NSCHO-TSCHI. (continued 2)
Reading edition
Hij zag mij bij deze vraag zóó scherp en vorschend aan, dat ik mij wel wachtte met „ja” te antwoorden. Hij wilde mij klaarblijkelijk op de proef stellen.
—Goud?—vroeg ik.—Gij hebt mij geen goud afgenomen en ik heb dus geen goud van u te vorderen.
Dat was een diplomatiek antwoord, geen ja en geen neen. Ik wist, dat er Indianen waren, die plaatsen kenden, waar goud was te vinden, maar deze plaatsen nooit aan een blanke zouden verraden. Intschu Tschuna kon ook zulk een plaats weten en nu vroeg hij mij: wilt gij goud? Welke blanke zou op zulk een vraag dadelijk „neen” zeggen. Ik heb nooit naar schatten gejaagd, maar toch heeft het goud voor mij, als middel om goed te doen, een waarde, welke ik niet kan loochenen.
—Neen wij hebben u geen goud ontnomen,—antwoordde het opperhoofd,—maar gij hebt door ons toedoen, niet gekregen wat gij anders hadt verdiend, daarom wil ik u schadevergoeding geven. Ik zeg u, in de bergen daarginds ligt veel goud. De roode mannen kennen de plaatsen, waar het is te vinden; zij behoeven slechts de moeite te doen, om het te halen. Wilt gij, dat ik het doe?
Honderd anderen in mijn plaats zouden dit aanbod hebben aangenomen en— —niets hebben gekregen; dat zag ik aan den eigenaardig loerenden blik zijner oogen. Daarom zeide ik:
—Ik dank u! Geld, dat zoo zonder verdienste wordt verkregen, geeft geen voldoening, eerst wanneer men het zelf verdiend heeft, krijgt het waarde. Al ben ik arm, ik behoef niet van honger te sterven, als ik terugkeer naar de blanken.
Zijn gezicht helderde op, hij stak mij de hand toe en zeide op werkelijk hartelijken toon:
—Deze woorden bewijzen mij, dat wij ons niet in u hebben bedrogen. De dorst naar goud heeft menig bleekgezicht ten onder gebracht. Jaag niet naar goud, het verlangen daarnaar doodt niet alleen het lichaam, maar ook de ziel. Ik wilde u op de proef stellen. Goud zou ik u niet hebben gegeven, maar ’t geld waarop gij hadt gerekend, zult gij hebben.
—Dat is niet mogelijk.
—Ik wil het en dus is het mogelijk. Wij zullen gaan naar de plaats waar gij hebt gearbeid. Gij zult uw werk ten einde brengen en hetgene krijgen, dat u is beloofd.
Ik zag hem verbaasd aan. Sprak hij in scherts? Neen, daarvoor kende ik hem te goed. Of zou hij mij wederom op de proef willen stellen? Ook dit was niet waarschijnlijk.
—Mijn jonge, blanke broeder zegt niets,—ging hij voort.—Is mijn aanbod hem niet welgevallig?
—Dat wel, maar ik kan bijna niet gelooven dat gij in ernst spreekt.
—Waarom niet?
—Ik zal het werk voltooien, dat gij eerst niet hebt willen dulden? Ik zal doen, wat gij, toen wij elkaar voor ’t eerst ontmoetten, zoo streng hebt veroordeeld?
—Omdat gij toen handeldet, zonder toestemming van degenen, aan wie dit land toebehoorde, maar die toestemming hebt gij nu verkregen. Mijn aanbod komt overigens niet van mij, maar van mijn zoon. Hij heeft mij gezegd, dat het ons geen schade kon doen, wanneer gij het begonnen werk voltooide.
—Dat is verkeerd ingezien. De weg zal worden aangelegd, de blanken komen zeker en gewis.
Hij zag somber voor zich heen en vervolgde na een kleine pauze:
—Gij hebt gelijk. Wij kunnen niet verhinderen dat zij ons telkens en telkens weer berooven. Eerst zenden zij kleinere troepen, zooals de uwe, deze kunnen wij verjagen maar het doet er niets toe, want later komen zij in grootere scharen, voor welke wij terug moeten wijken, willen wij ons niet laten vermoorden. Maar ook gij kunt niets daaraan veranderen, of denkt gij misschien, dat zij niet zullen komen als gij er van af ziet het land verder op te meten?
—Neen, dat denk ik niet. Wij kunnen doen of laten, wat wij willen, maar het ijzeren ros zal eenmaal door deze streken zijn weg vinden.
—Neem dan gerust mijn aanbod aan. Gij brengt u zelf daardoor voordeel en ons geen nadeel. Ik heb alles met Winnetou besproken! Wij beiden gaan met u, onder begeleiding van dertig krijgers. Dit aantal is voldoende om u te beschermen en u te helpen bij uw arbeid. Dan brengen ons deze dertig man zoover naar het Oosten, tot wij een weg vinden die naar St. Louis voert.
—Wat zegt mijn roode broeder? Heb ik hem goed verstaan? Wil hij naar ’t Oosten?
—Ja, wij gaan met u, ik, Winnetou en Nscho-Tschi.
—Nscho-Tschi ook?
—Ja, mijn dochter ook. Zij zou gaarne de steden der bleekgezichten zien en zoolang daar blijven, tot zij geheel is geworden als een blanke vrouw.
Waarschijnlijk heb ik een zeer onnoozel gezicht gezet bij deze woorden, want glimlachend vervolgde het opperhoofd:
—Mijn jonge, blanke broeder schijnt verrast te zijn. Heeft hij er misschien iets tegen, dat wij hem begeleiden? Laat hem het dan gerust zeggen.
—Iets tegen? Wel neen! Ik verheug er mij integendeel zeer over. Onder uw geleide kom ik veilig en wel weer thuis, daarom alleen zou ik er blij om zijn, maar bovendien houd ik hen, die ik lief heb gekregen, zoolang bij mij.
—Howgh!—knikte hij tevreden.—Gij kunt uw werk afmaken en dan gaan wij naar het Oosten. Zal Nscho-Tschi daar menschen vinden bij wie zij kan wonen?
—Ja, daarvoor zal ik zorgen. Maar het opperhoofd der Apachen moet wel bedenken, dat de blanken niet zoo gastvrij zijn als de roodhuiden.
—Dat weet ik. Wanneer de bleekgezichten als vrienden tot ons komen, krijgen zij alles, wat zij noodig hebben zonder dat zij er ons iets voor behoeven te geven, maar komen wij bij hen dan moeten wij niet alleen betalen, maar wij moeten dubbel zooveel geven als de blanke gasten, terwijl wij alles veel slechter krijgen dan dezen. Nscho-Tschi zal dus ook moeten betalen.
—Dat is helaas waar, maar gij behoeft u daar over niet bezorgd te maken. Ten gevolge van uw edelmoedig aanbod, krijg ik veel geld uitbetaald en gij kunt dus mijn gasten zijn!
—Oef, oef, wat denkt mijn jonge, blanke broeder wel van Intschu Tschuna en van Winnetou, de opperhoofden der Apachen! Ik heb u immers gezegd, dat de roode mannen de plaatsen kennen waar veel goud is te vinden. Er zijn bergen welke met goud-aders doorploegd zijn en dalen waarin stofgoud onder de dunne aardlaag ligt. Wanneer wij naar de steden der blanken gaan, hebben wij wel geen geld maar goud, zooveel goud bij ons, dat niemand ons een teug water behoeft te schenken. En al moest Nscho-Tschi ook jaren daar blijven, dan zou ik haar meer goud meegeven, dan zij in al die jaren noodig had. Alleen de ongastvrijheid der bleekgezichten noodzaakt ons, het goud te verzamelen, anders zouden wij het stilletjes laten liggen. Wanneer is mijn jonge broeder gereed om te vertrekken?
—Zoodra gij maar wilt.
—Laat ons dan niet lang talmen, want het is reeds laat in den herfst en de winter kan spoedig invallen. Een roode krijgsman heeft zelfs voor den langsten tocht geen voorbereiding noodig, wij zouden dus reeds morgen kunnen vertrekken.
—Mij goed. Wij behoeven enkel te zeggen, wat wij mee moeten nemen, hoeveel paarden en.…
—Daarvoor zal Winnetou zorgen,—viel het opperhoofd mij in de rede.—Hij heeft reeds aan alles gedacht.
Wij verlieten het vertrek, waar wij ons bevonden en keerden naar boven terug. Toen ik mijn kamer wilde ingaan, kwam Sam Hawkins mij tegemoet.
—Ik heb u iets nieuws te vertellen, sir,—begon hij stralend van vreugde.—Gij zult vreemd, zeer vreemd ophooren, als ik mij niet vergis.
—Wat is er dan?
—Ik breng u een goede tijding.
—Vertel dan op, beste Sam!
—Wij gaan van hier vertrekken.
—Zoo, ja, dat wist ik reeds.
—Wist gij dat reeds? Ik wilde u juist met dit nieuwtje verrassen, maar ik kom dus te laat.
—Ik heb er zooeven met Intschu Tschuna over gesproken. Wie heeft het u verteld?
—Winnetou. Ik ontmoette hem daarginds bij de rivier, waar hij bezig was de geschiktste paarden uit te zoeken. Zelfs Nscho-Tschi gaat mee! Wist gij dat ook reeds?
—Ja.
—Ik hoorde er vreemd van op. Zij zal, naar ’t schijnt naar een kostschool worden gebracht. Waarvoor dat noodig is, begrijp ik niet, of ’t moest zijn.…
Hij hield midden in den zin op, zag mij met zijn kleine oogjes veelbeteekenend aan en vervolgde:
—Of ’t moest zijn.… ’t moest zijn.… hm, Nscho-Tschi zal misschien uw Kliuna-ai worden! Wat zegt gij daar wel van, sir Shatterhand?
—Mijn Kliuna-ai? Kom, Sam, wees niet zoo dwaas. Ik denk er niet aan, een Indiaansche tot vrouw te nemen.
—’t Is ook beter van niet, sir! Ook ik ben maar blij, dat het met mij niet zoover is gekomen. Alleen, één ding spijt mij geweldig.
—En dat is Sam?
—Dat ik mijn mooi Grizzlyberenvel er bij heb verspeeld. Had ik het zelf nu maar verwerkt, dan had ik nu ten minste een mooien jachtrok, nu echter is mijn rok en daarmede ook het vel weg.
—Dat is jammer, maar misschien kom ik nog wel eens weer in de gelegenheid een Grizzlybeer te vellen en dan zult gij de huid hebben.
—Werkelijk? Maar gij moet niet denken dat de grijze beren zoo maar rondloopen, om zich door den eersten den besten greenhorn te laten doodsteken. In elk geval hoop ik maar, dat wij er in de eerste dagen geen zullen ontmoeten. ’t Is toch een grootmoedig aanbod, om ons het werk te laten afmaken.
—Zeker, Sam, zeker.
—Ja, daardoor krijgt gij uw geld en wij ook het onze. Misschien.… ja, wie weet, of ik ’t niet geraden heb.
—Wat raadt gij?
—Dat gij al het geld alleen krijgt.
—Ik begrijp u niet.
—Wel, als het werk af is, moet het betaald worden, maar de anderen zijn weg, zij leven niet meer, dus moet hun aandeel aan u worden uitbetaald.
—Stel u dat maar niet voor, Sam, men zal er wel voor passen, dat te doen!
—’t Is toch mogelijk! Als gij nu de zaak maar goed aanpakt. Gij moet alles vragen, gij hebt toch ook het werk bijna geheel alleen gedaan. Wilt gij dat doen?
—Neen, ik denk er niet aan, meer te vragen, dan mij toekomt.
—Greenhorn, onverbeterlijke greenhorn. Ik zeg u, dat uw bescheidenheid hier in dit land volstrekt niet op haar plaats is. Ik meen het goed met u, luister daarom naar wat ik u zeg en laat het voornemen varen, om ooit een goed prairiejager te worden; daarvoor deugt gij in ’t geheel niet. Gij moet dus een ander baantje zoeken en daarvoor hebt gij geld noodig, zeer veel geld. Nu kunt ge een mooie som krijgen en ge zijt voor langen tijd geholpen. Luistert gij niet naar mijn raad, dan gaat het u als een visch op het droge.
—Dat zullen we dan maar afwachten. Ik ben niet over den Mississippi gekomen met het doel prairiejager te worden en dus is er niets verloren. Ware dit het geval geweest dan was het enkel jammer voor u.
—Voor mij? Waarom?
—Omdat gij u zooveel moeite hebt gegeven, iets goeds van mij te maken. Ik hoor de menschen al zeggen dat ik zeker een leermeester heb gehad, die er zelf niets van wist.
—Niets van weten? Ik? Sam Hawkins, niets van weten? Ik weet alles!
Hij keerde zich op zijn hielen om en ging met deftige passen heen, terwijl hij mij nog toeriep:
—Dit zeg ik u, als gij het geld niet wilt hebben, steek ik het in mijn zak! Howgh!
Wat Intschu Tschuna mij gezegd had, was waar. Een roode krijger heeft zelfs voor den langsten tocht maar weinig voorbereidselen te maken. Het leven in het Pueblo ging ook dien dag zijn gewonen gang, aan niets was te bemerken, dat wij morgen zouden afreizen.
Ook Nscho-Tschi, die ons zooals altijd aan tafel bediende, liet niets bijzonders merken. Hoe geheel anders gedraagt zich een blanke dame, die een uitstapje gaat maken. Deze Indiaansche had een langen en gevaarlijken tocht voor zich om al de heerlijkheden der beschaafde wereld te leeren kennen en men bemerkte aan haar niet het minste teeken van opgewondenheid. Ik werd met geen enkele vraag lastig gevallen, het eenige wat men mij vroeg, was wel te willen zorgen voor het inpakken der instrumenten, waarvoor Winnetou mij de noodige wollen dekens gaf. Wij zaten als gewoonlijk den geheelen avond bij elkander, zonder dat men over de voorgenomen reis sprak, en toen ik ten laatste slapen ging, had ik volstrekt niet het gevoel dat ik zulk een reis voor mij had. Den volgenden morgen werd ik gewekt door Sam die mij vertelde, dat alles voor den tocht gereed was.
Wij namen een eenvoudig ontbijt, daarna deden alle bewoners van het Pueblo ons uitgeleide tot aan de rivier, waar een plechtigheid zou plaats hebben, welke ik nog nooit had bijgewoond. De medicijnman zou namelijk verklaren of de reis gelukkig of ongelukkig zou wezen.
Voor deze plechtigheid waren ook de zich in de nabijheid van het Pueblo bevindende Apachen aangekomen. Onze ossewagen stond nog bij de rivier, wij konden dezen niet meenemen, daar hij veel te zwaar was en nu had de medicijnman hem in beslag genomen, en er zijn Tempel van gemaakt. Om dezen wagen heen werd een wijde kring gevormd en nu begon de voor de roodhuiden „heilige handeling” met een gebrom en geknor in den wagen, juist alsof een aantal honden en katten op ’t punt waren te gaan vechten. Ik stond tusschen Winnetou en diens zuster. De groote gelijkenis tusschen deze beiden viel des te meer op, daar Nscho-Tschi, niet haar gewone vrouwen- maar mannenkleeren droeg. Haar kleed was volkomen gelijk aan dat van haar broeder. Ook zij had geen hoed op en heur haar was in een pluimvormigen knoop opgestoken. Aan haar gordel hingen verscheidene buidels, een mes en een pistool en over den rug hing een geweer. Haar kleed was nieuw en met bonte franjes en stiksels versierd.
Zij zag er zeer krijgshaftig en toch zoo meisjesachtig en bekoorlijk uit, dat aller oogen op haar gericht waren. Daar ik het kleed droeg, ’t welk ik gekregen had, waren wij drie bijna gelijk.
Ik zette, toen ik het gebrom en geknor in den wagen hoorde, zeker een niet zeer ernstig gezicht, want Winnetou zeide:
—Mijn broeder kent dit gebruik nog niet, hij zal in zichzelf om ons lachen.
—Ik vind geen enkel godsdienstig gebruik, ook al begrijp ik de bedoeling er niet van, belachelijk,—antwoordde ik.
—Godsdienstig gebruik, juist, dat is het ware woord. Wat gij hier zult zien en hooren, is geen heidensche aanstellerij, maar iedere beweging, ieder geluid, heeft een zekere beteekenis. Dat, wat gij nu hoort zijn de tegen elkaar strijdende stemmen van de goede en slechte geesten!
Op deze wijze verklaarde hij mij ook het verdere verloop der plechtigheid. Op het gebrom en geknor volgde een telkens wederkeerend gehuil, dat afgewisseld werd door zachtere klanken. Het gehuil weerklonk in de oogenblikken, dat de in de toekomst ziende medicijnman, booze voorteekenen waarnam, de zachtere geluiden, wanneer hij goeds voorzag. Toen dit zoo eenigen tijd had geduurd, kwam hij plotseling uit den wagen, rende als een razende, brullend in den kring rond. Langzamerhand begon hij minder vlug te loopen, het brullen hield op, de zoo goed voorgestelde „angst”, welke hem zoo had doen ronddraven, begon te bedaren en nu begon een statige dans, waarbij hij zijn gezicht achter een afschuwelijk masker verborg en zijn lichaam met allerlei zonderlinge voorwerpen behing. Deze dans werd begeleid door een eentonig gezang. Beide, gezang en dans, waren eerst heftig maar werden langzamerhand kalmer, tot eindelijk de medicijnman zich neerzette en met het hoofd tusschen de knieën een langen tijd zwijgend bleef zitten. Toen sprong hij plotseling op en verkondigde met luide woorden:
—Hoort, hoort, gij zonen en dochteren der Apachen, hoort, wat de Groote Manitou mij heeft laten weten. Intschu Tschuna en Winnetou, de opperhoofden der Apachen en Old-Shatterhand, die onze blanke hoofdman is, zullen met Nscho-Tschi, de jonge dochter van onzen stam onder geleide van dertig krijgers, naar de steden der bleekgezichten gaan. De groote Manitou is bereid hen te beschermen. Zij zullen eenige avonturen beleven, zonder daarbij schade te lijden en gezond en wel tot ons terugkeeren. Ook Nscho-Tschi, die langen tijd bij de blanken blijft, zal terugkomen, maar er is een die wij niet terug zullen zien.
Hij hield even op en liet het hoofd op de borst zinken, om uiting te geven aan zijn droefheid over dit feit.
—Oef, oef!—riepen de roodhuiden, nieuwsgierig wie dat kon zijn, zonder evenwel te vragen.
Daar de medicijnman een geruimen tijd in gebogen houding bleef staan, werd mijn kleine Sam ongeduldig en vroeg:
—Wie zal niet terugkeeren? Laat de medicijnman dat toch zeggen.
De aangesprokene maakte een afwerende beweging, wachtte eerst weer eenigen tijd, hief toen het hoofd op, richtte zijn oog op mij en zeide:
—Het ware beter, dat er niet naar hem gevraagd was geworden. Ik wilde hem niet noemen, maar nu heeft Sam Hawkins, het nieuwsgierige bleekgezicht mij gedwongen het te zeggen. Het is Old-Shatterhand, die niet zal terugkeeren. De dood zal hem binnenkort treffen. Zij, aan wie ik een gelukkige terugkomst heb voorspeld, moeten er op rekenen niet te lang bij hem te blijven, willen zij niet zijn lot deelen! Bij hem zijn zij in gevaar, ver van hem zijn zij veilig. Zoo heeft de Groote Geest gezegd!—Howgh!
Na deze woorden keerde hij naar den wagen terug. De roodhuiden zagen mij wantrouwend aan, van dit oogenblik was ik voor hen een persoon, met wien men zich niet te veel moest inlaten.
—Wat mankeert die kerel?—meende Sam.—Gij sterven? Hoe komt hij op die gedachte.
—Vraag liever, welke bedoeling hij heeft, met dit te zeggen. Geen Indiaansche medicijnman zal ooit de vriend worden van een Christen. Deze heeft nog nooit een woord tot mij gericht en ik natuurlijk evenmin tot hem. Hij vreest mijn invloed op de opperhoofden en heeft nu deze gelegenheid te baat genomen om mij tegen te werken.
—Zal ik naar hem toegaan en hem eenige oorvijgen geven, sir?
—Bega geen dwaasheden, Sam. De zaak is immers van geen beteekenis.
Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi hadden bij de waarschuwing van den medicijnman elkaar verlegen aangezien. Of zij aan de voorspelling geloofden of niet, dat deed er niet toe, maar zij kenden de uitwerking daarvan op de menigte. Er zouden dertig man met ons meegaan, als deze nu geloofden dat mijn tegenwoordigheid verderf aanbracht, dan waren allerlei onaangenaamheden niet te vermijden. Dit was alleen te voorkomen, door aan hun ondergeschikten te toonen, dat zij, ondanks de voorspelling van den medicijnman, dezelfde voor mij zouden blijven. Daarom grepen beide mijn handen, en Intschu Tschuna zeide, zoo luid, dat allen het konden hooren:
—Mijn roode broeders en zusters mogen mijn woorden vernemen! Onze medicijnman kan een blik werpen in de geheimen der toekomst en zeer dikwijls is dat, wat voorspeld is, uitgekomen, maar wij hebben ook wel gezien dat hij zich kan vergissen. Hij heeft in den tijd van groote droogte, regen voorspeld die nooit is gekomen. Voor onzen laatsten tocht tegen de Comanchen verkondigde hij, dat wij met grooten buit terug zouden keeren, maar de overwinning, welke wij behaalden heeft ons niets gegeven dan een paar oude paarden en eenige slechte geweren. Toen hij ons in den voorlaatsten herfst zeide, dat wij naar de rivier Tugah moesten gaan, wilden wij veel buffels schieten, hebben wij naar zijn woorden geluisterd, maar wij schoten er zoo weinig, dat wij in den winter bijna van honger moesten omkomen. Ik zou u nog meer zulke voorbeelden kunnen opnoemen, welke bewijzen, dat zijn oogen niet altijd helder in de toekomst zien. Daarom is het ook nu zeer wel mogelijk, dat hij zich wat onzen broeder Old-Shatterhand betreft, vergist. Ik doe dus, alsof ik zijn woorden niet heb gehoord en noodig mijn broeders en zusters uit dit eveneens te doen. Wij willen kalm afwachten, wat ons lot zal zijn.
Nu trad mijn kleine Sam Hawkins uit den kring der omstanders naar voren en riep:
—Neen, wij willen niet afwachten, wij behoeven niet te wachten, want er is een middel om dadelijk te weten, of de medicijnman waarheid heeft gesproken of niet.
—Welk middel bedoelt mijn blanke broeder?—vroeg het opperhoofd.
—Ik zal het u vertellen. Niet alleen de roodhuiden, maar ook de blanken hebben hun medicijnmannen, die de kunst verstaan in de toekomst te lezen en ik, Sams Hawkins, ben de beroemdste van allen.
—Oef, oef!—riepen de Apachen verbaasd.
—Ja, verwonder er u maar over! Gij hebt mij tot nu toe voor een gewonen prairiejager aangezien, omdat gij mij nog niet kende, maar wacht maar, ik ben veel meer dan gij meent! Eenigen van mijn roode broeders moeten hun tomahawks nemen en een gat in de aarde graven.
—Wil mijn blanke broeder in het binnenste der aarde zien?—vroeg Intschu Tschuna.
—Ja, want de toekomst ligt verborgen in den schoot der aarde, soms ook in de sterren, maar daar er op klaarlichten dag geen sterren te zien zijn, moet ik mij wel tot de aarde wenden.
Eenige Indianen voldeden aan zijn verzoek en maakten met hun krijgsbijlen een gat in den grond.
—Geen humbug, Sam,—fluisterde ik hem toe.—Als de roodhuiden bemerken dat gij dwaze dingen gaat doen, maakt gij de zaak veel erger in plaats van haar beter te maken.
—Humbug? Dwaasheden? Wat doet de medicijnman dan anders? Wat hij doet, kan ik toch ook doen als ik mij niet vergis. Als er van onzen kant niets wordt gedaan, krijgen wij de dertig krijgers niet mee, daar kunt ge op aan!
—Dat weet ik wel, maar ik verzoek u toch, niets belachelijks te doen.
—Wees maar niet bezorgd, ’t is een zeer ernstige zaak!
Ik gevoelde mij, ondanks zijn geruststelling, volstrekt niet op mijn gemak. Ik kende hem wel, hij was een spotvogel. Daarom zou ik hem gaarne nog eens hebben gewaarschuwd, maar hij liet mij alleen staan en ging naar de Indianen om hun te zeggen, hoe diep het gat moest zijn.
Toen zij gereed waren, zond hij hen weg en trok zijn ouden lederen jachtrok uit. Nadat hij dezen had dichtgeknoopt en op den grond had neergezet, waar zij stijf bleef staan, plaatste hij het oude ding juist boven het gat en begon met een air van gewicht:
—De krijgers, vrouwen en kinderen der Apachen zullen zien wat ik doe en daarover zeer verbaasd staan. De aarde zal mij, als ik mijn tooverwoorden heb uitgesproken haar schoot openen, op dat ik alles kan zien wat in den eerst volgenden tijd met ons zal gebeuren.
Hierop verwijderde hij zich eenige schreden van het gat en liep met een deftig gebaar om den rok heen, terwijl hij tot mijn groote ontzetting de tafel van vermenigvuldiging prevelde. Gelukkig deed hij dit zoo haastig, dat de roodhuiden hem onmogelijk konden verstaan. Toen hij hiermede gereed was, verhaastte hij zijn schreden en liep eindelijk op een draf om den rok heen, terwijl hij luid huilde en schreeuwde en met zijn armen zwaaide. Buiten adem, stond hij eindelijk stil, liep op den rok toe, maakte sierlijke buigingen en stak nu zijn hoofd in de halsopening om naar beneden in het gat te zien.
Ik was doodsbang, wat het gevolg zou zijn van deze aanstellerij en zag schuw om mij heen. Tot mijn geruststelling zag ik dat alle roodhuiden al zijn bewegingen met de grootste spanning volgden. Ook de gezichten der beide opperhoofden stonden ernstig, hoewel ik overtuigd was, dat Intschu Tschuna zeer wel begreep dat Sam’s kunsten, niets dan aanstellerij waren.
Wel vijf minuten lang bleef Sam’s hoofd in de halsopening van zijn rok, maar hij zwaaide van tijd tot tijd met zijn armen, alsof hij iets zeer bijzonders en gewichtigs zag. Eindelijk richtte hij het hoofd op, zag met een ernstig gezicht om zich heen en gebood:
—Mijn roode broeders kunnen nu het gat wel weer dichtmaken, want zoolang het open is, mag ik niets zeggen!
Toen aan dit verzoek was voldaan, haalde hij diep adem, alsof hij zeer geschokt was en riep:
—Uw roode medicijnman heeft verkeerd gezien, want juist het tegendeel van wat hij heeft voorspeld, zal gebeuren. Ik heb alles vernomen wat in de eerste weken zal geschieden, maar het is mij verboden er iets van te vertellen. Alleen dit mag ik u zeggen: ik heb geweren in het gat gezien en schoten gehoord, wij zullen dus gevechten hebben te doorstaan. Het laatste schot dat ik hoorde kwam uit den berendooder van Old-Shatterhand. Wie het laatste schot lost, kan niet dood of verslagen zijn, maar moet overwinnaar zijn. Er dreigt onzen rooden broeders onheil. Zij kunnen dit enkel ontgaan door in Old-Shatterhand’s nabijheid te blijven. Wanneer zij evenwel den raad van den medicijnman opvolgen, gaan zij hun ondergang tegemoet. Ik heb gezegd. Howgh!
De uitwerking was voor ’t oogenblik zooals Sam die had verwacht. De rooden geloofden hem en zagen vol verwachting naar den wagen, want zij dachten niet anders of de medicijnman zou komen om zich te verdedigen. Deze bleef evenwel waar hij was en dus namen zij aan, dat hij zich overwonnen gevoelde. Sam Hawkins kwam nu op mij toe, zag mij met zijn kleine oogjes aan en vroeg:
—Welnu sir, heb ik het niet knap gedaan?
—Ja, ’t schijnt ten minste wel, dat gij uw doel bereikt hebt.
—Ik heb het bereikt, de medicijnman is verslagen, hij laat zich niet zien of hooren.
Winnetou liet de oogen met een stillen maar veelbeteekenenden blik op ons rusten. Zijn vader evenwel kwam op ons toe en zeide tot Sam:
—Mijn blanke broeder is een knap man, hij heeft de kracht der woorden van den medicijnman gebroken en bezit een rok die veel kan voorspellen. Deze kostbare rok zal beroemd worden. Maar Sam Hawkins is met zijn voorspellingen te ver gegaan.
—Te ver? Hoezoo?—vroeg de kleine man.
—Het was voldoende geweest te zeggen, dat Old-Shatterhand’s tegenwoordigheid ons geen nadeel kon aanbrengen. Waarom heeft hij er bijgevoegd, dat ons onheil staat te wachten?
—Omdat ik dit in het gat gezien heb.
Intschu Tschuna maakte een afwerende beweging en zeide:
—Het opperhoofd der Apachen heeft wel begrepen, wat Sam Hawkins heeft gedaan, het was niet noodig van moeielijke dingen te spreken en onze lieden met angst te vervullen.
—Angst? De dappere krijgers der Apachen zijn toch niet bang?
—Zij zijn niet bang en dat zullen zij bewijzen, wanneer zij op hun weg vijanden mochten ontmoeten. Laat ons nu evenwel onzen tocht beginnen.
De paarden werden voorgebracht. Er was een aanzienlijk getal pakpaarden, op een daarvan werden mijn instrumenten en op de overige de proviand en andere noodzakelijke dingen geladen.
Het is bij de Indianen gebruikelijk, dat de vertrekkende krijgers door de achterblijvenden een eind weegs worden begeleid. Dit geschiedde evenwel nu niet, daar Intschu Tschuna dit niet had gewild. De dertig krijgslieden, die met ons meegingen, namen niet eens afscheid van vrouw en kinderen; hoogstwaarschijnlijk hadden zij dit van te voren gedaan, maar hun waardigheid gedoogde niet, dat dit geschiedde ten aanschouwe van het geheele publiek. Een echter was er, die een uitzondering maakte en zich niet stil kon houden, namelijk Sam Hawkins. Hij zag Kliuna onder de vrouwen staan, reed, toen hij reeds op zijn muildier was gestegen op haar toe en vroeg:
—Heeft Kliuna-ai gehoord, wat ik heb gezien in den schoot der aarde?
—Gij hebt het gezegd en ik heb het gehoord,—was het antwoord.
—Ik had nog veel meer kunnen zeggen, bijvoorbeeld iets van u.
—Van mij? Weet gij ook iets van mij?
—Ja. Ik zag uw geheele toekomst duidelijk voor mij liggen. Zal ik u vertellen, wat ik zag?
—Ja, doe dat!—verzocht zij haastig.—Wat zal mij de toekomst brengen?
—Zij zal u niets brengen, maar u van iets berooven, dat u zeer lief en dierbaar is.
—Wat is dat dan?—vroeg zij bijna angstig.
—Uw haar. Gij zult het binnen eenige maanden verliezen en een vreeselijk kaalkop krijgen. Dan zal ik u mijn pruik zenden. Vaarwel mijn lief!
Hij reed lachend op zijn muildier verder en de Indiaansche schoone keerde zich om beschaamd, dat zij zich door haar nieuwsgierigheid zoo had laten beetnemen.
De tocht werd nu begonnen. Intschu Tschuna, Winnetou met zijn zuster en ik reden aan de spits, dan volgden Hawkins, Parker en Stone en achter hen kwamen de dertig Apachen, die om beurten de pakpaarden hadden te besturen.
Nscho-Tschi zat te paard als een man. Zij was, zooals ik reeds wist, een uitstekende paardrijdster die geen vermoeienis kende. Even bedreven ook was zij in het hanteeren der wapenen. Wie ons had ontmoet, zonder ons te kennen, zou haar hebben aangezien voor een jongeren broeder van Winnetou, aan een scherpziend oog evenwel zouden de vrouwelijke zachtheid harer trekken niet zijn ontgaan. Zij was schoon, werkelijk schoon, ondanks haar mannenkleeding.
De eerste dagen van onze reis gingen voorbij, zonder dat er iets meldenswaards gebeurde. Zooals bekend is hadden de Apachen vijf dagen noodig gehad om van de plaats, waar zij ons hadden overvallen, naar het Pueblo aan den Rio Pecos te komen. Het transport der gevangenen en der gewonden had echter dezen rit vertraagd. Wij bereikten reeds na drie dagen de plaats, waar Kleki-Petra door Rattler vermoord was. Daar werd halt gehouden en werden de tenten opgeslagen. De Apachen verzamelden steenen om daarmede een eenvoudig gedenkteeken op te richten. Winnetou was dien dag nog ernstiger gestemd dan gewoonlijk en op deze plek vertelde ik hem en zijn vader, wat Kleki-Petra mij over diens vroeger leven had medegedeeld. Den volgenden morgen trokken wij verder tot aan de streek, waar onze arbeid door den overval zoo plotseling was onderbroken. De palen zaten nog in den grond en ik had dadelijk met meten kunnen beginnen, indien er niet iets noodzakelijkers te doen was geweest.
De Apachen hadden namelijk destijds na den strijd verzuimd, de gevallen blanken en Kiowa’s te begraven, maar ze laten liggen. Wat zij hadden verzuimd, hadden de gieren en andere roofdieren overgenomen, maar op een andere wijze. De beenderen lagen overal verspreid, sommige geheel afgeknaagd en het was voor ons een treurige taak, deze overblijfselen te verzamelen en in een gemeenschappelijk graf te leggen. De Apachen namen geen deel aan dit werk.
Zoo ging de dag voorbij en eerst den volgenden dag kon ik met mijn opmetingen beginnen. Behalve aan de krijgers die de noodige hulp daartoe verleenden, had ik bijzonder veel steun aan Winnetou. De roodhuiden, die ik niet kon gebruiken, zwierven in den omtrek rond en brachten ’s avonds menig stukje wild voor het avondeten thuis.
’t Spreekt van zelf, dat mijn werk vorderde. Niettegenstaande de moeilijkheden van het terrein, bereikte ik reeds na drie dagen de volgende sectie en nu had ik nog slechts een vierden dag noodig om mijn teekeningen te voltooien. Dan was ik klaar en dat was ook maar goed, want de winter naderde en de nachten werden reeds zoo koud, dat wij het vuur niet lieten uitgaan.
Als ik zeg, dat de roodhuiden mij behulpzaam waren, dan moet ik er bijvoegen dat zij dit niet met lust en opgewektheid deden. Zij gehoorzaamden aan de bevelen van hun opperhoofden, maar men zag het hun aan, dat zij blij waren, wanneer zij hun werk hadden gedaan. En wanneer wij ’s avonds te zamen zaten, bleven zij altijd op behoorlijken afstand van ons. De beide opperhoofden bemerkten dat wel, maar zij zwegen wijselijk daarover.
Sam evenwel kon zich niet altijd stilhouden en zeide eens op een avond tot mij:
—’t Is en blijft toch maar altijd waar, de roodhuid mag een flink jager en dapper krijgsman zijn, maar voor ’t overige is ’t een luiaard. Hij houdt niet van werken.
—Wat zij te doen hebben, is geen inspannend werk. Er bestaat een andere reden, waarom zij het niet met lust doen.
—Zoo, en wat is dat dan?
—Zij schijnen aan de voorspelling van den medicijnman meer waarde te hechten, dan aan de uwe, Sam!
—Maar dat is toch dom van hen!
—En vergeet bovendien niet, dat het werk wat ik doe, in hun oogen een groot onrecht is. De streek behoort hun en ik meet haar op voor hun vijanden!
—Maar hun opperhoofden keuren dit immers goed?
—Zeker, maar daarom behoeven zij het nog niet goed te keuren. Ik weet zeker dat zij er erg tegen zijn en als ik ze daar zoo bij elkaar zie zitten, kan ik uit hun geheele houding wel opmaken, dat zij mij niet veel goeds toewenschen.
—Het kan zijn, dat gij gelijk hebt, maar het is ons tamelijk onverschillig, wat zij van ons denken. Wij hebben met Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi te doen en over deze drie hebben wij niet te klagen.
Hierin had hij gelijk. Winnetou en zijn vader waren mij in alles behulpzaam en de schoone Indiaansche las mijn wenschen om zoo te zeggen, uit mijn oogen. ’t Was of zij mijn gedachten kon raden en zonder dat ik iets behoefde te zeggen, deed zij wat ik gaarne wilde. Ik gevoelde mij elken dag meer aan haar verplicht. Zij was een scherpe opmerkster en een geduldige toehoorderes en ik bemerkte tot mijn blijdschap, dat ik willens of onwillens een leermeester was, van wien zij gaarne leerde. Als ik sprak hingen haar oogen aan mijn lippen en wat ik deed, deed zij mij na, ook al was het iets, dat in strijd was met de gewoonten van haar ras. Zij scheen alleen voor mij hier te zijn en was veel meer bezorgd voor mijn welzijn, dan ik zelf.
Aan den avond van den vierden dag dus, was ik gereed en pakte de meetinstrumenten in de daarvoor bestemde dekens. Wij maakten ons reisvaardig en braken den morgen van den vijfden dag op. De beide opperhoofden waren van plan denzelfden weg te gaan, langs welken ik door Sam in deze streek was gebracht.
Twee dagen gingen voorbij, zonder dat er iets bijzonders gebeurde, den derden dag evenwel hadden wij een eigenaardige ontmoeting. Wij bevonden ons in een vlakke grasrijke en hier en daar door kreupelboschjes afgewisselde streek, waar wij aan alle kanten om ons heen konden zien, wat in ’t Westen altijd van veel belang is. Men weet nooit, welke menschen men kan ontmoeten en het is altijd beter dat men ze van verre ziet aankomen. Dien dag nu, zagen wij vier ruiters, die ons tegemoet kwamen, het waren blanken. Zij zagen ons natuurlijk evengoed, als wij hen en zij hielden hun paarden even in, onzeker of zij nader zouden komen of liever omkeeren. Onverwacht voor dertig roodhuiden te staan is niet aangenaam voor blanken, vooral wanneer men niet weet, tot welken stam de Indianen behooren. Zij zagen evenwel, dat er blanken bij onzen troep waren en stuurden hun paarden dus naar ons toe.
De vier mannen waren als cow-boys gekleed en met geweren en messen gewapend.
Toen zij ons tot op ongeveer twintig pas genaderd waren, hielden zij de paarden in, namen hun geweren in de hand en een van hen riep:
—Good day, heeren! Is het noodig, den vinger aan den trekker te hebben of niet?
—Good day, heeren!—antwoordde Sam.—Laat die geweren maar rusten, wij hebben geen plan u op te eten. Mag men weten, van waar gij komt?
—Van den ouden Mississippi.
—En wat is het doel van uw tocht?
—Wij willen naar Nieuw-Mexico en van daar naar Californië. Wij hebben gehoord, dat de cow-boys daar meer geld kunnen verdienen dan bij ons.
—Daaraan zult gij wel gelijk hebben, sir, maar dan hebt ge nog een geducht eind te reizen. Wij komen daar vandaan en zijn van plan naar St. Louis te gaan. Is de weg daarheen veilig?
—Ja, ten minste wij hebben van het tegendeel niets bemerkt. Maar gij behoeft toch niet ongerust te zijn, gij zijt talrijk genoeg. Of rijden de roode heeren misschien niet zoover mee?
—Neen, alleen deze beide krijgers met hun dochter en zuster. Intschu Tschuna en Winnetou, de beide opperhoofden der Apachen.
—Wat zegt gij, sir? Een roode dame, die naar St. Louis wil? Mag men uw namen misschien weten?
—Waarom niet? ’t Zijn eerlijke namen, wij behoeven er ons niet voor te schamen. Ik word Sam Hawkins genoemd, dit zijn mijn kameraden Dick Stone en Willy Parker en hier hebt ge Old-Shatterhand, een man die den grijzen beer met het mes doorsteekt en den sterksten man met de vuist neerslaat. Wilt gij nu zoo vriendelijk zijn ons ook uw namen te noemen?
—Gaarne, wij hebben den naam Sam Hawkins wel eerder gehoord, de andere heeren zijn ons onbekend. Ik heet Santer en ben niet zulk een beroemd man als gij, maar een arme cow-boy.
Hij noemde ook de namen van de andere drie mannen, welke ik evenwel niet heb onthouden; deed nog enkele vragen en daarna ging ieder zijns weegs. Toen zij uit het gezicht waren, vroeg Winnetou aan Sam:
—Waarom heeft mijn broeder aan deze lieden dit alles verteld?
—Mocht ik dit dan niet doen?
—Neen.
—Ik zou niet weten waarom niet. Wij werden beleefd gevraagd, en ik moest dus wel beleefd antwoorden.
—Ik vertrouw de beleefdheid der bleekgezichten nooit. Zij waren beleefd, omdat wij achtmaal sterker in aantal waren dan zij. Het spijt mij, dat gij hun hebt gezegd, wie wij zijn.
—Waarom? Meent gij dat dit kwaad kan?
—Ja!
—Hoe komt gij op die gedachte?
—Deze bleekgezichten bevielen mij volstrekt niet. De oogen van den man, met wien gij sprak, waren niet te vertrouwen.
—Dat heb ik niet opgemerkt. Maar, al was dat zoo, ’t zal ons niet hinderen, want zij zijn weggereden.
—Toch wil ik weten wat zij doen. Mijn broeders kunnen langzaam verder rijden, ik zal met Old-Shatterhand terugkeeren en deze bleekgezichten op een afstand volgen. Ik moet weten of zij werkelijk verder rijden of dit slechts in schijn doen.
Terwijl de anderen hun weg vervolgden, reed hij met mij de vier vreemdelingen achterna. Ik moet eerlijk zeggen, dat deze Santer mij ook volstrekt niet was bevallen en dat ook het uiterlijk der andere drie mannen weinig vertrouwen inboezemen kon; ik begreep echter niet, welke plannen zij tegenover ons zouden kunnen hebben. Zelfs al behoorden zij tot die lieden, die het eigendom van andere menschen als het hunne beschouwen, dan nog, vroeg ik mij tevergeefs af, wat zij er aan zouden hebben, ons lastig te vallen. Bovendien wij waren zeven en dertig goedgewapende mannen en behoefden dus niet bang voor hen te zijn. Toen ik dit aan Winnetou zeide, antwoordde hij evenwel:
—Als zij dieven zijn, storen zij zich niet aan ons aantal, omdat zij ons toch niet openlijk aanvallen, maar zij volgen ons stilletjes en wachten het oogenblik af, dat hij, op wien zij het hebben voorzien zich van het gezelschap afzondert.
—Maar op wien zouden zij het dan hebben voorzien? Zij kennen ons immers in ’t geheel niet.
—Op dengeen, die naar hun vermoeden, goud bij zich heeft.
—Goud? Hoe kunnen zij weten dat wij dat hebben en wie van ons dit bij zich heeft.
—O, zij behoeven slechts even na te denken, om dit te weten. Sam Hawkins is zoo onvoorzichtig geweest te zeggen, dat wij opperhoofden zijn en naar St. Louis willen gaan. Meer behoeven zij niet te weten.
—Nu begrijp ik, wat mijn broeder bedoelt. Wanneer Indianen naar het Oosten gaan, hebben zij geld noodig en daar zij geen gestempelde munten hebben, nemen zij goud mee en als opperhoofden nemen zij waarschijnlijk veel goud mee.
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft het geraden. Indien de bleekgezichten van plan zijn diefstal en roof te plegen, dan zijn wij, de beide opperhoofden, de personen op wie zij het gemunt zullen hebben. Zij zouden nu evenwel niets bij ons vinden.
—Niet? Gij wildet toch immers goud meenemen?
—Ja, maar dit halen wij eerst morgen. Waarom het mee te dragen als wij het toch niet hard noodig hebben? Tot nu toe hadden wij niets te betalen, dit begint zoodra wij aan de forten komen, welke op onzen weg liggen. Daarom zullen wij waarschijnlijk morgen goud halen.
—Is er dan een plaats, waar goud is te vinden, dicht bij ons?
—Ja, vanavond komen wij in de nabijheid van den berg Nuggets-Hill, daar ligt het goud in hoopen.
Ik beken eerlijk, dat ik een gevoel van bewondering, vermengd met een weinig afgunst, niet kon onderdrukken. Deze menschen wisten dat kostbare metaal in menigte te vinden en maakten er geen gebruik van om zich het leven aangenamer en gemakkelijker te maken. Zij namen geen beurzen mee, maar hadden overal verborgen schatkamers liggen, waar zij het goud voor het grijpen hadden.
Wij moesten voorzichtig zijn, want Santer mocht niet bemerken dat wij hem volgden, wij zochten dus telkens dekking achter heuvels en struiken.
Na een kwartieruurs zagen wij de vier mannen voor ons. Zij reden flink door, schenen haast te hebben en aan omkeeren niet te hebben gedacht. Wij hielden even stil. Winnetou zag hen nog eens opmerkzaam na en zeide toen:
—Zij hebben geen slechte bedoelingen en wij kunnen dus gerust zijn.
Hij vermoedde even weinig als ik, dat hij zich deerlijk vergiste. Deze kerels hadden wel slechte bedoelingen, maar zij waren buitengewoon slim, zooals ik later van hen zelf hoorde. Zij vermoedden wel dat wij hen een tijdlang in het oog zouden houden en deden dus, alsof zij haast hadden. Later echter keerden zij om en volgden ons.
Wij haalden onze kameraden spoedig in en tegen den avond maakten wij halt, dicht bij een water. Gewend, voorzichtig te zijn, zochten de opperhoofden eerst den omtrek af, voor wij bevel kregen de tenten op te slaan. Het water was een soort van bron, in de nabijheid was gras voor de paarden in overvloed en daar de plek rond om door boomen was ingesloten, konden wij flinke vuren aanleggen, zonder kans te loopen opgemerkt te worden. Bovendien zette Intschu Tschuna twee wachten uit en dus meenden wij alle voorzorgsmaatregelen genomen te hebben.
De dertig Apachen gingen op eenigen afstand van ons liggen, om als de vuren brandden, hun portie vleesch te eten. Wij zaten met ons zevenen aan den rand van het bosch, om het vuur heen geschaard.
Na het avondeten waren wij gewend nog wat samen te praten, dit geschiedde ook heden. In den loop van het gesprek vertelde Intschu Tschuna, dat wij morgen tegen den middag verder zouden reizen en toen Sam Hawkins naar de reden daarvan vroeg verklaarde het opperhoofd met een oprechtheid, welke ik later diep heb betreurd:
—Het moest eigenlijk een geheim zijn, maar ik zal het mijnen blanken broeders vertellen, als zij mij beloven mij niet te volgen.
Toen wij dit hadden beloofd, ging hij voort:
—Wij hebben goud noodig, daarom zal ik morgen vroeg met mijn kinderen van hier gaan om Nuggets te halen en eerst tegen den middag terugkeeren.
Stone en Parker lieten niet na aan hun verwondering lucht te geven en Sam Hawkins vroeg:
—Is er dan goud hier in de nabijheid?
—Ja,—antwoordde Intschu Tschuna,—niemand vermoedt dit, ook mijn krijgslieden weten dit niet. Ik heb het gehoord van mijn vader, die het weer van den zijnen hoorde. Zulke geheimen gaan van vader op zoon over en men maakt er zelfs zijn besten vriend geen deelgenoot van. Ik heb er nu wel met u over gesproken, maar ik zou de plaats aan geen mensch toonen en ieder neerschieten, die het zou wagen om ons te volgen, om de plaats te weten te komen.
—Zoudt gij ons ook dooden?
—Ook u! Ik heb u in het vertrouwen genomen, schendt gij dit dan hebt gij den dood verdiend. Ik weet evenwel dat gij deze legerplaats niet zult verlaten, voor wij zijn teruggekeerd.
Hij zweeg verder over dit onderwerp en het gesprek nam een andere wending. Intschu Tschuna, Winnetou, Nscho-Tschi en ik zaten met den rug naar de boomen; Sam, Dick en Will hadden aan de andere zijde van het vuur plaats genomen. Midden in het gesprek uitte Sam een kreet van verrassing en meteen greep hij zijn geweer, legde aan en schoot. Dit schot bracht natuurlijk een algemeenen schrik teweeg. De Indianen sprongen op en kwamen naar ons toe. Ook wij stonden op en vroegen Sam, waarom hij had geschoten.
—Ik heb twee oogen gezien, die achter Intschu Tschuna door de boomen gluurden,—verklaarde hij.
Dadelijk doofden de roodhuiden de vuren uit en drongen in het bosch. Hun zoeken was evenwel tevergeefs en gerustgesteld nam ieder zijn plaats weer in.
—Sam Hawkins zal zich vergist hebben,—zeide Intschu Tschuna.—Bij zulk een flikkerend vuur kan dit licht gebeuren.
—Ik meende toch stellig twee oogen te hebben gezien.
—De wind heeft zeker door de bladeren gespeeld en daar de achterkant lichter is, zal mijn broeder twee bladen voor oogen hebben aangezien.
—’t Is mogelijk, dan heb ik dus twee bladeren doodgeschoten.… hihihihi!—Hij lachte op zijn eigenaardige wijze, maar Winnetou nam de zaak zeer ernstig op en zeide:
—Mijn broeder Sam heeft in elk geval een fout begaan, waarvoor hij zich later wel moet wachten.
—Een fout? Ik? Waarom?
—Er mocht niet geschoten worden.
—Niet? Als er een spion tusschen de boomen is, heb ik toch zeker wel het recht, hem een kogel door den kop te jagen?
—Weet men dan vooruit, welke plannen die spion heeft? Hij ziet ons en komt nader, om te zien wie wij zijn. Misschien is ’t een vriend, die ons wil begroeten.
—Hm, dat zou mogelijk kunnen zijn,—bekende de kleine eerlijk.
—Het schot kan gevaarlijk voor ons worden,—ging Winnetou voort.—Of Sam heeft zich vergist en geen oogen gezien en dan was het schot overbodig en kan slechts vijanden hierheen lokken, òf het zijn werkelijk een paar oogen geweest en dan was het eveneens verkeerd te schieten, daar vooruit wel te zien was, dat de kogel geen doel zou treffen.
—Oho, Sam Hawkins is zeker van zijn schot, hij heeft nog nooit misgeschoten.
—Ik kan ook goed schieten, maar zou evenmin treffen. De spion ziet immers, dat men op hem mikt en kan zich bijtijds uit de voeten maken, dat begrijpt ge toch wel?
—Ja, ja, maar wat zou mijn roode broeder dan in mijn plaats hebben gedaan?
—Ik zou òf een knieschot hebben gedaan, òf mij heimelijk hebben verwijderd om den spion langs een omweg, vóór mij te krijgen.
Het knieschot is het moeilijkste schot dat er bestaat. Vele, vele prairiejagers, die anders goede schutters zijn, zijn niet in staat zulk een schot te doen. Ik had het zelfs nooit hooren noemen, maar Winnetou had het mij geleerd en ik oefende mij er nu dagelijks in. Verondersteld dat ik alleen of met anderen, dat maakt geen verschil, bij ’t legervuur zit met mijn geweer, volgens gewoonte geladen, aan mijn rechterzijde.
Daar zie ik twee oogen die mij van uit een hinderlaag gadeslaan. Ik kan het gezicht van den spion niet zien door de duisternis, maar de oogen hebben een phosphoriseerenden glans, die des te sterker is naarmate de man zijn oogen inspant. Men stelle zich echter niet voor, dat het gemakkelijk is ’s nachts tusschen millioenen van bladeren, twee oogen te vinden. Dat leert men niet, maar deze scherpte, deze zekerheid van blik moet aangeboren zijn.
Ben ik overtuigd, een vijandelijken spion voor mij te zien, dan moet ik, om mijzelf te redden, hem onschadelijk maken, hem dooden en wel door een kogel, die hem tusschen de oogen treft, want op de oogen moet ik mikken, daar dit het eenige is, wat ik van hem zie. Indien ik evenwel het geweer gewoon aanleg, dat wil zeggen het op de hoogte van mijn wang breng, dan ziet hij dat ik mik en hij verdwijnt oogenblikkelijk. Ik moet dus zoo aanleggen, dat hij er niets van bemerkt. Dit nu gebeurt bij het knieschot. Ik buig namelijk het rechterbeen zóó, dat de knie wat hooger komt en mijn bovenbeen één lijn vormt, in welks verlengde beide oogen liggen, die ik wil raken. Dan neem ik schijnbaar in gedachten, als spelend, mijn geweer op en leg het op mijn bovenbeen, zoodat het juist in ’t verlengde daarvan komt te liggen en haal den haan over. Dit is moeielijk, zeer moeielijk, vooral omdat men daarbij alleen de rechterhand mag gebruiken. Met deze eene hand het geweer stellen, het tegen het dijbeen aandrukken en dan afvuren, dit is een kunst, die slechts weinigen kunnen. Vergeet bovendien niet, hoe moeielijk het is in deze houding en zonder het oog aan ’t vizier te brengen, een zeker doel te treffen. En dit doel bestaat daarbij nog uit twee, nauwelijks zichtbare punten in een bladerenmassa, welke dikwijls door den wind wordt bewogen. Op zulk een schot doelde Winnetou, toen hij van een knieschot sprak, hij was er een meester in. Mij gelukte dit schot zelden, omdat mijn berendooder zoo zwaar woog en met één hand niet te hanteeren was. Door voortdurend oefenen evenwel heb ik het later toch kunnen leeren. (Zie: May, Het Geheim van den Witten Bison).
Terwijl de anderen door het vergeefsche zoeken gerustgesteld waren, was dit met Winnetou niet het geval, want hij stond na eenigen tijd weer op en begon opnieuw den naasten omtrek te onderzoeken. Het duurde wel een uur, voor hij terugkwam.
—Er is geen mensch,—zeide hij. Sam Hawkins moet zich dus wel hebben vergist.
Ondanks deze woorden, zette hij in plaats van twee, vier wachten uit en beval hun zeer opmerkzaam rond te zien en van tijd tot tijd om de legerplaats heen te patrouilleeren. Daarna legden wij ons te slapen.
Ik sliep echter niet gerust, ik werd dikwijls wakker en had korte, benauwde droomen, waarin Santer en zijn metgezellen de hoofdrollen speelden. Dit was een natuurlijk gevolg van de ontmoeting, welke wij met hem gehad hadden, maar toen ik ’s morgens opstond, had ik een voorgevoel alsof ons iets onaangenaams wachtte.
Na het ontbijt, dat uit vleesch en een mengsel van meel en water bestond, begaf Intschu Tschuna zich met zijn kinderen op weg. Ik vroeg verlof hen een eind weegs te mogen vergezellen. Opdat zij overtuigd konden zijn, dat ik dit niet deed om den weg naar de plaats waar het goud zich bevond te leeren kennen, vertelde ik hun ook, dat ik de gedachte aan Santer maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Ik wist zelf niet waarom, maar ik was overtuigd, zonder daartoe eenigen grond te hebben, dat deze schurk met zijn lieden was teruggekeerd. Dit kon evenwel het gevolg zijn van mijn droomen.
—Mijn broeder behoeft zich over ons niet ongerust te maken—antwoordde Winnetou.—Om hem gerust te stellen, zal ik nog eens zien of ik ook sporen kan vinden, wij weten dat mijn jonge broeder niet naar geld verlangt, maar als hij ook slechts maar een klein eindje met ons meeging, zou hij de plaats raden waar het goud ligt en dan zou hij zeker de koorts krijgen, welke de bleekgezichten niet verlaat, voor zij naar lichaam en geest te gronde zijn gegaan. Wij verzoeken hem dus niet uit wantrouwen, maar enkel uit liefde en voorzichtigheid niet met ons te gaan.
Daarmee moest ik tevreden zijn. Hij zag nog eens nauwkeurig rond, maar toen hij ook nu weer niets vond, gingen zij heen. Uit het feit, dat zij liepen en niet reden, maakte ik op dat de plaats waar zij heen wilden, niet heel ver af lag.
Ik ging in het gras liggen, stak mijn pijp aan en maakte een praatje met Sam, Dick en Will, alles maar, om mijn bezorgdheid van mij af te zetten. Maar ik had geen rust, ik stond spoedig weer op: er was iets in mij, dat mij steeds voortdreef. Daarom nam ik eindelijk mijn geweer, misschien zou ik het een of ander stuk wild ontdekken, dat mijn gedachten kon afleiden. Intschu Tschuna was den zuidkant opgegaan, daarom ging ik noordwaarts, opdat het niet den schijn zou hebben, dat ik op verboden wegen wilde gaan. Toen ik zoo ongeveer een kwartier had geloopen, zag ik een spoor, dat door drie personen moest zijn gemaakt, welke mocassins droegen. Ik onderscheidde twee groote, twee kleinere en twee zeer kleine voetsporen, welke nog maar kort geleden konden zijn gemaakt. Zij moesten die van Intschu Tschuna, Winnetou en Nscho-Tschi zijn. Zij waren dus eerst zuidelijk gegaan, natuurlijk om ons te misleiden, maar waren daarna omgekeerd.
Mocht ik verder gaan? Neen. Het was immers mogelijk, dat zij mij zagen, hoogst waarschijnlijk zouden zij op hun terugweg, mijn spoor herkennen en ik wilde volstrekt niet, dat zij zouden denken, dat ik hen had willen volgen. Ik wilde echter ook niet dadelijk weer naar de legerplaats terugkeeren en daarom liep ik in oostelijke richting verder.
Reeds na korten tijd, moest ik weer stilhouden, want ik stuitte opnieuw op een spoor. Dit was gemaakt door vier mannen, die laarzen droegen en dadelijk dacht ik aan Santer. Het spoor leidde in de richting waarin de beide hoofdmannen waren gegaan en scheen te komen uit een niet ver gelegen kreupelboschje. Ik richtte mijn schreden daarheen.
Het was, zooals ik had vermoed; het spoor kwam uit dit boschje en toen ik verder daarin doordrong, vond ik de vier paarden die aan Santer en zijn kameraden toebehoorden. Het was duidelijk aan den grond te zien, dat de vier kerels hier den nacht hadden doorgebracht. Zij waren dus toch omgekeerd! Waarom—Natuurlijk om ons! Sam Hawkins had zich dus gisteravond niet vergist en werkelijk twee oogen gezien, maar door zijn verkeerd optreden, den spion verjaagd, nog voor dat het schot was afgegaan. Wij waren dus beluisterd geworden. Santer was in onze buurt en wachtte slechts het oogenblik af, dat degeen, dien hij wilde vangen zich van de anderen afzonderde. Maar deze plaats was immers ver van onze legerplaats verwijderd? Hoe kon hij ons van hier uit gadeslaan?
Ik bezag nauwkeurig de boomen. Midden in het kreupelboschje, stonden eenige hooge eiken, welke gemakkelijk te beklimmen waren. De stam van den eene, was hier en daar beschadigd. Men was dus in den boom geklommen en van deze hoogte kon men zeker, al was het niet de legerplaats zelf, dan toch een ieder die deze verliet zeer goed zien. Welke gedachten bestormden mij toen ik dat zag! Waarover hadden wij gisteravond gesproken, op het oogenblik dat Sam de oogen meende te zien? Hierover, dat Intschu Tschuna met zijn kinderen den volgenden dag wilde heengaan, om goud te halen. Dat moest de luisteraar hebben gehoord! Vanmorgen in de vroegte was hij stellig in den boom geklauterd en had de drie personen voorbij zien komen. Toen was hij hen met zijn drie makkers gevolgd.
Winnetou was dus in gevaar; hij en zijn vader en Nscho-Tschi! Ik moest weg, zoo snel mogelijk en de roovers zien in te halen. Ik gunde mij niet den tijd naar de legerplaats terug te keeren, maar maakte een der paarden los, geleidde het naar het open veld, sprong er op en galoppeerde op hun eigen spoor, dat zich spoedig vereenigde met dat der opperhoofden, de schelmen na.
Daarbij zocht ik te raden, waar, ingeval ik het spoor mocht verliezen, de plaats waar het goud lag, gezocht moest worden. Winnetou had gesproken over een berg die Nuggets-Hill werd genoemd. Nuggets zijn goudklompjes, welke men in verschillende grootten vindt. Hill beteekent heuvel of berg, Nuggets-Hill wil dus zeggen Klompjesberg. De plaats lag dus hoog. Ik overzag de streek, door welke ik reed. Noordwaarts van mij lagen eenige aanzienlijke met bosch begroeide hoogten. Een van deze moest de Nuggetsberg zijn, dat stond bij mij op dit oogenblik vast.
De oude knol, waarop ik zat liep mij lang niet vlug genoeg. Ik trok dus in het voorbijrijden een tak van een boom en dreef hem daarmee aan. Hij deed wat hij kon en spoedig zag ik dan ook de bergen voor mij. Het spoor voerde tusschen twee hoogten door, maar ik kon het weldra niet meer terugvinden, daar het water van de bergen veel steengruis had meegevoerd. Ik steeg evenwel niet af, want het sprak vanzelf dat zij, die ik zocht hier verder het dal waren ingegaan.
Weldra zag ik een zijkloof, welke eveneens een steenachtigen bodem had. Nu was het de vraag of de opperhoofden links of rechts waren gegaan. Ik sprong uit den zadel, onderzocht den bodem en vond het spoor; het voerde naar links in den kloof. Ik steeg weer te paard en volgde het, maar weldra deelde zich deze kloof en moest ik opnieuw afstijgen. Het was te voorzien, dat dit nog wel meer zou kunnen gebeuren en dan zou het paard mij maar in mijn bewegingen belemmeren. Ik bond het dier dus aan een boom vast en ging te voet verder, nauwkeurig oplettend waarheen het spoor voerde.
Ik kwam nu in een nauwe rotsachtige spleet, waarin zich op dit oogenblik geen water bevond. De angst dreef mij voort en benam mij langzamerhand den adem. Op een hoogte gekomen moest ik een oogenblik blijven staan om te bekomen, toen liep ik verder tot het spoor mij plotseling linksaf naar het bosch leidde. Ik liep zoo hard ik kon tusschen de boomen door. Zij stonden eerst dicht bij elkaar, later op eenigen afstand tot het eensklaps lichter om mij heen werd en ik begreep een open plek voor mij te hebben. Nog had ik dezen niet bereikt of ik hoorde verscheidene schoten vallen. Eenige oogenblikken daarna weerklonk een kreet welke mij als een mes door de ziel sneed, het was de doodskreet der Apachen. Nu liep ik niet, maar ik vloog voort in groote sprongen als een roofdier dat zich op zijn prooi wil werpen. Wederom een schot en nog één, dit was het dubbelloopsgeweer van Winnetou, ik kende den knal. God zij dank! Hij leefde nog! Ik had nog maar enkele schreden te doen, weldra had ik de open plek bereikt en bleef onder den laatsten boom staan, want wat ik zag, deed mijn voeten aan den grond vastnagelen.
De plek was niet groot. Bijna in het midden daarvan lagen Intschu Tschuna en zijn dochter. Of zij nog leefden kon ik zoo dadelijk niet zien. Niet ver van hen af, lag Winnetou achter een klein rotsblok, bezig zijn geweer opnieuw te laden. Links van mij stonden twee kerels met aangelegd geweer gereed te schieten, zoodra Winnetou zich maar eenigszins bloot gaf. Rechts van mij sloop een derde voorzichtig tusschen de boomen door om Winnetou in den rug te kunnen aanvallen. De vierde lag juist voor mij dood door het hoofd geschoten.
De twee waren voor ’t oogenblik gevaarlijker voor Winnetou, dan de derde. Ik nam mijn berendooder en schoot hen beiden neer, toen sprong ik zonder mij tijd te gunnen, mijn geweer opnieuw te laden op den derde toe. Hij had mijn schoten gehoord en zich omgekeerd, zag mij komen, legde op mij aan en schoot. Ik sprong ter zijde; de kogel vloog mij voorbij. Hij zag dat zijn spel verloren was en vluchtte. Ik snelde hem na, want ik had gezien dat het Santer was. Evenwel de afstand tusschen hem en mij was te groot en in het bosch kon ik hem moeielijk vinden. Ik keerde dus terug, vooral ook, omdat ik begreep dat Winnetou mijn hulp noodig zou hebben.
Toen ik wederom op de open plek terugkwam, knielde hij naast zijn vader en zuster, angstig onderzoekend of er nog leven in hen was. Hij zag mij aankomen en stond even op. Nooit zal ik de uitdrukking zijner oogen vergeten. Ik las daarin een bijna aan waanzin grenzende woede en smart.
—Mijn broeder ziet wat er gebeurd is. Nscho-Tschi, de schoonste en beste der Apachenvrouwen zal niet naar de steden der bleekgezichten gaan; zij leeft nog wel, maar zij zal de oogen niet weer openen.
Ik was niet in staat een woord te spreken. Wat zou ik ook zeggen! Ik had immers gezien wat er gebeurd was. Vader en dochter lagen naast elkaar, Intschu Tschuna midden door het hoofd geschoten, Nscho-Tschi in de borst getroffen. De eerste was dadelijk dood geweest, het meisje evenwel ademde nog, zwaar rochelend, terwijl de bronskleur van haar gelaat steeds matter en matter werd. De volle wangen vielen in en een doodelijke bleekheid verspreidde zich over de mij zoo dierbare trekken. Nu bewoog zij zich even. Langzaam wendde zij het hoofd naar den kant, waar haar vader lag en opende de oogen. Zij zag Intschu Tschuna badende in zijn bloed, schrok en scheen langzaam tot bewustzijn te komen. Zij legde de hand op haar hart, voelde het warme bloed uit de wonde vloeien en slaakte een diepen zucht.
—Nscho-Tschi, mijn lieve, mijn eenige zuster!—klaagde Winnetou op een toon, welke niet is weer te geven.
Zij scheen hem te hooren, want zij sloeg even de oogen naar hem op.
—Winnetou.… mijn.… broeder! fluisterde zij.—Wreek.… wreek.… mij!
Toen gleed haar blik van hem op mij en een gelukkige, maar spoedig wegstervende glimlach speelde om haar lippen.
—Old-Shatterhand!.… stamelde zij.—Gij.… zijt.… hier! Nu.… sterf ik.… zoo.…
Meer hoorden wij niet want de dood sloot haar voor altijd den mond. Het was of mijn hart zou bersten; ik moest lucht hebben, sprong op en stiet een luiden kreet van smart uit, welke door de bergen werd weerkaatst.
Winnetou stond ook op, langzaam alsof hij door loodzware gewichten werd neergedrukt. Hij sloeg beide armen om mij heen en zeide:
—Nu zijn zij dood! Het grootste, het edelste opperhoofd der Apachen en Nscho-Tschi, mijn zuster, die aan u haar hart had gegeven. Zij stierf met uw naam op de lippen. Vergeet dat niet, vergeet dat nooit, mijn beste broeder!
—Nooit, nooit zal ik het vergeten!—riep ik. Toen kreeg zijn gezicht een andere uitdrukking en zijn stem klonk vol en plechtig, toen hij vroeg:
—Hebt gij gehoord wat haar laatste bede aan mij was?
—Ja.
—Wraak! ik moet haar wreken en ik zal haar wreken, zooals nog nooit een moord gewroken is. Weet gij, wie de moordenaars waren. Gij hebt hen gezien. Het waren bleekgezichten, wien wij niets hadden misdaan. Zoo is het steeds geweest en zoo zal het altijd blijven tot de laatste roode man vermoord is geworden. Wij wilden naar de steden der bleekgezichten gaan, Nscho-Tschi wilde worden als een blanke vrouw, want zij had u lief en hoopte uw hart te winnen, wanneer zij zich eenmaal de zeden en gewoonten der blanken had eigengemaakt. Zij heeft met haar leven daarvoor moeten boeten. Of wij u ook haten en of wij u liefhebben, ’t is alles hetzelfde, overal waar een bleekgezicht den voet zet brengt hij ons verderf. Er zal een klaaglied klinken door alle stammen der Apachen en er zal zich een gehuil van woede en wraak verheffen, overal, waar zich leden van onzen stam bevinden. De oogen van alle Apachen zijn gericht op Winnetou om te zien, hoe hij den dood van zijn vader en zijn zuster zal wreken. Mijn broeder Old-Shatterhand mag hooren wat ik hier bij deze beide dooden zweer! Ik zweer bij den Grooten Geest en bij al mijn dappere voorvaderen, die in de eeuwige jachtvelden verzameld zijn, dat ik van dit oogenblik af elk bleekgezicht dat ik ontmoet met het geweer, dat aan de hand mijns vaders is ontvallen, zal doodschieten of— —
—Halt!—viel ik hem huiverend in de rede, want ik wist dat het hem onverbiddelijke ernst was met deze woorden.—Halt! Mijn broeder Winnetou mag nu niet zweren!
—Waarom nu niet!—vroeg hij bijna toornig.
—Een eed moet worden uitgesproken in een volkomen kalme gemoedsstemming.
—Oef! Mijn stemming is op dit oogenblik zoo kalm als het graf waarin ik deze beide dooden neer zal leggen. Evenals het graf mijn dierbaren nooit zal teruggeven, evenmin zal ik ooit een woord van hetgeen ik heb gesproken, terug.…
—Niet verder—viel ik hem nogmaals in de rede.
—Wil Old-Shatterhand mij verhinderen mijn plicht te doen? Moeten de oude wijven mij in ’t gezicht spuwen en moet ik uit mijn volk worden verbannen, omdat ik niet den moed bezit te wreken, wat vandaag is geschied?
—Het zij verre van mij, dit te verlangen, ook wil ik de moordenaars straffen. Drie van hen zijn reeds gevallen, de vierde is ontvlucht, maar hij zal ons niet ontkomen.
—Hij zal ons niet ontkomen!—herhaalde hij.—Maar ik heb niet alleen met hem te doen. Hij heeft gehandeld als zoon van dat blanke ras, dat ons ten verderve wil brengen, maar ik roep dit geheele ras ter verantwoording, ik, Winnetou nu de eerste en opperste van alle stammen der Apachen!
Hij stond trotsch en met opgerichten hoofde voor mij, een man, die ondanks zijn jeugd, zich koning voelde over al de zijnen! Ja, hij was er de man naar te doen wat hij wilde. Hem zou het zeker gelukt zijn de krijgers van alle roode natiën te verzamelen om met de blanken een reuzenstrijd te beginnen, een wanhopigen strijd, waarvan het einde niet twijfelachtig kon zijn, maar die honderdduizenden offers zou vragen. Nu op dit oogenblik, zou worden beslist of deze strijd zou worden begonnen.
Ik nam zijn hand en zeide:
—Gij moet en zult doen wat gij wilt, maar luister naar mijn bede, welke misschien mijn laatste zal zijn, dan zult gij nooit meer de stem van uw blanken broeder hooren. Hier ligt Nscho-Tschi. Gij zelf hebt gezegd, dat zij mij heeft liefgehad en met mijn naam op de lippen is gestorven. Ook u had zij lief, mij als vriend en u als broeder en gij hebt haar wederkeerig uw liefde geschonken. Bij deze onze liefde smeek ik u, spreek den eed dien gij wilt doen, nu niet uit, maar eerst dan, wanneer het graf zich boven het hoofd van de edelste dochter der Apachen zal hebben gesloten!
Hij zag mij ernstig, bijna somber aan en sloeg den blik neer. Ik zag dat zijn trekken zachter werden en toen hij eindelijk zijn oog weer opsloeg, zeide hij:
—Mijn broeder Old-Shatterhand heeft een groote macht over de harten van allen met wie hij omgaat. Nscho-Tschi zou zijn verzoek zeker inwilligen en daarom zal ik het ook doen. Eerst dan, wanneer mijn oog deze beide dooden niet meer ziet, zal worden beslist of de Mississippi en zijn zijrivieren zullen worden gekleurd met het bloed der blanke en roode volkeren. Howgh!
God zij dank! Het was mij althans voorloopig gelukt een groot onheil af te wenden. Ik drukte hem dankend de hand en sprak:
—Mijn broeder zal nu inzien dat het niet mijn bedoeling is genade te vragen voor den schuldige, hij heeft een strenge straf verdiend. Wij moeten zorgen, dat hij niet ontkomt. Winnetou mag zeggen wat ik in dit opzicht moet doen!
—Mijn voeten zijn gebonden!—zeide hij, nu weer op somberen toon.—De gebruiken mijns volks gebieden mij, bij deze dooden die mij zoo na verwant zijn, te blijven tot zij begraven zijn. Eerst dan mag ik wraak nemen.
—En wanneer zal de begrafenis plaats hebben?
—Dat zal ik met mijn krijgers overleggen. Of wij begraven hen hier op de plaats, waar zij gestorven zijn, òf wij brengen hen naar het Pueblo. Maar zelfs al zullen zij hier hun laatste rustplaats vinden, moeten er nog verscheidene dagen voorbijgaan voor alles gereed is, voor de begrafenis van zulk een groot opperhoofd.
—Maar dan zal de moordenaar ons zeker ontkomen.
—Neen. Want al kan Winnetou zelf hem niet achtervolgen, anderen kunnen dit in zijn plaats doen. Mijn broeder moet mij vertellen hoe hij eigenlijk hier is gekomen.
Nu het iets zakelijks betrof, was hij zoo kalm mogelijk. Ik vertelde hem in ’t kort wat hij weten wilde. Er volgde eenigen tijd van stilte en nu was het, alsof wij een zwaren zucht hoorden welke van de plaats kwam waar de beide struikroovers lagen. Den een was mijn kogel door het hart gegaan, maar de andere was, evenals Nscho-Tschi in de borst getroffen, hij leefde nog en kwam op dit oogenblik weer bij. Hij staarde ons aan en mompelde eenige woorden, welke ik niet kon verstaan. Ik boog mij over hem heen en riep hem toe:
—Man, kom tot u zelf. Weet gij, wie hier bij u staat?
Hij deed moeite na te denken, zijn oog werd ook werkelijk helderder en ik hoorde hem zachtjes vragen:
—Waar.… waar is.… Santer?
—Ontvlucht,—antwoordde ik, want ik kon het niet over mijn hart verkrijgen tegenover een stervende te liegen.
—Waar.… heen?
—Dat weet ik niet, maar ik hoop dit van u te vernemen. Uw andere metgezellen zijn dood, ook gij hebt slechts nog maar eenige seconden te leven, gij zult aan den rand des grafs niet meer durven liegen. Waar komt Santer vandaan?
—Weet.… het.… niet.
—Heet hij werkelijk Santer?
—Heeft.… vele.… vele namen.
—Wat is hij eigenlijk?
—Weet ook.… niet.
—Hebt gij bekenden hier in de buurt, misschien in een of ander fort?
—Neen.
—Waar wildet gij heengaan?
—Nergens heen. Waar maar geld-buit.
—Dus waart gij roovers en dieven van beroep! Verschrikkelijk! Hoe kwam gij op het denkbeeld, de beide Apachen met het meisje te overvallen?
—Nug.… nuggets!
—Maar gij wist immers niets van deze nuggets?
—Wilden naar.… naar.…
Hij hield even op, het viel hem zwaar te antwoorden. Ik raadde evenwel wat hij wilde zeggen en vroeg:
—Hadt gij vernomen dat deze Apachen naar het Oosten wilden gaan en hebt gij daaruit afgeleid, dat zij goud bij zich hadden?
Hij knikte.
—Gij naamt u dus voor hen te overvallen, daar gij echter wel wist dat wij voorzichtig zouden zijn en u in ’t oog zouden houden, reedt gij eerst een eind weg en keerdet later om, toen gij meendet dat wij ons niet meer ongerust over u zouden maken?
Hij knikte wederom.
—Toen zijt gij omgekeerd en ons nagereden. Hadt gij ons den vorigen avond beluisterd?
—Ja.… Santer.
Dus Santer zelf was het geweest!—Heeft hij u verteld, wat hij bij ons had gehoord?
—Apachen.… Nuggets.… hill.… nuggets halen.… vroeg …
—Juist zooals ik had vermoed. Toen hebt gij u in het bosch verscholen en ons van daar gadegeslagen? Gij wildet de plaats weten van waar de Apachen het goud haalden?
Hij had de oogen gesloten en antwoordde niet.
—Of wildet ge hem alleen bij hun terugkomst overvallen om.…
Nu evenwel viel Winnetou mij in de rede.
—Mijn broeder behoeft niet verder te vragen, want dit bleekgezicht zal niet meer antwoorden, hij is dood. Deze blanke honden wilden ons geheim leeren kennen, maar het is hun niet gelukt. Wij waren reeds op den terugweg, toen zij ons ontmoetten. Zij verscholen zich in het kreupelhout en schoten van daar op ons. Intschu Tschuna en mijn zuster vielen getroffen neer, een andere kogel raakte alleen mijn mouw. Ik schoot op een der kerels, die evenwel juist achter een boom kroop, daarom trof ik hem niet, maar mijn tweede kogel deed den andere vallen. Daarop zocht ik een schuilplaats achter deze steenen, maar ik zou mijn leven niet hebben kunnen redden, wanneer Old-Shatterhand niet op het juiste oogenblik was gekomen. Twee der roovers bedreigden mij van dezen kant en een derde sloop om mij heen om mij in den rug aan te vallen, zijn kogel had mij moeten treffen. Toen evenwel hoorde ik de kogels van Old-Shatterhand’s berendooder en ik was gered. Nu weet mijn broeder alles en zal ik hem vertellen, hoe hij het aan moet leggen, Santer te vangen.
—Moet ik die taak op mij nemen?
—Ja, Old-Shatterhand moet het doen, hij zal het spoor van den vluchteling zeker vinden.
—Misschien wel, maar er zal daarmee veel tijd verloren gaan.
—Neen, mijn broeder behoeft niet lang te zoeken, want het spoor zal zeker leiden naar zijn paarden, zonder welke hij niet veel kan beginnen. Daar, waar hij met zijn lieden den nacht heeft doorgebracht, is gras en Old-Shatterhand kan dus gemakkelijk zien, in welke richting hij is gegaan.
—En dan?
—Dan neemt mijn broeder tien krijgers mee, om hem te achtervolgen en gevangen te nemen. De andere twintig krijgers zendt hij hierheen opdat zij met mij den doodszang kunnen aanheffen.
—Het zal geschieden en ik hoop, dat ik het vertrouwen dat mijn broeder in mij stelt, niet zal beschamen.
—Ik weet dat Old-Shatterhand zal handelen, zooals ik zelf zou hebben gehandeld! Howgh!
Hij stak mij de hand toe, ik drukte dien hartelijk, boog mij nog eenmaal over de dooden en ging heen. Aan den rand van het bosch keerde ik mij nog eenmaal om. Winnetou bedekte juist de hoofden der gestorvenen en begon op somberen klagenden toon den bij den roodhuiden gebruikelijken lijkzang aan te heffen. Mijn hart was vol, overvol. Maar ik moest handelen en snelde dus terug op den weg, dien ik daar straks gekomen was.
Ik was van plan te doen, wat Winnetou mij gezegd had. Toen ik evenwel den reeds vroeger genoemden kant van den berg had bereikt, dacht ik een oogenblik na.
Santer zou voor alles trachten, zoo spoedig mogelijk uit onze nabijheid te komen, dat deed hij niet, wanneer hij eerst naar zijn legerplaats liep. Dit zou hij enkel doen om een paard machtig te worden. Maar als hij nu eens het dier had gevonden, waarop ik gereden had. Hij moest ook dezen weg langs zijn gekomen en dan had hij stellig het paard gezien.
Deze gedachte liet mij niet los. Ik snelde den berg af, vol spanning of ik het paard nog zou aantreffen. Welk een teleurstelling toen ik op de bedoelde plek kwam en zag, dat het verdwenen was. Ik stond slechts een oogenblik stil en vloog meer dan ik liep, door de kloof. Hier kon ik mij nog haasten, want door het steengruis kon ik toch het spoor niet vinden. Toen ik echter het dal had bereikt moest ik langzamer loopen om het spoor te vinden, maar hoe ik ook mijn oogen inspande, ik vond niets. Santer was hier niet geweest. Hij moest verder op een plaats, waar de bodem rotsachtiger was, de kloof hebben verlaten. Daar stond ik nu! Wat te doen? Zou ik terugkeeren om die plaats te zoeken? Er konden uren voorbijgaan, voor ik deze vond en dezen tijd kon ik niet verloren laten gaan. Beter was het in elk geval naar onze legerplaats terug te keeren en van daar hulp te halen.
Ik deed dit. Het was een vermoeiende loop, maar ik volbracht hem, omdat ik van Winnetou had geleerd, hoe men het moest aanleggen om op adem te blijven en zich niet te vermoeien.
Toen ik mijn doel naderde, liep ik eerst naar de legerplaats van Santer. De drie paarden stonden nog in het kreupelhout. Ik maakte ze los, ging op een er van zitten en nam de beide andere aan de teugels mee. ’t Was reeds laat in den namiddag toen ik eindelijk bij de mijnen aankwam en Sam riep mij reeds uit de verte toe:
—Waar blijft ge dan toch, sir. Gij hebt het eten verzuimd en ik.…—hij hield op, zag verbaasd naar de paarden en ging voort:—voor den drommel, gij zijt te voet weggegaan en komt te paard terug. Gij zijt toch geen paardendief geworden?
—Dat niet, ik heb deze dieren buitgemaakt.
—Waar?
—Niet ver hier vandaan.
—En van wien?
—Bezie ze maar eens goed. Ik herkende ze dadelijk en gij hebt immers even goede oogen!
—Ja, die heb ik. Ik zag dadelijk aan wie zij behoorden, het zijn immers de paarden van Santer en zijn kameraden, maar er ontbreekt er één.
—Dat zullen wij zoeken en ook dengeen, die er opzit.
—Maar hoe komt.…
—Stil, beste Sam!—viel ik hem in de rede.—Er is iets bijzonders, iets zeer treurigs gebeurd. Wij moeten onmiddellijk van hier.
—Van hier? Waarom?
In plaats van hem te antwoorden, riep ik de Apachen, van welke zich eenigen hadden verwijderd bijeen en deelde hun de treurige tijding mee. Toen ik geëindigd had, heerschte rondom een diepe stilte. Men kon niet gelooven, wat ik zeide, mijn boodschap was te verschrikkelijk. Daarom vertelde ik uitvoeriger, wat er was gebeurd en voegde er bij:
—Nu mogen mijn roode broeders zelf zeggen, wie de toekomst beter heeft voorspeld. Sam Hawkins of uw medicijnman. Intschu Tschuna en Nscho-Tschi hebben den dood gevonden omdat zij zich van mij hebben verwijderd en Winnetou is door mij gered geworden. Brengt mijn tegenwoordigheid dus dood of leven?
Zij waren volkomen overtuigd en nu verhief zich een gehuil, dat mijlen ver te hooren was. De roodhuiden renden als razenden rond, zwaaiden met hun wapenen en trokken om uiting te geven aan hun woede, allerlei vreeselijke gezichten. Eerst na geruimen tijd was het mij mogelijk hun geschreeuw te overstemmen.
—De krijgers der Apachen moeten zwijgen,—gebood ik.—Dit gehuil dient tot niets. Wij moeten weg om den moordenaar te zoeken.
—Weg, weg, weg!—schreeuwden allen, terwijl zij naar hun paarden snelden.
—Weest toch kalm!—beval ik nogmaals.—Mijn broeders weten niet eens, wat zij moeten doen, ik zal het hun zeggen.
Allen drongen om mij heen, ik kon mij bijna niet bewegen. Was Santer op dit oogenblik hier geweest, zij zouden hem in stukken hebben gescheurd. Hawkins, Stone en Parker stonden sprakeloos bij elkaar. Dit bericht had een diepen indruk op hen gemaakt.
Langzaam kwamen zij op mij toe.
—Ik ben als door den bliksem getroffen,—zeide Sam en kan het nog maar niet begrijpen. Verschrikkelijk! Die lieve, schoone, beste, jonge roode miss! Zij was altijd zoo vriendelijk voor ons en nu zoo in eens dood! Weet gij sir, het is, alsof.…
—Vertel mij dat later maar eens, beste Sam!—viel ik hem in de rede—wij moeten nu geen tijd verliezen en den moordenaar zien te krijgen. Praten helpt niet veel!
—Dat stem ik u toe. Maar weet gij dan, waar hij is?
—Neen, nu nog niet.
—Dat dacht ik. Hebt gij geen spoor gevonden? Zullen wij het zoeken? Het zal moeielijk te vinden zijn.
—Neen, juist niet, integendeel zeer gemakkelijk.
—Denkt gij dat? Hm! Moeten wij naar de kloof en zien hoe hij daaruit is gekomen?
—In de kloof behoeven wij niet te zoeken.
—Niet? Dan ben ik nieuwsgierig te weten, waar wij dan heen moeten. Ja, menigmaal heeft een greenhorn een gedachte, die.…
—Zwijg met uw greenhorn! Ik heb geen zin om dat woord te hooren, houdt uw grappen maar voor u!
—Grappen? Wie denkt, dat ik de zaak niet ernstig opneem, kan een schop tegen zijn beenen krijgen, dat hij van hier naar Californië vliegt. Ik kan mij niet begrijpen, hoe gij het spoor van Santer wilt vinden, zonder te zien, waar dit verloren is gegaan!
—Dan zouden wij lang kunnen zoeken en daarom wil ik het anders aanleggen. Als ik die bergen daar voor ons zoo aanzie, komt het mij voor, dat zij niet met andere samenhangen, maar meer op zich zelf staan.…
—Dat is ook zoo, ik ken deze streek tamelijk goed. Hier hebben wij een vlakte en daarginds weer een. Deze bergen behooren niet tot een aaneengeschakelde groep, maar staan op zichzelf in de open prairie.
—Prairie? Er is dus gras?
—Ja zeker, evenals hier.
—Dat is gelukkig. Santer kan tusschen deze bergen doorrijden, zooals hij wil, dat gaat ons niet aan, maar zoodra hij ze verlaat komt hij op de open prairie en moet in het gras een spoor achterlaten.
—Dat spreekt vanzelf, sir!
—Luister verder. Wij verdeelen ons in twee troepen en rijden om den berg heen, wij vier blanken van rechts en de tien Apachen, die Winnetou mij heeft toegewezen, van links. Wij ontmoeten elkander aan den anderen kant weer en hooren dan of een van ons het spoor heeft kunnen vinden. Ik ben overtuigd, dat dit het geval zal zijn.
Mijn kleine Sam zag mij van ter zijde aan, zette een zeer verbaasd gezicht en riep:
—Wie had dat nu gedacht! Hoe is het mogelijk, dat ik zelf niet op dit denkbeeld ben gekomen. ’t Is immers ’t eenvoudigste en beste wat we kunnen doen, als ik mij niet vergis!
—Gij keurt dit plan dus goed, Sam?
—Zeker, zeker, sir. Zoek nu maar gauw tien Apachen uit.
—Ik zal zien, welke van hen ’t best bereden zijn en die neem ik mee, wie weet, hoelang wij dien kerel moeten nazitten. Daarom moeten wij ook voldoende proviand medenemen. Als gij deze streek tamelijk goed kent, kunt gij ons wel vertellen, hoelang het duurt voor men van hier uit, den anderen kant van den berg bereikt.
—Al haasten wij ons ook nog zoo, wij zullen toch altijd twee uur moeten rijden.
—Laat ons dan geen tijd verliezen.
Ik koos toen tien Apachen die blij waren mee te mogen gaan, want den moordenaar nazetten was aangenamer werk dan klaagliederen te zingen bij de lijken der gevallenen. Den overigen Apachen wees ik den weg naar Winnetou en zij reden dadelijk daarheen.
Even daarna braken ook wij op. De Apachen reden volgens afspraak linksom, wij blanken gingen evenwel eerst nog even naar de legerplaats van Santer en ik zocht de plaats op waar de hoef van het paard, dat ik had bereden, diep in den bodem was gedrongen. Van dezen indruk nam ik nauwkeurig de maat. Sam Hawkins schudde het hoofd en vroeg lachend:
—Behoort het ook al tot het vak van opzichter, paardepooten op te meten?
—Neen, maar elke prairiejager moest het kennen.
—Waarom?
—Omdat het hem in voorkomende gevallen van groot nut kan zijn.
—Hoe dan?
—Wel, dit zult gij zien. Als ik nu een paardenspoor vind, vergelijk ik dit met deze teekening.
—Hm, juist niet zoo kwaad bedacht! Hebt gij dat ook uit de boeken geleerd?
—Neen.
—Van wie hebt gij het dan?
—Ik ben zelf op die gedachte gekomen.
—Zoozoo, zijt ge zoo knap, dat had ik waarlijk niet gedacht!
—Neen, Sam, ’t valt wel eens wat mee!
—Maar waarom hebt ge de tien Apachen dan ook niet zulk een teekening meegegeven?
—Ik achtte dit overbodig,—antwoordde ik.
—Overbodig.… waarom?
—Omdat zij niet in staat zouden zijn, zulk een teekening met een paardepoot te vergelijken. Bovendien ik ben bijna zeker, dat zij Santer’s spoor niet zullen vinden.
—En ik beweer het tegendeel. Niet wij, maar zij zullen het vinden, want ’t spreekt vanzelf, dat Santer westwaarts is gereden.
—Daarvan ben ik niet zoo zeker.
—Niet? Hij kwam toch van het westen en zal ook weer dien kant teruggaan.
—Dat denk ik niet. Hij is een slimme kerel, dat heb ik wel bespeurd en hij zal wel begrijpen, dat wij hem in het westen zullen zoeken. Daarom zal hij wel in oostelijke richting zijn gegaan.
—Het kan zijn dat ge gelijk hebt.
Wij gaven onze paarden de sporen en galoppeerden over de prairie, steeds zorgend, dat wij de bewuste bergen links van ons hielden. Natuurlijk trachtten wij het zoo in te richten, dat wij steeds op den begroeiden bodem bleven, waar Santer, indien hij hier was geweest een duidelijk spoor moest hebben achtergelaten. Onze oogen waren voortdurend op den grond gericht, want hoe sneller wij reden, hoe nauwkeuriger wij moesten opletten, daar het spoor ons anders licht kon ontgaan.
Zoo verliep anderhalf uur en wij hadden onzen halven cirkel om den berg bijna volbracht, toen wij een donkere streep bemerkten, welke dwars door het gras liep. Het was het spoor van een enkelen ruiter en zeer waarschijnlijk, dat, wat wij zochten. Wij stegen af en ik zocht tot ik een zeer duidelijken indruk vond. Nu vergeleek ik dezen bij de teekening en het bleek, dat de afmetingen volkomen dezelfde waren. Er was dus geen twijfel mogelijk, wij waren Santer op het spoor.
—Zulk een teekening is toch werkelijk practisch,—meende Sam,—ik zal dat onthouden.
—Ja, onthoud dat,—voegde Parker er bij,—en onthoud dan bovendien nog wat.
—Wat dan?
—Dat het nu zoover gekomen is, dat de leermeester, die gij altijd zijt geweest, van zijn leerling kan leeren.
—Wilt gij mij het land opjagen, oude Will? Dat zal u niet gelukken, hihihihihi!—lachte Sam.—Het is immers een eer voor den leermeester, dat hij den leerling zoo ver heeft gebracht, dat deze nog verstandiger en wijzer is, dan hij. Van u heb ik niet zooveel plezier beleefd. Hoeveel jaren ben ik niet bezig geweest, om van u een goeden prairiejager te vormen en al mijn moeite is tevergeefs geweest. Gij zult in uw oude dagen niets kunnen verleeren, omdat gij in uw jonge jaren niets hebt geleerd.
—Ik weet het wel, gij zoudt mij nu wel graag greenhorn willen noemen, omdat gij zonder dit woord niet kunt leven en gij Old-Shatterhand daarmee niet meer moogt betitelen.
—Gij zijt ook een greenhorn, maar een oude, als ik mij niet vergis.
Ondanks dit twistgesprek waren wij het toch hierover eens, dat Santer’s spoor niet veel meer dan twee uur oud kon zijn. Gaarne zouden wij hem dadelijk zijn achtervolgd, maar wij moesten wel op de tien Apachen wachten. Het duurde helaas drie kwartier voor zij kwamen. Ik zond een van hen naar Winnetou, om dien te laten weten dat wij het spoor gevonden hadden, toen reden wij in oostelijke richting verder.
Het was diep in den herfst en wij hadden nauwelijks twee uur meer den tijd, voordat de zon zou zijn ondergegaan, wij moesten ons dus haasten, want viel de duisternis in, dan zouden wij tot den morgen moeten wachten, daar we het spoor niet zouden kunnen onderscheiden.
Daarentegen was het bijna zeker, dat Santer den geheelen nacht door zou rijden. Wij hadden dus morgen een vermoeienden rit voor ons, welke nog des te vermoeiender zou worden, omdat wij steeds op het spoor moesten letten. Gelukkig moest Santer, indien hij den nacht doorreed, zijn paard den volgenden dag rust gunnen en zoo kon het mogelijk zijn, dat wij hem toch nog inhaalden.
De door Winnetou en zijn vader met den naam van Nuggetsbergen betitelde hoogten, lagen achter ons en wij hadden nu voor ons de open vlakte, welke met gras was bedekt. Santer’s spoor was duidelijk zichtbaar. Toen het donker begon te worden, stegen wij af en volgden het spoor, dat wij loopend beter in het oog konden houden dan rijdend, zoolang tot het niet meer te herkennen was. Nu maakten wij halt, gelukkig op een plaats, waar veel gras was, zoodat onze paarden iets te eten konden krijgen. Daarna wikkelden wij ons in onze dekens en gingen liggen om te slapen.
De nacht was zeer koel en ik bemerkte dat mijn kameraden dikwijls wakker werden van de kou. Ik zou bovendien toch niet hebben kunnen slapen. De gewelddadige dood van Intschu Tschuna en zijn dochter had een te diepen indruk op mij gemaakt en wanneer ik de oogen sloot, zag ik hen weer op de noodlottige plaats liggen en hoorde ik Nscho-Tschi’s laatste woorden. Ik verweet mijzelf dat ik niet vriendelijker voor haar was geweest en mij in het gesprek met haar vader, niet anders over haar had uitgelaten. Ik had een gevoel of ik daardoor haar dood op mijn geweten had.
Tegen den morgen werd het nog kouder en ik stond op om mij door heen en weer loopen een weinig te verwarmen. Sam Hawkins bemerkte dit en vroeg:
—Zijt gij koud sir? Gij hadt een warme kruik mee moeten nemen naar de Far-West. Greenhorns hebben gewoonlijk dergelijke dingen bij zich. Neen, dan ben ik maar blij met mijn ouden rok, die laat geen kou door. Zal ik hem u leenen, hihihihi!
Tengevolge van deze onaangename koude, waren allen reeds vroeg in den morgen gereed en zoodra het licht genoeg was, om het spoor te zien stegen wij op en zetten wij onzen tocht voort. Onze paarden waren volkomen uitgerust en hadden het zeker des nachts ook koud gehad, althans zij draafden lustig voort, zonder dat wij ze behoefden aan te sporen.
Nog steeds waren wij in de prairie, die nu evenwel eenigszins begon te golven; op de hoogste punten was het gras dor en hard, op de lagere gedeelten groen en zacht. Hier er daar waren zelfs enkele waterplassen, waar wij onze paarden konden laten drinken.
Terwijl het spoor tot nu toe steeds in oostelijke richting had geleid, ging het later op den dag meer naar het zuiden. Toen Hawkins dit zag, zette hij een zeer bedenkelijk gezicht en op mijn vraag wat dat beteekende, antwoordde hij:
—Als het waar is wat ik vermoed, zal al onze moeite tevergeefsch zijn geweest.
—En wat vermoedt ge dan?
—De kerel is slim. Hij schijnt naar de Kiowa’s te willen gaan.
—Dat geloof ik zoo dadelijk niet.
—Waarom niet? Zou hij misschien midden in de prairiën blijven staan, om zich door u gevangen te laten nemen? Wat denkt ge wel? Hij zal toch wel zijn best doen om zich te redden? Hij heeft zijn oogen open gehad en wel gezien dat onze paarden beter waren, dan het zijne. Daarom vreest hij dat wij hem zullen achterhalen en is hij op de gedachte gekomen, bescherming te zoeken bij de Kiowa’s.
—En zullen die hem vriendelijk ontvangen?
—Daaraan behoeft ge geen oogenblik te twijfelen. Hij behoeft alleen maar te vertellen dat hij Intschu Tschuna en Nscho-Tschi heeft doodgeschoten en zij zullen hem hartelijk welkom heeten. Wij moeten toch zien, dat wij hem voor vanavond nog inhalen!
—Hoe oud denkt ge, dat dit spoor is?
—Dat is mij tamelijk onverschillig. Hij heeft den nacht doorgereden en wij moeten de plaats zien te vinden, waar hij gelegerd heeft. Dan kunnen wij zien, hoe oud zijn nieuw spoor is. Hoe langer hij uitgerust heeft, hoe eerder wij hem zullen inhalen.
Tegen den middag vonden wij, wat wij zochten. Men zag dat het paard was gaan liggen, het was dus zeer moe geweest, wat wij ook reeds aan de sporen hadden gezien. Waarschijnlijk was zijn berijder niet minder uitgeput, want het nieuwe spoor was niet ouder dan twee uur; hij had dus blijkbaar langer geslapen, dan hij gewild had. De voorsprong, dien hij op ons had gekregen, doordat hij den nacht was doorgereden was dus ingehaald, ja, wij waren op dit oogenblik zeker een half uur dichter bij hem, dan bij ’t begin van den tocht.
Zijn spoor leidde steeds meer naar het zuiden. Hij scheen het gebied van de Canadianrivier te hebben willen verlaten en meer den kant van de Red River op te willen gaan. Wij lieten onze paarden slechts nu en dan even uitblazen, want wij wilden zoo mogelijk, den schelm nog voor den avond inhalen.
Tegen den namiddag bereikten wij wederom grasvelden, zoo nu en dan met kreupelhout bedekt. Naar het spoor te oordeelen, kon Santer ons nog slechts een half uur vooruit zijn. Voor ons was de horizont donker.
—Daar is bosch,—meende Sam, ik vermoed, dat wij aan een zijrivier zullen komen; jammer ’t was beter voor ons geweest, dat wij de prairie hadden kunnen houden.
Hij had gelijk, want op de prairie zag men alles vóór zich, terwijl men in het bosch, licht in een hinderlaag kon vallen. Bovendien, bij de snelheid waarmede wij reden, was het onmogelijk, het terrein voldoende te onderzoeken.
Werkelijk stuitten wij op een kleine, zeer ondiepe rivier, welke hier en daar bijna geheel droog lag. Aan de oevers stonden kreupelhout en boomen, maar deze vormden eigenlijk geen bosch, doch slechts grootere en kleinere, op zichzelf staande boomgroepen.
Kort voordat de duisternis begon te vallen, waren wij den vluchteling zoo dicht op de hielen, dat wij hem elk oogenblik voor ons konden zien. Ik reed alleen vooruit, omdat mijn schimmel zich zoo uitstekend had gehouden en nog volstrekt niet moe was. Ook volgde ik onwillekeurig een innerlijken drang, welke mij er toe aanspoorde zelf den moordenaar te vangen.
Wij reden wederom door een van de zooeven genoemde boomgroepen welke aan den linkeroever van het riviertje lagen. Toen ik aan de laatste boomen was gekomen, zag ik, dat het spoor naar rechts afweek en naar beneden in het droge rivierbed voerde. Ik hield een oogenblik stil om dit aan de mij volgende kameraden mee te deelen en dit was ons geluk, want toen ik eenige oogenblikken op hen wachtend, de bedding overzag, deed ik een ontdekking, welke mij dwong, mij zoo spoedig mogelijk terug te trekken en mij te verbergen. Wanneer men van dit boschje uit, slechts vijfhonderd pas deed, kwam men wederom aan een boschje, dat echter op den rechteroever gelegen was. Hier waren Indianen bezig hun paarden te verzorgen. Ik zag palen in den grond, waartusschen vleesch aan riemen te drogen hing. Was ik een paar pas verder gegaan, dan zouden de roodhuiden mij hebben moeten zien. Nu steeg ik van mijn paard en maakte mijn kameraden opmerkzaam op het voor ons liggende tooneel.
—Kiowa’s!—zeide een der Apachen.
—Ja, Kiowa’s—stemde Sam toe,—de duivel moet dezen Santer wel zeer liefhebben, dat hij hem nog op het laatste oogenblik deze hulp zendt. Ik meende reeds dat wij hem hadden, maar geduld, hij zal ons toch niet ontkomen.
—Het is geen groote afdeeling Kiowa’s—merkte Dick op.
—Hm! Wij zien alleen maar degenen, die zich aan dezen kant van de boomen bevinden, aan den anderen kant zullen er wel meer zijn. Zij zijn blijkbaar op jacht geweest en drogen hier hun vleesch.
—Wat zullen wij doen, Sam? Omkeeren en ons zoo gauw mogelijk uit de voeten maken?
—Ik denk er niet aan, wij blijven hier.
—Maar dat is toch gevaarlijk!
—Wel neen!
—Hoe licht kan hier een roodhuid komen.
—Daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Ten eerste bevinden zij zich aan den anderen oever en ten tweede is het spoedig donker en dan verwijderen zij zich niet meer van de legerplaats.
—Maar hoe voorzichtiger, hoe beter.
—Kom, alleen een greenhorn heeft angst. Ik zeg u, dat wij voor deze Kiowa’s even veilig zijn, alsof wij ons in New-York bevonden. Zij denken er niet aan te komen, maar ik zal naar hem toe gaan. Ik moet dezen Santer hebben, al zou ik hem tusschen duizend Kiowa’s weghalen.
—Gij zijt vandaag onvoorzichtig Sam!
—Wat, onvoorzichtig? Sam Hawkins onvoorzichtig? Daar moet ik om lachen, hihihihi! Dat heeft me nog nooit een mensch gezegd! Sir, gij zijt anders nooit bang en gaat zelfs den Grizzlybeer met het mes te lijf, vanwaar nu die angst?
—Het is geen angst, maar voorzichtigheid, wij zijn te dicht bij den vijand!
—Te dicht? Belachelijk! Wij zullen nog dichter bij hem komen. Wacht maar tot het donker is.
Hij was vandaag anders dan gewoonlijk. De dood van de schoone, lieve, roode miss had hem zoo woedend gemaakt, dat hij naar wraak dorstte. De Apachen waren het met hem eens, ook Stone en Parker gaven hem gelijk, ik kon dus niets daartegen doen. Wij bonden onze paarden vast en gingen zitten, om het invallen van de duisternis af te wachten.
Ik moet bekennen, dat de Kiowa’s zich zoo vrij bewogen, alsof zij zich volkomen veilig gevoelden. Zij reden of liepen op de open vlakte rond en deden, alsof zij in hun goed bewaakt Indiaansch dorp waren.
—Ziet ge wel, hoe veilig zij zich wanen?—zeide Sam.—Zij denken aan geen verraad.
—Als gij u maar niet vergist!
—Sam Hawkins vergist zich nooit!
—Ik zou u het tegendeel wel kunnen bewijzen. Ik heb een voorgevoel, dat zij zich zoo maar voordoen!
—Voorgevoel, oude wijven hebben voorgevoelens en anders niemand, onthoud dat. Wat doel zouden zij er mee beoogen, om zich anders voor te doen?
—Ons te lokken!
—Dat is niet noodig, wij zouden ook zonder lokken wel komen.
—Gij houdt het toch voor uitgemaakt, dat Santer bij hen is?
—Natuurlijk. Toen hij op deze plaats kwam, heeft hij hen gezien en is door de droge bedding naar hen toegegaan.
—En denkt gij, dat hij hun verteld heeft, wat er gebeurd is en waarom hij bescherming bij hen zoekt?
—Welk een vraag! Het spreekt vanzelf, dat hij hun dit gezegd heeft.
—Dan heeft hij hun ook meegedeeld, dat zijn vervolgers hem op de hielen zaten.
—Dat is mogelijk.
—Dan verwondert het mij toch, dat zij in het geheel geen voorzorgsmaatregelen hebben genomen.
—Daar behoeft gij u niet over te verwonderen. Zij houden het eenvoudig voor onmogelijk, dat wij hem nu reeds zouden hebben ingehaald en zij verwachten ons eerst morgen. Zoodra het donker genoeg is, zal ik naar hen toesluipen en alles eens goed opnemen. Daarna zullen wij zien wat ons verder te doen staat. Ik moet dezen Santer hebben.
—Goed, dan ga ik met u mee!
—Dat is niet noodig!
—Ik houd het voor zeer noodzakelijk.
—Als Sam Hawkins op verkenning gaat, heeft hij geen hulp noodig, ik neem u niet mee. Ik ken u en uw onpractische menschlievendheid. Waarschijnlijk zult gij uw best doen, om deze moordenaar het leven te sparen!
—Neen Sam, ik denk er in de verste verte niet aan!
—Dat zegt ge nu maar.
—Ik meen, wat ik zeg. Ook ik wil dezen Santer hebben, ik wil hem levend vangen om hem aan Winnetou over te leveren. En zoodra ik zie dat dit onmogelijk is en ik hem levend niet kan krijgen, jaag ik hem een kogel door den kop, daar kunt ge op aan!
—Dat is het juist, een kogel door den kop, gij wilt niet dat hij gemarteld wordt. Ook ik ben een vijand van dergelijke dingen, maar dezen schurk gun ik zulk een pijnlijken dood van ganscher harte. Wij zullen hem zien te krijgen en brengen hem dan naar Winnetou. Als wij nu eerst maar weten, hoeveel Kiowa’s er zijn, want ik acht het een uitgemaakte zaak, dat er meer zijn dan wij hier zien.