← Table of contents
Zonnestralen in School en Huis

Een Droom.

Reading edition

Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan ’t spelen en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond, met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen moest: “Ziezoo, nu is ’t voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog van droomen.”—Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè, eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had, wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond, als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo’n mooien droom zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...—

Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo’n gezellige oom, als dat ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!

“Oompje,” zei Frits op een’ keer, “je bent zoo knap, en overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren droomen?”—“Leeren droomen!” lachte Oom, “wat meen je daar toch mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?”—“Ja wel,” zei Frits, “maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil.”—“O, is ’t anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren,” riep Oom. “Weet je, wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd op ’t kussen.”—“Hè Oom, je plaagt me ook altijd!”—“Ho, mannetje, ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en de beide handen onder ’t hoofd en dan—ga je maar denken aan alles, waar je van droomen wilt. Je zult zien, dat helpt. Maar pas op, dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, dan is het mis en je droomt—niets!”

Wat was die Frits in zijn’ schik met het kunstje! Hij kon dien dag haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen en nu—Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.

“Je bent toch niet ziek, jongen,” vroeg Moeder. “Och ja,” plaagde Oom, “hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne dikke boterham, en wat ziet hij wit!”—Oom begreep wel, waarom Frits zoo’n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom—en als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.

Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in ’t oor: “Kom je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?” Oom knikte lachende van “ja.” Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars, de handen onder ’t hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, doodstil, zonder zich te verroeren. “Zoo is ’t goed,” zei Oom, “nu maar denken aan—weet je al, wat je droomen wilt?”

Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had en wou gaan slapen, om te droomen, toen—wou de slaap niet komen. ’t Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn’ linkervoet eens boven zijn’ rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam de slaap en—daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, dien ik je nu eens wil gaan vertellen.

Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in ’t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren verblind door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling—neen, ’t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan twee aanstappen—twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven een groot hoofd met een puntig kapje er op. ’t Leken wel kleine jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: “Jongeheer, ’k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!”—“Zoo,” riep Frits vroolijk, “ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, Appelsteeltje!” en hij schudde het dwergje de hand. “En hoe gaat het je petekind?”—“Dank je, jongeheer, best,” zei Appelsteeltje, “maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in ’t bosch te vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens een kijkje bij ons te nemen.”—“Op een bal?” riep Frits, “maar ik kan niet dansen!”—“O, dat komt er niet op aan,” meende Appelsteeltje, “op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren kan.”—“Maar, met wie zal ik dansen?” vroeg Frits weer. “Dat is eene verrassing,” lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne breede, vriendelijke monden mee. “Maar ik heb geen mooi pakje, om in te dansen,” zei Frits. “Daar is voor gezorgd,” zei Appelsteeltje.

Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn bed, zett’en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins uit een sprookje. “Maar,” begon hij nu weer, “hoe komen we op ’t bal, dat is zeker heel ver.” ”’t Komt alles in orde, jongeheer Maar!” riep Appelsteeltje. “Voorwaarts, marsch!”

Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door, de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar ’t bal te brengen. Hoe hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere zes, natuurlijk op ieder veulen twee. ’t Was een heele optocht: voorop drie veulens met zes dwergjes, in ’t midden Frits, achter hem weer drie veulens met zes dwergjes.

“Nu naar ’t bosch,” kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en Frits riep uit alle macht “hoezee! leve Appelsteeltje!” Voort ging het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden, over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. “Zijn we er al?” vroeg Frits. “Ha, ha!” lachten de dwergjes, “hij vraagt, of we er al zijn!”

Daar schemerde licht door de boomen. ’t Kwam uit de ramen van een statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel naar dien kant en riep Frits over zijn’ schouder toe: “Het betooverde kasteel!” Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.

Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van ’t bosch stond een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne fakkel: “Het huisje van de drie beertjes!” riep hij Frits toe. Ja, wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een venstertje kijken. “Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!” groette Frits, “hoe smaakt de honigsoep?” Maar voordat er antwoord kwam, lag het huisje al weer in de verte.

Daar was eindelijk de rand van ’t bosch. Ja, en daar stond ook weer een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een tuintje er voor. “Daar woont de grootmoeder van Roodkapje,” vertelde Appelsteeltje. “Och, och,” begon Frits, “woont daar nu....” Maar daar vlogen de veulens, nu ze ’t bosch uit waren, in eens weer met een’ ruk vooruit: ’t scheelde niet veel, of onze Frits was in ’t zand gewipt.

Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte, keek hij even naar dien kant.

Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij ’t beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. ”’t Kasteel met den dikken boom en den diepen put!” riep het dwergje. Frits hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; ’t scheelde niet veel, of hij was van den schok over den kop van ’t veulen gevlogen.

“Let op!” waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. “Van den markies van Carabas!” riep Appelsteeltje.—Voort, altijd verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! “Daarachter ligt Luilekkerland,” vertelde Appelsteeltje. “Hè, Luilekkerland,” zei Frits, “Luilekkerland achter den rijstebrijberg!” Want hij had grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. “Maar kom,” dacht hij, “dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op ’t bal allemaal nog te zien krijg!”

Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu kon ’t niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene breede, donkere streep, dat was zeker ’t bosch! En ja, toen ze nader kwamen, zwaaide voor ’t laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep hij vroolijk: “We zijn er!” Toen hinnikten de veulens, de dwergjes gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de handen en riep maar niets dan “hoezee,” tot hij er schor van was.

Vooraan in ’t bosch was het donker; maar door de boomen heen schemerde licht, en hoe verder je in ’t bosch kwam, hoe lichter het werd. “Nu de oogen dicht!” riep Appelsteeltje op eens, “en niet weer open, voor ik je waarschuw, hoor!” Frits dadelijk de oogen stijf dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, maar hij werd vlug van ’t veulen getild en voorzichtig op den grond neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee, mee—totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: “Open! en welkom in de balzaal!”

Toen Frits de oogen opendeed—ja, ’t ging hem weer net als straks: hij wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: ’t was iets heel heerlijks en heel moois. Hij was nog in ’t bosch, op eene groote, open plek in ’t bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja, hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad van de boomen leek zelf wel een lampje en ’t was, of er honderden lichtjes straalden uit stammen en takken.—De grond of neen—ik moest liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen, die schitterden als kleine diamantjes.—Tusschen de boomen lag een dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, als je moe was van ’t dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes, dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo’n lust kreeg hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan ’t dansen waren.

Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij uit kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits kende al die lieve danseresjes, en toch—had hij ze nog nooit gezien! Hij kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch—had niemand hem de namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk ook Lena—Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze om den hals droeg.—Naast Lena stond—nu, dat was al heel gemakkelijk te raden. Een rood kapje had ze op ’t hoofd, een mandje aan den arm!

Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. “Ja, ja,” zei het grootere meisje, “Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje en met één bloot beentje!” Maar wat was dat? .... Bij elk woord, dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren mond! “Die ken ik ook, die ken ik ook!” riep Frits vroolijk. “Mooi, mooi,” zei Appelsteeltje, “maar nu moet je ook kiezen.”

Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af tot Goudkindje toe. “Nu?” vroeg Appelsteeltje. “Of, wacht eens!” Weg was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. “Wil je misschien deze liever?” lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, de kousen afgezakt.... “Neen, neen, neen!” riep Frits, “die niet, dat is Pietje Smeerpoes!” Het slordige vuile kind kroop van schaamte dadelijk weer achter een’ boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.—Toen aan het dansen—neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn danseresje in ’t rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben willen dansen, ’t ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom, dan zouden ze maar wat uitrusten tusschen de boomen. Hè ja, dat vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en vooral ook—kijken naar al de prettige drukte om hem heen.

Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op ’t bal waren. Wel, wel, wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht en maakten allen aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Daar dansten er twaalf in een’ kring om Appelsteeltje heen. “Hoe leuk!” riep Frits, “daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!”—Een eind verder draafde een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. “Pas op je krullen, Liesje!” riep hij plagend. ’t Meisje schaterde van lachen, omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes toch niet inhalen kon.

Wat was ’t eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen, om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer op.—Peter huppelde er alleen in ’t rond met zijne gouden gans in den arm.—Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte, weet ik niet.

En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak bij. “Smulhans!” riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de toovervrouw! Onder het dansen stopte ze ’t gulzige ventje aanhoudend lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.

Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:

“Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn, Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!”

En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en—de mooie, domme prinses in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af; maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden pot te blijven.

Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte Katje.—Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in ’t rond. En bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan ’t proesten blijven, de kaboutertjes.

Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. “De booze Toovenaar,” fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen, spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja wel—die stond hem al lang weer aan ’t andere eind van de zaal uit te lachen.—Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en de handen onder ’t hoofd. Een poosje zat hij—daar kwam Goudkindje aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. “Toovenaar,” zei ze met een vleiend stemmetje, “waarom zit je hier zoo alleen? Heb je geen plezier? Toe, dans eens met me!” De toovenaar keek eerst met een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek zoolang onder het kussen en—begon met Goudkindje in ’t rond te dansen.

Frits had den heelen tijd, bij ’t kijken naar al die kluchtige paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij, dat de tranen hem over de wangen rolden.—

En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak, Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen te rennen—neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. ’t Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie tellen heelemaal om de groote balzaal heen.—Hazenoor ging met zijn oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: “Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in Luilekkerland door de lucht vliegen.”—Mikgoed schoot de toovervrouw een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in den mond wou stoppen.—Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en blies op eens alle dansers omver.—Maar wat van Sterkenrug deed, dat was nog ’t aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, die op ’t bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover gebogen staan. En toen—moesten al de kaboutertjes op zijn breeden rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. ’t Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te zien.—Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op ’t bal, ook wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, er waren ook—feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk, luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne, teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.—Maar midden onder ’t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. “Kom aan, jongeheer, nu weer een dansje,” riep hij, “je wordt niet alle dag op een bal in ’t bosch gevraagd!”

Ja, ’t was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan ’t dansen. Wacht, daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.—Toen gedanst met Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt was.—Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen ze bijna te vallen over—ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede paartje was—Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst had! Maar Lena gunde hem geen’ tijd lang stil te staan: ze trok hem al gauw weer mee, om verder te dansen.

Daar op eens klom er een dwergje in een’ boom, en dat begon me te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En zie—dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker was. In een oogenblik stonden er in ’t rond, ’k weet niet hoeveel, van die tafeltjes-dek-je klaar.—Nu ging de fee weer rond en bij elk tafeltje tikte ze even tegen een’ poot. En ja wel, daar waren ook in eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.

Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even vroolijk, en vooral de dwergjes maakten weer ieder aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Er was er maar één, die geen tijd had, om pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.—

Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: “Sst, sst! Appelsteeltje wil wat zeggen!” Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn van de tafel, hield het omhoog en zei: “Ik drink op de gezondheid van mijn, ik meen van ons vriendje Frits! Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!”—Allen dronken en klonken mee. En toen—hoe het kwam, wist hij niet—maar op eens stond Frits midden in de balzaal, en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars, alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en meisjes—alle gasten van ’t bal. En allemaal zongen ze: “Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!” O, wat was ’t mooi!

Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En—als door een’ tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee dwergjes op zijn’ rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort ging het weer, hop, hop—in vliegende vaart door bosschen, over velden en wegen, langs kasteelen en bergen.—Appelsteeltje zwaaide weer met zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover op zijn veulen. Op ’t laatst kon hij de oogen haast niet meer open houden. Nog een poosje en—ze vielen toe. Frits sliep.

Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en—onze Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer liggen, hoor! In een’ wip was hij er uit, in een’ wip aangekleed, in een’ wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe’n kostelijken droom hij gedroomd had.—

Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien heerlijken nacht.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings