KLEKI-PETRA. (continued 2)
Reading edition
—God zij dank!—riep Rattler van zijn boom.—Het beest is dood, dat was een vreeselijk gevaar, waarin wij ons bevonden.
—Ik zou niet weten waarin het vreeselijke gevaar voor u bestond—antwoordde ik,—gij hadt goed voor uw veiligheid gezorgd, kom nu maar naar beneden.
—Neen, neen, nog niet, zie eerst eens goed na of de Grizzly werkelijk dood is.
—Hij is dood.
—Dat kunt gij wel beweren, maar gij hebt er geen begrip van, welk een taai leven zulk vee heeft. Onderzoek dus eerst!
—Voor u zeker? Als gij wilt weten of hij nog leeft, onderzoek hem dan zelf. Gij zijt immers beroemde prairiejagers en ik maar een „greenhorn”.
Ik wendde mij nu tot hun kameraad die nog altijd in den zooeven beschreven toestand tegen den boom hing. Hij gaf geen geluid en bewoog zich niet meer. Zijn gezicht was geheel verwrongen, en zijn verglaasde oogen stonden wild open. Het vleesch was hem tot op het been van de dijen gescheurd en de ingewanden hingen uit zijn lijf. Ik overwon mijn afgrijzen en riep hem toe:
—Laat dien boom los, sir! Ik zal u helpen!
Hij antwoordde niet en geen enkele beweging verried, dat hij mij begrepen had. Ik verzocht zijn kameraden uit de boomen te komen en mij te helpen, maar deze ervaren prairiejagers waren daartoe niet te bewegen, vóór ik den beer eenige malen had bevoeld en betast en hen daardoor had bewezen, dat hij werkelijk dood was. Eerst toen kwamen zij naar beneden en hielpen mij den zoo gruwelijk verminkten kameraad uit den boom te krijgen. Dit ging niet gemakkelijk want hij hield de armen zóó stijf om den stam geklemd, dat wij ze slechts met geweld konden losmaken.
Dit verschrikkelijke einde scheen echter zijn kameraden niet in ’t minst aan ’t hart te gaan, want zij wendden zich onverschillig van hem af, en keken naar den beer, terwijl de aanvoerder zeide:
—Nu wordt het omgekeerd, eerst heeft de beer ons willen opeten en nu zullen wij hem opeten. Komt kameraden, laat ons de huid afnemen, opdat wij de klauwen en de ham kunnen meenemen.
Hij nam zijn mes en ging op de knieën liggen, om de daad bij het woord te voegen, maar nu kwam ik tusschenbeide:
—Het zou eervoller voor u zijn geweest, als gij uw mes op hem hadt beproefd, toen hij nog in leven was, nu is het te laat, doe geen moeite.
—Wat?—spatte hij op,—wilt gij mij misschien verhinderen een stuk vleesch af te snijden?
—Zeker, dat wil ik, Mr. Rattler.
—En met welk recht?
—Met een onbetwistbaar recht van den man, die het dier heeft neergeveld.
—Dat is niet waar, gij zult toch niet willen beweren, dat een „greenhorn” een Grizzly met het mes kan dooden? Wij hebben toen wij hem zagen, op hem geschoten.
—En u toen snel op de boomen teruggetrokken, ja, dat is waar, zeer waar.
—Maar onze kogels hebben getroffen, daaraan is hij gestorven en niet aan een paar speldeprikken, welke gij hem, toen hij reeds halfdood was, hebt toegebracht. De beer is van ons en wij zullen met hem doen wat wij willen, begrepen?
Hij wilde zich opnieuw aan het werk zetten, maar ik waarschuwde hem:
—Laat dat Mr. Rattler, of anders moet ik u leeren, mijn woorden goed op te vatten, begrepen?
Daar hij, ondanks mijn bevel, toch met het mes in den pels stak, nam ik hem, zooals hij daar op zijn knieën lag, met beide handen in de zijde beet, en wierp hem tegen den naasten boom, dat zijn ribben kraakten. Het was mij op dit oogenblik werkelijk onverschillig of hij iets brak of niet. Onmiddellijk nam ik mijn tweede nog geladen revolver uit den gordel, om mogelijke aanvallen te voorkomen. Hij stond snel weer op, zag mij met van woede fonkelende oogen aan, trok zijn mes en riep:
—Dat zal ik u betaald zetten! Gij hebt mij reeds eens geslagen en ik zal zorgen, dat gij u niet voor de derde maal aan mij kunt vergrijpen!
Hij kwam op mij toe, maar ik hief mijn revolver op en dreigde:
—Nog één stap, en ik jaag u een kogel door den kop! Weg met dat mes! Bij „drie” schiet ik, als gij het in de hand houdt. Dus:—een—twee—drie!
Hij hield het mes vast en ik zou werkelijk geschoten hebben, al was het niet in zijn hoofd dan in zijn hand, maar ik behoefde het niet zoover te laten komen, want op dit kritieke oogenblik klonk een stem:
—Menschen, zijt gij dwaas! Wat moet dat beteekenen, dat blanken elkander bevechten. Wapens neer!
Wij keken in de richting van waar deze woorden kwamen en zagen een man van achter de boomen te voorschijn komen. Hij was klein, mager en gebocheld en bijna als een roodhuid gekleed en bewapend; men kon niet recht zien, of hij een blanke of een Indiaan was. Zijn scherp geteekend gezicht wees op het laatste, terwijl de kleur van zijn door de zon verbrand aangezicht waarschijnlijk vroeger blank was geweest. Zijn hoofd was onbedekt en het lange, zwarte haar hing hem tot over de schouders. Zijn kleeding bestond uit een Indiaansche broek, een jachthemd en eenvoudige mokassins en hij was enkel gewapend met een geweer en een mes. Zijn oogen hadden een zeer verstandige uitdrukking en ondanks zijn mismaaktheid, maakte hij geenszins een belachelijke indruk. Het zijn trouwens alleen ruwe en bekrompen menschen, die voor een lichaamsgebrek den neus optrekken.
Rattler evenwel behoorde tot dit soort, en lachend riep hij:
—Hallo, wat komt daar voor een dwerg of misbaksel aan! Zijn er hier in de Far-West ook zulke lui?
De vreemdeling mat hem van het hoofd tot de voeten en antwoordde op kalmen, bezadigden toon:
—Dank God, dat gij gezonde ledematen hebt, voor ’t overige komt het niet op het lichaam maar op het hart en den geest aan en dit zeg ik u, in dat opzicht, durf ik een vergelijking met u best te wagen!
Hij maakte een minachtende beweging met de hand en wendde zich tot mij.
—Gij hebt kracht in uw handen, sir! Het was een lust dien zwaren kerel zooeven als een veer te zien oplichten.
Toen schopte hij met zijn voet tegen den Grizzly en ging op spijtigen toon voort:
—Dus dat is de kerel, dien wij wilden hebben, wij zijn helaas te laat gekomen, dat is jammer genoeg!
—Gij hadt hem dus ook willen dooden?—vroeg ik.
—Ja, wij vonden gisteren zijn spoor en zijn het gevolgd, door dik en dun, door bosch en weide en nu we hem eindelijk vinden, moeten wij zien, dat het werk reeds gedaan is.
—Gij spreekt het meervoud, zijt gij dus niet alleen?
—Neen, er zijn nog twee anderen bij mij.
—Wie zijn dat?
—Dat zal ik u zeggen, als gij mij eerst verteld hebt, wie gij zijt. Gij weet wel, dat men in deze streek niet voorzichtig genoeg zijn kan. Men ontmoet hier meer slechte, dan goede menschen.
Hij zag bij deze woorden even naar Rattler en zijn kameraden, en ging op vriendelijken toon voort:
—Men ziet het trouwens dadelijk, of men de menschen kan vertrouwen. Ik heb uw laatste gesprek gehoord en weet dus ongeveer met wien ik te doen heb.
—Wij zijn landmeters, sir,—verklaarde ik hem.—Een hoofdingenieur, vier landmeters, drie gidsen, en twaalf prairiejagers, die ons tegen mogelijke overvallen hebben te beschermen.
—Hm, nu wat dat betreft, gij schijnt u wel alleen te kunnen verdedigen. Dus gij zijt landmeters. Zijt gij hier aan ’t werk?
—Ja.
—Wat meet gij op?
—Een weg.
—Die hier zal worden aangelegd?
—Ja.
—Hebt gij dan deze streek gekocht?
Zijn oog was bij deze vragen somberder en zijn gezicht ernstiger geworden. Hij scheen recht te hebben deze vragen te doen, daarom antwoordde ik:
—Ik heb de opdracht gekregen, deze opmetingen te doen en om het overige bekommer ik mij dus niet.
—Hm ja, maar ik denk toch, dat gij wel weet, wat gij doet. De grond, waarop gij u bevindt, behoort aan de Indianen en wel aan de Apachen, van den stam der Mescaleros. Ik weet zeer beslist, dat zij dezen grond noch verkocht noch aan iemand afgestaan hebben.
—Wat gaat u dat aan?—riep Rattler hem nu toe.—Bemoei u niet met de zaken van een ander, maar met uw eigen.
—Dat doe ik ook, sir, dat doe ik, want ik ben een Apache, ja zelfs een Mescalero.
—Gij? kom, laat u niet uitlachen, men moest wel blind zijn als men niet zag, dat gij een blanke zijt.
—Gij vergist u toch! Oordeel niet naar mijn huid, maar naar mijn naam, ik word Kleki-Petra genoemd.
Deze naam beteekent in de taal der Apachen, wier dialecten ik destijds nog niet kende, zooveel als: „blanke vader”. Rattler scheen dezen naam vroeger gehoord te hebben, want hij deed verwonderd een stap achteruit en zeide:
—Zoo, Kleki-Petra, de beroemde schoolmeester der Apachen. Jammer, dat gij een bochel hebt, want de roode bengels zullen u wel geducht uitlachen.
—O, dat is niets, sir, want ik ben er al aan gewend door bengels te worden uitgelachen, verstandige menschen doen het niet. En nu ik weet, wie gij zijt en wat gij doet, kan ik u ook zeggen, wie mijn geleiders zijn. Het is maar ’t beste, dat ik ze aan u voorstel.
Hij riep een Indiaansch woord, dat ik niet verstond en weldra kwamen twee buitengewoon interessante persoonlijkheden met langzamen en waardigen tred op ons toe. Het waren Indianen en wel vader en zoon, wat men op het eerste gezicht duidelijk zag.
De oudste was van iets meer dan middelbare lengte en daarbij zeer krachtig gebouwd, zijn houding had iets voornaams en edels en uit zijn bewegingen kon men opmaken dat hij handig en sterk was. Zijn ernstig gezicht was echt Indiaansch, maar niet zoo scherp geteekend, als bij de meeste roodhuiden. Zijn oog had een kalme, bijna zachte uitdrukking, welke hem bij zijn stamgenooten bemind moest doen maken. Zijn hoofd was onbedekt, en het donkere haar was in een soort van helmvormigen knoop opgebonden, waarin een adelaarsveer, het teeken zijner waardigheid als hoofdman, prijkte. De kleeding bestond uit mokassins, leggins met franjes, een lederen jachthemd, alles zeer eenvoudig en gelijk gemaakt. In den gordel stak een mes, en hingen verscheidene buidels, welke allerlei kleinigheden bevatten, noodig voor een prairieman. De medicijnbuidel hing om zijn hals, daarnaast de vredespijp met den uit heilige klei gesneden kop. In de hand hield hij een geweer met dubbelen loop, waarvan de kolf met zilveren spijkertjes was beslagen. Dit was het geweer, hetwelk later door zijn zoon Winnetou onder den naam van zilverbuks, zoo beroemd zou worden.
De jongste was op dezelfde wijze gekleed als zijn vader, maar alleen was alles een weinig sierlijker. Zijn mokassins waren met stekelvarkensborstels en de naden van zijn leggins en van zijn jachthemd met fijne, roode draadjes afgewerkt. Ook hij droeg den medicijnbuidel om den hals en het calumet. Zijn wapens bestonden ook uit een dubbelloopsgeweer en een mes. Hij droeg eveneens geen hoed of muts en had het haar opgestoken, zonder het evenwel met een veer te versieren, maar het was zoo lang en dik, dat menige dame hem daarom zou hebben benijd. Zijn gelaat was bijna nog schooner en edeler dan dat van zijn vader, en de kleur was lichtbruin met gebronsde tint. Hij was, naar ik toen reeds vermoedde en later zeker kwam te weten, ongeveer even oud als ik, en maakte reeds bij deze eerste ontmoeting een diepen indruk op mij. Ik voelde dat hij een goed mensch was en bovendien zeer begaafd moest zijn. Wij zagen elkander met een langen, onderzoekenden blik aan, toen meende ik te zien, dat in zijn donkere oogen een vriendelijk licht glansde, als een groet, welke de zon door de wolken werpt.
Dit klonk wel wat overdreven, maar was toch, naar ik later ondervond, niet te veel gezegd. Rattler evenwel lachte hoonend en riep:—Zulk een jong man zou reeds zoovele heldendaden hebben gedaan? Het zullen wel niet veel anders zijn geweest, dan dieverijen en rooverijen, de roodhuiden stelen en rooven altijd.
Dit was een grove beleediging, maar de drie vreemdelingen deden, alsof ze deze woorden niet gehoord hadden. Zij gingen naar den beer en bezagen dien, terwijl Kleki-Petra daarbij op zijn knieën ging liggen.
—Hij is aan de messteken en niet aan de kogels gestorven,—zeide hij, zich tot mij wendend. Hij had den twist tusschen Rattler en mij mee aangehoord en wilde nu openlijk zeggen, dat ik gelijk had gehad.
—Dat zal nog moeten blijken,—meende Rattler.—Hoe zou zulk een gebochelde schoolmeester verstand hebben van de berenjacht. Als wij zoo aanstonds de huid hebben afgestroopt, zullen wij duidelijk zien, welke wonde doodelijk geweest is. Ik laat mij door geen „greenhorn” mijn recht betwisten.
Nu bukte Winnetou zich ook over den dooden beer heen, betastte hem op de plaatsen waar hij bloedde en vroeg mij, toen hij zich weer oprichtte:
—Wie heeft dit dier met een mes aangevallen?
Hij sprak daarbij zuiver Engelsch.
—Ik—antwoordde ik kort.
—Waarom heeft mijn jonge, blanke broeder niet op hem geschoten?
—Omdat ik geen geweer bij mij had.
—Hier liggen toch geweren?
—Die zijn niet van mij. De eigenaars wierpen ze weg en klommen in de boomen.
—Toen wij het spoor van den beer volgden, hoorden wij in de verte een vreeselijk angstgeschreeuw, waar was dat?
—Hier.
—Zoo. De eekhoorntjes en stinkdieren klimmen in de boomen, wanneer de vijand nadert. De man evenwel moet strijden, want wanneer hij moed bezit, is hem ook de macht gegeven zelfs het sterkste dier te overwinnen. Mijn jonge, blanke broeder heeft dien moed bezeten. Waarom wordt hij dan een „greenhorn” genoemd?
—Omdat ik voor ’t eerst en nog maar kort in ’t Westen ben.
—De blanken zijn zonderlinge menschen. Bij hen wordt een jongeling, die met een mes den verschrikkelijken Grizzly aanvalt, een „greenhorn” genoemd, terwijl zij, die uit vrees in de boomen klimmen of van angst schreeuwen, voor flinke prairiemannen worden aangezien. De roodhuiden zijn rechtvaardiger. Bij hen kan een dapper man nooit een lafaard en een lafaard nooit een dapper man worden genoemd.
—Mijn zoon heeft zeer goed gesproken,—stemde zijn vader toe, in iets minder zuiver Engelsch.—Deze moedige, jonge blanke is geen „greenhorn” meer. Wie den Grizzly op deze wijze neerlegt, is een groote held. En wie het daarenboven doet om anderen te redden, die in de boomen klimmen, die mag van dezen dank, maar geen schimpwoorden verwachten. Howgh! Laat ons nu eens gaan zien, waarom de blanken zich hier in deze streken bevinden.
Welk een verschil tusschen mijn blanke metgezellen en de door hen verachte Indianen! De aangeboren rechtvaardigheidszin der roodhuiden noopte hen, ongevraagd ten mijnen gunste te spreken. Het was zelfs eenigszins gewaagd, dit te doen. Zij waren slechts met hun drieën en wisten niet hoeveel man wij sterk waren, en het was dus voor hen gevaarlijk, zich het ongenoegen van onze prairiejagers op den hals te halen. Zij schenen zich daaraan echter niet te storen. Langzaam en met fiere schreden, gingen zij ons voorbij naar de vlakte. Wij volgden hen. Daar zag Intschu Tschuna de meetpalen staan, en zich tot mij wendend, vroeg hij:
—Wat wordt hier gedaan? Willen de blanken dit land misschien opmeten?
—Ja.
—Met welk doel?
—Om een spoorweg aan te leggen.
Zijn oog begon te fonkelen en met eenige haast vroeg hij mij:
—En behoort gij tot die lieden?
—Ja.
—Hebt gij ook opgemeten?
—Ja.
—En wordt gij daarvoor betaald?
—Ja.
Toen wierp hij mij een minachtenden blik toe en even minachtend klonk zijn stem, toen hij tot Kleki-Petra zeide:
—Uw leerredenen klinken mooi maar in werkelijkheid zijn zij niets waard. Daar ontmoet men nu eindelijk eens een jongen blanke met een dapper hart, en een eerlijk gezicht, maar als men hem vraagt, wat hij hier komt doen, dan hoort men, dat het is om ons land te stelen. De gezichten der blanken mogen goed zijn of boos, innerlijk zijn zij toch allen gelijk!
Eerlijk gezegd zou ik geen woorden hebben kunnen vinden om mij te verdedigen, ik gevoelde mij veel te beschaamd. De hoofdman had gelijk, kon ik, christen, trotsch zijn op mijn beroep?
De hoofdingenieur was met de andere drie opzichters in de tent gebleven uit vrees voor den beer. Toen zij ons aan zagen komen, waagden zij het naar buiten te gaan, niet weinig verbaasd dat zij de Indianen bij ons zagen. Hun eerste vraag was natuurlijk, hoe wij ons tegen den beer hadden verdedigd. Snel antwoordde Rattler:
—Wij hebben hem doodgestoken en vanmiddag krijgen wij berenklauw en van avond ham.
Onze drie gasten zagen mij aan, of ik mij dit liet welgevallen, daarom maakte ik de opmerking:
—En ik beweer, dat ik hem doodgestoken heb. Hier staan drie deskundigen, die mij gelijk hebben gegeven, maar dat is niet voldoende. Als Hawkins, Stone en Parker zoo aanstonds terugkomen, kunnen ook zij hun oordeel zeggen en daaraan zullen wij ons houden, tot zoolang evenwel blijft de beer onaangeroerd liggen.
—Wat geef ik om het oordeel van die drie!—bromde Rattler.—Ik ga met mijn kameraden heen, om den beer te stroopen en wie mij dat wil verhinderen, dien jaag ik een kogel door den kop.
—Niet zulke groote woorden, Mr. Rattler! Ik ben niet zoo bang voor uw kogels, als gij voor den beer. Gij jaagt mij niet in een boom! Ik heb er niets tegen, dat gij er heengaat, maar ik verwacht dat gij dit doet om uw dooden makker te begraven, gij zult hem toch zeker zoo niet laten liggen?
—Is er een doode?—riep Mr. Bancroft verschrikt.
—Ja, Rollins,—antwoordde Rattler,—die arme drommel heeft zijn leven moeten laten, door de domheid van een ander.
—Hoe dat, wiens domheid?
—Welnu, hij deed net als wij en wilde in een boom klimmen, maar daar kwam die „greenhorn” in eens aan en maakte den beer boos, die zich toen woedend op Rollins wierp.
Dat was dan toch wat al te kras, ik was sprakeloos van verbazing. De zaak zoo voor te stellen en dat nog wel, terwijl ik er zelf bij was, dat kon ik toch niet dulden!
—Meent gij dat in ernst Mr. Rattler?—vroeg ik.
—Yes,—knikte hij vastberaden, en meteen haalde hij een revolver voor den dag, daar hij een aanval van mij scheen te verwachten.
—Zou Rollins zich hebben kunnen redden, als ik niet gekomen was?
—Yes.
—Maar ik meende, dat de beer hem reeds beet had, toen ik kwam.
—Dat is niet waar!
—Wel, dan zult ge nu de waarheid hooren of liever voelen.
Bij deze woorden sloeg ik hem met de linkerhand de revolver uit de hand en gaf hem met de rechter zulk een geweldige oorvijg, dat hij wel zes of acht pas weg stoof en daar op den grond viel. Hij stond evenwel dadelijk op en kwam, als een woedend dier, brullend op mij aan. Ik pareerde den messteek met de linkerhand en sloeg hem met de rechtervuist op den slaap, dat hij bewusteloos aan mijn voeten viel.
—Oef, oef!—riep Intschu Tschuna verbaasd, terwijl hij van bewondering over dezen forschen slag zijn gewone Indiaansche terughoudendheid vergat.
—Dat was weer Shatterhand,—zeide de landmeter Wheeler.
Ik lette niet op deze woorden, maar hield mijn oog gericht op Rattler’s kameraden, zij waren woedend, maar geen van hen waagde het voor hun kameraad op te komen. Zij bromden en vloekten onder elkaar, maar dat was ook alles, wat zij deden.
—Neem Rattler toch eens ernstig onderhanden,—zoo wendde ik mij tot den hoofdingenieur,—ik heb hem niets misdaan en toch heeft hij het altijd op mij begrepen. Ik vrees, dat er nog eens moord of doodslag van komt. Stuur hem weg en wilt ge dit niet doen, welnu, dan ga ik.
—Kom, kom, zoo ernstig is de zaak toch niet!
—Ja zeker, zoo ernstig is zij wel. Hier hebt gij zijn revolver en zijn mes. Geef hem deze wapens niet terug, voor hij kalm is geworden. Want ik zeg u, ik zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen, en als hij weer met een wapen op mij aankomt, schiet ik hem neer. Gij noemt mij wel een „greenhorn”,—maar ik ken de wetten der prairie. Wie mij met mes of kogel dreigt, dien heb ik het recht, neer te schieten.
Deze woorden waren natuurlijk evengoed bestemd voor al Rattler’s kameraden en geen van hen zeide een woord. Nu wendde zich de hoofdman Intschu Tschuna tot den hoofdingenieur:
—Mijn oor heeft nu gehoord, dat gij onder de blanken degene zijt, die hier het opperbevel voert. Is dit werkelijk zoo?
—Ja,—antwoordde Bancroft.
—Ik heb dus met u te spreken?
—Waarover?
—Dat zult gij vernemen. Gij staat, maar mannen, die met elkander zullen beraadslagen, moeten gaan zitten.
—Wilt gij onzen gast zijn?
—Neen, dat is onmogelijk, hoe kan ik uw gast zijn, terwijl gij u op mijn bodem, in mijn bosch, in mijn dal en mijn prairie bevindt. De blanke mannen kunnen gaan zitten. Wat zijn dat voor blanken, die daar nog aan komen?
—Zij behooren tot ons gezelschap.
—Zij kunnen dus ook gaan zitten.
Sam, Dick en Will kwamen namelijk nu van hun rit terug. Zij, als ervaren prairiejagers, verwonderden zich niet bijzonder over de aanwezigheid der Indianen, maar toen zij hoorden, wie dit waren, gevoelden zij zich toch niet erg op hun gemak.
—En wie is de derde?—vroeg Sam mij.
—Hij heet Kleki-Petra en Rattler noemde hem den schoolmeester.
—Kleki-Petra, de schoolmeester? Wel, ik heb dikwijls van hem gehoord, als ik mij niet vergis. Dat is een zeer geheimzinnig mensch, een blanke, die reeds jaren onder de Apachen leeft en een soort van zendeling schijnt te zijn. ’t Verheugt mij zeer, hem te zien.
’k Zal hem eens op den tand voelen, hihihihi!
—Als hij dat ten minste toelaat.
—Hij zal mij toch niet in den vinger bijten? Is er anders nog iets gebeurd?
—Ja.
—Wat dan?
—Iets zeer gewichtigs.
—Vertel dan op.
—Ik heb iets gedaan, waarvoor gij mij hadt gewaarschuwd.
—’k Weet niet, wat gij bedoelt. ’k Heb u voor zooveel gewaarschuwd.
—De Grizzlybeer.
—Wat-wat-wa-at? Is hier een grijze beer geweest?
—En nog wel een groote!
—Waar dan, waar, kom, gij houdt mij voor den gek.
—Waarachtig niet, hij was daarginds in het bosch, hij had den ouden stier meegesleept.
—Werkelijk, ach waarom moest dat nu juist gebeuren, terwijl wij er niet waren. Zijn er dooden gevallen?
—Een, Rollins.
—En gij, wat hebt gij gedaan? Gij zijt toch op een afstand gebleven?
—Ja.
—Goed zoo, maar ik kan het haast niet gelooven.
—Geloof het gerust, ik ben op zulk een afstand gebleven, dat hij mij niets kon doen, maar ik hem viermaal met mijn mes tusschen de ribben kon stooten.
—Wees toch wijzer, hebt gij hem met het mes aangevallen?
—Ja, ik had mijn geweer niet bij mij.
—Wat een echte „greenhorn” zijt gij toch nog! Die heeft me een extra zwaren berendooder meegenomen en nu de beer komt, doodt hij hem met het mes, in plaats van met het lood. Hoe is ’t mogelijk, hoe kwam dat toch?
Ik vertelde hem hoe alles gebeurd was, en ook dat ik weer eens voor een enkelen keer ruzie met Rattler had gehad.
—Mensch, gij zijt werkelijk ongelooflijk lichtzinnig!—riep hij uit.—Heeft nog nooit een Grizzlybeer gezien en gaat er op los, alsof ’t een oude poedelhond was. Ik moet dat dier dadelijk eens in oogenschouw gaan nemen, komt mee Dick en Will, gij moet toch ook eens zien, wat voor dommen streek die „greenhorn” weer uitgehaald heeft. Hij wilde weggaan, maar daar Rattler intusschen weer bijgekomen was, wendde hij zich eerst tot dezen:
—Hoor eens, Mr. Rattler ik heb u iets te zeggen, gij hebt weer ruzie gemaakt met mijn jongen vriend. Als dit nog eens gebeurt, zal ik zorgen dat het voorgoed gedaan is. Mijn geduld is ten einde, onthoud dat!
Hij verwijderde zich met Stone en Parker. Rattler zette een woedend gezicht maar zeide niets.
De beide Indianen en Kleki-Petra waren intusschen in het gras gaan zitten. De hoofd-ingenieur zat tegenover hen, maar het gesprek scheen niet te willen vlotten, zij wachtten blijkbaar op de terugkomst van Sam. Toen deze na eenige oogenblikken verscheen, riep hij reeds van verre:
—Wat dom om op den Grizzlybeer te schieten en dan te vluchten, als men hem niet aandurft, doet men beter in ’t geheel niet te schieten en hem met rust te laten, dan doet hij niets. Die Rollins is vreeselijk toegetakeld. En wie heeft nu eigenlijk de beer gedood?
—Ik!—riep Rattler haastig.
—Gij, waarmee dan?
—Met mijn kogel.
—Wel, dat komt uit, dat is waar.
—Zoo, dat dacht ik ook.
—Ja, de beer is door een kogel gestorven.
—Dus behoort hij mij. Hoort ge ’t nu kameraden. Sam Hawkins heeft mij gelijk gegeven,—schreeuwde Rattler triomfantelijk.
—Dat wil zeggen. Uw kogel is zijn kop voorbijgegaan en heeft een puntje van zijn oor meegenomen. En aan zulk een wondje sterft zoo’n Grizzly zeker dadelijk, hihihihi! Als er meer zijn geweest die geschoten hebben, dan zijn hun kogels hem eveneens voorbijgegaan, want er is anders geen spoor van een kogelwond te vinden. Maar wel zie ik vier geduchte messteken, twee naast het hart en twee er juist in. Wie heeft die steken gedaan?
—Ik,—was mijn antwoord.
—Gij alleen?
—Ik alleen.
—Dan behoort de beer aan u. Dat wil zeggen, daar wij één gezelschap vormen, is de pels voor u en het vleesch behoort aan ons allen te zamen, maar gij hebt te zeggen, hoe het verdeeld zal worden. Zoo is het gebruik in de Far-West. Wat zegt gij nu daarvan, Mr. Rattler?
—Loop naar den duivel!
Hij liep bij deze woorden al vloekend naar den wagen, waarop het brandewijnvat lag, ik zag dat hij den brandewijn in den beker liet loopen en wist dat hij nu zoolang zou drinken, tot hij niet meer kon.
Deze aangelegenheid was dus geregeld en nu noodigde Bancroft het Opperhoofd der Apachen uit, zijn wenschen kenbaar te maken.
—Ik kom niet met wenschen maar met bevelen,—antwoordde Intschu Tschuna trotsch.
—Wij nemen geen bevelen aan,—verzekerde de hoofd-ingenieur even trotsch.
Een oogenblik verduisterde het gezicht van den Apache, maar hij beheerschte zich en vervolgde op kalmen toon:
—Mijn blanke broeder moet mij eenige vragen naar waarheid beantwoorden. Heeft hij een huis, waarin hij woont?
—Ja.
—En een tuin daarbij?
—Ja.
—Wanneer nu een buurman een weg wil aanleggen door dien tuin, zou mijn broeder dit dulden?
—Neen.
—De landen aan gene zijde van het Rotsgebergte en ten oosten van den Mississippi hooren aan de blanken. Wat zouden zij er van zeggen, wanneer de Indianen kwamen en daar wegen wilden maken?
—Zij zouden ze wegjagen.
—Mijn broeder heeft de waarheid gesproken. Maar nu komen de blanken hier in het land, dat ons behoort, zij vangen onze mustangs, zij dooden onze buffels, zij zoeken bij ons goud en edelgesteenten. Nu willen zij zelfs een langen, langen weg aanleggen, waarop hun ijzeren ros zal gaan. Langs dezen weg komen dan telkens meer bleekgezichten, die ons overvallen en ons langzamerhand nog zullen berooven van het weinige, dat men ons nog gelaten heeft, wat zullen wij dan doen?
Bancroft zweeg.
—Hebben wij misschien minder rechten dan gij? Gij noemt u Christen en hebt den mond vol van Liefde. Daarbij echter besteelt en berooft gij ons, terwijl wij eerlijk moeten zijn tegenover u. Is dat Liefde? Gij zegt, uw God is de Vader van alle blanken en roodhuiden. Is hij nu onze stiefvader en uw eigen vader? Behoorde niet het geheele land aan ons? Men heeft het ons ontnomen, en wat heeft men er ons voor in de plaats gegeven? Ellende en nog eens ellende! Gij jaagt ons steeds verder, tot dat wij eindelijk nergens meer plaats zullen hebben. Waarom doet gij dat? Uit nood? Omdat gij zelf ruimte noodig hebt? Neen, enkel uit hebzucht, want in uw landen is nog plaats voor millioenen. Ieder van u zou wel een staat voor zich willen hebben, maar men gunt den Roodhuid wiens land dit is, geen plek, waar hij zijn hoofd rustig kan neerleggen. Kleki-Petra, die hier naast mij zit, heeft mij van uw heilig boek verteld. Daarin staat te lezen, dat de eerste mensch twee zonen had, van wien de een den ander versloeg. Hoe gaat het nu met den rooden en den blanken broeder? Zijt gij niet Kaïn en wij Abel, wiens bloed ten hemel schreit? En dan verlangt gij nog, dat wij ons zullen laten ombrengen, zonder ons te verweren. Neen, wij zullen ons verweren! Wij zijn verjaagd van de eene plaats naar de andere. Nu wonen wij hier. Wij meenden hier te kunnen uitrusten en rustig te kunnen ademen, maar daar komt gij weer, om een spoorweg aan te leggen. Hebben wij dan niet hetzelfde recht gelijk gij? Wilden wij naar onze wetten handelen, dan moesten wij u allen dooden, maar wij willen alleen, dat uw wetten ook voor ons zullen gelden. Doen zij dat? Neen, uw wetten zijn voor twee uitleggingen vatbaar, en men legt ze uit, zooals men wil. Gij wilt hier een weg maken, hebt gij ons om verlof gevraagd?
—Neen, want wij hebben uw permissie niet noodig.
—Waarom niet? behoort dit land aan u?
—Ik geloof van ja.
—Neen, het behoort ons, hebt gij het van ons gekocht?
—Neen.
—Hebben wij het u geschonken?
—Neen, niet aan mij ten minste.
—En ook aan niemand anders. Als gij een eerlijk man zijt en hierheen zijt gezonden, om een weg voor uw ijzeren ros te leggen, dan moet gij eerst aan den man, die u zendt, vragen of hij het recht heeft dit te doen en u dat kan bewijzen. Dit hebt gij niet gedaan, ik verbied u dus verder te gaan met uw opmetingen!
Dit laatste zeide hij met zooveel nadruk, dat ik den Indiaan met verbazing aanstaarde. Ik had vele boeken gelezen over dat ras, en ook vele redevoeringen gelezen door Indianen gehouden, maar zoo één als deze nooit. Intschu Tschuna sprak tamelijk zuiver Engelsch, zijn wijze van redeneeren, was die van een beschaafd man. Zou hij dit alles van Kleki-Petra hebben geleerd?
De hoofdingenieur gevoelde zich zeer in het nauw gebracht. Als hij eerlijk en oprecht wilde zijn, kon hij tegen deze beschuldigingen niets inbrengen. Hij wilde weliswaar eenige tegenwerpingen maken, maar gevoelde dat dit eigenlijk maar nietswaardige praatjes waren. Toen de hoofdman nu weer begon en hem hoe langer hoe meer in ’t nauw dreef, wendde hij zich tot mij:
—Maar sir, hoort gij dan niet waarover gesproken wordt? Zeg toch ook eens een woordje.
—Dank u wel, Mr. Bancroft, ik ben hier als landmeter en niet als advocaat. Red u zelf er maar uit, ik heb met deze zaak niets te maken.
Toen vervolgde de hoofdman op zeer beslisten toon:
—Het is niet noodig verder over deze zaak te redetwisten, ik heb u gezegd, dat ik u niet hier duld. Ik eisch, dat gij nog vandaag van hier vertrekt, overlegt met elkaar of gij zult gehoorzamen of niet. Ik ga nu met mijn zoon Winnetou weg en zal terugkomen na den tijd, dien de blanken een uur noemen. Dan moet gij mij het antwoord geven. Gaat gij, dan zijn wij broeders, gaat gij niet, dan wordt de oorlogsbijl tusschen u en ons opgegraven. Ik ben Intschu Tschuna, het opperhoofd der Apachen, ik heb gezegd! Howgh!
Howgh is een Indiaansch woord, en beteekent zooveel als Amen. „basta” „daarbij blijft het,” „zoo zij het”, en anders niet.
Hij stond op en Winnetou volgde zijn voorbeeld, en weinige oogenblikken later waren zij uit het gezicht verdwenen. Kleki-Petra was blijven zitten en de hoofdingenieur wendde zich tot hem, om raad. De zonderlinge man gaf hem ten antwoord:
—Doe wat gij wilt, sir, ik ben het geheel met het opperhoofd eens. Er wordt een groot onrecht begaan aan het roode ras. Maar als blanke weet ik ook, dat de Indiaan zich tevergeefs tegen de overmacht verzet. Als gij vandaag weggaat, zullen er morgen anderen komen, die uw werk voortzetten, maar waarschuwen wil ik u toch, de hoofdman meent het ernstig.
—Waar is hij nu naar toe gegaan?
—Hij zal onze paarden zijn gaan halen.
—Hebt gij die dan bij u?
—Natuurlijk, wij hebben ze verborgen, toen wij bemerkten, dat er een beer in de nabijheid was. Men zoekt toch geen beer te paard op.
Hij ging opstaan en slenterde heen, klaarblijkelijk om verdere vragen te ontgaan.
Ik liep hem na en vroeg toch:
—Sir, staat gij mij toe, met u te gaan? Ik beloof u, niets te zullen zeggen of doen, wat u onaangenaam kan zijn, maar ik stel zoo oneindig veel belang in Intschu Tschuna en in zijn zoon Winnetou.
Dat ook hij mij groote belangstelling inboezemde, wilde ik niet zoo rechtuit zeggen.
—Ja, kom dan maar mee, sir,—antwoordde hij.—Ik heb mij van de blanken afgescheiden, ik wil niets meer met hen te maken hebben, maar gij bevalt mij en ik wil gaarne een wandeling met u doen. Gij schijnt mij de verstandigste van al deze menschen te zijn, heb ik gelijk?
—Ik ben de jongste en volstrekt niet „smart,” en ik zal dit ook wel nooit worden.
—Niet? „Smart” dat is toch meer of minder ieder Amerikaan?
—Ik ben geen Amerikaan.
—Wat dan, als ik niet onbescheiden ben?
—Zeker niet. Ik heb volstrekt geen reden om den naam van mijn vaderland, dat ik zeer liefheb, te verzwijgen. Ik ben een Duitscher.
—Een Duitscher?—vroeg hij, terwijl hij mij even aanzag.—Dan heet ik u welkom, wij zijn landgenooten en dat was het dus, dat mij zoo in u aantrok. Wij Duitschers zijn eigenaardige menschen. Onze harten gevoelen zich verwant, nog vóór dat wij weten, dat wij tot één land behooren. Een Duitscher, die een echte Apache geworden is, lijkt u dat niet vreemd?
—Zoo heel vreemd niet, Gods wegen zijn somtijds zoo ondoorgrondelijk.
—Gods wegen? Waarom spreekt gij van God en niet van de Voorzienigheid, het Noodlot, Fatum of Kismet?
—Omdat ik een christen ben en mij mijn God niet laat ontnemen.
—Goed zoo, gij zijt een gelukkig mensch. Ja, gij hebt gelijk, God leidt ons soms langs vreemde wegen; maar altijd volgens natuurlijke wetten. Een Duitscher, een gestudeerde, een geleerde van naam, en nu een echte Apache, dat lijkt vreemd, maar de weg, die mij tot dit doel heeft gevoerd, was zeer geleidelijk.
Hoewel Kleki-Petra mij eerst, een weinig tegen zijn zin, had meegenomen, scheen hij nu blij te zijn, zich eens vrij te kunnen uitspreken.
Ik bemerkte weldra, dat hij een man van bijzonder karakter was, maar ik wachtte mij wel, ook maar de geringste toespeling te maken op zijn verleden. Hij evenwel was minder bescheiden dan ik, en met de grootste vrijmoedigheid, vroeg hij mij naar mijn omstandigheden. Ik antwoordde hem zoo uitvoerig mogelijk, en dit scheen hem zeer te bevallen. Wij waren intusschen niet ver van de legerplaats onder een boom gaan zitten. Ik kon zijn gezicht goed opnemen. Het leven had diepe voren in zijn voorhoofd gegrift, twijfel, zorg, armoede en ontbering waren hem niet gespaard gebleven. Hoe dikwijls moest hij niet somber, dreigend, toornig, angstig, misschien ook wanhopend om zich heen hebben gezien, nu evenwel was zijn oog helder en kalm als het meer, dat door geen windje wordt bewogen, maar toch zoo diep is, dat men niet kan zien wat op den bodem verborgen ligt. Toen hij alles, wat hij wilde weten, van mij had gehoord, knikte hij zachtjes en sprak:
—Gij staat aan het begin van het leven, dat ik heb doorgemaakt, maar gij zult niet den innerlijken strijd hebben, die ik gehad heb. Gij hebt God, den Heer, die u nooit zal verlaten. Ik had mijn God verloren, toen ik mijn vaderland verliet, en nam in plaats van een vast geloof, dat steunt en sterkt, het ergste mee wat een mensch kan bezitten een—kwaad geweten.
Hij zag mij bij deze woorden onderzoekend aan, maar toen mijn gezicht kalm bleef vroeg hij:
—Schrikt gij daar niet van?
—Neen.
—Maar een kwaad geweten, denk eens na!
—Wel, gij zijt toch geen dief, geen moordenaar geweest? tot lage daden waart gij niet in staat.
Hij drukte mij de hand en vervolgde:
—Ik dank u hartelijk! En toch vergist gij u, ik was een dief, want ik heb veel, zelfs zeer veel gestolen! en wel kostbare goederen! En moordenaar was ik ook! Hoevele zielen heb ik niet vermoord! Ik was leeraar aan een school, waar, dat doet er niet toe. Mijn grootste trots bestond hierin, een vrijdenker te zijn, God te hebben afgezworen, te kunnen bewijzen dat het geloof aan God onzin was. Ik was een uitstekend redenaar en sleepte mijn hoorders mee. Het onkruid, dat ik zaaide, groeide welig op, geen korreltje ging verloren en zoo werd ik de dief, de moordenaar, die aan de menigte haar geloof ontnam en in haar het vertrouwen op God doodde. Toen kwam de revolutie. Wie geen God meer erkent, dien is ook geen koning of overheid heilig. Ik wierp mij op als leider der ontevredenen, zij dronken mij letterlijk de woorden van de lippen, dat bedwelmende gif, dat ik helaas voor heilzame artsenij hield. Zij grepen naar de wapenen, ach, hoevelen zijn er in den strijd gevallen! Ik was hun moordenaar en niet alleen van dezen, maar nog van vele anderen die achter kerkermuren stierven. Natuurlijk vervolgde men mij, ik ontkwam. Ik verliet het vaderland, geen levende ziel weende om mij, ik had vader noch moeder meer, evenmin broeders of zusters of andere bloedverwanten. Den dag vóór ik de grenzen bereikte, zat de politie mij op de hielen. Ik bevond mij in een klein fabrieksdorpje en, op het toeval vertrouwend, liep ik door een klein tuintje een armoedig huisje binnen, bescherming vragend aan een oud moedertje en haar dochter. Zij gaven mij een schuilplaats, ter wille van hun mannen, wier kameraad ik geweest was en onder tranen vertelden zij mij, wat hun was overkomen. Zij waren arm maar tevreden geweest, de dochter was pas een jaar geleden getrouwd. Haar man hoorde een van mijn redevoeringen en kwam geheel onder den indruk daarvan. Hij nam zijn schoonvader mee naar de eerstvolgende vergadering en het gif werkte ook op dezen. Ik had dezen vier braven menschen hun levensgeluk ontnomen. De jonge man viel op het slagveld, dat geen veld van eer was, en de oude vader werd tot tuchthuisstraf veroordeeld. Dit vertelden de vrouwen aan mij, dien zij gered hadden en die de schuld droeg van hun ongeluk. Zij noemden mijn naam, als dien van den verleider. Ik zat naast hen, als door den bliksem getroffen, en van dit oogenblik af had ik geen rust meer. De vrijheid had ik behouden maar innerlijk leed ik, zooals zelden een mensch heeft geleden. Ik zwierf van het eene land naar het andere, maar zonder ergens rust te vinden. Mijn geweten pijnigde mij onophoudelijk en meermalen stond ik op het punt zelfmoord te plegen—een onzichtbare hand hield mij steeds terug,—Gods hand. Zij leidde mij na jaren van ellende en berouw naar een Duitschen predikant in Kansas, die mijn zielelijden begreep en mij overreedde, mijn hart voor hem uit te storten. Gelukkig deed ik dit en, eerst na langen tijd van twijfel, vond ik mijn geloof en vertrouwen terug. Mijn God, hoe zal ik U daarvoor danken!
Hij hield even op, vouwde de handen en sloeg de oogen ten hemel, toen vervolgde hij:
—Om mij zelf op de proef te stellen, nam ik afscheid van de wereld en de menschen en ging in de wildernis. Maar geloof alleen maakt niet zalig, de daden moeten daarvan een uitvloeisel zijn. Ik wilde werken. Toen zag ik het roode ras zich wanhopig verzetten tegen den ondergang; ik zag zijn moordenaars aan het werk, en het hart vloeide mij over van toorn, medelijden en erbarmen. Zijn lot was beslist; ik kon het niet redden, maar één ding was mij mogelijk: ik kon zijn dood verzachten en zijn laatste oogenblikken verhelderen met het licht der Liefde en der Verzoening. Ik sloot mij aan bij de Apachen en leefde en werkte onder hen. Het is mij gelukt hun vertrouwen te verwerven. Ik wilde dat gij Winnetou kondet leeren kennen, hij is, om zoo te zeggen, het resultaat van mijn werk. Deze jongeling is bijzonder begaafd, ware hij de zoon van een Europeesch staatshoofd, hij zou een groot veldheer en een nog grooter vredevorst zijn; als erfgenaam van een Indiaansch Opperhoofd, zal hij ondergaan, evenals zijn geheele ras ondergaat! Mocht ik toch den dag beleven waarop hij zich een Christen zal noemen! En mocht ik dat niet beleven, dan wil ik toch tot aan mijn dood bij hem blijven, om hem te steunen in oogenblikken van gevaar en verleiding. Hij is mijn geesteskind, ik heb hem lief meer dan mij zelf, en mocht mij het geluk beschoren zijn, den kogel, die voor hem bestemd was, in mijn hart op te vangen, dan zou ik met vreugde voor hem sterven en denken, dat deze dood tegelijk een laatste boetedoening was voor mijn vroegere zonden!
Hij zweeg en boog het hoofd. Ik was diep geroerd en zeide niets, want ik had het gevoel, dat elke opmerking na zulk een bekentenis triviaal moest klinken, maar ik nam zijn hand in de mijne en drukte die hartelijk. Hij begreep mij en knikte mij toe.
Eerst na geruimen tijd ging hij voort:
—Hoe het komt, dat ik u dit alles heb verteld? Ik zie u vandaag voor het eerst van mijn leven en zal u waarschijnlijk nooit weerzien. Of is het Gods wil, dat ik u hier ontmoet? Ge ziet het, de vroegere godloochenaar wil nu alles op dien Hoogeren Wil terugbrengen. Ik ben zoo zonderling te moede, ik gevoel iets van de stemming welke over iemand komt wanneer in den herfst de bladeren vallen. Hoe zal het blad mijns levens vallen? Of zal het afgescheurd worden, nog voor de natuurlijke tijd is gekomen?
Hij zag als in stil verlangen naar beneden in het dal. Van dien kant zag ik Intschu Tschuna en Winnetou komen. Zij zaten te paard en voerden dat van Kleki-Petra aan den teugel mee. Wij stonden op om naar de legerplaats te gaan, waar wij tegelijk met hen aankwamen. Rattler stond met een vuurrood opgezet gezicht bij den wagen en staarde ons verwoed aan. Hij had zooveel gedronken, dat hij nauwelijks op de beenen kon staan, een type van een verdierlijkt mensch. Zijn blik was schuw en verradelijk en ik besloot hem in ’t oog te houden.
De hoofdman en Winnetou waren van hun paarden gestegen en kwamen nu op ons toe.
—Welnu, hebben mijn blanke broeders overlegd, of zij weg willen gaan of niet?—vroeg Intschu Tschuna.
De hoofdingenieur, die te midden der zijnen stond, antwoordde:
—Al wilden wij zelf ook weggaan, zoo moeten wij toch wel hier blijven, tot de bode, dien ik vandaag nog naar Santa-Fé zal zenden, terug is, dan kan ik u antwoord geven.
Dat was zoo kwaad niet bedacht, want tegen den tijd dat de bode terug kon komen, zouden wij reeds met ons werk gereed zijn.
De hoofdman zeide evenwel op beslisten toon:
—Zoolang kan ik niet wachten. Mijn blanke broeders moeten dadelijk zeggen wat zij willen.
Rattler had intusschen een beker met brandewijn gevuld en kwam op ons toe. Ik dacht, dat hij ’t op mij begrepen had, maar hij wendde zich tot de beide Indianen.
—Wanneer gij beiden met mij wilt drinken, zullen wij uw zin doen en van hier gaan, anders niet. De jongste mag eerst proeven, hier hebt gij vuurwater, Winnetou!
Deze ging echter met een afwerend gebaar achteruit.
—Wat? wilt gij geen dronk met mij wisselen, dat is een grove beleediging. Hier, daar hebt gij den brandewijn in ’t gezicht, vervloekte roodhuid; lik het af, als gij het dan niet wilt drinken!
Eer een van ons het kon verhinderen, wierp hij den jongen Apache den beker met den inhoud in ’t gezicht. Dit was naar Indiaansche begrippen een doodelijke beleediging, die ook onmiddellijk werd gestraft, want Winnetou sloeg den valschaard met de vuist op het hoofd, dat hij op den grond viel. Met moeite stond deze weer op. Reeds maakte ik mij gereed, om tusschenbeide te treden, want ik dacht, dat men tot verdere handtastelijkheden zou overgaan, maar Rattler zag den jongen Apache slechts dreigend aan, en waggelde toen weer naar den wagen terug.
Winnetou droogde zich af en toonde, evenmin als zijn vader, iets van hetgeen in zijn binnenste moest omgaan.
—Ik vraag nog eens, en nu voor de laatste maal,—zeide het opperhoofd—zullen de blanken nog vandaag dit dal verlaten?
—Wij mogen niet,—luide het antwoord.
—Dan verlaten wij het, en is er geen vrede meer tusschen ons.
Ik deed nog een poging om een bemiddeling tot stand te brengen, tevergeefs; de drie mannen gingen zwijgend naar hun paarden.
Daar klonk opeens Rattler’s stem:
—Weg met u, roode honden! Maar dien slag in ’t gezicht zal ik dien jongen betaald zetten!
Tienmaal vlugger, dan men ’t van hem in dezen toestand zou hebben verwacht, had hij een geweer uit den wagen genomen en legde op Winnetou aan. Deze stond op dat oogenblik vrij en zonder dekking. De kogel moest hem treffen, want alles ging zoo snel in het werk, dat geen beweging hem kon redden. Eensklaps echter schreeuwde Kleki-Petra in doodsangst:
—Weg, Winnetou, weg!
Meteen stond hij voor den jongen Apache. Het schot knalde, Kleki-Petra greep met beide handen naar zijn borst, wankelde en viel. In hetzelfde oogenblik evenwel viel ook Rattler, door mijn vuist getroffen, neer. Een kreet van ontzetting weerklonk, alleen de beide Apachen hadden geen enkel geluid geuit. Zij knielden naast hun vriend, die zich had opgeofferd, neer, en onderzochten zwijgend zijn wond. De kogel zat dicht bij ’t hart, het bloed kwam met kracht te voorschijn. Kleki-Petra had de oogen gesloten, zijn gezicht werd vaalbleek.
—Neem zijn hoofd in uw schoot,—verzocht ik Winnetou,—als hij de oogen opent en u ziet, zal dit zijn dood verzachten.
Winnetou voldeed zwijgend aan mijn verzoek, zonder een spier te vertrekken, maar zijn blik bleef rusten op het aangezicht van den stervende. Langzaam opende deze de oogen, hij zag Winnetou aan, en terwijl een gelukkige glimlach over zijn lippen gleed, fluisterde hij:
—Winnetou, schi ija Winnetou!—Winnetou! O, mijn zoon Winnetou!
Toen was het of zijn brekend oog nog iemand anders zocht; het bleef op mij rusten en in het Duitsch verzocht hij mij:
—Blijf bij hem … hem trouw … mijn werk voltooien …
Hij hief zijn hand op, ik nam die in de mijne en antwoordde:
—Ik zal het doen, zeker, ik zal het doen.
Toen kreeg zijn gelaat een bijna bovenaardsche uitdrukking en met stervende stem bad hij:
—Daar valt mijn blad … afgescheurd … niet zacht … het is de laatste boete … ik sterf zooals … als ik het … gewenscht. Mijn God, vergeef … vergeef!… Genade … Genade … Ik kom … ik kom … genade!…
Hij vouwde de handen … nog een bloedgolf uit de wonde en zijn hoofd zonk achterover … hij was dood!
Hij had gewenscht, voor Winnetou te kunnen sterven; hoe spoedig was deze wensch vervuld geworden! Dit was de laatste boete geweest, welke hij kon brengen. God is Liefde en Barmhartigheid. Hij vergeeft den zondaren.
Winnetou legde het hoofd van den doode op het gras, stond langzaam op en zag zijn vader vragend aan.
—Daar ligt de moordenaar, ik heb hem op den grond geworpen,—zeide ik;—doe met hem wat ge wilt.
—Vuurwater!
Dit was het eenige korte antwoord, dat het opperhoofd mij gaf, maar op welk een bitter minachtenden toon werd dat uitgesproken.
—Ik wil uw vriend zijn, uw broeder, ik ga met u!—klonk het uit mijn mond.
Toen spuwde hij mij in ’t gezicht en zeide:
—Schurftige hond, dief, stinkende coyote, als gij het waagt ons te volgen, verpletter ik u!
Had een ander mij dat gezegd, ik zou hem met de vuist hebben geantwoord. Waarom deed ik het nu niet? Had ik, als indringer, deze tuchtiging verdiend? Ik weet het niet, ik liet mij deze woorden welgevallen; mij echter nogmaals aanbieden, kon ik toch ook niet.
De blanken stonden allen zwijgend daarbij, vol spanning wat de Apachen nu zouden doen. Deze verwaardigden ons echter met geen enkelen blik. Zij tilden het lijk op het paard en bonden het vast, toen stegen zij zelf in den zadel en reden langzaam weg. Geen woord van wraak of bedreiging kwam over hun lippen, zij keerden zelfs het hoofd niet naar ons om, maar juist dit stilzwijgen was zoo onheilspellend.
—Dit was verschrikkelijk en kan nog verschrikkelijker worden!—zeide Sam Hawkins.—Daarginds ligt de schurk, nog bewusteloos van uw slag, wat moeten wij met hem doen?
Ik gaf geen antwoord, ik zadelde mijn paard en reed weg; ik moest alleen zijn na dit vreeselijke uur.—Het was reeds laat in den avond, toen ik moe en afgemat, geestelijk en lichamelijk geheel verslagen, in de legerplaats terugkwam.