den pols voelende: “nog zwakjes, maar dat kan niet anders na zoo’n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na ’t inslapen onder dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en—vooral niet lezen! Geene boeken geven!”
“Nooit boeken weer!” riep Nellie. “Als ik weer beter ben, ga ik al mijne mooie boeken verbranden.”
“Ho, ho, wat,” zei Vader, “beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, ’t gaat er net mee, als met de mooie roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel willen missen. Maar ’t zou dom zijn op een’ akker alleen bloemen te laten groeien. Die dat deed, zou ’s zomers een prachtig veld hebben; maar ’s winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in ’t vervolg zal ze van beide houden, dat weet ik zeker.”
Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.
Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, die zijn’ krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: “Mim geven!”
Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo naar verlangd.
Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen, van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond gezonken was.
Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd ze weer een van de beste leerlingen. En lezen—ja lezen deed ze veel, maar niet te veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat uit leeren kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.
Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen.